Toelichting, gewijzigd Bestemmingsplan Uitbreiding Noachschool Schoonrewoerd
Tekst van het document
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
25
Waterschapsbeleid De gemeente en het Waterschap Rivierenland hebben het Stedelijk waterplan Leerdam vastgesteld (mei 2008), waarin de principes van een duurzaam stedelijk waterbeheer nader uitgewerkt worden. Gelet op de verwachte klimaatverandering (nattere winters, drogere zomers, hevigere buien) streven beiden met name naar een veerkrachtiger stedelijk watersysteem. Het waterschap heeft haar beleid vastgelegd in het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 'Versterken, verbinden, vergroenen'. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode wil bereiken en hoe men dat wil doen. Voor kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen in het stedelijk gebied streeft het Waterschap minimaal naar het stand-still beginsel. Dit houdt in dat door bouwplannen de waterhuishouding niet mag verslechteren. Bij de toename van oppervlakteverharding dient er rekening gehouden te worden met de versnelde afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater en het verslechteren en verminderen van de infiltratiecapaciteit van de bodem.
Indien de waterbergende capaciteit in het plangebied ten gevolge van het voorgenomen plan verslechterd, het watersysteem zwaarder wordt belast en het plan niet voldoet aan de voorwaarden en voorschriften uit artikelen 3.22.3 t/m 3.22.6 van de waterschapsverordening dan is het verboden om zonder een omgevingsvergunning voor wateractiviteiten hemelwater af te voeren naar een oppervlaktewaterlichaam of een bergingsgebied. Voor voorliggende planontwikkeling zijn compenserende maatregelen nodig. Dat wil zeggen dat er, conform de rekenregels van het waterschap, voldoende compenserende waterberging wordt aangebracht. Onder het kopje ‘planspecifiek’ wordt beschreven op welke wijze wordt voldaan aan de opgave voor watercompensatie. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk Waterplan Leerdam, Glashelder Water De voormalige gemeente Leerdam heeft in nauwe samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Gemeentelijk Waterplan Leerdam, Glashelder Water (2007) opgesteld. De aanleiding voor het waterplan zijn de knelpunten, ontwikkelingen, maar ook kansen op watergebied, waar gemeenten in de 21ste eeuw mee geconfronteerd worden. Zo is er bijvoorbeeld periodiek sprake van grondwateroverlast, treden waterkwaliteitsproblemen op bij riooloverstortingen en wordt de kwelafhankelijke natuur bedreigt door verdroging. Met het opstellen van het waterplan wordt de gezamenlijke focus aangebracht.
Deze heeft een inhoudelijke dimensie - de samenhang - en een procesmatige dimensie - de samenwerking. Door zowel de samenhang als de samenwerking te versterken, kunnen ambities op het gebied van integraal waterbeheer en de kwaliteit van de leefomgeving worden vergroot. De doelstelling van het waterplan is het realiseren van een gezond en veerkrachtig watersysteem, gebaseerd op een gezamenlijke visie van de gemeente en het waterschap op de inrichting, het gebruik en het beheer en onderhoud van de waterhuishouding. Omgevingsvisie gemeente Vijfheerenlanden In de omgevingsvisie wordt voor de lange termijn een ontwikkelrichting geschetst voor de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is de omgeving waarin wij als mensen leven, wonen, werken, reizen en recreëren. De ontwikkelrichting bouwt voort op waarden en karakteristieken die we als gemeente waarderen. Bij het opstellen van deze visie zijn de waarden en kwaliteiten van de fysieke leefomgeving omschreven en in kaart gebracht na uitvoering bureauonderzoek en participatie. De gemeente Vijfheerenlanden koestert de karakteristieken van haar grondgebied en de herkenbaarheid van de kernen en heeft aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van inrichting en bebouwing van ons grondgebied. De gemeente wil deze kwaliteiten behouden, benutten en versterken bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
26
Als uitwerking van deze doelen zijn diverse ambities opgesteld. Per ambitie wordt de uitgangssituatie geschetst, het ontwikkelperspectief en de mogelijke maatregelen en voorwaarden om te ambities te kunnen vervullen. De ambities luiden als volgt:
• • • • • • • • • • •
We bouwen woningen naar behoefte. We versterken en behouden onze landschappelijke en cultuurhistorische waarden. We zorgen voor duurzame werkgelegenheid. We zetten in op duurzame bereikbaarheid. We zetten in op een toekomstbestendige landbouw. De recreatie in de gemeente past bij onze identiteit. Er zijn voldoende, toegankelijke en bereikbare voorzieningen. We realiseren een leefomgeving die positieve gezondheid stimuleert. We waarborgen een gezonde en veilige leefomgeving. We zijn een klimaatbestendige gemeente en we vergroten de biodiversiteit. We zetten in op een duurzame, energie- en klimaat neutrale inrichting.
Het uitgangspunt is dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen een positieve bijdrage aan de in de visie gestelde ambities en doelen. Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Omgevingsvisie gemeente Vijfheerenlanden Met de extreme weeromstandigheden van de laatste jaren zijn de thema’s droogte en wateroverlast belangrijker dan ooit tevoren. Een goede waterhuishouding is van cruciaal belang voor een leefbare en klimaatbestendige inrichting van onze leefomgeving. Door voldoende ruimte te geven voor groen en water zorgen we ervoor dat water beter kan worden vastgehouden en opgenomen in de bodem.
Niet alleen in het buitengebied is dit van belang, ook in het stedelijk gebied moet voldoende groen en open water zijn (of andere manieren om water op te vangen en vast te houden) om de warmte, de droogte en hevige regenval op te kunnen vangen en het water vast te houden. De gemeente streeft ernaar om de woonplaatsen meer te vergroenen en de hoeveelheid verharding te laten afnemen. Bij nieuwbouwplannen wordt vergroening een voorwaarde (‘Groen groeit mee’). De gemeente heeft met het ondertekenen van de Regionale Adaptatie Strategie (de RAS) afgesproken dat we in 2040 een klimaat adaptieve samenleving zijn, waarin we de gevolgen van klimaatverandering onder controle hebben en houden. Deze afspraak is verankerd in de omgevingsvisie. Dat betekent dat we de komende jaren gaan werken aan voldoende groen en ruimte voor (de opvang van) water, zowel binnen als buiten de bebouwde kom en zowel binnen als buiten de dijken, voldoende koelte- en schaduwplekken en zwemwater. Dat willen we bewerkstelligen door o.a.
• •
Ons in te zetten om wateroverlast in woonwijken en stads-/dorpscentra te voorkomen
•
Nieuwe ontwikkelingen zoveel mogelijk natuurinclusief en klimaatadaptief uitvoeren
Stimuleren van initiatieven die bijdragen aan de versterking van natuurwaarden, biodiversiteit en klimaatbestendigheid, waaronder de realisatie van groen-blauwe schoolpleinen
In de voorgenomen ontwikkeling neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe. Het schoolgebouw wordt aan de achterzijde uitgebreid evenals het schoolplein. Het bestaande schoolplein wordt deels onthard en vergroend door op bepaalde plaatsen verharding te verwijderen en in plaats daarvan waterdoorlatende
27
verharding en/of groen aan te brengen. De extra schaduwplekken verminderen de hittestress en zorgen voor een aangenamer verblijfsklimaat op het schoolplein. Er wordt een groen-blauw schoolplein gecreëerd:
28
Eveneens worden de parkeervakken van zowel de bestaande parkeerplaats als de uitbreiding ervan halfverhard uitgevoerd. Het vergroenen en ontharden van het schoolplein en de parkeerplaats levert een positieve bijdrage aan een klimaatbestendige inrichting van de locatie. De watercompensatie vindt niet plaats in open water, maar in technische voorzieningen. Bij voorkeur wordt de watercompensatie opgelost in open water, omdat het enerzijds meer verkoeling geeft dan een technische voorziening in de grond en anderzijds een positieve bijdrage kan leveren aan de beeldkwaliteit van een locatie. In het tekstgedeelte 'watercompensatie' in deze paragraaf wordt uitgelegd waarom compensatie in open water praktisch niet haalbaar is. Watertoets Op 2 juni 2023 is de digitale watertoets uitgevoerd. Uit de digitale watertoets blijkt dat er sprake is van een gering waterbelang. Daarom worden navolgend de verschillende wateraspecten behandeld. Watercompensatie In de huidige situatie is de uitbreidingslocatie vrijwel volledig onverhard. In de onderstaande tekening is dit in beeld gebracht:
Bestaande
situatie
oppervlakteverharding
en
bebouwing
(bron:
Gebiedsmanagers,
d.d.
februari
2024)
Met de voorgenomen ontwikkeling van de uitbreiding van de school neemt het verhard oppervlak toe: er wordt circa 722,5 m² aan nieuwe verharding toegevoegd. De aanleg van halfverharde parkeervakken, het vergroenen van een deel van het bestaande schoolplein en de aanleg van een kleiner trapveld op het bestaande schoolplein met waterdoorlatende verharding zorgt op die onderdelen voor een afname van de hoeveelheid verhard oppervlak op die bewuste plek. De haag bij de parkeervakken wordt verplaatst, maar blijft qua oppervlaktebeslag hetzelfde en is zodoende niet meegenomen in de balans. De aangebouwde overkapping bij de schuur wordt gesloopt en op diezelfde sloopplek wordt een schoolplein gerealiseerd waardoor het verhard oppervlak op die plek per saldo hetzelfde blijft. Bepaalde delen van het bestaande schoolplein worden vergroend. In de verhardingstabel wordt de berekening van de toename aan oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt. De bedrijfswoning met bijbehorend erf en de naastgelegen
29
verkeersbestemming in het plangebied worden buiten beschouwing gelaten aangezien er qua oppervlakteverharding en bebouwing niets wijzigt op die plekken. Oppervlakteverharding 1328,5 m² - Schoolplein 233,5 m² - Parkeerterrein met oprit 50 m² - Tegelpad naast schuur met overkapping
Bebouwing 993 m² (schoolgebouw) 15,5 m² (twee containers) 78 m² schuur met overkapping
12,5 m² – Grind naast schuur met overkapping Subtotaal: 1624,5 m² Totaal: 2.711 m²
Subtotaal: 1086,5 m²
Bestaande situatie
Oppervlakteverharding 448,5 m² - uitbreiding schoolplein Geluidsscherm 10 m² Schutting 4 m² Rooien gedeelte heg bestaand schoolplein: 11 m² - 135 m² nieuwe groenaanleg ter plaatse van huidig schoolplein - 109,5 m² waterdoorlatende verharding trapveldje - 72,5 m² halfverharding 12 parkeervakken - 16 m² Groene erfafscheiding Subtotaal: 140,5 m² Totaal toename: 722,5 m²
Bebouwing Nieuwbouw 582 m²
Subtotaal: 582 m²
Toename verharding en bebouwing t.o.v. bestaande situatie
In onderstaand figuur is de toename in bebouwing en oppervlakteverharding inzichtelijk gemaakt.
30
Situatietekening watercompensatie
De uitbreiding aan de achterzijde van het bestaande schoolgebouw beslaat ca. 632 m². Deze uitbreiding vindt grotendeels plaats op de onverharde groenstrook achter het bestaande schoolgebouw en voor een klein gedeelte op bestaande verharding (ca. 50 m²). Dat betekent dat de hoeveelheid verharding ten gevolge van de nieuwbouw van de uitbreiding per saldo met 582 m² toeneemt.
31
In de beoogde situatie wordt een nieuw schoolplein aangelegd met een oppervlakte van 511 m² uitgebreid. Het nieuwe schoolplein loopt tot aan de zuidkant van de bestaande schuur. De aangebouwde overkapping wordt gesloopt. Het grootste gedeelte van het nieuwe schoolplein wordt gerealiseerd op de onverharde groenstrook achter het bestaande schoolgebouw. De beoogde uitbreidingslocatie van het schoolplein is op kleine delen reeds verhard met tegels en grind. Er ligt voor ca. 25 m² aan grind en ca. 50 m² aan tegels op de beoogde locatie van het schoolplein. Volgens de begripsbepaling van 'gesloten verharding' en 'halfverharding' in de waterschapsverordening van het waterschap Rivierenland worden tegels en grind respectievelijk aangemerkt als gesloten verharding en half verharding. Dat betekent dat grind voor 50% verhard oppervlakte telt. Per saldo neemt ten gevolge van de aanleg van het schoolplein het verhard oppervlak toe met 448,5 m².
Tegels en grind rondom schuur en overkapping
Een gedeelte van het bestaande schoolplein ter grootte van 135 m² wordt getransformeerd voor nieuwe groenaanleg. De oppervlakte is bij deze vastgelegd, maar de exacte invulling van de nieuwe groenaanleg wordt in een later stadium verder uitgewerkt. In zijn totaliteit neemt de hoeveelheid oppervlakteverharding en bebouwing met 722,5 m² toe. Volgens de eisen van het Waterschap Rivierenland dient een toename aan verharding in stedelijk gebied van meer dan 500 m² gecompenseerd te worden. Aangezien de toename aan verharding bij voorliggend plan groter is dan 500 m² dient watercompensatie plaats te vinden. Compensatie in open water heeft de voorkeur, maar in het plangebied zijn hiervoor geen mogelijkheden. Daardoor wordt de compensatieopgave opgelost in technische voorzieningen, in de vorm van infiltratiekratten. Conform de beleidsregels bij de Keur Rivierenland 2014 kan met de toename aan verharding het te compenseren wateroppervlak berekend worden. Bij waterberging met een technische voorziening hanteert waterschap Rivierenland een hogere watercompensatie (664 m³) dan bij compensatie in open water (436
32
m³) voor elke hectare aan toename van de oppervlakteverharding. In dit geval is er (722,5*0,0664 m³=) 48,0 m³ waterberging in technische voorzieningen nodig of 31,5 m³ in open water. Het waterschap hanteert een bepaalde voorkeursvolgorde voor het realiseren van de watercompensatie:
• • •
Waterberging binnen het plangebied Waterberging in de sloot die regenwater uit het plangebied afvoert Waterberging binnen hetzelfde peilgebied
Met dien verstande dat eerst gekeken moet worden naar de mogelijkheid om de toename van verhard oppervlak te verkleinen. Daarbij geldt dat compensatie in open water de voorkeur geniet boven compensatie in technische voorzieningen, zoals wadi’s of kratten. Waterberging binnen het plangebied In het kader van de watercompensatie is onderzocht of er een nieuwe watergang kan worden aangelegd in het plangebied. De enige geschikte plek zou de boomgaard zijn, waar een sloot kan worden gegraven haaks op en in verbinding met de Kortgerechtse Wetering. Het aanleggen van de sloot dwars door de boomgaard betekent een ernstige aantasting van de cultuurhistorische waarde van de boomgaard. De cultuurhistorische waarde van de boomgaard is met de nieuwbouw al aangetast. Een verdere aantasting van de cultuurhistorische waarde van de boomgaard is om cultuurhistorische overwegingen onwenselijk. Waterberging in de sloot die regenwater uit het plangebied afvoert Er is gekeken of er binnen het plangebied nog extra open water kan worden gerealiseerd. De meest voor de hand liggende oplossing is om aan de oostkant van het plangebied de watergang te verbreden en zodoende extra waterberging te realiseren. Aan de oostgrens van het plangebied loopt de Kortgerechtse Wetering over een lengte van ruim 120 m langs het plangebied.
De vereiste waterberging in open water van 31,5 m³ komt overeen met een wateroppervlak van 157,5 m² op zomerwaterpeil (31,5 m²/0,2m peilstijging). Dat betekent dat de watergang over de gehele lengte van 120 m ongeveer 1,31 m verbreed moet worden. Tussen het bestaande schoolgebouw en de watergang ligt een groenstrook met een bomenrij. Deze groenstrook heeft op de planverbeelding de groenbestemming. Aan de oever van deze groenstrook is een beschoeiing aangebracht en onder het maaiveld liggen enkele buizen voor de hemelwaterafvoer. Als de watergang ten koste van deze groenstrook wordt verbreed zal de beschoeiing verwijderd moeten worden en opnieuw worden aangebracht evenals de hemelwaterafvoer. De bomenrij op deze groenstrook komt niet in het geding. De oever ter hoogte van de boomgaard is niet beschoeid. Deze oever heeft op de planverbeelding de tuinbestemming. Het verbreden van de watergang zal ten koste gaan van de boomgaard. De aanwezige boomgaard vormt, samen met de andere tuinen ten westen langs de Kortgerechtse Wetering, een cultuurhistorisch waardevolle groenstrook. De fruitbomen komen niet in het geding. De hoge archeologische verwachtingswaarden in het gehele plangebied en de cultuurhistorische waarden ter plaatse van de boomgaarden beperken de mogelijkheid, om zonder nader onderzoek, binnen het plangebied watercompensatie aan te brengen.
Het betrokken cultuurhistorisch adviesbureau heeft geadviseerd om de cultuurhistorische waarden van de groenstrook niet verder aan te tasten. Deze conclusie is ter harte genomen en er is niet verder onderzocht of met de verbreding van de watergang de cultuurhistorische waarde van de boomgaard niet onevenredig wordt aangetast en/of archeologische waarden worden geschaad. Waterberging binnen hetzelfde peilgebied Er is overwogen om de watercompensatie van voorliggend plan onder te brengen op de beoogde woningbouwlocatie ten oosten van de huizen aan de Bongerd en ten zuiden van het volkstuinencomplex. Deze locatie is met de vaststelling van de dorpswoonvisie van Schoonrewoerd formeel aangewezen als uitbreidingslocatie aan de dorpsrand van Schoonrewoerd. Vooruitlopend op de woningbouwontwikkeling op deze locatie zou er ter plekke alvast een nieuwe watergang gegraven kunnen worden ten behoeve van de watercompensatie van voorliggend plan. Deze oplossing is complex en kostbaar.
33
Tijdens een informeel overleg met het waterschap is aangegeven dat een nieuwe watergang moet voldoen aan de (vorm-)vereisten van een B-watergang en aangesloten moet worden op het bestaande watersysteem. Een B-watergang wordt ook wel een secundaire watergang genoemd. Het graven van een nieuwe Bwatergang is, gelet op artikel 2.2.7 van de waterschapsverordening van waterschap Rivierenland, (water)vergunningsplichtig. In artikel 14 van de beleidsregels bij de waterschapsverordening worden specifieke (vorm-)eisen gesteld aan de nieuwe watergang. Het aanleggen van een nieuwe watergang volgens die specifieke vormvereisten op grond van een commerciële partij is kostbaar. Bovendien moet de watergang aangesloten worden op het bestaande watersysteem. In de directe omgeving van de locatie liggen enkele Cwatergangen. Een C-watergang wordt ook tertiaire watergang genoemd. Deze watergangen zouden gelet op de bergings- en afvoerook omgevormd moeten worden naar een B-watergang om voldoende bergings- en afvoercapaciteit te realiseren en doelmatig onderhoud mogelijk te maken. In onderstaande figuur is de zoeklocatie van de nieuwe watergang indicatief gemarkeerd op de legger wateren van het waterschap Rivierenland. Op deze legger is per watergang de status aangeven. Uiterst links op het figuur de schoollocatie met daarnaast de Kortgerechtse Wetering.
Uitsnede legger wateren (oktober 2020, waterschap Rivierenland)
In de praktijk betekent dat er ingrijpende grond- en waterwerkzaamheden moeten plaatsvinden op een locatie die niet in handen is van de gemeente. Aangezien deze ingrepen kostbaar en tijdrovend is deze optie niet verder verkend. Waterberging in technische voorzieningen binnen het plangebied Aangezien de compensatie in open water om moverende redenen niet tot de mogelijkheden behoort is de afweging gemaakt om de watercompensatie op te lossen in een technische voorziening. Bij de uitwerking van de wateropgave zijn twee technische voorzieningen verder uitgewerkt, namelijk Bufferblocks en infiltratiekratten. Gelet op de uitstekende waterbergende capaciteit en het gemakkelijk onderhoud gaat de voorkeur uit voor een oplossing met Bufferblocks. De technische voorziening moet in zijn geheel boven de gemiddelde hoogste waterstand worden aangebracht en de bodem moet voldoende infiltratiecapaciteit hebben. Het adviesbureau van Dijk heeft onderzocht wat de gemiddelde hoogste grondwaterstand is en de samenstelling van de bodem ter plaatse van de beoogde locatie van de technische voorziening (zie bijlage x). De technische voorziening wordt niet dieper aangelegd dan NAP + 0,1 m. De infiltratiecapaciteit van de ondergrond en het infiltratieoppervlak van de kratten is onvoldoende.
Conform de aanbevelingen van het onderzoeksbureau zal ter plaatse van de technische voorziening de kleibodem vervangen worden door een zandlaag, zodat de bodem voldoende infiltratiecapaciteit heeft, een gepaste afstand worden aangehouden tussen de voorziening en de
34
uitbreiding en de afstand van voorziening ten opzichte van de gemiddeld hoogste grondwaterstand worden gemaximaliseerd. Aangezien er voor het aanbrengen van de technische voorzieningen de bodem tot een diepte van 1,5 m onder het maaiveld wordt geroerd en de bodemsamenstelling drastisch wordt aangepast is het van belang om te beoordelen of er met de voorgenomen grondwerkzaamheden geen archeologische waarden in het geding komen. Bij een eerder uitgevoerd proefsleuvenonderzoek zijn resten van een mogelijk middeleeuws erf aangetroffen, op basis van vondsten te dateren tussen ca. 1250 en 1550. De vindplaats is door de bevoegde overheid als behoudenswaardig aangemerkt en kan niet in situ bewaard blijven. Daartoe heeft het bevoegd gezag besloten dat de sporen en vondsten van deze behoudenswaardige vindplaats middels een opgraving moesten worden veiliggesteld. Alle behoudenswaardige archeologische resten in de bodem ter plaatse van de uitbreiding van het schoolgebouw en de locatie van de technische voorziening van de watercompensatie tot ruim 2 m onder het maaiveld zijn verwijderd uit de bodem. Zodoende komen er geen archeologische waarden in het geding met het aanbrengen van de technische voorziening onder de grond en de bouw van de uitbreiding van het schoolgebouw aangezien de waardevolle archeologische resten reeds verwijderd zijn met de opgraving.
Zoals gezegd is er 48,0 m³ (48 000 liter) aan watercompensatie nodig in technische voorzieningen. De gemiddelde maaiveldhoogte ter hoogte van de beoogde plek van de Bufferblocks is + 1,6m NAP en de maatgevende hoogste grondwaterstand + 0,1 M NAP. Dat betekent dat er ca. 1,5 m ruimte/diepte is voor de technische de technische voorziening. Met een minimaal aanbevolen gronddekking tussen 0,25 en 0,5 m boven de kratten en een dikte van waterdoorlatende tegels van 0,1 m. Blijft er effectief tussen 1,15 m en 0,9 m ruimte over om de technische voorziening voldoende gronddekking te bieden en boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand te blijven. De beoogde locatie van de technische voorzieningen is de strook grond ten westen van de uitbreiding (zie blauwe markering navolgende situatietekening). Deze strook beslaat 190 m².
Beoogde locatie technische voorziening met overstortvoorziening
Vegetatiedak De optie voor een vegetatiedak is afgevallen aangezien pas vanaf 1.000 m² dakoppervlak deze component wordt betrokken in de berekening van de toename van de oppervlakteverharding. De benodigde hoeveelheid dakoppervlak is op de nieuwbouw niet beschikbaar en op het bestaande gebouw zouden de
35
zonnepanelen moeten wijken. Bovendien is het een relatief dure oplossing voor watercompensatie die slechts een geringe reductie van het verhard oppervlak teweeg brengt (30%). Bufferblocks De Bufferblocks hebben volgens de officiële productinformatie van de fabrikant een waterbergende capaciteit van 266 l/m² voor enkellaagse toepassing en 532 l/m² voor de dubbellaagse oplossing. Met de beoogde ondergronds aanleg van twee lagen Bufferblocks met een oppervlaktebeslag van 90 m² wordt een waterbergende capaciteit aangelegd van ca. 48.000 liter.
Waterbergende capaciteit Bufferblocks (bron: bufferblock.nl)
36
Bufferblocks aangesloten op straatkolk (Peters & Lammerink, juli 2024)
De Bufferblocks zijn aangesloten op een overstortvoorziening. Indien het hemelwater niet snel genoeg via de Bufferblocks kan infiltreren in de bodem zal het resterende water via een overstortvoorziening worden geloosd op de Kortgerechtse Wetering. In overleg tussen gemeente en schoolbestuur worden afspraken gemaakt over het onderhoud. Deze afspraken worden vastgelegd in een onderhoudsplan. Infiltratiekratten Infiltratiekratten zijn er verschillende soorten en maten. Gelet op de aanbeveling van het onderzoeksbureau van Dijk is gekozen voor een infiltratiekrat met een groot wandoppervlak. In het onderzoek van van Dijk wordt aanbevolen om een groot wandoppervlak van de infiltratiekrat te nemen, zodat het water een groter oppervlak heeft om te infiltreren in de bodem. De bodemoppervlakte wordt wat dat betreft (meestal) buiten beschouwing gelaten gelet op het geleidelijk dichtslibben van de bodem. Aanvankelijk is een infiltratiekrat ter hoogte van 60 cm voorgelegd aan het onderzoeksbureau. Bij de uitwerking van de watercompensatie met infiltratiekratten is gelet op bovenstaande aanbeveling een grotere hoogte (c.q. wandoppervlak) van de infiltratiekrat aangehouden. Er wordt een overstortvoorziening aangebracht zodat het resterende hemelwater dat niet snel genoeg kan infiltreren in de bodem geloosd
37
wordt op de Kortgerechtse Wetering. Daarnaast wordt er ook een zand-slibvang geplaatst bij de voorziening. In onderstaand figuur wordt een impressie gegeven van de beoogde oplossing:
Infiltratiekrat onder bestrating met overloop (bron: atelier Groenblauw)
Gelet op de beschikbare ruimte in de bodem voor de infiltratiekratten tussen 1,15 m en 0,9 m is er gerekend met gestapelde infiltratiekratten met een gecombineerde hoogte van 80 en 90 cm. Twee gestapelde infiltratiekratten van 120 x 120 x 40 cm hebben een gecombineerde hoogte van 80 cm en gecombineerde waterbergende capaciteit van 1200 liter. De effectieve waterbergende capaciteit van de krat is 95%. Dat betekent dat 84 (gestapelde) infiltratiekratten kunnen voorzien in de gevraagde watercompensatie van 48.000 liter. Hiermee is een oppervlakte van 60,48 m² gemoeid. Voor de oplossing met de infiltratiekratten van gezamenlijk 90 cm hoog kunnen kratten van 50 cm en 40 cm of 60 cm en 30 cm gecombineerd worden. Bij eerstgenoemde optie kunnen kratten van 180 x 120 x 50 cm en 180 x 120 x 40 cm opgestapeld worden met een gecombineerde waterbergende capaciteit van 1900 liter. In dit geval zijn er 27 van elke krat nodig om te voldoen aan de wateropgave. Hiermee is een oppervlakte gemoeid van is een oppervlakte benodigd van 58,32 m². Waterkeringen Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Rivierenland blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen een waterkering of beschermingszone van een waterkering. Er zijn dan ook geen belemmeringen van het voorliggende plan ten aanzien van waterkeringen.
Watergangen Uit het raadplegen van de legger van het Waterschap Rivierenland blijkt tevens dat het plangebied grenst aan een primaire watergang, de Kortgerechtse Wetering. Deze watergang wordt in het geldende bestemmingsplan geflankeerd door een dubbelbestemming 'Waterstaat - Obstakelvrije zone'. De gronden binnen deze zone zijn, behalve de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor een obstakelvrije groen- en/of waterstrook ten behoeve van het beheer en onderhoud van de watergang. In het voorliggende plan wordt deze dubbelbestemming gehandhaafd ter behoud en bescherming van de zone.
38
Waterafvoer Van belang bij een nieuwe ontwikkeling is een is een goede afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt. De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:
• •
de riolering wordt ontlast waardoor minder overstorten van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert;
•
schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.
Bij voorliggend plan bestaat het voornemen het hemelwater af te koppelen van het riool en het te infiltreren in de bodem en af te voeren op de Kortgerechtse Wetering. Het water dat valt op het schoolplein zal afwateren in de boomgaard en andere groenstroken rondom het schoolplein. Verder worden er geen uitlogende materialen toegepast. Conclusie Door de toename van verhard oppervlakte is het gelet op de versnelde afvoer van hemelwater afvoer noodzakelijk om maatregelen te treffen voor het bergen, vasthouden en infiltreren van hemelwater. In dit plan wordt rekening gehouden met het waterhuishoudkundige belang van een goede waterberging, infiltratiecapaciteit van de bodem en hemelwaterafvoer in het plangebied. In voorliggend plan wordt middels technische voorzieningen voorzien in voldoende waterberging. Het hemelwater kan ter plaatse van het groen en de technische voorzieningen infiltreren in de bodem. Op bepaalde plekken op het schoolplein (en ter plaatse van de parkeervakken) wordt groen gerealiseerd. Dit levert een positieve bijdrage aan de klimaatadaptieve inrichting en beeldkwaliteit van de locatie. In dit plan is voorzien in een goede waterhuishouding en zijn maatregelen getroffen om de nieuwe situatie klimaatadaptief in te richten.
4.7 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
39
Milieuzonering is echter niet bedoeld voor het beoordelen van bestaande situaties waarbij gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies op minder dan de richtafstand van elkaar staan, maar wordt alleen toegepast bij nieuwe ruimtelijk ontwikkelingen. Planspecifiek Het voorliggende plan maakt de uitbreiding van een schoolgebouw ten behoeve van een kinderdagverblijf en peuterspeelzaal mogelijk, wat gevoelige functies zijn is. Er dient daarom beschouwd te worden of de ontwikkeling gehinderd wordt door omliggende milieubelastende activiteiten. Aan de hand van de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is gekeken of er voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Het plangebied is gelegen in de kern van Schoonrewoerd, met woon-, bedrijfs-, maatschappelijke- en gemengde bestemmingen in de omgeving. De omgeving van het plangebied kan daarom gezien worden als een gemengd gebied waardoor de richtafstanden met een afstandsstap kunnen worden verlaagd. Navolgend worden de functies in de omgeving beschouwd. Steenovenweg 4 De beoogde uitbreiding ligt binnen de onderzoekszone van het geluidgezoneerde industrieterrein aan de Steenovenweg 4 (de kaasfabriek). In dit kader is er een advies/berekening bij de ODRU (de zonebeheerder) opgevraagd. De resultaten hiervan zijn verwerkt in toelichting paragraaf 4.4.
Er is geen sprake van een geluidbelasting op het nieuwe gedeelte van de school hoger dan de voorkeursgrenswaarden ten aanzien van het bedrijf. Dorpsstraat 10 Aan de Dorpsstraat 10 is de landwinkel Van Buuren Fruit gevestigd, wat een bedrijf van milieucategorie 1 is. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 0 m. De afstand ten opzichte van de uitbreiding is minimaal 50 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Dorpsstraat 32 Aan de Dorpsstraat 32 is een bakkerij gevestigd, wat een bedrijf met milieucategorie 2 en een richtafstand van 10 m is. De afstand tot het plangebied is circa 15 m, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand. Gemengde bestemmingen Verder zijn er diverse percelen aan de Dorpsstraat voorzien van de bestemming 'Gemengd'. Binnen deze bestemming zijn detailhandel en publieksgerichte dienstverlening toegestaan. Dit zijn bedrijven tot maximaal categorie 1 met een richtafstand van 0 m. Het dichtstbijzijnde perceel met een gemengde bestemming is op circa 10 m afstand gelegen, de andere percelen liggen op grotere afstand. Er zijn dan ook ten aanzien van de gronden met een gemengde bestemming geen belemmeringen te verwachten. Milieubelasting door de uitbreiding Een school is niet alleen een gevoelige functie, maar is ook aan te merken als milieubelastende activiteit. Er liggen meerdere woningen binnen de richtafstand van de school (10 m).
Het aspect geluid is daarbij maatgevend. Hierbij is hoofdzakelijk het stemgeluid van de leerlingen bij het buitenspelen relevant. Stemgeluid van spelende kinderen wordt in het Activiteitenbesluit buiten beschouwing gelaten, waardoor de school niet wordt belemmerd in haar bedrijfsvoering. Wel dient een goed woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen te worden aangetoond. Omdat met de beoogde uitbreiding ook speelruimte aan de noordkant van de school ontstaat kunnen omwonenden hinder ervaren. In dit kader is een akoestisch onderzoek industrielawaai naar de beoogde uitbreiding uitgevoerd (Adviesburo VanderBoom, 22-144, d.d. 3 november 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 6). Navolgend zijn de conclusies van dit onderzoek beschreven.
40
Rekenmodel met rekenpunten (bron: Adviesburo VanderBoom)
- Resultaten Volgens stap 2 van het toetsingskader voor geluid is inpassing mogelijk indien het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau niet hoger is dan de richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode. Deze richtwaarde voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau wordt onder de gebruikte uitgangspunten in 5 punten (bij 3 woningen) overschreden. De richtwaarde voor het maximale geluidniveau van 70 dB(A) wordt onder de gebruikte uitgangspunten bij de dezelfde 3 woningen overschreden. De geluidbelasting door spelende kinderen op de nabijgelegen woningen- met name aan de Schoonrewoerdse Kerkweg 1a en 3 en het Hazenblok 13g - is onvoldoende laag om een goed (aanvaardbaar) woon- en leefklimaat te garanderen. De school zal overigens niet worden belemmerd in haar bedrijfsvoering aangezien stemgeluid bij toetsing aan het Activiteitenbesluit is uitgezonderd van toetsing aan de grenswaarden. - Maatregelen en binnenniveaus Om de geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de school te reduceren zijn de volgende maatregelen denkbaar:
• •
Beperken van de bron (emissie); dit is geen realistische optie aangezien de school al aanwezig is. Beperken van de geluidoverdracht naar de omgeving: dit kan door bijvoorbeeld aan de zuid/westzijde van het schoolplein een afscherming te plaatsen.
•
Beperking binnenniveaus: bij hoge gemiddelde en maximale geluidniveaus buiten op de gevel kunnen de binnenniveaus worden gegarandeerd. Aangezien het gaat om bestaande woningen is dit geen realistische optie.
- Stap 3 en 4 Wanneer stap 3 uit de VNG-brochure wordt genomen dan ontstaat er 5 dB(A) geluidruimte, maar kan nog niet bij alle woningen aan de richtwaarden worden voldaan. Dat kan eventueel wel in stap 4. Cumulatie van geluid moet in zowel stap 3 als stap 4 ook in beschouwing worden genomen. Met voornoemde maatregelen kan nog niet worden voldaan aan de grenswaarden uit stap 1, 2 en 3 van de VNG. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 is buitenplanse inpassing veelal niet
41
mogelijk. Desalniettemin kan het bevoegd gezag tot inpassing overgaan (stap 4), maar dit dient goed te worden onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd. Tevens dient de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidbelasting worden betrokken. Uit toelichting paragraaf 4.4 bleek dat de geluidbelasting door wegverkeer en industrielawaai niet boven de 50 dB uitkomt. De geluidbelasting door de school is daarmee in de relevante punten maatgevend. Volgens de methode Miedema ligt de cumulatieve geluidbelasting dan ca. 1-2 dB(A) hoger dan alleen de geluidbelasting van de school. Er zijn geen normen voor cumulatieve geluidbelasting, maar deze ligt daarmee maar beperkt hoger dan de geluidbelasting van de school. Naar aanleiding van de zienswijzen zijn er enkele aanpassingen in het plan doorgevoerd. Zo is besluiten een afscherming aan de zuidwestzijde van het schoolplein te realiseren en zal de boomgaard gebruikt worden voor sporadische educatie. In een aanvullend akoestisch onderzoek zijn deze aanpassingen doorgerekend (Adviesburo VanderBoom, 22-133, d.d. 16 januari 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7). Hieruit blijkt dat met de aanpassingen aan de richtwaarden kan worden voldaan. Extra afscherming is niet vereist. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan geen afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat bij omliggende woningen.
4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep
42
slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat scholen en kinderdagverblijven kwetsbare objecten zijn. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze risicokaart.
43
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlasleefomgeving.nl)
Op de uitsnede van de risicokaart is te zien dat ten noorden van het plangebied een inrichting met gevaarlijke stoffen aanwezig is. Dit betreft de kaasfabriek, door de aanwezigheid van een ammoniakinstallatie. De fabriek is niet voorzien van een plaatsgebonden risicocontour. Gezien de ruime afstand (circa 200 m) tussen de inrichting en het plangebied is het te verwachten dat er geen belemmeringen zijn van de inrichting ten aanzien van de ontwikkeling van de school. Verder zijn er in de omgeving geen relevante risicobronnen aanwezig. Er kan geconcludeerd worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmering voor het plan vormt.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de bepalingen over omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving van de Erfgoedwet overgaan naar de Omgevingswet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
44
Gemeentelijk beleid Ter bescherming van archeologische waarden heeft de voormalige gemeente Leerdam een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van deze kaart ter plaatse van het plangebied opgenomen.
Archeologische beleidsadvieskaart, plangebied rood omkaderd (zeer hoge archeologische verwachting)
Planspecifiek Het plangebied is in het huidige bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 1', wat betekent dat de gronden bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Deze hoge verwachtingswaarde is bevestigd in de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de voormalige gemeente Leerdam. Bij bodemingrepen binnen deze zone dient archeologisch onderzoek plaats te vinden. In het kader van de aanleg van het huidige schoolgebouw heeft in 2018 archeologische opgraving en archeologische begeleiding plaatsgevonden (SOB Research, 24341607, d.d. november 2018, zie bijlagen bij toelichting bijlage 8). Uit dit onderzoek blijkt dat in het zuidelijke deel van het plangebied een waardevolle archeologische vindplaats aanwezig is. Al op een diepte van 10 cm en soms zelfs direct aan maaiveld kunnen archeologische resten worden aangetroffen. Ook onder het huidige schoolgebouw zijn nog archeologische waarden aanwezig. Ingrepen kleiner dan 30 m² en tot een diepte van 30 cm kunnen dus ook al archeologische waarden aantasten. Om deze waarden te beschermen is in voorliggend bestemmingsplan een dubbelbestemming opgenomen, waarin bodemingrepen zonder nader archeologisch onderzoek uitgesloten worden. Ook voor het noordelijke deel van het plangebied is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (SOB Research, 2887-2108, d.d.
november 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9). Uit dit onderzoek is gebleken dat de beoogde ontwikkeling mogelijk leidt tot de aantasting van behoudenswaardige archeologische waarden. Archeologisch vervolgonderzoek werd daarom noodzakelijk geacht. Dit is inmiddels uitgevoerd. Ook in het noordelijke deel van het plangebied is een waardevolle archeologische vindplaats aanwezig. Bij het proefsleuvenonderzoek ter plaatse van de geplande uitbreiding van de school zijn archeologische resten van een Middeleeuws erf gevonden, met een datering in de periode 1250 – 1550 AD (zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). De aangetroffen resten bestaan uit onder andere een mestkuil en twee forse greppels of grachten. Verder is nog een aantal kleine greppeltjes (mogelijk moesbedden), twee paalkuilen en een kuil aangetroffen. Deze resten zijn als behoudenswaardig beoordeeld. De gemeente heeft daarom besloten dat deze vindplaats voorafgaand aan de uitbreiding van de school moest worden opgegraven. Ook de locatie van de geplande infiltratiekratten is opgegraven.
45
Alle behoudenswaardige archeologische resten in de bodem ter plaatse van de uitbreiding van het schoolgebouw en de locatie van de technische voorziening van de watercompensatie tot ruim 2 m onder het maaiveld zijn verwijderd uit de bodem (zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Zodoende komen er geen archeologische waarden in het geding met het aanbrengen van de technische voorziening onder de grond en de bouw van de uitbreiding van het schoolgebouw aangezien de waardevolle archeologische resten reeds verwijderd zijn met de opgraving. Er kan geconcludeerd worden dat er met het plan geen archeologische waarden worden geschaad.
4.10 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Geldend bestemmingsplan In het geldende bestemmingsplan is het volgende opgenomen over de tuinen aan de Kortgerechtse Wetering. 'De tuinen langs de Kortgerechtse Wetering hebben ook een cultuurhistorische waarde. Deze tuinen zijn daarom voorzien en beschermd door middel van een dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie. De tuinen vormen tezamen een groenstrook, dat onderdeel is van de oorspronkelijke dorpsstructuur. De groenstrook is ingericht als groengebied en boomgaard en is vanuit de aangrenzende woonwijk ervaarbaar als groene ruimte. Met name vanaf de Anthoniuswerf is sprake van een karakteristiek zicht op het open en groene gebied.
Door het gebied te beschermen zal deze ook in de toekomst structureel onderdeel kunnen zijn van de historische dorpskern van Schoonrewoerd.' Planspecifiek Gezien het bovenstaande doet de uitbreiding van het schoolgebouw mogelijk afbreuk aan de waarde van dit gebied. Vanwege de dubbelbestemming mogen op deze gronden in beginsel geen gebouwen worden gebouwd. Het college van B&W kan alleen van dit verbod afwijken na een schriftelijk advies van een cultuurhistorisch deskundige waarin is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkelingen de aanwezige cultuurhistorische waarden niet onevenredig zullen of kunnen schaden. Er zijn diverse ontwerpen van de beoogde uitbreiding beschouwd in relatie tot de cultuurhistorische waarde van het plangebied in de 'Adviesnotitie boomgaard achter Dorpsstraat 26, Schoonrewoerd opnieuw beoordeeld' (Bureau Helsdingen, d.d. 31 januari 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12). Door de architect zijn diverse varianten uitgewerkt die door alle betrokkenen op locatie zijn besproken op 15 december 2022. Tijdens dit overleg zijn alle betrokken partijen tot de overeenstemming gekomen dat het ontwerp voldoende rekening houdt met de cultuurhistorische waarden van de boomgaard als de uitbreiding zo veel mogelijk in de hoek zonder beplanting wordt gerealiseerd en als minstens 75% van de boomgaard behouden blijft.
Met dit uitgangspunt is een nieuwe variant uitgewerkt, die op 11 januari 2023 is besproken. In dit ontwerp blijft de cultuurhistorische waarde van de boomgaard voldoende behouden. Ook de oorspronkelijke dorpsstructuur van Schoonrewoerd blijft in dit ontwerp herkenbaar. Een aspect dat vanuit cultuurhistorisch oogpunt zeer wenselijk is, is dat de schuur achter Dorpsstraat 26 behouden blijft en door de school in gebruik genomen gaat worden als berging. Ook deze schuur is immers van cultuurhistorische waarde. Een verdere voorwaarde voor de goedkeuring van het ontwerp is dat het terrein verder niet versteend. Een strook verharding direct langs de bebouwing is het maximaal toelaatbare. Als er verder paden aangelegd moeten worden door de boomgaard, kan dit het best met boomschors of ander organisch materiaal.
46
Het is onvermijdelijk dat tijdens de bouwwerkzaamheden enkele bomen gerooid moeten worden. Dit is an sich geen inbreuk op de cultuurhistorische waarde; deze betreft namelijk de aanleg als geheel. Om de aanleg herkenbaar te houden, is het voldoende om het aantal gerooide bomen her te planten volgens het ritme van de boomgaard. Dit mogen ook nieuwe bomen zijn; de individuele bomen zijn namelijk niet cultuurhistorisch waardevol. Wel is het van belang dat de juiste soorten worden herplant. Indien het huidige ontwerp onveranderd wordt gerealiseerd en de geadviseerde werkwijze wordt gevolgd zijn er geen belemmeringen vanuit cultuurhistorisch oogpunt ten aanzien voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet in de uitbreiding van de Noachschool met een uitbouw aan de noordzijde van het bestaande schoolgebouw. Er wordt een toekomstbestendige situatie gecreëerd waarbij voldoende ruimte is voor het basisonderwijs in combinatie met een peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang (BSO) en kinderdagopvang (KDV). Momenteel zijn twee kleuterklassen noodgedwongen ondergebracht in de Regenboogschool.
Deze twee groepen kinderen worden in de beoogde situatie gehuisvest in het nieuwe schoolgebouw. Tezamen met de peuterspeelzaal, buitenschoolse opvang en kinderdagopvang. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is het niet mogelijk om gebruik te maken van de kengetallen uit publicatie 381 van het CROW, omdat deze ontbreken voor basisscholen. Er kan wel aangesloten worden bij de gebiedsaanduiding 'rest bebouwde kom' en 'niet stedelijk' , om vervolgens een inschatting te maken van de verkeersgeneratie, rekening houdend met het aantal benodigde parkeerplaatsen. De verkeersgeneratie wordt in beeld gebracht voor de gehele toekomstige situatie, dus niet alleen voor de toename ten gevolge van de nieuwe vleugel. In de huidige situatie zijn er 10 personeelsleden voor het onderwijs aan de midden- en bovenbouw van de basisschool. In de beoogde situatie komen daar nog 14 personeelsleden bij voor de onderbouw van de basisschool, peuterspeelzaal, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. De verwachting is dat 75% van het personeel met de auto komt. Op het parkeerterrein voor de school zijn momenteel 6 parkeerplaatsen aanwezig en dit aantal wordt in de beoogde situatie uitgebreid naar 12 parkeerplaatsen. 12 parkeerplaatsen leiden bij een bezetting van één per dag tot een verkeersgeneratie van (2*12=) 24 voertuigbewegingen.
Ook door het halen en brengen van de basisschoolleerlingen (maximaal 205 leerlingen) komen verkeersbewegingen op gang. Niet alle leerlingen worden met de auto gehaald of gebracht. Daarnaast kan een reductiefactor worden toegepast voor het feit dat sommige leerlingen samen gebracht worden. Op basis van het aantal leerlingen komt de verkeersgeneratie van de toekomstige basisschool op het volgende uit:
•
Onderbouw (aantal leerlingen*%leerlingen met auto*reductiefactor aantal kinderen per auto*2): 112 *0,3*0,75*2= 50,4 voertuigbewegingen.
47
•
Bovenbouw (aantal leerlingen*%leerlingen met auto*reductiefactor aantal kinderen per auto*2): 93*0,1*0,85*2= 15,81 voertuigbewegingen.
In het kader van de berekening van de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte worden alleen groep 1, 2 en 3 van de basisschool gerekend tot de onderbouw. Naast de basisschool zijn er in de toekomstige situatie ook een kinderdagverblijf (KDV), peuterspeelzaal en buitenschoolse opvang (BSO) aanwezig. Hiervoor zijn in CROW-publicatie 381 normen beschikbaar. Op basis van voorstaande uitgangspunten is in navolgende tabel de verkeersgeneratie in beeld gebracht. CROW aanduiding Personeel basisschool Halen en brengen onderbouw Halen en brengen bovenbouw Totaal: 47 voertuigbewegingen
aantal 6 parkeerplaatsen 23 kinderen
verkeersgeneratie 2 (0,3*0,75*2=)