CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8. Rapportage AO en AB Noachschool, Kerkweg 3a-181105

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 17 april 2025, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Vaststelling Gewijzigd Bestemmingsplan Uitbreiding Noachschool Schoonrewoerd29.649 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Voorbeelden hiervan zijn bolderik (Agrostemma githago), korenbloem (Centaurea cyanus), uitstaande of spiesmelde (Atriplex patula/ prostrata), melganzenvoet (Chenopodium album), beklierde duizendknoop (Persicaria lapathifolia), herik (Sinapis arvensis), gekroesde melkdistel (Sonchus asper), schapenzuring (Rumex acetosella) en vogelmuur (Stellaria media). De onkruiden kunnen als wiedafval in de kuil zijn beland. Het is ook mogelijk dat een deel van de onkruiden is mee geoogst met de gewassen en daarna als afval in de kuil terecht is gekomen. De grote zaden/ vruchten van bolderik en korenbloem zijn gefragmenteerd aangetroffen in het monster. Dit geeft aan dat deze soorten waarschijnlijk met het graan zijn meegemalen en zo in brood en dergelijke terecht zijn gekomen. De kleine vruchtjes van schapenzuring kunnen in hun geheel in het brood terecht zijn gekomen en zo zijn gegeten. Het zou ook kunnen dat de vruchtjes van deze soort als zeefafval in de kuil zijn beland. Een groot deel van de aangetroffen soorten, zoals uitstaande of spiesmelde, melganzenvoet, beklierde duizendknoop, herik, gekroesde melkdistel en vogelmuur, komt voor op voedselrijke/ stikstofrijke gronden in akkers en moestuinen.76 In deze akkers en moestuinen kan een deel van de aangetroffen cultuurgewassen zijn verbouwd.

Het is ook mogelijk dat deze onkruiden lokaal op voedselrijke/ stikstofrijke locaties in de nabijheid van de kuil hebben gegroeid. 72

http://www.rolv.no. http://www.nederlandsesoorten.nl 74 Weeda et al., 1985: 262 75 Körber-Grohne, 1988, 396-408 76 Weeda et al., 1985: 138, 163, 166, 185; ibid., 1987: 48; ibid., 1991: 175 73

62

Verder komen bolderik, schapenzuring en korenbloem (zie Afbeelding 36) voor op rogge- dan wel graanakkers. Bolderik groeit daarbij vooral op löss en zandige klei, terwijl schapenzuring en korenbloem vooral voorkomen op zandgronden.77 Overigens zijn de zaden van bolderik giftig wanneer ze in grote hoeveelheid gegeten werden. De aanwezigheid van bolderik in het voedsel kan dus mogelijk voor maag- en darmproblemen hebben gezorgd bij de bewoners.

Afbeelding 36. Bolderik en korenbloem komen veel voor op rogge- dan wel graanakkers. Foto’s: BerndH (links) 78 en J.A.A. Bos (rechts).

Naast resten van akkeronkruiden zijn resten aangetroffen van soorten die voorkomen op ruderale en betreden grond, zoals distel (Cirsium/Carduus), grote weegbree (Plantago major) en krulzuring- type (Rumex crispus-type). Deze soorten zullen op de betreden en omgewerkte grond in de nabijheid van de kuil hebben gegroeid. Hier kan ook een grasvegetatie met soorten als scherpe of kruipende boterbloem (Ranunculus acris/repens) en grasmuur (Stellaria graminea) aanwezig zijn geweest. Resten van oeverplanten zijn overwegend aangetroffen in het gewaardeerde monster uit de sloot (Monster nr. 102). Dit betreft onder meer grote waterweegbree (Alisma plantago-aquatica), veerdelig tandzaad (Bidens tripartita), wolfspoot (Lycopus europaeus), watertorkruid (Oenanthe aquatica) en blaartrekkende boterbloem (Ranunculus sceleratus). Deze soorten zullen hebben gegroeid op de natte gronden aan de oevers van de sloot. Dit zijn overwegend soorten van voedselrijke en stikstofrijke gronden.79 Het water in de sloot zal dus waarschijnlijk voedselrijk zijn geweest. Tot slot kwam in deze sloot waterranonkel (Ranunculus subgenus Batrachium) voor. 4.4.2.4 Samenvatting en conclusies Het botanisch onderzoek van de locatie Noachschool te Schoonrewoerd heeft informatie opgeleverd omtrent de teelt van gewassen en de voedseleconomie van de bewoners van het gebied in de Late Middeleeuwen.

Zo kan op basis van de aangetroffen graanzemelen worden geconcludeerd dat er graan werd gegeten, mogelijk als brood. Van de verschillende graansoorten werd in elk geval spelt- of emmertarwe gegeten. Daarnaast suggereren de aangetroffen onkruiden, die kenmerkend zijn voor roggeakkers, dat ook rogge deel uitmaakte van het dieet. Daarnaast hadden de bewoners van het gebied hun beschikking over een breed scala aan fruitsoorten, zoals bosaardbeien, bramen, frambozen, vlierbessen, aalbessen, kersen, appels en/of peren, moerbeien, vijgen en druiven. Deze vruchten kunnen uit het wild zijn verzameld, dan wel bewust in moestuinen of boomgaarden zijn verbouwd. Vijgen en druiven werden waarschijnlijk in gedroogde vorm uit het Mediterrane gebied geïmporteerd.

77

Weeda et al., 1985: 146, 203-4; ibid., 1991: 15 https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Agrostemma_githago_120605.jpg 79 Weeda et al., 1985: 246; ibid., 1988: 176; ibid., 1991: 57, 223 78

63

Naast graan en fruit zijn de cultuurgewassen vertegenwoordigd door zwarte mosterd, maanzaad, hennep en lijnzaad. Deze gewassen kunnen alle vier voor de oliehoudende zaden zijn verbouwd. Daarnaast kunnen zowel hennep als lijnzaad zijn geteeld voor de vezels.

64

5. Waardering Het waarderen van een archeologische vindplaats, in overeenstemming met de KNA 4.0, Deel II, Bijlage IV (Waarderen van vindplaatsen), houdt in dat de kwaliteit van het bodemarchief wordt bepaald. Het vaststellen van de kwaliteit geschiedt op basis van belevingsaspecten, fysieke criteria en inhoudelijke criteria. Bij de eerste stap wordt nagegaan of een vindplaats vanwege belevingswaarde, of op basis van schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig kan worden aangemerkt. Het komt zelden voor dat deze criteria van toepassing zijn. Bij de fysieke waardebepaling van een archeologische vindplaats wordt getoetst op basis van de criteria ‘gaafheid’ en ‘conservering’. Een vindplaats wordt als behoudenswaardig aangemerkt wanneer er sprake is van een totaal van ten minste vijf punten. Bij de laatste stap, op basis van inhoudelijke criteria, wordt de vindplaats gewaardeerd op basis van het wetenschappelijk belang. Deze wetenschappelijke waarde wordt gemeten op basis van de criteria: zeldzaamheid, informatiewaarde, ensemblewaarde en representativiteit. Zo kunnen vindplaatsen, die op basis van de fysieke kwaliteit niet behoudenswaardig worden geacht, toch behoudenswaardig worden bevonden op basis van hun grote inhoudelijke belang. Dit is het geval wanneer er sprake is van een totaal van zeven punten of meer voor wat betreft de inhoudelijke kwaliteit.

Bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering wordt vervolgens nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Indien dat het geval is, dan kan een voorstel worden gedaan voor een als behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie.

Waarden

Criteria

Beleving

Schoonheid Herinneringswaarde Gaafheid Conservering Zeldzaamheid Informatiewaarde Ensemblewaarde Representativiteit

Fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit

Scores Hoog Midden Laag Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord 2 3 3 2 3 3 N.v.t.

Tabel 9. Scoretabel waarderingscriteria.

Waardering op basis van belevingsaspecten Schoonheid: dit belevingsaspect was niet van toepassing, omdat er geen sprake is van een zichtbaar landschapselement. Herinneringswaarde: ook dit belevingsaspect was niet van toepassing. Er is geen sprake van een directe relatie met een historische gebeurtenis en verder speelde de locatie geen rol in een beleving van het landschap of was er geen sprake van een associatie in de overlevering met sagen of legenden. Waardering op basis van fysieke criteria Gaafheid: de gaafheid wordt als middelhoog ingeschat op basis van de volgende parameters: de aanwezigheid van sporen, de ruimtelijke gaafheid, de gaafheid van de sporen, de intacte stratigrafie, mobilia in situ, de ruimtelijke relatie tussen mobilia en sporen en de stabiliteit van de natuurlijke omgeving. 65

De gaafheid van de sporen, alsook van de stratigrafie was binnen delen van het onderzoeksgebied reeds aanzienlijk verminderd door de bouw en de sloop van het oude schoolgebouw en het uitgraven van de bouwput voorafgaand aan het archeologisch onderzoek. Wel kan worden geconcludeerd dat buiten de locatie van het oude schoolgebouw sprake zal zijn geweest van een volledig intacte stratigrafie en sporenniveaus, net zoals dat direct buiten de begrenzing van het onderzoeksgebied nog steeds kan worden verwacht. Conservering: de conserveringskwaliteit wordt hoog geacht. Dit op basis van volgende parameters. De conservering van artefacten van de anorganische vondstcategorieën is goed. Tevens is sprake van goed geconserveerde botresten en paleo-botanische resten. Ook metaal is redelijk goed geconserveerd aangetroffen. Op basis van het aspect fysieke kwaliteit moeten de aangetroffen archeologische resten als behoudenswaardig worden aangemerkt (score 5 punten). Waardering op basis van inhoudelijke criteria Het betreft een archeologische vindplaats waar archeologische resten uit hoofdzakelijk twee in de tijd gescheiden perioden zijn aangetroffen.

Dit betreft een vindplaats uit de Midden Bronstijd (en mogelijk navolgende perioden), waarvan archeologisch vondstmateriaal, waaronder een fragment van een barnstenen kraal, werd aangetroffen in een afgedekt bodemniveau ter plaatse van een restgeul van de Schoonrewoerdse Stroomrug. Mogelijk kunnen enkele kuilen eveneens tot deze vindplaats worden gerekend. De tweede vindplaats betreft een deel van de achtererven van huisplaatsen uit de Late Middeleeuwen, voornamelijk de periode van de 14de/ 15de eeuw, maar ook uit de daaraan voorafgaande periode. De sporen en vondsten bieden enig inzicht in de structuur van de dorpskern van Schoonrewoerd in deze periode en de materiële cultuur van de bewoners. De informatiewaarde van deze vindplaats wordt dan ook als hoog aangemerkt. Voor wat betreft de laatmiddeleeuwse vindplaats, die kenmerkend is voor een achtererf binnen de oude dorpskern uit deze periode, wordt de zeldzaamheidwaarde als middelhoog beschouwd. Voor wat betreft de Prehistorische component binnen het onderzoeksgebied kan de zeldzaamheidswaarde als hoog worden beschouwd. De ensemblewaarde kan eveneens als hoog worden aangemerkt.

Dit vanwege de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen uit dezelfde periode op de Schoonrewoerdse Stroomrug en binnen de dorpskern van Schoonrewoerd, alsook vanwege de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen uit verschillende perioden op de Schoonrewoerdse Stroomrug. Ook op basis van het aspect inhoudelijke kwaliteit moeten de aangetroffen archeologische resten als behoudenswaardig worden aangemerkt (score 9 punten). Zowel op basis van de fysieke alsook de inhoudelijke criteria, zoals vastgelegd in de KNA 4.0, Deel II, Bijlage IV (Waarderen van vindplaatsen), is sprake van een als behoudenswaardig aan te merken archeologische vindplaats.

66

6. Samenvatting, conclusies en aanbevelingen 6.1 Samenvatting en conclusies Het archeologisch onderzoek moest worden uitgevoerd in het kader van de vergunningprocedure voor de bouw van het nieuwe schoolgebouw van de Noachschool, ter plaatse van de Kerkweg 3a te Schoonrewoerd (Gemeente Leerdam). De oppervlakte van het plangebied bedroeg circa 0.4 hectare, de oppervlakte van het onderzoeksgebied bedroeg circa 0.11 hectare. Ter plaatse van het onderzoeksgebied wordt een nieuw schoolgebouw gerealiseerd, waarvoor reeds voorafgaand aan het archeologisch onderzoek een bouwput was uitgegraven. Ter plaatse van deze bouwput diende een Archeologische Opgraving te worden uitgevoerd van het aanwezige archeologische vlak. In een tweede stadium diende, na het boren van funderingspalen, ter plaatse van de bouwput een Archeologische Opgraving plaats te vinden van aanwezige diepere niveaus. Daarnaast diende er een Archeologische Begeleiding plaats te vinden bij het uitgraven van een sleuf voor de aanleg van nieuwe riolering ten zuiden van de bouwput. Op de kaart van het vigerende (paraplu) ‘Bestemmingsplan Schoonrewoerd Dorp' 80 wordt ter plaatse van het plangebied een zone weergegeven met een dubbelbestemming, 'Waarde - Archeologie 1'.

Voor een dergelijke zone geldt op basis van artikel 16 van de bestemmingsplanregels een archeologische onderzoeksverplichting wanneer daar in het kader van de aanvraag voor een omgevingsvergunning bodemverstoringen worden voorzien met een oppervlakte van meer dan 30 m² en met een diepte van meer dan 0.3 meter beneden het maaiveld.81 In het kader van de bestemmingsplanwijziging moest dan ook eerst een Archeologisch Bureauonderzoek en een archeologisch booronderzoek (IVO-Overig) worden uitgevoerd. Dit onderzoek is in 2016, pas na afloop van het uitgraven van de bouwput, uitgevoerd door Transect.82 Op basis van de onderzoeksresultaten werd geconcludeerd dat er ter plaatse van het plangebied sprake was van een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode van het Neolithicum t/m de Late Middeleeuwen en is geadviseerd om een vervolgonderzoek te doen uitvoeren, door middel van een Archeologische Begeleiding (AB). Dit advies is gedeeltelijk overgenomen door de Gemeente Leerdam. De archeologisch adviseur van de Gemeente Leerdam, mevrouw C. Cohen Stuart, heeft besloten dat een volledige Archeologische Opgraving van de resterende archeologische resten binnen de bouwput diende te worden uitgevoerd. Bij de graafwerkzaamheden voor de aanleg van riolering buiten de bouwput diende een Archeologische Begeleiding te worden uitgevoerd.

Vervolgens is door Terra Archeologie een Programma van Eisen voor de Archeologische Opgraving opgesteld, dat door de Gemeente Leerdam is goedgekeurd en vastgesteld. 83 Op basis van de offerte van SOB Research (d.d. 19 juli 2016) heeft Lakerveld ingenieurs- & architectuurbureau BV op 20 juli 2016 aan SOB Research opdracht verleend om het archeologisch onderzoek uit te voeren. In eerste instantie is het onderzoek voorbereid. Vervolgens is op 1 t/m 4 augustus 2016 de eerste fase van het veldonderzoek voor de Archeologische Opgraving uitgevoerd. De tweede fase van het veldonderzoek voor de Archeologische Opgraving werd uitgevoerd op 13, 14 en 17 t/m 19 oktober 2016. Het veldonderzoek voor de Archeologische Begeleiding werd ten slotte uitgevoerd op 24 en 25 oktober 2016. De onderzoeksresultaten, de daaraan verbonden conclusies en het daarop gebaseerde advies, zijn uitgewerkt in het nu voorliggende eindrapport. 80

Dit bestemmingsplan is door de Gemeente Leerdam definitief vastgesteld op 18 mei 2015. Deze dubbelbestemming en de daarbij behorende bestemmingsplanregels zijn gebaseerd op het gemeentelijke archeologiebeleid van Leerdam. 82 Kerkhoven, 2016 83 Van der Feest, 2016 81

67

Ter plaatse van het plangebied werd bij het onderzoek de aanwezigheid van de Schoonrewoerdse Stroomrug vastgesteld. Ter plaatse van een groot deel van het plangebied werden geulafzettingen aangetroffen. Ter plaatse van het zuidelijke deel van het plangebied lijkt de overgang naar het komgebied te zijn gelegen. Ter plaatse van het noordelijke deel van het plangebied werd de aanwezigheid van een voormalige restgeul van deze stroomrug vastgesteld, die het plangebied van oost naar west doorkruiste. Tijdens de Archeologische Opgraving werd de reeds uitgegraven bouwput voor de nieuwe school alsnog nader onderzocht. Zowel het uitgraven van de bouwput, als de bouw- en sloopwerkzaamheden voor het voormalige schoolgebouw, hebben geleid tot de nodige bodemverstoringen. Hierdoor was met name ter plaatse van het zuidelijke deel van de bouwput de bodemopbouw verstoord tot in de beddingafzettingen en waren antropogene cultuurlagen en de top van de natuurlijke afzettingen al niet meer aanwezig. Ter plaatse van het noordelijke deel van de bouwput was sprake van een vergelijkbare situatie. Alleen was daar door de aanwezigheid van een dieper gelegen restgeul nog een oorspronkelijk afgedekt vegetatieniveau deels bewaard gebleven. Tijdens de opgraving bleek dat ook de wat diepere kuilen, sloten en greppels uit latere perioden nog voor een deel aanwezig te zijn beneden de bodem van de bouwput.

Uiteindelijk zijn bij de opgraving en de begeleiding uit twee in de tijd gescheiden perioden 53 archeologische sporen en lagen en een hoeveelheid vondstmateriaal aangetroffen. Het vegetatieniveau (oud maaiveld) ter plaatse van de restgeul bleek op basis van de datering van een aantal aardewerkfragmenten en een C14-datering van houtskool uit een houtskoolconcentratie uit de Midden Bronstijd B te dateren. In dezelfde laag werd ook een fragment van een barnstenen kraal aangetroffen. In elk geval gedurende de Midden Bronstijd B moeten ter plaatse van het onderzoeksgebied en de nabije omgeving mensen hebben gewoond, of voor bepaalde activiteiten gedurende korte dan wel langere periodes aanwezig zijn geweest. Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat een deel van de aangetroffen aardewerkfragmenten uit een wat latere periode dateert, uit de Late Bronstijd of de IJzertijd. Het is mogelijk dat enkele ongedateerde kuilen met een afwijkende vulling, waarvan een hogere ouderdom wordt vermoed dan de laatmiddeleeuwse fase uit de 14de/ 15de eeuw, tot deze periode behoren. Vindplaatsen uit de periode van de Midden Bronstijd zijn op de Schoonrewoerdse Stroomrug nog niet vaak aangetroffen. Al is uit diverse onderzoeken wel bekend dat op deze stroomrug vindplaatsen uit het Neolithicum en de Bronstijd (en later) aanwezig zijn.

Bij de opgravingen te Molenaarsgraaf, Ottoland en Brandwijk in de Alblasserwaard zijn met name ter plaatse van het westelijke deel van de Schoonrewoerdse Stroomrug vindplaatsen uit het Neolithicum en de Vroege Bronstijd aangetroffen Vindplaatsen uit de Midden- en Late Bronstijd zijn in de omgeving met name bekend van de Zijderveldse stroomrug. Een bekende vindplaats uit de Midden Bronstijd is bijvoorbeeld opgegraven te Zijderveld en is gelegen op de Zijderveldse stroomrug. De bewoning binnen de aangetroffen nederzettingsfasen te Zijderveld werd daar hoofdzakelijk gedateerd in de periode van de Midden Bronstijd B met behulp van C14-dateringen. 84 Ook dichterbij het huidige onderzoeksgebied, in de Polder Boeicop, is één vindplaats met vondsten uit de Midden Bronstijd (en IJzertijd) bekend (ArchisMonument nr. 6764). In de loop van de Late Bronstijd lijken veel nederzettingsterrein te zijn verlaten en neemt het aantal vindplaatsen sterk af.85 Sporen van een tweede bewoningsfase dateren uit de Late Middeleeuwen.

De vroegste sporen en vondsten vormen de weerslag van een huisplaats uit de periode van de 11de/ 12de eeuw, de vroegste periode in de geschiedenis van het dorp Schoonrewoerd, dat volgens historische bronnen door Jan van Arkel is gesticht in 1023.86 Het gaat om een niet geheel doorlopende greppel, met daarin een enkel fragment kogelpotaardewerk en wat verspoeld vondstmateriaal uit een grindsnoertje. Mogelijkerwijs behoren ook enkele van de ongedateerde kuilen tot deze fase.

84

Arnoldussen & Fokkens, 2008: 115 Boshoven, e.a., 2009: 46 86 Boshoven, e.a., 2009: 89 85

68

Het is onduidelijk waartoe de sporen behoren. Het kan gaan om de omgreppeling van een erf, of van een gebouw, al zou in het laatste geval sprake moeten zijn van meer vondstmateriaal en van meer dateerbare sporen. Mogelijk is het onderzoeksgebied gelegen ter plaatse van de randzone van een erf uit deze vroege periode. Verreweg de meeste sporen en vondsten zijn echter gerelateerd aan een bewoningsfase uit de 14de/ 15de eeuw. Op basis van oude kaarten kan worden geconcludeerd dat de locatie van het onderzoeksgebied is gelegen ter plaatse van het meest zuidoostelijke deel van de binnen het landschap met copeontginningen, door sloten omgeven en begrensde, oude bewoningskern/ dorpsterp van Schoonrewoerd (zie Afbeelding 18). Het lineaire element Schaikseweg/ Dorpsstraat en Overheicop vormden daarbij de ontginningsassen. Het is zeer waarschijnlijk dat de aangetroffen sporen het achtererf betreffen van vermoedelijk twee te onderscheiden huisplaatsen, waarvan de feitelijke bebouwing meer in de richting van de Dorpsstraat moet worden gezocht. De aard van de sporen, waaronder sloten, afval- en/of beerkuilen en mogelijke rootkuilen behoren tot de typische sporen die men meer op het achtererf op enige afstand van de bebouwing kon verwachten, vanwege stankoverlast en ongedierte. Daarnaast kan de nabijheid van water in de oostelijke, nu nog bestaande watergang een rol hebben gespeeld.

In het vondstcomplex ontbreekt vondstmateriaal uit de 13de eeuw en het begin van de 14de eeuw. Het aardewerk betreft vooral veel grijsbakkend aardewerk en steengoed uit Siegburg. Kenmerkend aardewerk uit de tweede helft van de 15de eeuw en latere perioden ontbreekt ook. Een datering in de loop van de 14de eeuw en het begin van de 15de eeuw van deze vindplaats is daarom waarschijnlijk. Waarom binnen het onderzoeksgebied specifiek sporen uit deze periode aanwezig waren, zou voor een deel kunnen samenhangen met de functie van de sporen en het opgeven daarvan. Daarnaast is al bij eerder onderzoek naar een woonheuvel aangetoond dat in Schoonrewoerd met name in de 15de en 16de eeuw aanmerkelijke ophogingen hebben plaatsvonden, vermoedelijk als een reactie op wateroverlast. 87 Het kan daarom zijn dat men zich tijdens deze periode iets hogerop heeft teruggetrokken, waardoor de begrenzing tot waar men activiteiten op het achtererf uitvoerde iets meer westwaarts kwam te liggen. Uit opvolgende perioden is ter plaatse van het onderzoeksgebied eigenlijk alleen nog wat vondstmateriaal aangetroffen, dat afkomstig is uit de bouwvoor langs de oeverzone van de nu nog aanwezige en inmiddels wat versmalde, oude watergang, langs de oostelijke begrenzing van het onderzoeksgebied.

De bouw van het voormalige schoolgebouw, de recente sloop daarvan en de aanleg van de bouwput voor het nieuwe schoolgebouw, hebben geleid tot een aanzienlijke verstoring van de hier aanwezige archeologische resten. Buiten de contour van deze verstoring kan de bodemopbouw met sporenniveaus als intact worden beschouwd.

6.2 Aanbevelingen Zowel op basis van de fysieke alsook de inhoudelijke criteria, zoals vastgelegd in het Deelproces Waarderen van de KNA 4.0, Bijlage IV, is sprake van een als behoudenswaardig aan te merken archeologische vindplaats. Ter plaatse van het plangebied werd de reeds uitgegraven bouwput onderzocht. Het grootste deel van de binnen deze bouwput nog aanwezige archeologische resten zijn daarbij gedocumenteerd en ex situ veiliggesteld. De aanwezige restgeul en sloten zijn niet volledig opgegraven en zijn onder het nieuwe schoolgebouw deels bewaard gebleven. Buiten de contour van de bouwput en de contouren van leidingsleuven moet rekening worden gehouden met een intacte situatie, waar de bodemopbouw met sporenniveaus onverstoord aanwezig is.

87

Van der Mark, Bergman & van de Venne, 2012: 35 69

Het bodemniveau uit de Bronstijd (/IJzertijd) met bijbehorende vondsten en mogelijke sporen kon bij het onderzoek niet worden begrensd. Het loopt in ieder geval ten westen, noorden en oosten door tot buiten de gegraven bouwput. Er kon niet worden vastgesteld of deze niveaus ook nog ten zuiden van het onderzoeksgebied aanwezig zijn. De laatmiddeleeuwse vindplaats lijkt zich hoofdzakelijk voort te zetten in westelijke, noordelijke en zuidelijke richting. De oostgrens lijkt te worden gevormd door de aanwezige noord-zuid verlopende watergang aan de oostzijde van het plangebied. Vanwege de binnen het plangebied vastgestelde behoudenswaardige archeologische vindplaatsen wordt geadviseerd om bij toekomstige graafwerkzaamheden binnen het plangebied en de omgeving daarvan altijd nader archeologisch onderzoek te doen verrichten. Buiten de zone van de bouwput kunnen archeologische resten al direct beneden de aanwezige bouwvoor worden verwacht, vanaf een diepte van 0.25 meter beneden het maaiveld. Gezien de aard van de hier aangetroffen archeologische resten (geen dikke vondst- of leeflagen verspreide sporen, zones met bepekte vondstdichtheid) wordt ook geadviseerd om bij vervolgonderzoek te allen tijde te kiezen voor een vorm van gravend onderzoek.

70

Literatuur -

Asch, N.: Waardering archeobotanische monsters Schoonrewoerd, Noachschool. ADC-rapport 4301; ADC, Amersfoort: 2017 (a)

-

Asch, N.: Archeobotanie Schoonrewoerd, Noachschool. ADC-rapport 4359; ADC, Amersfoort: 2017 (b)

-

Bakels, C. C.: De cultuurgewassen van de Nederlandse Prehistorie, 5400 v. C. - 12 v. C. In: A. C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders van het Neolithicum tot 1500 AD; Wageningen: 1997, 15-24.

-

Bakels, C.C., The Western European Loess Belt. Agrarian History, 5300 BC - AD 1000; Springer: 2009

-

Bartels, M.: Steden in scherven. Vondsten uit beerputten in Deventer, Dordrecht, Nijmegen en Tiel (1250 - 1900); SPA Uitgevers, Zwolle: 2011

-

Beijerinck, W.: Zadenatlas der Nederlandsche Flora; Wageningen: 1947

-

Beug, H. J., 2004: Leitfaden der Pollenbestimmung für Mitteleuropa und angrenzende Gebiete; München: 1947

-

Bocheński, Z. M. & T. Tomek: A key for the identification of domestic bird bones in Europe: Preliminary determination; Institute of Systematics and Evolution of Animals, Kraków/ Polish Academy of Sciences: 2009

-

Boer, P. C. de: Alblasserdam, Lange Steeg. In de voetsporen van heren (en) boeren. ADCrapport 519; ADC, Amersfoort: 2006

-

Boshoven, E. H. e.a.: Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart. BAAC-rapport V-08.0185; BAAC bv, ’sHertogenbosch: 2009

-

Brinkhuizen, D. C.: Ichthyo-archeologisch onderzoek: methoden en toepassing aan de hand van Romeins vismateriaal uit Velsen (Nederland); Ph.D. University of Groningen: 1989

-

Burema, L.: De voeding in Nederland van de middeleeuwen tot de twintigste eeuw; Assen: 1953

-

Cappers, R. T. J., R. M. Bekker & J. E. A. Jans,: Digitale zadenatlas van Nederland (Groningen Archaeological Studies 4); Eelde: 2006

-

Clason, A. T.: Some remarks on the use and presentation of archaeozoological data, Helinium, 12, p. 139-153; 1972

-

Cohen, A. & D. Serjeantson: A manual for the identification of bird bones from archaeological sites. 2nd edition; Archetype publications, London: 1996

-

Dodoens, R.: Cruydeboeck. Antwerpen; 1554 (http://leesmaar.nl/cruijdeboeck).

-

Driesch, A. von den: A guide to the measurement of animal bones from archaeological sites; Peabody Museum Bulletin 1, Harvard University: 1976 71

-

Driesch, A. von den, & J. Boessneck: Kritische Anmerkungen zur Widerristhöhenberechnung aus Längenmaßen vor- und frühgeschichtlicher Tierknochen, Säugetierkundliche Mitteilungen, 22, p. 325-348: 1974

-

Faegri, K. & J. Iversen: Textbook of pollen analysis. Fourth edition; Chichester: 1989

-

Feest, N. J. W. van der: Programma van Eisen Kerkweg 3a, Schoonrewoerd; Terra Archeologie, Culemborg: 2016

-

Haaster, H. van: De introductie van cultuurgewassen in de Nederlanden tijdens de Middeleeuwen. In: A.C. Zeven (red.), De introductie van onze cultuurplanten en hun begeleiders, van het Neolithicum tot 1500 AD. Wageningen: 1997, 53-104

-

Haaster, H. van: Archeobotanisch onderzoek aan een vroeg-middeleeuwse vlasverwerkende nederzetting bij Oosterhout. (Gld). BIAXiaal 262; BIAX consult, Zaandam: 2006

-

Haaster, H. van: Archeobotanisch onderzoek aan een grachtvulling en een beerput op het terrein van het kapittel van St. Plechelmus in Oldenzaal (10e-15e eeuw). BIAXiaal 259. BIAX Consult, Zaandam: 2006

-

Haaster, H. van,: Archeobotanica uit 's-Hertogenbosch. Milieuomstandigheden, bewoningsgeschiedenis en economische ontwikkelingen in en rond een (post)middeleeuwse groeistad; Barkhuis & Groningen University Library, Groningen: 2008

-

Habermehl, K.-H.: Die Altersbestimmung bei Haus- und Labortieren, 2. Auflage; Parey, Berlin/ Hamburg: 1975

-

Hambleton, E.: Animal husbandry regimes in Iron Age Britain; BAR British Series 282: 1999

-

Henderikx, P. A.: De beneden-delta van Rijn en Maas. Landschap en bewoning van de Romeinse Tijd tot ca. 1000. Hollandse Studiën 19; Historische Uitgeverij Verloren, Hilversum: 1987

-

Hesse, B. & P. Wapnish: Animal Bone Archeology, from Objectives to Analysis (=Manuals on Archeology 5); Taraxacum, Washington: 1985

-

Jones, G.: Tooth eruption and wear observed in live sheep from Butser Hill, the Cotswold Farm Park and Five Farms in the Pentland Hills, UK, in: D. Ruscillo, ed., Recent advances in ageing and sexing animal bones, p. 155-78; Oxbow Books, Oxford: 2006

-

Kalkman, C.: Planten voor dagelijks gebruik. Zeist: 2003

-

Kerkhoven, A. A.: Kerkweg 3A, Schoonrewoerd (gemeente Leerdam). Een archeologisch bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende en karterende fase. Transect-rapport 937; Transect, Utrecht: 2016

-

Knippenberg, S.: IJzertijdbewoning langs de Wethouder Schoutenweg. Een Inventariserend Archeologisch Proefsleuvenonderzoek in het plangebied Pavijen V, gemeente Culemborg. Archol-rapport 294; Archol, Leiden: 2015

-

Knörzer, K-H., R. Gerlach, J. Meurers-Balke, A.J. Kalis, U. Tegtmeier, W.D. Becker en A. Jürgens: Archäobotanik im Rheinland: Agrarlandschaft und Nutzpflanzen im Wandel der Zeiten. Materialien zur Bodendenkmalpflege im Rheinland 10; Rheinland-Verlag, Keulen:1999 72

-

Körber-Grohne, U.: Stuttgart: 1994

Nutzpflanzen in

Deutschland. Kulturgeschichte und Biologie;

-

Kubasiewicz, M.: Über die Methodik der Forschung bei Tierausgrabungsknochen, Materialy Zachodnio-Pomorskie, 2, p. 235-44: 1956

-

Lauwerier, R. C. G. M.: Animals in Roman times in the Dutch eastern river area (Nederlandse Oudheden 12); ROB, Amersfoort: 1988

-

Lepiksaar, J.: Introduction to osteology of fishes for paleozoologists; unpublished: 1994

-

Mark, R. van der, W. A. Bergman & A. C. van de Venne: Schoonrewoerd, Overheicop. Archeologisch onderzoek naar een middeleeuwse woonheuvel en mogelijk vlasakker. BAACrapport A-10.0288; BAAC, ‘s-Hertogenbosch: 2012

-

May, E., M. Teichert, & K. Hanneman: Allometric aspects to the determination of the withers height in pigs on the basis of the data of M. Teichert, ArchaeoZoologia, 8(1/2), p. 125-39: 1996

-

Meijden, R. van der: Heukels’ Flora van Nederland. Groningen/ Houten: 2005

-

Moore, P. D., J. A. Webb & M. E. Collinson: Pollen Analysis. Oxford: 1991

-

Morales, A. & K. Rosenlund: Fish bones measurements; Steenstrupia, Copenhagen: 1979

-

Nickel, R., A. Schummer & E. Seiferle: Lehrbuch der Anatomie der Haustiere: Band 1 Bewegungsapparat, 8th ed.; Parey, Stuttgart: 2004

-

Prummel, W.: Environment and stock-raising in Dutch settlements of the Bronze Age and Middle Ages. Palaeohistoria, 21, p. 91-107: 1979

-

Prummel, W. & H.-J. Frisch: A guide for the distinction of spieces, sex and body side in bones of sheep and goat, Journal of Archaeological Science, 13, p. 567-577; London: 1986

-

Punt, W. et al.: The Northwest European Pollen Flora. Vol I (1976); vol II (1980); vol III (1981); vol IV (1984); vol V (1988); vol VI (1991); vol VII (1995); vol VIII (2003); Amsterdam: 1976-2003

-

Radu, V.: Atlas for the identification of bony fish bones from archaeological sites; Editura Contrast, Bucuresti: 2005

-

Renfrew, C. & P. Bahn: Archaeology, Theories, Methods and Practice; Thames and Hudson, London: 1991

-

Renfrew, C. & P. Bahn: Archaeology, Theories, Methods and Practice. 2nd ed; Thames and Hudson, London: 1996

-

Schmid, E.: Atlas of animal bones for prehistorians, archaeologists and quaternary geologists; Amsterdam u. a.: 1972

-

Serjeantson, D.: The animal bones, in: S. Needham & T. Spence eds., Refuse and disposal at area 16 east, Runnymede (=Runnymede Bridge Research Excavations, Volume 2), p. 194223); British Museum Press, London: 1996

73

-

Tamis, W. L. M., R. van der Meijden, J. Runhaar, R. M. Bekker, W. A. Ozinga, B. Odé & Hoste: Standaardlijst van de Nederlandse flora 2003. Gorteria 30(4/5); 2004

-

Teichert, M.: Osteometrische Untersuchungen zur Berechnung der Wiederristhöhe bei vor- und frühgeschichtlichen Schweinen, Kühn Archiv, 83, p. 237-292: 1996

-

Teichert, M.: Osteometrische Untersuchungen zur Berechnung der Widerristhöhe bei Schafen, in: A. T. Clason ed., Archaeozoological studies, p. 51-69; North-Holland/American Elsevier, Amsterdam: 1975

-

Theunissen, L.: Midden-bronstijdsamenlevingen in het zuiden van de Lage Landen. Een evaluatie van het begrip ‘Hilversum-cultuur’; Leiden: 1999

-

Tomek, T. & Z. M. Bocheński: A key for the identification of domestic bird bones in Europe: Galliformes and Columbiformes; Institute of Systematics and Evolution of Animals, Kraków/ Polish Academy of Sciences: 2009

-

Tump, M.: Zederik. Ameide, Peperstraat. Opgraving en archeologische begeleiding. BAACrapport A-09.0295; BAAC bv, ’s-Hertogenbosch: 2012

-

Uerpmann, H.-P.: Tierknochenfunde und Wirtschaftsarchäologie: Eine kritische Studie der Methoden der Osteo-Archäologie, Archäologische Informationen, 1, p. 9-27: 1972

-

Wahl, J.: Beobachtungen zur Verbrennung menschlicher Leichname: Über Vergleichbarkeit moderner Kremationen mit prähistorischen Leichenbränden, Archäologisches Korrespondenzblatt, 11, p. 271-279: 1981

-

Weeda, E. J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra,: Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 1; Deventer: 1985.

-

Weeda, E. J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra: Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 2. Deventer: 1987

-

Weeda, E. J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra: Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties 3. Deventer: 1988

-

Weeda, E. J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra: Nederlandse oecologische planten en hun relaties 4. Deventer: 1991

flora.

Wilde

-

Weeda, E. J., R. Westra, Ch. Westra & T. Westra: Nederlandse oecologische planten en hun relaties 5. Deventer: 1994

flora.

Wilde

-

Zeder, M. A. & S. E. Pilaar: Assessing the reliability of criteria used to identify mandibles and mandibular teeth in sheep, Ovis, and goats, Capra, Journal of Archaeological Science 37, p. 225-242: 2010

74

I.

Verklarende woordenlijst antropogeen

door menselijk handelen

C14 datering

bepaling van het gehalte aan radioactieve koolstof (C14) van organisch materiaal (hout, houtskool, schelpen, etc.) waaruit de ouderdom kan worden afgeleid. Deze ouderdom wordt opgegeven in jaren voor 1950 A.D.

dekzand

fijn zand, voornamelijk afgezet door wind

differentiële klink

verschijnsel waarbij zones door geologische of fysische processen laag of hoog ten opzichte van elkaar komen te liggen; ook wel omgekeerde klink of reliëfinversie genoemd

dy

organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken

erosie

verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door de inwerking van wind, ijs of stromend water

estuarium

een min of meer trechtervormige monding van een rivier, die binnen het bereik van getijdestromingen ligt

eutroof veen

veen dat is ontstaan in een voedselrijk milieu

fluviatiel

onder invloed van een rivier

geul

rivier- of kreekbedding

gyttja

organische afzetting, bestaande uit fijn verdeelde afgestorven plantenresten, in stilstaand water bezonken

Hollandveen

Alle veenpakketten die gedurende het Holoceen zijn ontstaan met uitzondering van het basisveen. De definitie van ‘Hollandveen’ betreft dus in feite bijna alle veenpakketten die gedurende de afgelopen 8.000 jaar zijn ontstaan

Holoceen

jongste geologisch tijdvak (vanaf de laatste IJstijd: circa 10.000 jaar voor Chr. tot heden)

in situ

bewaard gebleven binnen de oorspronkelijke context/ locatie; dit met name met betrekking tot onverstoorde archeologische sporen en vondsten

klink

maaivelddaling van veen- en kleigronden door ontwatering, oxidatie van organisch materiaal en krimp

lagunair, lagune

ondiepe baai, beschermd tegen open zee door een strandwal of haf

marien

het milieu waar sedimentatie plaatsvindt die direct wordt beïnvloed door de zee

meanderen

zich bochtig door het landschap slingeren (van waterlopen)

75

mesotroof veen

veen, dat in matig voedselrijk milieu is ontstaan

modderklei

afzettingen in het perimariene gebied, bestaande uit kleiige venen en venige kleien moernering veenafgraving, hoofdzakelijk ten behoeve van zoutwinning en de winning van brandstof (turf)

oligotroof veen

veen dat is ontstaan in voedselarm, relatief droog milieu

oxidatie

(traag) verbrandingsproces van organisch materiaal in reactie met zuurstof

perimarien

het milieu, waarin de sedimentatie wordt beïnvloed door de zee (via het rivieren kreekstelsel), maar waar mariene afzettingen van betekenis ontbreken

Pleistoceen

geologisch tijdperk dat ongeveer 2.6 miljoen jaar geleden begon. De tijd van de IJstijden, maar ook van gematigd warme perioden. Het Pleistoceen eindigde met het begin van het Holoceen

pollenanalyse

statistische studie van stuifmeelkorrels en sporen, die in sedimenten gevonden worden. Doel is onder meer milieureconstructie

regressiefase

periode waarin het water zich terugtrekt (als gevolg van een daling van de zeespiegel, of als gevolg van sluiting van strandwallencomplex) na een transgressiefase

sediment

afzetting gevormd door bezinksel of neerslag

sondeerijzer

lange, dunne metalen 'prikstok', die onder meer wordt gebruikt om antropogene sporen te op te sporen

stroomrug

restant van een door zand- en klei-afzettingen verlandde, oude stroomgeul. Door differentiële klink meestal hoger gelegen dan de omgeving

transgressiefase

fase waarin de invloed van de zee zich landinwaarts uitbreidt (als gevolg van stijging van de zeespiegel of als gevolg van erosie van het strandwallencomplex)

verlandingsklei

klei die aan het einde van een transgressiefase wordt afgezet

76

Bijlage 1 Administratieve gegevens Projectnaam:

SOB Research Project nr.: Opdrachtgever:

Uitvoerder archeologisch onderzoek:

Archeologische Opgraving en Archeologische Begeleiding 'Plangebied Noachschool’, Kerkweg 3a, Schoonrewoerd, Gemeente Leerdam 2434-1607 Lakerveld BV Contactpersoon: de heer J. Kamp Noordzijde 95, 4225 PL Noordeloos Tel.: 0183 - 582600 E-mail: J.Kamp@lakerveld-noordeloos.nl SOB Research, Instituut voor Archeologisch en Aardkundig Onderzoek BV Hofweg 13, Heinenoord Postbus 5060, 3274 ZK Heinenoord Contactpersoon: de heer J. E. van den Bosch (Directeur) Tel.: 0186 - 604432/ 0575 - 476439 E-mail: j.e.vandenbosch@sobresearch.nl

Bevoegde overheid:

Archeologisch adviseur van de bevoegde overheid:

Datum opdracht: Uitvoering veldonderzoek: Datum Evaluatierapport: Datum conceptrapport: Datum definitief rapport: Provincie: Gemeente: Plaats: Toponiem: Huidig grondgebruik: Toekomstige situatie: Kaartblad: Geologie: Geomorfologie: Bodem: NAP-hoogte maaiveld: Oppervlakte plangebied:

Projectcoördinatie: De heer G. M. H. Benerink, Senior KNA Archeoloog Tel.: 06 - 10011788 E-mail: g.m.h.benerink@sobresearch.nl Gemeente Leerdam Dokter Reilinghplein 1, 4141 DA Leerdam Contactpersoon: de heer M. Verspuij Terra Archeologie Contactpersoon: mevrouw drs. C. Cohen Stuart Lindeboom 45 4101 WG Culemborg Tel.: 06 - 45059916 E-mail: info@terra-archeologie.nl 20 juli 2016 13 t/m 25 oktober 2016 30 november 2016 12 juni 2017 5 november 2018 Zuid Holland Leerdam Schoonrewoerd Kerkweg 3a Bouwput; braakliggend Schoolgebouw 38H Afzettingen van Gorkum; Schoonrewoerdse stroomrug Rivier-inversierug; Terp of hoogwatervluchtplaats Terp; Kalkloze poldervaaggrond Circa 1.1 - 1.5 meter +NAP. Circa 0.4 hectare. 77

Oppervlakte onderzoeksgebied: CMA/ AMK-status: CAA -nr.: CMA -nr.: ARCHIS3-Monument nr.: ARCHIS3-Waarneming nr.: ARCHIS3-Onderzoeksmelding nr.: Deponering:

Circa 0.2 hectare. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. 4009138100 Depothouder: het College van Gedeputeerde Staten van de Provincie ZuidHolland, namens deze het bureauhoofd van Bureau CVT Postbus 90602, 2509 LP Den Haag Contactpersoon voor de selectie/ de-selectie van vondstmateriaal: De Provinciaal Archeoloog van de Provincie Zuid-Holland, de heer R. H. P. Proos Postbus 90602, 2509 LP Den Haag Tel.: 070 - 4418445 Mob.: 06 - 18309889 E-mail: archeologie@pzh.nl

Deponering digitale documentatie:

Deponering vondstmateriaal: Provinciaal Archeologisch Depot Zuid-Holland Kalkovenweg 23, 2401 LJ Alphen aan den Rijn Sepotbeheerder: de heer M. Phlippeau E-mail: archeologischdepot@pzh.nl e-depot (http://www.edna.nl)

78

Bijlage 2 Archeologische en geologische tijdschaal

In dit overzicht zijn de geologische en archeologische hoofdperioden weergegeven. De dateringen in de middenkolom (voor en na Chr.) zijn gekalibreerd en bieden de betrouwbaarste dateringen. Bron: RCE, 2014. 79

80

Bijlage 3 Sporenlijst SPORENLIJST Spoor Put Vlak Profiel/coupe Interpretatie nr. 1 1 1 kuil

KUIL

2

1

1

kuil

KUIL

3

1

1

greppel

GREPPEL

4

1

1

cultuurlaag

CULTLAAG naar het ZO toe minder bruin, meer natuurlijk

5 6 7 8 9 10 11 12 13 14

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

CULTLAAG GRONDSPR +/- rond GRONDSPR +/- rond GRONDSPR +/- rond GRONDSPR +/- rond GRONDSPR +/- rond GRONDSPR +/- rond GRONDSPR +/- rond GRONDSPR +/- rond LAAG Mogelijk deel van greppel S3

15 16 17 18 19 20 21 22

1 1 1 1 1 1 1 1

1 1 1 1 1 1 1 1

23

1

1

24

1

1

cultuurlaag bioturbatie bioturbatie bioturbatie bioturbatie bioturbatie bioturbatie bioturbatie bioturbatie lokale verkleuring in bocht spoor paalkuil paalkuil paalkuil paalkuil paalkuil zandige vlek natuurlijk laag oeverlaag/cultuurlaag ME oeverlaag/cultuurlaag NT greppel

25 26

1 1

1 1

cultuurlaag cultuurlaag

CULTLAAG als S4, maar met reductie CULTLAAG

27 28 29 30 31 32 33 34

1 1 1 1 1 1 1 1

1 1 1 1 1 1 1 2

sloot sloot sloot natuurlijke laag natuurlijke laag natuurlijke laag natuurlijke laag kuil

GREPPEL GREPPEL GREPPEL LAAG LAAG LAAG LAAG KUIL

35

1

2

kuil

KUIL

2

Type

PAALGAT PAALGAT PAALGAT PAALGAT PAALGAT LAAG LAAG GREPPEL

Omschrijving

rechthoekig met afgeronde hoeken, 14B-15A fosfaatbandje omringt het spoor rechthoekig met afgeronde hoeken, 14B-15A fosfaatbandje omringt het spoor in bocht van 90 graden verlopende greppel/sloot, 10-12 loopt dood richting westen

BRONSROM

Textuur en inhoud Vulling1: bruine zavel, sterk kleiig, gele zandige vlekken, heterogeen, enkel baksteenbrokje, enkel hk sp; Vulling 2: klei bruin, +FE +enkel bs sp. +enkel hk sp Vulling 1: grijsbruine klei, zwak zandig, +FE +bs sp; Vulling 2: bruine klei, zavelig, +FE Vulling 1: grijsbruine klei, licht roestig, houtskool. Vulling 2: bruine klei, + hk, licht roestig. Vulling 3: roodbruine klei, sterk roestig, zwak zandig (ZF) aardewerkspikkels. Vulling 4 roodbruine klei, licht roestig, enkel schelpje en grindje. Vulling 5: als Vulling 1 +enkele kleine grindjes. Vulling 6 als Vulling 1 maar blauwgrijs. Vulling 7: als Vulling 3, mar donker bruingrijs. Vulling 8: als Vulling 4 maar donker bruingrijs. Vulling 9: als Vulling 5, maar blauwgrijs. Vulling 10, als Vulling 2, maar blauwgrijs. Vulling 6 t/m 10 zijn sterk gereduceerd. naar het ZO toe minder bruin, meer natuurlijk

10-12

als Spoor nr. 4, maar blauwgrijs door reductie bruingrijze klei als 6 als 6 als 6 als 6 als 6 als 6 als 6 donkergrijsbruin, matig zandig, korrelig, licht roestig

LMEB

grijze klei, sterk roestig als 15 als 15 als 15 als 15 als Spoor nr. 4, maar met gele zandvlekken (ZF) geel bruine klei, sterk roestig, sterk gerijpt klei, matig zandig, grijsbruin, heterogeen, bs br., bot, sr

+/- rond +/- rond +/- rond +/- rond +/- rond

GREPPEL GREPPEL

Datering

LMEBNTB

bruingrijs klei, sterk zandig

loopt af naar oever (S22)

BRONSROM

Vulling1: licht grijsbruine klei, met roestvlekken, schelpgr. Vulling 2: geelbruine klei, met roestvlekken, schelpresten. Vulling 3: lichtgrijsbruine klei, hk sp blauwgrijze zwak zandige klei, heterogeen, met roestvlekken, hk sp, reductie grijsbruine matig zandige klei, heterogeen, met geelbruine vlekken, met aardewerk, licht roestig grijsbruine klei, sterk siltig, sterk gerijpt, met roestvlekken bruingrijs zand, sterk kleiig, matig fijn, licht roestig grijze klei, matig zandig, plakklei klei, oranjebruin, met roestvlekken, sterk zandig (ZF) sterk gerijpt zand, (MF/MG) geelbruin licht roestig klei grijsbruin, matig zandig (ZF), heterogeen, sterk gerijpt, met roestvlekken zand (ZF), heterogeen, sterk kleiig, grijsbruin met roestvlekken Vulling 1: klei, grijsbruin, matig gerijpt, Fe, psp., pbr. Vulling 2: klei, donkerbruin grijs, psp., zwak humeus, Fe, fosfaatrijk Vulling 1: klei, lichtgrijs, matig gerijpt, houtskoolspikkels, zwak zandig, Fe, met een fosfaatrijke rand Vulling 2: klei, grijs, matig gerijpt, houtskoolspikkels, zwak zandig, Fe, met een fosfaatrijke rand, vlekkerig

rechthoekig met afgeronde hoeken, niet in vlak 1 14B-15 vastgesteld, wel in het profiel rechthoekig 14-15

81

SPORENLIJST Spoor Put Vlak Profiel/coupe nr.

Interpretatie

Type

36

1

2

kuil

KUIL

37

1

2

kuil

KUIL

38 39

1 1

2 2

kuil kuil

KUIL KUIL

40

1

5

sloot

GREPPEL

41

1

x

kuil

KUIL

42

1

x

kuil

KUIL

43

1

kuil

KUIL

44 45

1 1

3

houtskoolconcentratie kuil

LAAG KUIL

46 47 48 49

1 1 1 1

3 3 3 3

kuil greppel greppel kuil

KUIL GREPPEL GREPPEL KUIL

50

1

3

kuil

KUIL

51 52 53

1 1 1

3 3

kuil kuil kuil

KUIL KUIL KUIL

3

1

Omschrijving

Datering

Textuur en inhoud Vulling 3: venig, donkerbruin, vrij compact met zandige ongerijpte klei, bevat veel pitten Vulling 4: klei, donkergrijs, ongerijpt, brokkelig, matig zandige zones, matig humeus, heterogeen, fosfaatrijk klei, sterk gerijpt, donkergrijs, Fe, hksp., enkele, psp.

gerond, mogelijk een paalkuil

BRONSROM? deels in de putrand, werd niet gecoupeerd omdat 14B-15A klei, donkergrijs, Fe, matig gerijpt, lichtgrijze vlekjes, fosfaatrijk het verder onverstoord zou blijven langwerpig, smal, rechthoekig klei, bruingrijs, zwak humeus, matig siltig, roestvlekjes, leemvlekjes, gevlekt, houtskoolspikkels rechthoekig met knik (bocht) 1. klei, bruingrijs, zwak humeus, matig siltig, zwak zandig, roestvlekjes, kleine puin-/steenbrokjes 2. Iets donkerder (humeuzer) dan 1, minder Fe LMEB 1. klei, bruingrijs, matig zandig, sterk/matig gerijpt, roestvlekjes, enkele puin-/houtskoolspikkel 2. klei, grijs, matig siltig, minder ijzerhoudend, sterk/matig gerijpt 3. klei, grijsbruin, zwak humeus, zwak siltig, houtrestjes, matig gerijpt 4. Zand, matig fijn, lichtgrijs, zwak ijzerhoudend, schelpgruis 5. klei, zwart, sterk humeus (organisch), zwak siltig, matig/ongerijpt, plant-/houtrestjes, veel slakken 6. klei, bruin, matig humeus, matig siltig, houtrestjes, matig gerijpt, enkele leemvlek 7. klei, grijs, zwak siltig, zandbandjes/humeuze bandjes 8. Als laag 1, maar donkerder(zwak humeus), en naar onder sterk zandig 9.

klei, bruingrijs, matig siltig, zwak humeus, sterk grijpt, baksteenbrokjes, roestvlekken, houtskoolspikkels vorm niet in vlak 2 waargenomen, aangetroffen Vulling 1: klei, donkergrijs, sterk gerijpt, Fe, heterogeen, schelpgruis bij de aanleg van de sleuf voor profiel 4, hoekige Vulling 2: idem maar sterk zandig vorm in de coupe rechthoekig in coupe, al aanwezig in Vlak 2, pas vastgesteld in Vlak 3 rechthoekig, vrij vlakke bodem met dipje in 1. Klei, zwak zandig, grijs, veel Fe-vlekken, enkele houtskoolspikkels en leemvlekjes centrum 2. Iets donkerder (zwak humeus) dan Vulling 1 houtskoolconcentratie, deel van laag 6 profiel 5 houtskoolbrokjes en -spikkels rechthoekig, in het midden verstoord door de 14B-15A Vulling 1: klei, lichtgrijsbruin, sterk gerijpt, Fe, psp., hksp., gerand met een fosfaatrijke rand banden van de kraan 2. klei, grijs, matig gerijpt, wak zandig, vrij schoon 3. klei, bruins, sterk humeus, plantenresten, hout, bot 4. als 2 maar met zandlaagjes 5. klei, bruin, matig humeus, matig siltig, matig/ongerijpt rechthoekig 14B-15 zie coupetek. baanvormig spoor klei, zwak zandig, zwak humeus, bruingrijs, puin-/houtskoolbrokjes baanvormig spoor klei, zwak zandig, zwak humeus, bruingrijs, puin-/houtskoolbrokjes onderkant kuil 1. klei, bruingrijs, zwak zandig, zwak humeus, Fe-vlekken, puinspikkels, fosfaat 2. klei, sterk humeus/venig, donkerbruin, plant-/houtresten 3.

zand, blauwgrijs, fijn, lichtgrijze kleibrokjes onderkant kuil Vulling 1: klei, grijs, Fe, matig gerijpt, siltig, hksp. Vulling 2: klei, donkergrijs, ongerijpt, met lichtgrijze vlekjes, enkele takjes Vulling 3: klei/zand, heterogeen, bruin/grijs/blond, verspitte natuurlijke grond onderkant kuil klei, grijs, vet, zwak siltig, puinspikkels, houtskool onderkant kuil 14-15 zie coupetek. zie beschrijving Profiel 1

82

Bijlage 4 Vondstlijsten Vondstenlijst Algemeen VONDSTENLIJST ALGEMEEN Vondst nr. Spoor nr. Put Vlak Coupe/Profiel Code Datum Opmerkingen 1 1 1 KER 1-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 2 1 1 KER 1-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 3 1 1 ODB 1-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 4 1 1 1 MFE 1-8-2016 Vulling 1, puntlocatie 5 1 1 1 KER 1-8-2016 Vulling 2, puntlocatie 6 4 1 1 KER 1-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 7 4 1 1 KER 1-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 8 3 1 1 KER 1-8-2016 Vulling 7, puntlocatie 9 999 1 1 KER 1-8-2016 aanleg vlak verstoorde/vergraven deel 10 4 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 11 4 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 12 4 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 13 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 14 4 1 1 SXX 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 15 4 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 16 4 1 1 ODB 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 17 4 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 18 4 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 19 23 1 1 KER/ODB 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 20 23 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 21 23 1 1 ODB 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 22 23 1 1 KER 2-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 23 4 1 1 KER 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 24 26 1 1 KER 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 25 26 1 1 KER 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 26 29 1 1 MFE 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 27 23 1 1 KER 3-8-2016 aanleg vlak,

puntlocatie 28 23 1 1 KER 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 29 22 1 1 KER 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 30 4/22 1 1 ODB 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 31 4 1 1 ODB 3-8-2016 aanleg vlak, puntlocatie 32 34 1 1 KER/ODB 4-8-2016 aanleg profiel 2, uit spoorvulling 33 1 1 KER 4-8-2016 uit Vulling 1 34 1 1 KER/ODB 4-8-2016 uit Vulling 1 35 1 1 KER/SLE/ODB 4-8-2016 uit Vulling 3-4 36 1 1 MXX 4-8-2016 uit Vulling 4, metaaldetectie 37 1 1 KER 4-8-2016 aanleg profiel, uit laag 1 38 1 1 KER 4-8-2016 aanleg profiel, uit laag 3 39 2 1 KER/ODB 4-8-2016 uit vulling 40 2 1 KER 4-8-2016 aanleg Profiel, uit Vulling 3 41 3 1 KER 4-8-2016 uit Laag 17 42 34 1 MXX 4-8-2016 aanleg Profiel 2, uit Vulling 10 43 3/14 1 KER/ODB 4-8-2016 uit Vulling 44 2 1 1 OPH 4-8-2016 aanleg Profiel 1, uit Vulling 4, hout op water 45 34 1 2 KER 13-10-2016 Vulling 1 46 34 1 2 KER/ODB 13-10-2016 Vulling 2 47 37 1 2 KER 13-10-2016 uit Vulling 83

VONDSTENLIJST ALGEMEEN Vondst nr. Spoor nr. Put Vlak Coupe/Profiel Code Datum Opmerkingen 48 1 2 KER/SXX 13-10-2016 aanleg Vlak 2, NW hoek 49 3 1 2 KER 13-10-2016 aanleg Vlak 2, uit spoor 50 35 1 2 KER 13-10-2016 uit Vulling 51 36 1 2 KER 13-10-2016 uit Vulling 52 1 2 KER/ODB 13-10-2016 uit bovenste bouwvoor, puntlocatie 53 1 2 KER 13-10-2016 uit onderin cultuurlaag, puntlocatie 54 35 1 2 MXX 14-10-2016 uit Vulling 1 55 1 2 KER 14-10-2016 aanleg Vlak (uit vermoedelijke sloot Spoor nr. 40), puntlocatie 56 1 1 KER 14-10-2016 uit Vulling 2 57 1 1 MXX 14-10-2016 uit Vulling 3 58 1 1 KER 14-10-2016 uit Vulling 3 59 40 1 2 5 KER 17-10-2016 uit Vulling 9 60 40 1 2 5 KER 17-10-2016 uit Vulling 5 61 40 1 2 5 SXX/MXX 17-10-2016 uit Vulling 1 62 1 3 SBA 17-10-2016 bovenste Vulling restgeul, puntlocatie 63 45 1 3 KER/ODB 17-10-2016 uit Vulling 1 64 45 1 3 KER/ODB 17-10-2016 uit Vulling 3 65 40 1 3 ODB 17-10-2016 uit bovenste Vulling sloot, puntlocatie 66 46 1 3 KER/ODB 18-10-2016 uit Vulling 2 67 1 3 STE 18-10-2016 puntlocatie, uit cultuurlaag langs bestaande watergang 68 52 1 3 KER/ODB 18-10-2016 uit Vulling 1 69 2 1 KER 24-10-2016 uit Laag 1 (slootvulling) 70 22-23 1 2 KER/ODB 14-10-2016 uit cultuurlaag/ slootaanzet

Lijst Aardewerk KERAMIEK Vondst Volgcode Materiaal Code nr. 01 a KER AWH 02 05 05 06 06 07

a a b a b a

KER KER KER KER KER KER

AWG STG WIT AWH AWG AWH

07

b

KER

AWH

07 08

c a

KER KER

AW AWH

08

b

KER

AWH

09

a

KER

MAJOLICA

09

b

KER

AWH

09 09 09 10

c d e a

KER KER KER KER

STG AWG AWG AWH

Type

Vormtype

SIEGBURG KAN

Bakselkleur grijs, oxiderend afgestookt wit witgrijs wit grijs lichtroze licht bruingeel

Oppervlaktebewerking

Randtype

Bodemtype

Decoratiewijze

zand, weinig organisch

BORD

lichtgeel

potgruis fijn zand 3 mm grof kwartsgruis, 10 mm potgruis

organisch, zand potgruis 6 mm grof kwartsgruis, steekt door de wand bi tinglazuur, bu loodglazuur

blauw-wit

lichtgrijs SIEGBURG KAN

witgrijs roze lichtoranje lichtroze/lichtgrijs

5 mm

draairillen bu spaarzaam loodglazuur

donkergrijs, oxiderend afgestookt bruingeel donkergrijs, bu oxiderend afgestookt lichtgeel

HUTTELM

Magering type Wanddikte

kwartsgruis, potgruis draairillen ijzerengobe

84

Rand Bodem Wand Datering Datering Totaal aantal aantal aantal Begin Eind 1 1 BRONS ROM

Datering Gewicht Specifiek in gram 4

1 1 1 1 1 1

1 1 1 1 1 1

VMED LMEB LMEB BRONS ROM BRONSM

LMEB LMEB NTA ROM LMEA BRONSL

1 1350-1425 5 1300-1600 1 1 1 8

1

1

BRONS

ROM

1

1

1 1

NEO BRONS

LME ROM

10 9

1

1

BRONSM

BRONSL

2

3

3

NTB

NTB

1700-1800 23

1

1

BRONS

IJZ

1

1 1 1 1

1 1 1 1

LMEB LMEA LMEA BRONS

LMEB LMEB LMEB ROM

1350-1425 14 1200-1350 5 1200-1400 1 3

KERAMIEK Vondst Volgcode Materiaal Code nr. 11 a KER AWH

Type

Vormtype

Bakselkleur

Oppervlaktebewerking

Randtype

Bodemtype

Decoratiewijze

donkergrijs, oxiderend afgestookt

12

a

KER

AWH

12

b

KER

AW

HUTTELM

13 15 17

a a a

KER KER KER

AW AW GRS

HUTTELM

18 19

a a

KER KER

AWH GRS

20

b

KER

GRS

20 20 20

c d e

KER KER KER

ROOD ROOD ROOD

22

a

KER

GRS

23 24

a a

KER KER

AWH AWH

gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak lichtgeel, oranje blosjes lichtgrijs

25

a

KER

AWH

lichtgeel, oranje blos

27 27

a b

KER KER

ROOD ROOD

28 28 29

a b a

KER KER KER

ROOD PIJP GRS

32

a

KER

ROOD

32 34

b a

KER KER

STG STGL

SIEGBURG KAN SIEGBURG KAN

witgrijs witgrijs

34 34 34 34 35

b c d e b

KER KER KER KER KER

STG ROOD ROOD WIT GRS

SIEGBURG KAN KAN

35

c

KER

STGL

witgrijs lichtoranje lichtoranje wit gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak grijs

35 35 37

d e a

KER KER KER

STG WIT GRS

38

a

KER

STGL

40

a

KER

STG

grof kwartsgruis, 10 mm+ steekt door de wand grof kwartsgruis, 10 mm steekt door de wand organisch, potgruis

donkergrijs

geelbruin, kern donkergrijs grijs geelbruin gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak grijs lichtgrijs, grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak lichtrood oranjerood oranjerood KOM

POT SLIBVERS KOM

lichtoranje lichtoranje lichtrood wit gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak roodoranje

BEKER

SIEGBURG

witgrijs wit gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak KAN/KRUIK grijs

SIEGBURG KAN

witgrijs

Magering type Wanddikte

Rand Bodem Wand Datering Datering Totaal aantal aantal aantal Begin Eind 1 1 BRONSM BRONSL

1

1

BRONSM

BRONSL

3

2

NEO

LME

7

1

1 1 1

BRONS NEO LMEB

LME LME LMEB

1 3 1250-1500 3

1 1

1 1

BRONS LMEB

ROM LMEB

6 1250-1500 5

1

1

LMEB

LMEB

1250-1500 2

1 1 2

1 1 2

NTB LMEB NTA

NTB NTA NTA

1700-1800 10 8 1500-1700 7

1

LMEB

LMEB

1300-1400 82

1 1

BRONSM BRONS

BRONSL ROM

8 6

1

BRONS

ROM

2

1 1

LMEB NTA

NTA NTA

1450-1550 12 1550-1650 16

2

2 1 1

NTB NTA LMEB

NTB NTA LMEB

1700-1800 58 1600-1700 5 1250-1500 30

1

1

LMEB

LMEB

1300-1500 3

1 1

1 1

LMEB LMEB

LMEB LMEB

1350-1500 2 1325-1425 29

1

1 1 1 1 2

LMEB LMEB LMEB LMEB LMEB

LMEB LMEB LMEB LMEB LMEB

1325-1400 1 1300-1425 81 1300-1500 4 1325-1400 1 1250-1500 18

3

LMEB

LMEB

1300-1500 4

2 1 2

LMEB LMEB LMEB

LMEB LMEB LMEB

1325-1400 4 1250-1500 2 1250-1500 9

1

LMEB

LMEB

1350-1500 382

1

LMEB

LMEB

1350-1425 14

1 organisch

krassen

potgruis

5 mm

bi loodglazuur bi loodglazuur, bu spaarzaam standlobben

weinig verdikte rand bi spaarzaam loodglazuur dekselgeul bi loodglazuur met standring koperoxide bi loodglazuur, bu deels

1

grof kwartsgruis 8-9 mm zand, steengruis, 5 mm weinig potgruis zand, potgruis? 3 mm

1 1 1 1 1

9 mm 1

bi en bu spaarzaam loodglazuur draairillen, blosjes bu spaarzaam zoutglazuur, blosjes bu glazuurspetters bu loodglazuur loodglazuur verweerd

zoutglazuur

1 1 2

gewelfde standring

3 2 1 2

bu lekspoor loodglazuur

bu zoutglazuur

gewelfde standring

draairillen

1 1

85

Datering Gewicht Specifiek in gram 5

KERAMIEK Vondst Volgcode Materiaal Code nr. 41 a KER PINGSDRF 41 b KER AWG 41 c KER AWG 41 d KER AW 43 b KER AW 43 c KER KGP 45

a

KER

GRS

46 47

a a

KER KER

GRS STGL

48 48

a c

KER KER

AWH AWH

48 49 50

d a a

KER KER KER

AW AWG GRS

50

b

KER

GRS

50

c

KER

GRS

50

d

KER

ROOD

51

a

KER

AWH

51 52

b a

KER KER

AWH GRS

53

a

KER

AWH

55

a

KER

AWH

55

b

KER

GRS

55

c

KER

GRS

56

a

KER

GRS

56

b

KER

STGL

58

a

KER

GRS

58

b

KER

GRS

63

a

KER

GRS

63

b

KER

GRS

63

c

KER

AW

Type

Vormtype

Bakselkleur

lichtgeel wit lichtoranje oranje oranje KOGELPOT zwart, bi oxiderend afgestookt gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak grijs, lichtgrijze kern KAN witgrijs

Oppervlaktebewerking

Randtype

Bodemtype

Decoratiewijze

fijn zand fijn zand fijn zand grof zand zand, organisch grof zand

roetaanslag bu beroet

bruingeel grijs lichtgrijs, donkergrijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak roodoranje

KAN

HUTTELM

donkergrijs, bu oxiderend afgestookt gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak lichtgrijs, grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak witgrijs gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak geelbruin

5-7 mm 4 mm

bi en bu zoutglazuur

1

radstempel langs bu rand

draairillen

duimindruk, horizontale lijnen bi en bu spaarzaam loodglazuur

2

LMEB

LMEB

1250-1500 20

2

2 1

LMEB LMEB

LMEB LMEB

1250-1500 25 1375-1450 13

3 1

BRONS BRONSM

ROM BRONSL

1 1

1 1 1

NEO ROM LMEB

LME LMEB LMEB

6 6 1250-1500 11

1

1

LMEB

LMEB

1250-1500 16

1

1

LMEB

LMEB

1250-1500 3

1

1

LMEB

LMEB

1300-1500 6

1

BRONS

ROM

2

1 3

BRONS LMEB

ROM LMEB

1 1250-1500 53

1

BRONSM

BRONSL

1

1

BRONSMA BRONSMB 1800-1100 51

4

4

LMEB

LMEB

1250-1500 12

3

3

LMEB

LMEB

1250-1500 169

1

1

LMEB

LMEB

1250-1500 138

1

1

LMEB

LMEB

1300-1500 93

2

2

LMEB

LMEB

1250-1500 19

1

1

LMEB

LMEB

1250-1500 6

3

3

LMEB

LMEB

1250-1500 20

1

LMEB

LMEB

1250-1500 6

1

NEO

LME

3

3

groef en ribbel (stafband)

zand, grof 7-8 mm kwartsgruis grof steengruis, 14 mm potgruis

1

draairillen

bu zoutglazuur, ijzerengobe bu draairillen

1

organisch, zand

86

Datering Datering Gewicht Eind Specifiek in gram LMEA 900-1200 1 LMEB 2 LMEA 1 NTA 28 LME 21 LMEA 750-1250 12

1

1 zand, steengruis 8 mm grof steengruis, door de wand stekend organisch zand, organisch 6 mm

donkergrijs, oxiderend afgestookt lichtrood gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak lichtgeel HDL

3 mm 3 mm 2 mm

Rand Bodem Wand Datering Totaal aantal aantal aantal Begin 1 1 VMED 1 1 VMED 1 1 VMED 1 1 LMEB 4 NEO 1 1 VMEC

aanzet standlob

donkergrijs lichtgeel

HUTTELM

Magering type Wanddikte

3 4

5

KERAMIEK Vondst Volgcode Materiaal Code nr. 63 d KER STG 64 a KER GRS

Type

Vormtype

SIEGBURG KAN KAN

Bakselkleur witgrijs gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak geelbruin witgrijs oranje

64

b

KER

GRS

64 64 65

c d a

KER KER KER

AW STG ROOD

66

a

KER

ROOD

oranje

66

b

KER

GRS

66

c

KER

GRS

KAN

68

a

KER

GRS

KAN

68 69 69 70

b a b a

KER KER KER KER

GRS FAYENCE FAYENCE ROOD

KAN BORD BEKER

gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak gelaagd, donkergrijze kern-lichtgrijs-grijs oppervlak grijs, donkergrijze kern lichtgeel lichtgeel oranje

HUTTELM SIEGBURG KAN

Oppervlaktebewerking

Randtype

Bodemtype

draairillen metaalglans

Decoratiewijze

Magering type Wanddikte

lijnversiering in golfpatroon op schouder

Rand Bodem Wand Datering Datering Datering Gewicht Totaal aantal aantal aantal Begin Eind Specifiek in gram 1 1 LMEB LMEB 1275-1350 2 1 1 LMEB LMEB 1300-1450 8

grof zand

1

1

LMEB

LMEB

1250-1500 22

1 1

1 1 1

NEO LMEB LMEB

LME LMEB NTA

2 1350-1425 40 1400-1600 5

1

1

LMEB

LMEB

1350-1500 12

1

1

LMEB

LMEB

1250-1500 22

19

21

LMEB

LMEB

1300-1500 814

6

6

LMEB

LMEB

1300-1500 117

1 1

1 1 1 1

LMEB NTB NTB LMEB

LMEB NTB NTB NTA

1300-1500 119 1700-1800 12 1700-1800 1 30

organisch, zand draairillen bi (spaarzaam) loodglazuur

licht uitstekende vierkante rand bi spaarzaam loodglazuur, korte vierkante bu spetters rand

draairillen

dekselgeul

draairillen

bi en bu tinglazuur bi en bu tinglazuur bi loodglazuur

golvende kamstreekversiering op schouder golvende kamstreekversiering op schouder

2

blauw-wit blauw-wit

1

Lijst Bouwmateriaal BOUWMATERIAAL Vondst nr. Volgcode Materiaal Code Omschrijving Aantal Gewicht Lengte Breedte Dikte Bakselkleur Datering Begin Datering Eind 20 a KER BAKSTEEN brok 1 184 lichtrood LMEB NTA 32 c KER BAKSTEEN fragment 1 271 40 licht oranjerood LMEB NTA 33 a KER BAKSTEEN fragmenten 3 1966 140 55 oranje LMEB LMEB 39 a KER BAKSTEEN fragmenten 2 762 65 oranje LMEB LMEB 45 c SKA MORTEL bewerkt, in doorsnede ellipsvorm 1 65 ROM NT 59 a KER BAKSTEEN fragment 1 1646 140 60 lichtrood LMEB LMEB 59 b KER BAKSTEEN fragment 1 821 140 60 licht geelroze LMEB LMEB 60 b KER BAKSTEEN brokken 2 435 60 lichtrood LMEB NTA 70 b KER BAKSTEEN fragment 1 1611 135 50 oranje LMEB LMEB

87

Lijst Natuursteen NATUURSTEEN Vondst nr. Volgcode Materiaal Code Steensoort Bewerkingssporen Omschrijving Aantal Gewicht in gram Datering Begin Datering Eind 14 a SZA BROK zandsteen één afgesleten vlakke zijde hitte-scheurtjes 1 30 NEO LME 35 f SLE DAKLEI leisteen met nagelgat grijs 1 95 LME NT 45 b SLE DAKLEI leisteen fragment 1 2 LME NT 48 b SGR BROK graniet hitte-scheurtjes 1 9 NEO LME 60 a STE MAALSTN tefriet brok 1 44 IJZ LME 61 a SZA SLIJPSTN (kwartsitische) zandsteen, glimmerhoudend aan één zijde ter plaatse van centrale deel afgesleten licht zadelvormig 1 92 BRONS NT 62 a SBA KRAAL barnsteen gepolijst, doorboring fragment 1 1 NEO LME 67 a STE MAALSTN tefriet brok 1 277 IJZ LME 68 c STE MAALSTN tefriet brok 1 47 IJZ LME 68 d SZA BROK zandsteen één afgesleten vlakke zijde hitte-scheurtjes 1 8 NEO LME

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=6c43ae97-9b56-415e-932b-9c128773e66d