Bijlage 8. Rapportage AO en AB Noachschool, Kerkweg 3a-181105
Tekst van het document
Aardewerk
149
2.886
Natuursteen
10
605
Metaal
13
Botmateriaal (dierlijk)
177
4.202
Bouwmateriaal (keramisch)
13
7.761
Tabel 1. Overzicht van aantallen en gewicht per materiaalcategorie.
4.3.1 Aardewerk 4.3.1.1 Inleiding Alle aardewerk is afkomstig uit archeologische lagen en sporen. Vanwege de herkomst betreft het in hoofdzaak gefragmenteerd aardewerk (afval). In het totaal zijn bij het onderzoek 149 aardewerkfragmenten aangetroffen, met een totaalgewicht van 2.886 gram. Het aardewerkcomplex dateert grotendeels uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Een kleiner deel betreft handgevormd aardewerk uit de Late Prehistorie.
Aardewerktype
Aantal fragmenten
Gewicht (in gram)
Prehistorisch handgevormd aardewerk Gedraaid aardewerk Kogelpot aardewerk Pingsdorf Grijsbakkend Roodbakkend Witbakkend Steengoed Majolica Faience Pijp aardewerk Indet.
22
125
7 1 1 65 15 3 16 3 2 1 6
17 12 1 1.749 252 4 603 23 13 5 50
Tabel 2. Overzicht van aantallen en gewicht per aardewerktype.
40
4.3.1.2 Prehistorisch aardewerk
L. R. van Wilgen
Bij het onderzoek zijn in totaal 22 fragmenten van handgevormd aardewerk aangetroffen uit de Late Prehistorie. De relatief kleine hoeveelheid aardewerk laat het niet toe om statistische waarden te gebruiken voor datering, of voor een vergelijking met andere sites in de omgeving of van een vergelijkbare periode. De meeste fragmenten zijn aangetroffen in een bodemhorizont die ter plaatse van de restgeul bewaard was gebleven. Een zestal fragmenten is aangetroffen in latere contexten, zoals een slootvulling of een laatmiddeleeuwse kuilvulling. In het laatste geval gaat het dus om de secundaire deponering van ouder materiaal, dat bij graafwerk in de jongere spoorvullingen terecht is gekomen. Desalniettemin zal het materiaal zeer waarschijnlijk van de onderzoekslocatie afkomstig zijn. De conserveringsgraad van het aardewerk is voor een deel goed en voor een deel relatief slecht. Een aantal fragmenten zijn in meer of mindere mate afgesleten. Dit kan hebben plaatsgevonden door grondbewerking van de laag waarin het aardewerk is aangetroffen, onder invloed van water (stroming), of wanneer de fragmenten lang aan de oppervlakte hebben gelegen. Het gemiddelde gewicht van een aardewerkfragment is 5.7 gram, wat duidt op een relatief hoge fragmentatiegraad van het aardewerk.
Daarbij is er één uitschieter van 51 gram, welke bijna de helft van het totaalgewicht van de aardewerkfragmenten betreft. Wanneer dit fragment buiten beschouwing wordt gelaten, bedraagt het gemiddelde gewicht 3.4 gram per fragment. Vanwege de relatief kleine omvang van de fragmenten en de slijtage op het aardewerk, kon een deel van het aardewerk slecht worden gedetermineerd. Soms is slechts het type magering nog vast te stellen, waardoor slechts weinig aanknopingspunten voorhanden zijn voor een datering. Het baksel van de aardewerkfragmenten kan in grofweg twee typen worden onderverdeeld. Twaalf fragmenten zijn overwegend grijs tot donkergrijs van kleur en onder reducerende omstandigheden gebakken. Bij de helft van deze fragmenten is het aardewerk oxiderend afgestookt. Bij de overige aardewerkfragmenten zijn de baksels lichtgeel tot lichtrood van kleur. De gebruikte magering van het aardewerk varieert eveneens. Bij een aantal fragmenten is duidelijk sprake van de toevoeging van zand in het baksel. Het kan echter ook dat klei is gebruikt waarin van nature al zand aanwezig was. Kwarts-, steen- en potgruis vormen echter wel duidelijk door de mens toegevoegd verschralingsmateriaal. In één klein fragmentje is iets van een organische magering aangetroffen. Er kon echter niet worden vastgesteld of het bewust toegevoegd verschralingsmateriaal betrof, of accidenteel aanwezig materiaal.
Kwartsgruis is als zodanig benoemd, wanneer de gebruikte magering van kwartsieten afkomstig is. Wanneer het verschralingsmateriaal met de meer algemene term steengruis is benoemd dan kan de magering eveneens voor een deel uit kwarts bestaan, maar dan is het afkomstig uit andere kwartshoudende gesteenten, zoals bijvoorbeeld graniet. Eén fragment (Vondst nr. 55) heeft een wat afwijkende verschaling van kwartsgruis. Naast kwarts werden ook in mindere mate wat fragmentjes glimmer en andersoortig steengruis aangetroffen. Mogelijk betrof de grondstof geen kwartsiet, maar eerder een andersoortig (fragment van) kwartsrijk gesteente. Naast het afzonderlijk gebruik van kwarts-/ steen- en potgruis, zijn ook combinaties van de verschillende typen magering aangetroffen (zie Tabel 3).
Magering
Aantal fragmenten
Potgruis Kwartsgruis Kwartsgruis/potgruis Steengruis Steengruis/potgruis Ondetermineerbaar
4 5 3 4 1 5
Tabel 3. Overzicht van de aantallen aardewerkfragmenten, met het type magering. 41
Voor wat betreft de wanddiktes, waren deze van veel fragmenten door de fragmentatie of slijtage niet meer te herleiden. De gemeten wanddiktes zijn voor de fragmenten waarvan dit nog wel meetbaar was weergegeven in Tabel 4. De meeste wanddiktes liggen tussen de 5 en 10 mm. Met een uitschieter naar beneden (3 mm) en naar boven (14 mm). De gemiddelde wanddikte bedraagt 7.6 mm. Op de fragmenten is niet duidelijk sprake van een oppervlaktebewerking en decoratie is slechts bij één fragment vastgesteld. Bij Vondst nr. 55 is op een wandfragment een restant van een stafband vastgesteld, met eronder een schuin geplaatste groeflijn (zie Afbeelding 26). Het is niet meer af te leiden of de stafband versierd of onversierd is geweest met vinger- of nagelindrukken.
Afbeelding 26. Fragment handgevormd aardewerk met stafband. Datering: Midden Bronstijd.
Hoewel het kleine fragmenten betreft, kon van twee randfragmenten worden vastgesteld dat het gaat om een eenvoudig randtype met een afgeronde top. In één geval is deze iets verdikt. Het enige bodemfragment is voorzien van een eenvoudig standvlak, hoewel van een dergelijk klein fragment het bodemtype niet met zekerheid valt af te leiden. Hoewel het gaat om een relatief kleine hoeveelheid aardewerk en de aangetroffen fragmenten weinig duidelijke aanknopingspunten bieden voor een datering, kan één fragment met een stafband in ieder geval in de Midden Bronstijd worden gedateerd (1800 - 1100 voor Chr.). De vorm van de pot is helaas niet te herleiden, waardoor een meer specifieke datering of type-toewijzing niet mogelijk is. Dergelijk aardewerk kan worden toegeschreven aan de Hilversum-cultuur en is afkomstig ven het Hilversum- of Drakenstein-type. Daarnaast zijn een aantal fragmenten met vrij lichte baksels aanwezig met een groffe door de wand stekende magering, waarvan een datering in de Midden- of Late Bronstijd waarschijnlijk wordt geacht. Het overige aardewerk is lastig te dateren en daarvoor is derhalve een zeer brede datering aangehouden vanaf de Bronstijd tot in de Romeinse Tijd. 42
5 4
Aantal fragmenten
3 2 1 0
3>
4>
5>
6>
7>
8>
9> 10> 11> 12> 13> 14>
Wanddikte (mm)
Tabel 4. Overzicht van de wanddiktes van het aardewerk.
4.3.1.3 Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd
J. Ras
Aardewerk, gedraaid Onder de noemer gedraaid aardewerk zijn een zevental kleine fragmentjes ondergebracht, met baksels die niet genoeg aanknopingspunten bieden voor een duidelijke determinatie. Het betreft ongeglazuurde witte, (licht)roze en (licht)oranje baksels. Waarschijnlijk dat de witte en rozige baksels Maaslands aardewerk betreffen en/of Rijnlands aardewerk volgens de Pingsdorf-traditie. In dat geval is een datering in de eerste helft van de Late Middeleeuwen op zijn plaats. Voor een enkel fragment zou een vroegere (Romeinse) datering niet kunnen worden uitgesloten. De meeste fragmentjes zijn aangetroffen in de vulling van een greppel (Spoor nr. 3). Pingsdorf-aardewerk Aardewerk van het Pingsdorf-type werd onder meer geproduceerd in het Duitse Pingsdorf en Bruhl ten zuidwesten van Keulen. Ook werd vergelijkbaar aardewerk geproduceerd in het Limburgse Brunssum en Schinveld. Kenmerken zijn de relatief harde, wit tot lichtgele baksels met verschillende typen decoratie in rode verf. Dit type aardewerk werd geproduceerd vanaf het einde van de 9de eeuw, maar kent een geleidelijk ontwikkeling vanuit het Badorf-aardewerk. Het aangetroffen fragment heeft het voor Pingsdorf-aardewerk kenmerkende baksel, maar vanwege de kleine oppervlakte is geen decoratie met rode verf aanwezig. Het fragment kan niet nader gedateerd worden dan in de 10de - 12de eeuw.
Het fragment is afkomstig uit de greppel met Spoor nr. 3. Kogelpot-aardewerk Eén fragment is afkomstig van kogelpot aardewerk. Kogelpot-aardewerk betreft handgemaakt lokaal of regionaal vervaardigd aardewerk dat gedurende een lange tijd (circa 750 - 1300 na Chr.) in onze streken het standaardproduct van ieder huishouden vormde. De term kogelpot is afgeleid van de kogelronde vorm die de potten hebben, hoewel in de loop van de tijd ook andere vormtypen in vergelijkbare baksels werden geproduceerd. Het aangetroffen wandfragment is afkomstig van een pot met roetsporen aan de buitenzijde, die dienst zal hebben gedaan als kookpot. Het baksel heeft een magering van grof zand. Er zijn verder geen aanwijzingen voor de datering, hoewel de fijne magering eerder overeen komt met een datering in de tweede helft van de periode waarin het kogelpotaardewerk werd geproduceerd. Het fragment is evenals veel van de gedraaide fragmenten en het fragment Pingsdorf-aardewerk afkomstig uit de greppel met Spoor nr. 3. 43
Afbeelding 27. Fragmenten grijsbakkend aardewerk (kan) met draairillen en golvende kamstreekversiering. Datering: 14de/ 15de eeuw.
Roodbakkend aardewerk Van het roodbakkend aardewerk zin 15 fragmenten aangetroffen, met een gewicht van 252 gram. Het roodbakkend aardewerk kent een lange omlooptijd. Het werd geproduceerd vanaf de 13de eeuw en wordt tegenwoordig nog steeds vervaardigd. Het laatmiddeleeuwse roodbakkende aardewerk was in het begin nog ongeglazuurd of spaarzaam geglazuurd met loodglazuur, met uitzondering van het Vlaamse hoogversierde aardewerk dat juist vaak uitbundig versierd was en goed in het glazuur zat. Vanaf de 16de eeuw werd langzaamaan meer of zelfs de gehele pot geglazuurd met loodglazuur. Na verloop van tijd werd in het roodbakkend aardewerk een scala aan vormtypen vervaardigd waarvan enkele vertegenwoordigd zijn in het vondstcomplex. Vanwege de fragmentatiegraad van het aardewerk kan een groot aantal fragmenten echter niet tot een gebruiksvorm worden herleid. In elk geval zijn fragmenten herkend van een pot, een kom en een kan. Binnen het vondstcomplex is sprake van een duidelijke tweedeling voor wat betreft de combinatie datering - context. Alle roodbakkende aardewerk uit kuilen stamt uit de 14de of 15de eeuw (5 fragmenten). Alle overige roodbakkende aardewerk is afkomstig uit slootvulling/ ofwel het cultuurdek ter plaatse van de oeverzone van de watergang. Dit aardewerk dateert ten vroegste uit de 15de/ 16de eeuw, tot en met de 18de eeuw.
De laatmiddeleeuwse component van het roodbakkend aardewerk is over het algemeen spaarzaam geglazuurd. Eén wandfragment heeft duidelijke aanslag aan de binnenzijde (Vondst nr. 50d), wat er op wijst dat de pot waarvan het afkomstig is als pispot is (her)gebruikt. Het aardewerk uit de Nieuwe Tijd is over het algemeen voller geglazuurd, hoewel de kwaliteit ervan door de tijd duidelijk afneemt. Eén fragment van een kom is op de bodem bedekt met een sliblaag en loodglazuur met koperoxide, en dateert uit de periode 1550 - 1650 (Vondst nr. 27b).
44
Grijsbakkend aardewerk Het grijsbakkende aardewerk betreft verreweg het meest vertegenwoordigde type aardewerk met 65 fragmenten. Opgemerkt moet worden dat in één kuil 21 fragmenten van één exemplaar werden aangetroffen, wat het beeld enigszins vertekend. Grijsbakkend gedraaid aardwerk werd alleen geproduceerd tijdens de Late Middeleeuwen, grofweg in de loop van de 13de tot en met de 15de eeuw. In bepaalde regio’s worden grijsbakkende producten soms nog tot in het begin van de 16de eeuw gedateerd en liep de productie waarschijnlijk iets langer door. 18 Dergelijk aardewerk werd evenals roodbakkend aardewerk hoofdzakelijk vervaardigd in regionale productiecentra. Tijdens de Late Middeleeuwen waren zowel het rode als grijze aardewerk in grotendeels dezelfde vormen verkrijgbaar. Van het grijsbakkende aardewerk zijn 21 fragmenten van één exemplaar (Vondst nr. 66c), aangetroffen in de vulling van een kuil (Spoor nr. 46). Het betreft fragmenten van een deel van de wand en rand van een kan. De kan heeft een kraagrand met dekselgeul en een verticaal worstoor. De schouder is gedecoreerd met een golvende kamstreekversiering en op de buik zijn duidelijk zichtbare draairillen aangebracht. In een tweede kuil (Spoor nr. 52) zijn daarnaast ook nog een aantal wandfragmenten van een tweede kan aangetroffen, met exact dezelfde decoratie (Vondst nr. 68).
Opvallend is de uniformiteit van de baksels binnen groep van grijsbakkend aardewerk. Dit betreft een gelaagd lichtgrijs baksel, met een donkergrijze kern en een grijs oppervlak. Slechts acht fragmenten hebben een daarvan afwijkend baksel. Dit doet vermoeden dat de producten uit hetzelfde (regionale?) productiecentrum afkomstig zijn. Witbakkend aardewerk Het witbakkend aardewerk werd eveneens vanaf de Late Middeleeuwen tot in de huidige tijd vervaardigd. In oorsprong werd dit type aardewerk gemaakt uit ijzerarme kleien in het Rijn- en Maasland. Vanaf de 16de eeuw werden kleien ook geïmporteerd en werd witbakkend aardewerk in verschillende regio’s in West- en Noord Nederland vervaardigd. Drie fragmenten kunnen allen tot het laatmiddeleeuwse witbakkende aardewerk worden gerekend, dat mogelijk in Duitsland geproduceerd is. Dit betreft onder meer een klein oorfragment van een kop of beker met loodglazuur en koperoxide. Hoewel het slechts een klein fragment betreft wordt vermoed dat het om een product uit het Duitse Langerwehe gaat, welke met name in het midden van de 14de eeuw worden gedateerd. De overige, eveneens kleine fragmenten zijn niet tot een type te herleiden. (Proto-)steengoed Het (Proto-)steengoed is veelal afkomstig uit het Duitse Rijnland, maar werd voor een aanzienlijk deel ook in het aangrenzende Duitse/ Nederlandse/ Belgische gebied geproduceerd.
Het Protosteengoed werd vervaardigd vanaf het einde van de 12de eeuw tot omstreeks 1280. Dit aardewerk werd gebakken bij oventemperaturen van circa 900 - 1000 °C, waardoor de klei gedeeltelijk versinterde. Naarmate de tijd vorderde werden steeds hogere temperaturen bereikt, waardoor ten slotte bij een oventemperatuur van meer dan 1200 °C het baksel totaal versinterde. Zo ontstond aan het einde van de 13de en het begin van de 14de eeuw, via het bijna-Steengoed, het Steengoed. Het vroegste (Proto-)steengoed is veelal afkomstig uit de productiecentra van Siegburg en Langerwehe. De meeste aangetroffen aardewerkvormen betreffen kannen, kruiken en bekers. Bij het onderzoek zijn in totaal 16 fragmenten Steengoed aangetroffen, Protosteengoed werd niet aangetroffen. Van het Steengoed zijn negen fragmenten afkomstig van het ongeglazuurde kannen uit het productiecentrum Siegburg. Het betreft de typische massaproducten uit de 14de en/of het begin van de 15de eeuw. Zeven fragmenten zijn al dan niet geheel bedekt met een ijzerengobe en zoutglazuur aan de buitenzijde. Soms zijn ook oranje blosjes zichtbaar. Drie fragmenten kunnen worden gerekend tot Siegburg-producten. Vier fragmenten met een wat grijzer baksel zijn mogelijk afkomstig uit Langerwehe. 18
Bartels, 2011: 101-2 45
Faience Onder faience wordt onder meer het bekende Delftse aardewerk verstaan. Het betreft aardewerk met een lichtgeel baksel, geheel bedekt met een tinglazuur. Dit type aardewerk is van oorsprong afkomstig uit Zuid-Europa, maar werd vanaf het begin van de 17de eeuw ook in Nederland vervaardigd, met Delft als bekendste productiecentrum. De opkomst van dit type aardewerk valt samen met een poging tot imitatie van het eveneens in deze tijd voorkomende porselein dat met schepen uit Azië meekwam (ook wel kraakporselein genoemd). De decoratie van het tingeglazuurde aardewerk was veelal blauw, maar ook paarse of polychrome decoratie komt voor. In dit type werden voornamelijk borden gemaakt, maar daarnaast ook kopjes, pispotten, kannen en zalfpotjes. Twee fragmenten faience zijn afkomstig uit een slootvulling ter plaatse van Put nr. 2. Het betreft een randfragment van een bord en een wandfragment van een kop, beide in blauw-wit decoratie en met een datering in de 18de eeuw. Majolica Hoewel majolica als aardewerktype al wordt aangetroffen in archeologische contexten vanaf circa 1350, betreft dat slechts een kleine hoeveelheid materiaal, dat voornamelijk als luxegoed uit ZuidEuropa werd geïmporteerd (Italiaanse en Spaanse majolica). Pas in de loop van de 16de eeuw werd dit type aardewerk in de Lage landen geproduceerd, eerst in Vlaanderen en daarna Nederland.
Het baksel onderscheidt zich van faience door het gebruik van loodglazuur op de onderzijde van open vormtypen en tinglazuur op de bovenzijde. Het vroege Majolica heeft ook vaak een rood tot oranje baksel, tegenover het lichtgele baksel van faience. Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw werd ook het majolica voornamelijk in lichtgele baksels uitgevoerd.19 De drie fragmenten van Majolica zijn afkomstig van een bord in blauwwitte decoratie en dateren uit de 18de eeuw. Pijp-aardewerk Aan het einde van de 16de eeuw werd in Nederland de tabakspijp geïntroduceerd. De pijpen werden vervaardigd uit een fijne witbakkende klei die werd geïmporteerd uit Engeland, België of Duitsland. Met name Gouda stond bekend als een belangrijk productiecentrum binnen de kleipijp-industrie. De tabakspijpen zijn vaak goed dateerbaar door merken op de ketel of de hiel van de pijp, waardoor te herleiden is wat de herkomst van de pijp is, of zelfs wie de maker was. Ook op basis van de vorm van de ketel, waarvoor een typologie is opgesteld, zijn de pijpen goed te dateren. Bij het onderzoek is slechts één steelfragment aangetroffen. Fragmenten van de steel zijn zonder kenmerkende decoratieve elementen lastig te dateren. In dit geval gaat het om een relatief dik steelfragment (9 mm), waardoor het fragment relatief vroeg kan worden gedateerd, grofweg in de eerste helft van de 17de eeuw.
In het tweede deel van de 17de eeuw en zeker daarna werden de pijpenstelen geleidelijk dunner uitgevoerd. 4.3.2 Natuursteen Naast die fragmenten leisteen, die in Hoofdstuk 4.3.5 zijn besproken, zijn nog acht stuks natuursteen aangetroffen. In alle gevallen gaat het om bewerkte (fragmenten van) stenen. Een steensoort waarvan drie stuks zijn vertegenwoordigd in het vondstcomplex betreft het stollingsgesteente tefriet. Tefriet is een vulkanisch gesteente dat van nature niet in Nederland voorkomt. De dichtstbijzijnde herkomstlocatie is de Eifel in Duitsland. Ook in bijvoorbeeld Italië, Griekenland en IJsland kan dit materiaal worden aangetroffen als natuurlijke grondstof. Tefriet werd in de vorm van maalstenen al vanaf de Late Prehistorie geëxporteerd vanuit het Eifel-gebied. In deze context kan ook het aangetroffen tefriet worden geplaatst. Eén fragment is nog groot genoeg om te kunnen afleiden dat het daadwerkelijk afkomstig is van een maalsteen. Drie stuks (kwartsitische) zandsteen zijn ofwel afkomstig uit regio’s met gestuwde afzettingen, waar keileem aan of nabij de oppervlakte ligt (bijvoorbeeld de Utrechtse Heuvelrug), ofwel afkomstig uit grindrijke rivierafzettingen uit het zuiden van het land (of het aangrenzende buitenland). 19
Bartels, 2011: 201 46
Twee fragmenten hebben een afgesleten vlakke zijde en vertonen hittescheurtjes. Mogelijk zijn de stenen in een eerste stadium als slijpsteen of wrijfsteen gebruikt en is de steen later als haardsteen in het vuur beland, of misschien gebruikt als kooksteen. Een fragment graniet is eveneens duidelijk aan hitte onderhevig geweest. Graniet werd ook wel verhit en afgekoeld om tot gruis vermalen te kunnen worden ten behoeve van magering bij de aardewerkproductie.
Afbeelding 28. Complete wetsteen. Datering: 14de/15de eeuw.
Afbeelding 29. Fragment van een barnstenen kraal. Datering: vermoedelijk Midden Bronstijd. 47
Het derde stuk natuursteen betreft een wetsteen, die voornamelijk aan één zijde is gebruikt. Door het slijpen is een zadelvormige doorsnede ontstaan (zie Afbeelding 28). Voor een deel is het materiaal afkomstig uit laatmiddeleeuwse context en voor een deel uit laat-prehistorische context. Een bijzondere vondst betreft een fragment van een barnstenen kraal, welke is aangetroffen in een bodemniveau ter plaatse van de restgeul (zie Afbeelding 29). Hoewel barnsteen eigenlijk niet kan worden aangemerkt als natuursteen, het betreft immers gefossiliseerde hars, is deze kraal toch onder deze noemer gerubriceerd. De kraal heeft een iets platte ronde vorm gehad en had een centrale doorboring. Halssnoeren met barnstenen kralen werden vaak meegegeven in graven in de periode van het Laat Neolithicum en de Bronstijd. Het aangetroffen exemplaar lijkt al tijdens de gebruiksperiode te zijn gebroken. Het is niet te achterhalen of het om een bewuste vernieling en deponering gaat, of dat de eigenaar de kraal op andere wijze heeft verloren. 4.3.3 Metaal Tijdens het onderzoek zijn 13 (fragmenten van) in meer of mindere mate gecorrodeerde stukken metaal aangetroffen. Alle metaal werd aangetroffen in spoorvullingen, waaronder kuilen en een sloot, van laatmiddeleeuwse ouderdom. Bij negen stuks metaal gaat het om (fragmenten van) ijzeren spijkers.
Eén stuk metaal betreft een ijzeren ring, welke verschillende functies kan hebben gehad. Tevens is een klein brokje van een metaalslak aangetroffen. Aangezien het om slechts één fragment gaat kan er niet gesproken worden over ijzerproductie. Mogelijk betreft het van elders afkomstig materiaal, of is het afkomstig van een smederij-locatie in de omgeving. Ten slotte werd in een kuil (Spoor nr. 1) een klein plat fragmentje metaal aangetroffen, waarvan in eerste instantie gedacht werd dat het een munt kon zijn. Na het schoonmaken door de conserveringsspecialist bleek het te gaan om een klein smeltstukje van tin. Er zijn echter geen bewerkingssporen of resten meer zichtbaar.
Afbeelding 30. Versmolten fragment tin. Datering: 14de/ 15de eeuw.
48
4.3.4 Bouwmateriaal Bij het onderzoek zijn 19 stuks keramisch bouwmateriaal en 3 stuks natuurstenen bouwmateriaal verzameld. Het materiaal is voor het grootste deel afkomstig uit sporen. Enkele vondsten zijn aangetroffen in het cultuurdek ter plaatse van de oeverzone van de watergang. Baksteen Het keramisch bouwmateriaal bestaat onder meer uit 12 stuks baksteen. Het betreft materiaal dat in spoorvullingen is aangetroffen, maar ook in de oude cultuurlaag, die ter plaatse van de oeverzone van de watergang nog bewaard was gebleven. De context van de sporen betreft kuil- en slootvullingen, die allen zijn gedateerd in de Late Middeleeuwen. Het baksteenmateriaal is gefragmenteerd. Het betreft brokken, of hooguit halve stenen. Daarom waren geen exacte afmetingen van het oorspronkelijke formaat te herleiden. Van een zevental fragmenten baksteen was de dikte nog te herleiden en van vier fragmenten was ook de breedte nog te herleiden. De dikte van de bakstenen bedroeg 5 - 6.5 cm, met een uitschieter naar 4 cm. De nog te herleiden breedtes lagen tussen 13.5 en 14 cm. Overmatige krimp ten gevolge van het bakproces buiten beschouwing gelaten, leveren de breedtes een te reconstrueren lengte van de bakstenen van circa 27 - 28 cm. Dit betreft formaten die in ZuidHolland doorgaans worden gedateerd in de 14de eeuw.
Uiteraard dient hierbij altijd rekening te worden gehouden met hergebruik van bouwmateriaal, waardoor stenen ook in (veel) jongere contexten kunnen voorkomen. In dit geval kan op basis van de datering van het overige vondstmateriaal uit de sporen worden gesteld dat de dateringen van de verschillende vondstcategorieën goed op elkaar aansluiten en dat de stenen grofweg in de periode dat dergelijke formaten origineel geproduceerd en toegepast werden, ook in de betreffende contexten zijn gedeponeerd. De kleine hoeveelheden baksteen in de sporen (en de afwezigheid van (veel) kleine brokjes) wijzen op een extensief gebruik van het bouwmateriaal en niet op een functie als primair bouwmateriaal ter plaatse van het onderzoeksgebied. Mogelijk zijn de stenen afkomstig van bouwwerken uit de omgeving, zoals het kerkgebouw. Voor het gebruik van de bakstenen kan een breed scala aan toepassingen worden bedacht. Zo kunnen stenen indertijd als stiep onder houten palen zijn gebruikt of bijvoorbeeld in een haardvloertje zijn verwerkt. Huttenleem Er zijn ook zeven fragmenten huttenleem aangetroffen. 20 Deze leemfragmenten zijn aan grote hitte blootgesteld geweest, waardoor de leem secundair gebakken is en bewaard is gebleven. De fragmenten huttenleem betreffen relatief kleine brokjes. Vijf fragmenten zijn aangetroffen in het prehistorische bodemniveau ter plaatse van de restgeul.
Twee fragmenten zijn aangetroffen in een kuilvulling met een laatmiddeleeuwse datering. Naast de gebruikelijke vermenging met zand en organisch materiaal, zijn er weinig bijzonderheden te melden. Bij één fragment is echter duidelijk sprake van een vierkantig uitsteeksel, dat waarschijnlijk is gevormd doordat het als een prop is aangedrukt ter plaatse van een gat in een houtverbinding (zie Afbeelding 31). Leisteen Twee fragmenten van leisteen zijn aangetroffen in laatmiddeleeuwse kuilvullingen. Het betreft één klein fragmentje en een wat groter fragment met een nagelgat. Verreweg het meeste leisteen dat wordt aangetroffen werd in onze streken als dakbedekking gebruikt, zo ook voor wat betreft dit laatstgenoemde fragment met nagelgat. 20
Onder huttenleem wordt verstaan; leem die oorspronkelijk als wandafwerking van vlechtwerkwanden of bijvoorbeeld ovenstructuren werd gebruikt. 49
Voor het leisteen geldt hetzelfde als de baksteen. Het zal niet primair als bouwmateriaal zijn gebruikt bij de lokale dorpsbebouwing, maar is vermoedelijk afkomstig van het kerkgebouw, of een ander gebouw met een belangrijke functie in de omgeving. Mortel Een brok kalkmortel werd aangetroffen in een laatmiddeleeuwse kuil. Het betreft geen restant van een mortel uit metselwerk, maar een in doorsnede ellipsvormig fragment met een gladde buitenzijde (zie Afbeelding 32). De gladde buitenzijde zou kunnen zijn ontstaan doordat de mortel in een ellipsvormig gat van organisch materiaal was aangebracht, waardoor een gladde buitenzijde ontstond. De herkomst van het fragment is verder onduidelijk.
Afbeelding 31. Fragment verbrande huttenleem met vierkantig uitsteeksel. Datering: Bronstijd - IJzertijd.
Afbeelding 32. Fragment geprofileerd mortel. Datering: 14de/ 15de eeuw.
50
4.3.5 Botmateriaal
J. M. Grimm
4.3.5.1 Inleiding In de voorliggende archeozoölogische bijdrage is de analyse van het dierlijk botmateriaal van het onderzoek uitgewerkt. Het vondstmateriaal is voornamelijk afkomstig uit de aanwezige antropogene lagen en uit sporen uit de Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd. De belangrijkste onderzoeksvraagstelling betrof de vraag of op basis van de analyse van het materiaal uitspraken mogelijk waren met betrekking tot de voedseleconomie. 4.3.5.2 Materiaal en methode Opgravingsgegevens Het botmateriaal is in het veld met de hand verzameld. Er zijn geen grondmonsters gezeefd. Resten van kleine zoogdieren, vogels, vissen en amfibieën zijn dan ook niet aangetroffen. Bij de bespreking van de resultaten van de archeozoölogische analyse moet dan ook steeds bedacht worden dat absence of evidence niet hetzelfde is als evidence of absence. Toegepaste verwerkings- en analysemethode De botten zijn zoveel mogelijk tot op soort gedetermineerd met behulp van de eigen vergelijkingscollectie, de gangbare literatuur 21 en de nieuwe 3D-scanmodellen van The Department of Human Evolution van het Max Planck Institute. 22 Daarnaast werd het skeletelement, het deel van het element 23 en de lichaamszijde bepaald. Wanneer van toepassing werd de sekse bepaald en werden brand- 24, knaag-, snij-, hak- en/of bewerkingssporen 25 genoteerd.
Leeftijdsgegevens gebaseerd op de ontwikkeling van het gebit en de fusie van de gewrichten werden genoteerd. 26 Waar mogelijk werden de botten gemeten volgens de aanwijzingen van Von den Driesch (1976). Voor het berekenen van de schofthoogtes is gebruik gemaakt van de formules uit de publicaties van: Teichert, 1975 (schapen), Teichert, 1969 (varken), May, Teichert & Hanneman, 1996 (varken) en Von den Driesch & Boessneck, 1974 (rund). De visresten zijn gemeten volgens de aanwijzingen van Morales & Rosenlund (1979) en de lengtes zijn berekend volgens de formules van Brinkhuizen (1989). Er zijn drie gangbare methoden om de bijdrage van de verschillende diersoorten aan het menu van de mens te bepalen. 27 Bij de eerste methode wordt het aantal fragmenten per diersoort geteld (NISP). De methode is gebaseerd op het feit dat alle zoogdieren en vogels min of meer hetzelfde aantal skeletelementen hebben. Diersoorten waarvan het botmateriaal sterk gefragmenteerd is, worden zo bevoordeeld. Bovendien bevoordeelt de NISP diersoorten met een stevige botstructuur die minder snel vergaat. De NISP is ook sterk afhankelijk van de gekozen verzamelwijze. Op sites waar alleen met de hand verzameld is, missen veelal de kleinere botten. Dit betekent dat kleine diersoorten zoals knaagdieren, vogels, vissen en amfibieën kunnen missen.
Het is daarom belangrijk dat (een deel van) de uitgegraven grond wordt gezeefd. De meest gangbare en bruikbare maaswijdten zijn 2 en 5 mm.
21
Cohen & Serjeantson, 1996; Lepiksaar, 1994; Nickel, Schummer & Seiferle, 2004; Radu 2005; Schmid, 1972; Tomek & Bochenski, 2000 en 2009; Zeder & Pilaar, 2010 22 http://www.eva.mpg.de/evolution/files/downloads.htm 23 Serjeantson, 1996 24 Wahl, 1981 25 Lauwerier, 1988 26 Habermehl, 1975; Jones, 2006 27 Renfrew & Bahn, 1996: 272-3 51
De tweede methode betreft de botgewicht-methode (BW). Deze methode is gebaseerd op het feit dat ongeveer 7% van het levend gewicht van een zoogdier uit bot bestaat. 28 Dit betekent dat het aandeel van een diersoort aan het botgewicht gelijk is aan zijn aandeel in de vleesvoorziening. In tegenstelling tot de NISP is de fragmentatie van het materiaal of het verschil in aantal skeletelementen niet van belang. Hoewel experimenten met gedomesticeerde diersoorten hebben aangetoond dat de relatie tussen botgewicht en vleesopbrengst binnen een ras en tussen verschillende rassen niet constant is, neemt Uerpmann (1972) aan dat deze verschillen in oude rassen nog niet zo sterk waren. Ook is het volgens hem onwaarschijnlijk dat binnen sites met een vergelijkbare datering en cultuur op de ene site alleen lichtgebouwde en op de andere site alleen zwaargebouwde dieren zouden rondlopen. Een aanvullende test, uitgevoerd door Brinkhuizen (1989), toont aan dat de relatie tussen levend gewicht en botgewicht in vissen niet constant is. Dit betekent dat de BW-methode niet geschikt is om het aandeel van vis in het menu te bepalen. De derde methode is complexer en er bestaat geen gestandaardiseerde procedure voor: de minimaal aantal individuen methode (MNI). Het doel van deze methode is het minimaal aantal individuen te achterhalen die vertegenwoordigd zijn in het botmateriaal.
Het gaat hierbij geenszins om absolute aantallen. 29 Het feit dat elke auteur andere criteria gebruikt voor het bepalen van de MNI is een zwak punt van deze methode. 30 Een ander bezwaar van het gebruik van deze methode is het feit dat diersoorten die met maar een paar resten in het materiaal vertegenwoordigd zijn worden bevoordeeld. Daarentegen zijn de fragmentatiegraad en het aantal skeletelementen niet van belang. Het bovenstaande maakt duidelijk dat alle drie de methodes hun sterke en zwakke punten hebben. De eerste twee methoden (NISP en BW) houden geen rekening met de verschillende tapfonomische processen zoals fragmentatie, conservering en opgravingsmethode. Ze gaan ook uit van een bepaalde uniformiteit (alle diersoorten hebben ongeveer evenveel skeletelementen en er is een constante relatie tussen levend gewicht en botgewicht). Daarentegen is het mogelijk om sites met ongeveer dezelfde datering en geografische ligging met elkaar te vergelijken. In deze bijdrage worden daarom alle drie de methoden gebruikt. In het geval van de MNI wordt er rekening gehouden met de zone, lichaamszijde, sekse en leeftijd voor zover bekend. 4.3.5.3 Resultaten van het botmateriaal algemeen Determineerbaarheid Er werd ruim 3.5 kilo (n=73) matig geconserveerd gebleven botmateriaal onderzocht. Het materiaal bestaat uit zoogdier- en vogelbotten.
In totaal kon 68% (n=50) van de resten op soort gedetermineerd worden. De niet te determineren resten bestaan vooral uit kleine stukjes van de lange botten van zoogdieren. Alle niet te determineren zoogdierresten zijn in grootteklassen onderverdeeld. Op grond van het botmateriaal zijn schapen en geiten nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Alleen de schedelnaden op het achterhoofd en enkele kenmerken aan de tanden vormen een zeker scheidingskenmerk. 31 Bij grote aantallen materiaal kunnen ook veel van de post-craniale elementen tot op soort worden gedetermineerd. 32 Geen van de resten kon met zekerheid aan schaap of geit worden toegeschreven. Voor de niet met zekerheid te determineren resten is de categorie schaap/ geit geïntroduceerd.
28
Kubasiewicz, 1956 Uerpmann, 1972 30 Clason, 1972; Hesse & Wapnish, 1985: 66; Renfrew & Bahn, 1991: 250 31 Zeder & Pilaar, 2010 32 Prummel & Frisch, 1986 29
52
Tapfonomische processen Het dierlijk botmateriaal is matig bewaard gebleven en dit betekent dat sporen, zoals vraat en slacht, vaak nog te herkennen zijn. Naast voornamelijk gedisarticuleerd botmateriaal zijn er in Spoor nr. 45 botten gevonden die duidelijk van hetzelfde beest stammen: een linker onderpoot van een rund bestaande uit tibia, calcaneus, metatarsus en beide phalanx 2. Een linker tibia van een niet-volwassen schaap/geit met Vondst nr. 52 heeft naast de diaphyse ook een passende epiphyse. Een deel van het botmateriaal is dus redelijk vers gedeponeerd. In totaal werden op 14% (n=10) van de botten knaagsporen van hondachtigen aangetroffen. Dit laat zien dat tenminste een deel van de botten voor aaseters bereikbaar was en dus niet meteen is gedeponeerd. Ook de botten van de runderpoot uit Spoor nr. 45 vertonen vraatsporen. Overige botten met vraatsporen zijn aangetroffen in Vondst nr. 34, 43 en 66. Op basis van deze vraatsporen kan worden geconcludeerd dat de hondachtigen hebben geknaagd op runder-, varkens- en vogelbotten. Op twee botten zijn slachtsporen aangetroffen. Een metacarpus-fragment van een rund met Vondst nr. 43 vertoont een karakteristiek kapspoor dat ontstaat wanneer het bot geopend wordt om het voedzame beenmerg eruit te halen.
Het tweede bot is een distaal humerus-fragment van rund waarop kapsporen zichtbaar zijn die zijn ontstaan toen het kniegewricht werd doorgekapt. Er zijn geen botten gevonden met sporen van de inwerking van vuur. Samenvattend kan worden geconcludeerd dat het vondstcomplex bestaat uit slachtafval dat deels snel werd gedeponeerd. Indeling De geringe hoeveelheid botmateriaal laat geen onderverdeling toe. Al het gedetermineerde botmateriaal is weergegeven in de determinatielijst in Bijlage 4. Meer details over het botmateriaal zijn te vinden in de database in het landelijke archief (Dans Easy). 4.3.5.4 Analyse In het bescheiden vondstcomplex van 50 tot op soort te determineren dierenbotten overheerst het rund. Daarnaast zijn ook botten van paard, schaap/ geit, varken, hond en zwaan aangetroffen (zie Tabel 5). Diersoort Rund (Bos taurus) Paard (Equus caballus) Schaap/ Geit (Ovis/ Capra) Varken (Sus domesticus) Hond (Canis familiaris) Zwaan (Cygnus sp.) Ondetermineerbaar Groot zoogdier Middelgroot zoogdier Totaal
NISP 34 4 2 8 1 1
BW MNI 2041 3 976 2 78 1 211 2 10 1 28 1
19 4 73
147 11 3502
10
Tabel 5. Overzicht van NISP, BW en MNI per diersoort.
Grootschalig onderzoek aan botcomplexen van IJzertijd-nederzettingen in Engeland heeft aangetoond dat de analyse van materiaal met een gecombineerde NISP rund + schaap/ geit + varken van minder dan 300 niet betrouwbaar is. Het is zelfs wenselijker om alleen complexen met een gecombineerde NISP van >500 te analyseren (Hambleton, 1999). 53
Aan deze voorwaarde voldoet het vondstmateriaal van het onderhavig onderzoek niet en dus kunnen er geen betrouwbare uitspraken worden gedaan over de werkelijke aandelen van rund, paard, schaap/ geit en varken binnen de veestapel.
Afbeelding 33. Mogelijke speelsteen van runderbot uit Spoor nr. 45. Aanzicht: dorsal, palmar en proximal.
Runderen Op basis van het botmateriaal kan worden geconcludeerd dat er zowel jongere als oudere runderen werden gehouden. Meer specifiek was een kaak afkomstig van een jong rund van 15 - 18 maanden oud. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de runderen waarschijnlijk gehouden werden voor de productie van een scala aan producten waaronder vlees, melk, trekkracht, mest, huiden, etc. Hoewel gebaseerd op weinig materiaal, lijkt het erop dat alle delen van het skelet vertegenwoordigd zijn. Wel wordt duidelijk dat de matige conservering vooral de stevigere botten van onderkaak en onderpoot heeft begunstigd. De runderpoot uit Spoor nr. 45 levert een schofthoogte op van 1.22 meter (metatarsus). Ter vergelijking: een moderne zwart-witte melkkoe heeft een gemiddelde schofthoogte van 1.45 meter. Eveneens afkomstig uit Spoor nr. 45 is het enige stuk bot met bewerkingssporen (zie Afbeelding 33). Het gaat om een 1ste phalanx van een volwassen rund, met een geboord axiaal gat erin. Het gaatje is 8.2 mm breed. Het stukje bot is duidelijk veel in de hand genomen, getuige de glanzende plekken op het bot. Het is door de vraatsporen niet helemaal duidelijk of het bot bijgekapt is om een meer rechthoekige vorm te verkrijgen. Het is waarschijnlijk dat dit bot is gebruikt als speelsteen. Via het gat kon de speelsteen mogelijk worden verzwaard.
Schaap (geit) Van de twee gevonden botten van schaap/ geit kan gezegd worden dat het in een geval om een subadult dier van minder dan 42 maanden ging. Varken Bij de botten van de varkens zijn alleen botten van subadulte en jongere dieren aanwezig, wat ook logisch is voor een primaire vleesleverant als het varken. Meer specifiek betrof een onderkaak een beestje van 4 - 6 maanden oud.
54
Paard Ook van het paard zijn zowel de botten van een volwassen als van een heel jong dier gevonden. De losse tanden uit de onderkaak laten zien dat het hierbij gaat om een beestje van maar 6 weken oud. Hond Van de hond is een botje van een volwassen dier gevonden. Zwaan Van een volwassen zwaan is het proximale deel van een rechter humerus gevonden. Het bot is behoorlijk kapot geknaagd en daarom niet verder op soort gebracht. 4.3.5.5 Beantwoording onderzoeksvragen De geringe omvang van het vondstcomplex laat geen uitgebreide analyse of een zinvolle vergelijking met andere vindplaatsen toe. Wel kan worden geconcludeerd dat in de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd rund, paard, varken, schaap/ geit, zwaan en hond aanwezig waren in het dorp Schoonrewoerd. De slachtsporen laten zien dat rund in elk geval op het menu stond. Daarnaast laat een mogelijke speelsteen zien dat runderbotten ook werden gebruikt als grondstof. Het gevonden zwanenbot zou kunnen duiden op vogelvangst langs de rivier de Linge. Economie Leerdam, waartoe het dorp Schoonrewoerd tegenwoordig behoort, is vooral bekend van de glasindustrie en meer recent van de kaasproductie. Niet-economisch gebruik van dieren Er zijn geen (deel)skeletten aangetroffen die op rituele handelingen wijzen.
Landschap Primaire landschapsindicaties (bepaalde wilde diersoorten die specifiek zijn voor een biotoop) zijn niet gevonden in het faunamateriaal. De onderzoekslocatie ligt aan de rand van een terp omgeven door polder- en drechtvaaggronden (Bodemkaart van Nederland, 2006). Hier treden periodiek hoge waterstanden op. Dit maakt het landschap minder geschikt voor schapenteelt vanwege de leveregelparasiet (Prummel, 1979). Wel is dit landschap zeer geschikt voor runderen en paarden omdat deze per dag veel zoet drinkwater en ruimte nodig hebben om te grazen. Varkens associëren we eerder met de bossen en de zandgronden. Echter, de geringe ouderdom van tenminste een deel van het botmateriaal geeft aan dat het vlees niet langer uitsluitend lokaal werd geproduceerd. De rivier de Linge bood een prima biotoop voor vogels en vis. Het zeven van grondmonsters uit sporen met een goede botconservering is voor archeologisch vervolgonderzoek dan ook zeker aan te raden. 4.3.5.6 Conclusie en samenvatting Het dierlijk botmateriaal van de vindplaats bestaat uit slachtafval van rund, schaap/ geit, varken en paard. Daarnaast zijn er ook botten van hond en zwaan aangetroffen. Het rivierenlandschap bood goede mogelijkheden voor de runderteelt en het houden van paarden en daarnaast voor de vogelvangst.
Er moet echter bedacht worden dat de geringe ouderdom van tenminste een deel van het botmateriaal een aanwijzing is dat niet meer al het vlees lokaal werd geproduceerd.
55
4.4 Monsters 4.4.1 C14-monster Zoals eerder vermeld is er uit een houtskoolconcentratie (Spoor nr. 44) in de bovenste humeuze vegetatiehorizont ter plaatse van de restgeul van de Schoonrewoerdse Stroomrug een houtskoolmonster genomen. Dit met het doel deze laag nader te dateren door middel van een C14datering. In deze laag was immers, naast andere archeologische indicatoren, aardewerk aangetroffen waarvan enkele fragmenten konden worden gedateerd in de Midden Bronstijd. Het C14-monster heeft een datering opgeleverd van 3070 ± 30 BP, ofwel een gekalibreerde datering van 1415 - 1236 voor Chr. (zie ook Bijlage 8). 33 Dit betreft de periode van de Midden Bronstijd B.
4.4.2 Waardering en analyse macrobotanische monsters
N. van Asch
4.4.2.1 Inleiding Tijdens archeologisch onderzoek in het Plangebied Noachschool te Schoonrewoerd, zijn verschillende sporen en structuren bemonsterd ten behoeve van archeobotanisch onderzoek (zie Tabel 6). Dit betreft zowel monsters voor onderzoek van botanische macroresten (zaden en vruchten) als van pollen (stuifmeel). De monsters zijn afkomstig uit prehistorische vegetatieniveaus en laatmiddeleeuwse sporen. In eerste instantie zijn de monsters gewaardeerd om na te gaan of deze informatie konden bieden over de regionale en lokale vegetatie, dan wel de voedseleconomie van de laatmiddeleeuwse bewoners van het gebied. Vervolgens is het macrorestenmonster uit de laatmiddeleeuwse kuil, Spoor nr. 35 (Monster nr. 101) geanalyseerd.
Monster nr. Spoor nr. PutProfiel Laag/ vulling MZ/MP W/A Context 01 1 1 Vulling 4 MZ W Kuil, Late Middeleeuwen, verm. 14de eeuw 02 1 1 Vulling 3 MZ W Kuil, Late Middeleeuwen, verm. 14de eeuw 04 1 2 Laag 20 MZ W Vegetatieniveau t.p.v. restgeul, NEO - IJZ 05 1 2 Laag 20 MP W Vegetatieniveau t.p.v. restgeul, NEO - IJZ 101 35 1 Vulling 3 MZ A Kuil, Late Middeleeuwen, verm. 14de eeuw 102 40 1 organische VullingMZ W Sloot, Late Middeleeuwen, verm. 14de eeuw 104 1 5 Laag 6 MP W Vegetatieniveau t.p.v. restgeul, NEO - IJZ 103 1 5 Laag 8 MP W Vegetatieniveau t.p.v. restgeul, NEO - IJZ 106 45 1 Vulling 5 MZ W Kuil, Late Middeleeuwen, verm. 14de eeuw Tabel 6. Botanische monsters en bijbehorende contexten. MP = pollenmonster, MZ = macrorestenmonster. W = waardering, A = analyse.
4.4.2.2 Methoden 4.4.2.2.1 Macroresten De monsters voor botanische macroresten, vruchten en zaden zijn gezeefd over een tweetal zeven met maaswijdten van 0.25 mm en 0.5 mm. De beide fracties zijn bekeken onder een binoculair met een vergroting van maximaal 40x. In eerste instantie zijn de monsters gewaardeerd, waarbij globaal is gekeken naar de aanwezige plantensoorten en de conserveringstoestand van de macroresten.
33
Beta-462982. Waarschijnlijkheid : 95.4 %. 56
In het monster uit het vegetatieniveau (Monster nr. 4) zijn in het geheel geen zaden of vruchten aangetroffen. In de monsters uit de laatmiddeleeuwse contexten zijn wisselende hoeveelheden zaden en vruchten aangetroffen. De meeste cultuurgewassen zijn tijdens de waardering aangetroffen in het monster uit kuil Spoor nr. 35 (Monster nr. 101). Dit monster is vervolgens geanalyseerd, omdat dit monster de meeste informatie kon bieden omtrent de voedseleconomie. Bij de analyse is dit monster uitgezocht tot de kans op nieuwe soorten statistisch verwaarloosbaar was. De resultaten van het macrobotanisch onderzoek zijn weergegeven in Bijlage 9. Voor determinatie van de vruchten en zaden is gebruik gemaakt van de “Digitale zadenatlas” en de “Zadenatlas der Nederlandsche Flora”.34 De naamgeving van de plantensoorten die als macroresten worden gevonden is gebaseerd op deze determinatiewerken. Voor de indeling in plantengroepen is onder andere gebruik gemaakt van de “Herziening van de indeling in ecologische soortengroepen voor Nederland en Vlaanderen”, de “Nederlandse Oecologische Flora” en de “Heukels flora”.35 4.4.2.2.2 Pollen De vegetatieniveaus zijn in het veld met behulp van pollenbakken bemonsterd. Uit elke laag is vervolgens een pollenmonster genomen van 2 - 3 cm.
De drie monsters zijn volgens de standaardmethoden van Fægri & Iversen door het Laboratorium Sedimentanalyse op de Vrije Universiteit opgewerkt.36 Het pollen is gewaardeerd met een microscoop met vergroting 400 - 1000x en gedetermineerd met behulp van de standaarddeterminatie werken van Moore et al., Beug en de “Northwest European Pollen Flora”, vol. I-VIII. 37 Tijdens de waardering is globaal gekeken welke plantensoorten voorkwamen in de monsters en naar de concentratie en conserveringstoestand van het pollen. Vanwege de zeer lage concentratie van het pollen kwamen de monsters niet in aanmerking voor analyse (zie Tabel 7). 4.4.2.3 Resultaten Eerst is kort ingegaan op de resultaten van de gewaardeerde monsters uit de vegetatieniveaus. Vervolgens zijn de resultaten van de macrorestenmonsters uit de laatmiddeleeuwse sporen beschreven. Hierbij ligt de nadruk op het geanalyseerde macrorestenmonster uit de kuil, Spoor nr. 35 (Monster nr. 101), maar zijn ook de (beperkte) resultaten van de gewaardeerde monsters meegenomen. 4.4.2.3.1 Prehistorisch vegetatieniveau In het macrorestenmonster uit het vegetatieniveau zijn in het geheel geen zaden en vruchten aangetroffen (zie Bijlage 9). Het pollen in de drie monsters is redelijk tot goed geconserveerd, maar heeft een zeer lage concentratie (zie Tabel 7).
In de monsters is wat pollen aangetroffen van bomen en struiken, zoals els (Alnus), den (Pinus) en hazelaar (Corylus), evenals van grassen (Poaceae) en kruiden, zoals ganzenvoetachtigen (Amaranthaceae) en composieten (Aster-type, Asteraceae liguliflorae). Ook zijn sporen aangetroffen van varens (Dryopteris-type) en veenmos (Sphagnum). Vanwege de zeer lage pollenconcentratie kwamen de drie monsters niet in aanmerking voor analyse. De aangetroffen soorten zijn alle zeer algemeen. De pollenmonsters hebben dan ook geen indicaties opgeleverd omtrent de ouderdom van de vegetatieniveaus.
34
Beijerinck, 1947; Cappers et al., 2006 Van der Meijden, 2005; Tamis et al., 2004; Weeda et al., 1985; 1987; 1988; 1991; 1994 36 Faegri en Iversen, 1989 37 Beug, 2004; Moore et al.,1991; Punt et al., 1976-2003 35
57
Analyse aan te raden
Schimmelsporen & parasieten
34 20 Vegetatieniveau NeoR-G t.p.v. restgeul IJzertijd
-
-
Nee
LEEM- 5 104-9
9
-
-
Nee
LEEM- 5 103-16
16 8
-
-
Nee
6
S xxxx Alnus, Pinus, Amaranthaceae, Asteraceae liguliflorae, Poaceae Vegetatieniveau NeoR-G S xxxx Alnus, Pinus. Asteaceae t.p.v. restgeul IJzertijd liguliflorae, Poaceae Vegetatieniveau NeoR-G S xxxx Alnus, Pinus, Corylus, t.p.v. restgeul IJzertijd Asteraceae liguliflorae, Aster- type, Poaceae, Cyperaceae, Dryopteris-type, Sphagnum
Mogelijke menselijke invloed
Inhoud
Houtskool
Concentratie
Conservering
Ouderdom
Context
Laag
Diepte (cm)
Profiel
Veldcode
LEEM- 2 5-34
Tabel 7. Waardering pollenmonsters. Conservering en concentratie: S = slecht, R = redelijk, G = goed. Houtskool: xxxx = dominant.
4.4.2.3.2 Laatmiddeleeuwse contexten Hieronder zijn de resultaten weergegeven van de analyse van de macrorestenmonsters uit de laatmiddeleeuwse contexten. De resten in deze monsters zijn overwegend onverkoold (zie Bijlage 9). Eerst is ingegaan op de aangetroffen cultuurgewassen. Vervolgens komen de wilde planten aan bod. Graan In het geanalyseerde monster (Monster nr. 101) zijn duizenden graanzemelen aangetroffen. Dit graan zal zijn gegeten door de bewoners van het gebied. De graanfragmenten zijn als onderdeel van menselijke uitwerpselen (beer) in de kuil terecht gekomen. Aangezien het fragmenten betreft, wijst dit erop dat het graan is vermalen. Het zou goed kunnen dat het graan is gegeten in de vorm van brood. Op basis van de gefragmenteerde zemelen kan niet worden vastgesteld welke graansoort het hier betrof. Wel is in één van de gewaardeerde monsters (Monster nr. 2) een verkoolde graankorrel aangetroffen van spelt- of emmertarwe (Triticum aestivum ssp. spelta, T. dicoccum). Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat er spelt- of emmertarwe werd gegeten. Emmertarwe maakt al vanaf het begin van de landbouw deel uit van het dieet.38 Met name tijdens het Neolithicum en de Bronstijd was het een belangrijk gewas en werd het verbouwd van Spanje tot in Scandinavië. 39 Pas vanaf de Middeleeuwen nam het gebruik van deze soort af.
Emmertarwe heeft een laag gehalte aan gluten, waardoor het niet zo geschikt is voor het bakken van brood. Bovendien is emmertarwe een zogeheten bedekte graansoort. De term ‘bedekt’ houdt in dat het lemma en palea (de kroonkafjes) strak om de graankorrels heen zitten, wat een extra stap in het dorsingsproces vergt om deze van de korrels te verwijderen. Het is echter ook mogelijk om een bedekte graansoort inclusief kaf te malen; het kaf kan er dan in een latere fase eenvoudig worden uitgezeefd. 40 Toch werd deze graansoort uiteindelijk vrijwel geheel verdrongen door onbedekte graansoorten als broodtarwe en rogge. 41 38
Bakels, 1997 Bakels, 1997 40 Persoonlijke communicatie R. Cappers, 2016 41 Kalkman, 2003 39
58
Spelttarwe is eveneens een bedekte graansoort. Vanaf de IJzertijd kon deze soort als cultuurgewas worden aangetroffen, zij het in bescheiden hoeveelheden. 42 Vanaf de Romeinse Tijd kwam spelttarwe veelvuldig voor, omdat dit door de Romeinen massaal werd verbouwd op de villae rusticae.43 Door het hoge glutengehalte is spelttarwe het eiwitrijkst van de granen. Spelt is ook geschikt om brood van te bakken. Desondanks is het eeuwenlang als brei gegeten, waar dat elders met havermout werd gedaan. 44 Mede doordat er een andere variant gluten in voorkomt dan in broodtarwe, is de soort tegenwoordig weer in toenemende mate populair. Ondanks dat andere graansoorten niet geïdentificeerd konden worden, is het goed mogelijk dat er ook rogge werd gegeten. Een deel van de aangetroffen onkruiden wijst namelijk op de aanwezigheid van roggeakkers in de omgeving (zie wilde planten). Dit is niet verwonderlijk, want rogge was in de Middeleeuwen uitgegroeid tot de belangrijkste graansoort op het menu.45 Fruit De fruitsoorten zijn goed vertegenwoordigd in de monsters, met resten van bosaardbei (Fragaria vesca), gewone braam (Rubus fruticosus), framboos (Rubus idaeus), gewone vlier (Sambucus nigra), aalbes (Ribes rubrum), zoete kers (Prunus avium), appel of peer (Malus domestica/Pyrus communis), moerbei (Morus nigra), vijg (Ficus carica) en druif (Vitis vinifera).
Deze vruchten zullen zijn gegeten door de bewoners van het gebied. De bosaardbei, waarvan in de monsters pitjes zijn aangetroffen, is niet dezelfde vrucht die nu als aardbei wordt gegeten. De gewone aardbei (Fragaria x ananassa) zoals wij die kennen, is halverwege de 18de eeuw ontstaan als kruising tussen een Noord- en Zuid-Amerikaanse soort en deze bestond dus nog niet in de Late Middeleeuwen. 46 De bosaardbei is kleiner en wat zuurder van smaak dan de gewone aardbei. De bosaardbei groeit veelal op kalkhoudende of lemige grond en heeft een voorkeur voor plaatsen waar veel stikstof vrijkomt uit humus. De soort vermijdt echter sterk bemeste grond. 47 De natuurlijke standplaatsen van de bosaardbei zijn te vinden in gemengde loofbossen. De soort komt echter ook voor in beschaduwde bermen. 48 De bosaardbei werd vanaf de 10de eeuw verzameld als de 49 voedsel, maar werd vanaf de 14 eeuw ook steeds meer verbouwd als gewas. Het is mogelijk dat dit gekweekte aardbeien betreft, maar de vruchten kunnen ook uit het wild zijn verzameld. Bramen (zie Afbeelding 34) zullen uit het wild zijn verzameld. In het wild komt de braam voor op droge tot natte, al of niet voedselrijke grond in bossen, heggen en ruigten en op omgewerkte grond. Braam kan overal goed groeien en heeft een voorkeur voor ruigten op stikstofrijke grond.
Ook frambozen (zie Afbeelding 34) werden mogelijk uit de omgeving verzameld. Hoewel de vroegste schriftelijke bronnen die de teelt van frambozen vermelden uit de 16de eeuw dateren, kan niet worden uitgesloten dat dit ook al eerder gebeurde. Gewone vlier groeit, net als braam, op stikstofrijke grond en zou in de nabijheid van de kuil kunnen hebben gegroeid. 50 Van de gewone vlier kunnen verschillende delen van de plant zijn gebruikt. De bessen kunnen worden gebruikt voor het maken van onder meer sap, jam of vlierbessenwijn en jenever.51 Daarnaast kan de bloesem worden gebruikt voor hetr bereiden van siroop. Ten slotte is het hout van de vlier geschikt om kleine voorwerpen van te vervaardigen, want het hout splintert niet. 42
Kalkman, 2003: 39; Knörzer, 1999: 88 Bakels, 2009: 167 44 Körber-Grohne, 1994: 68-77 45 Van Haaster, 1997: 66 46 Kalkman, 2003 47 Weeda et al., 1987: 88-90 48 Weeda et al., 1987: 88-90 49 Weeda et al., 1987: 88-90 50 Weeda et al., 1988: 165 51 Kalkman 2003, 172 43
59
De aalbes (zie Afbeelding 34) groeit aan lage struiken, die ook in de vrije natuur voorkomen. Al in de Late Middeleeuwen werd deze fruitsoort vermeld. 52 De teelt van aalbessen wordt vermeld in schriftelijke bronnen uit de 15de en 16de eeuw en vanaf de 17de eeuw werden ze erg populair. 53 Dodoens duidt aalbessen in zijn 16de -eeuwse Cruijdeboeck aan als 'besiekens van overzee', wat erop kan wijzen dat aalbessen oorspronkelijk niet inheems zijn.54 De bessen zijn rood of wit. De soort is op grotere schaal in cultuur gebracht dan zijn verwanten, de kruisbes en de zwarte bes. De bessen zijn sappiger en zuurder en werden vooral tot sap verwerkt.55 Het is ook mogelijk om er wijn of bessenjenever van te maken.
Afbeelding 34. De fruitsoorten zijn onder meer vertegenwoordigd door (van links boven naar rechts onder) braam, aalbes, vijg, framboos, moerbei en druif. Foto’s: J.A.A. Bos (braam, vijg, moerbei, druif). L. Viatour (aalbes) 56 en H. Storch (framboos). 57
Kersen en appels of peren kunnen in boomgaarden in de omgeving zijn verbouwd. Kersen kunnen niet narijpen na de pluk en moeten dus rijp geplukt worden. Dit maakt de vrucht wel kwetsbaar. Zoete kersen moesten daarom niet te lang bewaard worden en het liefst binnen een dag worden verhandeld en gegeten. 58 Ook van appels en/of peren zijn in de monsters pitten aangetroffen. De pitten van appel en peer kunnen niet goed van elkaar worden onderscheiden. Vanaf de Romeinse Tijd werden appels in boomgaarden verbouwd, terwijl peren pas in de Merovingische periode werden geïntroduceerd in de fruitteelt.59 Zowel appels als peren maakten in de Late Middeleeuwen een grote groei door voor wat betreft het aantal rassen.60 De vruchten kunnen vers als tafelfruit gegeten worden, maar kunnen ook worden verwerkt tot moes of andere producten.61
52
Burema, 1953: 48 Dodoens, 1554; Van Haaster, 1997: 68 54 Dodoens, 1554 55 Kalkman, 2003: 174; Weeda et al., 1985: 288; Van Haaster, 1997 56 http://commons.wikimedia.org/wiki/File:Ribes_rubrum_fruit_Luc_Viatour.JPG. 57 http://hr.wikipedia.org/wiki/Datoteka:Rubus_idaeus_-raspberry_-_Himbeere.jpg. 58 Kalkman, 2003: 158; van Haaster, 1997: 67 59 Bakels, 2009: 206 60 Van Haaster, 1997: 86 61 Kalkman, 2003: 161-3 53
60
De moerbei (zie Afbeelding 34) is een Karolingische introductie in de fruitteelt en komt oorspronkelijk uit het Middellandse Zeegebied en het Nabije Oosten.62 De zwarte moerbei behoort tot dezelfde familie als de vijg. 63 De zwarte moerbei is een kleine boom waarvan de vruchten eetbaar zijn en een zoete smaak hebben. De vruchten lijken enigszins op bramen en frambozen, maar zijn geen familie. Moerbeien kunnen vers gegeten worden, maar ook in wijn of jam worden verwerkt.64 Tot slot is het fruit vertegenwoordigd door vijg en druif. Vijg (zie Afbeelding 34) is een schijnvrucht die veel suiker bevat en daarom goed kan worden gedroogd. 65 Hierdoor is het goed mogelijk om deze over grotere afstanden te transporteren. Ook de druif (zie Afbeelding 34) kan door zijn hoge suikergehalte goed worden gedroogd (krenten, rozijnen) en is daardoor goed geschikt voor transport. Deze beide fruitsoorten worden tegenwoordig niet veel meer gekweekt in Nederland, maar door het warmere klimaat in de Middeleeuwen was dit in die periode wel mogelijk.66 Uit historische bronnen is bekend dat in de Nederlanden toen hier en daar wel vijgen en druiven werden verbouwd, maar dat was waarschijnlijk lang niet voldoende om de grote vraag naar de vruchten tijdens de traditionele vastenperiode te dekken.
Het is dan ook aannemelijk dat een groot deel van de gegeten vijgen en druiven werd geïmporteerd uit het Mediterrane gebied.67 Oliehoudende gewassen Naast graan en fruit zijn de cultuurgewassen vertegenwoordigd door verschillende oliehoudende gewassen. Zo zijn resten aanwezig van lijnzaad (Linum usitatissimum) en hennep (Cannabis sativa). Deze gewassen kunnen beide zowel voor de vezels als voor de oliehoudende zaden worden verbouwd. Lijnzaad (afb. 2) is afkomstig van de vlasplant, die in Europa al vele duizenden jaren in cultuur is. Lijnzaad behoort zelfs tot één van de zeven gewassen die het eerst verbouwd werden op de lössgronden van West-Europa. 68 Eén van de redenen voor de teelt was om olie uit de zaden te winnen. Vlas werd bovendien veel gekweekt om de vezels uit zijn stengelbast, waar linnen van werd gemaakt. Na een reeks aan bewerkingen, zoals het drogen, repelen, roten, opnieuw drogen, brakelen, zwingelen en hekelen van de stengelvezels, waren ze klaar om te worden gesponnen en bijvoorbeeld tot textiel te worden geweven. Ook hennep kon voor de vezels worden verbouwd (zie Afbeelding 35). De vezels die hennep levert, zijn vrij grof in vergelijking met bijvoorbeeld linnen. Het is hierdoor meer geschikt voor touw dan voor kledingtextiel, hoewel dit laatste ook gebeurde. Verder kan hennep ook geteeld zijn om het zaad.
Het zaad van de hennepplant is goed geschikt voor consumptie en werd uitgeperst voor de olie.69 Hennepzaadolie is zeer gezond omdat het veel essentiële vetzuren bevat. De olie kan ook worden toegepast in producten als verf. Het zaad kan ook worden verwerkt tot diervoeder. De hars van hennep kan medicinaal worden gebruikt.70 Op basis van de resten kan niet worden vastgesteld voor welk doeleind lijnzaad en hennep hier werden gebruikt. De oliehoudende gewassen zijn verder vertegenwoordigd door zaden van zwarte mosterd. Zwarte mosterd is oorspronkelijk waarschijnlijk afkomstig uit het Middellandse Zeegebied en werd vanaf de Middeleeuwen ook in Nederland verbouwd.71 De zaden bevatten mosterdolie en kunnen worden gebruikt om mosterd van te maken.
62
Van Haaster, 1997: 65 Van der Meijden, 2005: 400 64 Kalkman, 2003: 176 65 Kalkman, 2003 175-16 66 Kalkman, 2003; Van Haaster, 1997 67 Van Haaster, 2006: 154 68 Bakels, 2009: 31 69 Kalkman, 2003: 85 en 263 70 Van Haaster, 2008: 17 71 Van Haaster, 1997: 63 63
61
Afbeelding 35. Lijnzaad (links) en hennep (rechts) kunnen beide zowel voor de vezels als voor de oliehoudende zaden verbouwd worden. Foto’s: R. Hjelmstad (links) 72 en M. Elemans (rechts) 73.
Het laatste oliehoudende gewas dat hier besproken wordt, is Papaver somniferum. Van deze soort bestaan verschillende varianten, zoals bijvoorbeeld maanzaad en slaapbol. Zaden van maanzaad kunnen worden gegeten en dienen vaak als garnering voor brood en dergelijke. Tevens kunnen de zaden worden gebruikt om olie van te persen. Aangenomen wordt, dat de zaden reeds tijdens de prehistorie vanwege die laatstgenoemde functie in cultuur waren gebracht. De eerste persing van maanzaad wordt als tafelolie gebruikt. De tweede persing wordt vaak in verfstoffen gebruikt. Maanzaad bevat vrijwel geen opiaten, in tegenstelling tot de slaapbol. Hiervan bevat het melksap van de onrijpe doosvruchten opium, waar onder andere morfine en codeïne uit gemaakt wordt.74 In de Middeleeuwen werd opium in Europa uitsluitend gebruikt voor medicinale en niet voor recreatieve doeleinden. 75 Wilde planten Naast resten van verschillende cultuurgewassen zijn in het geanalyseerde monster ook onverkoolde resten aangetroffen van wilde plantensoorten. Dit betreft overwegend soorten die vaak als onkruid in akkers en moestuinen voorkomen.