CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 26 september 2024, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling gewijzigd bestemmingsplan Broekseweg 6 Meerkerk17.141 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan ‘Broekseweg 6 Meerkerk’ Gemeente Vijfheerenlanden

TOELICHTING Juni 2024

Buro Kours Adviesburo voor ruimtelijke ontwikkeling –

Tel 06 466 27 079

–

www.burokours.nl

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

Titel

: Bestemmingsplan ‘Broekseweg 6 Meerkerk’ Gemeente Vijfheerenlanden

Kenmerk

: NL.IMRO.1961.BPMKBroekseweg6-VA01

Gemeente

: Vijfheerenlanden

Vastgesteld door de Raad d.d.

: 26 September 2024

Ontwerp

: 14 November 2023

Concept ontwerp

: 23 Oktober 2023

Versie

: 12 Juni 2024

Auteur

: F.G.P. Savelkouls Buro Kours Versterplein 1 5262 AA Vught

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

4

-INHOUDSOPGAVE 1. 1.1 1.2 2. 2.1 2.2 2.3 3. 3.1 3.2 3.3 4.

INLEIDING ................................................................................................. 6 AANLEIDING EN DOEL................................................................................ 6 LIGGING EN BEGRENZING PLANGEBIED ....................................................... 6 PLANBESCHRIJVING EN BEELDKWALITEIT ................................................. 9 GEBIEDSANALYSE ..................................................................................... 9 STEDENBOUWKUNDIGE RANDVOORWAARDEN ............................................ 11 BEOOGDE SITUATIE ................................................................................ 13 BELEID ..................................................................................................... 16 RIJKSBELEID .......................................................................................... 16 PROVINCIAAL BELEID .............................................................................. 17 GEMEENTELIJK BELEID ............................................................................ 19 OMGEVINGSASPECTEN ............................................................................. 23

4.1 4.2

CULTUURHISTORIE EN ARCHEOLOGIE........................................................ 23 DUURZAAM BOUWEN ............................................................................... 26

4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11

GELUID .................................................................................................. 26 LUCHTKWALITEIT .................................................................................... 32 BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING .............................................................. 33 BODEM .................................................................................................. 34 FLORA EN FAUNA .................................................................................... 36 WATER................................................................................................... 38 EXTERNE VEILIGHEID .............................................................................. 44 VERKEER EN PARKEREN ........................................................................... 47 TECHNISCHE INFRASTRUCTUUR ................................................................ 48

4.12

VORMVRIJE MER -BEOORDELING............................................................... 48

5. 5.1 5.2

JURIDISCHE PLANOPZET .......................................................................... 50 INLEIDING ............................................................................................. 50 BESTEMMINGEN ...................................................................................... 50 UITVOERBAARHEID .................................................................................. 51

6. 6.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .................................................... 51

6.2

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ........................................................... 51

BIJLAGEN ........................................................................................................... 53 1. STEDENBOUWKUNDIG ADVIES ................................................................. 54 BARDO LAMMERS ............................................................................................... 54 D.D. AUGUSTUS 2019......................................................................................... 54 2. 3. 4.

INRICHTINGSTEKENING ........................................................................... 54 AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ...................................... 54 BODEMONDERZOEK................................................................................. 54

5.

VERKENNEND ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ............................................. 54

6. 7.

DIGITALE WATERTOETS ........................................................................... 54 VERKENNEND FLORA- EN FAUNAONDERZOEK ............................................. 54

8.

STIKSTOFDEPOSITIE ONDERZOEK............................................................. 54

9.

NOTA BEANTWOORDING ZIENSWIJZEN...................................................... 54

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

5

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel

De planlocatie is gelegen aan de Broekseweg 6, 4231 VE in Meerkerk. Binnen het planperceel is in de uitgangssituatie een bedrijf (opslag) gevestigd. Ter plaatse zijn een loods en een aantal opslagcontainers aanwezig. Het plangebied bevindt zich binnen een bebouwingscluster. Aanliggende percelen hebben een woonfunctie. De initiatiefnemer wenst om de bedrijfsactiviteiten te beëindigen en binnen het plangebied twee vrijstaande woningen te realiseren. Ter plaatse is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’ uit 2015 en het ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ uit 2018 van kracht. Aan de locatie is de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend zonder mogelijkheid voor het oprichten van een bedrijfswoning. Met de beoogde realisatie van twee burgerwoningen binnen het voormalige bedrijfsperceel kan niet worden voldaan aan de in het geldende bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid naar een woonfunctie. Het oprichten van de beoogde woningen wordt niet op een andere wijze mogelijk gemaakt binnen de regels van het bestemmingsplan. Voor de beoogde situatie is reeds een stedenbouwkundig plan opgesteld en overlegd met de gemeente Vijfheerenlanden. In het stedenbouwkundig advies van 8 augustus 2019 is aangegeven dat het realiseren van twee vrijstaande woningen binnen het planperceel in principe en onder voorwaarden voorstelbaar is.

Op basis van dit stedenbouwkundig advies heeft de initiatiefnemer zijn plannen verder uitgewerkt. Per brief van 3 november 2022 heeft de gemeente aangegeven dat ze in principe en onder voorwaarden bereid is om medewerking te verlenen aan de beoogde functiewijziging. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een planologische regeling die de beoogde functiewijziging naar een woonbestemming mogelijk maakt. Op basis van een vastgesteld bestemmingsplan kunnen de benodigde vergunningen voor de bouw van de woningen worden verleend. In onderliggende toelichting worden de plannen beschreven en worden de milieukundige en ruimtelijke randvoorwaarden weergegeven.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

De planlocatie bevindt zich ten noordwesten van de kern Meerkerk en direct ten westen van de Rijksweg A27. Kadastraal is de locatie bekend als Meerkerk, sectie D, nummers 574 en 575. Het planperceel heeft een oppervlakte van circa 640 (resp. 319 en 321) m2. Op onderstaande kaarten wordt de bestaande situatie van het plangebied en de kadastrale begrenzing weergegeven.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

6

Figuur 1

Kadastraal perceel met begrenzing plangebied in blauwe arcering.

Figuur 2

Kadastrale situatie plangebied

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

7

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

8

2.

PLANBESCHRIJVING EN BEELDKWALITEIT

2.1

Gebiedsanalyse

De kern Meerkerk bevindt zich op de overgang tussen de polders Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. De polder van de Vijfheerenlanden vormt door de zanderige ondergrond een overgangsgebied tussen het (half)open veenweidelandschap van de Alblasserwaard en het rivierenlandschap van Gelderland. De polders van de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden zijn vanwege de bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische waarden aangewezen als Belvedèregebied en TOP-gebied. Kenmerkend voor het cultuurhistorische karakter zijn de structuren van waterlopen, wegen, dijken en bebouwingslinten. Karakteristieke landschappelijke elementen in het gebied worden gevormd door het contrast tussen de landschappelijke openheid, graslanden, het fijnmazige slotenpatroon en de historische bebouwingsstructuren. De kernen in de gemeente Vijfheerenlanden hebben zich ontwikkeld vanaf oeverwallen langs de rivieren. Het polderlandschap in de gemeente bestaat uit een (half)open agrarisch (mozaïek)landschap met langgerekte agrarische bebouwingslinten. Deze bebouwingslinten hebben een regelmatige lijnvormige structuur met lage bebouwing, duidelijke oriëntatiepunten zoals kerktorens en molens en een sterke zichtrelatie met het achterliggende polderlandschap. De smalle percelen zijn vaak haaks op de ontginningsas gesitueerd en worden aan de achterzijde begrensd door een achterwetering of kade.

Via een stelsel van watergangen wordt het water in de polder afgevoerd via de Zederik naar de Linge. De historische ontginningsstructuur met bijbehorende afwateringskanalen en sloten is herkenbaar aanwezig in het hedendaagse landschap. De belangrijkste structuurdragende landschapselementen in het gebied bestaan uit de lange lijnen van watergangen, wegen, dijken en bebouwingslinten. Het

buitengebied

rondom

Meerkerk

is

voornamelijk

gevormd

door

gebruik

door

melkrundveehouderijen en akkerbouw. Het landschapstype in de omgeving van het plangebied bestaat overwegend uit open tot halfopen graslanden. Een aantal hiervan (waaronder de polder Middelbroek) vormen tevens een belangrijk leefgebied voor beschermde weidevogelpopulaties. Het agrarisch gebied ten oosten van de A27 maakt onderdeel uit van het Europees beschermde Natura 2000-gebied (Zouweboezem). Sinds de aanleg van het Zederikkanaal langs de kern Zederik, de aanleg van de A27 en de toenemende mobiliteit vanuit de grote steden ontwikkelde zich naast de agrarische sector, ook bedrijvigheid in de transport- en de toerismesector. Door onder meer schaalvergroting neemt het aantal (agrarische) bedrijven in de linten af. De voormalige bedrijfslocaties worden overwegend herontwikkeld tot woonpercelen. Door de veranderingen in gebruik is enige verweving van percelen ontstaan waardoor binnen het langgerekte polderlint verschillende kleinschalige bebouwingsclusters zijn ontstaan met een meer compacte structuur. Deze bebouwingsclusters worden afgewisseld met onbebouwde percelen van waaruit vrij zicht op het agrarische gebied bestaat. De planlocatie bevindt zich aan het polderlint van de Broekseweg in een cluster van woonbebouwing. Het polderlint is gelegen op een historische stroomrug.

Op de slingerende stroomrug is de Broekseweg aangelegd waaraan in de loop der eeuwen bebouwing op soms korte afstand van de weg is gerealiseerd. De achterliggende veengebieden zijn in de loop der eeuwen sterk ingeklonken ten opzichte van de weg. Het perceel wordt volledig omgeven door woonpercelen en ontsloten via de smalle polderweg de Broekseweg. De achterzijde van de smalle kavels worden begrensd door sloten die via een uitgebreid stelsel van lange smalle slootjes uitlopen op de Kerkwetering. Het thans gevestigde opslagbedrijf contrasteert in functie, schaal en aanzicht sterk met het hedendaagse kleinschalige woonlint in de open polder. Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

9

Figuur 3

Omgeving plangebied: planperceel aangeduid met rode markering (ruimtelijkeplannen.nl)

1900

1975

2000 Figuur 4

2020 Situatie 1900-2020 (bron. Topotijdreis)

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

10

2.2

Stedenbouwkundige randvoorwaarden

De belangrijkste structuurbepalende randvoorwaarden van het gebied zijn vastgelegd in de gemeentelijke ‘Nota ruimtelijke kwaliteit’ (vastgesteld 2021). In deze nota is tevens het welstandbeleid van de gemeente Vijfheerenlanden opgenomen. Op basis van het welstandsbeleid worden de ontwikkelingsmogelijkheden van individuele projecten en plannen afgewogen tegen het algemene belang van het behoud van een aantrekkelijke woonomgeving. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te passen binnen de landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische karakteristiek van de omgeving. Deze karakteristiek is maatgevend voor nieuwe ontwikkelingen. In het welstandsbeleid wordt onderscheid gemaakt tussen cultuurhistorisch waardevolle gebieden en objecten. De gemeente maakt in het ruimtelijk beleid onderscheid in vier welstandsniveaus. Ter hoogte van het plangebied is een ‘gewoon’ welstandsniveau van toepassing op basis van de kaart in Bijlage 3 ‘Niveaukaart’. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen een gebied met een ‘gewoon’ welstandsniveau wordt beoordeeld of de nieuwe situatie leidt tot een aanvaardbaar straatbeeld. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich als ‘landelijk gebied met bebouwingslint’ op basis van bijlage 2 ‘Gebiedstypenkaart’. Ter hoogte van het plangebied zijn geen bijzondere welstandscriteria zoals een beschermd dorpsgezicht van toepassing.

Karakteristiek voor het historische veenweide- en rivierenlandschap binnen de gemeente zijn de lange lijnen die zijn ontstaan uit de middeleeuwse verkavelingen. Waardevolle structuurbepalende elementen binnen het landelijk gebied bestaan uit de samenhang tussen dijken, uiterwaarden, verkavelingen, wegen en bebouwingslinten. Het halfopen buitengebied contrasteert sterk met de besloten en kleinschalige bebouwingslinten met smalle wegen, kronkelende dijken en uiterwaarden van de Lek. De historische karakteristieke structuur is nog goed herkenbaar in het hedendaagse landschap. Voor nieuwe ontwikkelingen is van belang dat deze aansluiten op het bestaande afwisselende, groene karakter met gevarieerde bebouwing in een samenhangende structuur. Het planperceel bevindt zich binnen het historische polderlint van de Broekseweg. De bebouwingslinten worden van groot belang geacht voor het onderscheidende karakter van de gemeente. Kenmerkend voor de polderlinten is de clustering van bebouwing langs de hoofdontsluitingswegen. Het merendeel van deze bebouwing bestaat uit boerderijen, woningen en bedrijfsgebouwen. De hoofdgebouwen zijn georiënteerd op de Broekseweg. De rooilijnen van de voorgevels van de hoofdgebouwen verspringen doordat ze het verloop van de weg volgen. Bebouwing is meestal vrijstaand, georiënteerd op de weg en gelegen op een ruim perceel.

Door de perceelsgewijze ontwikkeling is een gevarieerd bebouwingsbeeld ontstaan, bestaande uit zich individueel onderscheidende bouwwerken met verschillen in bouwstijl en de mate van detaillering. Bebouwing heeft één tot twee bouwlagen en is overwegend voorzien van een kap. Vanuit de polderlinten is veel zicht op het (half)open agrarische landschap. De wijze waarop nieuwe bebouwing in ligging, massa, architectonische uitwerking, materiaal en kleur aansluit bij de aanwezige gebiedskarakteristiek van het polderlint, wordt stedenbouwkundig getoetst door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en Erfgoed. Voor de ontwikkeling is in april 2022 een stedenbouwkundig ontwerp opgesteld waarin de twee vrijstaande woningen zijn weergegeven. De beoogde inrichting van het perceel is in augustus 2019 stedenbouwkundig beoordeeld door bureau Bardo Lammers. Het oprichten van een vrijstaande woning binnen het bebouwingscluster aan de Broekseweg past binnen de bestaande stedenbouwkundige polderlintstructuur. Aangezien het huidige perceel al is omgeven door woonpercelen, heeft de toevoeging van bebouwing geen invloed op de aanwezige zichtlijnen naar

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

11

het agrarische gebied. Met de oprichting van twee woningen, is landschappelijke compensatie noodzakelijk.

Figuur 5

Uitsnede stedenbouwkundig advies Bardo Lammers 8 augustus 2019. Zie tevens bijlage 1

Op basis van het stedenbouwkundig advies van 2019 heeft de gemeente per principebesluit aangegeven dat de oprichting van twee vrijstaande woningen onder voorwaarden mogelijk is. De beoogde kwaliteitsverbetering kan worden gerealiseerd door te voldoen aan de volgende uitgangspunten: De afstand tot de weg van de woningen moet aansluiten bij de woning aan de Broekseweg -

8; Er wordt een groene voortuin gerealiseerd; Er wordt een sloot aan de voorzijde langs de weg gerealiseerd. De breedte van deze sloot en de oevers sluiten aan op, en worden uitgevoerd overeenkomstig, de al bestaande

-

naastliggende sloten; Er worden bruggetjes gerealiseerd naar de erven; Verkeerskundig uitgangspunt is het realiseren van twee in- uitritten en parkeren op eigen terrein.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

12

Figuur 6

Nieuwe situatie C-watergangen (bron. Stedenbouwkundig advies Bardo Lammers 8 augustus

2019)

Figuur 7

2.3

Karakteristiek beeld polderlint (Stedenbouwkundig advies Bardo Lammers 8 augustus 2019)

Beoogde situatie

Met het ontwerp wordt op de volgende wijze invulling gegeven aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden. Kwaliteitsverbetering Met de beoogde oprichting van twee vrijstaande woningen op een ruim perceel wordt een voormalige bedrijfslocatie in een woonlint getransformeerd tot woonlocatie. In samenhang met de ontwikkeling wordt de bestaande bedrijfsfunctie beëindigd. De beoogde woonfunctie sluit in bouwvolume en milieu-uitstraling beter aan op het omliggende gebruik. De achterzijde van het perceel grenst aan de kavels van aanliggende woningen. Door de ligging in een bebouwingscluster met sterk verweven percelen, is er ook indien het perceel onbebouwd zou blijven, beperkt sprake van vrij zicht op het Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

13

open buitengebied. De toevoeging van bebouwingsoppervlak wordt landschappelijk gecompenseerd door met de inrichting van het perceel aan te sluiten op de gebiedskarakteristiek. Onderdeel hiervan is dat conform het stedenbouwkundig advies, de sloot aan de achterzijde van het perceel, naar de voorzijde wordt verlegd. De sloot wordt ingericht met een groene oever. De woningen worden ontsloten door middel van een tweetal nieuw aan te leggen opritten met een brug. Hiermee wordt in de toekomst aangesloten bij het karakteristieke beeld van een polderlint. Perceelinrichting Met de perceelinrichting en de oriëntatie van de woningen wordt aangesloten op het ritme van de bebouwingsstructuur en het karakter van het bestaande polderlint. De ligging en oriëntatie van de bestaande bebouwing in het gebied volgt van oudsher het verloop van de polderwegen. De voorgevels van de nieuwe woningen zullen op een afstand van circa 5,4 en 6,3 meter uit de perceelgrens worden gesitueerd. Hiermee komen de voorgevels gelijk aan de voorgevels van de aanliggende bebouwing te liggen. De woningen zijn evenwijdig aan de Broekseweg georiënteerd. Naar aanleiding van het stedenbouwkundig advies en de randvoorwaarden in het principebesluit is de inrichtingstekening uit 2019 aangepast. De bijgebouwen en de inrit zijn verplaatst naar de buitenzijde van het perceel.

Hiermee blijft ook in de toekomst een zichtlijn naar het open agrarische gebied in stand.

Figuur 8

Referentiebeeld groene oever

Bouwstijl De bestaande bebouwing aan het polderlint varieert sterk in architectuur en detaillering. De bouwvorm en architectuur van de beoogde woningen sluiten aan op de bestaande landelijke bouwstijl van de omgeving. De nieuwe woningen zijn vrijstaand en zijn opgebouwd uit een enkele bouwlaag met een kap. De bouwhoogte en goothoogte passen binnen de maximale maatvoering van het bestemmingsplan. De gedetailleerde uitwerking van onder meer het gevelaanzicht, kleur- en materiaalgebruik en detaillering vindt plaats in de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Bouwwijze Gelet op de beperkte afmetingen van het perceel is ervoor gekozen om met de maatvoering van de woningen uit te gaan van een enkele bouwlaag met kap. De oppervlakte, goothoogte en bouwhoogte wijken daardoor wat af van de maatvoering van veelal grotere vrijstaande woningen aan de Broekseweg. Tussen de woningen, tot de perceelsgrens en tot de openbare weg wordt een ruime Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

14

afstand aangehouden. Hiermee ogen de woningen minder massaal dan wanneer er twee grotere vrijstaande woningen zouden worden gerealiseerd. De ruimte tussen de woningen blijft onbebouwd, zodat het vrijstaande karakter ook in de toekomst gewaarborgd blijft. Conclusie Met de beoogde vrijstaande woningen op een ruim groen perceel wordt aangesloten op de lintstructuur en de landschappelijke omgevingskarakteristiek van een polderlint. Zie tevens bijlage 2. De situering van de voorgevel, de locatie van de perceelontsluiting met bruggen en de aanleg van open water is vastgelegd in de regels en de verbeelding.

Figuur 5

Inrichtingstekening beoogde situatie (bron. WerkinaStaete B.V. Juni 2024)

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

15

3.

BELEID

In dit hoofdstuk worden de actuele ruimtelijke beleidskaders weergegeven.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (Novi) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld door de Tweede Kamer. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving tot 2050. Met de omgevingsvisie wordt richting gegeven aan de grote nationale opgaven. De NOVI benoemt nationale belangen, geeft richting op vier prioriteiten en maakt keuzes. Tevens is er ruimte voor regionaal maatwerk en een gebiedsgerichte uitwerking. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal de omgevingsvisie de status hebben van een Nationale Omgevingsvisie. Nationale belangen bestaan onder meer uit het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie en de ontwikkeling van een circulaire economie met behoud van onder meer biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: -

Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Plangebied De ontwikkeling van twee woningen binnen een bestaand bebouwingscluster is kleinschalig van aard en is niet strijdig met het Rijksbelang. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen het Rijksbeleid zoals opgenomen in de NOVI.

3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is vastgesteld op 13 maart 2012. De SVIR geeft een integraal kader voor de Rijksdoelen en de nationale belangen op het gebied van ruimte en mobiliteit en vervangt onder meer de Nota Ruimte. Het beleidskader schetst de doelen, belangen en opgaven van het Rijk tot 2028 en de ambities tot 2040. Uitgangspunt van de SVIR is om de ruimtelijke ordening te decentraliseren en regelgeving zo veel mogelijk te vereenvoudigen. De SVIR benoemt 13 nationale belangen die worden weergegeven in de Nationale ruimtelijke hoofdstructuur. De SVIR benoemd hierbij drie hoofddoelen: Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door versterking van de ruimtelijkeconomische structuur; -

Het verbeteren en behouden van de bereikbaarheid;

Waarborgen van een leefbare en veilige woonomgeving. De nationale belangen uit het SVIR-belangen worden juridisch beschermd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Plangebied en conclusie Het initiatief heeft geen betrekking op één van de Rijksbelangen die zijn opgenomen in de SVIR. Het initiatief past dan ook binnen de beleidskaders van de SVIR.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

16

3.1.3 Besluit Algemene Regels Ruimtelijke Ordening Voor de bescherming van de nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening heeft de minister voor een beperkt aantal onderwerpen algemene regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen. In het Barro komen de nationale belangen als titels terug. Verdere uitwerking vindt plaats in de onderliggende ministeriële Regeling algemene regels ruimtelijke ordening. De regels in het besluit zijn concreet normstellend en moeten direct of indirect (door tussenkomst van de provincie) doorwerken tot het niveau van de lokale besluitvorming. Sinds 1 oktober 2012 maakt de ladder voor duurzame verstedelijking onderdeel uit van het Besluit ruimtelijke ordening. Op basis van artikel 3.1 lid 6 Bro dient een nieuwe stedelijke ontwikkeling te motiveren op welke wijze er toepassing is gegeven aan de voorwaarde van duurzaam ruimtegebruik. Op deze manier wordt een zorgvuldige en transparante afweging bij ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd en wordt de aanwezige ruimte in stedelijk gebied optimaal benut. Een stedelijke ontwikkeling is gemotiveerd als (artikel 1.1.1 lid 1, aanhef en onder i Bro): 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'.

Uit jurisprudentie blijkt dat een ontwikkeling die voorziet in niet meer dan 11 woningen, niet als een stedelijke ontwikkeling aangemerkt kan worden. Plangebied Onderhavige ontwikkeling heeft geen betrekking op één van de nationale belangen uit de ruimtelijke hoofdstructuur. De beoogde ontwikkeling maakt de ontwikkeling van een tweetal woningen mogelijk binnen een bestaand bebouwingscluster binnen een voormalige bedrijfslocatie. Er is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in artikel 3.1 lid 6 Bro. Conclusie Onderhavige ontwikkeling past binnen de beleidsregels van het Barro.

3.2

Provinciaal beleid

De gemeente Vijfheerenlanden maakt sinds 2019 onderdeel uit van de provincie Utrecht. Voor de toets aan het provinciaal beleid is het Utrechtse omgevingsbeleid van toepassing.

3.2.1 Omgevingsbeleid Utrecht Op 10 maart 2021 zijn de Omgevingsvisie provincie Utrecht en de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. Binnen het huidige omgevingsbeleid is het sectorale beleid samengevoegd in één digitaal raadpleegbaar systeem. In de Omgevingsverordening worden de ruimtelijke beleidsopgaven om te komen tot een gezonde en veilige leefomgeving uit de Omgevingsvisie geborgd. De centrale doelstelling van het provinciale omgevingsbeleid bestaat uit het ‘combineren en concentreren’ van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de woningbouwopgave betekent dit dat ontwikkelingen in eerste instantie plaats zullen vinden binnen steden en dorpen en rondom knooppunten. In de omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor gemeenten en waterschappen en daarnaast rechtstreeks werkende regels.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

17

De kernthema’s voor het ruimtelijke beleid van de provincie zijn als volgt gedefinieerd: Stad en land gezond; Klimaatbestendig en waterrobuust; Duurzame energie; Vitale steden en dorpen; Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; Levend landschap, erfgoed en cultuur; Toekomstbestendige natuur en landbouw. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen de kwaliteiten van het karakteristieke landschap te behouden of te versterken. Nieuwe ontwikkelingen zijn toelaatbaar mits ze passen bij de essentiële landschappelijke structuren. Doelstellingen plangebied Volgens de Omgevingsvisie spelen ter hoogte van het plangebied een aantal landschappelijke opgaven. Het bebouwingslint aan de Broekseweg is aangemerkt als gebied met bijzondere aardkundige waarden in de hoedanigheid van een herkenbaar landschappelijk reliëf ter hoogte van het bebouwingslint. Deze waarden hebben voornamelijk een cultuurhistorische betekenis in het kader van de beleving van het landschap. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bijzondere landschapstype van het Groene Hart. Kenmerkend voor dit landschapstype is de open structuur, het veenweidekarakter met onder meer strokenverkaveling en lintbebouwing, landschappelijke diversiteit en rust & stilte. De structuur van het bebouwde gebied rondom de kern Meerkerk is aangemerkt als kernrandzone.

In deze overgangsgebieden tussen bestaand stedelijk gebied en landelijk gebied zijn mogelijkheden voor de vestiging van stedelijke functies. Mits de omvang en aard van de ontwikkeling in redelijke verhouding staat tot de gewenste landschappelijke kwaliteitsversterking. Voor kernrandgebieden is het rood-voor-groen beleid van toepassing.

Figuur 6

Uitsnede

Omgevingsvisie

provincie

Utrecht:

Aantrekkelijke

landschappen

(bron.

Ruimtelijkeplannen.nl)

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

18

In de Omgevingsverordening zijn de lange termijn beleidsdoelstellingen vertaald naar concreet toepasbare regels voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Alle nieuwe ontwikkelingen dienen ruimtelijk en landschappelijk goed inpasbaar te zijn. Dat wil zeggen dat ze bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en aansluiten op de bestaande stedelijke structuur. In onder meer artikel 9.5 en 9.8 van de Interim Omgevingsverordening zijn instructieregels opgenomen voor ontwikkelingen binnen bebouwingsenclaves- en linten en binnen een kernrandzone. Nieuwe bebouwing aan een bebouwingslint dient in eerste instantie plaats te vinden binnen de bestaande bebouwingsstructuur. Omliggende functies mogen niet worden verstoord. In samenhang met de ontwikkeling dient de ruimtelijke kwaliteit te worden versterkt. Uitvoering en instandhouding van de maatregelen ter versterking van de ruimtelijke kwaliteit dienen te worden geborgd. Tevens is van belang dat woningbouwontwikkelingen voldoen aan de regionale afspraken zoals vastgelegd in het programma woningbouw. Beoordeling plangebied Het plangebied bevindt zich binnen de bebouwde structuur van het polderlint aan de Broekseweg. Aan het gehele planperceel is in de uitgangssituatie een bedrijfsbestemming met een bouwvlak toegekend. Ter plaatse is een bedrijfsloods aanwezig met opstallen. Er is geen sprake van een bedrijfswoning.

Met onderhavig bestemmingsplan wordt de bedrijfslocatie gesaneerd en getransformeerd in een woonfunctie. Hierbij vindt een extensivering van gebruik plaats ten opzichte van een bedrijfsmatige invulling. De bestaande bebouwing en opstallen worden verwijderd en vervangen door twee woningen. De situering van de nieuwe bebouwing vindt plaats binnen de bestaande bebouwde structuur en heeft hierdoor geen invloed op de herkenbaarheid van het aardkundig waardevolle reliëf van het bebouwingslint. In de nieuwe situatie worden twee landelijke en vrijstaande woningen op ruime percelen ontwikkeld. Door de voorgevellijn van de woningen evenwijdig aan de voorgevellijn van de aanliggende woningen aan de Broekseweg te situeren, sluiten de woningen aan op de bestaande bebouwde structuur. Met de terugliggende rooilijn ontstaat een voor het gebied kenmerkende diepe voortuin. Om de woningen landschappelijk in te passen worden karakteristieke landschapselementen aangelegd. Ter versterking van de beleving van het polderlint, wordt de watergang aan de achterzijde van het perceel verplaatst naar de voorzijde van het perceel. De woningen worden ontsloten via een tweetal nieuw aan te leggen opritten met een brug. Aanleg en instandhouding van de nieuw aan te leggen watergang, de rooilijn van de woningen en de groene voortuin zijn geborgd in de planregels en verbeelding.

Conclusie De erfinrichting, situering en bouwwijze van de woningen sluiten aan op de bestaande bebouwde structuur van het aanliggende polderlint. In hoofdstuk 2 is uitvoerig omschreven wat de bestaande kwaliteiten van de omgeving zijn, op welke wijze de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de versterking van deze kwaliteiten en op welke wijze deze kwaliteitsversterking is verankerd in de regels van het bestemmingsplan. De beoogde woningen passen binnen de regionale woningbouwafspraken, zoals in de navolgende paragraaf wordt behandeld. Een woonfunctie is ruimtelijk en milieukundig inpasbaar in de leefomgeving zoals blijkt uit hoofdstuk 3 en 4.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Woonvisie Gemeente Vijfheerenlanden Op 17 juli 2020 is de gemeentelijke woonvisie vastgesteld. Centraal in het gemeentelijk woningbouwbeleid staat het behouden van een ‘duurzaam en solidair leefklimaat’. Het doel van de woonvisie is om de woonwensen en woonbehoeften van de inwoners zo veel mogelijk binnen de gemeentegrenzen op te vangen. Hierbij is de voorkeursvolgorde van de ladder voor duurzame Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

19

verstedelijking leidend. Nieuwe ontwikkelingen vinden in eerste instantie plaats binnen het bestaand stedelijk gebied. Met de woonvisie wordt tevens invulling gegeven aan de regionale afspraken in de Woondeal Utrecht en de regionale afspraken in het U16 verband. Nieuwe plannen moeten aansluiten op de vraag naar woningen en een aanwinst voor het woningaanbod zijn. Randvoorwaarden voor nieuwe ontwikkelingen bestaan uit het bijdragen aan het behouden en verbeteren van het woonklimaat, het toevoegen van betaalbare levensloopbestendige woningen nabij voorzieningen, het bestaan van een functionele noodzaak en het bevorderen van de sociale samenhang alsmede het draagvlak voor bestaande voorzieningen. Aan de woonvisie ligt een woonbehoefteonderzoek (Primos 2019) ten grondslag. Binnen de gemeente is sprake van een te verwachten groei van het aantal huishoudens en een behoefte aan ruim 3860 nieuwe woningen tot 2040. De vraag naar woningen is voor een groot deel gebaseerd op de sociaal maatschappelijke trend van huishoudensverdunning. In de periode tot 2040 neemt met name het aantal gezinnen en kleine huishoudens en het aandeel ouderen naar verwachting toe. Een richtinggevend belang binnen het woningbouwbeleid is het behoud van de vitaliteit van kleine kernen.

Met het behouden en aantrekken van jonge huishoudens wordt voor de langere termijn de draagkracht voor sociaal-maatschappelijke voorzieningen versterkt. Een relatief groot deel van de huidige woningvoorraad binnen de gemeente bestaat uit naoorlogse koopwoningen. Deze woningen sluiten vaak niet aan bij de hedendaagse woonwensen en de vraag naar energiezuinige woningen. Om de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig te maken is een grotere differentiatie in het aanbod nodig. Om ook op de lange termijn vitale en leefbare kernen te behouden en tegemoet te kunnen komen aan de vraag naar kleinere woningen streeft de gemeente naar meer doorstroming op de woningmarkt en verduurzaming van de woningvoorraad. Het faciliteren van kleinschalige initiatieven draagt hieraan bij. Elke kern heeft in principe bouwmogelijkheden op basis van de lokale omstandigheden en de beschikbaarheid van transformatielocaties. De kern Meerkerk is aangemerkt als een verzorgingskern met een regionale functie. Plangebied Met de beoogde ontwikkeling is sprake van een transformatie van een bedrijfsmatige functie naar een woonfunctie binnen de contour van het bestaande bebouwingscluster. De ontwikkeling is in aard en schaal kleinschalig. Met de ontwikkeling worden twee vrijstaande woningen binnen het hogere koopsegment gerealiseerd in een landelijk woonmilieu.

Uit woonbehoefteonderzoek blijkt dat er sprake is van een algehele vraag naar (alle typen) woningen. Ook de (kwalitatieve) vraag naar gezinswoningen voor midden en hogere inkomens en woningen in landelijke woonmilieu’s zal tot 2030 naar verwachting licht toenemen (Bijlage Woonvisie; Woonbehoefteonderzoek Primos 2019, tabel 2:). Het plangebied ligt op een aantrekkelijke landelijke locatie in het groene hart binnen het kernrandgebied van de kern Meerkerk. De woningen voorzien in de bestaande vraag naar landelijke woningen van gezinnen uit midden- en hogere inkomensgroepen. Het plan draagt bij aan het behouden van hogere inkomens binnen de gemeente en daarmee aan het behouden van een leefomgeving met goede voorzieningen. Enige verdichting van het bestaande lint in samenhang met de beoogde landschappelijke compensatie, respecteert het contrast tussen besloten bebouwingslinten en een (half)open landelijk gebied. Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de doelstellingen van het regionale woningbouwbeleid om te komen tot een gedifferentieerde woningvoorraad, een evenwichtige bevolkingssamenstelling en het behoud van goede voorzieningen. Met de beoogde particuliere ontwikkeling wordt invulling gegeven

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

20

aan de vraag naar landelijk wonen. Met de beoogde transformatie van een voormalige bedrijfslocatie naar een woonfunctie in een bestaand woonlint is sprake van een passende ontwikkeling. 3.3.2 Bestemmingsplan Buitengebied Zederik De planologische kaders voor de locatie zijn vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’ (vastgesteld 29 juni 2015) en ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ (vastgesteld 19 november 2018). Aan de planlocatie is de bestemming ‘Bedrijf’ toegekend met een bouwvlak en de functieaanduidingen ‘opslag’. Binnen het perceel is geen bedrijfswoning toegestaan. Tevens geldt ter plaatse de dubbelbestemmingen ’Waarde- Archeologie 2’ ter bescherming van archeologische waarden in de ondergrond. Plangebied Het geldende bestemmingsplan voorziet niet in afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden op basis waarvan de bedrijfsfunctie zonder bedrijfswoning kan worden gewijzigd in een woonfunctie ten behoeve van de oprichting van twee woningen. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken zal het geldende bestemmingsplan worden herzien. De bestaande bedrijfsbestemming wordt op basis van onderliggend bestemmingsplan gewijzigd in een woonbestemming. Ter plaatse worden 2 vrijstaande woningen mogelijk gemaakt.

De planregels zijn gebaseerd op de bouw- en gebruiksbepalingen zoals opgenomen binnen de bestemming ‘Wonen’ uit het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’. De maximale bouwhoogte en goothoogte van de woningen bedragen respectievelijk 8 meter en 3 meter. Met onderliggend bestemmingsplan wordt een nieuw planologisch kader geboden op basis waarvan de benodigde vergunningen voor het bouwen van de woningen kunnen worden aangevraagd. Het college heeft per schrijven van 3 november 2022 onder voorwaarden een positief principebesluit genomen. De beoogde realisatie van twee vrijstaande landelijke woningen is onder voorwaarden stedenbouwkundig inpasbaar bevonden. Aan de gestelde stedenbouwkundige randvoorwaarden wordt invulling gegeven in de beoogde ontwikkeling. Uit hoofdstuk 4 en uit aanvullend milieuonderzoek blijkt dat de ontwikkeling milieukundig inpasbaar is. Parkeren vindt plaats op eigen perceel conform de parkeernormen uit de geldende parkeernota (zie tevens onder paragraaf 3.3.3).

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

21

Figuur 7

Uitsnede Bestemmingsplan ‘Buitengebied Zederik’ uit 2015. Plangebied aangegeven met rode

cursor (bron: Ruimteljkeplannen.nl)

Ter hoogte van het planperceel geldt op basis van het ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ een onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf een bewerkingsdiepte van 30 cm-mv en het oprichten van een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 100m2. Bij de aanlegactiviteiten zal de vrijstellingsgrens van de bewerkingsoppervlakte worden overschreden. Om de invloed op archeologische waarden inzichtelijk te krijgen is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Nadat de aanwezige bebouwing is verwijderd, zal een verkennend veldonderzoek plaatsvinden. Zie tevens paragraaf 4.1. Conclusie Met onderliggend bestemmingsplan worden de beoogde woningen planologisch mogelijk gemaakt. De ruimtelijke en milieukundige inpasbaarheid op de locatie is onderzocht in hoofdstuk 2, 3 en 4.

3.3.3 Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren Op basis van het ‘Paraplubestemmingsplan wonen en parkeren’ (vastgesteld 10 juni 2021) is voor de hele gemeente een eenduidig toetsingskader voor het woon- en parkeerbeleid vastgesteld. Het paraplubestemmingsplan heeft een regeling waarmee de gemeente kan sturen op woonvormen op basis van de ruimtelijke uitstraling in relatie tot de omgeving. Tevens is een regeling opgenomen waarmee de CROW- kencijfers voor parkeren van toepassing worden verklaard voor alle ruimtelijke plannen. De meest actuele parkeernota betreft de ‘Beleidsnota Parkeernormen Vijfheerenlanden 2022- 2030’ zoals vastgesteld op 9 juni 2022. De omgeving van Meerkerk is niet aangemerkt als stedelijke zone volgens bijlage 1 van het parapluplan. Voor het plangebied is de parkeernormering voor het gebiedstype ‘rest bebouwde kom’ van toepassing. Voor vrijstaande koopwoningen geldt een parkeernormering van 2,3 parkeerplaatsen per woning. Dit is inclusief het bezoekersparkeren. De Broekseweg is een smalle doorgaande weg zonder parkeervoorzieningen. Binnen het openbaar gebied van de Broekseweg is weinig ruimte voor het parkeren door bezoekers. Parkeren door bezoekers vindt bij voorkeur plaats op eigen perceel. Per perceel worden 2 parkeerplaatsen aangelegd en is tevens ruimte voor 1 bezoekersparkeerplaats.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

22

4.

OMGEVINGSASPECTEN

4.1

Cultuurhistorie en archeologie

4.1.1 Cultuurhistorie Ten aanzien van de bescherming van cultuurhistorische waarden vindt er steeds meer een verschuiving plaats van verantwoordelijkheden van het Rijk naar gemeenten. Hiermee wordt de richting die met de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg 2009 (MoMo) is ingeslagen verder voortgezet. De moderne monumentenzorg heeft twee uitgangspunten: van objectgericht naar omgevingsgericht en van conserverend naar ontwikkelend. Dit vertaalt zich in een beleid met minder regels, het meewegen van cultuurhistorische belangen in de ruimtelijke ordening en meer mogelijkheden voor het herbestemmen van gebouwen. Sinds de wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van 1 januari 2012, dienen cultuurhistorische en archeologische waarden te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Plangebied Het beleid voor cultureel erfgoed van provinciaal belang is vastgelegd in de Omgevingsvisie. Het ruimtelijk beleid ter bescherming van cultuurhistorisch waardevolle landschappen en elementen gaat uit van vijf ‘erfgoedspeerpunten’. De bescherming van deze waarden vindt plaats via de Omgevingsverordening. In de directe omgeving van het projectgebied zijn op basis van de cultuurhistorische atlas van de Provincie Utrecht geen waardevolle cultuurhistorisch landschappen of elementen aanwezig met een provinciaal belang (‘provinciale erfgoedspeerpunten’).

Aan de Zouwedijk ten oosten van het besluitgebied en de bijbehorende kleinschalige landschappelijke elementen zoals poelen, bosgebieden en boomgaarden is een bijzondere cultuurhistorische waarde toegekend als onderdeel van het agrarisch cultuurlandschap. Alle nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen in aard en schaal te passen binnen de identiteit van het landschap. In de ‘Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen’ zijn de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen in de provincie uiteengezet. Het besluitgebied maakt onderdeel uit van het agrarisch cultuurlandschap van het ‘Groene Hart’. Kenmerkend voor het Groene hart is de tegenstelling tussen open (veen)weidegebieden met strokenverkaveling en historische lintbebouwing en dynamische economische zones met bijbehorende transportassen. Ten tijde van het opstellen van de ambitiekaart voor het Groene Hart (2011) maakte de omgeving van de kern Meerkerk nog onderdeel uit van de provincie Zuid-Holland. De ambitie ter hoogte van het plangebied is niet rechtstreeks benoemd in de Kwaliteitsgids. In de cultuurhistorische kaart voor agrarische cultuurlandschappen zijn de relicten van het historische (veen)ontginningslandschap in de omgeving van het plangebied als karakteristiek aangemerkt.

Hier onder vallen in ieder geval het boerderijlint aan de Broekseweg met een half transparante landschappelijke structuur, weteringen, ontginningsassen, eendenkooien en wielen. Zie tevens de beschrijving van de stedenbouwkundige aspecten hoofdstuk 2 en de toets aan het provinciale omgevingsbeleid in paragraaf 3.2.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

23

Figuur 8

Uitsnede

Overzichtskaart

cultuurhistorische

atlas:

Provinciaal

thema

Agrarisch

cultuurlandschap (besluitgebied rood omcirkeld)

De Broekseweg ligt in de polder Middelbroek. Structuurbepalende elementen zijn de halfopen landelijke gebieden met een verkavelingsstructuur in smalle stroken, de hoger gelegen en besloten bebouwingslinten met woonboerderijen en de vele doorzichten naar het achterliggende landelijke gebied. Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te passen binnen het bestaande contrast tussen lint en halfopen gebied. De beoogde ontwikkeling maakt de realisatie van twee vrijstaande grondgebonden woningen met tuin mogelijk binnen het historische bebouwingslint. De huidige bedrijfsbestemming wordt in samenhang met de functiewijziging beëindigd. Met de transformatie van een bedrijfslocatie naar een woonerf wordt beter aangesloten op de omliggende woonfunctie. Met de situering, detaillering en landelijke bouwstijl van de woningen wordt aangesloten op de structuur van het lint. De ontwikkeling binnen het lint heeft geen invloed op omliggende wielen, eendenkooien en waterlopen. De nieuwe bebouwing wordt landschappelijk gecompenseerd door de aanleg van een watergang aan de voorzijde van het perceel. Met de watergang en diepe voortuin wordt de herkenbaarheid en beleving van het polderlandschap versterkt.

Conclusie Met de sanering van een bedrijfslocatie en de realisatie van twee vrijstaande woningen binnen een bebouwingslint in samenhang met de aanleg van landschapselementen wordt de beleving van het karakteristieke cultuurhistorisch waardevolle (veen)ontginningslandschap versterkt. In de planregels en verbeelding zijn de positie van de voorgevel en de aanleg van de sloot geborgd.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

24

4.1.2 Archeologie De bescherming van archeologisch erfgoed is sinds de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 hoofdzakelijk de verantwoordelijkheid van de gemeente. Dit is niet veranderd met de inwerkingtreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. De Wamz is een wijzigingswet die een wijziging omvat van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet. Op grond hiervan moeten overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening houden met het behoud van archeologische waarden. Als bij uitvoering van werkzaamheden vondsten worden gedaan waarvan wordt vermoed dat het archeologische vondsten betreft, moeten deze op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de bevoegde overheid (Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed c.q. gemeente) worden gemeld. Plangebied De gemeente Zederik heeft in 2010 archeologisch beleid vastgesteld. Onderdeel van dit beleid zijn een archeologische waardenkaart en een archeologische verwachtingskaart.

Op de gemeentelijke beleidskaart archeologie ligt het plangebied in een zone met een middelhoge verwachting voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Volgens de beleidsregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld. De archeologische waarden zijn overgenomen in het Reparatieplan Buitengebied Zederik uit 2018. De planlocatie is in het bestemmingsplan ‘Reparatieplan Buitengebied Zederik’ aangemerkt met de dubbelbestemming ‘Waarde–Archeologie- 2’. Ter plaatse geldt een hoge tot middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Bodemingrepen onder de vrijstellingsgrens zijn uitgezonderd van archeologisch onderzoek. Op basis van de regels van het bestemmingsplan is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm-mv waarbij tevens bouwwerken worden opgericht met een oppervlakte vanaf 100m2. Bij de bouw van de woningen en de aanleg van de watergang zal de vrijstellingsgrens van de bewerkingsoppervlakte worden overschreden. Door ADC ArcheoProjecten is in november 2022 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Uit het historisch onderzoek blijkt dat ter plaatse een Lek stroomgordel aanwezig is. Op de stroomgordel is een bewoningslint ontstaan. Ter hoogte van het plangebied worden archeologisch resten verwacht vanaf de (Late) Middeleeuwen tot en met de Nieuwe tijd.

De resten worden direct onder de bouwvoor (ca. 30 cm-mv) verwacht. De resultaten van het archeologisch bureauonderzoek zijn opgenomen in bijlage 5. Aangezien de bodem ter hoogte van de planlocatie sterk is verontreinigd en is afgedekt met een plaatselijk moeilijk te doorboren laagpuin, wordt het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek voorafgaand aan de sanering van de bodem niet zinvol geacht. Naar verwachting is de bodem direct onder de puinlaag reeds verstoord, waardoor de arbo-technische en financiële kosten niet zullen opwegen tegen de archeologische baten. Om de puinlaag plaatselijk verticaal te kunnen doorboren is bovendien inzet van groot materieel noodzakelijk, waardoor eventuele resten in de ondiepe ondergrond alsnog zouden worden beschadigd en boorprofielen verstoord kunnen raken. In de planregels is de archeologische dubbelbestemming opgenomen. Het inventariserend veldonderzoek zal worden uitgevoerd na het saneren van de bodem. In alle gevallen is het protocol toevalsvondsten van toepassing. Als tijdens de uitvoering van de sanering eventueel archeologische vondsten worden gedaan, bijv. funderingen van vroegere bebouwing, dienen deze conform de wettelijke meldplicht van art. 5.10 van de Erfgoedwet te worden gemeld.

Documentatie conform Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie zal dan niet mogelijk zijn, maar er zal in overleg met een archeoloog (ODRU of het onderzoeksbureau) worden gedocumenteerd door bijvoorbeeld het nemen van foto’s.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

25

Conclusie De geldende archeologische dubbelbestemming met onderzoeksverplichting blijft onverminderd van toepassing en is overgenomen in de regels van het bestemmingsplan.

4.2

Duurzaam bouwen

Het begrip ‘duurzaam bouwen’ is door het ministerie van VROM in 1995 geïntroduceerd om de kwaliteit van bouwen te verhogen en de duurzaamheid van de te gebruiken materialen en de te onderscheiden processen te waarborgen. Een belangrijk wettelijk instrument hiervoor is het Bouwbesluit waarin onder meer de energieprestatie zijn opgenomen. De gemeente Vijfheerenlanden heeft in februari 2023 het convenant duurzame woningbouw van de samenwerkende overheden binnen de Provincies Utrecht, Noord-, en Zuid- Holland ondertekend. Het convenant vormt een integraal afsprakenkader voor duurzaamheidsambities bij woningbouwplannen. In het convenant is in bijlage 1 een toetsingskader opgenomen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het convenant richt zich op de thema’s circulair bouwen, energie, klimaatadaptatie, duurzame mobiliteit, biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Het convenant richt zich op maatregelen die aanvullend zijn aan de wettelijke minimale duurzaamheidsvereisten uit het Bouwbesluit met ambitieniveau brons, zilver of goud. Bij de bouw van de woningen wordt uitgegaan van het volgende ambitieniveau: De woningen worden gasloos en goed geïsoleerd gebouwd en worden voorzien van warmtepompen. Wat betreft de energiezuinigheid wordt hiermee minimaal voldaan aan ambitieniveau ‘brons’.

De woningen worden uitgevoerd met gebruikmaking van zoveel mogelijk circulaire bouwtechnieken waaronder: toepassing van palenfundering en een funderingsplaat in beton, HSB-casco (wanden, vloeren en dak), gemetselde buitenschil, houten kozijnen en -

-

keramische pannen. Hiermee wordt bijgedragen aan de circulariteit van de woningen; De woningen worden voorzien van een pannendak. Op het perceel wordt een watergang aangelegd met een groene oever. Het aspect natuur-inclusiviteit en biodiversiteit voldoet aan ambitieniveau ‘zilver’ wat betreft huismussen en amfibieën. Met de watergang wordt tevens invulling gegeven aan de waterbergingsopgave. Bij de uitwerking van de technische bouwplannen van de woningen wordt rekening gehouden met de aspecten circulariteit, duurzame mobiliteit en gezonden leefomgeving wat betreft de herkomst en eigenschappen van grondstoffen en de aanleg van loze leidingen voor de aanleg van laadinfrastructuur. Bij de bouw van de woningen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van niet-uitlogende materialen zoals koper, lood en zink.

Conclusie Bij het bouwen van de woningen wordt uitgegaan van duurzaamheidsaspecten zoals gasloos bouwen, gebruik van duurzame energievoorzieningen (zonnepanelen/warmtepompen) en duurzaam ruimtegebruik (aansluiten op bestaande structuren). De omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen zal voldoen aan de duurzaamheidscriteria van het bestemmingsplan alsmede de vereisten voor nieuwbouw uit het Bouwbesluit. Bij de technische uitwerking van de bouwtekeningen zal verder invulling gegeven kunnen worden aan de uitgangspunten van het Convenant duurzaam bouwen.

4.3

Geluid

Geluid is van belang vanwege mogelijke geluidsoverlast van wegverkeer. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan zoals bedoeld in artikel 3.6 lid 1 Wro dient inzichtelijk gemaakt te worden dat ter Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

26

plaatse sprake is van een aanvaardbare geluidsbelasting. Akoestisch onderzoek naar verkeerslawaai is noodzakelijk indien binnen de geluidzones van spoor- of verkeerswegen sprake is van projectie van geluidsgevoelige bebouwing. Uitgezonderd hierop zijn woonerven, 30 km zones en op basis van een geluidsniveaukaart gedezoneerde wegen. Op basis van artikel 74 van de Wet geluidhinder gelden de onderstaande normen voor geluidzones: Tabel 2: Geluidszone wegverkeerslawaai

Gebied

Aantal rijstroken

Breedte meters

Stedelijk

1 of 2

200

3 of meer

350

1 of 2

250

3 of 4

400

5 of meer

600

Buitenstedelijk

geluidzone

in

De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe geluidgevoelige objecten binnen deze geluidzones is 48 dB. Voor binnenstedelijke gebieden geldt bij nieuwbouw een maximale ontheffingswaarde tot 63 dB (wegen) op de gevel van de woning. Het College van B&W kan op basis van een besluit tot vaststelling hogere waarden een ontheffing verlenen om de realisatie van geluidgevoelige bouwwerken met een hogere geluidsbelasting mogelijk te maken. Ontheffing kan alleen worden verleend indien maatregelen die gericht zijn op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanuit stedenbouwkundig, verkeerskundig, landschappelijk of financieel oogpunt redelijkerwijs niet mogelijk zijn. Bovendien dienen maatregelen genomen te worden om zeker te stellen dat de geluidsbelasting op de binnengevel van de woningen maximaal 33 dB bedraagt. De gemeente heeft hogere waardenbeleid in de vorm van de ‘Beleidsregel hogere waarde gemeente Vijfheerenlanden’ (vastgesteld juli 2020) met toetsingscriteria voor het verlenen van een hogere grenswaarde. Een woning is een geluidgevoelig object in het kader van de Wet Geluidhinder. Door De Roever Omgevingsadvies is in december 2023 een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd voor de nieuwe situatie. De woningen worden gesitueerd buiten de bebouwde kom en binnen de invloedssfeer van de A27, Broekseweg en de Parallelweg.

Rijksweg A27 Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting maximaal 59 dB (inclusief 2 dB aftrek art. 110g Wgh) bedraagt ter hoogte van de achtergevel van de meest noordelijke woning. De geluidsbelasting op de gevels van de woningen overschrijdt de (volgens artikel 76 van de Wgh) hoogst toelaatbare geluidsbelasting van 53 dB op 3 beoordelingspunten over beide verdiepingen. Op de overige beoordelingspunten wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden, maar niet de maximale waarde van 53 dB. Ten aanzien van de A27 worden aanvullende maatregelen beschouwd en wordt een toets aan de mogelijkheden voor een hogere waarde procedure uitgevoerd.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

27

Figuur 9

Uitsnede Akoestisch rapport wegverkeerslawaai: geluidsbelasting Rijksweg A27 exclusief aftrek

art. 110 Wgh (De Roever, December 2023)

Figuur 10

Uitsnede Akoestisch rapport wegverkeerslawaai: geluidsbelasting Rijksweg A27 inclusief aftrek

art. 110 Wgh (De Roever, December 2023)

Parallelweg De geluidsbelasting op de gevels van de woningen als gevolg van de Parralelweg bedraagt maximaal 29 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt nergens overschreden.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

28

Broekseweg Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidsbelasting afkomstig van de Broekseweg op de gevel van de woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op vier beoordelingspunten overschrijdt. De hoogste geluidsbelasting inclusief aftrek bedraagt 53 dB ter hoogte van de voorgevels van de woningen. De hoogst toelaatbare geluidbelasting van 53 dB wordt nergens overschreden. Omdat niet aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan, worden maatregelen beschouwd.

Figuur 11

Uitsnede Akoestisch rapport wegverkeerslawaai: geluidsbelasting Broekseweg (De Roever,

December 2023)

Maatregelen geluidsbelasting op de gevels Aangezien voor de Rijksweg A27 en de Broekseweg niet op alle beoordelingspunten wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde en voor de Rijksweg A27 niet op alle punten wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde, worden geluidsreducerende maatregelen beschouwd. Het toepassen van maatregelen aan de bron (zoals geluidsabsorberend wegdek of het verlagen van de maximumsnelheid) of overdrachtsmaatregelen (geluidsscherm) zijn door de beperkte schaal van de ontwikkeling (financieel) niet haalbaar. Het verplaatsen van de woningen op een grotere afstand van de geluidsbron is vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk en door de ligging tussen meerdere geluidsbronnen niet doelmatig. Maatregelen bij de ontvanger kunnen worden ingezet in de vorm van het realiseren van dove gevels op de gevels waar een overschrijding van de maximale ontheffingswaarde van 53 dB plaatsvindt. Voor de ontwikkeling betreft dit volgens tabel 3 in bovenstaande figuur 10 (inclusief aftrek conform artikel 110g Wgh), de beide achtergevels en de rechter zijgevel van de noordelijke woning. Deze gevels worden uitgevoerd als dove gevels als bedoeld in artikel 1 juncto artikel 1b, vierde lid, van de Wgh en daarmee zonder te openen deuren of ramen en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering.

Met een dove gevel is een acceptabel geluidsniveau binnen de woningen gewaarborgd. De realisatie van de dove gevels is geborgd in de planregels.

Bestemmingsplan - ‘Broekseweg 6 Meerkerk’

29

Hogere waardenbeleid De gemeente stelt in het gemeentelijk hogere waardenbeleid aanvullende voorwaarden waaraan een ontwikkeling dient te voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een hogere geluidswaarde. Zo dient een nieuwe woning minimaal één dove gevel te hebben waaraan wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Een woning mag maximaal twee dove gevels hebben. Hieraan wordt voldaan. Bij voorkeur wordt aan deze dove gevel per etage minimaal één slaap- of woongedeelte worden gerealiseerd. Indien er sprake is van een buitenruimte zoals een tuin of balkon, dan ligt bij voorkeur minimaal één van deze buitenruimten aan de stille zijde. Uit het rekenmodel blijkt dat er geen dergelijke geluidluwe gevel aanwezig is. Door middel van bouwkundige maatregelen kan wel een geluidluwe gevel worden gecreëerd door middel van een vliesgevel of een afgeschermde buitenruimte. In de nadere uitwerking van het ontwerp zal deze maatregel worden opgenomen. De uitvoering van een geluidluwe gevel in de bouwfase is in het bestemmingsplan geborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels.

Cumulatieve geluidsbelasting Bij de beoordeling van de omgevingsvergunningaanvraag voor het onderdeel bouwen is het van belang dat de gevels voldoen aan de minimale eisen voor geluidwering zoals opgenomen in het Bouwbesluit 2012 en dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat. De karakteristieke geluidwering van de gevel van een verblijfsgebied dient tenminste gelijk te zijn aan de hoogste waarde van de geluidsbelasting minus 33 dB óf 20 dB. De gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van de woningen bedraagt maximaal 61 dB (noordelijke woning, 3 zijden). De gecumuleerde geluidbelasting op de eerste verdieping van de woningen bedraagt maximaal 61 dB. De vereiste karakteristieke geluidwering bedraagt in dit geval maximaal 61-33= 28 dB. De exacte benodigde geluidwering van de gevels zal worden berekend in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=c699d4e1-5007-479e-a319-f40c271117ba