CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Broekgraaf_Toelichting.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 30 september 2021, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststellen chw bestemmingsplan Broekgraaf21.740 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

29

bestemmingsplan Broekgraaf

Afbeelding uitsnede Cultuur historische atlas, provincie Zuid Holland In 2012 is een Inventarisatie beeldbepalende panden uitgevoerd. In deze inventarisatie zijn geen panden opgenomen die in het plangebied Broekgraaf liggen. Aardkundige waarden In de Visie Ruimte van de provincie is het gebied aan de westzijde van het plangebied aangeduid als 'veengebied'. Hiervoor geldt dat er ruimte is voor duurzame landbouw en passende economische activiteiten in het landelijk gebied, afgestemd op condities vanuit bodem, water en natuur en op gebiedskwaliteiten. Binnen het plangebied vindt geen landbouw plaats, maar ter plaatse van deze aanduiding is uitsluitend het natuurgebied en waterbergingsgebied gelegen, waardoor dit past binnen de

30

bestemmingsplan Broekgraaf

visie. Conclusie Op basis van de archeologische onderzoeken wordt het plangebied vrijgegeven. Wat betreft cultuurhistorie en aardkundige waarden, past het bestemmingsplan binnen het geldend beleid.

4.2

Bodem

In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Voor het bestemmingsplan Broekgraaf (2010) zijn verschillende bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze zijn echter ouder dan 5 jaar. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ) heeft daarom een integraal advies opgesteld voor de bodem. Hier zijn meerdere eerder uitgevoerde bodemonderzoeken in beoordeeld. Er is onderscheid gemaakt tussen percelen die 'voldoende onderzocht' zijn en 'nader te onderzoeken percelen'. In Bijlage 5 is het integrale advies van OZHZ te zien. Hierin worden de volgende percelen aangekaart waar aanvullend onderzoek is vereist: D922, D964, D965, D966 en K27. In het kader van de verbrede reikwijdte van dit bestemmingsplan worden de 'nader te onderzoeken percelen' opgenomen met een uitgestelde onderzoeksverplichting. De percelen die voldoende onderzocht zijn hebben geen onderzoeksverplichting. Conclusie Uit verrichte onderzoeken en de afzonderlijke beoordeling van OZHZ wordt aangetoond dat de bodemkwaliteit voor het merendeel van het plangebied voldoende is voor uitvoering van het plan.

De bodemkwaliteit van de nader te onderzoeken percelen wordt geborgd door de uitgestelde onderzoeksverplichting.

4.3

Natuurwaarden

Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd, zie Bijlage 13. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb, de Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden en betreft zowel soortenbescherming als bescherming van (Europese) natuurgebieden), of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt bij ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

INVENTARISATIE Beschermde soorten die verwacht worden in het projectgebied zijn algemene grondgebonden zoogdieren, boommarter, verschillende soorten vleermuizen, vogels met jaarrond beschermde voortplantings- en verblijfplaatsen, broedvogels, ringslang, algemene amfibieen, rugstreeppadden en heikikkers. Beschermde vaatplanten, vissen en ongewervelde diersoorten zijn niet aanwezig en worden niet

31

bestemmingsplan Broekgraaf

verwacht op basis van het ontbreken van geschikt biotoop. Maatregelen De volgende maatregelen volgen uit de natuurtoets: Voor alle soorten, ongeacht bescherming via natuurwetgeving of niet, geldt de zorgplicht waarbij eenieder zorg in acht neemt voor de in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Voorafgaand aan het bouwrijp maken van een nieuw perceel, dient door een ecoloog een controle plaats te vinden op aanwezigheid van broedende vogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn, zal in overleg met een ter zake kundige ecoloog worden bepaald welke afstand tot de broedlocatie aangehouden moet worden. Wanneer verstoring niet voorkomen kan worden, dient het werk uitgesteld te worden tot de jonge vogels zijn uitgevlogen en het nest niet meer gebruikt wordt. Om de aanwezige foeragerende en passerende vleermuizen niet te verstoren en indirect schade toe te brengen aan kraamkolonies, mag in de periode april tot en met november bij werkzaamheden geen gebruik gemaakt worden van breed uitstralende bouwverlichting tussen zonsondergang en -opkomst. Bij de keuze voor straatverlichting aan de buitenranden van Broekgraaf dient gekeken te worden naar het type armatuur en lichtkleur. De keuze hiervoor kan bijdragen aan beperking van verstoring van vliegroutes en foerageergebied voor vleermuizen.

Elke keer wanneer werkzaamheden in een nieuw deelgebied gestart worden, dient voorafgaand een controle uitgevoerd te worden naar het voorkomen van rugstreeppad en heikikker. Aanwezige amfibieën dienen alsnog verplaatst te worden naar geschikt leefgebied buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden om zo het doden van beschermde soorten te voorkomen. Jaarlijks wordt met de directievoerder doorgenomen in welke delen van het gebied werkzaamheden worden gestart of voortgezet, waarbij wordt afgestemd op welke wijze ecologische begeleiding wordt ingezet. Op de lange termijn zijn geen negatieve effecten aan de orde indien de voorzorgs- en mitigerende maatregelen opgevolgd worden. Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. WET NATUURBESCHERMING In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.

Rondom Broekgraaf liggen drie Natura 2000-gebieden: Lingegebied & Diefdijk-Zuid (nr 70), Zouweboezem (nr 105) en Uiterwaarden Lek (nr 82). Het grootste deel van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek ligt op de zuidoever van de Lek, ten noordwesten van de Zouweboezem. De afstand vanuit het midden van Broekgraaf Fase 4 tot Zuider Lingedijk is 1 km, tot de Zouweboezem tussen 7 km en tot de Uiterwaarden Lek 11 km. NATUURNETWERK NEDERLAND Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het nationale natuurbeleid. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is uitgewerkt in de Provinciale Verordening. In het NNN staat natuur voorop en ontwikkelingen zijn daarom alleen onder strikte voorwaarden toegestaan. Nieuwe ontwikkelingen in het NNN mogen per saldo niet leiden tot significante aantasting van het NNN, tenzij er een groot openbaar belang is én alternatieven ontbreken ('Nee, tenzij'-regime). In het plangebied ligt een onderdeel van het NNN aan de uiterste westzijde langs de Koenderseweg.

32

bestemmingsplan Broekgraaf

INVENTARISATIE Natura 2000 Er is een Aeriusberekening uitgevoed voor Broekgraaf. De resultaten van de Aerius-berekening zijn beoordeeld, zie Bijlage 14. Uit de rekenresultaten blijkt dat de additionele stikstofdepositie door ontwikkelingsplan Broekgraaf op verschillende stikstofgevoelige habitattypes in Natura2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-zuid tot een maximale depositie boven de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar. Negatieve effecten op stikstofgevoelige habitats door de toename van stikstof kunnen hiermee niet worden uitgesloten. Er geldt een vergunningplicht op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename. Om deze reden is het plangebied aangewezen als ontwikkelingsgebied, zie paragraaf 4.3.1 en tevens als prioritair project. Afgezien van de stikstoftoename komen voor geen van de drie Natura 2000-gebieden in de omgeving van Broekgraaf Fase 4 de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde natuurwaarden in gevaar. Verdere procedurele stappen in het licht van de Natuurbeschermingswet zijn daarom voor geen van de drie Natura 2000-gebieden nodig. Conclusie Er zijn beschermde soorten aangetroffen in het plangebied. Hiervoor worden maatregelen genomen. Het plan Broekgraaf leidt tot een maximale depositie boven de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar op in Natura2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-zuid.

Het plangebied wordt aangewezen als ontwikkelingsgebied en tevens als prioritair project. 4.3.1

Ontwikkelingsgebied

Broekgraaf is in de directe nabijheid van twee Natura-2000 gebieden gelegen. Huidige berekening laten zien dat de bouw van Broekgraaf de normen voor stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden overschrijdt. In een bestemmingsplan kan geen ruimte vastgelegd worden voor stikstofdepositie. Indien er een overschrijding plaatsvindt en een melding of vergunning nodig is, dient gewerkt te worden met projectbesluiten. Om die reden is ervoor gekozen om het project aan te melden als prioritair project in samenhang met een ontwikkelingsgebied in het kader van artikel 2.3 van de Crisis- en hertelwet (CHW). De wetgever heeft er voor gekozen om bestemmingsplannen buiten de regeling van de PAS te houden en geen toedeling van ontwikkelingsruimte aan bestemmingsplannen mogelijk te maken. Het toedelen van ontwikkelingsruimte aan bestemmingsplannen zou een te groot beslag op de schaarse ontwikkelingsruimte voor projecten en andere handelingen leggen. Er geldt één uitzondering: onder de toestemmingsbesluiten waarbij ontwikkelingsruimte kan worden toegedeeld valt ook de specifieke categorie van bestemmingsplannen voor gebieden die zijn aangemerkt als "ontwikkelingsgebieden" als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet.

Een dergelijk bestemmingsplan kan de voorwaarden, voorschriften en beperkingen bevatten waaronder een vergunning als bedoeld in de Wet natuurberscherming kan worden verleend, onder de in die wet opgenomen voorwaarden, en kan op voorhand aan de in het plan voorziene projecten en handelingen ontwikkelingsruimte toekennen. Als die voorwaarden en beperkingen zekerheid bieden dat bij de individuele vergunningverlening voor projecten geen sprake zal zijn van aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied en de voor de vergunningverlening bevoegde provincie - in enkele gevallen het Rijk - daarmee heeft ingestemd, wordt onder de paraplu van dat specifieke bestemmingsplan de vergunningen voor de individuele projecten of andere handelingen die voldoen aan die voorwaarden, voorschriften en beperkingen ingevolge de Wnb zonder meer verleend. Het onderhavige bestemmingsplan is aangewezen als ontwikkelingsgebied. Dit besluit tot aanwijzing treedt waarschijnlijk in de loop van 2018 in werking, waarmee ontwikkelingsruimte is toegedeeld. Het bestemmingsplan is daarmee uitvoerbaar op het punt van stikstofdepositie. Voor het ontwikkelingsgebied als bedoeld in artikel 2.3 van de Crisis- en herstelwet is de aanduiding aanduiding 'wetgevingzone - ontwikkelingsgebied' opgenomen.

In de regels is opgenomen dat er eenmalig ontwikkelingsruimte (voor onbepaalde tijd) is toebedeeld van ten hoogste: - 2,49 mol per ha per jaar voor het habitattype H9999:70 habitattype onbekend/onzeker KDW op basis van meest kritische aangewezen type (H7230);

33

bestemmingsplan Broekgraaf

- 1,84 mol per ha per jaar voor het habitattype H91EOB vochtige alluviale bossen (essen-lepenbossen); - 1,40 mol per ha per jaar voor het habitattype H91EOC vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen); - 0,18 mol per ha per jaar voor het habitattype H7230 Kalkmoerassen. Dit is de ruimte die via het Programma aanpak stikstof per Natura 2000-gebied per stikstofgevoelig habitat ter beschikking komt voor Broekgraaf. Per omgevingsvergunning voor de bouw van woningen dient een Aerius-berekening bijgevoegd te worden, waarmee in het Aerius-register wordt bijgehouden wat de beschikbare ruimte nog is. AERIUS is het voorgeschreven systeem voor de registratie van toegedeelde of gereserveerde ontwikkelingsruimte en verschaft een actueel, door alle bestuursorganen raadpleegbaar overzicht (zie paragraaf 3.1.3.4 Nota van toelichting bij het Besluit natuurbescherming).

4.4

Water

De Waterparagraaf is een verplicht onderdeel van een ruimtelijk plan en vormt een wezenlijk element in het gehele watertoetsproces. Het fungeert als een instrument waarin de waterhuishoudkundige gevolgen van een plan inzichtelijk worden gemaakt, de gemaakte afwegingen expliciet en toetsbaar worden vastgelegd en het wateradvies van de waterbeheerder wordt opgenomen. Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem vroegtijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf zal de uitkomst van de watertoets worden opgenomen. Beleidskader In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Zuid-Holland, de gemeente Leerdam en het waterschap Rivierenland gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoer gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: Rijksbeleid Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'.

34

bestemmingsplan Broekgraaf

Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In de integrale watervergunning gaan zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) op in één aparte watervergunning. Provinciaal waterbeleid Provinciaal waterplan 2010-2015 Het Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 gaat in op de kernopgaven van de provincie op het gebied van integraal waterbeheer. Hierin is onder meer op genomen dat bij toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen in Zuid-Holland meer rekening moet worden gehouden met de consequenties van klimaatveranderingen, zeespiegelrijzing en bodemdaling voor het waterbeheer. Bij keuzen ten aanzien van het waterbeheer en ruimtelijke ontwikkelingen moet gezocht worden naar duurzame, flexibele en veerkrachtige oplossingen.

Het beleidsplan bevat de randvoorwaarden vanuit onder meer de ruimtelijke wateropgave en aspecten van veiligheid (risico's van wateroverlast en overstroming).Het Provinciaal Waterplan is uitgewerkt in het Actieprogramma Water waarin staat wat de provincie concreet doet en gaat doen. Verder zijn provinciale wateropgaven op het gebied van kaderstelling, toezicht en regie uitgewerkt in het Provinciaal Waterplan, de Provinciale Waterverordening en de Nota Toezicht op de waterschappen. De inzichten in de gevolgen van de klimaatverandering noodzaken overheden wereldwijd tot beleidsaanpassingen. Voor Zuid-Holland staan deze in het Actieprogramma Klimaat en Ruimte. Gemeentelijk waterbeleid Gemeentelijk Waterplan 2008 tot 2015 Voor de periode 2008 tot 2015 werken de gemeente Leerdam en Waterschap Rivierenland aan de uitvoering van maatregelen uit het waterplan. Beide partijen zetten zich in voor een betere waterkwaliteit, meer veiligheid en meer beleving van water in de gemeente Leerdam. Een van de maatregelen in het waterplan is de aanleg van de Wateras in Leerdam-West. De Wateras zal de Voorvliet bij de Wipwatermolen Ter Leede verbinden met de Broekgraaf aan de westkant van de wijk. In dezelfde wijk koppelt de gemeente relatief schone weg- en dakoppervlakken af van de riolering. Het regenwater wordt afgevoerd via de Wateras (bron: https://www.waterschaprivierenland.nl).

Waterschapsbeleid Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 staat in grote lijnen het waterbeheer beschreven. Het waterschap wil het het rivierengebied veilig houden tegen overstromingen, voldoende en schoon water hebben en het afvalwater effectief zuiveren. De waterkeringen worden op orde gehouden, dat wil zeggen dat ze voldoen aan de geldende normen. En het bergend vermogen van watersysteem in het landelijk gebied is zodanig vergroot, dat slechts bij zeer uitzonderlijke regenval wateroverlast optreedt. Daarnaast stelt het waterschap tot doel dat in 2027 de KRW-doelstellingen voor de waterkwaliteit worden gehaald. Hiervoor is het nodig om een groot aantal maatregelen te treffen om vooral de ecologische waterkwaliteit te verbeteren. Ook het stedelijk gebied zal klimaatbestendig moeten worden gemaakt. Het waterbergend vermogen van stedelijk water dient te worden vergroot en de waterkwaliteit dient te worden verbetert. Daarnaast geeft het waterschap met de gemeenten verder vorm aan de samenwerking in de afvalwaterketen. Tenslotte wil het waterschap de watercondities voor de natte natuur, zoals Natura-2000 gebieden en verdroogde gebieden, verbeteren en de waterkwaliteit in wateren met aquatische natuurwaarden beschermen en waar mogelijk verbeteren.

Het waterschap vindt het belangrijk dat het waterbeheerplan niet alleen betrekking heeft op de ontwikkeling van nieuwe waterpartijen en waterkeringen, maar dat het ook gaat over de wijze

35

bestemmingsplan Broekgraaf

waarop het beheer en onderhoud plaatsvindt. Bijvoorbeeld over peilbeheer, natuurvriendelijk onderhoud en energiebewust beheer. Planspecifiek Voor het huidige bestemmingsplan Broekgraaf is de waterhuishouding reeds onderzocht. Deze is nog steeds van toepassing en is hier overgenomen. Daar waar aanpassingen in het ontwerp een nadere uitleg vergen, is dat onderstaand ingevoegd. De bodem in het plangebied behoort tot zware rivierkleigronden (komgronden). In de noordwestelijke hoek van het plangebied verandert de bodem in een zware klei-op-veengrond (vaaggronden). Beide bodemsoorten zijn in principe gevoelig voor zettingen en bodemdaling. In de noordwestelijke uithoek van het gebied ligt een restant van een kreekrug met draagkrachtigere lichte klei. Het maaiveld binnen het plangebied is redelijk vlak, maar helt lichtelijk naar beneden in noordwestelijke richting. De hoogte varieert van circa NAP +0,3 meter aan de rand met het bestaande stedelijk gebied van Leerdam West tot circa -0,1 meter in de meest noordwestelijke hoek. De drooglegging wordt in noordwestelijke richting steeds kleiner, van ongeveer 80-100 cm tot 20-40 cm. In het Waterstructuurplan uit 2002 was het plangebied op de functiegeschiktheidskaart aangeduid als "minder geschikt" voor nieuwe stedelijke functies als wonen.

Dit betekent dat de ondergrond van water en bodem hier niet zonder meer geschikt is voor deze nieuwe functie, maar dat het met aanvullende maatregelen wel mogelijk is alsnog een duurzame ontwikkeling te bereiken. Centraal door het gebied loopt de hoofdwatergang de Broekgraaf. De hoofdstroomrichting van het water is gericht van oost naar west. in Leerdam wordt ter hoogte van het Recht van Ter Leede water ingelaten vanuit de Linge en langs het Recht van Ter Leede en de Broekgraaf naar het gebied aangevoerd. De nieuwe watergangen in het plangebied zijn reeds aangelegd. Zo ligt er een nieuwe waterverbinding (wateras) vanaf de Linge tussen de glasfabriek en Sportcentrum Berenschot over het Meesplein in noordelijke richting naar de Broekgraaf. Met deze wateras wordt een deel van het waterbergingstekort van Leerdam West aangepakt en wordt ook extra water ingelaten ten behoeve van een betere waterkwaliteit in het gebied. Tevens wordt voorzien in een ondergrondse waterverbinding tussen deze as en de bestaande singel langs de Esdoornstraat, waardoor doorstroming van laatstgenoemde singel zal verbeteren. Het gebied staat onder invloed van kwel van de Linge, maar ook van zoete kwel vanuit diepere grondwaterstromen. Door de nutriëntarme kwel en door de goede kwaliteit van het ingelaten Lingewater is de waterkwaliteit in de omgeving van Leerdam redelijk.

Het meeste oppervlaktewater is voorzien in de noordwesthoek van het plangebied. Dit gebied is gezien de bodemgesteldheid het minst geschikt om te bebouwen. Het maaiveld ligt hier namelijk het laagst en de bodem bestaat voor een belangrijk deel uit veen waardoor het zeer gevoelig is voor bodemdaling/veenoxidatie. Hoe kleiner de afstanden tussen de verschillende watergangen des te kleiner de drooglegging kan worden. Dit is van belang om bodemdaling zoveel mogelijk te voorkomen. in zuidelijke richting is minder oppervlaktewater nodig door een hogere ligging en een meer draagkrachtige ondergrond. Waterkwantiteit Bij de uitwerking van het plan moet het oorspronkelijke oppervlak open water van 4,76 ha worden gehandhaafd. Daar bovenop dient de toename van het verhard oppervlak te worden gecompenseerd. Als vuistregel wordt gerekend met een bergingsvolume van 436 m3 per ha verharding. Voor nadere eisen aan de kwantiteit wordt verwezen naar Bijlage 16 Randvoorwaarden water, riolering en ontwatering. Bij het bepalen van het benodigde oppervlak open water wordt uitgegaan van een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,30 m, inclusief berging op de taluds. Dit is de basis van de huidige watervergunning (zie Bijlage 15).

36

bestemmingsplan Broekgraaf

37

bestemmingsplan Broekgraaf

Afbeelding waterbalans, bron: Kaartenboek gemeente Leerdam/Imoss, november 2017 Het streven is om de waterbergingsopgave in de vorm van open water op te lossen. Mocht het oppervlak open water niet volledig kunnen worden gerealiseerd in het plangebied Broekgraaf dan wordt gedacht aan waterberging onder straten of in groenzones, dit in overleg met het waterschap. De nieuwe waterstructuur van Broekgraaf sluit op twee plaatsen aan op de wateras van Leerdam West: een verbinding via de Broekgraaf en een verbinding met de bestaande singel van de Esdoornstraat. Er is sprake van een vast peil in Broekgraaf, een zomer- en winterpeil van NAP -0,50 m zullen worden aangehouden. De piekbelastingen kunnen onder meer in de ecologische zones worden opgevangen. Het waterschap heeft aangegeven dat in de nadere uitwerking van dit stedelijke gebied het realiseren van voldoende drooglegging extra aandacht behoeft. Om voldoende drooglegging te realiseren (in onder andere kruipruimtes en wegcunetten) dient een ontwateringsysteem te worden aangelegd. Hiervoor wordt een ontwateringsplan en bijbehorend onderhoudsplan opgesteld. Waterkwaliteit Het stedelijk water wordt losgekoppeld van het polderwater. Het gebied wordt in principe voorzien van een

38

bestemmingsplan Broekgraaf

gescheiden rioleringsstelsel met voorzieningen, conform de 'beslisboom afkoppelen' van het waterschap. Alle schone oppervlakken kunnen gelijk afkoppelen naar het oppervlaktewater. Oppervlakken die minder schoon zijn worden afgevoerd via een filtrerende voorziening. Nabij riooloverstorten wordt ruimte gerealiseerd voor natuurlijke zuivering (helofytenfilters). De waterkwaliteit zal er door een robuustere waterstructuur met meer doorstroming en circulatie en minder belasting met voedselrijke stoffen (bemesting) alleen maar op vooruit gaan. Er zijn geen doodlopende watergangen aanwezig in het voorziene nieuwe systeem. Daar waar mogelijk worden natuurvriendelijke oevers toegepast. Gebruiksfuncties Het water wordt uitgevoerd als kijkwater, natuurwater of recreatiewater (geen zwemwater). In het stelsel van watergangen worden in het plan bevaarbare routes voor kano's en andere bootjes opgenomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de benodigde doorvaarthoogte onder bruggen. Daar waar noodzakelijk dienen de oevers kindvriendelijk te zijn. Eigendom, beheer en onderhoud Het waterschap Rivierenland onderscheidt A-, B- en C-watergangen. Over de ligging van eigendomsgrenzen tussen waterschap, gemeente en particulieren en het beheer en onderhoud van de watergangen zullen op basis van de te bepalen status nadere afspraken worden gemaakt tussen de gemeente en het waterschap.

De gemeente heeft een onderhoud- en beheerplan opgesteld voor de ecologische zone en het onderhoud van natuurvriendelijke oevers. Het waterschap heeft dit onderhoudsplan goedgekeurd en overgenomen waar het een A-watergang betreft (de Broekgraaf en de watergang tussen het voorzieningencluster en het woongebied). Ten aanzien van het onderhoud heeft de gemeente een voorkeur voor onderhoud met varend materieel. Daarbij wordt rekening gehouden met de benodigde breedte van de watergangen en de doorvaarthoogte onder bruggen. De bestemming Natuur maakt af- en aanvoer van water mogelijk door middel van watergangen. A-watergangen kunnen op een goede wijze worden ingepast bijvoorbeeld door de doorstroomfunctie van een watergang te combineren met natuurvriendelijke oevers, in relatie met het gewenste gebruik voor extensieve recreatie. Voor oevers aangrenzend aan A-watergangen dient een zone van 5 m vrij te blijven van bebouwing, voor B- en C-watergangen dient een zone van 1 m vrij te blijven. Hiervoor dient in het bestemmingsplan een zone te worden opgenomen, waarin eigenaren en gebruikers geen bouwwerken en gebouwen mogen oprichten. Dit geldt ook voor vergunningvrije bouwwerken. Hierop is de keur van het waterschap van toepassing. Waterveiligheid De polder Hoog of Klein Oosterwijk is gelegen aan de westzijde van Leerdam.

De stad Leerdam ligt binnen dijkring 16, Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Dijkring 16 kent een beschermingsniveau van 1:2000. Dit komt erop neer dat er een 1:2000ste kans per jaar is dat dit gebied overstroomt vanuit de grote rivieren (Lek en Merwede). Daarnaast geldt dat Leerdam is gelegen achter de Diefdijk. Deze dijk die grofweg loopt van Everdingen naar Gorinchem beschermt de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden tegen overstromingen wanneer in de Betuwe een dijkdoorbraak heeft plaatsgevonden. De waterkeringen die langs de Linge liggen, zijn regionale waterkeringen. Regionale keringen zijn aangewezen in provinciale verordeningen met uitzondering van de zomerkades. Het waterschap is verantwoordelijk voor de waterkeringen (de dijken) en gaat bij hoogwater die waterkeringen bewaken en bij eventuele instabiliteit noodmaatregelen nemen. De gemeente is verantwoordelijk voor de veiligheid van haar inwoners. Daarom is het evacueren van bewoners een taak van de gemeente. Omdat een overstroming of dijkdoorbraak de gehele dijkring beslaat, worden daarbij meerdere gemeenten getroffen. Die gemeenten zullen bij een dergelijke ramp samenwerken vanuit de veiligheidsregio, voor Leerdam is dit de veiligheidsregio Zuid-Holland-Zuid. Voor overstroming en dijkdoorbraak is in de regio waar Leerdam in ligt, een zogeheten Regionaal Basisplan Overstromingen vastgesteld.

Dat plan is opgesteld door de veiligheidsregio in nauwe samenwerking met het waterschap en vastgesteld door alle betrokken gemeenten. In dat plan is vrij gedetailleerd beschreven hoe bij een dreigende dijkdoorbraak of overstroming de evacuatie van de bewoners plaats vindt. In Broekgraaf is de evacuatie gewaarborgd richting het noorden via de aansluiting op de Parallelweg en richting het zuiden via de aansluiting op de Tiendweg. Het plan voorziet niet in een aangepaste bouwwijze

39

bestemmingsplan Broekgraaf

en specifieke vluchtplekken in de vorm van hoog gelegen gebieden. Leidingen Door het plangebied loopt een persleiding van het waterschap. De bijbehorende belemmeringenzone wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Overstroombaar gebied Het peil van het maaiveld voordat Broekgraaf werd aangelegd is -0,30 NAP. Het vloerpeil van de woningen ligt tussen +0,90 en +1,00 NAP. De wegen liggen op + 0,70 NAP. Het nieuwe woongebied ligt daardoor 1 tot 1,5 meter hoger dan het omliggende agrarisch gebied, waardoor het overstromingsrisico niet groot is. Verder wordt veel water gemaakt met natuurvriendelijke oevers, die voor voldoende waterberging zorgen. De spoordijk ligt aanzienlijk hoger, waardoor dit een goede vluchtroute kan zijn bij overstromingen. De nieuwe spoorwegovergang maakt de spoordijk goed toegankelijk en vormt een heldere vluchtroute omdat deze onderdeel uit maakt van de hoofdstructuur. De wijk wordt in zowel noord-, oost- en westelijke richting ontsloten met de auto. Voor calamiteiten is er ook nog de mogelijkheid richting Tiendweg te rijden via het fietspad. Bij de appartementen in de broekgraafzone ligt de woonlaag op +2,34 NAP, waardoor alleen de parkeerlaag onder zou kunnen lopen.

Conclusie het opnemen van een 'Waterstaat - Beschermingszone' langs A-watergangen van 5 m en voor B- en C-watergangen 1 m vanuit het talud van de watergang, voorzover sprake is van niet openbaar gebied; de persleiding wordt aangegeven op de verbeelding; er wordt voldoende waterberging aangelegd en in het natuurgebied is ruimte voor piekberging. ten aanzien van de wateropgave dient het gestelde in Bijlage 16 Randvoorwaarden water, riolering en ontwatering in acht genomen te worden.

4.5

Geluid

Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. Deze wet heeft betrekking op geluid dat veroorzaakt wordt door wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens. De Wgh bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van voorgenoemde geluidsbronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient volgens de Wgh een akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. In het plangebied is ook geen sprake van gezoneerde industrieterreinen of luchthavens. Wel valt een geluidzone van een gezoneerd industrieterrein over het plangebied. Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) beschouwt woningen als geluidgevoelige objecten. In het kader van de Wgh bevinden zich langs alle wegen zones. Bij de bouw van geluidgevoelige objecten binnen deze zones dient akoestisch onderzoek plaats te vinden. Dit geldt niet voor wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt. Wegverkeer In 2010 is reeds akoestisch onderzoek uitgevoerd voor plangebied Broekgraaf.

Destijds was de invulling van het plangebied nog niet bekend en is de geluidssituatie bepaald op basis van geluidscontouren. Op basis van dit onderzoek zijn reeds hogere waarden verleend ten gevolge van de Parallelweg, Tiendweg en de spoorlijn Leerdam – Gorinchem (Bijlage 9 Besluit hogere grenswaarden 2010). Er worden nieuwe woningen gerealiseerd langs bestaande wegen. De nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen de geluidszones van de Parallelweg, de Koendersweg en de Tiendweg. Verder is er sprake van reconstructie: Er wordt een aanpassing van de Parallelweg beoogd, om de aansluiting van

40

bestemmingsplan Broekgraaf

plangebied Broekgraaf mogelijk te maken. Bij de aanpassing van een bestaande weg, dient volgens de Wet geluidhinder een zogenaamd reconstructieonderzoek uitgevoerd te worden. Hierbij wordt de geluidsbelasting op de gevels van de bestaande woningen getoetst. Hiervoor is geluidonderzoek uitgevoerd. Dit is opgenomen in Bijlage 8. Onderzoek nieuwe woning, bestaande weg In de eerstelijns bebouwing langs de Parallelweg wordt de voorkeurgrenswaarde overschreden. Voor 22 woningen en één appartementencomplex is sprake van een overschrijding. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 52 dB.Voor de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Parallelweg zijn 205 hogere waarden verleend met een hoogte van 56 dB. Het aantal woningen met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ligt nu ruim lager dan dit aantal ontheffingen. Hiermee passen de ontwikkelingen in beginsel binnen het bestemmingsplan. Uit de resultaten blijkt dat voor geen van de nieuwe woningen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Koenderseweg. Voor zeven nieuwe woningen is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde, ten gevolge van het verkeer op de Tiendweg.Voor de geluidsbelasting ten gevolge van het verkeer op de Tiendweg zijn oorspronkelijk 95 hogere waarden verleend met een hoogte van 60 dB.

Het aantal woningen met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ligt nu ruim lager dan dit aantal ontheffingen. Hiermee passen de ontwikkelingen in beginsel binnen het bestemmingsplan. Nieuwe woning, nieuwe 30 km/h-weg De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 52 dB. Deze geluidsbelasting is berekend langs de noordelijke invalsweg van plangebied Broekgraaf. De geluidsbelasting is hoger dan de richtwaarde van 48 dB, maar nog ruim lager dan de in gezoneerde situaties geldende maximale ontheffingswaarde van 63 dB. Dergelijke geluidsbelastingen zijn niet uitzonderlijk voor een dergelijke omgeving. Het treffen van geluidsreducerende maatregelen voor situaties met 30 km/h-wegen is doorgaans niet eenvoudig. Geluidsreducerende wegdekken sorteren bij deze snelheid een beperkt effect, omdat dan het motorgeluid overheersend is ten opzichte van het bandengeluid. Overdrachtsmaatregelen worden niet wenselijk geacht vanuit stedebouwkundig oogpunt. Nieuwe woning, bestaande 30 km/h-weg De nieuwe woningen liggen tevens binnen het invloedsgebied van bestaande 30 km/hwegen. Uit de resultaten blijkt dat voor geen van de nieuwe woningen sprake is van een overschrijding van de richtwaarde van 48 dB. De hoogst berekende geluidsbelasting bedraagt 46 dB. Hiermee is sprake van een acceptabele geluidssituatie.

Aanpassing van een bestaande weg Nabij het aan te passen deel van de Parallelweg zijn twee woningen gesitueerd. Voor deze twee woningen is een reconstructieonderzoek uitgevoerd. De geluidsbelasting neemt met 2 tot 3 dB toe in de plansituatie ten opzichte van de huidige situatie. Er is dus sprake van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder. De toepassing van geluidsreducerende maatregelen dient daarom te worden beschouwd. Maatregelen zijn echter niet eenvoudig inpasbaar. Door het aanwezige kruispuntvlak is het af te raden om een geluidsreducerend wegdek toe te passen. Door wringingskrachten van optrekkend en afremmend verkeer wordt het relatief zwakke geluidsreducerende wegdek snel kapot gereden. In verband met de toegang tot de woningen zijn ook overdrachtsmaatregelen niet eenvoudig inpasbaar. Voor de twee woningen (net buiten het plangebied) wordt een hogere waarde vastgesteld. Indirecte planeffecten In de plannen rond Broekgraaf zijn diverse ontwikkelingen opgenomen die zorgen voor veranderingen in verkeersstromen. langs een aantal wegvakken is sprake van significante toenames van de geluidsbelasting (toename 2 dB of meer). Aanvullende geluidsreducerende maatregelen lijken niet eenvoudig inpasbaar.

41

bestemmingsplan Broekgraaf

Spoorwegverkeer Langs de spoorlijn Leerdam – Gorinchem geldt ter hoogte van plangebied Broekgraaf een wettelijke zonebreedte van 200 m aan weerszijden van de (buitenste) spoorbaan (op basis van geluidsproductieplafond 60 dB). Deze zone is het wettelijke aandachtsgebied, waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Omdat het nieuwbouwplan binnen de geluidszone van de spoorlijn Geldermalsen – Gorinchem is geprojecteerd, is de geluidsbelasting van deze spoorlijn op de nieuwe woningen onderzocht. Voor de nieuwe woningen geldt voor de geluidsbelasting ten gevolge van het railverkeer in beginsel een voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Voor plangebied Broekgraaf zijn in 2010 algemene hogere waarden verleend. In het besluit hogere waarden is de voorwaarde opgenomen dat voor woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen met een geluidsbelasting hoger dan 53 dB wordt voorzien in een geluidsluwe gevel of geluidsluwe buitenruimte. Op een dergelijke gevel of in een dergelijke buitenruimte mag de geluidsbelasting ten hoogste 48 dB zijn. Er is in 2018 opnieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 8). Uit de resultaten valt op te maken dat voor diverse woningen sprake is van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. Voor 51 woningen en één appartementencomplex is sprake van een overschrijding.

Voor de geluidsbelasting ten gevolge van het railverkeer zijn oorspronkelijk 240 hogere waarden verleend met een hoogte van 67 dB (Bijlage 9). Het aantal woningen met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde ligt nu ruim lager dan dit aantal ontheffingen. Hiermee past de geluidssituatie in beginsel binnen het bestemmingsplan. Conclusie wegverkeer en spoorweglawaai Ten gevolge van diverse geluidsbronnen zijn overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde berekend. In een eerder stadium zijn reeds hogere waarden verleend. De geluidssituatie voor de nieuwe woningen is samengevat in de tabel.

De geluidsbelastingen zijn lager dan de hogere waarden die eerder verleend zijn. Bovendien zijn minder hogere waarden benodigd dan oorspronkelijk nodig geacht werd. Hiermee passen de ontwikkelingen binnen de vastgestelde hogere waarden. Het Besluit Hogere grenswaarden ten gevolge van de Parallelweg, Tiendweg en de spoorlijn Leerdam – Gorinchem uit 2010 is bij deze toelichting gevoegd (Bijlage 9 Besluit hogere grenswaarden 2010). De mogelijke maatregelen zijn opgenomen in Bijlage 8. Voor de reconstructie van de Paralelweg is geconstateerd dat voor de twee woningen nabij het aan te passen deel van de Parallelweg sprake is van een reconstructiesituatie in de zin van de Wet geluidhinder. Geluidsreducerende maatregelen zijn niet eenvoudig inpasbaar. Voor de twee woningen (net buiten het plangebied) wordt een hogere waarde vastgesteld. Voor deze situatie moet in beginsel worden voldaan aan een maximale binnenwaarde van 33 dB volgens artikel 112 Wet geluidhinder (Bijlage 8).

42

bestemmingsplan Broekgraaf

Glasfabriek Een beperkt deel van het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de glasfabriek Leerdam. De glasfabriek is een inrichting die in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken. Om de glasfabriek is daarom een geluidszone vastgesteld. Het plangebied ligt voor een zeer klein deel binnen deze zone, die op 5 meter boven maaiveld is vastgesteld. Hier bevinden zich bestaande woningen. Binnen de geluidszone zijn nieuwe woonbestemmingen en andere geluidsgevoelige bestemmingen slechts aanvaardbaar indien de geluidsbelasting aan de gevel en binnenshuis beneden bepaalde grenswaarden ligt. Onderzoek (DHV, 2009) heeft plaatsgevonden naar de hindercontour van de glasfabriek. Uit dit onderzoek blijkt dat op basis van de berekende contouren voor een deel van het bouwplan hogere waarden moeten worden vastgesteld van 52 dB(A). Door dat de concrete invulling van het bouwplan in dit stadium nog niet bekend is, heeft de gemeente hiervoor een inschatting gemaakt. Het betreft circa 10 woningen. Voor nadere informatie over het onderzoek wordt verwezen naar de rapportage: •Geluid glasfabriek (DHV, 22 december 2009). Hogere waarden besluit In een separaat hogere waarden besluit zijn voor de te realiseren woningen, gelegen binnen de contour van de glasfabriek een hogere waarden vastgesteld van 52 dB(A). Naar verwachting gaat het om circa 10 woningen.

Dit besluit is in het bestemmingsplan vastgelegd. Dierenasiel Het dierenasiel aan de Koenderseweg kent een hindercontour - geluid van 100 m. Voor het dierenasiel is een geluidonderzoek uitgevoerd (Bijlage 20). De geluidcontour (50 dB(A)) is overgenomen op de verbeelding. Deze contour kan op basis van de regels verkleind worden, of verwijderd worden, mits de geluidhinder beperkt wordt of verdwijnt. Trafo-station Het betreft het trafostation in noordwesthoek, naast het dierenasiel. Uit akoestisch onderzoek (Bijlage 19 Geluidonderzoek Trafostation) is gebleken dat ook hiervoor een geluidzone op de verbeelding dient te worden opgenomen. De geplande woningen worden buiten deze zone gerealiseerd. Sportvelden en voorzieningencluster Er is onderzoek gedaan naar de geluiduitstraling van een te ontwikkelen voorzieningencluster met basisscholen en een kinderdagverblijf en naar de geluiduitstraling van de toekomstige indeling van de sportvelden (Bijlage 10 Akoestisch onderzoek voorzieningencluster en sportvelden). Hierbij is de maximale planologische situatie onderzocht. Sportvelden Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidniveau aan de richtwaarden. Er is ook geen sprake van relevante hinder ten gevolge van het komen en gaan van bezoekers (indirecte hinder).

Basisscholen De uitstraling naar de (te ontwikkelen) woningen rond het voorzieningencluster is beperkt en voldoet aan de richtwaarden. Bij de woningen in het voorzieningencluster, die grenzen aan het schoolplein, wordt niet voldaan aan de richtwaarden. Dit geldt zowel voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als voor het maximaal geluidniveau. Alle woningen beschikken over een geluidluwe zijde, al is deze gevel bij twee woningen aan de noordwestzijde van het gebouw wel kort. De geluidbelasting vindt ook alleen in de dagperiode plaats. Met voldoende geluidwering van de geluidbelaste gevels is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te behalen. In aanvulling hierop is het mogelijk om de geluidbelasting op de gevel van de woningen te reduceren met behulp van gebouwgebonden maatregelen, zoals een vliesgevel, loggia's of gevelschermen. Gebouwgebonden maatregelen zijn echter niet verplicht. De bedrijfsvoering van de

43

bestemmingsplan Broekgraaf

scholen wordt niet beperkt door de aanwezigheid van woningen, omdat het stemgeluid van de kinderen volgens het Activiteitenbesluit niet wordt getoetst aan de grenswaarden. Kinderdagverblijf De uitstraling naar de (te ontwikkelen) woningen rond het voorzieningencluster is beperkt en voldoet aan de richtwaarden. Bij de woningen in het voorzieningencluster wordt ook voldaan aan de richtwaarde voor het maximaal geluidniveau. Er wordt bij twee woningen boven het buitenspeelgebied van het kinderdagverblijf niet voldaan aan de richtwaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau. Deze woningen beschikken wel over een geluidluwe gevel en er wordt voldaan aan de aanbevolen waarde waarvoor op basis van stap 3 uit de VNG-brochure afgeweken. De bedrijfsvoering van het kinderdagverblijf wordt niet beperkt door de aanwezigheid van woningen, omdat het stemgeluid van de kinderen volgens het Activiteitenbesluit niet wordt getoetst aan de grenswaarden. Conclusie Op de verbeelding wordt de contour van de glasfabriek, het dierenasiel, de weg en het spoor weergegeven. In de regels wordt aangegeven dat hogere waarden van toepassing zijn, dan wel, in geval van het asiel, rekening dient gehouden te worden met de contour ingeval van gevoelige bebouwing. Voor de reconstructie van de Parallelweg wordt voor twee woningen (net buiten het plangebied) een hogere waarde vastgesteld.

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de hindercontour van het dierenasiel te verwijderen indien het dierenasiel verplaatst wordt.

4.6

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing). Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Als sprake is van realisatie of wijziging van bronnen van luchtverontreiniging, die kunnen leiden tot een toename van de hoeveelheid luchtverontreiniging, is onderzoek noodzakelijk. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m³ NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Een ruimtelijke ontwikkeling kan volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang vinden als: de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden van bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering wordt toegepast. Onderzoek In 2018 is onderzoek naar de luchtkwaliteit uitgevoerd (Bijlage 11 Luchtkwaliteit). Het onderzoek luchtkwaliteit is uitgevoerd met de NSL-rekentoolHet onderzoek is uitgevoerd met verkeerscijfers voor het jaar 2030.

44

bestemmingsplan Broekgraaf

Uit het onderzoek luchtkwaliteit blijkt dat in geen geval sprake is van normoverschrijdingen. Langs alle wegen wordt ruim aan de normen uit de Wet milieubeheer voldaan. De luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de uitvoering van de plannen (Wet milieubeheer artikel 5.16, lid 1 onder a). De concentratietoename als gevolg van het extra verkeer van de plannen is bovendien beperkt. In geen geval zijn concentratietoenamen groter dan 1,2 ìg/m3 berekend. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit (Wet milieubeheer artikel 5.16, lid 1 onder c). Conclusie Er wordt voldaan aan de normen. Het bestemmingsplan is uitvoerbaar wat betreft luchtkwaliteit.

4.7

Verkeer en parkeren

Leerdam bevindt zich in een driehoek van snelwegen (stroomwegen). Aansluitend op dit stelsel van stroomwegen buiten de bebouwde kom bevinden zich de gebiedsontsluitende wegen richting de kern Leerdam; Schaikseweg, Koningin Emmalaan, de provinciale weg N848 en de Parallelweg

Verkeersstructuur Belangrijke uitgangspunten voor de verkeersstructuur voor Broekgraaf zijn: De mogelijkheden voor de verbetering van aspecten als leefbaarheid, verblijfskwaliteit en bereikbaarheid voor de wijk zelf en Leerdam moeten worden benut. De inrichting van de verkeersvoorzieningen wordt volgens de principes van 'duurzaam veilig' ter hand genomen. Dit houdt in dat de wijk tot het 30 km/uurregime gaat behoren. De toename van verkeer op de Tiendweg moet worden beperkt. De veiligheidseisen voor een gelijkvloerse spoorwegovergang, zoals die gehanteerd worden door Prorail, worden ook hier gehanteerd. Bij de realisatie van een gelijkvloerse spoorwegovergang in Broekgraaf mag het veiligheidsregime op het totale traject binnen Leerdam niet verslechteren. De nieuwe woonwijk kent een heldere verkeersstructuur. Dit geldt voor alle modaliteiten: het langzaam verkeer, het gemotoriseerd verkeer en het openbaar vervoer. Voor het gemotoriseerde verkeer is gekozen voor heldere doorlopende hoofdstructuur, die de verschillende woonvlekken verbindt en

45

bestemmingsplan Broekgraaf

bereikbaar maakt. Deze hoofdstructuur is aangesloten op de hoofdwegenstructuur van Leerdam. De fietsroutes kenmerken zich door vrijliggende fietspaden langs de groen- en waterstructuren en directe verbindingen met de bestaande wijk en richting het Europaplein. Het fietspad door de Broekgraafzone vormt een belangrijke recreatieve verbinding vanwaaruit de wijk met de omgeving verbonden wordt. De verkeersstructuur voor het gemotoriseerde verkeer voor Broekgraaf is gebaseerd op het hoofdwegennet c.q. de wegcategorisering van de gemeente Leerdam, vastgesteld door de raad op 10 mei 2007. De ontsluiting van de wijk is direct of indirect gericht op wegen met een verkeersfunctie, de zogeheten gebiedsontsluitingswegen. De betreffende gebiedsontsluitingswegen zijn de Parallelweg en de Tiendweg. In de verkeersstructuur van Leerdam is de spoorwegovergang ter hoogte van de Koenderseweg opgeheven. De primaire ontsluiting van de wijk is gericht op de Parallelweg. Ruim 61% van het verkeer zal de wijk Broekgraaf via deze nieuw te realiseren ontsluiting verlaten of binnenrijden. Om deze ontsluiting aan te laten sluiten op de Parallelweg moet deze laatste weg uitbuigen richting het noorden. De functie van deze weg valt onder de categorie 'wegen met een verkeersfunctie'.

Het snelheidsregime wordt daarom 50 km/uur, waarbij de Parallelweg ter hoogte van het plangebied tot de bebouwde kom gaat behoren. De secundaire ontsluiting van de wijk verloopt via de Populierstraat en is gericht op de Tiendweg. De Tiendweg valt eveneens onder de categorie gebiedsontsluitingsweg, maar kent een duidelijk spanningsveld met de vele uitwisseling van verkeer op deze weg. Ongeveer 30% van het gegenereerde verkeer verloopt via de Populierstraat. De tertiaire ontsluiting gaat over de Koenderseweg naar de Tiendweg. Via deze ontsluiting verloopt ongeveer 9% van de verkeerbewegingen. Alle wegen in het plangebied krijgen een verblijfsfunctie. De maximaal toegestane snelheid in het plangebied wordt 30 km/uur. Dit draagt bij aan het waarborgen van de gewenste leefbaarheid, verblijfskwaliteit en verkeersveiligheid. Verblijven staat hierbij centraal. Het 30 km-regime gaat in bij de entree van de wijk. Verkeersintensiteiten In het kader van het opstellen van dit bestemmingsplan is onderzoek gedaan naar de intensiteiten op het verkeersnet van Leerdam in de huidige situatie, bij een autonome ontwikkeling en bij een ontwikkeling met Broekgraaf. DHV heeft ten behoeve van dat onderzoek een verkeersmodel opgezet.

Uit de modelmatige doorrekening van de verkeerseffecten, die samengevat zijn in onderstaande afbeelding komt naar voren dat de verhouding tussen de capaciteit en de intensiteit op het wegennet van Leerdam goed blijft, ook wanneer de woonwijk in zijn geheel is gerealiseerd. De grootste groei is te verwachten op de Parallelweg vanaf het Recht van Ter Leede en vanaf de Koenderseweg, wat verkeer is dat gebruik maakt van de Geer en door Nieuwland rijdt. De grootste groei op deze wegvakken wordt echter niet veroorzaakt door de ontwikkeling van Broekgraaf, maar door de autonome ontwikkeling.

46

bestemmingsplan Broekgraaf

Risicoanalyse Prorail De gemeente Leerdam wil ten behoeve van Broekgraaf een nieuwe verkeersontsluiting op de Parallelweg realiseren om het verkeer in de toekomst op een adequate manier te kunnen afwikkelen en de Tiendweg niet meer te belasten dan dat deze nu reeds is. Daarnaast is het de wens van de gezamenlijke hulpdiensten om voor Leerdam west een extra verkeersaansluiting te realiseren. Voor deze verkeersaansluiting op de Parallelweg moet het spoor gekruist worden, hetzij via een tunnel, hetzij via een gelijkvloerse spoorwegovergang. Een tunnel is vanuit stedenbouwkundige motieven niet wenselijk gebleken en in financieel opzicht niet haalbaar. In overleg met Prorail is een risicoanalyse ten behoeve van een gelijkvloerse spoorwegovergang uitgevoerd. Daarbij zijn alle veiligheidsaspecten voor het gehele spoortraject binnen Leerdam in beschouwing genomen. Het uitgangspunt is dat de totale veiligheid op en om het spoor binnen Leerdam niet mag verslechteren met een gelijkvloerse spoorwegovergang ter hoogte van Broekgraaf. Uit deze analyse blijkt dat aan deze eis kan worden voldaan als aanvullende maatregelen genomen worden, te weten; het opheffen van de spoorwegovergang ter hoogte van de Koenderseweg en een langzaam verkeerstunnel bij het station in het centrum. Beide zullen worden uitgevoerd.

47

bestemmingsplan Broekgraaf

Verkeersstructuur Hulpdiensten Voor de hulpdiensten geldt dat de route over de Westelijke Parallelweg en de nieuwe ontsluitingsweg een belangrijke aanrijroute zal worden voor Leerdam West. Hiermee wordt een belangrijke wens ingevuld, het realiseren van een tweede aanrijroute voor Leerdam West (en Broekgraaf). Wat betreft de inrichting van de wegen geldt dat bij verkeersmaatregelen op de gebiedsontsluitingswegen, de Tiendweg en de Westelijke Parallelweg, rekening dient te worden gehouden met het belang van de hulpdiensten. Het spanningsveld, met name op de Tiendweg, met de wens tot een verkeersveilige afwikkeling voor alle verkeersdeelnemers is een feit. Openbaar vervoer In de wijk Broekgraaf zal ook de bus gaan halteren. De route wordt nog nader uitgekristalliseerd. Fietsverkeer Voor de fietser wordt voorzien in directe en hoogwaardige fietsroutes voor de korte en middellange

48

bestemmingsplan Broekgraaf

afstanden. Voorbeelden hiervan zijn bestemmingen binnen de wijk, de aansluitende wijken, het station Leerdam, het centrum en het landelijk gebied. De routes in Broekgraaf sluiten aan bij bestaande routes. Mogelijkheden ter verbetering van de bestaande aansluitende routes zullen worden benut. Het uiteindelijke resultaat moet het gebruik van de fiets stimuleren. Bij de afspraken om af te zien van een stationshalte in Broekgraaf heeft Leerdam toegezegd een goede en volwaardige fietsverbinding te realiseren tussen Broekgraaf en het centrum van de stad. In het plangebied is voorzien in fietsverbinding via de Kristallaan door het hart van Broekgraaf en het voorzieningencluster die dan via de Patrimoniumstraat op de bestaande fietsstructuur van de Recht van Ter Leede aansluit ter hoogte van de Stationsstraat. Daarmee komt de fietsverbinding via de Parallelweg te vervallen. De woningen langs de Parallelweg worden voor fietsers en voetgangers bereikbaar gemaakt middels een ondergeschikt en doodlopend fietspad. Daarnaast wordt een via een vrij liggend fietspad over het spoor een nieuwe recreatieve fietsverbinding gerealiseerd die aansluit op de Bruininksdeelse kade, waarmee het fietsverkeer naar het noorden wordt gefaciliteerd. Voetgangersvoorzieningen Ook voor de voetganger is realisatie van directe en hoogwaardige verbindingen voor de korte afstanden wenselijk.

Te denken valt aan verbindingen met de school binnen het plangebied en de overige voorzieningen in Leerdam en met het omringen de landelijk gebied. Parkeren en kencijfers De parkeervoorzieningen in het openbare gebied moeten toereikend zijn. Voorkomen moet worden dat door te weinig parkeervoorzieningen ongewenst parkeergedrag ontstaat. Momenteel heeft de gemeente Leerdam de beleidsnota Parkeernormen opgesteld (13 november 2009), welke hiervoor uitgangspunten geeft. De normen in deze nota worden van toepassing verklaard op Broekgraaf. Wanneer de beleidsregel Parkeren wordt aangepast of vervangen door een nieuwe nota parkeernormen, dan is deze nieuwe beleidsregel van toepassing. Calamiteitenontsluiting en bouwweg In het plan is rekening gehouden met een calamiteitenontsluiting (die tijdelijk als bouwweg kan worden benut) op de Koenderseweg. Voor de realisatie van de wijk zijn tijdelijke bouwwegen nodig. Deels zijn dit wegen die binnen een verkeersbestemming liggen, maar deels liggen deze tijdelijke wegen ook ter plaatse van de bestemming Water of Natuur. Binnen deze bestemmingen worden de tijdelijke wegen toegelaten.

4.8

Bedrijven in de omgeving

De ontwikkeling van het plangebied moet worden afgestemd op de bestaande bedrijven en de daar aan toegekende milieuruimte. Het doel hiervan is om deze bedrijven niet in hun bedrijfsvoering te belemmeren, maar ook om ongewenste milieuhinder bij de woningen te voorkomen. Relevante bedrijven in de omgeving zijn een pluimveehouderij, het dierenasiel en de glasfabriek. De milieuvergunning van een manege gaat uit van een hindercontour van 50 meter. Deze contour valt buiten het voor woningbouw of andere gevoelige objecten te ontwikkelen gebied. Pluimveehouderij De veehouderij ten noorden van het plangebied, heeft aan de noordzijde van het perceel aan de Parallelweg 41 te Leerdam stallen met voornamelijk pluimvee. De vergunde situatie staat 84.400 stuks pluimvee, 123 stuks jongvee, 197 melkkoeien en 30 stuks overig rundvee toe. De veehouderij is daardoor een veroorzaker van geuremissie die rijkt tot in het plangebied. Door de huidige locatie van de veehouderij en de wijziging van de inrichting van Broekgraaf heeft de gemeente Leerdam de geurnorm van uit de geurverordening (2010) aangepast. In 2015 heeft de Omgevingsdienst Brabant Noord (ODBN) geuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Op basis van de uitkomsten

49

bestemmingsplan Broekgraaf

van het geuronderzoek heeft de gemeente Leerdam besloten de geurnorm in het noordelijke deel van het plangebied bij te stellen van 8 en 5 ou/m3 naar 3,5 ou/m3. In het resterende gebied is geen van de wet afwijkende norm vastgesteld. Dit besluit leidde tot een inperking van de vrije ontwikkelingsruimte van de pluimveehouderij. Inmiddels is in oktober 2016 is de geuremissiefactor voor vleeskuikens gewijzigd naar een hogere waarde. Daarom is door de ODBN een herberekening gemaakt, om het effect van de hogere emissiefactor op het plangebied in beeld te brengen. Dit is te lezen in Bijlage 18. Onderstaande afbeelding geeft de resultaten weer van de herberekening. Hierin is te zien dat een deel van het plangebied een hogere geurbelasting heeft dan de afwijkende norm van 3,5 ou/m3. Voor het overige deel van het plangebied wordt voldaan aan de afwijkende norm van 3,5 ou/m3 dan wel 2,0 ou/m3.

Geurcontouren in Broekgraaf

Uit bovenstaande afbeelding blijkt dat in het gebied dat een hogere geurbelasting heeft dan de afwijkende norm van 3,5 ou/m3 , uitsluitend natuur zal worden ontwikkeld en geen geurgevoelige bestemmingen als woningen. Dit Chw bestemmingsplan fungeert tevens als geurverordening: de geurnormen zijn in de regels vastgelegd: Er is een gebied op de verbeelding vastgelegd ('milieuzone - geurzone 1') waarbinnen geen geurgevoelige functies zijn toegestaan. Dit gebied komt globaal overeen met de 3,5 ou-geurcontour. Daaromheen is een gebied aangeduid ('milieuzone - geurzone 2') waarbinnen geurgevoelige functies zijn toegestaan, mits de geurbelasting ter plaatse van de geurgevoelige functies maximaal 3,5 Odeur bedraagt. Dierenasiel Het dierenasiel annex hondentrainingscentrum ligt aan de Koenderseweg (noordwestkant van het plangebied) zuidelijk van het spoor. Voor deze activiteit geldt een hindercontour (geluid) van 100 meter. De geluidcontour wordt opgenomen in het bestemmingsplan. Er wordt een flexibiliteitsbepaling opgenomen, zodat deze contour verwijderd kan worden als de activiteiten ter plaatse gestaakt zijn. Glasfabriek Een beperkt deel van het plangebied ligt binnen de invloedssfeer van de glasfabriek Leerdam. De glasfabriek is een inrichting die in belangrijke mate geluidshinder kan veroorzaken. Om de glasfabriek is daarom een geluidszone vastgesteld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=42ebcf02-edf6-4dbc-84d9-19361a989f8d