Toelichting
Tekst van het document
Figuur 12
Uitsnede Akoestisch rapport wegverkeerslawaai: gecumuleerde geluidsbelasting (De Roever
December 2023)
Voor het beoordelen van het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt gebruik gemaakt van de ‘kwaliteitsindicatie geluid’ van het RIVM. Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
30
Figuur 13
Kwaliteitsindicatie geluid RIVM
Bij een geluidbelasting van 56 tot 62 dB is sprake van een ‘matig’ tot ‘slecht’ woon- en verblijfsklimaat. Er is echter nog wel sprake van een acceptabele milieukwaliteit. Bij de bouw van nieuwe woningen dient sprake te zijn van een hoge mate van gevelwering. Door middel van het realiseren van een geluidluwe gevel door bouwkundige maatregelen zal de akoestische situatie verder worden verbeterd. De woningen zullen worden verwarmd op basis van warmtepompen. Van een warmtepomp gaat geluiduitstraling uit. Op basis van de regels van het Bouwbesluit is geborgd dat de geluiduitstraling van een warmtepomp niet tot een te hoge geluidbelasting op de gevel van de woning of direct aanliggende woningen zal leiden. Mogelijk worden de warmtepompen geplaatst in een buitenunit. De buitenunit wordt dan geplaatst in de bijgebouwen. Tussen de beide hoofdgebouwen mogen op basis van de geldende tuinbestemming geen bouwwerken worden opgericht. De bijgebouwen kunnen uitsluitend aan de buitenzijden van het plangebied worden gerealiseerd. De beide bijgebouwen worden op circa 30 meter uit elkaar geplaatst. Geluid afkomstig van een warmtepomp is te verwachten aan de achterzijde van de pomp.
Gezien de ligging van de beide units, aan de zijkant van de woningen en op grote afstand van elkaar is het onwaarschijnlijk dat deze geluidstraling elkaar zal versterken en tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal leiden. Uit de technische uitwerking van de woningen in de voorbereiding van de vergunningaanvraag voor het onderdeel bouwen zal blijken welk vermogen er noodzakelijk is, welk type installatie in aanmerking komt, of er sprake zal zij van een binnen-, of buitenunit, en of er geluiddempende maatregelen zoals bijvoorbeeld een schutting of een akoestische kast. Plangebied Om af te kunnen wijken van de voorkeursgrenswaarde is een procedure volgens artikel 76 Wgh noodzakelijk op basis waarvan een hogere geluidswaarde kan worden toegestaan. De hogere waarde is noodzakelijk ten aanzien van de berekende geluidsbelasting afkomstig van de Broekseweg en de A27. De hoogst berekende waarden voor deze wegen zijn respectievelijk 53 dB(A) en 59 dB(A). De woningen worden voorzien van maximaal twee dove gevels per woning als gevolg van de overschrijding van de hoogst toegestane waarde van 53 dB(A) van de A27. Op basis van aanvullende bouwkundige maatregelen kan een geluidluwe gevel worden geconstrueerd. Door de toepassing van een geluidluwe gevel kan worden voldaan aan het gemeentelijk hogere waardenbeleid.
De realisatie van de geluidluwe gevel en de dove gevels is geborgd in de planregels. Ten aanzien van de A27 is voor beide woningen een te verlenen hogere waarde nodig van 53 dB(A). Conclusie Na realisatie van een geluidluwe gevel is sprake van een acceptabel akoestisch woonklimaat en kan worden voldaan aan het gemeentelijke hogere waardenbeleid. Voor de woningen is een hogere waarden procedure noodzakelijk in het kader van de Wet geluidhinder. Het volledige akoestische onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
31
4.4
Luchtkwaliteit
Voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen moeten aan luchtkwaliteitsnormen voldoen (artikel 5.16 Wet milieubeheer). Om doorgang te vinden dient een ruimtelijke ontwikkeling: a. de grenswaarde niet te overschrijden; b. luchtverontreinigende stoffen dienen in concentratie (per saldo) niet toe te nemen; c. Niet In Betekenende Mate bij te dragen volgens de in Bijlage 2 van de Wet milieubeheer opgenomen grenswaarden; d. Onderdeel uit te maken van een vastgesteld onderdeel binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL) en dus is gericht op het aan de grenswaarden laten voldoen van grote ruimtelijke ontwikkelingen. Via de wet worden mensen tegen negatieve gevolgen van luchtverontreiniging beschermd (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wet milieubeheer). Hiervoor zijn getalsmatige grenswaarden opgenomen voor een aantal luchtverontreinigende stoffen (Bijlage 2 Wet milieubeheer). Binnen de kaders van de Wet luchtkwaliteit werken Rijk, provincies en gemeenten samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren door middel van de gebiedsgerichte benadering van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Op basis van artikel 5.16 van de Wet Luchtkwaliteit voldoen ruimtelijke ontwikkelingen aan de luchtkwaliteitseisen indien aannemelijk kan worden gemaakt dat de ontwikkeling: niet leidt tot overschrijdingen van een in Bijlage 2 (Wm) opgenomen grenswaarde voor luchtverontreinigende stoffen; per saldo leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit danwel niet leidt tot een verslechtering; -
niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een luchtverontreinigende stof zoals opgenomen in Bijlage 2 (Wm);
-
is opgenomen in een vastgesteld programma van maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit of het NSL.
Voor bepaalde projecten is vastgesteld dat deze Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project minder dan 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2) uitstoot, mag het zonder verdere toetsing aan de grenswaarden worden uitgevoerd. De 3% grens komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor een aantal categorieën van projecten is op basis van getalsmatige grenzen vastgesteld wanneer er sprake is van een ontwikkeling welke op voorhand NIBM bijdraagt aan luchtverontreiniging. De ondergrens voor onderzoek bedraagt voor woningbouw: -
1500 woningen netto bij minimaal 1 ontsluitingsweg; 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
Plangebied De ontwikkeling van twee vrijstaande woningen is kleinschalig en valt ruimschoots binnen de getalsmatige grenswaarden voor woningbouw. De verkeersbewegingen zullen in de nieuwe situatie afnemen ten opzichte van de huidige bedrijfsmatige invulling. De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Uit de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit zijn voor het jaar 2020 de concentraties van de luchtverontreinigende stoffen onderzocht. Uit de monitoringstool blijkt dat ter hoogte van het plangebied de jaargemiddelde concentraties van NO2 en PM10 (met Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
32
respectievelijk 12-14 microgram/ m3 en 17-18 microgram/ m3) ruimschoots onder de grenswaarden van 40 microgram per kubieke meter lucht liggen. Het aantal dagen per jaar dat de etmaalgemiddelde concentratie van PM10 groter is dan 50 microgram per kubieke meter lucht ligt eveneens ruimschoots onder de grenswaarde van 35 dagen per jaar. De grenswaarde van 25 microgram per kubieke meter lucht als jaargemiddelde concentratie voor PM2,5 wordt (met 10,5-11 microgram/ m3) eveneens niet overschreden. De Wereldgezondheidsorganisatie WHO heeft haar advieswaarden naar beneden bijgesteld aangezien er ook als er aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan, nog sprake kan zijn van gezondheidsschade. Per 22 september 2021 zijn de advieswaarden voor NO2, PM2,5 en PM10 bijgesteld naar respectievelijk 10, 5 en 15 microgram/ m3. Deze waarden worden in de nabije toekomst nog niet gehaald ondanks dat de lucht een stuk schoner wordt. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Voor een goede ruimtelijke ordening dient er voldoende afstand te bestaan tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies. In de VNG-handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ uit 2009 staan richtafstanden opgenomen voor het toetsen van ruimtelijke ontwikkelingen. De richtafstanden geven een algemene indicatie van de te verwachten milieubelasting per bedrijfscategorie. Indien aan de richtafstanden wordt voldaan, kan zonder verdere toetsing worden aangenomen dat er sprake zal zijn van een goed woon-en leefklimaat. De indicatieve afstanden moeten worden aangehouden ten opzichte van de gevels van omliggende gevoelige objecten (inclusief de maximale planologische ruimte). De richtafstanden uit de VNG- handreiking zijn gebaseerd op de omgevingskwaliteit die vergelijkbaar is met een rustige woonwijk. Voor gevoelige functies in een gemengd gebied kan de richtafstand met één niveau worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Tabel 3: Richtafstandentabel VNG milieu-categorieën
Milieucategorie
Richtafstand in meters tot gevoelige bestemmingen Rustige woonwijk
Gemengd gebied
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
Bovenstaande tabel geeft (VNG 2009) per milieucategorie aan welke afstand tussen verschillende functies wordt aangehouden. Van de algemene richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken wanneer milieuonderzoek naar de specifieke situatie een andere mate van milieubelasting aantoont. Plangebied Het plangebied bevindt zich in een woonlint. De omgeving kan worden aangemerkt als rustige woonwijk met weinig tot geen functiemenging. In de omgeving van het plangebied, onder meer aan de Broekseweg 3-5, 17-17a en 18a komen een aantal grondgebonden agrarische bedrijven voor. De bijbehorende hoogst toegestane milieucategorie voor de op basis van het geldende bestemmingsplan toegestane activiteiten bedraagt categorie 3.2 met een bijbehorende richtafstand van 100 meter in een rustige woonwijk. Deze bedrijven liggen allen op een afstand van meer dan 100 meter van de projectlocatie. Aan de richtafstand voor functiescheiding wordt voldaan.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
33
Aan de Broekseweg bevinden zich een aantal bedrijfsmatige functies zoals een vervoersbedrijf aan de Broekseweg 9 (milieucategorie maximaal 3.2) en een timmerfabriek aan de Broekseweg 15-15a (milieucategorie maximaal 3.2). Deze functies bevinden zich op een afstand van meer dan 190 meter van het besluitgebied. Aan de richtafstand voor functiescheiding ten aanzien van deze functies wordt voldaan. Als gevolg van de beoogde functiewijziging wordt een bedrijfsmatige functie (opslag) in een woonlint planologisch beëindigd. Hiermee verbetert tevens de milieubelasting op aanliggende milieugevoelige objecten. Conclusie Door de beoogde functiewijziging vervalt de huidige bedrijfsbestemming en de hiermee samenhangende milieu-uitstraling vanuit het plangebied naar de omgeving. De functiewijziging leidt tot een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. De nieuwe woningen vormen geen nieuwe belemmering voor de ontwikkeling van omliggende activiteiten. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
4.6
Bodem
In het kader van de planologische procedure dient inzichtelijk gemaakt te worden of de milieuhygiënische gesteldheid van de bodem ter plaatse in principe geschikt is voor het beoogde gebruik. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een ruimtelijk plan de uitvoerbaarheid van het plan te worden aangetoond. De Wet bodembescherming, de Woningwet en de Bouwverordening staan niet toe dat er gebouwd wordt op verontreinigde grond. Indien er binnen een planperceel sprake is van een verontreiniging van de bodem, dan is de uitwerking en uitvoering van een eventuele saneringsmethode geregeld in milieuregelgeving. Binnen het perceel was een metaalhandel gevestigd waar oude metalen (ijzer, lood, koper, zink en stroomkabels) werden opgeslagen en verhandeld. Binnen het terrein is de bodem voor een groot deel opgehoogd met een puinlaag. Binnen het perceel is een ondergrondse olietank aanwezig geweest. In 1990 heeft een bodemonderzoek plaatsgevonden op basis waarvan is geconcludeerd dat de bovengrond sterk is verontreinigd met koper, lood en zink. Op basis van het historisch vooronderzoek is uitgegaan van een ‘verdachte, diffuus belaste locatie’. Verkennend bodemonderzoek Om vast te stellen of de bodem ter plaatse geschikt is voor de nieuwe woonfunctie is in juni 2022 door Bakker Milieuadviezen BV een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd.
Het onderzoeksrapport is verder aangevuld in oktober 2023 en Maart 2024. Binnen het plangebied zijn verdeeld over de locatie bodemmonsters genomen en is een peilbuis gezet ten behoeve van grondwateronderzoek. De monsters zijn geanalyseerd op basis van het standaardpakket voor grondwater en bodem. Onderstaand een samenvatting op hoofdlijnen van de onderzoeksresultaten. Voor de volledige resultaten wordt verwezen naar de onderzoeksrapportage zoals opgenomen in bijlage 4. Uit de laboratoriumanalyse blijkt dat de grondfractie in de aanwezige puinlagen sterke verontreinigingen bevat met koper, lood, zink, nikkel, barium, PAK en PCB en tevens licht tot matig is verontreinigd met overige stoffen uit het NEN 5740-pakket waaronder Cadmium. De ondergrond is verontreinigd tot onder de interventiewaarde en plaatselijk sterk verontreinigd met zink tot 80120 cm-mv en matig verontreinigd met PCB, lood en olie. Ter hoogte van de voormalige ondergrondse olieopslagtank aan de noordzijde van het plangebied is de ondergrond sterk verontreinigd met Cadmium, koper, lood, zink en nikkel. Vrijwel alle mengmonsters zijn ten minste Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
34
licht verontreinigd met onder meer olie, Cadmium, Kobalt, Kwik, Molybdeen, PCB, PAK en/of Nikkel. Het grondwater blijkt matig verontreinigd te zijn met minerale olie en is licht verontreinigd met barium. Om de locatie geschikt te maken voor het beoogde gebruik als woonbestemming, zijn saneringswerkzaamheden noodzakelijk. Geadviseerd wordt om de puinlaag en sterk puin houdende toplaag te ontgraven en de met olie verontreinigde grond op het noordelijke terreindeel te verwijderen. Nader onderzoek wordt geadviseerd naar de omvang van de verontreiniging van de bodem onder de puinlaag. Binnen het terrein is daarmee al 300 m3 aan sterk verontreinigd puin aanwezig. Aanvullend bodemonderzoek In augustus 2023 is aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd naar de verontreiniging met minerale olie ter plaatse van de voormalige ondergrondse tank. Ter hoogte van de voormalige tank zijn tevens aanvullende grondwatermonsters genomen om de verontreiniging horizontaal te kunnen afperken. In deze aanvullende boringen zijn geen verontreinigingen met minerale olie aangetroffen. Het grondwater blijkt plaatselijk licht verontreinigd met minerale olie. De aangetroffen olieverontreiniging kan door aanvullende boringen en grondwateronderzoek worden afgeperkt tot een volume van circa 15 m3.
Asbestonderzoek In 2022 is in een indicatieve kwalitatieve laboratoriumanalyse op een enkel monster van de puinhoudende toplaag geen asbest aangetroffen. In augustus 2023 is aanvullend onderzoek uitgevoerd conform NEN 5707/ NEN 5897 naar de aanwezigheid van asbest in de bodem. In de uitgevoerde laboratoriumanalyse is een (zeer) sterke verontreiniging met asbest aangetroffen. Gezien de grote verschillen in onderzoeksresultaten is een extra indicatieve kwalitatieve analyse uitgevoerd. Uit de analyse van deze herbemonstering is eveneens een hoge concentratie aan asbesthoudende deeltjes aangetroffen welke de interventiewaarde overschrijdt. De aangetroffen concentraties uit de laatste analyse liggen echter aanmerkelijk lager dan uit de eerdere analyse. Plangebied De op het terrein aanwezige puinlaag blijkt over vrijwel het gehele terrein sterk verontreinigd te zijn met koper, cadmium, lood, zink, nikkel, barium, PAK en PCB en teven licht of matig verontreinigd met overige stoffen uit het NEN 5740-pakket. Tevens blijkt de puinlaag sterk verontreinigd te zijn met asbest. De aangetroffen olieverontreiniging is door aanvullende boringen en grondwateronderzoek afgeperkt tot een volume van circa 15 m3.
Op basis van de analyseresultaten blijkt de huidige milieuhygiënische gesteldheid van de bodem (ondergrond, de puinlaag en de puinhoudende bovengrond) niet geschikt is voor gebruik als woongrond. Deze bodemverontreiniging levert bij de voorgenomen functie mogelijk gezondheidsrisico’s op voor de gebruikers van het plangebied. De puinlaag, puinhoudende bovengrond en de ondergrond dienen te worden gesaneerd. Volgens de Wet bodembescherming maakt een puinlaag geen onderdeel uit van de bodem. Aangezien het volume aan sterk verontreinigde bodem het volumecriteria niet overschrijdt is er volgens het verkennend bodemonderzoek geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. De verontreinigde puinlaag vormt een afvalstof welke kan worden afgevoerd naar een erkende acceptant. De kosten voor het afgraven van de puinlaag tot aan de onderliggende kleilaag (300m3) en het verwijderen van de olieverontreiniging op het noordelijke terreindeel (15m3) kunnen worden geraamd op circa 63.000 euro excl. btw (uit bijlage 4 bodemonderzoek). In de exploitatie is rekening gehouden met de meerkosten voor de sanering. De benodigde sanering vormt geen risico voor de financiële haalbaarheid van het plan.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
35
Conclusie Alvorens met bouwwerkzaamheden kan worden aangevangen is een sanering op basis van een door het Wbb-bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan of een BUS-melding noodzakelijk. De bodemrapportage met de volledige onderzoeksresultaten is toegevoegd in bijlage 4. Het treffen van de noodzakelijke bodemsanerende maatregelen is in de planregels opgenomen als voorwaardelijke verplichting. Na bodemsanering is de ondergrond geschikt voor het beoogde gebruik.
4.7
Flora en fauna
De soortenbescherming is in Nederland sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming (Wn), voorheen de Flora- en Faunawet. Deze heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende beschermde diersoorten, planten en houtopstanden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Een ruimtelijke ontwikkeling dient inzichtelijk te maken of er door het plan mogelijke negatieve effecten kunnen optreden op beschermde soorten. Bescherming van soorten en leefgebieden Uitgangspunt van de Wet natuurbescherming is dat handelingen die leiden tot (opzettelijke) verstoring of schade aan leefgebieden van beschermde soorten zijn verboden. Alle vogels worden op basis van de Europese Vogelrichtlijn beschermd en zijn in de Wn opgenomen in artikel 3.1 Wn. Voor alle vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die nesten of eieren opzettelijk beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn niet toegestaan. Voor soorten die op grond van de Europese Habitatrichtlijn en het verdrag van Bern/Bonn worden beschermd, geldt artikel 3.5 van de Wn.
Conform artikel 12 van de Habitatrichtlijn geldt voor soorten die via artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming worden beschermd, dat ook het onopzettelijk beschadigen of vernielen van de in gebruik zijnde voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten is verboden. Voor een aantal soorten geldt een specifieke gedragscode. Natura 2000-gebieden De bescherming van natuurgebieden is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. Bovengenoemde wet regelt de bescherming van de in Europees verband vastgelegde Natura 2000gebieden (Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden) en de op nationaal niveau beschermde natuurgebieden. Met de Wet Natuurbescherming worden de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet geïntegreerd. In de wet staat het behoud en herstel van soorten en natuurlijk habitat in samenhang met een duurzame economische ontwikkeling centraal. Het Besluit natuurbescherming wijst gebieden aan waar maatregelen worden getroffen die de gunstige staat van instandhouding van habitat en soorten zoals opgenomen in bijlage I en II van de Habitatrichtlijn waarborgen. Gedeputeerde Staten (GS) stelt noodzakelijke instandhoudingsmaatregelen per gebied vast en dragen zorg voor de daadwerkelijke uitvoering hiervan (artikel 2.2 Wnb).
Natuur Netwerk Nederland De bescherming van de Ecologische Hoofdstructuur (thans Natuur Netwerk Nederland) vindt plaats via lokaal en regionaal beleid. De Ecologische Hoofdstructuur (thans Natuurnetwerk Nederland: NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Binnen het NNN zijn in principe geen ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die de kernkwaliteiten negatief kunnen beïnvloeden. Een uitzondering kan worden gemaakt voor ontwikkelingen waarvoor geen reëel alternatief bestaat en er sprake is van een groot openbaar belang. Voor dergelijke ontwikkelingen
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
36
geldt de ‘nee-tenzij’ toets. Indien schade ontstaat, moet deze worden gemitigeerd en/of gecompenseerd. Zorgplicht Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is een algemene zorgplicht van toepassing. Schade aan flora en fauna dient, op basis van deze zorgplicht, in alle gevallen zoveel mogelijk te worden voorkomen. Plangebied In de omgeving van het plangebied komen een aantal beschermde natuurgebieden voor. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Zouweboezem’ op een afstand van circa 600 meter. Binnen dit gebied komen stikstofgevoelige habitattypen voor. De ‘Zouweboezem’ is in de provinciale Omgevingsverordening tevens aangemerkt als onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland. Aan de overzijde van de A27 op een afstand van circa 350 meter ten oosten van de planlocatie ligt het ‘Hoenderwiel’. Dit gebied maakt onderdeel uit van het NNN. In de Omgevingsverordening provincie Utrecht is de polder Middelbroek aangemerkt als weidevogelkerngebied. In deze gebieden wordt agrarisch natuurbeheer gestimuleerd ter bevordering van de weidevogelpopulatie. Effecten ontwikkeling Het plangebied bevindt zich op een bebouwde en intensief gebruikte bedrijfskavel in een bebouwingscluster. De aanwezige bebouwing zal worden gesloopt. De bedrijfsfunctie wordt beëindigd. De op het perceel aanwezige bodemverontreiniging wordt gesaneerd.
Naar de invloed van de sloop van de ontwikkeling op beschermde soorten is in september 2023 door Veldbiologische Werken een ecologische quickscan uitgevoerd. Uit het veldonderzoek blijkt dat binnen het plangebied vleermuizen verblijven. De bestaande boom op de kavel zal als gevolg van de ontwikkeling zal worden gekapt en beschikt over holten die mogelijk geschikt zijn voor verblijf door vleermuizen. Binnen het plangebied is bebouwing aanwezig welke geschikt is voor gebouw bewonende soorten. Naar de mogelijke functie van het plangebied als essentieel leefgebied voor vleermuizen is aanvullend onderzoek noodzakelijk. Het plangebied is geschikt als overwinteringsgebied voor de heikikker en de rugstreeppad. Naar de functie van het plangebied voor heikikker en rugstreeppad zal nader onderzoek worden uitgevoerd. De aanwezigheid van steenmarters is eveneens niet uit te sluiten. Naar de aanwezigheid van steenmarters zal nader onderzoek worden uitgevoerd. Ten aanzien van andere soorten valt redelijkerwijs uit te sluiten dat de beoogde ontwikkeling van het plangebied tot woonperceel tot een overtreding van de Wet natuurbescherming of de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht zullen zorgen. Tijdens de aanlegfase dient invulling te worden gegeven aan de algemene zorgplicht. Voor alle in het wild levende dieren dienen nadelige gevolgen zo veel mogelijk te worden voorkomen.
Dit betekent voor de ontwikkeling dat: Zoveel mogelijk wordt gewerkt buiten de kwetsbare periode van aanwezige soorten. Waaronder in ieder geval het rooien van beplanting buiten het broedseizoen (broedseizoen -
loopt van ca maart tot en met augustus); Werkzaamheden zo min mogelijk plaatsvinden tussen zonsondergang en zonsopkomst; Zo min mogelijk gebruik wordt gemaakt van verlichting en deze niet richten op muren of bomen;
-
Voorafgaand aan het verwijderen van vegetatie of andere schuilplaatsen van dieren, wordt gecontroleerd op de aanwezigheid van soorten (zoals egels) en dieren zorgvuldig worden verplaatst naar een geschikte locatie in de directe omgeving;
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
37
-
Tijdens de bouwperiode wordt aangeraden om te voorkomen dat binnen het bouwterrein geschikt biotoop ontstaat voor overwintering of voortplanting van de rugstreeppad. In de periode half april en half juli wordt aangeraden om te voorkomen dat er water in terreinlaagtes ontstaat. Mits wordt voldaan aan de in de rapportage beschreven voorwaarden valt redelijkerwijs uit te sluiten dat de geplande ingrepen een overtreding vormen ten aanzien van de Wet natuurbescherming of de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. Naar effecten op vleermuizen, heikikker, rugstreeppad en steenmarter wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels. Het voorkomen van negatieve effecten op beschermde soorten is hiermee geborgd. De planlocatie ligt buiten het NNN en heeft geen directe aansluiting met omliggende ecologische verbindingszones. De meest nabij gelegen beschermde natuurgebieden bevinden zich aan de overzijde van de Rijksweg A27. Er is sprake van een grote afstand tussen het plangebied en de omliggende Natura- 2000 gebieden. Effecten als gevolg van onder meer geluid, licht en versnippering kunnen op voorhand worden uitgesloten. Een toename van de stikstofdepositie op natuurgebieden kan van invloed zijn op de beschermde soorten aldaar.
Bij het gebruik van de woningen vindt uitstoot van stikstof plaats door verkeersbewegingen en als gevolg van de aanlegactiviteiten. In samenhang met het plan worden de bedrijfsactiviteiten duurzaam beëindigd. De Roever Omgevingsadvies heeft in november 2023 een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd op basis van het voorschreven rekenmodel Aerius Calculator. Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de depositie van stikstof als gevolg van het gebruik van de woningen niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jr. De beoogde ontwikkeling heeft geen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde natuurgebieden. De resultaten van de depositieberekening zijn opgenomen in bijlage 8. Conclusie Op basis van de terreinsituatie, afstand tot omliggende natuurgebieden en de resultaten van een stikstofdepositieberekening voldoet de voorgenomen ontwikkeling aan de Wet natuurbescherming. In alle gevallen geldt de algemene zorgplicht. Ook het onopzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van beschermde soorten is verboden. In dit kader is het aan te raden om bodemmateriaal of vegetatie voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd te verwijderen. De rapportage van het verkennend ecologisch onderzoek is opgenomen in bijlage 7. Naar effecten op vleermuizen, heikikker, rugstreeppad en steenmarter wordt aanvullend onderzoek uitgevoerd.
Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels.
4.8
Water
4.8.1 Algemene uitgangspunten Centraal in het waterbeleid staat dat water een belangrijk sturend element in de ruimtelijke ordening is. De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel om de ecologische kwaliteit van oppervlaktewateren te verbeteren: het ‘Goed Ecologisch Potentieel’ (GEP). De Europese doelstellingen worden via de nationale Waterwet geïmplementeerd. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en werkt door in de ruimtelijke ordening. In de ‘Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw’ (d.d. 14 februari 2001) is door rijk, provincies, Waterschappen en gemeenten overeengekomen dat in alle nieuwe ruimtelijke plannen een zogenaamde watertoets opgenomen dient te worden. In de toelichting van een bestemmingsplan Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
38
dient op basis van artikel 3.6 lid 1 Bro aangegeven te worden op welke wijze rekening wordt gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In artikel 3.1.1. van het Bro is vastgelegd dat bij het opstellen van het bestemmingsplan overleg dient plaats te vinden met de waterbeheerder. Water dient in een zo vroeg mogelijk moment in de planvorming te worden meegenomen. Algemene leidende principes binnen de waterwetgeving met betrekking tot waterkwantiteit en waterkwaliteit zijn: Waterkwantiteit: Stap 1- voorkomen van hemelwaterafvoer (vasthouden); Stap 2- benutten of infiltreren van hemelwater (bergen); Stap 3- vertraagd afvoeren van hemelwater naar oppervlaktewater (afvoeren). Waterkwaliteit: Stap 1- Voorkomen Stap 2- Scheiden Stap 3- zuiveren Het plangebied bevindt zich binnen het beheergebied van Waterschap Rivierenland. Vanuit de Waterwet (die zal opgaan in de Omgevingswet) geldt de verplichting tot het opstellen van een Waterbeheerprogramma. Het waterschap heeft haar strategische lange termijn doelstellingen vastgelegd in de Watervisie 2050. Door middel van het Waterbeheerprogramma 2022- 2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ is een tactische vertaling gemaakt in oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan de doelstellingen vanuit de Europese KRW.
Ruimtelijk relevante aspecten van het waterbeleid worden vertaald in het bestemmingsplan. Om te bepalen of er voor de geplande werkzaamheden een vergunning of ontheffing vereist is, dient getoetst te worden aan de regels uit de Keur oppervlaktewateren. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vertaalt de wet- en regelgeving naar concrete beleidsdoelstellingen voor het beheer van waterkeringen, het oppervlaktewatersysteem en de afvalwaterketen. Hoofddoelstellingen voor het duurzaam omgaan met water in het Waterbeheerprogramma zijn op hoofdlijnen: • •
Waarborgen van waterveiligheid; Zorgen voor mooi en schoon water;
•
Beperken van de effecten van klimaatverandering/ klimaatadaptatie;
• • •
Beperken effecten van bodemdaling; Bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving; Verduurzaming van het watergebruik.
Sinds 2003 vormt volgens het Besluit op de Ruimtelijke Ordening de Watertoets een verplicht onderdeel van de afweging van elk ruimtelijk plan. In een waterparagraaf dient te worden beschreven hoe met de gevolgen van het plan op de waterhuishouding wordt omgegaan. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor de omgang met hemelwater in het stedelijke gebied, maar legt wel meer verantwoordelijkheid bij de perceeleigenaar. Pas wanneer men zich niet redelijkerwijs van het hemelwater kan ontdoen is de gemeente gehouden aan het treffen van maatregelen (Waterwet, art. 9a). De gemeente zal beoordelen wat zij in dit verband redelijkerwijs van de perceeleigenaar mag vragen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de gewenste voorkeursvolgorde voor de omgang met hemelwater.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
39
In het gemeentelijk Rioleringsplan is vastgelegd hoe de gemeente uitvoering geeft aan de omgang met afvalwater, hemelwater en grondwater. Afstromend schoon hemelwater wordt zoveel mogelijk vertraagd zodat het ter plaatse kan infiltreren in de bodem en daarmee in perioden van droogte een buffer vormt. Voor de afvoer van hemelwater geldt de trits: schoonhouden, scheiden en zuiveren (waterkwaliteit) en vasthouden, bergen en afvoeren (waterkwantiteit). Het waterschap toetst in het kader van het vooroverleg of het plan past binnen de waterdoelstellingen. 4.8.2 Klimaatneutraal ontwikkelen Als gevolg van klimaatverandering wordt de kans op hitte, droogte, wateroverlast en overstromingen groter. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is opgenomen hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk samen de gevolgen van klimaatverandering aanpakken. Doelstelling is om Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust ingericht te hebben. Door klimaatadaptief te bouwen en in te richten worden problemen voorkomen en wordt schade door klimaatverandering beperkt. Ten aanzien van de ontwikkeling kan de volgende afweging worden gemaakt: Veiligheid waterkeringen De planlocatie is gelegen in het buitengebied van Meerkerk. De locatie bevindt zich volgens de Omgevingsverordening Utrecht niet in een boringvrije zone, waterwingebied of in een grondwaterbeheergebied.
Op basis van de Keur oppervlaktewater en de bijbehorende legger waterkeringen is ter plaatse geen sprake een beschermingszone van een waterkering. Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plangebied bevindt zich in peilgebied OVW074. Het winterpeil en het zomerpeil voor dit gebied zijn vastgesteld op -1,51m – NAP. Aan de noordoostelijke zijde van het plangebied bevindt zich een watergang die wordt beschermd op grond van de Keur. Deze oost-west georiënteerde watergang heeft een C-status (037680). In de Vijfheerenlanden geldt ook voor C-watergangen een onderhoudsverplichting voor eigenaren van aangrenzende percelen. Een C-watergang heeft geen beschermingszone en alleen een waterbergende functie. Het overtollige water in de C-watergang stroomt af naar een stelsel van noord-zuid georiënteerde C-watergangen en vervolgens in de Oude Wetering (A-watergang) ten zuidwesten van het plangebied. In samenhang met de bouw van de woningen, wordt de huidige C-watergang aan de noordzijde van het plangebied verlegd naar de zuidzijde (straatzijde). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot belemmeringen voor het watersysteem of voor (het onderhoud van) leggerwatergangen. De te dempen watergang wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuw water. Voorafgaand aan de demping wordt zo veel mogelijk van het compenserende water aangelegd.
De nieuwe watergang en oever heeft een C-status en zal door de toekomstige en aanliggende perceeleigenaren worden onderhouden. Naast de watergang is een obstakelvrije zone nodig om de oever en de watergang goed te kunnen onderhouden. Een weergave van de beoogde situatie is opgenomen op de onderstaande situatietekening. Voor het dempen en opnieuw aanleggen van water zal een watervergunning worden aangevraagd.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
40
Figuur 11
Profiel compenserende watergang (WerkinaStaete BV d.d. Juni 2024: zie tevens bijlage 2).
Ontsluiting plangebied De woningen worden ontsloten via een tweetal nieuw aan te leggen opritten over een brug. Voor het dempen van C-wateren en het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen langs een weg in beheer bij het waterschap geldt een watervergunningplicht. Het te dempen wateroppervlak wordt gecompenseerd en aangesloten bij het stelsel van aanliggende C-watergangen. Voor de voorgenomen demping en de aanleg van compenserende waterberging zal een watervergunning in het kader van de Waterwet worden aangevraagd. Voorkomen van overlast door hemel- en afvalwater In de huidige situatie is het perceel in gebruik als bedrijfslocatie en als zodanig bestemd. Het perceel is thans deels bebouwd met een loods en gestalde containers en deels voorzien van verharding. In samenhang met de beoogde functiewijziging wordt het huidige bedrijfsmatige gebruik beëindigd worden binnen het perceel twee vrijstaande woningen met tuin gerealiseerd. De verontreinigde bodem met de puinlaag zal worden gesaneerd. Het areaal verhard oppervlak zal door de beoogde functiewijziging afnemen. Als gevolg van het verwijderen van de puinlaag en de aanleg van een tuin, kan het water in toekomstige situatie ter plaatse infiltreren of afstromen naar de nieuw aangelegde watergang. Er is sprake van een hydrologisch positieve ontwikkeling. Tabel 4: Verhardingstabel
Huidige
situatie
Toekomstige
situatie
(wateroppervlak)
(wateroppervlak)
Water
Ca. 84m2 (waarvan ca 50m2 op eigen perceel)
Ca. 110m2
Verhard oppervlak
Ca. 500m2
(70% van woonbestemming: 125m2 en 150m2) = 192,5m2
95m2
Ca. 260m2
Onverhard oppervlak (oever/tuin/ tuinbestemming) Het huishoudelijk afvalwater van de woningen zal worden afgevoerd via het gemeentelijk rioleringsstelsel. Hergebruik van hemelwater bij woningen kan in beperkte mate plaatsvinden door middel van de opvang van gietwater voor de tuin.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
41
Figuur 12
Uitsnede Legger wateren (bron. Keur Waterschap Rivierenland)
Figuur 13
Nieuwe situatie C-watergangen (bron. Stedenbouwkundig advies Bardo Lammers 8 augustus
2019)
Figuur 14
Te dempen wateroppervlak (Legger wateren Waterschap Rivierenland)
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
42
Figuur 15
Nieuwe situatie ontsluiting percelen met bruggetjes (stedenbouwkundig advies Bardo Lammers
augustus 2019 zie tevens bijlage 1)
Grondwaterkwantiteit en verdroging Er is in de nieuwe situatie geen sprake van het onttrekken van grondwater. De omgang met overtollig regenwater verandert niet ten opzichte van de huidige situatie. Het overtollig water vloeit af via aanliggende C-watergangen naar de weteringen. Er is sprake van een hydrologisch positieve situatie door het verminderen van het areaal verhard oppervlak. Grondwaterkwaliteit Het nieuwe gebruik heeft geen effect op de grondwaterkwaliteit ter plaatse. Oppervlaktewaterkwaliteit De beoogde ontwikkeling heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. Bij de bouw wordt zo veel mogelijk gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen. Volksgezondheid De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de volksgezondheid. Bodemdaling Als gevolg van de ontwikkeling vindt er geen wijziging plaats van het waterpeil. Het plan heeft geen bodemdaling tot gevolg. Natte natuur Binnen of direct aanliggend aan het besluitgebied bevindt zich geen natte natuur. Er zijn geen effecten op natte natuur als gevolg van de beoogde ontwikkeling. Wegbeheer De beoogde ontwikkeling heeft een zeer beperkte verkeersaantrekkende werking en leidt niet tot een significante toename van verkeersbewegingen over waterschapswegen.
Met de beoogde ontwikkeling zijn er geen effecten op de werking van omliggende objecten, terreinen of (vaar) wegen die voor het waterbeheer van belang zijn. De wegen buiten de bebouwde kom, waaronder de Broekseweg, zijn in beheer bij het waterschap. In de beoogde situatie wordt er een nieuwe inrit aangelegd over de watergang. Voor de beoogde werkzaamheden zal tevens een watervergunning in het kader van de Waterwet worden aangevraagd.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
43
Conclusie De beoogde functiewijziging naar een woonfunctie is inpasbaar binnen de waterdoelstellingen. De waterhuishoudkundige situatie vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het bestemmingsplan. Voor het dempen van de C-watergang en de aanleg van compenserende waterberging zal een vergunning op grond van de Waterwet worden aangevraagd. De waterparagraaf is in het kader van het wettelijk overleg ex artikel 3.1.1. Bro voor advies en ter beoordeling aan Waterschap Rivierenland voorgelegd.
4.9
Externe veiligheid
Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beheersen van risico’s door opslag en transport van milieugevaarlijke stoffen afkomstig van industriële activiteiten. Tot risicobronnen behoren inrichtingen en transportroutes waar grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen aanwezig zijn en luchthavens. Het wettelijk kader voor de beoordeling van risico’s van transport van gevaarlijke stoffen is sinds april 2015 vastgelegd in de Besluit Externe Veiligheid Transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Het uitgangspunt van het externe veiligheidsbeleid is het ruimtelijk scheiden van risicobronnen en kwetsbare objecten. Zonering vindt plaats door middel van veiligheidsafstanden op basis van berekende risico’s of te verwachten effecten bij calamiteiten. Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en risicovolle bedrijvigheid zijn normen voor het Plaatsgebonden Risico (PR) en het Groepsrisico (GR) van belang.
Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. In gebieden met een plaatsgebonden risico van meer dan 10-6 per jaar zijn geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Vervoer gevaarlijke stoffen Het externe veiligheidsbeleid ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over water en (spoor)wegen is sinds 2015 vastgelegd in het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes en de Regeling Basisnet. Op basis van het Bevt is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar, voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. De Regeling Basisnet stelt risicoplafonds langs hoofdtransportroutes vast. Per trajectdeel is aangegeven of er sprake is van een plasbrandaandachtsgebied.
Nieuwbouw van kwetsbare objecten is niet toegestaan binnen de afstanden van het plaatsgebonden risico. Binnen de plasbrandaandachtsgebieden (zone van 30 meter) gelden aanvullende eisen uit het Bouwbesluit 2012. Als nieuwbouw binnen het invloedsgebied (200 meter) van een transportroute komt, is een verantwoording van het groepsrisico nodig.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
44
Buisleidingen Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Plangebied Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van Meerkerk. Woningen zijn geen activiteiten met een veiligheidsrisico voor de omgeving. Een woning is volgens het Bevi een kwetsbaar object. Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich op basis van de Risicokaart geen inrichtingen met een veiligheidsrisico. Ten oosten van het plangebied, aan de Twaalfhoevenseweg 2, is een agrarisch bedrijf gevestigd waar een propaantank aanwezig is. De boerderij betreft geen Bevi inrichting. De veiligheidsafstand ten opzichte van de propaantank bedraagt 10 meter (PR 10-6). Het plangebied bevindt zich ruim buiten de veiligheidsafstand van de inrichting. De activiteiten van het bedrijf vormen geen veiligheidsrisico voor de nieuwe bewoners van het plangebied. Vervoer gevaarlijke stoffen Het plangebied bevindt zich op een afstand van circa 150 meter van de Rijksweg A27. De Rijksweg A27 is opgenomen in het Basisnet (wegdeel Z128 Knooppunt Everdingen- Afrit 25 Noordeloos).
Over de Rijksweg worden frequent gevaarlijke stoffen vervoerd waaronder brandbaar gas, brandbare vloeistoffen, toxisch gas en toxische vloeistoffen. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 contour) van de A27 bedraagt op basis van Bijlage 1 van de Regeling Basisnet 16 meter. Binnen deze risicocontour kunnen geen nieuwe kwetsbare objecten worden opgericht. Er is geen sprake van het oprichten van kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour. Voor de weg is een plasbrandaandachtsgebied van toepassing van 30 meter vanaf de grens van de weg. Onderhavig bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk binnen het plasbrandaandachtsgebied. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriënterende waarde. Hiervoor is de personendichtheid van belang en de mate van zelfredzaamheid. Voor de beoordeling van het groepsrisico is volgens Bijlage 1 van de Regeling Basisnet met nam de stofcategorie GF3 (brandbaar gas) bepalend voor het groepsrisico. Voor het wegvak is het referentieaantal 5424 tankauto’s voor het vervoer van brandbaar gas (GF3) vastgesteld. Deze aantallen worden volgens de meest recente monitoringsrapportage van Rijkswaterstaat uit oktober 2021 niet overschreden. Het invloedsgebied van de weg (1%-letaliteitsafstand) bedraagt volgens tabel 4-2 (HART) op basis van het transport van brandbare gassen (GF3) maximaal 355 meter van de weg.
Het plangebied bevindt zich binnen het invoedsgebied van de Rijksweg op basis van een explosiescenario en een gifwolkscenario. Bij bouwplannen binnen een invloedsgebied dient een verantwoording plaats te vinden van het groepsrisico. Wanneer het groepsrisico lager ligt dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde, wordt volstaan met een standaard verantwoording van het groepsrisico. Wanneer de toename van het groepsrisico door het besluit kleiner is dan 10% kan een berekening achterwege worden gelaten. Uit onderzoek naar het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen blijkt dat de hoogte van het groepsrisico van de A27 in de uitgangssituatie onder 0,1 maal van de oriëntatiewaarde ligt (zie tevens bestemmingsplan Buitengebied Zederik d.d. 2015). Met de ontwikkeling van een tweetal woningen binnen het invloedsgebied zal het aantal personen met circa 2,4 per woning toenemen op basis van de kentallen uit tabel 4-3 HART. De ontwikkeling betreft daarmee een kleinschalige ontwikkeling. De personendichtheid binnen het invloedsgebied, en daarmee het groepsrisico, wijzigt niet met meer dan 10% als gevolg van de ontwikkeling. Het
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
45
herontwikkelen van een voormalige bedrijfslocatie tot een woonfunctie in een bebouwingscluster is kleinschalig en heeft geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Ten aanzien van de woningen kan worden volstaan met het standaard advies waarbij de mate van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid wordt beschouwd. Het plangebied is op een relatief grote afstand van risicobronnen gelegen. Veiligheidsmaatregelen en bestrijding van effecten van calamiteiten vinden overwegend dichtbij de bron plaats. Op grotere afstand van een bron zijn uitsluitend de scenario’s van een explosie en een gifwolk relevant. Het scenario met de grootste effectafstand betreft een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen. In het toxische scenario is binnen blijven de veiligste optie. Wanneer toxische gassen vrijkomen is het van belang dat bouwwerken volledig afsluitbaar zijn. In dit scenario wordt aangeraden om de woningen te voorzien van centraal afsluitbare (mechanische) ventilatie. In de omgeving van een transportas waarover transport van brandbare vloeistoffen plaatsvindt, is sprake van een explosieaandachtsgebied. In dit scenario heeft vluchten alleen effect voorafgaand aan de explosie.
De woningen worden opgericht volgens de geldende bouwregelgeving en brandveiligheidsvereisten voor nieuwbouw uit het Besluit bouwwerken leefomgeving Bewoners kunnen bij een calamiteit op de Rijksweg zelfstandig de woning verlaten en van de risicobron af vluchten tot een veilige afstand. Vluchten via de buitenlucht zal uitsluitend zinvol zijn in het scenario voordat een explosie (waaronder een BLEVE) optreedt. Het plangebied is bereikbaar voorhulpdiensten via de Broekseweg. Ten aanzien van de beschikbaarheid van voldoende bluswater en de bereikbaarheid van blusvoertuigen is tevens advies gevraagd aan de veiligheidsregio Utrecht. De woningen volgens gegevens van de Veiligheidsregio Utrecht liggen binnen 40 meter van een brandkraan. De bereikbaarheid en beschikbaarheid van bluswater is hiermee voldoende aangetoond. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen waarvoor een veiligheidsrisico geldt. Ten westen van het plangebied op een afstand van circa 800 meter bevindt zich een buisleiding met een extern veiligheidsrisico in de vorm van een hogedruk transportleiding voor aardgas. De plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 contour) van de leiding bedraagt 0 meter. Het plangebied bevindt zich op voldoende afstand van de leiding.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
46
Figuur 16
Uitsnede risicokaart (plangebied rood gearceerd)
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn tevens beoordeeld door de Veiligheidsregio Utrecht.
4.10 Verkeer en parkeren Op basis van het Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren (vastgesteld 10 juni 2021) is voor de hele gemeente een eenduidig toetsingskader voor het woon- en parkeerbeleid vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan heeft een regeling waarmee de gemeente kan sturen op woonvormen op basis van de ruimtelijke uitstraling in relatie tot de omgeving. Tevens is een regeling opgenomen waarmee de CROW- kencijfers voor parkeren van toepassing worden verklaard voor alle ruimtelijke plannen. De meest actuele parkeernota betreft de ‘Beleidsnota Parkeernormen Vijfheerenlanden 2022- 2030’ zoals vastgesteld op 9 juni 2022. De omgeving van Meerkerk is niet aangemerkt als stedelijke zone volgens bijlage 1 van het parapluplan. Voor het plangebied is de parkeernormering voor het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ van toepassing. Voor vrijstaande koopwoningen geldt een parkeernormering van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Dit is inclusief het bezoekersparkeren. De Broekseweg is een smalle doorgaande weg zonder parkeervoorzieningen. Binnen het openbaar gebied van de Broekseweg is weinig ruimte voor het parkeren door bezoekers. Parkeren door bezoekers vindt bij voorkeur plaats op eigen perceel. Per perceel worden 2 parkeerplaatsen aangelegd en tevens ruimte voor 1 bezoekersparkeerplaats. Op basis van de kentallen van het CROW (publicatie 318: toekomstbestendig parkeren d.d.
december 2018) is op basis van een weinig stedelijk gebied gelegen in de ‘rest bebouwde kom’ een gemiddelde verkeersgeneratie te verwachten van ongeveer 8,6 motorvoertuigen per etmaal voor een vrijstaande woning. Deze toename aan verkeersbewegingen is marginaal ten opzichte van de beschikbare wegcapaciteit.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
47
4.11 Technische infrastructuur De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur en andere nutsvoorzieningen (water, elektra). De vuilwaterafvoer van de nieuwe woningen zal worden aangesloten op het gemeentelijk stelsel van Meerkerk. Het huishoudelijk afvalwater zal bij voorkeur worden afgevoerd via een gescheiden systeem. Bij de aanleg van de aansluitingen van de nieuwe woningen zal worden voldaan aan alle bouwtechnische en gemeentelijke regelgeving zoals het Bouwbesluit en het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan Vijfheerenlanden 2021-2025’. Deze toetsing vindt plaats binnen de omgevingsvergunningprocedure voor het onderdeel bouwen. Voor aanvang van de werkzaamheden zal een KLIC-melding worden gedaan. De woningen worden ontsloten door middel van een nieuw aan te leggen inrit.
4.12 Vormvrije MER -beoordeling Het Besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht (reparatie en modernisering milieueffectrapportage) (Staatsblad 102, jaargang 2011) zijn op 28 februari 2011 gepubliceerd. Deze reparatie van het Besluit milieueffectrapportage was nodig door het arrest van het van de EU van 15 oktober 2009 (Commissie tegen Nederland, zaak C-255/08). Het Besluit milieueffectrapportage kende een systeem van absolute drempelwaarden. Het systeem van absolute drempelwaarden bood in de praktijk vanwege de duidelijkheid grote voordelen. Gebleken is echter dat het in feite onmogelijk is om de drempelwaarden zo te formuleren dat rekening wordt gehouden met alle criteria van bijlage III van de richtlijn, zoals bijv. cumulatie, en daarbij te garanderen dat onder die drempelwaarden geen sprake kan zijn van aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu. Om die reden is gekozen om de drempelwaarden indicatief te maken. Dit betekent dat de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst van het Besluit mer een indicatief karakter krijgen. Op grond van artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht dient het bevoegd gezag zijn keuze om géén mer-beoordeling te maken voor een activiteit die beneden de drempelwaarde valt, te motiveren in de toelichting van een bestemmingsplan.
Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten’. Plangebied Onderliggend bestemmingsplan maakt de functiewijziging van een bedrijfsbestemming naar een woonbestemming mogelijk. Op basis van het beoogde planologische kader wordt de oprichting van twee vrijstaande woningen mogelijk. Met de ontwikkeling is sprake van een activiteit zoals benoemd in categorie D11.2: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ van het Besluit mer. De (indicatieve) drempelwaarde voor het opstellen van een milieueffectrapportage bedraagt voor deze activiteit het oprichten van minimaal 2000 woningen of ontwikkelingen met een oppervlakte van 100ha of meer. Voorliggend bestemmingsplan maakt het oprichten van een tweetal woningen direct mogelijk. Gezien de beperkte schaal en aard van de ontwikkeling kunnen op basis van bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU) belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden uitgesloten.
Bij de beoordeling van de milieueffecten kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Door middel van de toetsing van de diverse milieuaspecten van deze bestemmingsplantoelichting heeft een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsgevonden.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
48
Om de milieugevolgen van de geplande ontwikkeling in beeld te brengen zijn diverse onderzoeken verricht. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in de andere paragrafen van dit hoofdstuk. In de planregels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op basis waarvan voorafgaand aan het gebruik van de grond ten behoeve van een woonfunctie, de bodem dient te zijn gesaneerd volgens een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan. Hiertoe is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. In de planregels is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het uitvoeren van nader ecologisch onderzoek. Om een acceptabele geluidsbelasting te kunnen waarborgen worden dove gevels gerealiseerd en worden aanvullende bouwkundige maatregelen genomen om een geluidluwe ruimte te kunnen realiseren. Voor de ontwikkeling is een besluit hogere grenswaarden in het kader van de Wet geluidhinder noodzakelijk. De onderzoeksresultaten staan de haalbaarheid en de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg. Conclusie De conclusie is dat geen milieueffectrapportage (MER) behoeft te worden opgesteld voor onderliggend bestemmingsplan.
Daarbij is uit hoofdstuk 4 en de bijbehorende onderzoeken gebleken dat er, gelet op de kenmerken van de activiteit en de mate van de kwetsbaarheid van het milieu waarin het plangebied is gelegen en het gebied waarop het effect zou kunnen hebben, geen sprake is van significante milieugevolgen. Om de locatie geschikt te maken voor een milieugevoelige functie, worden aanvullende maatregelen genomen.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
49
5.
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1
Inleiding
Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een juridisch-planologische regeling ten behoeve van de ontwikkeling van twee vrijstaande woningen. Sinds 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening in werking getreden. Hiermee dienen bestemmingsplannen in digitale vorm (RO-standaarden) te worden vastgesteld. De planregels sluiten verder aan bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012. De planregels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’ uit 2015 en ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ uit 2018.
5.2
Bestemmingen
Aan het plangebied worden de volgende bestemmingen en aanduidingen toegekend: Bestemming ‘Tuin’ Aan de voorzijde van het perceel en tussen de beide woningen is een tuinbestemming toegekend zonder bouwmogelijkheden. Om deze reden is de tuinbestemming expliciet niet aangemerkt als ‘erf’ als bedoeld in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht in de planregels. Met de tuinbestemming wordt beoogd om de ruimtelijke kwaliteit van het bebouwingsbeeld met twee vrijstaande woningen duurzaam in stand te houden. De woningen kunnen ook op termijn niet aan elkaar worden gebouwd. Een ‘frontaler’ bebouwingsbeeld is ruimtelijk gezien ongewenst. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de sanering van de aangetroffen bodemverontreiniging op basis van een goedgekeurd saneringsplan. Bestemming ‘Wonen’ De nieuwe woningen beschikken over een woonbestemming. De bouw- en gebruiksbepalingen zijn gebaseerd op de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de sanering van de aangetroffen bodemverontreiniging op basis van een goedgekeurd saneringsplan. Tevens dient per woning ten minste één geluidluwe gevel en twee dove gevels te worden gerealiseerd. Binnen de woonbestemming is de realisatie van deze gevels geborgd.
Bestemming ‘Water’ De nieuw aan te leggen watergang is van landschappelijk belang. De watergang krijgt een status als C-watergang en wordt voorzien van de bestemming water. De aanleg en de instandhouding van de aan te leggen watergang met groene oever als landschapselement is geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting. De percelen worden ontsloten via een brug. De locatie is op de verbeelding aangeduid als ‘specifieke vorm van water- perceelontsluiting’. Bouwvlak Voor de hoofdgebouwen is een bouwvlak opgenomen en een aanduiding ‘gevellijn’. De woningen worden in of achter de gevellijn opgericht. Dubbelbestemming ‘Waarde- Archeologie 2’ Op het gedeelte van het perceel met deze bestemming gelden regels ter behoud en bescherming van mogelijk aanwezige archeologische resten in de bodem.
Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’
50
6.
UITVOERBAARHEID
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Bro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de ter visielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 6.1.2 Vooroverleg Het plan is in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro voorgelegd aan de vooroverlegpartners, te weten de provincie Utrecht, het waterschap Rivierenland, de veiligheidsregio Utrecht, Gasunie, Oasen, Dunea en Vitens. Er zijn reacties van de provincie Utrecht, het waterschap Rivierenland, de veiligheidsregio Utrecht, Oasen, Dunea ontvangen. Naar aanleiding van de reactie van het waterschap is het plan aangepast. 6.1.3 Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft van vrijdag 22 december 2023 tot en met donderdag 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging kon eenieder een mondelinge of schriftelijke zienswijze indienen. Er is binnen deze periode één zienswijze ingediend. In de Nota beantwoording zienswijzen zoals opgenomen in bijlage 9 zijn de ingediende reacties samengevat en voorzien van een reactie. Tevens is aangegeven welke ambtshalve aanpassingen zijn doorgevoerd in het bestemmingsplan. De Nota beantwoording zienswijzen is als bijlage bij deze toelichting gevoegd.