CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Facetherziening incl. bijlagen.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 9 februari 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buisleiding Hoornaar-MR Reijerscop27.848 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Historische situatie Op de kadastrale minuut uit 1811-1832 is te zien dat in het noorden van het plangebied langs de weg Achthoven enkele bebouwde zones aanwezig zijn. Ten zuiden

Blad 16 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

hiervan lag ook toen al de Achthovensche Wetering. Ook de Rijs Kade, Mole Wetering, de Lakerveldsche Molenkade en de Agter Wetering zijn op deze kaart reeds aangegeven, net als de Groote Vliet en de Zederik. Ten westen zien we de Zouwendijk met langs de dijk ook enkele woningen. Vervolgens zien we de Kerkwetering met net ten zuiden daarvan de Broekweg, met aan weerszijden ervan boerderijen met bijgebouwen. Ten zuiden hiervan zien we vier waterlichamen. Het noordelijke en zuidoostelijke waterlichaam staan in de bijhorende aanwijzende tafels vermeld als ‘onland’,5 bij beide overige waterlichamen staat de vermelding “Kooy” en deze hebben ook de typische vorm van een eendenkooi. Het grootste deel van het plangebied bestaat echter uit percelen bouwland en weiland. Op de latere topografische kaarten zien we dat deze situatie grotendeels onveranderd blijft (afbeelding 8 t/m 10). Op de kaart van P. Ketelaar uit 1751 (Copye. Caarte van de Heerlykheeden Amijden, Tienhoven en Herlaard enz.”6 ligt het noordelijk uiteinde van het plangebied bij Achthoven net buiten het kaartbeeld.

Afbeelding 8. De locatie van het plangebied op de topografische en militaire kaart uit 1850. (Bron: Esri & partners.)

Onbruikbaar woeste grond, met name moerasland. Collectie Universiteit Leiden: COLLBN Port 21 N 29 (https://digitalcollections.universiteitleiden.nl/view/item/2552524 ) 5 6

Blad 17 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 9. De locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1890. (Bron: Esri & partners.)

Afbeelding 10. De locatie van het plangebied op de topografische kaart uit 1965. (Bron: Esri & partners.)

Blad 18 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.1.6

Mogelijke verstoringen Mogelijke verstoringen Het grootste deel van het plangebied is in het verleden nooit bebouwd geweest en heeft vanaf de 19e eeuw steeds bestaan uit landbouwgronden. Er worden dan ook geen grootschalige bodemverstoringen verwacht. Enkel landbouwactiviteiten in het verleden hebben mogelijk voor enige verstoring gezorgd. Ook de aanleg van de weteringen en dijklichamen hebben zeer lokaal de bodem verstoord. In Bodemloket7 zijn geen gegevens bekend over uitgevoerde (grootschalige) saneringen of bodemonderzoek in het plangebied. De lithologische/geologische boorprofielen uit TNO’s dinoloket8 zijn onvoldoende dicht en niet specifiek genoeg om uitspraken te kunnen doen omtrent archeologische verwachting en mate van verstoring van de bodem.

2.2

Bekende waarden

2.2.1

Archeologische waarden Uit het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed zijn de bekende archeologische waarden in een omtrek van ongeveer 100 m rondom het plangebied opgevraagd. Deze relatief kleine omtrek is gekozen vanwege de omvang van het plangebied. Het betreft archeologische monumenten (AMKterreinen), archeologische waarnemingen (zoals vondsten) en meldingen van eerdere archeologische onderzoeken (zie kaart 455773–ARCHIS in de kaartenbijlage). Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich geen AMK-terreinen. Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen Binnen het onderzoeksgebied zijn zeven archeologische waarnemingen bekend. Zes daarvan betreffen vondstlocaties nabij de Broekseweg en zijn omschreven als huisterp/huiswierde uit de late middeleeuwen en/of nieuwe tijd. Aanvullende informatie erover is niet in Archis opgenomen. De zevende waarneming betreft sporen van bewoning die bij karteringswerkzaamheden zijn gevonden, op een diepte van circa 40 cm. Meer informatie hierover is niet in Archis opgenomen. Binnen de gemeente zijn verreweg de meeste vondstmeldingen gelieerd aan de stroomgordels in het gebied. Hierbij zijn opvallend veel meldingen geregisteerd aan de Broekseweg. Op deze locatie is een crevasse van de Lek stroomgordel (ID 91) aanwezig.

7 8

www.bodemloket.nl www.dinoloket.nl

Blad 19 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Zaakid. 2903691100

Vondstlocatie 1064362

2909167100

1064549

2903707100

1064363

2909175100

1064550

2909183100

1064551

2903715100

1064364

3107446100

1026849

Begin Late middeleeuwen Late middeleeuwen Late middeleeuwen Late middeleeuwen Late middeleeuwen Late middeleeuwen Neolithicum

Eind Late middeleeuwen Nieuwe tijd

Complextype Huisterp/huiswierde

Late middeleeuwen Nieuwe tijd

Huisterp/huiswierde

Nieuwe tijd

Huisterp/huiswierde

Late middeleeuwen Middeleeuwen

Huisterp/huiswierde

Huisterp/huiswierde

Huisterp/huiswierde

Bewoning (inclusief verdediging) onbepaald Tabel 4. Archeologische waarnemingen binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS)

Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken OM-nummer 4561145100 is een onderzoek voor een waterbodems en oevers Rijntakken, en is daarom niet relevant voor dit plangebied, ondanks dat het dit wel doorkruist. Voor de loop van de Lek geldt in ieder geval dat er geen archeologisch beleid is op deze locatie. In de vaargeul is wel een middellage tot middelhoge verwachting voor maritieme archeologie van vóór 1850 vastgesteld.9 OM-nummer 2430431100 betreft een booronderzoek waaruit bleek dat de verwachtte oeverafzettingen in het gebied aanwezig waren. Omdat er geen aanwijzingen waren voor een vindplaats, is de verwachting voor bronstijd t/m nieuwe tijd bijgesteld naar laag. Neolithische vindplaatsen konden op basis van het booronderzoek niet worden uitgesloten. OM-nummer 2376121100 is ook een onderzoek dat het plangebied doorkruist. Bij dit onderzoek zijn diverse verwachtingen vastgesteld, maar voor het gebied dat overlapt met onderhavig onderzoeksgebied geldt een lage verwachting. Hier is geen vervolgonderzoek geadviseerd.10 OM-nummer 4561145100

Toponiem Rijntakken

2430431100

Zederik, peilgebied

Type onderzoek Archeologisch: bureauonderzoek Archeologisch: boring

2376121100

Uitvoerder Antea Group

Advies Divers

Sweco

Vrijgave, maar met archeologische inspectie van slootkanten Divers

Peilgebied Archeologisch: Sweco Middelbroek, bureauonderzoek Ameide, Tienhoven (gemeente Zederik) Tabel 5. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS). 9

Colijn et al., 2018. Boekema et al., 2012.

10

Blad 20 van 47

Verwerving Archeologisch: (veld)kartering Archeologisch: (veld)kartering Archeologisch: (veld)kartering Archeologisch: (veld)kartering Archeologisch: (veld)kartering Archeologisch: (veld)kartering Nietarcheologisch: kartering

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.2.2

Ondergrondse bouwhistorische waarden Er zijn binnen het plangebied geen (geregistreerde) ondergrondse bouwhistorische waarden aanwezig.

2.3

Archeologische verwachting

2.3.1

Bestaande verwachtingskaarten Provinciale verwachtingskaart De provinciale verwachtingskaart van de provincie Utrecht bevat (nog) geen gegevens over het plangebied.11 Wij verwijzen daarom hier naar de Cultuur historisch atlas van de provincie Zuid-Holland12, waar de voormalige gemeente Zederik deel van uit maakte. Hierop kregen de delen van het plangebied waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond voorkomen een verwachting op archeologische resten tussen 0-3 m – mv, tussen 3-5 m –mv en dieper dan 5 m –mv. Gemeentelijke verwachtingskaart De gemeentelijke archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de voormalige gemeente Zederik is gebaseerd op het voorkomen van stroomgordels in de ondergrond. Gebieden in de komgronden kregen daarbij een lage verwachting; gebieden op oeverwal-, stroomrug- en crevasseafzettingen werd een hogere verwachting toegekend.

2.3.2

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van de verzamelde gegevens in het bureauonderzoek kan de volgende gespecificeerde archeologische verwachting worden opgesteld. Datering Het plangebied maakte tijdens het Pleistoceen deel uit van een rivierengebied met een verwilderd geulenpatroon en plaatselijk rivierduinen (donken). De donken vormden aantrekkelijke vestigingsgebieden, hoewel ook op de rivierterrassen archeologische waarden zouden kunnen voorkomen. Voor zover bekend komen in het plangebied geen donken voor en bevinden de fluviatiele afzettingen zich op een diepte van circa 8m –mv. Een (groot) deel van deze sedimenten zullen door Holocene rivierlopen zijn geërodeerd. De kans op het aantreffen van archeologische resten uit het paleolithicum en het begin van het mesolithicum is derhalve erg klein. Vooral op de locaties waar het tracé van het plangebied een stroomgordel kruist, bestaat een gerede kans op het aantreffen van archeologische waarden. De datering van de verwachte archeologische resten is afhankelijk van de periode waarin de betreffende stroomgordel actief was. Op de Kapel-stroomgordel kunnen mogelijk archeologische resten uit de middeleeuwen verwacht worden. De ZijderveldDe gemeente Vijfheerenlanden is ontstaan op 1 januari 2019 door een fusie van de gemeenten Leerdam, Vianen en Zederik.

Het plangebied ligt in de voormalige gemeente Zederik, die voor de fusie deel uit maakte van de provincie Zuid-Holland. 12 http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas 11

Blad 21 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

stroomgordel heeft een verwachting op archeologische resten uit het neolithicum, bronstijd en ijzertijd. De stroomgordel van Achthoven, waarop niet eerder archeologische resten zijn gevonden, is, op basis van haar datering, mogelijk tijdens de late prehistorie en romeinse tijd bewoond geweest. Op de Lek-stroomgordel (van voor de bedijking) kunnen mogelijk archeologische resten uit de vroege en late middeleeuwen aanwezig zijn. De stroomgordel van Schoenrewoerd heeft een archeologische verwachting op resten vanaf het neolithicum tot de middeleeuwen. Op basis van de datering van de Nieuwland-stroomgordel, waarop nog geen archeologische resten zijn aangetroffen, kunnen hier mogelijk archeologische resten uit het laat mesolithicum en neolithicum aangetroffen worden. Langs de weg Achthoven, de Zouwendijk en de Broekweg kunnen ook eventuele archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen worden. Complextype Uit het paleolithicum tot en met het laat neolithicum kunnen resten verwacht worden die samenhangen met de mobiele leefwijze van de mens, zoals kleine kampementen die slechts tijdelijk en/of periodiek bewoond werden. Dergelijke vindplaatsen zijn te herkennen aan vuursteenconcentraties en haardkuilen.

Vanaf het laat neolithicum tot en met de nieuwe tijd kunnen resten van grotere huizen/nederzettingen worden verwacht, net als schuren, spiekers en opstallen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals perceleringsgreppels. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen, afhankelijk van de datering variërend van vlakgraven tot crematiegraven. Omvang De omvang kan variëren van puntvondsten tot nederzettingen van enkele honderden vierkante meters.

Blad 22 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Diepteligging De archeologische resten kunnen worden verwacht in de top van de afzettingen van de desbetreffende stroomgordels. Naam Stroomgordel

Nummer (Cohen 2012) 80

Hoogste zand diepte (m +/-NAP) -1,0 - -2,1

Maaiveldhoogte Maximale ter plaatse (m verstoringsdiepte ter +/-NAP) plaatse (m +/-NAP) Kapel tussen circa -2,47 -0,27 en 0,06 Zijderveld 197 0,6 - -2,0 tussen circa -2,29 -0,09 en -0,02 Achthoven 3 -3,9 - -4,9 tussen circa -2,29 -0,09 en -0,02 Lek (voor de 91 10,2 – 3,0 tussen circa -1,09 / bedijking) 1,11 en 1,72 / ter hoogte van de ter hoogte van de crevasses: tussen crevasses: -3,14 circa -0,94 en -0,42 Schoonrewoerd 152 0,8 - -1,8 tussen circa -3,13 -0,93 en -0,76 Nieuwland 120 -2,1 - -5,4 tussen circa -3,31 -1,11 en -0,66 Tabel 6. Stroomgordels binnen het plangebied met hoogste ligging, maaiveldhoogte en maximale verstoringsdiepte.

Locatie Archeologische sporen en resten kunnen binnen het gehele plangebied voorkomen, aangezien de bodemopbouw in het plangebied grotendeels onbekend is. Vooral op de stroomruggen is de kans reëel. Uiterlijke kenmerken Paleolithicum tot laat-neolithicum: vuursteenspreiding, indicaties van de bewerking van vuursteen, halffabricaten, productieafval, productiegereedschap. Indicaties voor kortdurende nederzettingen/kampen: haardkuilen, verbrand vuursteen. Indicaties voor jacht/voedselverzameling en –bereiding: werktuigen, spitsen, bijlen, schrabbers, stekers, etc. Laat-neolithicum tot en met vroege middeleeuwen: resten en structuren die wijzen op een sedentair, agrarisch bestaan. Nederzettingen: paalgaten (huizen, spiekers, opstallen, schuren), greppels, waterputten en afvalkuilen. Middeleeuwen en nieuwe tijd: nederzettings- en ontginningssporen en resten van agrarische landinrichting. Mogelijke verstoringen Het grootste deel van het plangebied is in het verleden nooit bebouwd geweest en heeft steeds bestaan uit landbouwgronden. Er worden dan ook geen grootschalige bodemverstoringen verwacht. Enkel landbouwactiviteiten in het verleden hebben mogelijk voor enige verstoring gezorgd. Ook de aanleg van de weteringen en dijklichamen hebben zeer lokaal de bodem verstoord. Ook kunnen er in het gebied kabels en leidingen aanwezig zijn die voor verstoring hebben gezorgd.

Blad 23 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.4

Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Voor de locaties waar het plangebied een stroomgordel kruist en de directe omgeving daarvan geldt een middelhoge tot hoge verwachting voor archeologische resten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd, afhankelijk van de desbetreffende stroomgordel. Op de Kapel-stroomgordel kunnen mogelijk archeologische resten uit de middeleeuwen verwacht worden. De Zijderveld-stroomgordel heeft een verwachting op archeologische resten uit het neolithicum, bronstijd en ijzertijd. De stroomgordel van Achthoven is mogelijk tijdens de late prehistorie en romeinse tijd bewoond geweest. Door de diepe ligging van de afzettingen van deze stroomgordel (onder de stroomgordel van Achthoven) worden eventuele archeologische resten hier niet bedreigd door de geplande werkzaamheden. Op de stroomrug- en crevasseafzettingen van de Lek-stroomgordel (van voor de bedijking) kunnen mogelijk archeologische resten uit de vroege en late middeleeuwen aanwezig zijn. De stroomgordel van Schoenrewoerd heeft een archeologische verwachting op resten vanaf het neolithicum tot de middeleeuwen. Op basis van de datering van de Nieuwland-stroomgordel kunnen hier mogelijk archeologische resten uit het laat mesolithicum en neolithicum aangetroffen worden.

Langs de ontginningslinten, zoals de weg Achthoven, de Zouwendijk en de Broekweg kunnen ook eventuele archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen worden. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied verstoord is geraakt en of de verwachting op grond van bekende gegevens ook op basis van de daadwerkelijke veldsituatie kan worden ondersteund. Het uitvoeren van een booronderzoek is een belangrijke stap in het toetsen van de verwachting uit dit bureauonderzoek. Antea Group adviseert dan ook om in het plangebied een archeologisch booronderzoek uit te voeren in de zones waar de leiding door middel van open ontgraving wordt aangelegd. Dit onderzoek vindt plaats in die delen van het gebied waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn en die op grond daarvan een middelhoge tot hoge verwachting hebben en/of waarvoor een andere verwachting geldt die niet aan eventuele stroomgordels is gebonden. Op die locaties wordt een karterend booronderzoek geadviseerd met een boorpuntafstand van 25 m. In de overgangszones naar de veenkommen met een veelal lage tot gematigde verwachting wordt een onderzoek met een boorpuntafstand van 50 m geadviseerd (verkennende fase).

Blad 24 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

3

Veldonderzoek

3.1

Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende en karterende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen13: 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? 2. Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en wat zijn hiervan de fysisch geografische kenmerken? 3. Zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die op de aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en) en met welke stroomgordel (indien van toepassing) en welk type afzetting zijn deze verbonden? 4.

Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? 5. Hoe is de overgang van stroomgordel naar komgebied en zijn er in de profielen aanwijzingen te vinden voor (pre)historisch gebruik van de komgebieden? 6. In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? 7. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? 8. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? 9. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan?

3.2

Onderzoeksopzet en werkwijze Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in twee fasen:  Fase 1 is uitgevoerd in maart en april 2021 en gebaseerd op het advies uit het bureauonderzoek, bijgewerkt naar het ontwerp-tracé van januari 2021. Hierbij is ervan uitgegaan dat alle delen in open ontgraving (veldstrekking) Zoals verwoord in het Plan van Aanpak (Fens, 2021). Het plan van aanpak is niet voorgelegd aan de bevoegde overheid. 13

Blad 25 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

zouden worden onderzocht door middel van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek (SIKB-methode B2) met boringen op elke 25 m in die delen van het tracé waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn en die op grond daarvan een middelhoge tot hoge verwachting hebben en/of waarvoor een andere verwachting geldt die niet aan eventuele stroomgordels is gebonden. Voor de onderdelen van het tracé die in open ontgraving (veldstrekking) waren gepland, maar waarvoor een lage verwachting geldt, zoals in de overgangsgebied naar de veenkommen, is onderzoek op elke 50 m tracé uitgevoerd (verkennend). Fase 2 is uitgevoerd in december 2021 en gebaseerd op het tracé-ontwerp en de werkterreinindeling van oktober 2021. Alle veldstrekkingen uit dit tracéontwerp die nog niet in fase 1 waren onderzocht, zijn alsnog onderzocht met boringen op elke 25 m (verkennend en karterend B2). Bovendien zijn alle werkterreinen en uitlegstroken uit dit ontwerp meegenomen in deze fase van het onderzoek, tenzij in het bestemmingsplan of beleidskaart nadrukkelijk alleen een diepe verwachting gold (bijvoorbeeld dieper dan 1 of 1,5 m). Ter plaatse van de uitlegstroken/werkterreinen wordt immers niet dieper dan 0,7 m -mv verstoord.

Uitvoering veldwerk Datum uitvoering

Weersomstandigheden

2 t/m 5, 18 & 19 maart 2021 8, 9, 14 &15 december 2021 R. Fens, senior KNA-prospector, KNA-archeoloog I. Fleuren, archeoloog Diverse, meeste wisselvallig

Boortype

Edelman 6 cm, guts 2 en 3 cm.

Methode conform Leidraad SIKB

Karterend booronderzoek: B2 (arch. laag): 20 x 25 m - 3 cm guts - boormes Boringen: 1101-1122, 101-107, 116-131, 187-188, 1134-1148, 1149-1162, 192-197, 239-245

Motivatie boormethodes

Verkennend booronderzoek De methode betreft voor de lage verwachtingsgebieden een verkennend onderzoek met één boring per 50 m. De boordichtheid van 50 m is een beproefde methode om de verwachting te toetsen en om de aard van de bodemopbouw en bestaande verstoringen in kaart te brengen. Vindplaatsen worden met deze methode echter niet opgespoord. Daarvoor is een eventueel nader karterend onderzoek nodig. Boringen: 109-113, 133-185, 189-191, 199-237

Veldteam

Karterend onderzoek Methode B2 is erop gericht vindplaatsen te herkennen met een archeologische laag, waarvan het complex een middelgrote omvang heeft, zoals een nederzetting. Vindplaatsen kunnen met deze methode worden opgespoord en daarnaast biedt de methode (met guts) de kans op een nauwkeurige lithologische beschrijving en fysisch geografische interpretatie en daarmee is het ook een landschappelijke kartering. De landschappelijke kartering is vervolgens ook de toets van de archeologische verwachting. De methode is niet geschikt voor het opsporen van kleinschalige vindplaatsen of vindplaatsen met een lichte materiaalscatter (en zonder archeologische laag). Boringen: 1101-1122, 101-107, 116-131, 187-188, 1134-1148, 1149-1162, 192-197, 239-245

Blad 26 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Aantal boringen

151

Diepte boringen

Uitgaande van een aanleg op 2 m -mv en diepere putten ter plaatse van de HDD-boringen worden de boringen doorgezet tot een diepte van 2,5 m (in de praktijk meestal 3 m -mv) respectievelijk 4 m -mv, dan wel tot in het beddingzand.

Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap

Wijze inmeten boringen

Toughpad GPS

Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering

-

Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering Afwijkingen t.o.v. PvA

n.v.t.: slechte vondstzichtbaarheid

Doelen en wensen opdrachtgever Randvoorwaarden

3.3

Voor werkterreinen (zoals de uitlegstroken, zonder open ontgraving) is een diepte van 1,2 m als minimaal vereiste boordiepte aangehouden op basis van een geplande ingreep tot 0,7 m -mv. Deze boringen zijn echter ten behoeve van de landschappelijke reconstructie doorgezet tot in het beddingzand of tot 2,5 m. Omdat het tracé hoofdzakelijk noord-zuid gericht is en de stroomgordels hoofdzakelijk oost-west gericht zijn, worden deze over het algemeen dwars doorsneden door het tracé. Deze omstandigheid verhoogt de herkenbaarheid in het profiel van de bedding, de oevers en de kom en derhalve ook van de kansrijke en kansarme zones.

NEN 5104/ASB snijden/verbrokkelen, doorwoelen en visuele inspectie van de boorkernen n.v.t.

Niet aan de orde: geen vondstzichtbaarheid aan het oppervlak Het booronderzoek is aangepast op gewijzigde tracéontwerp van oktober 2021, zie boven. Niet bekend Geen

Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de raaiprofielen en boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaart in de kaartenbijlage. In het raaiprofiel in bijlage 3 zijn alle 151 boringen op volgorde en op absolute hoogte gerangschikt en deze weergave vormt de beste basis voor de landschappelijke interpretatie van de boorprofielen, daarbij geholpen met gegevens zoals verzameld in het bureauonderzoek, met name de digitale kaart van fossiele stroomgordels.14 Het raaiprofiel beschrijft de ondergrond van zuid naar noord en hierin is te zien dat plangebied meerdere stroomgordels doorsnijdt. Tussen deze stroomgordels liggen de veenkommen.

14

Cohen et al. 2012.

Blad 27 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Hieronder volgt een puntsgewijze opdeling in en algemene karakteristiek te herkennen aan de hand van de landschappelijke reconstructie uit het raaiprofiel. In paragraaf 3.3.2 zal in meer detail op individuele boorprofielen en archeologische verwachting (kansrijke en kansarme zones) worden ingegaan.  In het zuidelijk deel liggen beddingzanden met oeverwallen en dekafzettingen op geringe diepte onder het huidige maaiveld (vanaf ongeveer 0,7 m -NAP), zonder een afdekkende veenlaag (boringen 1101-1114). Deze mogen aan de hand van bekende gegevens worden geïnterpreteerd als afzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel (ID152, zie paragraaf 3.3.2).  Daarna liggen veenprofielen waar op een gegeven moment vanaf de onderzijde van de profielen kleiige stroomgordelafzettingen steeds hoger komen te liggen tot een diepte van circa 2,5 m -NAP. De kleiige stroomgordelafzettingen worden doorsneden door meerdere zandlichamen. Dit betreft een zeer brede zone, vanaf boring 1119 tot boring 181, van ongeveer twee kilometer. Discussie omtrent de interpretatie van deze diepere stroomgordel komt hieronder aan de orde (zie paragraaf 3.3.3.).  Daarna volgen veenprofielen tussen boringen 183 en 1133 die aan de bovenzijde in een smalle zone (boringen 1125-1128) een meer kleiige top van het profiel vertonen, waarbij in boring 1127 sprake is van een restgeul.

Deze afzetting en (opgevulde) restgeul wordt geïdentificeerd als een uitloper van een crevasse van de Lek (ID91). Een andere restgeul ligt tegenwoordig nog open en vormt de het bewoningslint van Broek.  Daarna volgt een veenkom totdat bij boring 190 een diepe bedding wordt aangesneden (dieper dan 3 m -NAP). De diepe beddingen wordt gerelateerd aan de Achthovense stroomgordel (ID3). Dit systeem heeft een oeverwalachtige afzetting op de bedding, die evenwel snel verdronken is en niet gerijpt is.  In boringen 1134 tot en met 1148 wordt een stroomrug doorsneden met beddingzand dat tot maximaal 1,2 m -NAP is opgespoeld in boring 1137. De bedding is afgedekt met geulachtige sedimenten zonder duidelijke oeverwalkarakter. De deklaag is venig (kleiig veen, of klei met veenresten), maar ook vegetatiehorizonten komen voor. De aangetroffen stroomgordel wordt geïdentificeerd met de stroomgordel van Zijderveld (ID3)/Aaksterveld (ID1).  In boringen 1149-1162 wordt een stroomgordel aangesneden met een hoogste waarde voor de bedding in boring 1155 (2,05 m -NAP). Het betreft de Kapelse stroomgordel (ID80). De laag op de bedding is ook zonder duidelijk oeverwal-karakter.  In de reeks boringen van 192 tot en met 245 ligt aan de basis van de profielen een komklei mogelijk behorende tot de hiervoor genoemde Kapelse stroomgordel, afgedekt door een relatief dikke veenlaag.

Vanaf boring 215 begint de top van het profiel een dikkere kleilaag te vertonen die richting de Lekdijk Zuid steeds dikker wordt. Vanaf boring 243 is geen veen meer in de profielen aanwezig. De klei bestaat uit komklei, oeverwalachtige afzettingen en nabij de top is een overslagpakket aanwezig. De afzettingen worden gerelateerd aan de (onbedijkte) Lek (ID91) en de gekanaliseerde Lek (ID301).

Blad 28 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

3.3.1

Schoonrewoerdse stroomgordel (ID152) Het zuidelijk deel van het plangebied binnen de gemeente Vijfherenlanden is gelegen binnen het invloedgebied van de Schoonrewoerdse stroomgordel. De hoofdstroom van het systeem ligt in het zuidelijk deel van het plangebied, maar het systeem is wijd vertakt met meerdere nevengeulen en crevasses. Zo ligt er aan de Twaalfhoevenseweg, ongeveer 400 m ten westen van het plangebied (ter hoogte van boring 116), een nederzetting op een nevengeul van de stroomgordel (AMK terrein 1226). Op enkele honderden meters afstand ten oosten van boring 1101 is een FlintOvalbeil aangetroffen die dateert uit het midden tot laat neolithicum en gerelateerd mag worden aan de stroomrug (zie ook paragraaf 2.2). Het plangebied doorkruist de hoofdstroom van de Schoonrewoerdse stroomgordel ter plaatse van boringen 1102 tot en met 1110, volgens de AHN (afbeelding 11) en volgens opgave van het digitaal basisbestand van fossiele stroomgordels15, zie afbeelding 4 en kaartbijlage 455773-ARO. Boringen 1112 en 1113 liggen volgens de stroomgordelkaart langs de vertakking waarop het genoemde AMK-terrein 1226 ligt. Op het AHN lijken boringen 1112 tot en met 1117 nog op de flank van deze vertakking te liggen.

V Uit de boringen volgt een top van de bedding ter hoogte van boring 1105 (0,7 m-NAP), en oeverwallen en oeverwalachtige komafzettingen, al dan niet gelegen op bedding of geulafzettingen, in boringen 1102 tot en met 1110. Vanaf boring 1111 richting het noorden ligt de overgang naar de (venige) komklei van dit systeem en vervolgens naar het veengebied. In de oeverwal en/of komklei op de oeverwal (in de reeks boringen 1102-1110) heeft zich een vegetatiehorizont ontwikkeld die echter door landbouwkundig gebruik grotendeels is verdwenen. Het kleidek en de oeverwal zijn deels verploegd en een archeologische laag ontbreekt. Desalniettemin is de archeologische verwachting hoog voor grondsporen in de oeverwal(achtige) afzetting of top van de geul/bedding.

15

Cohen et al. 2012

Blad 29 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 11. Uitsnede van de AHN3 met daarop zichtbaar de Schoonrewoerdse stroomrug met aftakking. De paarse cirkel een nederzetting uit de bronstijd (op de aftakking) en de blauw stip de losse vondst van een bijl (Flint Ovalbeile) uit het midden tot laat neolithicum. Bron: ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer. Afbeelding is noordgericht, maar niet op schaal. Legenda: van rood (hoog) naar blauw (laag).

3.3.2

Nieuwlandse stroomgordel (ID120) met crevasses Dit betreft een zeer brede zone, vanaf boring 1119 tot boring 181, van ongeveer twee kilometer lengte. Deze afzettingen worden gezien hun diepteligging (vanaf circa 2,5 m NAP) in verband gebracht met de Nieuwlandse stroomgordel (ID120), die echter conform de stroomgordelkaart alleen in het zuidelijk deel (boringen 1119 tot 102) zou voorkomen en ook duidelijk als een invers reliëf van circa 200 m breedte te zien is. In de boorprofielen ontbreekt echter een duidelijke begrenzing aan de noordkant voor deze stroomrug. De boringen duiden daarentegen op een anastomoserende afzetting in een langdurig waterrijke omgeving, waar de kleiprofielen in het ene geval humeus gelaagd zijn en in het volgende zand- en kleigelaagd (geul). In boringen 122-124, 131139, 145-151, 161 en 169 zijn daarnaast beddingafzettingen aanwezig, die voor zover zichtbaar ongefundeerd zijn. Deze afzettingen zijn altijd ook kleiig en betreffen vermoedelijk crevasses. Op de stroomgordelkaart van Cohen zijn crevasses nabij dit gebied ingetekend die behoren tot de stroomgordel van Schoonrewoerd, echter de aangetroffen afzettingen liggen hiervoor mogelijk te diep (op 2,5 m -NAP).

In dit onderzoek zijn immers ook crevassegeulen van het Schoonrewoerdse stroomgordel aangetroffen in het grondgebied van de gemeente Molenlanden waar de bedding een meter hoger lag (op 1,5 m -NAP). De stroomgordelafzetting en de crevasseafzetting worden niet afgedekt door een oeverwal of gerijpte lagen. Het systeem is niet bewoonbaar geweest in het verleden. De archeologische verwachting is laag tot nihil.

Blad 30 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Ophogingslaag In boringen 118 t/m 128 bestaat de bovengrond uit matig tot sterk zandige klei, met daaronder in een aantal boringen (boringen 118, 122 en 124) een zeer dun, matig fijn en zwak grindig zandlaagje. Het zandige pakket doet denken aan een overslaggrond, maar deze zone is niet direct in de buurt van een rivier gelegen. Direct naast het perceel bevindt zich echter een toegangsweg naar een (inmiddels opgeruimde) NAMlocatie. Waarschijnlijk betreft het zand een opgehoogd of verstoord pakket dat in verbinding kan worden gebracht met deze weg.

3.3.3

Crevasse van de onbedijkte Lek (ID91) Boringen 1125-1133 zijn geplaatst aan de noordkant van het dorp Broek. Broek is gelegen aan een crevassegeul van de onbedijkte Lek. De restgeul van de crevasse betreft de vaart. Ten noorden van het dorp ligt een tweede smalle crevassegeul, waarvan de restgeul is verland. Bij het dorp broek waren boringen 1123-1124 gepland ter plaatse van een particulier perceel: dit betreft de vanaf de middeleeuwen bewoonde kern van Broek. De noordelijke crevassegeul, waarvan de restgeul in boring 1127 is aangetroffen en kleiige oeverwallen van zware, deels venige klei in boringen 1125-1128. De oeverwallen zijn zwak gerijpt. Hierop zijn mogelijk resten van vroegere landinrichting te verwachten (late middeleeuwen en nieuwe tijd). De archeologische verwachting is echter vooral groot voor het bewoningslint op de zuidelijke geul (ter hoogte van niet geplaatste boringen 1123-1124).

3.3.4

Achthovense stroomgordel (ID80) Deze stroomgordel is voor zover duidelijk16 is alleen in boring 190 aangetroffen in de vorm van een diep gelegen bedding (dieper dan 3 m -NAP). Boven de bedding is een oeverwalachtig pakket aangetroffen tot een diepte van 2,25 m -NAP. De oeverwal is niet gerijpt, maar aan de top wel kalkloos. Er zijn voor zover bekend geen archeologische resten op de Achthovense stroomgordel aangetroffen. Gezien de geconstateerde geringe mate van rijping is de kans op resten van prehistorische op dit deel van het systeem niet groot.

3.3.5

Zijderveldse / Aaksterveldse stroomgordel (ID197/ID1) In boringen 1134 tot en met 1148 wordt een stroomrug doorsneden met beddingzand dat tot maximaal 1,2 m -NAP is opgespoeld in boring 1137 en een hoogteligging van de kleiige deklaag op 1 m -NAP heeft (boringen 1134-1142). Het beddingzand is plaatselijk kalkloos, maar op andere plaatsen kalkrijk. Op de bedding ligt veelal sterk siltige tot zwak zandige klei, die meer overeenkomen met periodieke geulactiviteit dan met een oeverwal. De top van deze deklaag is venig (kleiig veen, of klei met veenresten) met veel onverteerde plantenresten, maar ook vegetatiehorizonten komen voor. De laag is Ten noorden hiervan is sprake van oversnijding en zijn onvoldoende gegevens om de stroomgordels te splitsen. 16

Blad 31 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

echter niet gerijpt. Van deze stroomgordel zijn tot op heden geen archeologica bekend. Gezien de geconstateerde geringe mate van rijping is de kans op resten van prehistorische op dit deel van het systeem niet groot.

3.3.6

Kapelse stroomgordel (ID80) In boringen 1149-1162 wordt een stroomgordel met een hoogste waarde voor de bedding in boring 1155 (2,05 m -NAP). Het betreft de Kapelse stroomgordel (ID80). Boven op de bedding liggen gelaagde afzetting die ook hier meer lijkt op periodieke afzetting (klei en zandafwisseling) in een geul, en minder op een oeverwal. De opbouw van de boringen vertoont daarmee overeenkomsten met die van de Zijderveldse stroomgordel (zie paragraaf 3.3.5). De top van de stroomgordelafzettingen is kleiiger en vertoont soms een vegetatiehorizont in ongerijpte staat. Gedeeltelijk ligt er ook nog een tweede vegetatiehorizont op de stroomgordel dan wel met een dunne veenlaag gescheiden van de stroomgordelafzettingen.

3.3.7

Zuidoever van de onbedijkte Lek (ID91) en gekanaliseerde Lek (ID301) Deze boringen (192-245) liggen ten zuiden van de huidige Lek en binnen het invloedsgebied van de historische stroomgordel. In deze zone bestaat de bodemopbouw, van onder naar boven, uit een relatief diepgelegen (kom)kleipakket, dat wordt afgedekt door een pakket veen van veelal 2 meter dik. Het veen wordt wederom afgedekt door een laag komklei, dat in boringen 192 tot en met 213 aan de onderkant venig is. Vanaf boring 213 neemt de dikte van het veen geleidelijk af, terwijl de dikte van de komklei in de richting van de Lekdijk Zuid geleidelijk toeneemt (afbeelding 12). In deze noordelijke zone nabij de Lekdijk (boringen 243 t/m 245) is geen veen en diepgelegen (kom)klei aangetroffen: de ondergrond bestaat vanaf circa 0,9 m-mv uit een oeverwalachtig pakket. Het pakket is kalkrijk en bestaat uit uiterst siltige en matig tot sterk zandige klei met een sterke gelaagdheid. Zwakke oeverwalachtige kenmerken zijn naar het zuiden toe, tot en met boring 235, aanwezig (stijve, sterk siltige en zwak zandig gelaagde klei). In deze boringen zijn de afzettingen echter gelegen op de komklei / het veen. In boringen 243 t/m 245 is de top van de oeverwal zwak roesthoudend en betreft in boring 244 een oude bouwvoor met enkele baksteenspikkels.

Ook in boringen 225 t/m 242 zijn onder de recente bouwvoor /opgebrachte grond of onder een laagje overslaggrond (zie hieronder) restanten van een oude bouwvoor aangetroffen. Ter plaatse van boringen 237 en 239 bestaat de diepere ondergrond uit sterk siltige, matig humeuze klei met laagjes veen. Mogelijk betreft het een secundaire wintergeul van de Lek (zonder eigen oeverwallen) van vóór de bedijking. Overslaggrond Vanaf boring 245 t/m 221 is de top van de komklei- / oeverwalpakket bedekt met een rommelige laag zwak zandige klei die wordt geïnterpreteerd als overslaggrond. De overslaggrond eindigt abrupt bij boring 221 en bestaat hier uit een relatief dikke zandlaag met schelpenresten.

Blad 32 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

3.3.8

Vegetatiehorizont Ten slotte wordt vermeld dat er binnen de veenprofielen op meerdere plaatsen een zwart sterk tot uiterst humeus laagje matig siltige klei is aangetroffen (een overstromingslaagje met een vegetatiehorizont), die vrijwel overal slap en ongerijpt is. Het laagje varieert in diepteligging tussen circa 1,5 m -NAP tot 2,2 m -NAP. Het is met kleine onderbrekingen aangetroffen in boring 1112 tot aan boring 1132 en sluit daarmee aan op de laklaag die in de komafzetting boven op de Schoonrewoerdse stroomrug lig. De vegetatiehorizont is ter hoogte van de stroomgordel van Zijderveld/Aaksterveld plaatselijk direct op de afzettingen aanwezig, en ligt ter hoogte van boringen 1150-1155, dat is ter hoogte van de Kapelse stroomgordel weer in het veenprofiel (vlak boven deze stroomgordel). Het laagje komt echter ook meer zuidelijk in de gemeente Molenlanden voor en wordt daar onderbroken door de anastomoserende geulen van de Schoonrewoerde stroomgordel, waar op vergelijkbare hoogte of iets hoger een laklaag op de stroomrug ligt. De vegetatiehorizont is dus jonger dan de Kapelse stroomgordel en is waarschijnlijk te relateren aan de Schoonrewoerdse stroomgordel of de Zijderveldse, waarbij de eerste het meest waarschijnlijk is doordat dit systeem met zijn anastomoserende karakter sowieso een groot oppervlak beslaat.

Deze relatie aangenomen, zou gezien de eindtijd van de rivieractiviteit in het midden of vroeg neolithicum, zou de vegetatiehorizont overeen kunnen komen met een periode van periodieke droogte in het (laat) neolithicum of bronstijd. Volgens de toelichting op de Bodemkaart markeert een laklaag de overgang van de Afzettingen van Gorkum met de Afzettingen van Tiel (N.B. niet-courante benamingen) en zijn zijn te relateren aan het Overlekse systeem. Met het Overlekse systeem wordt de Schoonrewoerdse stroomgordel bedoeld. Afbeelding 12 toont deze brede uitwaaiiering van humeuze en venige klei behorend tot de schoonrewoerdse stroomgordel.

Afbeelding 12. Doorsnede van de Schoonrewoerdse stroomgordel. Te zien is hoe vanaf de laklaag (9) op de oeverwal (2) van de stroomrug kleiwiggen (5) van al dan niet humeuze klei in het veen zijn afgezet die op grotere afstand van de stroomrug overgaan in een venige kleilaag (6). (Bron: De Boer & Pons, 1960: p. 18, fig. 4.)

3.3.9

Overige verwachtingen In de paragrafen hierboven is aandacht besteed aan de verwachtingen die gerelateerd zijn aan de fossiele astroomruggen. In het bureauonderzoek is een aantal andere elementen genoemd die een verwachting kunnen opleveren voor resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd. In het bureauonderzoek is vastgesteld dat er

Blad 33 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

voormalige eendenkooien in de nabijheid van het plangebied liggen. De eendenkooien zoals getoond op de topografische en militaire kaart uit 1850 (afbeelding 8) worden niet geraakt door het huidige tracé. Daarnaast zijn de weg Achthoven, de Zouwendijk en de Broekseweg genoemd als locaties waar in de nieuwe tijd en vermoedelijk in de middeleeuwen bewoning plaatsvond. In de directe nabijheid van de Zouwendijk wordt niet gegraven. Het booronderzoek bevestigt mogelijke archeologische resten uit de nieuwe tijd of middeleeuwen ter plaatse van het bewoningslint van Broek (Broekseweg) en aan de Lekdijk Zuid (Achthoven).

3.3.10

Archeologie Binnen het plangebied zijn afzettingen behorende bij de Schoonrewoerd, Achthoven, Kapel en Lek (onbedijkt en bedijkt) stroomgordels aangetroffen. In principe kunnen er archeologische resten worden verwacht in de top van het beddingzand, de (gerijpte) top van de oeverwal- en crevasseafzettingen. Op de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn gerijpte oeverafzettingen aanwezig, alleen zijn deze ondiep gelegen (net onder de bouwvoor) en in meer of mindere mate verstoord (zie paragraaf 3.3.1). De kans op (verstoorde) resten van een nederzetting uit de periode midden neolithicum of jonger is hier echter groot, vooral ook vanwege de hoge opslibbing van de bedding en de ligging op een kruispunt van de brede geul en een aftakking. Archeologische indicatoren zijn echter niet in de boring aangetroffen: er is geen verwachting op een archeologische laag (mogelijk nog wel plaatselijk aan de flank van het systeem). Voor de top van de oeverwal geldt echter een verwachting voor een archeologisch sporenvlak. Van de overige stroomgordels zijn op de oeverwal van de Lek (te Achthoven) resten uit de middeleeuwen en/of nieuwe tijd aangetroffen bestaande uit de top van de oeverwal met een mogelijke oude bouwvoor of resten daarvan (zie paragraf 3.3.7).

Deze laag bevat is aangetroffen vanaf circa 0,75 m-mv (0 m NAP) in boringen 231, 233, 237, 242 en 244 baksteenspikkels en in boringen 240 en 242 (ook) houtskoolspikkels. In boring 237 is een pijpenkopfragmentje aangetroffen. Waarschijnlijk zijn op deze locatie achtererven, land/tuinbouwpercelen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aanwezig. De bewoning concentreerde zich in deze periode aan de dijk. Op de Kapel stroomgordel zijn bij andere onderzoeken mogelijk resten uit de middeleeuwen aangetroffen, ook hier kunnen archeologische resten vanaf de periode neolithicum worden verwacht. In de boringen blijken de afzettingen die aan dit systeem worden toegeschreven onvoldoende gerijpt om archeologische resten te verwachten. Hetzelfde geldt voor de Zijderveldse stroomgordel en Achthovense stroomgordel. De archeologische verwachting wordt op basis van de boringen voor de Kapelse, Zijderveldse/Aaksterveldse en de Achthovense stroomgordel bijgesteld naar een lage verwachting (zie paragraaf 3.3.4, 3.3.5 en 3.3.6). Verder geldt dat er een brede strook is waar vegetatiehorizonten zijn aangetroffen die meestal slap, maar in sommige gevallen een stevige consistentie hebben zoals in boringen 103, 151, 153, 190 en 191. Er zijn echter géén archeologische resten aangetroffen in deze laagjes.

De laag wordt geïnterpreteerd als een loopvlak (langdurig of periodiek droogliggend) dat vermoedelijk aansluitend na de sedimentatie van het systeem van Schoonrewoerd is ontwikkeld op een kleiwig die vanuit dit systeem is

Blad 34 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

afgezet. Bewoningsresten worden op de flanken van eventuele stroomruggen verwacht, waar de venige, ongerijpte vegetatielaag overgaat in een stijve laklaag. Ter plaatse van de Schoonrewoerdse stroomgordel is deze laklaag echter grotendeels verstoord of opgenomen in de bouwvoor. In boring 103 is deze laag onder wat drogere omstandigheden gevormd en direct onder de bouwvoor aanwezig. Ten slotte wordt opgemerkt dat de top van het veen in het veenkomgebied iets is uitgedroogd (veraard). Dit mag worden toegeschreven aan ontginning en ontwatering en hierin kunnen dus theoretisch resten van agrarisch gebruik vanaf de middeleeuwen worden aangetroffen. Archeologische indicatoren zijn echter niet aangetroffen. De kans op bewoningsresten in de veraarde top is gering.

Blad 35 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

4

Conclusies en advies

4.1

Conclusies 1. Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? De bodemopbouw is te onderscheiden in veenkommmen met al dan niet dieper gelegen (overdekte) stroomgordels en uit stroomgordelafzettingen zonder veendek. Laatstgenoemde stroomgordelafzettingen zijn aangetroffen ter plaatse van boringen 1102-1110, bestaande uit een oeverwal met gerijpte komafzetting op geul- en beddingafzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel, en aan de zuidelijke Lekdijk bij Achthoven, met een kom- en oeverwalpakket en een overslagpakket met aanwijzingen voor (verstoring of resten) uit de nieuwe tijd en late middeleeuwen behorend bij de onbedijkte en bedijkte Lek. Steeds zwakker wordende oeverwalachtige afzettingen zijn vanaf boring 245 in de nabijheid van de dijk tot aan boring 235 aanwezig. In de veenkommen en de onder veen begraven stroomgordelafzettingen bestaat de bovengrond uit komklei met aan de basis (op de overgang naar het veen) soms een humeuze horizont. Ook in het veen is in veel plaatsen een overstromingslaagje aanwezig waarin zich een vegetatiehorizont heeft gevormd. Dit laagje is waargenomen op een diepte van steeds 1,5 tot 2,2 m -NAP en is op de meeste plaatsen slap, maar in enkele boringen is deze wel iets gerijpt (boringen 103, 151 en 153).

Daaronder ligt weer een veenpakket dat op de meeste plaatsen kleiige niveaus heeft of bestaat uit venige klei (voormalig Afzettingen van Gorkum). Waar onder het veen nog stroomgordelafzettingen aanwezig zijn, zijn deze meestal niet of nauwelijks gerijpt. In de meeste van deze begraven systemen (in mindere mate de Achthovense) is geen oeverwalpakket ontwikkeld. 2. Welke stroomgordels zijn er in het gebied aangetroffen en wat zijn hiervan de fysisch geografische kenmerken? Binnen het plangebied zijn mogelijke afzettingen behorende bij de Schoonrewoerd, Achthoven, Kapel, Zijderveld en Lek stroomgordels aangetroffen. De oeverwallen van de Lek zijn kalkrijk en bestaat uit uiterst siltige en matig tot sterk zandige klei met een sterke gelaagdheid. De bedding van de Schoonrewoerdse stroomgordel bestaat uit matig kleiig, uiterst siltig, zeer fijn en kalkrijk zand. De mogelijk bedding en/of oeverwalafzettingen van de Achthoven, Zijderveld en Kapel stroomgordel bestaan uit sterk gelaagd, zeer fijn, matig siltig en kalkrijk zand. De afzettingen van Schoonrewoerd zijn smalle oeverwallen ontwikkeld die goed gerijpt zijn en waarop (oorspronkelijk een laklaag was gelegen). De oeverafzettingen van de Lek zijn breed en goed gerijpt. 3.

Zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die op de aanwezigheid van een vindplaats kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren /vindplaats(en) en met welke stroomgordel (indien van toepassing) en welk type afzetting zijn deze verbonden? Op de Schoonrewoerdse stroomgordel zijn gerijpte oeverafzettingen aanwezig, alleen zijn deze in meer of mindere mate verstoord (zie paragraaf 3.3.1). De kans op (verstoorde) resten van een nederzetting uit de periode midden neolithicum of jonger

Blad 36 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

is hier echter groot, vooral ook vanwege de hoge opslibbing van de bedding en de ligging op een kruispunt van de brede geul en een aftakking. Archeologische indicatoren zijn echter niet in de boring aangetroffen: er is geen verwachting op een archeologische laag (mogelijk nog wel plaatselijk aan de flank van het systeem). Voor de top van de oeverwal geldt echter een verwachting voor een archeologisch sporenvlak. Van de overige stroomgordels zijn op de oeverwal van de Lek (te Achthoven) resten uit de middeleeuwen en/of nieuwe tijd aangetroffen bestaande uit de top van de oeverwal met een mogelijke oude bouwvoor of resten daarvan (zie paragraf 3.3.7). Deze laag is binnen 1 m-mv aangetroffen en bevat in boringen 231, 233, 237, 242 en 244 baksteenspikkels en in boringen 240 en 242 (ook) houtskoolspikkels. In boring 237 is een pijpenkopfragmentje aangetroffen. Waarschijnlijk zijn op deze locatie achtererven, land/tuinbouwpercelen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd aanwezig. De bewoning concentreerde zich in deze periode aan de dijk. Op de Kapel stroomgordel zijn bij andere onderzoeken mogelijk resten uit de middeleeuwen aangetroffen, ook hier kunnen archeologische resten vanaf de periode neolithicum worden verwacht. In de boringen blijken de afzettingen die aan dit systeem worden toegeschreven onvoldoende gerijpt om archeologische resten te verwachten.

Hetzelfde geldt voor de Zijderveldse stroomgordel en Achthovense stroomgordel. De archeologische verwachting wordt op basis van de boringen voor de Kapelse, Zijderveldse/Aaksterveldse en de Achthovense stroomgordel bijgesteld naar een lage verwachting (zie paragraaf 3.3.4, 3.3.5 en 3.3.6). Verder geldt dat er een brede strook is waar vegetatiehorizonten zijn aangetroffen die meestal slap, maar in sommige gevallen een stevige consistentie hebben zoals in boringen 151, 153, 190 en 191. Er zijn echter géén archeologische resten aangetroffen in deze laagjes. De laag wordt geïnterpreteerd als een loopvlak (langdurig of periodiek droogliggend) dat vermoedelijk aansluitend na de sedimentatie van het systeem van Schoonrewoerd is ontwikkeld op een kleiwig die vanuit dit systeem is afgezet. Bewoningsresten worden op de flanken van eventuele stroomruggen verwacht, waar de venige, ongerijpte vegetatielaag overgaat in een stijve laklaag. Ter plaatse van de Schoonrewoerdse stroomgordel is deze laklaag echter grotendeels verstoord of opgenomen in de bouwvoor. In boring 103 is deze laag echter onder wat drogere omstandigheden gevormd en direct onder de bouwvoor aanwezig. Ten slotte wordt opgemerkt dat de top van het veen in het veenkomgebied iets is uitgedroogd (veraard).

Dit mag worden toegeschreven aan ontginning en ontwatering en hierin kunnen dus theoretisch resten van agrarisch gebruik vanaf de middeleeuwen worden aangetroffen. Archeologische indicatoren zijn echter niet aangetroffen. De kans op bewoningsresten in de veraarde top is gering. 4. Indien er archeologische lagen aanwezig zijn, op welke diepte bevinden deze zich (minimale en maximale diepte) en waaruit bestaan deze lagen? Een hoge archeologische verwachting geldt voor de oeverwallen van de Lek en op de oeverwallen van de Schoonrewoerdse stroomgorel. Voor de Lek geldt dat er sprake is van een oude bouwvoor van gerijpte klei die oeverwalachtig is (zandige klei) in boring 244 tot iets venige/plantenrijke komklei in boring 221. Deze laag ligt direct onder de huidige bouwvoor en (meestal) onder het overslagpakket. De diepteligging is meestal binnen 50 cm -mv, maar in de richting van de Lekdijk (Achthoven) in het noorden

Blad 37 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

neemt de dikte van het talud (weg en dijktalud) toe en ligt de laag uiteindelijk op circa 1 m -mv (begraven onder een opgebracht/omgewoeld pakket). Voor de oeverwallen van de Schoonrewoerdse stroomgordel geldt dat deze (deels in aangeploegde vorm) direct onder de bouwvoor zijn te verwachten. 5. Hoe is de overgang van stroomgordel naar komgebied en zijn er in de profielen aanwijzingen te vinden voor (pre)historisch gebruik van de komgebieden? De overgang van de stroomgordel naar komgebied is bij de Lek duidelijk aangetroffen. Vanaf boring 213 richting het noorden neemt de dikte van het veen geleidelijk af, terwijl de dikte van de komklei in de richting van de Lek(dijk) geleidelijk toeneemt. In deze noordelijke zone nabij de Lekdijk (boringen 243 t/m 245) is geen veen en diepgelegen (kom)klei aangetroffen: de ondergrond bestaat vanaf circa 0,9 m-mv uit een oeverwalachtig pakket. Er zijn in de profielen van de Lek geen aanwijzingen aangetroffen voor prehistorisch gebruik van de komgebieden. Wel is er bij de noordelijke boringen nabij de Lek een restant van oude bouwvoor aanwezig in boringen 225 t/m 244, wat duidt op een historisch gebruik (landbouwdoeleinden) van de bodem aldaar. Waarschijnlijk betreft het de achtererven en land/tuinbouwpercelen uit de nieuwe tijd en mogelijk ook de middeleeuwen.

De bewoning zal zich in deze periode hebben geconcentreerd aan de dijk die vermoedelijk op het hoogste gedeelte van de oeverwal ligt. Over een groot oppervlak, met name in de zuidelijke helft van het plangebied, is consistent een venige of humeuze kleilaag aangetroffen in de veenprofielen (ongerijpte vegetatiehorizont). Deze wordt geïntepreteerd als de uitwaaiierende kleiwig die vanuit de Schoonrewoerdse stroomrug is afgezet. In de boringen is deze in absolute diepteligging te herleiden tot de top van de oeverwalafzettingen van de genoemde stroomrug. De vegetatiehorizont is daarmee gelijktijdig met de laklaag zoals die (oorspronkelijk) op de top van de oeverwal lag. Voor de (ongerijpte) vegetatiehorizont geldt dat wordt aangenomen dat deze in een overwegend nat, maar periodiek droog landschap is gevormd. De vegetatiehorizont vormt daarmee vermoedelijk wel een loopvlak uit een periode dat de stroomrug van Schoonrewoerd bewoonbaar was, dus vermoedelijk midden neolithicum tot mogelijk in de bronstijd. De bekende gegevens tonen aan dat de stroomrug nog langer bewoonbaar was, maar uit de boorprofielen blijkt dat het theoretische loopvlak in het veen na verloop van tijd weer door veengroei zal zijn verdwenen. Door het gebrek aan rijping (meestal) kan dit ook wel vrij snel na afzetting zijn gebeurd. 6.

In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door de realisatie van de geplande bodemingrepen? 7. Hoe kan deze verstoring door planaanpassingen tot een minimum worden beperkt? Er zijn drie locaties met een hoge archeologische verwachting:  in de berm van de Polderweg op de oeverwal van de Lek bij Achthoven zijn resten te verwachten van historisch landgebruik, deels echter verstoord door de ligging in berm. Er lijkt sprake van een begraven humeuze laag (bouwvoor) die gezien de ondiepe ligging verstoord zal worden bij aanleg in open ontgraving, alsook bij eventueel cultuurtechnisch herstel. Open ontgraving is hier met planaanpassing bovendien niet te vermijden aangezien er hier een

Blad 38 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

werkterrein moet worden ingericht om een diepe boringen onder de Lek uit te voeren. De oeverwal van de Schoonrewoerdse stroomgordel, kan de locatie zijn van een prehistorisch nederzetting (met sporenvlak, zonder archeologische laag). De resten hier ter plaatse liggen ondiep, vanaf onderzijde zode (vanaf circa 0,3 m -mv). Ook al is hier geen open ontgraving voorzien: eventuele resten worden ook door alleen cultuurtechnisch herstel bedreigd. Dit cultuurtechnisch herstel zal vermoedelijk hier wel noodzakelijk zijn, vanwege het gebruik als rijbaan uitlegstrook voor de HDD. Mogelijk is verstoring van de ondergrond te voorkomen door gebruik te maken van ene stabiliserend dek (zodat cultuurtechnisch herstel beperkt kan blijven tot de bestaande bouwvoor). 8. In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? De resultaten stemmen grotendeels overeen met de verwachtingen zoals opgesteld in de bureaustudie. Voor de Kapelse stroomgordel was een verwachting uitgesproken voor bewoning in de middeleeuwen (dit ondanks de relatief hoge ouderdom van de stroomgordel), en voor de Zijderveldse/Aaksterveldse stroomgordel een verwachting voor archeologische resten vanaf het neolithicum.

Duidelijke aanwijzingen voor bewoning en bewoonbaarheid, zoals te herleiden uit bekende bronnen of uit de boorprofielen, zijn echter voor deze stroomruggen (waar aangetroffen binnen het plangebied c.q. onderzoeksgebied) niet aanwezig, in tegenstelling tot de Schoonrewoerdse stroomrug die waarvan zeer duidelijke indicatoren van bewoonbaarheid en (nabije) bewoning zijn aangetroffen. Ook de overige verwachtingen voor de middeleeuwen en nieuwe tijd zijn grotendeels bevestigd. 9. Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? Zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2.

Blad 39 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

4.2

(Selectie)advies Naar aanleiding van het bureauonderzoek en de landschappelijk-archeologische veldtoets (IVO-O) resteren er twee locaties met een hoge archeologische verwachting: de Schoonrewoerdse stroomrug in het zuiden van het plangebied en de oeverwal van de Lekdijk in het noorden. Het bewoningslint van Broek op de een crevasse van de onbedijkte Lek betreft ook een interessante locatie, maar die locatie wordt aangelegd door middel van HDD en zonder werkstrook aan het maaiveld. Daar vinden dus geen verstoringen plaats. Schoonrewoerdse stroomrug Er zijn meerdere directe aanwijzingen uit de nabijheid van het plangebied dat afzettingen die aan deze stroomrug te relateren zijn, bewoonbaar waren in de periode neolithicum en bronstijd (en latere perioden). In het plangebied is de zone van de stroomrug (inclusief de aanhechting van de aftakking aan de noordzijde) in brede zin begrensd door boringen 1102-1110 en in enge zin 1105-1107 (daar waar de bedding hoger dan 1 m -NAP ligt). In deze boringen is geen vindplaats aangetroffen, maar doordat de laklaag hier gebroken is, is de archeologische laag deels verploegd. Van een eventuele vindplaats resteert mogelijk alleen een sporenvlak. Het planvoornemen is om in deze zone een HDD-uitlegstrook te realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=2a1a3fd1-b966-47c0-926b-4e7de130893b