CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting, gewijzigd Bestemmingsplan Uitbreiding Noachschool Schoonrewoerd

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 17 april 2025, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling Gewijzigd Bestemmingsplan Uitbreiding Noachschool Schoonrewoerd20.308 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Uitbreiding Noachschool, Schoonrewoerd Gemeente Vijfheerenlanden

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1961.BPSWNoachschool-VA01

Datum:

2025-03-11

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. T.B. Wilde | dhr. T.J. Oostrom

Kenmerk Buro SRO:

SR220073

Opdrachtgever:

Gemeente Vijfheerenlanden

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 11 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 12 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 15

4 Onderzoek .............................................................................................................................................. 17 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 17 4.2 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 19 4.3 Bodem ............................................................................................................................................................... 21 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 21 4.5 Ecologie ............................................................................................................................................................. 23 4.6 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 25 4.7 Bedrijven en milieuzonering..............................................................................................................................

39 4.8 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 42 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 44 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 46 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 47

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 52 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 52 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 52 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 52 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 53

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 55 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 55 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 55

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om de Noachschool aan de Kerkweg 3a te Schoonrewoerd aan de noordzijde uit te breiden, zodat er onder andere ruimte kan worden geboden aan kinderopvang en een peuterspeelzaal. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels onbebouwd en in gebruik als tuin bij de woning aan de Dorpsstraat 26. Het planvoornemen past niet binnen de regels van het geldende bestemmingsplan 'Schoonrewoerd Dorp'. Ter plaatse geldt immers de bestemming 'Tuin', waarin maatschappelijke voorzieningen als scholen niet zijn toegestaan en tevens een bouwvlak ontbreekt. Er is daarom een partiële herziening van het geldende bestemmingsplan nodig om het initiatief mogelijk te maken. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen achter de Kerkweg en de Dorpsstraat in het dorp Schoonrewoerd. De planlocatie is kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Schoonrewoerd, sectie B en heeft een oppervlakte van ca. 2.700 m². Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en de begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, wit omcirkeld (bron: Google Earth)

5

Begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.3 Geldend bestemmingsplan De gronden van het plangebied hebben in het huidige bestemmingsplan ‘Schoonrewoerd Dorp’ de bestemming ‘Tuin’. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6

De bestemming ‘Tuin’ is bedoeld voor tuinen en erven behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen, en tevens voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde – 1’, waarvoor geldt dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht groter dan 30 m² en de bodem niet dieper wordt geroerd dan 30 cm onder maaiveld. Verder is de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’ van toepassing. Deze gronden zijn bestemd voor de instandhouding en het herstel van de aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerken van de oorspronkelijke dorpsstructuur. Omdat de beoogde ontwikkeling niet past binnen voornoemde bepalingen is een partiële herziening van het bestemmingsplan vereist. Omdat er, naast de beoogde uitbreiding, ook enkele andere zaken geregeld dienen te worden, zoals het omzetten van de voormalige bedrijfswoning naar burgerwoning, wordt ook het gehele schoolplein meegenomen in voorliggend bestemmingsplan. Dit biedt tevens de mogelijkheid het huidige bouwvlak af te stemmen op de bestaande bebouwing. Naast het bestemmingsplan 'Schoonrewoerd Dorp' is ook het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren' relevant. Dit bestemmingsplan heeft betrekking op twee onderwerpen: wonen en parkeren.

Het biedt voor alle bestemmingsplannen in het gehele gemeentelijk grondgebied een eenduidige regeling voor beide onderwerpen.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. Hoofdstuk 3 gaat in op het beleid. In hoofdstuk 4 komen de verschillende relevante milieu- en omgevingsaspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 geeft een juridische planopzet. Tot slot bevat hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Voorliggend plan heeft betrekking op uitbreiding van de Noachschool. De voormalige Noachschool begon in 1910 als christelijke lagere school in Schoonrewoerd. Sinds 1976 is de school gelegen aan de Kerkweg. Omdat dit gebouw niet meer voldeed aan de hedendaagse maatstaven is het in 2016 gesloopt en is aansluitend een nieuw schoolgebouw gerealiseerd. Het ontwerp is gebaseerd op de ark van Noach; de plattegrond van het gebouw is de vorm van een schip. Op navolgende afbeeldingen is een impressie van het schoolgebouw weergegeven.

Aanzicht entree, gezien vanaf de Kerkweg (bron: Google Streetview)

Vogelvluchtimpressie schoolgebouw en -terrein (bron: website Noachschool)

Het plangebied, de locatie waar de beoogde uitbreiding plaatsvindt, is in de huidige situatie in gebruik als tuin bij de woning aan de Dorpsstraat 26 en is grotendeels ingericht als boomgaard. Aan de oostzijde

8

wordt het plangebied begrensd door de Kortgerechtse Wetering. De zuidgrens wordt gevormd door de huidige Noachschool. De aanwezige boomgaard vormt, samen met de andere tuinen ten westen langs de Kortgerechtse Wetering, een cultuurhistorisch waardevolle groenstrook. Ook de schuur in het noordwestelijk deel van het plangebied is van cultuurhistorische waarde. Navolgende afbeelding geeft een impressie van het plangebied.

Impressie plangebied, gezien vanaf de oostzijde (bron: Peters & Lammerink architecten)

2.2 Toekomstige situatie Het plan is de planlocatie te betrekken bij de Noachschool, zodat zowel het schoolgebouw als de buitenruimte uitgebreid kunnen worden. Er wordt een tweede gebouw (nieuwe vleugel) gerealiseerd dat middels een doorgang verbonden wordt met het bestaande schoolgebouw. In de nieuwe vleugel worden twee ruimtes gerealiseerd voor de kinderopvang (BSO) en een voor de peuterspeelzaal. De entree voor deze functies komt aan de westzijde van het pand. Tevens worden er in de nieuwe vleugel drie groepsruimtes voor de basisschool gemaakt en komt er een speel-/leerplein centraal in de nieuwe vleugel te liggen. Op navolgende afbeelding is de plattegrond van de beoogde situatie weergegeven.

Situatietekening uitbreiding school (bron: Peters & Lammerink architecten, d.d. 5 juli 2023)

De nieuwe vleugel is in het noordwesten van het plangebied voorzien om de cultuurhistorisch waardevolle boomgaard zoveel mogelijk in stand te kunnen houden. De boomgaard zal niet gebruikt worden als speelruimte bij de school zoals het schoolplein, maar als een plek waar sporadisch (natuur-ecologisch) praktijkonderwijs wordt gegeven. Het onderhoud van de boomgaard is arbeidsintensief. De school zal niet zorgdragen voor de onderhoud van de boomgaard, maar dit uit handen geven aan een organisatie. In samenspraak tussen het schoolbestuur, de gemeente en de organisatie zal de boomgaard in beheer worden gegeven aan de organisatie. De intentie is om de boomgaard voor de langere termijn te behouden en het onderhoud te combineren met onderwijs voor de kinderen.

9

Ten westen van de nieuwe vleugel wordt nieuwe speelruimte gecreëerd, door het bestaande speelplein richting het noorden uit te breiden. De bestaande cultuurhistorisch waardevolle schuur wordt daarbij behouden als berging. De nieuwe vleugel wordt, net als het bestaande schoolgebouw, voorzien van een bouwlaag. Door ook de uitbreiding maar één bouwlaag te geven vormt het zoveel mogelijk een geheel met de bestaande bebouwing, wat stedenbouwkundig gewenst is. In het midden van de vleugel staat een verhoogd gedeelte voor technische installaties. Niet alleen in vorm, maar ook in kleurgebruik en materialisering, zal de nieuwe vleugel aansluiten op het bestaande gebouw. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie.

Schetsontwerp uitbreiding school (bron: Peters & Lammerink architecten, d.d. 4 januari 2023)

10

3 Beleid 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot efficiënt ruimtegebruik en een goede fysieke leefomgeving, door een duurzame en toekomstbestendige uitbreiding van een bestaand schoolgebouw te realiseren. Voorliggend plan is daarmee in lijn met de ambities uit de Nationale Omgevingsvisie.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016, 1 januari 2017 en 1 december 2020 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Vanaf 1 oktober 2012 is ‘de ladder voor duurzame verstedelijking’ een procesvereiste voor ruimtelijke plannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken (Bro art. 3.1.6 lid 2). Gemeenten moeten plannen, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, motiveren volgens de Ladder voor

11

duurzame verstedelijking. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. Per 1 juli 2017 is de Ladder vereenvoudigd, en vervangen door de volgende tekst (artikel 3.1.6 lid 2 Besluit ruimtelijke ordening): “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Stedelijke ontwikkelingen zijn bijvoorbeeld een bedrijventerrein, kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Nieuwe stedelijke ontwikkeling zijn ontwikkelingen, die nog niet eerder in een bestemmingsplan of ander juridisch verbindend ruimtelijk plan zijn opgenomen.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit een van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m², kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. De toename van de oppervlakte van de school is groter dan 500 m², waarmee het als stedelijke ontwikkeling gezien wordt en dient er getoetst te worden aan 'de Ladder’. Behoefte Voor de duurzame instandhouding van voorzieningen in de kern Schoonrewoerd is het van belang dat het huidige schoolgebouw kan uitbreiden. De bestaande peuterspeelzaal en kinderopvang zijn in de huidige situatie op een locatie elders in Schoonrewoerd gevestigd.

Door deze functies te combineren met de basisschool kan onder andere de verkeersafwikkeling efficiënter plaatsvinden. Bovendien kan de locatie die nu gebruikt wordt door de peuterspeelzaal en kinderopvang ingezet worden voor andere functies. De behoefte aan de ontwikkeling komt daarmee vooral voort uit een behoefte aan clustering van functies, wat ook als ambitie is beschreven in de gemeentelijke structuurvisie Leerdam 2020, die aan bod komt in toelichting paragraaf 3.3.1. Bestaand stedelijk gebied Het plangebied bevindt zich in de kern Schoonrewoerd, wat aan te merken is als bestaand stedelijk gebied. In artikel 1.1.1 onder h van het Bro is een nadere omschrijving van het begrip 'bestaand stedelijk gebied' vastgelegd. Als bestaand stedelijk gebied wordt aangemerkt: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Conclusie Het plan is gezien het bovenstaande in lijn met de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling

12

en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.

Planspecifiek Voorliggend plan raakt aan het vierde beleidsthema van de omgevingsvisie: vitale dorpen en steden. Er wordt gestreefd naar een provincie waar ruimte is voor goed wonen, werken en natuur. Onderhavig plan is in lijn met de ambitie die de provincie heeft voor vitale dorpen en steden. De ontwikkeling voorziet immers in de uitbreiding van een basisschool op een binnenstedelijke locatie in een van de kern Schoonrewoerd. Dit is onder andere wenselijk omdat zo ruimteclaims op landelijk gebied kunnen worden voorkomen. Een belangrijk onderdeel van de duurzame leefomgeving is gezondheid. De provincie streeft ernaar dat iedereen in de provincie Utrecht in een gezonde leefomgeving woont, werkt en recreëert. Dit is een belangrijke voorwaarde om een economische topregio te kunnen zijn. Goed wonen en schone lucht, water en bodem zijn aspecten die hierbij van belang kunnen zijn. Uit toelichting hoofdstuk 4 blijkt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed verblijfsklimaat. Ander belangrijk beleidsthema in de omgevingsvisie is een duurzame, gezonde en veilige leefomgeving. De provincie streeft ernaar dat iedereen in de provincie Utrecht in een gezonde leefomgeving woont, werkt en recreëert. Dit is een belangrijke voorwaarde om een economische topregio te kunnen zijn. Goed wonen en schone lucht, water en bodem zijn aspecten die hierbij van belang kunnen zijn.

Daarnaast dient er sprake te zijn van voldoende voorzieningen, waartoe ook scholen en buitenschoolse opvang gerekend worden. Voorliggend plan levert een positieve bijdrage aan deze voorzieningen. De provincie wil de fysieke leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust maken. Het is belangrijk dat bij ontwikkelingen rekening gehouden wordt met een robuust bodem- en watersysteem, een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving en een perspectief voor bodemdalingsgebieden. Onderdeel van een klimaatbestendige leefomgeving is klimaatadaptief bouwen. Om dit te stimuleren heeft de provincie Utrecht

13

het initiatief genomen om met zoveel mogelijk gemeenten, bouwers, ontwikkelaars en waterschappen afspraken te maken over het 'klimaatrobuust' maken van gebouwen. Deze afspraken zijn vastgelegd in de nota 'Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht'. In de nota is klimaatadaptief bouwen onderverdeeld in de volgende thema's: hitte, droogte, wateroverlast, gevolgbeperking van overstromingen, biodiversiteit & natuurinclusiviteit en bodemdaling. Navolgend worden enkele van deze thema's beschouwd. - Hitte Overlast van hitte is ter plaatse van het plangebied niet te verwachten. Er is de directe omgeving een hoge mate aan water en groen aanwezig, wat een verkoelend effect heeft. Ook de toepassing van modern isolatiemateriaal draagt bij aan het terugdringen van hitte in de nieuwe vleugel. - Droogte Om droogte tegen te gaan is het van belang om water zo veel mogelijk in de bodem te laten infiltreren. Het hemelwater dat op de nieuwe vleugel valt wordt gescheiden afgevoerd en geïnfiltreerd in het terrein. Daarmee wordt droogte voorkomen. - Bodemdaling Het plangebied is niet gelegen in gebied dat in de omgevingsvisie wordt aangeduid als een 'aandachtsgebied bodemdaling'. Ter plaatse van het plangebied wordt het onderdeel bodemdaling dan ook niet als belemmering voor de beoogde ontwikkeling gezien.

Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de omgevingsvisie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.

De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.

14

Planspecifiek Uit de kaart behorende bij de Interim Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied zich binnen stedelijk gebied bevindt. Stedelijke ontwikkelingen zijn hier ingevolge art. 9.15 van de Interim Omgevingsverordening toegestaan, waardoor voorliggend plan uitvoerbaar is. Verder zijn de volgende bepalingen van de Omgevingsverordening relevant. Artikel 7.7. Beschermen en benutten van de cultuurhistorische hoofdstructuur Het plangebied is aangemerkt als Agrarisch cultuurlandschap, de waarde van dit landschap ligt voor in (1) de aanwezige ontginningsstructuur en de ontginningsrichting; (2) de structuur, maatvoering, kenmerken en karakter van de boerderijlinten; (3) het waterbeheersingssysteem. Bij ontwikkelingen in dit gebied vormt de cultuurhistorische waarde een uitgangspunt en inspiratiebron. Het uitgangspunt is behoud door ontwikkeling. In toelichting paragraaf 4.10 is beschouwd hoe de cultuurhistorische waarde van het plangebied met onderhavige ontwikkeling wordt gerespecteerd. Artikel 9.27 Instructieregel geluidsniveau in aandachtsgebied stiltegebied In het aandachtsgebied stiltegebied mogen geen geluidsbronnen gerealiseerd worden die een geluidsniveau van meer dan 35 dB(A) veroorzaken in het stiltegebied.

Gezien de beperkte schaal van de ontwikkeling en de afstand tot het stiltegebied (> 750 m) wordt er geen geluidsniveau hoger dan 35 dB(A) in het stiltegebied veroorzaakt. Conclusie Uit de Interim Omgevingsverordening komen geen belemmeringen voort voor de ontwikkeling van voorliggend plan.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Gemeentelijke structuurvisie 2020, Leerdam In de structuurvisie (van de voormalige gemeente) Leerdam 2020 'Hart voor kwaliteit aan de Linge' van oktober 2012, staan de hoofdlijnen van de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente en onderscheiden deelgebieden (wijken, kernen, buitengebied) in onderlinge samenhang. Zorg, welzijn en educatie Gesteld kan worden dat het merendeel van de huidige voorzieningen in Leerdam aansluiten op de behoefte. Gelet op de algemene maatschappelijk ontwikkelingen op het gebied van wonen, zorg, educatie en welzijn en de toekomstige ontwikkeling van het plan Broekgraaf, is de verwachting dat de komende jaren nog extra ruimte nodig zal zijn om te kunnen voorzien in de behoefte. Afhankelijk van de vraag naar deze voorzieningen en afhankelijk van de mogelijkheden om voorzieningen te clusteren, is in meer of mindere mate ruimte nodig om in de behoefte te kunnen voorzien. Het is belangrijk dat bij het clusteren van voorzieningen bij ouderenhuisvesting of onderwijslocaties rekening wordt gehouden met de inrichting van de directe omgeving van dergelijke voorzieningen. Hierbij moet o.a. gedacht worden aan (veilige) routes vanuit deze clusters naar (nabijgelegen) winkels of haltes voor openbaar vervoer en openbare ruimten / pleinen die een goede verblijfskwaliteit bieden voor verschillende doelgroepen.

Uitgangspunten voor ruimtelijk beleid Schoonrewoerd In de kern Schoonrewoerd wordt in het kader van de dorpsvernieuwing een aantal projecten uitgewerkt. Uitgangspunt daarbij is het waar mogelijk instandhouden van het huidige voorzieningenniveau en het inpassen van enige woningbouw en bedrijventerrein voor de lokale behoefte. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de wens om in Schoonrewoerd nog beperkte ontwikkelingen te realiseren binnen de bestaande bebouwingscontouren. Nieuwe ontwikkelingen zullen op een duurzame wijze worden gerealiseerd. Duurzaam waterbeheer maakt hier onderdeel van uit. Planspecifiek In de structuurvisie is opgenomen dat waar mogelijk het huidige voorzieningenniveau instandgehouden moet worden. De uitbreiding van de Noachschool maakt in beginsel geen nieuwe voorzieningen mogelijk,

15

maar zorgt ervoor dat bestaande voorzieningen (peuterspeelzaal en kinderopvang) naar deze locatie kunnen worden verplaatst. Deze clustering van functies is wenselijk. Bij het clusteren van voorzieningen is het van belang dat er rekening wordt gehouden met de inrichting van de directe omgeving van dergelijke voorzieningen. Aangezien de nieuwe vleugel direct naast het bestaande gebouw wordt gerealiseerd heeft dit geen aanpassing van de openbare ruimte tot gevolg. Wel wordt het gebouw ruimtelijk zorgvuldig ingepast. Er kan geconcludeerd worden dat voorliggende ontwikkeling in lijn is met de gemeentelijke structuurvisie.

16

4 Onderzoek 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r.-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Sinds 1 januari 2021 geldt voor gevallen onder de drempelwaarden (kolom 2) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit mer (informele mer-beoordeling) dat niet al bij de aanvraag om het merbeoordelingsplichtige besluit een mer-beoordelingsbesluit hoeft te worden gevoegd. De mer-beoordeling kan worden uitgevoerd, nadat de aanvraag is gedaan. De aanvraag moet worden afgewezen als uit de merbeoordeling blijkt dat een m.e.r. nodig is. De beslissing over de mer-beoordeling kan worden gemotiveerd bij het mer-beoordelingsplichtige besluit (een afzonderlijke mer-beoordelingsbesluit is derhalve niet nodig). Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (D 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde uit kolom 2. Daarmee is er

17

geen m.e.r.-plicht voor dit plan en kan er volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee uitkomsten leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r. noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er is een m.e.r. noodzakelijk.

Er dient te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten, zo vereist paragraaf 7.6 van de Wet milieubeheer. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. In het plangebied vinden diverse ingrepen plaats in het kader van de realisatie van de nieuwbouw. Om de nieuwbouw te realiseren zijn er verschillende ruimtelijke ingrepen nodig, waaronder bodemroeringen, het bouwrijp maken van de gronden en het aanleggen van voorzieningen. Kenmerken van het project Voor de beoogde uitbreiding van het schoolgebouw geldt dat er geen directe relatie tot andere ontwikkelingen in de nabijheid van het plangebied is, waarvan de effecten in cumulatie met elkaar in acht moeten worden. Het is een opzichzelfstaande ontwikkeling aan de rand van het stedelijk gebied. Plaats van het project Het project vindt plaats op een binnenstedelijke locatie, waardoor er geen schade ontstaat aan kwetsbare gebieden. Uit de quickscan Wet natuurbescherming en AERIUS-berekening (zie toelichting paragraaf 4.5) blijkt dat er geen externe effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Een significant negatief effect voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie uit te sluiten.

Kenmerken van het potentiële effect Voorliggende planontwikkeling is van relatief onaanzienlijke schaal, waardoor productie van afvalstoffen, gebruik van hulpbronnen, kans op verontreiniging en risico's op ongevallen beperkt is. Doordat de ontwikkeling slechts gebouwen en bijbehorende voorzieningen mogelijk maakt zijn de aard en de complexiteit van het project klein en zijn de effecten omkeerbaar. Desalniettemin worden de potentiële effecten van de aanleg- en gebruiksfase navolgend beschouwd. - Aanlegfase Door het gebruik van modern materieel zijn de effecten voor de luchtkwaliteit beperkt. Omwonenden kunnen hinder ondervinden door de geluidsproductie en hun gezondheid kan hieronder leiden . De geluidsproductie zal tijdens de gehele aanlegfase variëren in intensiteit en veelal doordeweeks tijdens werktijden plaatsvinden. Doordat er daarnaast slechts aan de noordkant van het plangebied woningen direct tegen het plangebied aan liggen is de hinder door geluidsproductie voor omwonenden beperkt. Doordat de werkzaamheden niet 's nachts plaatsvinden zijn de gevolgen voor de gezondheid (door verstoring slaap) nihil. Tevens kunnen er bij de aanlegfase cultuurhistorische en archeologische waarden aangetast worden. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat er aanvullend archeologisch onderzoek nodig is. Dit vindt op een later moment plaats.

De bescherming van de verwachtingswaarde is geborgd door de dubbelbestemmingen die zijn opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan. - Gebruiksfase Doordat de uitbouw conform hedendaagse standaarden gebouwd wordt zijn de permanente effecten beperkt. Ook de landelijke tendens ten aanzien van het scheiden van afval leidt tot een beperkter effect van de afvalproductie. In de uitwerking zijn de cultuurhistorisch waardevolle gronden gerespecteerd, waardoor het effect op de cultuurhistorische waarde van het plangebied wordt geminimaliseerd. Per saldo zijn de effecten van het gebruik beperkt en komt de kwaliteit van de omgeving van het plangebied niet in het geding. Conclusie Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het

18

besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. De onderbouwing waarom geen m.e.r. is opgesteld wordt als bijlage bij het ontwerpplan gevoegd. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting kan geconcludeerd worden dat een m.e.r. niet vereist is.

4.2 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 μg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.

Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

19

Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Uitbreiding van een schoolgebouw valt niet onder een van de in de regeling NIBM genoemde activiteiten. Daarom dient inzichtelijk gemaakt te worden of het een project betreft dat 'niet in betekenende mate' van invloed is op de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de NIBM-tool. NIBM Bij de invoer van gegevens in de NIBM-tool is de verkeersaantrekkende werking als gevolg van het project van belang.

In toelichting paragraaf 4.11.1 is de verkeersgeneratie van de toekomstige situatie berekend. Deze komt uit op ca. 379,4 verkeersbewegingen per etmaal, waarbij worstcase de verkeersgeneratie van de gehele school is aangehouden. De verkeersbewegingen zijn ingevuld in de NIBM-tool, waarvan navolgend een uitsnede is opgenomen.

NIBM-tool (versie 2022)

Uit de NIBM-tool blijkt dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de ontwikkeling volledig gerealiseerd is in 2024. Daarnaast is het aandeel vrachtverkeer op 0,02% van het verkeer bepaald. Besluit gevoelige bestemmingen Scholen en kinderdagverblijven zijn conform het Besluit gevoelige bestemmingen aangemerkt als gevoelige bestemming. Kinderen zijn immers verhoogd gevoelig voor fijnstof en stikstofdioxide. Indien een gevoelige bestemming zich binnen de onderzoekszone van een rijksweg (300 m) of een provinciale weg (50 m) bevindt is een luchtkwaliteitsonderzoek vereist. Omdat de dichtstbijzijnde provinciale weg, de N484, op ca. 415 m van de beoogde uitbreiding ligt is een luchtkwaliteitsonderzoek niet noodzakelijk.

20

Goede ruimtelijke ordening Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 15,8 μg/m³ PM10, 8,8 μg/m³ PM2,5 en 12,8 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Er wordt echter niet voldaan aan de aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHOadvieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.

4.3 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt de school uitgebreid. De gronden zijn in het geldende bestemmingsplan voorzien van een minder gevoelig bodemgebruik. Derhalve is ter plaatse een bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 35602, d.d. 5 november 2021, bijlagen bij toelichting bijlage 1). Met dit onderzoek zijn in de boven- en ondergrond enkel lichte verhogingen van zware metalen vastgelegd.

In de zandige ondergrond ter plaatse van de slootdempingen zijn geen bodemvreemde materialen waargenomen. Analytisch zijn er geen verhogingen aangetoond. De sloten zijn hoogstwaarschijnlijk gedempt met gebiedseigen grond. Wel is er een waarneming gedaan die mogelijk zou kunnen duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging met asbest. Er is namelijk metselpuin aangetroffen. Echter bevindt dit puin zich buiten het plangebied, waardoor er in het kader van voorliggend plan geen aanleiding is tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

21

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Een onderwijsgebouw (school) is in het kader van Wet geluidhinder een gevoelige bestemming. Er dient beschouwd te worden of geluidbronnen, zoals bedoeld in art. 1 Wgh, geluidhinder voor het nieuwe bouwdeel opleveren. Wegverkeer Het plangebied is gelegen in de geluidzone van de Kerkweg, het deel buiten de bebouwde kom waar een 60 km/u regime geldt. Door de ruime afstand van de nieuw te realiseren bebouwing tot dit wegdeel (ca. 225 m) en de afscherming door andere tussenliggende bebouwing zorgt ervoor dat de geluidbelasting ter plaatse zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde. Echter is niet alleen de geluidbelasting door gezoneerde wegen relevenant; in het kader van een goede ordening dient ook het geluid van 30 km/uur-wegen beschouwd te worden. Hiervoor is het rekenmodel van de ODRU geraadpleegd, waaruit blijkt dat de (gecumuleerde) geluidbelasting door wegverkeer ter plaatse niet hoger is dan 48 dB. Navolgend is een uitsnede van het rekenmodel weergegeven.

Geluidcontouren wegverkeer (2030, indicatief, inclusief aftrek ex. art. 110g Wgh; bron: rekenmodel ODRU)

Er kan geconcludeerd worden dat de geluidbelasting ter plaatse van de school geen afbreuk doet aan een goed woon- en leefklimaat. Industrielawaai De beoogde uitbreiding ligt binnen de onderzoekszone van het geluidgezoneerde industrieterrein aan de Steenovenweg 4 (kaasfabriek). Er is bij de omgevingsdienst regio Utrecht navraag gedaan over de geluidsbelasting vanwege het gezoneerde industrieterrein. In een memo van 4 mei 2023 (zie bijlagen bij

22

toelichting bijlage 2) geeft de omgevingsdienst aan de hand van een berekening voor de toekomstige situatie aan dat de voorkeursgrenswaarde op geen van de gevels wordt overschreden. Er is een berekening gemaakt voor de toekomstige situatie waarbij de geluidbelasting op de noordwestzijde, noordoostzijde en de zuidwestzijde inzichtelijk zijn gemaakt. Hieruit blijkt dat de voorkeursgrenswaarden van 50 dB (A) etmaalwaarde nergens wordt overschreden. Een hogere waarde besluit is dus niet van toepassing en de Wet geluidhinder levert verder geen beperking op. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de bepalingen van de Wgh geen belemmeringen vormen voor de beoogde uitbreiding.

4.5 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Omdat het plan gepaard gaat met diverse werkzaamheden dient inzichtelijk gemaakt te worden of hierbij natuurwaarden worden geschaad. In dit kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Laneco, 139.21.03, d.d. 13 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Navolgend worden de conclusies van dit onderzoek beschouwd. Soortenbescherming Binnen het plangebied en de directe invloedssfeer kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen, waarvoor voor aantasting van rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten zijn de volgende soorten niet uit te sluiten binnen het plangebied:

•

Ransuil: in de tuin naast het plangebied is het voorkomen van ransuil bekend. Door de werkzaamheden zal een deel van het leefgebied verdwijnen. Dit betreft echter geen essentieel onderdeel van het leefgebied.

•

Kerkuil: in de tuinen nabij het plangebied kan kerkuil voorkomen. Door de werkzaamheden zal een deel van het leefgebied verdwijnen. Dit betreft echter geen essentieel onderdeel van het leefgebied. Steenuil: het plangebied kan gezien het kleine territorium van deze soort onderdeel van het leefgebied vormen. Dit kan een essentieel onderdeel zijn.

• •

Vleermuizen: door de geplande uitbreiding van de school kunnen mogelijke verblijfplaatsen worden aangetast.

23

•

Rugstreeppad: In de directe omgeving is rugstreeppad reeds aangetroffen. Door de werkzaamheden zal geen leefgebied van rugstreeppad verdwijnen maar van deze soort is bekend dat zij zich snel kan vestigen in pionierssituaties zoals braakliggend bouwterrein.

•

Daarom is het van belang om kolonisatie van rugstreeppad ten tijden van de werkzaamheden op het bouwterrein te voorkomen. Om dit te bewerkstelligen worden de volgende maatregelen aanbevolen: o Braakleggingsperiode beperken; o Plassen en watertjes dempen in de periode april-oktober.

•

De tuin is verder geschikt voor een brede variatie aan algemeen voorkomende broedvogels die er in het broedseizoen hun nest kunnen hebben.

In het kader van de Wet natuurbescherming dient te worden nagegaan of vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Dit kan niet worden uitgesloten zonder nader veldonderzoek voor de volgende soorten:

•

Steenuil: De aan- of afwezigheid van broedende steenuilen kan worden aangetoond tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode van 1 februari tot en met 30 april -waarbij er minimaal 1 maand zit tussen het eerste en het laatste bezoek.

•

Vleermuizen (Wet natuurbescherming en bijlage IV Habitatrichtlijn), gebouwbewonende soorten. Onderzoek conform het Vleermuisprotocol 2021 (NGB, 2020) bestaat uit twee onderzoeksrondes in de periode half mei tot half juli en twee onderzoeksrondes in de periode half augustus tot eind september. Er moet in beide periodes onderzoek worden uitgevoerd om een volledig beeld te krijgen van de functie van het gebouw voor vleermuizen.

Uit de quickscan blijkt dat er aanvullend onderzoek nodig is naar de vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Dit onderzoek is uitgevoerd door Laneco (d.d. 26 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4). Navolgend worden de conclusies van dit onderzoek beschouwd. - Vleermuizen Uit het gerichte onderzoek naar vleermuizen is gebleken dat in het plangebied geen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. De voorgenomen (sloop)werkzaamheden hebben dan ook geen negatieve invloed op vleermuizen. Het plangebied, met name de boomgaard, wordt door 4 tot 5 gewone dwergvleermuizen, 2 tot 3 laatvliegers en een enkele ruige dwergvleermuis gebruikt om te foerageren. Vanwege de enkele waarnemingen en de aanwezigheid van groen in de directe omgeving van het plangebied, is de boomgaard en het omliggende groen geen essentieel onderdeel van het leefgebied van deze soorten. Ook essentiële vliegroutes zijn niet aangetroffen in het plangebied. Er zijn dan ook geen consequenties ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling voor vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming. - Steenuil Tijdens het gerichte onderzoek is de steenuil niet waargenomen of gehoord binnen het plangebied. Ook zijn er geen verblijfplaatsen of sporen (braakballen, kalksporen) aangetroffen van steenuil.

Aanwezigheid van jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soort zijn uitgesloten binnen en in de directe omgeving van het plangebied. Het plangebied maakt dan ook geen deel uit van het essentiële leefgebied van deze soort. Er zijn in het kader van de Wet natuurbescherming geen verdere consequenties voor deze soort. Gebiedsbescherming Het plangebied is geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Door de voorgenomen ontwikkeling gaat geen oppervlakte van NNN-gebied verloren. Effecten op het NNN kunnen daarom worden uitgesloten. Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied het ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ ligt op circa 600 meter afstand. Door de geplande werkzaamheden gaat geen Natura 2000-gebied verloren. Door de afstand en tussenliggende elementen worden geen negatieve effecten verwacht van de werkzaamheden, zoals geluidsoverlast, verlichting of trillingen. De werkzaamheden zullen naar verwachting niet zorgen voor een toename in stikstofdepositie

24

door de ligging van het plangebied en de reeds aanwezige functies. Echter kan slechts een berekening met de AERIUS Calculator hier definitief uitsluitsel over geven. In dat kader is een AERIUS-berekening uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 11 maart 2025, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Hieruit is gebleken dat zowel de gebruiksfase als de aanlegfase in de toekomstige situatie geen significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden sorteert. Houtopstanden In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden geen bomen gekapt waar een melding- en vergunningplicht voor geldt. Bovendien is een kapmelding in het kader van de Wnb niet van toepassing, omdat het gaat om bomen op een erf. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.6 Waterhuishouding Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=03a0ec06-a9c6-4862-83a7-05849810edbe