Toelichting en regels - bp Ursulinenhof 1, Vianen.pdf
Tekst van het document
Toelichting
27
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Conclusie Op basis van bovenstaande korte toelichting in relatie tot vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden geconcludeerd dat de beoogde planontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu tot gevolg zal hebben. 6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld.
Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype Milieucategorie rustige woonwijk gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt langs een wijkontsluitingsweg. Aan de zuidzijde ligt een parkeerterrein van een wijkwinkelcentum. Op de begane grond is een huisartsenpraktijk met fysiotherapie gevestigd. Gesteld kan worden dat er sprake is van een gemengd gebied met matige functiemenging. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandstap kunnen worden verminderd (tabel 6.1). Deze richtafstand geldt met name voor het onderdeel geluid. Uit inventarisatie is gebleken dat er in de omgeving van het plangebied alleen winkels zijn gelegen van winkelcentrum Monnikenhof. De winkels liggen op een afstand van meer dan 30 m van het woongebouw. Detailhandel valt onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 m in gemengd gebied, zodat er geen beperkingen zijn. Op de begane grond is een huisartsenpraktijk met fysiotherapie gevestigd. Ook deze activiteit valt onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 0 m in gemengd gebied, zodat er geen beperkingen zijn.
Resumerend kan worden gesteld dat de aanwezige bedrijvigheid in de omgeving niet gehinderd wordt door realisatie van deze woningbouw, zodat er vanuit milieuzonering geen bezwaren bestaan tegen deze planontwikkeling. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van de woningbouw zijn gevestigd. Andersom geredeneerd is er geen aanleiding om aan te nemen dat de woningen milieuhygiënische knelpunten opleveren voor bestaande winkels en de huisartsenpraktijk met fysiotherapie in de directe omgeving. De woningen hebben een goed woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.
28
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
6.1.3
Geluid
6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader wegverkeerslawaai Wegverkeerslawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeerslawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden (zones) langs wegen. Tevens stellen de Wgh en het Besluit geluidhinder regels aan de maximale geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen. Voor deze bestemmingen zijn voorkeursgrenswaarden opgesteld. Deze voorkeursgrenswaarden worden mede bepaald door de locatie van de gevoelige bestemmingen en het type weg. Bij realisatie van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen dient de geluidsbelasting ten hoogste de voorkeursgrenswaarde te bedragen. Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies.
De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling De relevante rijksweg in de directe omgeving van het plangebied is rijksweg A2. Verder ligt het plangebied in de geluidzone van Helsdingse Achterweg, Clarissenhof en Het Slyk. De overige wegen zijn ingericht als 30 km/uur gebieden. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 53 dB voor de rijksweg en de overige wegen 63 (dB) Lden. Indien de berekende belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. In verband met het vorenstaande is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Cauberg Huygen B.V. te Rotterdam (rapport van 26 februari 2021, Bijlage 2). Uit het akoestisch onderzoek blijkt het volgende (overgenomen uit rapport): De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt alleen ten gevolge van de Helsdingse Achterweg (50 km/u) en rijksweg A2 (100 km/u) overschreden.
De maximale ontheffingswaarde van 63, respectievelijk 53 dB wordt nergens overschreden. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt maximaal 60 dB voor aftrek. Maatregelen en hogere waarden Omdat geluidreducerende bron- en overdrachtsmaatregelen niet doeltreffend zijn en stuiten op diverse bezwaren is het realistisch om voor het plan met maximaal 23 woningen de volgende hogere waarden (na aftrek) aan te vragen: maximaal 54 dB t.g.v. de Helsdingse Achterweg (50 km/u). maximaal 51 dB t.g.v. de rijksweg A2 N207 (100 km/u). Hierbij is nog geen rekening gehouden met de afschermende werking van de nieuwe uitkragende balkons. Cumulatieve geluidbelasting en gevelgeluidwering De cumulatie van de wegen resulteert in een gecumuleerde geluidbelasting van maximaal 60 dB (voor aftrek). Het treffen van maatregelen bij de ontvanger in de vorm van een adequate gevelgeluidwering ter borging van het wooncomfort en akoestisch binnenklimaat heeft derhalve de voorkeur. De maximaal vereiste karakteristieke geluidwering zal 27 dB(A) bedragen, uitgaande een maximaal binnenniveau van 33 dB (conform kwaliteitsniveau ‘’nieuwbouw’’ uit het Bouwbesluit 2012). De benodigde geluidwerende voorzieningen in de gevels worden in een separaat onderzoek bepaald. De benodigde geluidwerende voorzieningen in de gevels kunnen in een later stadium worden uitgewerkt.
Bij het indienen van de omgevingsvergunning zal op basis van de berekende gecumuleerde
Toelichting
29
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
geluidbelasting, de geluidwering van de gevels worden bepaald en getoetst aan de gestelde geluidwering eisen van het Bouwbesluit 2012. Dit rapport zal ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Bij realisatie van het bouwplan wordt hiermee rekening gehouden. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, die dit bestemmingsplan mogelijk maakt, nadat een procedure hogere grenswaarde wegverkeerslawaai is doorlopen. Het ontwerpbesluit zal gelijktijdig met tervisielegging van het ontwerpbestemmingsplan worden bekend gemaakt. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader railverkeerslawaai Op 1 juli 2012 zijn de “spelregels” voor hoofdspoorwegen gewijzigd. Middels de vaststelling van geluidproductieplafonds (gpp’s) is een grens voor de maximale optredende geluidniveaus voor langs Rijksinfrastructuur vastgelegd. De bij vaststelling gehanteerde gegevens zijn vastgelegd in het bronregister. Voor de beoordeling van een plan blijft de Wgh van toepassing maar dient gebruik te worden gemaakt van de brongegevens uit het register. Onderzoek/ beoordeling In de nabijheid van het plangebied liggen geen spoorwegen. Vanuit oogpunt van spoorweglawaai zijn er geen beperkingen. 6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader industrielawaai Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden.
Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt niet in de zone van een gezoneerd industrieterrein. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft.
Onderzoek/ beoordeling Het huidige gebruik als kantoor en op de begane grond een huisartsenpraktijk/ fysiotherapie is qua gevoeligheid niet anders dan het beoogde nieuwe gebruik ten behoeve van 23 appartementen op de verdiepingen. De bodem wordt niet geroerd, zodat bodemonderzoek niet noodzakelijk is voor de beoogde ontwikkeling. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit Bodemkwaliteit of hetgeen is gesteld in het grondstromenbeleid van het bevoegd gezag. Conclusie
30
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Er zijn geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig met betrekking tot de voorgenomen functiewijziging naar kantoor naar wonen op de verdiepingen in onderhavig plangebied. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van bodem. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna te noemen: Wet luchtkwaliteit), het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) en het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) stellen grenzen aan de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De meest kritische stoffen ten gevolge van het verkeer zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). De grenzen voor deze stoffen zijn opgenomen in de onderstaande tabel. Vanaf 2011 zijn de grenswaarden (jaargemiddelde en 24-uursgemiddelde concentratie) voor PM10 van kracht. Voor NO2 geldt dat vanaf 2015 moet worden voldaan aan de (jaargemiddelde en uurgemiddelde) grenswaarden. Tabel 6.2: Grenswaarden Wet luchtkwaliteit jaargemiddelde uurgemiddelde stof NO2 40 µg/m3 200 µg/m3
PM2,5 PM10
25 µg/m3 40 µg/m3
n.v.t. n.v.t.
24-uursgemiddelde Opmerkingen n.v.t. Uurgemiddelde mag 18x per jaar worden overschreden n.v.t. n.v.t. 3 50 µg/m 24-uursgemiddelde mag 35x per jaar worden overschreden
Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien: a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt; en b. de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft; en c. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht; (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10, PM2,5) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.) d. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten (projecten In Betekenende Mate of IBM-projecten) tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen. Het Besluit NIBM heeft een aantal NIBM-grenzen vastgesteld, waarvan met zekerheid kan worden gesteld dat de 3%-grens niet zal worden overschreden. Onder andere voor woningbouw: = 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg en = 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Onderzoek/ beoordeling Met het plan wordt beoogd in totaal 23 woningen te realiseren.
(De huisartsenpraktijk en fysiotherapie is reeds vergund en kan bij de beoordeling achterwege worden gelaten.) Het aantal woningen valt ruim onder de grens van 1500 woningen die opgenomen is in het Besluit NIBM, waarvoor met zekerheid kan worden gesteld dat de 3% grenswaarde voor verontreinigende stoffen niet overschreden wordt. Er zijn daarom geen berekeningen nodig ten behoeve van het bestemmingsplan. De luchtkwaliteit wordt in het kader van goede ruimtelijke ordening ook beschouwd met behulp van de meest recente versie van de online kaarten uit het Geoloket van de ODRU. Naast de wettelijke grenswaarden is er ook sprake van een advieswaarde voor fijn stof (PM10) welke wordt aangehouden door onder andere de GGD en de WHO. Deze bedraagt 21 µg/m³ en is daarmee ruim lager dan de
Toelichting
31
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
grenswaarden gesteld in de Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit). Ter plaatse van het bestemmingsplan bevindt de concentratie PM10 zich in 2018 tussen de 21 en 22 µg/m³, in 2030 is dit 17 tot 18 µg/m³. Daarmee zijn de concentraties iets hoger dan de advieswaarde van 20 µg/m³. De concentraties nemen in de toekomst toe af, de verwachting is dat deze trend zich doorzet. Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR: rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek / beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.
Transport over water Er ligt in de omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Transport over spoor Er liggen in de omgeving van het plangebied geen spoorbanen. Er is dus geen beperking voor het plangebied. Wegtransport Er ligt in de directe omgeving van het plangebied (binnen 200 meter) geen rijksweg of provinciale weg met een route gevaarlijke stoffen. Door het transport van toxische stoffen (of gevaarlijke stoffen) over de snelweg A2, wegvak U84, reikt het invloedsgebied wel over het plangebied. In paragraaf 6.1.6.1 wordt hierop ingegaan. Transport per buisleiding Voor zoneringsafstanden van hogedruk gasleidingen geldt vanaf 1 januari 2011 de AMvB Buisleidingen. Hierbij dient te worden uitgegaan van de risicoafstanden zoals aangegeven in de AMvB. In de omgeving van het plangebied liggen geen leidingen die reiken tot het plaatsgebonden risico PR10-6 dan wel het invloedsgebied tot over het plangebied. Er zijn voor wat betreft het transport door buisleidingen geen beperkingen voor de planontwikkeling. Inrichtingen
32
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat het GR hier geen belemmering vormt. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Risicokaart (figuur 8) zijn er in de directe nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven gevestigd, zodat er geen belemmeringen zijn voor deze planontwikkeling.
Figuur 8: Uitsnede Risicokaart (plangebied zwart aangeduid). Elektromagnetische straling Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied twee zendmasten aanwezig zijn (GSM 1800, LTE en UMTS). De uitgangspunten voor plaatsing van antennes zijn vastgelegd in het Nationaal Antennebeleid (8 december 2000). Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Alle zendmasten moeten voldoen aan de blootstellingslimieten. Het bedrijf dat de zendmast installeert moet ervoor zorgen dat de totale blootstelling door de zendmast op voor publiek toegankelijke plekken de blootstellingslimieten niet overschrijdt. Het Agentschap Telecom houdt toezicht op het hanteren van deze limieten door steekproefsgewijs metingen bij antennes uit te voeren. Voor de blootstelling aan straling van zendmasten worden de blootstellingslimieten gehanteerd die zijn vastgesteld door de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP). Fabrikanten zijn verplicht te voldoen aan deze eisen, waardoor verondersteld mag worden dat al deze producten veilig zijn.
Het Agentschap Telecom, dat valt onder het Ministerie van EZK, controleert dit. De limieten waaraan burgers 24 uur per dag mogen worden blootgesteld voor antennes voor mobiele communicatie lopen op tot 61 V/m. Dit zijn de frequenties 900 MHz, 1800 MHz en 2000 Mhz tot 300 GHz. WiFi valt hier ook onder. De limieten zijn voor GSM 900 MHz 41 V/m en voor UMTS, LTE en Vaste Verbinding 1800 MHz 61 V/m.
Toelichting
33
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Deze blootstellinglimieten kunnen worden vertaald in afstanden ten opzichte van de antenne-installatie voor mobiele telecommunicatie. Dit betreft afstanden voor, onder en achter de antenne, waarbinnen de referentieniveaus kunnen worden overschreden. Het gebied binnen deze afstanden dient niet voor het publiek toegankelijk te zijn. Zolang de blootstellingslimieten niet worden overschreden, zijn er geen aanwijzingen dat de elektromagnetische velden van antenne-installaties effecten op de gezondheid hebben. Daarom wordt het voorzorgsprincipe niet toegepast bij het plaatsen van antenne-installaties. De 2 antenne-installaties worden zodanig herplaatst dat deze boven het dak van het gebouw uitsteken. Hierbij wordt een minimaal aan te houden veiligheidsafstand van 3 m in acht genomen, zodat er voor bewoners van de (bovenste) appartementen geen sprake is van blootstelling aan stralingsniveau, temeer daar antennes horizontaal stralen en niet verticaal. Met inachtneming hiervan kan worden gesteld dat er - conform de GGD richtlijn Gezondheidsrisico’s RF-velden Zendinrichtingen (16 oktober 2006) - geen sprake is van overschrijdingen zijn van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkte. 6.1.6.1 Beoordeling externe veiligheid Algemeen Het plangebied, bestemd voor 23 woningen, ligt op een afstand van ca. 300 meter van de snelweg A2.
Het plangebied bevindt zich binnen het effectgebied hiervan. Plaatsgebonden risico Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Verantwoordingsplicht groepsrisico Er dient een verantwoording GR te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van de snelweg A2, wegvak U84. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde, omdat het groepsrisico ten gevolge van de 23 woningen nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied en de omgeving voldoende is gewaarborgd. De Veiligheidsregio Utrecht is hierbij als adviseur betrokken. Op basis hiervan kan het volgende worden vastgesteld. Situatie groepsrisico Het groepsrisico neemt door het plan zeer gering toe en blijft in de toekomstige situatie kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet nodig gelet op de relatief grote afstand ten opzichte van de snelweg en de hiertussen gelegen bebouwing. Ter beperking van het groepsrisico zijn geen bijzondere maatregelen noodzakelijk, omdat het groepsrisico verwaarloosbaar is.
Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Zelfredzaamheid De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. Er worden 23 woningen gerealiseerd waar zelfredzame personen wonen. Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Advies Veiligheidsregio Utrecht Bij brief van 22 oktober 2019 heeft de Veiligheidsregio Utrecht geadviseerd over 'voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp' en 'zelfredzaamheid'. Voorts dienen voor het beoogde gebruik in de omgevingsvergunning aanvullende eisen te worden gesteld ten aanzien van de brandveiligheid in relatie tot de omgeving. Hierbij valt te denken aan: a.
Bij het toepassen van een mechanisch ventilatiesysteem in de bebouwing een voorziening op te nemen, waarmee bij een calamiteit (zoals een toxische wolk of een grote brand in de omgeving) het
34
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
ventilatiesysteem eenvoudig per individuele woning handmatig kan worden uitgeschakeld. Dit kan door een uitstand in de ventilatieschakelaar of een makkelijk bereikbare plaats van de stekker van de ventilatie unit. Door deze maatregel kunnen personen die verblijven in deze gebouwen zich tijdelijk onttrekken aan de schadelijke of irriterende stoffen in de lucht. b. In het bedrijvengedeelte van het gebouw moet het ventilatiesysteem centraal afsluitbaar zijn. Bij de bedrijfshulpverlening moet de positie van de schakelaar bekend zijn en de handelswijze volgens dit scenario moet een onderdeel zijn in het RI&E en het bedrijfsnoodplan. De adviezen van de Veiligheidsregio zullen bij uitwerking van de plannen worden overgenomen. Het volledige advies is opgenomen in Bijlage 3. Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Vijfheerenlanden hebben kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en achten het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A2, wegvak U84.
Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen 23 woningen worden opgericht. Dit leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal personen waardoor de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar is. Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.
6.2
Archeologie en cultuurhistorie
Wettelijk kader In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen. Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. Archeologisch beleid gemeente Vianen Gemeenten dienen bij bodemingrepen het behoud van archeologische waarden af te wegen tegen andere belangen.
Om deze belangenafweging op adequate en verantwoorde wijze structureel te kunnen maken, heeft de voormalige gemeente Vianen reeds in 2007 een archeologische beleidskaart laten opstellen voor haar grondgebied. Deze beleidskaart is in 2012 geactualiseerd. Als onderdeel van deze kaartenset zijn daarbij detailkaarten van de kernen Vianen, Hagestein, Everdingen en Zijderveld vervaardigd. Onderzoek/ beoordeling Op de archeologische beleidsadvieskaart staan voor de verschillende verwachtingszones de eisen ter behoud van archeologische waarden aangegeven. Het plangebied heeft op de archeologische kaart een hoge archeologische verwachting. Voor plangebieden groter dan 30 m² en/of gelegen binnen een straal
Toelichting
35
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
van een AMKL-terrein zijn geen bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv toegestaan (figuur 9). In het bestemmingsplan 'Kom Vianen' is dit als zodanig vastgelegd middels de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Onderzoek is nodig voor plangebieden gelijk of groter dan 30 m² en er dieper in de grond wordt geroerd dan 0,3 m. Een archeologisch onderzoek kan evenwel achterwege worden gelaten, omdat er niet in de grond wordt geroerd. Het is niet volledig uit te sluiten dat er in de toekomst nieuwe bodemingrepen plaatsvinden. In vebrand hiermede zal de dubbelbesemming 'Waarde - Archeologie 2' worden gehandhaafd, zodat de archeologische waarden voldoende blijven geborgd. Conclusie Het initiatief tast de archeologische waarden niet aan, omdat er geen bodemingrepen plaatsvinden. Vanuit dit gezichtspunt zijn er geen belemmeringen. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' blijven de archeologische waarden geborgd.
Figuur 9: Uitsnede archeologische beleidskaart (geactualiseerd beleid 2012). 6.2.1 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De bestaande bebouwing is van eenvoudige architectuur en heeft geen cultuurhistorische waarde. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.
36
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
6.3
Flora en fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische hoofdstructuur (EHS), of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of beschermd natuurmonument. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Uiterwaarden Lek' ligt 5 km ten westen van het plangebied. Sprake is van herontwikkeling van een bestaand kantoorpand naar 23 woningen, dat geen invloed heeft op dit Natura2000-gebied.
Evenmin worden (significante) externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht als gevolg van deze bestemmingswijziging. Ten noorden van het plangebied ligt op circa 430 m nieuwe natuur van Natuurnetwerk Nederland (NNN) van de provincie Utrecht (figuur 10). Ook hier heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het NNN.
Figuur 10: Het NNN is groen weergegeven (plangebied met rode stip aangeduid). Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op circa 5 km westelijk gelegen natura2000-gebied 'Uiterwaarden Lek' en 'Zouweboezem zijn stikstofrelevant habitatrichtlijngebieden. In onderhavige situatie is er sprake van een vervolgfunctie in een bestaand gebouw naar wonen in plaats van een kantoor met vergelijkbare verkeersbewegingen. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de
Toelichting
37
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
natuur vallen hierdoor niet op voorhand uit te sluiten. Uit de uitgevoerde AERIUS berekeningen voor de aanlegfase, gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie per saldo niet toeneemt. In de onderbouwing 'Effecten depositieplan Ursulinenhof 1 te Vianen' wordt dit aangetoond (rapport van 22 maart 2021, Bijlage 4). De AERIUS-berekening van de aanlegfase is opgenomen in Bijlage 5; de berekening van de gebruiksfase in Bijlage 6. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. 6.3.1 Ecologisch onderzoek Soortenbescherming Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden nagegaan, c.q. onderbouwd worden, of zich in het betreffende gebied beschermde soorten bevinden. In verband hiermede is een ecologisch onderzoek uitgevoerd door Watersnip Advies (rapport van januari 2020, bijlage 1). De conclusies en aanbevelingen luiden als volgt. Natuurgebieden H.3 Natura2000 Habitattypen
Gevolgen
Soorten
Natura2000-gebieden Uiterwaarden Lek en Zouweboezem hebben habitattypen die zijn aangewezen als stikstofgevoelig. Voor de nieuwe ontwikkeling dient daarom getoetst te worden of er sprake is van stikstof depositie op de natuurgebieden. Nee
NNN-gebieden Structuurvisie Utrecht
Nee Nee
Soortgroep H.4 Algemeen
Overtreding verbodsbepalingen Voor de beschermde soorten, Bastaardkikker, Bruine Kikker, Meerkikker, Gewone pad, Kleine watersalamander, Bosmuis, Bunzing, Dwergmuis, Egel, Haas, Hermelijn, Huisspitsmuis, Veldmuis, Wezel, Ree, Konijn, Vos en Woelrat geldt een algemene vrijstelling in het kader van de Wet Natuurbescherming (Wnb) door de provincie Utrecht. Er hoeft voor deze soorten geen ontheffing aangevraagd te worden. Wel dient voor deze soorten de algemene zorgplicht in acht genomen te worden. Inee. Indien bomen en struiken verwijderd worden, dient dit bij voorkeur buiten het broedseizoen van vogels te gebeuren, zodat overtreding van de Wnb wordt voorkomen. Het broedseizoen loopt globaal van 15 maart tot 15 juli. De Wnb hanteert echter geen standaard periode voor het broedseizoen; van belang is of een nest bewoond is. Indien een bewoond nest wordt aangetroffen, mogen er geen werkzaamheden uitgevoerd worden die het nest verstoren. Vogelnesten die jaarrond beschermd worden door de Wnb, zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen het plangebied. Voor aanvang van werkzaamheden tijdens het broedseizoen dient een terzake kundige een inspectie uit te voeren ten aanzien van eventuele broedende vogels.
Nee Nee, mits voorkomen wordt dat er gedurende de voortplantingsperiode van de Rugstreeppad (globaal half april – augustus) water stagneert en er plassen en poelen ontstaan waar de Rugstreeppad haar eieren in af kan zetten. Tevens dient voorkomen te worden dat er lang zand/grond braak ligt gedurende de overwinteringsperiode (globaal van november – maart). Dit om ingraven voor overwintering te voorkomen .
Vogels
Vissen Amfibieën
38
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Reptielen Zoogdieren Vleermuizen
Overige soorten
Nee Nee Uit de bureaustudie blijkt dat er verschillende beschermde vleermuissoorten voorkomen in de omgeving van het plangebied, zoals Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse vleermuis, Ruige dwergvleermuis (0-1 km) en Baardvleermuis, Fransjestaart, Gewone grootoorvleermuis, Meervleermuis, Tweekleurige vleermuis en Watervleermuis (1-5km).Tijdens de bouwkundige inspectie is gebleken dat er een mogelijkheid bestaat dat er rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn in het plangebied. De werkzaamheden zullen met name inpandig plaatsvinden en daardoor geen invloed hebben op de potentieel aanwezige vleermuizen. Ook een eventueel aan te bouwen extra verdieping zal geen invloed hebben op de mogelijk aanwezige vleermuizen. Aanvullend vleermuisonderzoek is niet nodig. Foerageergebied is alleen beschermd indien het van groot belang is voor de functionaliteit van de verblijfplaatsen van de soorten, doordat er onvoldoende alternatieven aanwezig zijn. Nee
Algemene Zorgplicht Voor planten- en diersoorten geldt in het kader van de Wet Natuurbescherming de algemene zorgplicht. Deze bepaalt dat een ieder die weet dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen kan hebben voor flora en/of fauna, deze handelingen achterwege dient te laten of verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. De zorgplicht kan gezien worden als algemene fatsoenseis die voor iedereen geldt. In het kader van natuur-inclusief bouwen kan er in de nieuwe situatie ruimte gemaakt worden voor beschermde soorten. Hierbij kan gedacht worden aan het plaatsen van nestkasten voor vogels, zoals Gierzwaluw en Huismus. Ook kan hierbij gedacht worden aan het ophangen van vleermuisverblijven. Conclusie Gelet op het vorenstaande kan worden geconcludeerd er vanuit de Wet natuurbescherming geen beperkingen worden opgelegd aan deze planontwikkeling. Bij uitwerking van het bouwplan wordt rekening gehouden met de in het rapport opgenomen aanbevelingen.
6.4
Overige realiserings- en uitvoeringsaspecten
6.4.1 Kabels en leidingen In het plangebied liggen er naast de gebruikelijke kabels en leidingen geen ruimtelijk relevante gas- en watertransportleidingen waarvoor een beschermende regeling nodig is.
Toelichting
39
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
40
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Hoofdstuk 7 7.1
Juridische opzet
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze waarop de ruimtelijke en functionele ontwikkelingen een vertaling hebben gekregen in de juridisch bindende onderdelen van het bestemmingsplan, de verbeelding van de geometrische plaatsbepaling en de regels.
7.2
Verbeelding
Op de verbeelding (plankaart), getekend op een kadastrale ondergrond schaal 1:1.000, zijn door middel van coderingen (via combinatie van letteraanduidingen, arceringen en/of kleur) de bestemmingen aangegeven.
7.3
Regels
De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De regels zijn, overeenkomstig de SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. In artikel 1 zijn de begrippen opgenomen die van belang zijn voor de toepassing van de regels. Artikel 2 betreft de wijze van meten, waarin is aangegeven hoe bij de toepassing van de bestemmingsregels wordt gemeten. Hoofdstuk 2 bevat de bestemmingsregels. In dit hoofdstuk zijn per bestemming regels opgenomen voor het toegestane gebruik en de toegestane bebouwing van de gronden. In paragraaf 7.3.2 wordt nader ingegaan op de bestemmingen die voorkomen binnen het plangebied. Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Het betreft regels die voor het hele plangebied of voor verschillende bestemmingen van toepassing zijn. In dit hoofdstuk zijn onder andere de anti-dubbeltelbepaling, algemene bouw- en gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en overige regels voor parkeren opgenomen. Hoofdstuk 4 bevat twee artikelen. In het eerste artikel is het overgangsrecht opgenomen, zoals dat ingevolge het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Het tweede artikel bevat de slotregel. In de slotregel is aangegeven hoe de regels kunnen worden aangehaald. 7.3.1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat 2 artikelen.
Artikel 1 Begrippen In het artikel 'Begrippen' wordt een aantal in de planregels voorkomende begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van deze begrippen beperkt, waarmee de duidelijkheid van het plan en daarmee de rechtszekerheid wordt vergroot. Wijze van meten Artikel 2 In het artikel 'Wijze van meten' wordt aangegeven hoe de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. 7.3.2 Bestemmingsregels Dit hoofdstuk bevat de regels waarin de materiële inhoud van de op de verbeelding gegeven bestemmingen zijn opgenomen. Bij de opzet van de artikelen is, zoals de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012) bepaalt, een vaste indeling aangehouden. Voor de volgorde van de bestemmingen leidt dit ertoe dat eerst de bestemmingsomschrijvingen worden benoemd en hierna de bouwregels en in voorkomende geval nadere eisen, afwijken van de bouwregels, specifieke gebruiksregels, afwijken van de gebruiksregels en omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
Toelichting
41
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Artikel 3 Gemengd - 1 De op de kaart voor 'Gemengd - 1' aangeduide gronden zijn, met inachtneming van de nadere aanduidingen, bestemd voor gebouwen en andere voorzieningen ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen op de begane grond met op de verdiepingen wonen. Binnen deze bestemming zijn de volgende bouwwerken toegestaan: hoofdgebouwen en andere bouwwerken. Met betrekking tot de situering van het hoofdgebouw is op de verbeelding een bouwvlak ingetekend, waarin het hoofdgebouw gesitueerd dient te worden. In de planregels is verder de toegestane hoogte van het hoofdgebouw vastgelegd. Het maximaal aantal woningen is aangeduid op de verbeelding. Daarnaast is de fietsenberging middels een bouwaanduiding op de verbeelding weergegeven met de aanduiding 'bijgebouw'. Artikel 4 Waarde - Archeologie 2 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is opgenomen, omdat sprake is van een gebied met hoge verwachtingen van de aanwezigheid van archeologische waarden. Van de mogelijkheden die de onderliggende bestemming biedt voor de uitvoering van (bouw)werkzaamheden kan pas gebruik worden gemaakt indien uit archeologisch onderzoek is gebleken dat als gevolg van de geplande werkzaamheden geen schade wordt toegebracht aan archeologische waarden. Voor kleine uitbreidingen (maximaal 30 m²) is een uitzondering gemaakt.
De kosten van het archeologisch onderzoek staan voor dergelijke kleinschalige bouwwerkzaamheden niet in verhouding tot de omvang en kosten van de verbouwing. Aan een te verlenen omgevingsvergunning kunnen voorwaarden worden verbonden die er op gericht zijn om archeologische resten te behouden. Deze voorwaarden kunnen ook gericht zijn op de wijze waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. Verlangd kan worden dat de werkzaamheden plaatsvinden onder archeologische begeleiding. 7.3.3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat meerdere artikelen die op de bestemmingen uit hoofdstuk 2 van toepassing zijn. Anti-dubbeltelregel Artikel 5 Het artikel 'Anti-dubbeltelregel' bevat een regeling waarmee wordt voorkomen dat met het bestemmingsplan strijdige situaties ontstaan of worden vergroot. Artikel 6 Algemene bouwregels In het artikel 'Algemene bouwregels' zijn deels gestandaardiseerde bouwregels opgenomen waar het merendeel van de bebouwing aan voldoet. Daarnaast is een aantal aanvullende bouwregels opgenomen die voor alle bestemmingen kunnen gelden. Bijvoorbeeld extra bouwmogelijkheden voor ondergeschikte bouwdelen zoals balkons. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is een algemeen verbod opgenomen voor gebruik in strijd met de bestemmingen.
Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Het artikel 'Algemene afwijkingsregels' is gebaseerd op artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wro en heeft onder meer tot doel enige flexibiliteit in de regels aan te brengen. Met een door het bevoegd gezag te verlenen afwijking kunnen onder meer geringe wijzigingen in de maatvoeringen voor bouwwerken, zoals genoemd in hoofdstuk 2 van de regels, worden aangebracht. Artikel 9 Overige regels In dit artikel zijn de parkeerregels opgenomen. Deze komen er op neer dat het parkeerbeleid van de gemeente dient te worden toegepast bij nieuwe bouwplannen en functiewijzigingen. 7.3.4 Overgangs- en slotregels Het laatste hoofdstuk van de planregels bevat twee artikelen.
42
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Artikel 10 Overgangsrecht Het artikel 'Overgangsrecht' heeft ten doel de rechtstoestand te begeleiden van situaties die afwijken van de regels van het bestemmingsplan. Lid 1 van dit artikel geeft regels voor bouwwerken die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden, en die afwijken van de bebouwingsregels van het plan. Lid 2 van dit artikel regelt het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken in het plan, voor zover dit gebruik op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan, afwijkt van de in het plan gegeven bestemming. Artikel 11 Slotregel Het artikel 'Slotregel' bevat de titel waaronder het bestemmingsplan kan worden geciteerd. Dit artikel wordt dan ook wel het citeerartikel genoemd.
7.4
Handhaving bestemmingsplan
Het ontwikkelen van beleid en de vertaling daarvan in een bestemmingsplan heeft alleen zin, indien na de vaststelling van het bestemmingsplan handhaving plaatsvindt. Daarom is het belangrijk om reeds ten tijde van het opstellen van een bestemmingsplan aandacht te besteden aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Vier factoren zijn van wezenlijk belang voor een goed handhavingsbeleid: 1. Voldoende kenbaarheid van het plan Een goed handhavingsbeleid begint bij de kenbaarheid van het bestemmingsplan bij degenen die het moeten naleven. De wet bevat enkele waarborgen ten aanzien van de te volgen procedure: deze heeft in de bestemmingsplanprocedure een aantal inspraakmomenten ingebouwd. 2. Voldoende maatschappelijk draagvlak voor beleid en regeling in het plan De inhoud van het plan kan slechts gehandhaafd worden indien het beleid en de regeling vanuit een oogpunt van algemeen belang aanvaardbaar is. De belangen van omwonenden worden hierbij vooraf gewogen in het kader van de inspraak. 3. Realistische en inzichtelijke regeling Een juridische regeling dient realistisch en inzichtelijk te zijn; dat wil zeggen niet onnodig beperkend of inflexibel. Bovendien moeten de bepalingen goed controleerbaar zijn. De regels moeten derhalve niet meer regelen dan noodzakelijk is. 4.
Actief handhavingsbeleid Het sluitstuk van een goed handhavingsbeleid is voldoende controle van de feitelijke situatie in het plangebied. Daarnaast moeten adequate maatregelen worden getroffen indien de regels worden overtreden. Indien dit wordt nagelaten, ontstaat een grote mate van rechtsonzekerheid.
Toelichting
43
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
44
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Hoofdstuk 8 8.1
Economische uitvoerbaarheid
Financiële haalbaarheid
De gemeente en initiatiefnemer/exploitant van de planontwikkeling hebben over de economische uitvoerbaarheid van het plan overleg gehad. De planontwikkeling zal in overeenstemming zijn met provinciale en gemeentelijke uitgangspunten. De afspraken zijn vastgelegd in een tussen de gemeente en initiatiefnemer/exploitant gesloten exploitatieovereenkomst, waaronder ook de afwikkeling van planschade. Hiermee is het kostenverhaal voor de ontwikkeling verzekerd en is het niet noodzakelijk om een exploitatieplan vast te stellen. Er zijn ook geen overige redenen als bedoeld in artikel 6.12 Wro, om een exploitatieplan vast te stellen. Alle eisen en voorwaarden waaraan moet worden voldaan zijn opgenomen in de exploitatieovereenkomst.
Toelichting
45
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
46
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Hoofdstuk 9 9.1
Maatschappelijke betrokkenheid
Resultaten overleg ex artikel 3.1.1 Bro
In het kader van het overleg ingevolge artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan een aantal personen en/of instanties.
9.2
Communicatie
In het kader van de omgevingsdialoog heef initiatiefnemer voor de omgeving en belangstellenden een project website www.Ursulinenhove.nl gelanceerd met een vragenlijst. Omwonenden hebben tot nog toe geen vragen gesteld en/of opmerkingen hierover gemaakt.
9.3
Zienswijzen
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening heeft het ontwerpbestemmingsplan vanaf 29 oktober 2021 tot en met 9 december 2021 zes weken ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn geen schriftelijke en/of mondelinge zienswijzen ingediend.
Toelichting
47
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
48
Toelichting
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Regels
Regels
49
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan Het bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen met identificatienummer NL.IMRO.1961.bpVIursulinenhof1-VA01 van de gemeente Vijfheerenlanden. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 antenne-installatie Installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.6 archeologisch deskundige De gemeentelijke (beleids)archeoloog of een andere door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologie. 1.7 archeologische waarde De aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het belang voor de archeologie en de kennis van de beschavingsgeschiedenis. 1.8 archeologisch onderzoek Het verrichten van werkzaamheden met als doel het verzamelen van kennis en wetenschap van bekende of verwachte overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. 1.9 bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.
1.10 bebouwingsgrens Een grens van een bouwperceel, welke niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze regels toegelaten afwijkingen. 1.11 bebouwingspercentage Het op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage tot waar het bouwperceel maximaal mag worden bebouwd, of wanneer dat in deze regels uitdrukkelijk is bepaald, het percentage tot waar het bouwvlak maximaal mag worden bebouwd. 1.12 bedrijf aan huis Een bedrijf dat vanwege zijn kleinschalige omvang en geringe invloed op de omgeving kan worden uitgeoefend in een gedeelte van de woning, door de gebruik(st)er van die woning, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking en/of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.
50
Regels
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
1.13 beroep aan huis Een dienstverlenend of kunstzinnig beroep, dat in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, door de gebruik(st)er van die woning, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking en/of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.14 bestaand bij bebouwing: een legaal bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van de terinzagelegging is ingediend, dan wel een bouwwerk welke naar het doorlopen van een wijzigingsof afwijkingsprocedure kan worden vergund, tenzij in de regels anders bepaald; bij gebruik: het legale gebruik dat bestaat op het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen, dan wel nadien kan worden gebruikt krachtens een verleende vergunning, tenzij in de regels anders bepaald. 1.15 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.16 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.18 bijgebouw Een gebouw dat architectonisch ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw. 1.19 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20 bouwgrens De grens van een bouwvlak. 1.21 bouwlaag Een doorlopend gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd. 1.22 bouwperceel Een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bij woningen betreft dit het gehele perceel inclusief voor- en zijtuinen. 1.23 bouwperceelgrens De grens van een bouwperceel. 1.24 bouwvlak Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten. 1.25 bouwwerk Elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.
Regels
51
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
1.26 detailhandel Het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit. 1.27 dienstverlening Het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden. 1.28 gebouw Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.29 gemeentelijk parkeerbeleid De door burgemeester en wethouder vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Indien er geen geldende beleidsregels aanwezig zijn, gelden de actuele CROW kencijfers. Zijn er wel beleidsregels en wijzigen deze gedurende de planperiode dan gelden de gewijzigde regels. 1.30 hoofdgebouw Een gebouw dat, gezien zijn bestemming, vorm of gebruik, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt. 1.31 horeca Een bedrijf, waar bedrijfsmatige dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt en/of bedrijfsmatig zalen worden geëxploiteerd, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.
1.32 huishouden Persoon of groep personen die gemeenschappelijk samenleven in een onderlinge persoonlijke verbondenheid gericht op een duurzaam samenzijn waarbij sprake is van de continuïteit in de samenstelling ervan en die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen. 1.33 kamergewijze verhuur Woonvorm waarbij een pand door meerdere personen die geen gezamenlijke huishouden vormen wordt bewoond, en waarbij sprake is van woonruimtes waarbij afzonderlijke huishoudens afhankelijk zijn van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten de woonruimte. 1.34 maatschappelijke voorzieningen Het uitoefenen van activiteiten gericht op de sociale, maatschappelijke, educatieve en openbare dienstverlening, waaronder begrepen: gezondheidszorg en/of, zorg- en welzijn en/of, jeugd/kinderopvang en/of, openbare dienstverlening en/of, verenigingsleven. 1.35 nutsvoorzieningen Gebouwde dan wel ongebouwde voorzieningen ten behoeve van algemene nutsdoeleinden zoals de watervoorziening, afval, energievoorziening of het (tele)communicatie-verkeer. 1.36 onzelfstandige woonruimte Woonruimte, welke geen eigen toegang heeft en welke niet door een huishouden zelfstandig kan worden bewoond, zonder dat dit huishouden daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte.
1.37 opslag Het bewaren van goederen, materialen en stoffen zonder dat ter plaatse sprake is van productie, bewerking, verwerking, handel en/of activiteiten van administratieve aard.
52
Regels
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
1.38 overkapping Een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het gebruiksgenot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren. 1.39 peil a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het oorspronkelijke aansluitende terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. 1.40 perceelsgrens Een grenslijn tussen bouwpercelen onderling. 1.41 plangrens: De geometrisch bepaalde lijn, die de grens vormt van het plan. 1.42 prostitutie Het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.43 seksinrichting Een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub, of een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.44 voertuigen Fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen en wagens. 1.45 voldoende parkeergelegenheid Van voldoende parkeergelegenheid is sprake, indien wordt voldaan aan het gemiddelde van de CROW kencijfers zoals opgenomen in de rij ‘weinig stedelijk’, aanwezigheidspercentages en berekeningsaantallen zoals opgenomen in de meest actuele CROW publicatie of het gemeentelijk parkeerbeleid. 1.46 voorgevel De lijn waarin de voorgevel van het (hoofd)gebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan. 1.47 voorgevellijn Denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelsgrenzen. 1.48 wonen Het gehuisvest zijn in een woning of wooneenheid conform het begrip 'woning' of 'wooneenheid'. 1.49 woning of wooneenheid Een gebouw, bestaande uit hoofdgebouwen en de bijgebouwen/aan- en uitbouwen, dat blijkens zijn indeling en inrichting bestemd is voor de huisvesting van één huishouden.
Regels
53
bestemmingsplan Ursulinenhof 1, Vianen
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 de afstand De afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot (bouw)perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn is. 2.2 de bouwhoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.3 de dakhelling Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.4 de goothoogte van een bouwwerk Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. 2.5 de inhoud van een bouwwerk Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van de daken en dakkapellen, exclusief van het betrokken gebouw deel uitmakende kelders en andere ondergrondse ruimten, en exclusief de oppervlakten van delen van vloeren waarboven de netto hoogte kleiner is dan 1,5 meter.