CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Facetherziening incl. bijlagen.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 9 februari 2023, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan buisleiding Hoornaar-MR Reijerscop27.848 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

39

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is de kans per jaar dat een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Het groepsrisico wordt beschreven in een zogenaamde F(N)‐curve en is afhankelijk van de bevolkingsverdeling in de omgeving van de inrichting. Op de verticale as wordt de kans weergegeven dat meer dan N‐slachtoffers ten gevolge van het beschouwde scenario komen te overlijden. De kans wordt uitgedrukt in de eenheid 'per jaar'. Op de horizontale as staat het aantal slachtoffers weergegeven. Het groepsrisico kent, in vergelijking tot het plaatsgebonden risico, echter geen strikte normering. Wel wordt er uitgegaan van een oriëntatiewaarde, die recht doet aan risicoaversie (hoe groter de ramp, hoe lager het acceptabele risico). De oriëntatiewaarde geeft een eerste inzicht in het niveau van het risico. Geconcludeerd kan worden dat het groepsrisico de overschrijdingsfactor van de oriëntatiewaarde (= 1) niet overschrijdt. Voor leiding A‐555‐08 is over de gehele lengte van de leiding een maximaal groepsrisico berekend van 6.471E‐004 maal de oriëntatiewaarde, voor die kilometer leiding die gekarakteriseerd wordt door stationing 11410.00 en stationing 12410.00. Dit tracé ligt grotendeels in de gemeente Lopik, maar ook deels in het grensgebied met de gemeente Vijfheerenlanden en in de gemeente Vijfheerenlanden zelf.

Het berekende groepsrisico is over de gehele leiding ruim beneden de oriëntatiewaarde gelegen. Er wordt hierdoor voldaan aan de norm voor het groepsrisico conform het Bevb. De oriëntatiewaarde voor het groepsrisico voor het leidingtransport vormt geen belemmering voor het plan, daarom kan een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden opgesteld. Beknopte verantwoording Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het is van belang dat de hulpdiensten in geval van een incident het plangebied kunnen bereiken. Hierbij is het van belang dat de toegangsweg voor de hulpdiensten niet geblokkeerd wordt door bouwmateriaal. Het plangebied ligt nabij de A2 en A27. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht.

Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zelfredzaamheid De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Het maatgevende scenario voor de buisleidingen betreft een fakkelbrandscenario. Vanwege (graaf)werkzaamheden ontstaat een breuk in een hogedruk aardgasleiding. Het aardgas stroomt onder hoge druk uit. Het brandbare gas ontsteekt waardoor een fakkelbrand optreedt. De effecten van een fakkelbrand zijn hittestraling en rook. Om schuilen/vluchten te bevorderen wordt geadviseerd om in bebouwing afschakelbare ventilatie te installeren om te voorkomen dat (rook) gassen naar binnen worden gezogen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings‐ en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL‐Alert en het gebruik van sociale media.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

40

Conclusie Er is voor de buisleiding geen PR10‐6‐contour berekend en het berekende groepsrisico is over de gehele leiding ruim beneden de oriëntatiewaarde gelegen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering.

4.5

Geluid

In de Wet geluidhinder zijn regels met betrekking tot geluid voorgeschreven. Hierin is voorgeschreven dat in bepaalde nieuwe situaties akoestisch onderzoek moet worden verricht. Het gaat daarbij om nieuwe geluidgevoelige functies (zoals woningen en scholen) en om nieuwe geluidveroorzakende functies (zoals wegen en bedrijven). Conclusie De aanleg van een gastransportleiding leidt niet tot een extra geluidbelasting, want dit heeft geen verkeersaantrekkende werking. Tevens is de gasleiding geen geluidgevoelige functie. Onderzoek naar het aspect geluid is daarom niet nodig.

4.6

Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Stof stikstofdioxide (NO2)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

fijn stof (PM10)

jaargemiddelde concentratie

40 µg/m³

24‐uurgemiddelde concentratie

max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³

jaargemiddelde concentratie

25 µg /m³

fijn stof (PM2,5)

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

41

Besluit niet in betekende mate In dit Besluit niet in betekende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Conclusie De aanleg van de gastransportleiding kan niet onder deze getalsmatige grenzen worden geschaard. Deze ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking en zal daarom niet leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.

4.7

Niet gesprongen explosieven

Als gevolg van gevechtshandelingen kunnen er conventionele explosieven (CE) in het onderzoeksgebied zijn achtergebleven. Er ontstaat bij het spontaan aantreffen en beroeren van CE uit de Tweede Wereldoorlog mogelijk een verhoogd veiligheidsrisico. Onbedoelde detonaties kunnen bij de uitvoering van werkzaamheden in het ergste geval leiden tot dodelijk letsel en zware schade aan materieel en omgeving. Spontane CE vondsten kunnen resulteren in meerwerkkosten door stagnatie van de uitvoeringswerkzaamheden. Plansituatie Om de risico's als gevolg van de aanwezigheid van niet gesprongen conventionele explosieven (CE) bij de aanleg van de nieuwe leiding in te kunnen schatten, is een bureaustudie naar de aanwezigheid van CE uitgevoerd. Het bureauonderzoek betreft een historisch vooronderzoek volgens de WCSC‐OCE. Het vooronderzoek CE is uitgevoerd voor het gehele tracé. In het rapport 'Bureaustudie CE, (d.d. 18‐05‐2021, kenmerk: 455773), zijn hiervan de bevindingen beschreven (zie bijlage 9). Op basis van de bevindingen tijdens het historische vooronderzoek naar de aanwezigheid van CE wordt het volgende geconcludeerd:  In het gebied kunnen CE aanwezig zijn als gevolg van de volgende handelingen / gebeurtenissen: 1. Het dumpen van wapens en munitie na de capitulatie. 2. Ontploffing van een munitieschip.

 Als gevolg van de bij het vorige punt genoemde handelingen kunnen de volgende soorten CE aanwezig zijn: 1. Gedumpte munitie. 2. CE verspreidt door de explosie van het munitieschip.  De verdachte gebieden zijn op de bodembelastingkaart in het rapport in bijlage 2 weergegeven.  Na vaststelling van het definitieve tracé kan een strategie voor het vervolgtraject met betrekking tot CE worden opgesteld. Conclusie Het aspect explosieven geeft geen beperkingen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan en de uitvoering van de werkzaamheden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

42

4.8

Water

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de waterparagraaf. Onderzoek In het geohydrologische rapport (Antea Group, d.d. 24 februari 2022, bijlage 10) zijn de lokale geohydrologische situatie, het te verwachten waterbezwaar en de effecten en mogelijke risico's van de bemaling beschouwd. Om constructietechnische‐ en cultuurtechnische redenen dienen de uit te voeren werkzaamheden in droge werkputten en sleuven plaats te vinden. In verband met de heersende grondwaterstanden op de locatie moet daartoe bemaling worden toegepast. Op het tracé Hoornaar bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich overwegend tussen NAP ‐8,0 m à NAP ‐9,5 m en bestaat uit klei en veen. Zeer lokaal komen zandlagen in de holocene deklaag voor. Op het meest noordelijke deel van het tracé bevindt de onderzijde van de deklaag zich op NAP ‐4,0 m à NAP ‐6,1 m. Onder de deklaag is tot een diepte van NAP ‐45 m à NAP ‐60 m het eerste watervoerend pakket aanwezig.

Dit watervoerend pakket bestaat overwegend uit grof tot zeer grof zand. Plaatselijk bestaan de bovenste meters van het watervoerend pakket uit (matig) fijn zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Hoornaar varieert overwegend tussen 0,30 m ‐mv en 1,0 m ‐mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket loopt in een GHS vanuit het zuiden richting de Lek op van NAP ‐1,30 m naar NAP +0,70 m vervolgens loopt de stijghoogte noordelijk richting weer af naar NAP ‐1,30 m. De stijghoogte is in een GLS situatie 0,2 m à 1,2 m lager (hoe dichter bij de Lek hoe groter de fluctuatie). Op de delen waar een zandtussenlaag aanwezig is bevindt de stijghoogte in de zandtussenlaag zich tussen de freatische grondwaterstand en de stijghoogte in het eerste watervoerend pakket. Op het tracé Utrecht bevindt de onderzijde van de deklaag bevindt zich op circa NAP ‐4,0 m en bestaat uit klei en veen. Onder de deklaag is het eerste watervoerend pakket aanwezig. De bovenste meters van dit pakket bestaat uit fijn tot matig grof zand met daaronder grof tot zeer grof zand. De freatische grondwaterstand op het tracé Utrecht varieert overwegend tussen 1,0 m ‐mv en 2,0 m ‐mv. De stijghoogte in het eerste watervoerend pakket varieert overwegend tussen NAP ‐0,30 m en NAP ‐0,60 m.

Volgens de digitale kaart 'Grondwaterbeschermingsgebieden' van de provincie Utrecht en Zuid‐Holland blijkt dat binnen het invloedsgebied van de bemalingen diverse boringsvrije zones gelegen zijn. Op het tracé Hoornaar‐M&R Reijerscop is ten noorden van Benschop (gebied Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden) het grondwaterwaterwingebied 'Blokland' binnen het invloedsgebied van de bemalingen gelegen. De stijghoogte wordt ter plaatse van dit waterwingebied in een GHS situatie met maximaal 0,20 m verlaagd. De mate en duur van de verlaging van de stijghoogte zijn beperkt, er wordt niet verwacht dat de bemalingen een noemenswaardig negatief effect hebben op de waterwinning. Onttrekking Voor de freatische bemaling kan worden volstaan met open bemaling. Om het opbarsten van de putbodems te voorkomen worden in de lokaal aanwezige zandtussenlagen verticale filters voorgesteld. Ten behoeve van de spanningsbemaling in het eerste watervoerend pakket wordt verticale bemaling tot een maximale diepte van 12 m‐mv voorgesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

43

Het maximaal berekende waterbezwaar bedraagt 1,8 miljoen m3 (worst case GHS situatie) en het maximale berekende debiet bedraagt 390 m³/uur. De onttrekking vindt plaats in de beheergebieden van waterschap Rivierenland en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Bij beide waterschappen wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. De grondwateronttrekking is vergunningsplichtig en is een m.e.r. beoordeling noodzakelijk. Lozing Wanneer het grondwater wordt geloosd op oppervlaktewater in beheer bij Rijkswaterstaat, bijvoorbeeld het de Lek, wordt de lozingshoeveelheid van 5.000 m³/uur niet overschreden. Er is geen meld‐ of vergunningplicht. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij waterschap Rivierenland wordt niet voldaan aan de algemene regels voor meldplicht. Er is bij lozing op deze oppervlaktewaterlichamen een vergunning benodigd. Voor het lozen op oppervlaktewater in beheer bij hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is uitsluitend de zorgplicht van toepassing. De noodzaak voor een vergunningaanvraag dient te worden overlegd met het hoogheemraadschap. Ten aanzien van de kwaliteit van het lozingswater dient een melding van de lozing in het kader van het Blbi plaats te vinden. Effecten Uit de zettingsberekeningen blijkt dat op het tracé Hoornaar binnen de 1,0 m verlagingscontour (stijghoogte watervoerend pakket) zettingen van 7 à 10 mm zijn te verwachten.

Als gevolg van de bemalingen worden verder geen noemenswaardige effecten op de omgeving verwacht. De volgende aanbevelingen worden gedaan:  Uitvoeren m.e.r. beoordeling (zie paragraaf 4.9);  Aanvragen vergunning grondwateronttrekking en lozing op oppervlaktewater;  Opstellen monitoringsadvies;  Monitoren stijghoogteverlagingen;  Aanvragen vergunningen voor onttrekken grondwater uit grondwaterbeschermingsgebieden;  Monitoren grondwaterkwaliteit (ijzer, chloride, onopgeloste bestanddelen). Conclusie De uitwerking van deze maatregelen (indien nodig) dient nog plaats te vinden, maar op basis van kennis en ervaring kan worden gesteld dat het altijd mogelijk is om belangrijke nadelige milieugevolgen in dit kader voldoende te reduceren om te komen tot aanvaardbare milieueffecten en om vergunningverlening mogelijk te maken. Het aspect water vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

44

4.9

Vormvrije m.e.r.‐beoordeling

Volgens het Besluit milieueffectrapportage dient voor activiteiten van onderdeel D te worden bepaald of er ten gevolge van de voorgenomen activiteit sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Afhankelijk van waarschijnlijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu is een milieueffectrapportage (m.e.r., de procedure) al dan niet nodig en dient er wel of geen MER (milieueffectrapport, het document) te worden opgesteld. Dit is ter beoordeling aan het bevoegd gezag. In relatie met aardgastransportleidingen is van belang categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van gas, olie of CO2‐stromen ten behoeve van geologische opslag of de wijziging of uitbreiding van een buisleiding voor het transport van chemicaliën". Er is hier sprake van vormvrije m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarden van 5 kilometer van deze categorie D 8.1 uit het Besluit milieueffectrapportage niet worden overschreden. Daarnaast is in relatie met de voorgenomen werkzaamheden categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage van belang: "De aanleg, wijziging of uitbreiding van werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.". Het totale waterbezwaar voor het plan betreft circa 1,7 miljoen m3.

Er is hier sprake van m.e.r.‐beoordeling, omdat de drempelwaarde van deze categorie D 15.2 uit het Besluit milieueffectrapportage wordt overschreden. De voorgenomen activiteit heeft namelijk betrekking op een hoeveelheid water van 1,5 miljoen m3 of meer per jaar. M.e.r.‐plicht is niet aan de orde (categorie C 15.1), omdat de te onttrekken hoeveelheid minder is dan 10 miljoen m3 per jaar. In dit kader is ook beschouwd of de bestemmingsplannen voor de gastransportleidingen kaderstellend zijn voor deze activiteit van het onttrekken van grondwater. In dat geval zou er een Plan‐MER moeten worden opgesteld. Een bestemmingsplan is kaderstellend indien het de basis vormt voor het in kolom 4 genoemde besluit. Dat is in dit geval niet de situatie. De onttrekking van grondwater is een tijdelijke eenmalige activiteit die nodig is om de aanleg van de aardgastransportleiding mogelijk te maken. De bestemmingsplannen (voor elke gemeente één) doen geen uitspraak en stellen geen regels over de aanlegmethode en zijn daarvoor ook niet bedoeld. Daarom zijn de bestemmingsplannen voor de activiteit onttrekken van grondwater niet kaderstellend. Een Plan‐MER is niet aan de orde.

Voorts is van belang dat bij plannen, zoals bestemmingsplannen waarvoor een passende beoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is, een Plan‐MER nodig is, tenzij wordt voldaan aan artikel 3, lid 1 van het Besluit milieueffectrapportage. Dat is hier het geval:  Het gaat om een plan waarbij een gemeente het bevoegd gezag is;  De omvang van het gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente(n) is klein (voor alle zes gemeenten ruim minder dan 0,2%);  Uit de voorliggende m.e.r.‐beoordeling blijkt dat er geen aanzienlijke milieugevolgen zijn. Ook op basis hiervan is het derhalve niet aan de orde om een plan‐MER op te stellen. De aanmeldingsnotitie ten behoeve van de m.e.r.‐beoordeling (zie bijlage 11) gaat in op de mogelijke negatieve gevolgen voor het milieu. Op basis van de onderzoeken van de verschillende aspecten kan worden geconcludeerd dat de benodigde (bemalings‐)werkzaamheden en het gebruik van het tracé niet tot waarschijnlijk belangrijke nadelige milieueffecten leiden. Op 8 juli 2022 is bij besluit van het college vastgesteld dat geen MER nodig is. De gebundelde besluiten van de gemeentes waarop het tracé betrekking heeft is opgenomen in bijlage 12.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

45

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de planregels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de bestemmingsplanvorm, de systematiek en leeswijzer bij de regels en ten slotte de handhaafbaarheid.

5.2

Planvorm

Het voorliggende bestemmingsplan bestaat geheel uit een dubbelbestemming, zonder enkelbestemmingen. Hiervoor is gekozen, omdat enkel de gasleiding wordt mogelijk gemaakt. De andere functies in het gebied blijven hetzelfde. Het opnemen van de enkelbestemmingen zou in dat geval misleidend zijn, omdat dat niet is waar dit bestemmingsplan om gaat. Dit voorliggende bestemmingsplan vormt een ‘facetherziening’. Dat houdt in dat de bestemmingsplannen die onder het plangebied van voorliggend bestemmingsplan liggen, geldend blijven en niet worden vervangen door dit bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan komt er als het ware ‘overheen’ te liggen.

5.3

Planregels

De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Hoofdstuk 2 geeft de planregels behorende bij de in het plangebied voorkomende dubbelbestemming. Hoofdstuk 3 bevat de algemene, voor het gehele plangebied geldende, bepalingen en hoofdstuk 4 bevat tot slot de overgangsregels en slotregel. Toepassingsregels In de planregels van het bestemmingsplan zijn de planregels van de onderliggende geldende bestemmingsplannen opnieuw van toepassing verklaard. Alle (onderliggende) bestemmingen zijn en blijven daarmee nog steeds van kracht.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

46

Dubbelbestemming Leiding ‐ Gas Het gehele plangebied bestaat uit de dubbelbestemming Leiding – Gas. Voor deze bestemming is bepaald dat er geen bouwwerken mogen worden opgericht. Hiernaast is een vergunningenstelsel opgenomen voor werken of werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding. Deze twee bepalingen zijn voorgeschreven in artikel 14, lid 2, van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Tevens is in dit artikel, in het eerste lid, voorgeschreven dat een belemmeringenstrook ten behoeve van het onderhoud van de buisleiding, in het bestemmingsplan moet worden opgenomen. Deze belemmeringenstrook moet minimaal 5 meter aan weerzijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, bedragen. In het voorliggende bestemmingsplan is deze belemmeringenstrook dan ook aangehouden en deze strook vormt de breedte van het plangebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

47

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

Naast de planologische haalbaarheid van het project zoals getoetst in voorgaand hoofdstuk, zal ook de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project moeten worden aangetoond.

6.1

Economische uitvoerbaarheid

De aanleg van de circa nieuwe leiding (horizontaal gestuurde boring) en de aansluitingen van de leiding worden aanbesteed. GTS heeft voor het project een raming opgesteld. GTS is zowel financieel als organisatorisch verantwoordelijk voor het project en ook het beheer van de leiding. De kosten van het gehele project komen volledig voor rekening van GTS. GTS is in staat om de werkzaamheden geheel uit eigen middelen te financieren. De economische uitvoerbaarheid is daarmee afdoende gewaarborgd. Voor wat betreft eventuele planschade die derden kunnen ondervinden als gevolg van de aanleg en aanwezigheid van de nieuwe leiding zal GTS een standaardovereenkomst met de gemeente afsluiten. Daarnaast heeft GTS met de zakelijk gerechtigden in de algemene voorwaarden een schadevergoedingsregeling opgenomen.

6.2

Grondexploitatie

In het besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn regels opgenomen over grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente als een bouwplan zoals aangegeven in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt. De aanleg van een leiding worden echter niet als een dergelijk bouwplan aangemerkt. Op grond van het Bro is het daarom niet verplicht om exploitatieplan op te stellen.

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg Op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het concept ontwerpbestemmingsplan voor vooroverleg toegezonden aan diverse overleginstanties. Er zijn reacties ontvangen van Rijkswaterstaat, Dunea, Waterschap Rivierenland, OASEN en de provincie Utrecht. Naar aanleiding van het overleg zijn de onderzoeken voor de aspecten bodem, archeologie, externe veiligheid (QRA), ecologie, water (geohydrologisch onderzoek) en de vormvrije m.e.r.‐beoordeling geüpdatet. Hiernaast is naar aanleiding van het overleg met de provincie Utrecht is paragraaf 3.2 aangepast en uitgebreid met betrekking tot het grondwaterbeschermingsgebied. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan met de daarbij behorende stukken heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode was het voor eenieder mogelijk om mondeling of schriftelijk een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan te geven. In deze periode is één zienswijze binnengekomen. Een samenvatting van de zienswijze en beantwoording is opgenomen in bijlage 13 Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

48

Ambtshalve wijziging Vanwege optimalisatie van het ontwerp zijn er enkele (minimale) wijzigingen van de ligging van de gastransportleiding en het plangebied doorgevoerd. Vaststelling Vervolgens stelt de gemeenteraad het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast. Uiteindelijk is tegen het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Archeologisch bureau‐ en veldonderzoek, gemeente Vijfheerenlanden

Rho adviseurs voor leefruimte

20191066.003

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente Vijfheerenlanden

projectnummer 455773 revisie 0C 10 maart 2022

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht; gemeente Vijfheerenlanden projectnummer 455773 documentnummer 455773-ARC-BO+IVO-005 revisie 0C 10 maart 2022

Auteurs R.L. Fens I. Fleuren C.I. Nater V. Van Looveren

Opdrachtgever N.V. Nederlandse Gasunie Concourslaan 17 9727 KC GRONINGEN

datum vrijgave 10-03-2022

beschrijving revisie 0C concept

gecontroleerd A.J. Brokke

vrijgave R.S. Raap

Inhoudsopgave

Blz.

Samenvatting

3

1

Inleiding

7

2

Bureauonderzoek

9

2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.1.6 2.2 2.2.1 2.2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.4

Beschrijving onderzoekslocatie Begrenzing onderzoeks- en plangebied Huidig en toekomstig gebruik Archeologisch beleid en regelgeving Landschappelijke situatie Bewoningsgeschiedenis en historische situatie Mogelijke verstoringen Bekende waarden Archeologische waarden Ondergrondse bouwhistorische waarden Archeologische verwachting Bestaande verwachtingskaarten Gespecificeerde archeologische verwachting Conclusies en advies voor vervolgonderzoek

9 9 10 11 11 16 19 19 19 21 21 21 21 24

3

Veldonderzoek

25

3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.3.3 3.3.4 3.3.5 3.3.6 3.3.7 3.3.8 3.3.9 3.3.10

Doel- en vraagstelling Onderzoeksopzet en werkwijze Resultaten Schoonrewoerdse stroomgordel (ID152) Nieuwlandse stroomgordel (ID120) met crevasses Crevasse van de onbedijkte Lek (ID91) Achthovense stroomgordel (ID80) Zijderveldse / Aaksterveldse stroomgordel (ID197/ID1) Kapelse stroomgordel (ID80) Zuidoever van de onbedijkte Lek (ID91) en gekanaliseerde Lek (ID301) Vegetatiehorizont Overige verwachtingen Archeologie

25 25 27 29 30 31 31 31 32 32 33 33 34

4

Conclusies en advies

36

4.1 4.2

Conclusies (Selectie)advies

36 40

Literatuur en geraadpleegde bronnen

44

Lijst van afbeeldingen en bijlagen

Bijlagen 1 2 3

Archeologische perioden AMZ-cyclus Boorbeschrijvingen en dwarsprofielen

Kaartbijlagen 455773-ARCHIS 455773-ARO

Gegevens uit ARCHIS Situatiekaarten met ligging boorpunten

46

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem Kaartblad Coördinaten Opdrachtgever Uitvoerder Datum uitvoering Projectteam

455773 4724482100 Utrecht Vijfheerenlanden Lexmond en Meerkerk Gasunie-tracé Hoornaar-Reijerscop-Utrecht Achthoven, Zouwendijk, Broekweg 38-O N 128529 / 443381 Z 125915 / 435879 N.V. Nederlandse Gasunie Antea Group maart 2021, december 2021 A. Brokke (projectleider) C.I. Nater (senior KNA-archeoloog) V. Van Looveren (KNA-archeoloog) R. Fens (senior KNA prospector) I. Fleuren (archeoloog)

Vrijgave conform KNA G.J. Sophie (senior KNA-archeoloog), protocol 4002 A.J. Brokke (senior KNA-prospector), protocol 4003 Bevoegd gezag Gemeente Vijfheerenlanden Deskundige bevoegd gezag Omgevingsdienst Regio Utrecht Beheer documentatie Antea Group

Afbeelding 1. De ligging van het plangebied in de gemeente Vijfheerenlanden. (Bron: Esri & partners).

Blad 1 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 2. Overzichtskaart met de ligging van het tracé Hoornaar – Reijerscop en Utrecht-Lage Weide. (Bron: Esri & partners.)

Blad 2 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Samenvatting In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft Antea Group in juli-december 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd gevolgd door een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in de periode maart en december 2021 voor het tracé van twee gastransportleidingen. Het gaat om een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van het nieuw aan te leggen tracé Hoornaar-Reijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden. Dit rapport heeft alleen betrekking op het gedeelte van het tracé dat gelegen is binnen de gemeente Vijfheerenlanden (afbeelding 1). Conclusies bureauonderzoek Het plangebied maakte tijdens het Pleistoceen deel uit van een rivierengebied met een verwilderd geulenpatroon en plaatselijk rivierduinen (donken). De donken vormden aantrekkelijke vestigingsgebieden, hoewel ook op de rivierterrassen archeologische waarden zouden kunnen voorkomen. Voor zover bekend komen in het plangebied geen donken voor en bevinden de fluviatiele afzettingen zich op een diepte van circa 8m –mv.

Een (groot) deel van deze sedimenten zullen door Holocene rivierlopen zijn geërodeerd. De kans op het aantreffen van archeologische resten uit het paleolithicum en het begin van het mesolithicum is derhalve erg klein. Vooral op de locaties waar het tracé van het plangebied een stroomgordel kruist, bestaat een gerede kans op het aantreffen van archeologische waarden. De datering van de verwachte archeologische resten is afhankelijk van de periode waarin de betreffende stroomgordel actief was. Op de Kapel-stroomgordel kunnen mogelijk archeologische resten uit de middeleeuwen verwacht worden. De Zijderveldstroomgordel heeft een verwachting op archeologische resten uit het neolithicum, bronstijd en ijzertijd. De stroomgordel van Achthoven is mogelijk tijdens de late prehistorie en romeinse tijd bewoond geweest. Door de diepe ligging van de afzettingen van deze stroomgordel (onder de stroomgordel van Achthoven) worden eventuele archeologische resten hier niet bedreigd door de geplande werkzaamheden. Op de Lek-stroomgordel (van voor de bedijking) kunnen mogelijk archeologische resten uit de vroege en late middeleeuwen aanwezig zijn. De stroomgordel van Schoenrewoerd heeft een archeologische verwachting op resten vanaf het neolithicum tot de middeleeuwen.

Op basis van de datering van de Nieuwland-stroomgordel kunnen hier mogelijk archeologische resten uit het laat mesolithicum en neolithicum aangetroffen worden. Langs de weg Achthoven, de Zouwendijk en de Broekweg kunnen ook eventuele archeologische resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd aangetroffen worden. De aanwezigheid van archeologische sporen is sterk afhankelijk van het feit of de bodem in het plangebied verstoord is geraakt en of de verwachting op grond van bekende gegevens ook op basis van de daadwerkelijke veldsituatie kan worden

Blad 3 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

ondersteund. Het uitvoeren van een booronderzoek is een belangrijke stap in het toetsen van de verwachting uit dit bureauonderzoek. Antea Group adviseert dan ook om in het plangebied een verkennend booronderzoek uit te voeren, in de zones waar de leiding door middel van open ontgraving wordt aangelegd. Dit onderzoek vindt plaats in de delen van het gebied waar stroomgordelafzettingen in de ondergrond aanwezig zijn en die op grond daarvan een middelhoge tot hoge verwachting hebben en/of waarvoor een andere verwachting geldt die niet aan eventuele stroomgordels is gebonden. Op die locaties wordt een karterend booronderzoek geadviseerd met een boorpuntsafstand van 25 m. In de overgangszones naar de veenkommen met een veelal lage tot gematigde verwachting wordt een onderzoek met een boorpuntafstand van 50 m geadviseerd (verkennende fase). Conclusies veldonderzoek De bodemopbouw is te onderscheiden in veenkommmen met al dan niet dieper gelegen (overdekte) stroomgordels en uit stroomgordelafzettingen zonder veendek.

Laatstgenoemde stroomgordelafzettingen zijn aangetroffen ter plaatse van boringen 1102-1110, bestaande uit een oeverwal met gerijpte komafzetting op geul- en beddingafzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel, en aan de zuidelijke Lekdijk bij Achthoven, met een kom- en oeverwalpakket en een overslagpakket met aanwijzingen voor verstoring of resten uit de nieuwe tijd en late middeleeuwen behorend bij de onbedijkte en bedijkte Lek. Steeds zwakker wordende oeverwalachtige afzettingen zijn vanaf boring 245 in de nabijheid van de dijk tot aan boring 235 aanwezig. In de veenkommen en de onder veen begraven stroomgordelafzettingen bestaat de bovengrond uit komklei met aan de basis (op de overgang naar het veen) soms een humeuze horizont. Ook in het veen is in veel plaatsen een overstromingslaagje aanwezig waarin zich een vegetatiehorizont heeft gevormd. Dit laagje is waargenomen op een diepte van steeds 1,5 tot 2,2 m -NAP en is op de meeste plaatsen slap, maar in enkele boringen is deze wel iets gerijpt (boringen 151 en 153). Daaronder ligt weer een veenpakket dat op de meeste plaatsen kleiige niveaus heeft of bestaat uit venige klei (voormalig Afzettingen van Gorkum). In boring 103 ligt de vegetatiehorizont direct onder de bouwvoor. Waar onder het veen nog stroomgordelafzettingen aanwezig zijn, zijn deze meestal niet of nauwelijks gerijpt.

In de meeste van deze begraven systemen (in mindere mate de Achthovense) is geen oeverwalpakket ontwikkeld. Selectieadvies Naar aanleiding van het bureauonderzoek en de landschappelijk-archeologische veldtoets (IVO-O) resteren er twee locaties met een hoge archeologische verwachting: de Schoonrewoerdse stroomrug in het zuiden van het plangebied en de oeverwal van de Lekdijk in het noorden. Het bewoningslint van Broek op de een crevasse van de onbedijkte Lek betreft ook een interessante locatie, maar die locatie wordt aangelegd door middel van HDD en zonder werkstrook aan het maaiveld. Daar vinden dus geen verstoringen plaats. Schoonrewoerdse stroomrug Er zijn meerdere directe aanwijzingen uit de nabijheid van het plangebied dat afzettingen die aan deze stroomrug te relateren zijn, bewoonbaar waren in de periode

Blad 4 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

neolithicum en bronstijd (en latere perioden). In het plangebied is de zone van de stroomrug (inclusief de aanhechting van de aftakking aan de noordzijde) in brede zin begrensd door boringen 1102-1110 en in enge zin 1105-1107 (daar waar de bedding hoger dan 1 m -NAP ligt). In deze boringen is geen vindplaats aangetroffen, maar doordat de laklaag hier gebroken is, is de archeologische laag deels verploegd. Van een eventuele vindplaats resteert mogelijk alleen een sporenvlak. Het planvoornemen is om in deze zone een HDD-uitlegstrook te realiseren. Dit betekent dat het plangebied naderhand cultuurtechnisch wordt hersteld (omgespit/gewoeld), waarbij ongezien archeologische resten zouden kunnen worden geschaad. Wij adviseren tot het uitvoeren van een karterend proefsleuvenonderzoek om te bepalen of er op deze plaats sprake is of kan zijn van een prehistorische nederzetting. Het advies is om in dat proefsleuvenonderzoek in elk geval de top van de stroomrug mee te nemen (nabij boring 1106) alsook de flank waar nog sprake is van een intacte laklaag/vegetatielaag op de uitwaaierende oeverwal of kleiwig (zoals boring 1102 of 1110). Indien kan worden voorkomen dat de laag beneden 0,20 m-mv wordt verstoord (bijvoorbeeld door de aanleg van een tijdelijk stabiliserend dek) kan het proefsleuvenonderzoek achterwege blijven.

Verder is in het veenkomgebied direct ten noorden van de stroomrug in een brede uitwaaiieringszone een ongerijpte laklaag aangetroffen, die gevormd is in een vermoedelijk periodiek natte omgeving. In boring 103 is deze laklaag iets beter gerijpt. De laklaag is vermoedelijk gelijktijdig aan die boven op de afzettingen van de stroomrug, zodat verondersteld wordt dat deze zone ook het loopvlak was ten tijde van bewoning op de Schoonrewoerdse stroomrug. Voor deze zone in de veenkom met de laklaag geldt daarom een verwachting voor archeologische resten van extensieve aard betreft (agrarische landinrichting en landgebruik). Het advies is om deze zone (rondom boring 103) te onderzoeken in de vorm van een archeologische begeleiding van de graafwerkzaamheden, om daarmee de zone op de overgang van de bewoonbare stroomrug naar de veenkom archeologisch te onderzoeken. Advieszone 1102-1110 heeft een omvang van circa 6600 m2. Het (afgetopt) archeologisch vlak kan direct onder de bouwvoor aanwezig zijn, vanaf 0,2 m -mv of dieper. Advieszone 103 heeft een omvang van 1700 m2. De laklaag kan hier vanaf 0,2 m -mv aanwezig zijn. De eerstgenoemde locatie ligt in de werkstrook zonder open ontgravingen. Ter plaatse van boring 103 wordt de aanleg in open ontgraving uitgevoerd.

Een proefsleuvenonderzoek (IVO-P, BRL4000 protocol 4003) of archeologische begeleiding (BRL4000 protocol 4004) dient plaats te vinden onder een door de bevoegde overheid goedgekeurd programma van eisen (PVE, BRL4000 protocol 4001). Oeverwal Lekdijk Een tweede zone met een hoge archeologische verwachting betreft een zone waar een relatief hooggelegen oeverwal of oeverwalachtige lagen aanwezig zijn met tekenen van rijping, restanten van een oude bouwvoor en archeologische indicatoren. Waarschijnlijk betreft het de achtererven en land/tuinbouwpercelen uit de middeleeuwen en nieuwe tijd. Indien een alternatieve aanlegstrategie niet mogelijk is wordt voor de werkzaamheden (aanleg in open ontgraving) ter plaatse van boringen 231 t/m 245 aanbevolen om deze archeologisch te laten begeleiden. Proefsleuven is in dit gebied niet verkiesbaar, enerzijds omdat het een verwachting op archeologische resten van extensieve aard betreft (agrarische landinrichting en landgebruik) en

Blad 5 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

anderzijds vanwege de ligging in de berm van de Polderweg. De beschikbare ruimte is er beperkt en er liggen secundaire (niet op de KLIC aanwezige) kabels en leidingen. De archeologische verwachting is er bovendien gematigd door de plaatselijk aangetroffen bodemverstoringen (verbonden met de ligging in berm en bestaande ondergrondse infrastructuur). Het adviesgebied heeft een omvang van 8500 m2. De archeologische verwachting voor de aanwezigheid van een oude bouwvoor geldt voor een diepte van circa 0,5 tot 1 m-mv. De verwachting is oplopend richting de Lek. Een archeologische begeleiding op basis van een selectiebesluit (BRL4000 protocol 4004) dient plaats te vinden onder een namens de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (BRL4000 protocol 4001). Het bovenstaande betreft een selectieadvies. Dit rapport en de adviezen hierin dienen ter beoordeling te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid. Zij zal, op voorspraak van haar adviseur, op basis hiervan overgaan tot een selectiebesluit. Revisie 0A van dit rapport is voorgelegd aan en beoordeeld namens de gemeente Montfoort door de Omgevingsdienst Regio Utrecht als onderdeel van een MERbeoordeling. In de onderhavige revisie zijn de ontvangen op- en aanmerkingen verwerkt.

De onderhavige rapportage (in revisie 0B) dient wederom aan de gemeente te worden voorgelegd voor een tweede beoordeling, mede omdat aan deze revisie ook nieuwe onderzoeksgebieden zijn toegevoegd. Meldingsplicht Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.

Blad 6 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

1

Inleiding In opdracht van N.V. Nederlandse Gasunie heeft Antea Group in juli-december 2019 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd gevolgd door een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in de periode maart en december 2021 voor het tracé van twee gastransportleidingen. Het gaat om een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 AS-Utrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van het nieuw aan te leggen tracé Hoornaar-Reijerscop is in afbeelding 2 weergegeven. Het plangebied loopt door zes verschillende gemeentes: Utrecht, Montfoort, IJsselstein, Lopik, Vijfheerenlanden en Molenlanden. Dit rapport heeft alleen betrekking op het gedeelte van het tracé dat gelegen is binnen de gemeente Vijfheerenlanden (afbeelding 1). Dit rapport en het uitgevoerde onderzoek is bijgewerkt naar het ontwerp-tracé van 22 oktober 2021 en de werkterreinindeling van 11 november 2021. Het bureauonderzoek is in eerste instantie separaat gerapporteerd, maar is in dit rapport integraal opgenomen als hoofdstuk 2. Het is bijgewerkt naar het huidige tracéontwerp (22 oktober 2021) en werkterreinindeling (11 november 2021).

Eerdere uitgangspunten uit het tracé-ontwerp van 2019, januari 2021 en maart 2021 vervallen. De nieuwe uitgangspunten bij het ontwerp van 22 oktober 2021 zijn verwoord in paragraaf 2.1.2. In revisie 0A uit juni 2021 is in het selectieadvies het voorbehoud gemaakt dat mocht zich een tracéwijziging voordoen, het veldonderzoek op basis daarvan weer dekkend diende te worden gemaakt. Dit aanvullend booronderzoek is uitgevoerd in december 2021, naar aanleiding van het tracéontwerp en werkterreinindeling van oktober / november 2021. Revisie 0A van dit rapport is voorgelegd aan en beoordeeld namens de gemeente Montfoort door de Omgevingsdienst Regio Utrecht als onderdeel van een MERbeoordeling. In de onderhavige revisie zijn de ontvangen op- en aanmerkingen verwerkt. De onderhavige rapportage (in revisie 0B) dient wederom aan de gemeente te worden voorgelegd voor een tweede beoordeling, mede omdat aan deze revisie ook nieuwe onderzoeksgebieden zijn toegevoegd. Het plangebied is onderzoeksplichtig conform het beleid van de gemeente Vijfheerenlanden (zie paragraaf 2.1.3). Bij de aanlegwerkzaamheden kunnen eventuele archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch onderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure. Een bureauonderzoek is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ, zie bijlage 2).

Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in

Blad 7 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Een karterend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en het bepalen van de aan- of afwezigheid van archeologische vindplaatsen. Certificering Dit onderzoek is uitgevoerd conform BRL 4000, protocol 4002 en 4003 met daarin besloten de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1. Voor de KNAprotocollen, 4001 (programma van eisen), 4002 (bureauonderzoek), 4003 (inventariserend veldonderzoek) en 4004 (opgraven) is Antea Group gecertificeerd conform de SIKB-BRL 4000 (Beoordelingsrichtlijn voor archeologie).

Blad 8 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2

Bureauonderzoek Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Daarbij worden vragen gesteld als “Waar kunnen we wat verwachten?”. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.

2.1

Beschrijving onderzoekslocatie

2.1.1

Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen plangebied enerzijds en onderzoeksgebied anderzijds. Met plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde plannen en/of werkzaamheden betrekking hebben. Voor dit plangebied wordt in de regel ook de ruimtelijke procedure gevoerd waarvan dit archeologisch onderzoek een onderdeel is. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten verstoord worden. Het totale plangebied betreft een tracé van 23,6 km HTL (hoofdtransportleiding) van afsluiterschema S-238 Hoornaar tot M&R (Meet –en regelstation) A-107 Reijerscop en een tracé 2,7 km RTL (regionale transportleiding) van afsluiterschema S-6227 ASUtrecht tot afsluiterschema S-6265 Lage Weide. De ligging van de nieuw aan te leggen tracés is in afbeelding 2 weergegeven. Voor deze revisie van het bureauonderzoek is het tracé-ontwerp van oktober 2021 aangehouden. In dit ontwerp bestaat de aanleg in de gemeente Vijfherenlanden opgeteld uit 8565 m, waarvan aanleg in open ontgraving opgeteld 2215 m en aanleg in de vorm van HDD-boringen over een afstand van 6350 m. De omvang van het benodigde werkterrein is 22,9 ha.1 Het plangebied van onderhavig rapport loopt vanaf de Lek in het noorden tot aan de gemeentegrens met de gemeente Molenlanden in het zuiden (ter hoogte van Den Dool).

Het onderzoeksgebied is groter dan het plangebied en beslaat een zone van circa 100 m aan weerszijden van het plangebied (tracé en werkterrein). Binnen deze zone liggende archeologische onderzoeken en vondstmeldingen worden in dit rapport meegenomen.

Kengetallen op basis van de tracéontwerp van 22 oktober 2021 en de werkterreinindeling van 11 november 2021. 1

Blad 9 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

2.1.2

Huidig en toekomstig gebruik Huidig gebruik plangebied Het plangebied is momenteel hoofdzakelijk in gebruik als akker en weiland (afbeelding 3). Een klein deel van het tracé loopt door bos. Ook doorkruist het tracé de stroombedding van de Oude Zederik.

Afbeelding 3. De locatie van het plangebied op een recente luchtfoto. (Bron: Esri & partners).

Consequenties toekomstig gebruik De aan te leggen leiding betreft een DN300 (buis van 300 mm binnendoorsnede) en wordt deels in open ontgraving (veldstrekking) aangelegd. Ter plaatse van de veldstrekkingen wordt onder talud een sleuf aangelegd met een breedte van 0,6 m op putbodem en een diepte van 2,0 m. Om de 200 m veldstrekking en aan weerskanten van sloten op de veldstrekking komt een lasput van 2,5 bij 2,5 m (putbodem) en 2,5 m diep. Bij de aanleg in open ontgraving ligt de leidingsleuf binnen een werkstrook van 30 m breed. Voor de werkstrook vindt een ontgraving van de bovengrond plaats en na afloop van de werkzaamheden zal de strook inclusief de leidingsleuf cultuurtechnisch worden opgeleverd. Dit zal onder normale omstandigheden een bodemverstoring van maximaal 0,7 m -mv geven. Het grootste deel van de aanleg van de transportleiding gebeurt niet in open ontgraving, maar in de vorm van ondergronds gestuurde boringen (HDD-boringen, sleufloze techniek). De HDD-boringen worden aangelegd op werkterreinen met een omvang van gemiddeld circa 80 bij 80 m (6400 m2). Aan het maaiveld van de geprojecteerde HDD-leidingen wordt in veel gevallen nog wel een werkterrein aangelegd. Deze is bestemd als rijbaan om de HDD-werkterreinen te bereiken en als strook voor het uitleggen van de te boren leidingsegmenten. Ook voor dit werkterrein

Blad 10 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

wordt uitgegaan van een breedte van 30 m, waarbij cultuurtechnisch herstel tot 0,7 m -mv plaatsvindt. De omvang van de te boren transportbuizen kunnen in de bodem schade aan eventuele archeologische resten toebrengen. De schade is aan de bodem betreft de omvang van de boorkop (net iets groter dan de diameter van de buis). Deze schade is relatief beperkt als dit wordt vergeleken met de omvang van het grondverzet in open ontgraving (leidingsleuf vanaf maaiveld tot 2,5 m diep). Er is niet op een effectieve wijze te onderzoeken welke schade bij sleufloze aanleg precies optreedt. Wel is te beredeneren dat deze schade kleiner is dan de aanleg in open ontgraving. Ten opzichte van open ontgraving is een HDD-boring derhalve verkiesbaar. In het licht van bovenstaande wordt vervolgonderzoek voor HDD boringen niet realistisch geacht. Lengte aanleg totaal Lengte veldstrekking Lengte HDD Oppervlakte werkterrein totaal

2.1.3

8565 m 2215 m 6350 m 22,9 ha

Archeologisch beleid en regelgeving Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Reparatieplan Buitengebied Zederik (d.d. 19-11-2019). Hierbinnen is een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 1, 2, 3, 4, 5 en 6 van toepassing. De geplande bodemingrepen overschrijden de vrijstellingsgrenzen. Waarde Archeologie Onderzoeksplicht bij 1 >30m2 en dieper dan 0,30m -mv 2 >100m2 en dieper dan 0,30m -mv 3 >250m2 en dieper dan 0,30m -mv 4 >250m2 en dieper dan 1,50m -mv 5 >500m2 en dieper dan 0,30m -mv 6 >10.000m2 en dieper dan 0,30m -mv Tabel 1. Overzicht van de Waarden Archeologie met het bijhorende beleid.

Bij deze dubbelbestemmingen gelden verschillende vrijstellingsgrenzen. In dergelijke gevallen worden de strengste normen voor het gehele plangebied gehanteerd. De geplande bodemingrepen overschrijden deze vrijstellingsgrenzen en zijn derhalve onderzoeksplichtig. Deze waarden Archeologie zijn gebaseerd op de Archeologische Verwachtings- en Beleidsadvieskaart van de vroegere gemeente Zederik, waarop het plangebied verschillende zones met lage, middelhoge en hoge verwachting doorkruist

2.1.4

Landschappelijke situatie De archeologische verwachting volgt voor een groot gedeelte uit de opbouw van het landschap. De verspreiding van archeologische vindplaatsen heeft namelijk een duidelijk verband met de landschappelijke gesteldheid.

Blad 11 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Geologie Het plangebied bevindt zich in de Alblasserwaard, in een overgangsgebied tussen het getijdengebied in het westen en het rivierengebied in het oosten. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien, maakte het gebied deel uit van een riviervlakte waar vlechtende riviersystemen actief waren. Tijdens warmere perioden in deze ijstijd en in het begin van het holoceen sneden de rivieren zich in de terrasvlakte, waarbij enkele terrassen ontstonden. De pleistocene rivierafzettingen worden in het plangebied op meer dan 8m –NAP verwacht en bestaan uit zand en grind.2 Tijdens het Holoceen warmde het klimaat definitief op. De rivieren kregen een meanderende loop. Er vormden zich diverse stroomgordels, die regelmatig hun loop verlegden. De afzettingen, gevormd door deze stroomgordels worden tot de Formatie van Echteld gerekend. Het tracé van het plangebied kruist een aantal van deze oude stroomgordels (afbeelding 4 en tabel 2). Van noord naar zuid betreft het de volgende stroomgordels: Kapel (stroomgordel-ID. 80; 5350-4920 BP), Zijderveld (stroomgordel-ID. 197; 5345-4082 BP), Achthoven (stroomgordel-ID. 3; 6190-5350 BP), crevasses van de Lek (stroomgordel-ID. 91; 1950850 BP), (crevasses van) Schoonrewoerd (stroomgordel-ID. 152; 4520-3700 BP) en Nieuwland (stroomgordel-ID. 120; 7370-6270 BP).3

Afbeelding 4. De locatie van het plangebied (rood met blauw) op de stroomgordelkaart. (Bron: Cohen en Stouthamer, 2012). Naam Stroomgordel

2 3

Nummer (Cohen 2012)

Hoogste zand diepte (m +/NAP)

www.dinoloket.nl , boring B38D0988. Cohen et al., 2012.

Blad 12 van 47

Archeologische periode

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Kapel Aaksterveld

80 1

-1,0 - -2,1 -2 - -2,4

middeleeuws? vermoedelijk zelfde als Zijderveld Zijderveld 197 0,6 - -2,0 midden neolithicum tot en met ijzertijd Achthoven 3 -3,9 - -4,9 onbekend Lek (voor de bedijking) 91 10,2 – 3,0 vroege en late middeleeuwen Schoonrewoerd 152 0,8 - -1,8 neolithicum tot en met middeleeuwen Nieuwland 120 -2,1 - -5,4 onbekend Tabel 2. Stroomgordels binnen het plangebied met hoogste ligging en archeologische vindplaatsen.

Geomorfologie en AHN Volgens de geomorfologische kaart komen in het plangebied de volgende eenheden voor: oeverwal (code 3B45D), stroomrug (code 3B44), rivierkom en oeverwalachtige vlakte (code 2M48), rivierkomvlakte (code 1M46) en ontgonnen veenvlakte (code 1M81ykd) (afbeelding 5). Op de AHN wordt duidelijk dat het plangebied deels in de lager gelegen riviervlakte ligt (met een ligging tussen 1,16 tot 0,24 m –NAP). Hierop zijn duidelijk diverse stroomgordels en crevasses te herkennen. Op één van deze hoger gelegen stroomruggen ligt het bewoningslint van de Broekseweg. Ten noorden van de Zouwendijk ligt het landschap beduidend hoger; tussen 0,05 en 0,92m +NAP (afbeelding 6).

oeverwal

Rivierkom en oeverwalachtige vlakte

stroomrug

rivierkomvlakte

ontgonnen veenvlakte

Afbeelding 5. De locatie van het plangebied op de geomorfologische kaart (bron: Stiboka).

Blad 13 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 6. De locatie van het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (bron: www.ahn.nl) (legenda: van rood (hoog) naar blauw (laag)).

Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart zijn in het plangebied poldervaaggronden (code Rn47C, code Rn62C, code Rn95A), waardveengronden (op zavel of klei (code kVk) of op zeggeveen of rietzeggeveen (code kVc) of op bosveen (code kVb)), drechtvaaggronden (code Rv01C), nesvaaggronden (code Ro40C), moeras (code |g) en vlakvaaggronden (code Zn30A) voor. Poldervaaggronden zijn zavel- en kleigronden waarin periodieke hoge grondwaterstanden kunnen voorkomen. Ze hebben geen veen binnen 80 cm en geen donkere bovengrond. Het is de meest voorkomende subgroep in Nederland: zij omvat alle komgronden en vrijwel alle jonge zeekleigronden. Poldervaaggronden kunnen zowel een zware als een lichte textuur hebben. In de ondergrond kunnen klei- en zandlagen voorkomen. Het stadium van ontkalking kan zowel beginnend als vergevorderd zijn De gronden kunnen daardoor zowel kalkrijk als kalkloos zijn. In poldervaaggronden heeft reeds enige bodemvorming plaatsgevonden. De gronden zijn geheel gerijpt. Waardveengronden zijn veengronden met een dun dek van zware, kalkloze zavel- of klei van maximaal 0,4m dikte.4 Er kan een donker gekleurde humusrijke bovengrond aanwezig zijn, die echter te dun is om als minerale eerdlaag te kunnen worden aangemerkt. Drechtvaaggronden behoren tot de hydrokleivaaggronden (zavel- en kleigronden waarin periodiek hoge grondwaterstanden kunnen voorkomen).

Ze bestaan uit een kleidek dat tussen 0,4 en 0,8m diepte overgaat in een veenpakket van minstens 0,4m 4

Als deze zavel- of kleilaag dikker is dan 0,4m is er sprake van een drechtvaaggrond.

Blad 14 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

dikte. Het kleidek is meestal kalkloos en matig zwaar tot zeer zwaar, en bevat roestvlekken. Nesvaaggronden zijn een andere subgroep van de hydrokleivaaggronden. Deze, meestal kalkrijke, bodems hebben geen donkere bovengrond en hebben een slappe en natte ondergrond. Ze komen voor in jonge polders op laaggelegen plekken. De rijping van de ondergrond is zeer traag of vindt niet plaats. In de bovengrond zijn duidelijke gleyverschijnselen, zoals roestvlekken, aanwezig. Op vrij geringe diepte zijn deze bodem geheel gereduceerd. Vlakvaaggronden worden gekenmerkt door een geringe bodemvorming, hetgeen zichtbaar is door een dunne, weinig donker gekleurde licht humeuze A1 ; daaronder is het onverstoorde moedermateriaal aanwezig. Van nature komen deze bodems voor in (recent) uitgestoven laagten. Afgegraven gronden worden hier echter ook toe gerekend. Het moeras is het moerasachtige gebied, genaamd de Zouwes, naast de Zouwendijk. Hierdoorheen stroomt de (Oude) Zederik. De grondwatertrap in het grootste deel van het plangebied is II. Op een aantal, voornamelijk hoger gelegen, locaties is de grondwatertrap I, III, IIIb of VI (afbeelding 7) grondwatertrap

Gemiddeld hoogste Gemiddeld laagste grondwaterstand (m-mv) grondwaterstand (m-mv) I <0,2 <0,5 II <0,4 0,5-0,8 III <0,4 0,8-1,2 IIIb 0,25-0,4 0,8-1,2 VI 0,4-0,8 >1,2 Tabel 3. De in het plangebied voorkomende grondwatertrappen met de gemiddeld hoogste en laagste grondwaterstand.

Blad 15 van 47

Antea Group Archeologie 2021/80 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 455773 10 maart 2022 revisie 0C N.V. Nederlandse Gasunie

Afbeelding 7. De locatie van het plangebied op de bodemkaart (bron: STIBOKA/Alterra Wageningen).

2.1.5

Bewoningsgeschiedenis en historische situatie Bewoningsgeschiedenis Het plangebied is gesitueerd in het zuidwesten van de provincie Utrecht, deels in Alblasserwaard, deels in de Vijfherenlanden. Lange tijd bestond dit gebied uit een uitgestrekt veenmoeras dat ongeschikt was voor bewoning. Vanaf de 10e/11e eeuw werden de gronden vanaf de rivieroevers in cultuur gebracht. In het eerste kwart van de 12e eeuw was het meeste land langs de rivieren ontgonnen en werd de ontginning verlegd naar de achterliggende gebieden. Van verscheidene nederzettingen in deze omgeving gaat de geschiedenis tot ver in de middeleeuwen terug. Na de ontginning van het veengebied kregen de boeren, als gevolg van ontwatering, inklinking en veenoxidatie, steeds meer te maken met wateroverlast. Als reactie hierop werden de woonplaatsen opgehoogd waardoor huisterpen ontstonden, zoals in de omgeving van Noordeloos. Vanaf 1277 is de Zouwendijk aangelegd om de Alblasserwaard te beschermen tegen het water uit de Vijfherenlanden en van bovenstroomse dijkdoorbraken. Het buitendijkse land, de Zouwe, diende als boezem voor de aangrenzende ontginningen in de Vijfheerenlanden. Binnendijks werd aan de voet van de dijk een strook land vrijgehouden voor het graven van zoden ter ophoging en versterking van de dijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=2a1a3fd1-b966-47c0-926b-4e7de130893b