Bijlage 5 - Rapport Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden.pdf
Tekst van het document
Waardering
Minimaal 4x ++
Gebied / ensemble met zeer hoge waarde (Orde1)
Minimaal 2x ++ en 2x +
Gebied / ensemble met hoge waarde (Orde 2)
Minimaal 4x +
Gebied / ensemble met positieve (middel hoge) waarde (Orde 3)
Tabel 2. Scores en klassen van de waardering historische stedenbouw / ensembles.
De drie verschillende waarden-schaalniveaus kunnen als volgt worden gedefinieerd: Stedenbouwkundig waardevol gebied “zeer hoge cultuurhistorische waarde” (orde 1) De historische situatie is gaaf en goed herkenbaar en de historische zeggingskracht is zeer hoog. Deze gebieden kunnen als relatief zeldzaam worden beschouwd en ogen in structuur en (oorspronkelijk) bebouwingsbeeld gaaf. Het stedenbouwkundige ensemble is zeer duidelijk een weerslag van een belangrijke fase in de historische ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Vijfheerenlanden (kernen en buitengebied). Het gebied draagt om hoge mate bij aan de identiteit van de gemeente Vijfheerenlanden. Stedenbouwkundig waardevol gebied “hoge cultuurhistorische waarde” (orde 2) De historische situatie is overwegend gaaf en goed herkenbaar. Er is een hoge mate van zeggingskracht. Het stedenbouwkundige ensemble is duidelijk een weerslag van een belangrijke fase in de historische ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Vijfheerenlanden (kernen en buitengebied). Het gebied draagt bij aan de identiteit van de gemeente Vijfheerenlanden. Meestal is er geen sprake van een hoge zeldzaamheidswaarde.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[26]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Stedenbouwkundig waardevol gebied “positieve / middelhoge cultuurhistorische waarde” (orde 3) De historische situatie is nog redelijk gaaf en vooral in de structuur herkenbaar als onderdeel van de stedenbouwkundige ontwikkeling. Het draagt bij aan de identiteit van de gemeente Vijfheerenlanden. Het karakter kan op onderdelen veranderd of verstoord zijn. Er is geen sprake van een hoge zeldzaamheidswaarde.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[27]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
3 Historisch cultuurlandschap In § 1.2.4. is in grote lijnen ingegaan op de landschapsgeschiedenis van de gemeente Vijfheerenlanden en op de drie grote landschapscategorieën die daarbij ontstaan zijn, de oeverwalontginningen, de veenontginningen en de uiterwaarden. Daarbij is ook een kaart opgenomen van de oorspronkelijke ontginningseenheden (figuur 5). Bijzonder in de gemeente Vijfheerenlanden is dat deze ontginningsblokken en de bijbehorende ontginningsrichtingen nog goed in het landschap zijn te herkennen. In dit hoofdstuk werken we de landschappen binnen de grote landschapscategorieën verder uit.
3.1 Karakterisering van de historische landschappen 3.1.1
Oeverwalontginningen
Inleiding In de vroege middeleeuwen (500-1000 na Chr.) beperkte de bewoning in de gemeente Vijfheerenlanden zich tot de stroomruggen en de hogere delen van de oeverwallen. Door hun verhoogde ligging in het nog onbedijkte landschap en hun zeer vruchtbare karakter warden deze delen bij uitstek geschikt voor akkerbouw, het meest intensieve onderdeel van de toen gebruikelijke gemengde bedrijfsvoering. De oeverwallen waren door de stevige en hoger gelegen ondergrond daarnaast ook geschikt om op te bouwen en om wegen aan te leggen. Mede dankzij de nabijheid van bevaarbaar water zouden hier later ook de steden ontstaan.
Figuur 6. Historisch akkerland (lichte vlakken) bij Vianen kort voor de Tweede Wereldoorlog (uitsnede uit de Topografische Kaart, blad 38f (1936), oorspronkelijke schaal 1:25.000).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[28]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[29]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Op de kaart zijn de oeverwallen onderverdeeld in de onderstaande varianten (kaartbijlage 1). 1 Oeverwalontginning, open akkercomplex De akkers waren het belangrijkste onderdeel van de ontginningen op de oeverwal. We nemen aan dat hier al in de vroege middeleeuwen sprake was van bewoning en ontginning. Van oorsprong lagen de vroegste ontginningen als kleine eilandjes tussen het zware loofbos dat van nature op de oeverwallen groeide. Ze werden vaak ‘ing’ genoemd, nog te herkennen in de toponiemen Everd -ing-en en Helsding-en. Deze benaming is verwant aan de vormen enk, eng, of es , voor akkercomplexen op de zandgronden. Op de bredere en hogere oeverwallen groeiden de van oorsprong kleine akkertjes in de loop van de middeleeuwen en nieuwe tijd uit tot grotere aaneengesloten complexen met akkerland. Tussen de akkers lagen geen veekerende singels of wallen en sloten waren vanwege de re latief hoge ligging niet nodig om water af te voeren. Het water zakt hier (bij normale rivierwaterstanden) gemakkelijk weg via de zandige ondergrond van de oeverwallen. Daardoor ontstonden open akkerlandschappen die wel worden aangeduid als ‘open fields’. Het kostbare akkerland was niet bebouwd. Boerderijen lagen op de rand van de akkercomplexen. Een deel van de bewoning trok naar de dijk, waarvan het binnentalud veilig gewaand werd bij overstromingen.
De grote akkercomplexen lagen vooral bij Vianen, met n ame op de door de rivier verlaten Hagesteinse Stroomgordel. De meeste open akkercomplexen zijn verdwenen onder de bebouwde kom van Vianen. Ridderoord, ten noorden van Hagestein, is een van de laatst overgebleven voorbeelden. Open akkercomplexen kwamen ook voor bij Ameide, ten zuiden van het nu verdwenen kasteelterrein Herlaer. Hier lag een vrij uitgestrekt gebied ‘Hooge Waard’ met zeer goede en voldoende hooggelegen grond die deel uit maakte van de ambachtsheerlijke landerijen van Herlaer. Dit gebied was waarschijnlijk, net als in de omgeving, bij de ontginning opgedeeld in stroken, maar op de relatief hooggelegen grond was een intensief slotenpatroon niet nodig. Hierdoor konden de percelen aaneengroeien tot aaneengesloten akkers. Het gebied bestaat nog steeds uit grotere percelen, direct naast het oude kasteelterrein van Herlaer, maar is nu grotendeels met boomgaarden beplant. Het zuiden is verdwenen onder de bebouwing van Ameide. Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - Het open akkergebied was in kavels ingedeeld, maar die waren door het ontbreken van zichtbare perceelsscheidingen niet zichtbaar. Meerdere grondeigenaren bewerkten het open akkercomplex.
Het gebied bij boerderij Ridderoord behoorde in 1832 nog in zijn gehe el tot de ambachtsheerlijkheid van Hagestein en was dus ook kadastraal amper onderverdeeld. De akkercomplexen bij Ameide waren waarschijnlijk ontstaan uit stroken. Grondgebruik - Het grondgebruik was akkerland. Wegen en waterlopen
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[30]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
- De wegen op de hoge delen van de bredere oeverwallen hadden vaak een bochtig verloop. De wegen vermeden de open akkercomplexen, Door de relatief hoge ligging was het niet nodig sloten aan te leggen. Deze ontbreken hier dan ook volkomen. Bebouwing - De open akkers waren onbebouwd. De boerderijen lagen langs de rand vooral op de overgang naar het gras en hooiland. Begroeiing en openheid - Open akkerland was per definitie alleen begroeid met gewassen waardoor vooral ’s -winters het open karakter duidelijk aanwezig was. Op de open akkercomplexen stonden geen boerenerven. Die stonden langs de rand van de akkers en waren door erfbeplanting afgescheiden van het akkerland. Recente veranderingen In de loop van de twintigste eeuw zijn de open fields meer geperceleerd geraakt. Akkerland heeft voor een groot gedeelte plaatsgemaakt voor grasland en bij Ameide voor boomgaarden. Het gebied bij boerderij Ridderoord heeft nog enigszins een open-field-karakter. Het is nog onbebouwd gebleven, maar perceelscheidingen zijn zichtbaar geworden door hekken.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[31]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 7. Zicht op Ridderoord en het achterliggende Hagestein vanaf de Hoevenweg. Het oorspronkelijke akkerland is grotendeels vervangen door grasland, maar de karakteristieke open heid is gebleven (Paganellus Minor, mei 2014).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[32]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
2 Oeverwalontginning, blokvormig verkaveld Blokvormige verkavelde ontginningen komen voor op de iets lagere delen (maar nog altijd vrij hoge) delen van de oeverwallen. Doordat hier ook weidegrond lag, waren enkele perceelgrenzen zichtbaar in de vorm van veekerende heggen of sloten. Een dicht slotennetwerk, met strookvormige percelen, was hier dankzij de relatief hoge ligging niet nodig. Daarom hadden de percelen een blokvorm. De blokken konden ook onregelmatig van vorm zijn. De perceelsgrenzen waren dan ge dicteerd door de ligging van kleine geulen, bosjes, wegen of andere zaken bij de ontginning. In veel gevallen waren ze rechthoekig, hetgeen wijst op een zekere systematiek in de ontginning. Dit landschapstype hoorde, samen met de bovengenoemde open akkerc omplexen, tot de intensief gebruikte kerngebieden van het cultuurlandschap van de gemeente. Ook dit landschap komt vooral voor langs de Lek bij Vianen en Everdingen, maar het is grotendeels verdwenen onder de bebouwing. De snippers die resten liggen vaak dicht tegen grote wegen of woonwijken aan. Alleen bij Helsdingen ligt nog een landelijker gelegen gebiedje. Meer stroomafwaarts en langs de Linge waren de oeverwallen van oorsprong te smal of te laag voor het ontstaan van blokvormig verkavelde gebieden. Die van Kedichem liggen tegenwoordig niet meer in de uiterwaarden (zie eenheid 16).
Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - De verkaveling was blokvormig, maar ook zeer korte stroken kwamen voor. Perceelscheidingen waren rechte lijnen. De graslanden waren meer met sloten doorsneden dan de akkers en ook groene perceelscheidingen kwamen voor.
Grondgebruik - Het grondgebruik was akkerland afgewisseld met grasland. Op enkele percelen stonden boomgaarden.
Wegen en waterlopen - De rechte lijnen van de blokken lagen vaak binnen een raster van soms bochtige, soms rechte wegen.
Bebouwing - Als er al bebouwing aanwezig was, lag deze aan de rand van het complex.
Begroeiing en openheid - De graslandpercelen waren open; akkerland was per definitie begroeid m et gewassen waardoor vooral ’s-winters en in het vroege voorjaar het open karakter duidelijk aanwezig was. Vooral bij Helsdingen kwam al in de negentiende eeuw veel fruitteelt voor.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[33]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Recente veranderingen Er heeft zich een verschuiving voorgedaan van akker- naar grasland. De rechtlijnige blokvormige verkaveling is in veel gevallen behouden gebleven. Bij Helsdingen is nog steeds veel fruitteelt. Doordat de oeverwallen bebouwd zijn geraakt, is er nog maar weinig van dit landschapstype over.
Figuur 8. De Helsdinger Achterweg markeert de kromming van de rand van de hogere gronden van de oeverwal. Sloten zijn op dit hoge deel van de oeverwal niet aanwezig. Rechts de blokvormige ingedeelde hoge gronden van de oeverwal (eenheid 2), net als in de negentiende eeuw grotendeels in gebruik voor fruitteelt. Links de strookvormige ontginningen op de oeverwal (eenheid 3), nog steeds vooral in gebruik als grasland. De stroken strekken zich vanaf deze weg divergerend naar het lage zuiden uit. (Overland Vianen 13 (2014)).
3 Strookvormige ontginningen op de oeverwallen 4 Strookvormige ontginningen achter de oeverwallen Op de lagere oeverwallen of de lagere delen van de oeverwallen was bij de ontginning meer aandacht voor ontwatering vereist. Daarom worden deze ontginningen meestal iets later in de tijd gedateerd, vanaf ca. 1000 na Chr. 16 Loodrecht op de helling van de hoge naar de lage delen werden sloten gegraven om het water naar het lagergelegen gebied achter de oeverwal weg te laten lopen. Daarbij ontstond een strokenverkaveling. De breedte van de stroken varieerde nogal. Op de nog vrij hoge en brede oeverwallen bij Everdingen waren ze soms meer dan 150 meter, en konden ze het karakter hebben van blokvormige ontginningen. Stroomafwaarts van Helsdinge n en Lexmond waren ze vaak minder dan 50 meter breed. Op de oeverwal bestonden deze ontginningen voor een relatief groot deel (30 tot 100% op 19 e -eeuwse kaarten) uit akkerland (eenheid 3). In veel gevallen liep de slotenstructuur achter de oeverwal door in een lager gelegen en natter gebied, het overgangsgebied naar de
16
Zo dateert Pons (2006) de ontginning van Tienhoven Ameide in het begin van de 11 e eeuw. Hierbij moeten we niet uitsluiten dat er plaatselijk al langer gewoond werd en dat de bijbehorende blokverkaveling nu ofwel in de uiterwaarden ligt ofwel door een latere strookvormige ontginning is weggewist.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[34]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
veengronden (eenheid 4, strookvormige ontginningen achter de oeverwallen). Hier lag op 19 e -eeuwse kaarten vrijwel geen akkerland, maar vooral grasland, soms ook boomgaarden of bos Deze twee landschapstypen vormen samen één strokenstructuur en één ontginningseenheid. Afsluitend achter de strokenontginningen achter de oeverwal lag een wetering die het water afvoerde, zoals de Biezenwetering (ten zuiden van Vianen en Hagestein), de Gouwenessew etering (achter Everdingen) of de Achthovense Wetering (Achter Achthoven). Ook voorlopers van het Merwedekanaal dienden plaatselijk als zo’n achterwetering. Ter hoogte van Vianen en Everdingen lag achter de wetering een kade (nu de Autenase Kade, Lange Meent, Tienhovense Weg). Deze kaden dienden als waterscheiding met het achterliggende veenland. Na ontginning was het onwenselijk dat daar vandaan water het ontgonnen land in stroomde. Verder westelijk ligt er geen kade achter de wetering. Doordat de percelen binnen een ontginningseenheid steeds even lang waren, ligt de achterwetering vaak ongeveer parallel met de ontginningsas. De kromming van de oeverwallen of van de Lekdijk is daardoor terug te herkennen in die van de achterweteringen of -kaden.
Hoewel middeleeuwse landinrichters hun best deden om de verkavelingsstructuur zoveel mogelijk parallel aan elkaar uit te zetten - dit was met de hun beschikbare meettechnieken het meest eenvoudig – waren ze vanwege de krommingen vaak genoodzaakt om kavels taps te laten toe of aflopen. 17 De kavels worden naar achter toe breder (divergerend) of juist smaller (convergerend). In enkele gevallen is op kaarten te zien dat de strokenstructuur achter deze ontginningen en achter de wetering dieper het veen in is voorgezet. Deze ontginningen vallen onder eenheid 7.
17
Over dit verschijnsel: De Bont, 2008: 129 e.v.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[35]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 9. Strookvormige ontginningen op en achter de oeverwal in de polder Achthoven (eenheid 3 en 4). De eerste ontginningsfase met deze ontginningen wordt afgesloten met de Achthovense Wetering, die een echo vormt van de kromming van de dijk op de Lekoeverwal. Daarachter wordt de strokenstructuur voortgezet met het landschapstype ‘veenontginning vanaf grote oeverwallen’ (eenheid 7). De kromming van de Lekoeverwal is opnieuw terug te herkennen in de Molenkade achter deze ontginning.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[36]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 10. De Achthovensche Wetering met rechts strookvormige ontginningen achter de oeverwal. Behalve grasland en komt hier ook veel fruitteelt voor. Links liggen veeno ntginningen waar weinig akkerland of fruitteelt voorkomt, maar alleen grasland en nat bos. (Overland Vijfheerenlanden 415).
Figuur 11. De brug over de A2 ten zuiden Vianen geeft uitzicht op de naar het noorden zich versmallende p ercelen van de Biezenpolder (strookvormige ontginningen achter de oeverwal). Op de voorgrond de Biezenwetering die ontginning afsluit en de sloten afwatert naar het westen. (Overland Vianen 41 (2014)).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[37]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 12. Een bijzondere vorm van dit type ontginning is De Nes bij Lexmond. Daar mondde de Laak (ooit ongeveer evenwijdig stromend aan de huidige dorpsstraat van Lexmond) uit op de Lek na zich eerst een weg door de oeverwallen van de Lek te hebben gebaand. De Laak maakte hier ee n bocht naar het westen waardoor de verkaveling die op de oever van de Laak was gericht, zeer sterk convergeert. De Nes is nu voor een groot gedeelte verdwenen onder de bebouwing van Lexmond, maar het westelijke deel, waar de convergerende percelen bij elkaar komen, bestaat nog. De percelen van het naastgelegen Spinhoven vormen de overgang naar de ‘gewone’ op de Lek gerichte percelering. Doordat de Lek hier zuidwaarts is verschoven en de dijk is verlegd, is de strokenstructuur van Spinhoven in het noorden i ngekort. Tot recent was de doorgaande structuur nog enigszins in de uiterwaarden te zien, maar deze is door natuurontwikkeling in de uiterwaarden tenietgedaan.
Ook langs de Linge komen de strookvormige ontginningen op de oeverwal voor. De afsluitende wetering ligt hier direct achter deze landschapseenheid. Dit zijn de Laaglandsche Wetering, langs de (Tiendweg) achter Oosterwijk en de Hooglandsche Wetering (langs de Hooglandse Tiendweg) achter Kedichem. Op deze wat smallere oeverwallen is geen zone van stro okvormige ontginningen achter de oeverwal onderscheiden. Wel ligt hier een voortzetting van de strokenstructuur dieper door het achterliggende veengebied in: veenontginning vanaf grote oeverwallen (eenheid 7).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[38]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 13. Strookvormige ontginningen op de oeverwal gezien vanaf de Lingedijk tussen Oosterwijk en Kedichem. Direct aan of op enige afstand van de dijk staan boerderijen, soms ook met hoogstamboomgaarden. De boompjes op de achtergrond markeren de Laaglandsche Weteri ng en de Tiendweg die deze landschapseenheid afsluiten . (Overland Vijfheerenlanden 131).
Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - De verkavelingsstructuur bestond uit onregelmatige stroken min of meer loodrecht op de hogere gronden en loodrecht op de dijk, van elkaar gescheiden door sloten of greppels. De breedte varieert van meer dan 150 meter op de vrij hoge en brede oeverwal bij Everdingen tot minder dan 50 meter stroomafwaarts van Helsdingen en Ameide. De stroken konden divergeren of convergere n.
Grondgebruik - Op de oeverwal: Omstreeks 1850 was het gebied grotendeels in gebruik als akkerland. Stroomafwaarts van Lexmond waren de smalle percelen ook wel als grasland in gebruik. Direct achter de boerderijen lagen boomgaarden. De fruitteelt breidde zich uit waardoor het landschap omstreeks 1930 werd gekenmerkt door veel strookvormige boomgaarden die meestal haaks op de dijk het land inliepen, afgewisseld met akkerlandpercelen. - Achter de oeverwal: de stroken waren voor het grootste deel in gebruik al s grasland. Soms ook als nat bos en op de wat drogere gronden kwam ook fruitteelt voor.
Wegen en waterlopen - De dijken vormden de voornaamste wegen. Achter de ‘strookvormige ontginningen achter de oeverwal’ lag een wetering, soms met een achterkade die in gebruik kon zijn als doorgaande weg.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[39]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Daarnaast waren er hier en daar wegen die voor en achter met elkaar verbonden en boerengebruikspaden over de stroken. Bebouwing - Veel bebouwing ligt aan de binnenvoet van de dijken. Soms staat de bebouwing op enige afs tand van de dijk.
Begroeiing en openheid - Op de oeverwal: vrij veel begroeiing: geboomte op de erven, fruitteelt, opgaand hout op perceelsgrenzen in de vorm van bomen of singels. Hier en daar ook percelen met nat bos. Achter de oeverwal. Het landschap was opener, opgaand hout op perceelsgrenzen en boomgaarden zijn zeldzamer. Er komen nauwelijks bewoonde erven voor. Hier en daar wel bospercelen.
Recente veranderingen - Akkerpercelen hebben plaatsgemaakt voor overwegend grasland. De gemeente kent nog wel vr ij veel fruitteelt. Vooral vanaf de Lekdijk is er nog een fraai uitzicht op het boerderijenlint en de daarachterliggende stroken, waarvan het divergerende karakter soms herkenbaar is. Het lint is dichter bebouwd geraakt en door kavelvergroting is de strook vorm soms minder zichtbaar geworden.
Figuur 14. Zicht vanaf de Lekdijk op de strookvormige verkaveling op de oeverwal ten westen van Everdingen (Overland 55 (2014)).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[40]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
5 Kasteelpark In de gemeente lagen meerdere kastelen en buitenhuizen (zie § 4.5). Het voormalige Huis Amaliastein, dat is gebouwd rond 1560 en gesloopt rond 1830, bezat een omliggend park (nu Viaanse bos en voor een groot deel bebouwd) dat vanwege de grootte ook hier bij de landschappen wordt behandeld (Fafianie en Stades-Vischer, 2010: 82-83). Het landhuis stond op de overgang van hoog en laag, van droog en nat. Met deze ligging was de toe - en afvoer van water in de kasteelgracht zeker gesteld. Het park had een rechthoekig padengrid, die mogelijk samenhangt met de formele tuinstijl van de zeventiende eeuw. Door de vroeg negentiende-eeuwse afbraak van het huis is een eventuele omzetting naar een meer romantische tuininrichting in de Engelse landschapsstijl hier achterwege gebleven. Dit padenpatroon is nu nog in het bos aanwezig. Het omliggend park is hoofdzakelijk in gebruik als griend met bomen die regelmatig worden geknot of gesneden, op een rabattenstruc tuur van ruggen en greppels. Mogelijk kwam deze gebruiksvorm pas tot stand na de sloop in 1814. Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - Min of meer rechthoekig grid van paden en waterlopen tussen de grienden.
Grondgebruik - Wandel- en productiebos.
Wegen en waterlopen - Door het bos liepen wandelpaden in een bijna gridvormig patroon.
Bebouwing - Afgezien van het (voormalige) huis en enkele bedrijfsgebouwen was geen bewoning aanwezig.
Begroeiing en openheid - Vanwege de natte omstandigheden kwam hier nat bos voor met boomsoorten als wilg, els en populier, die waarschijnlijk als knot- snij- en hakhout werden geëxploiteerd. Om in het natte gebied een drogere groeiplaats te creëren, werden de bomen op ruggen (rabatten) geplaatst, die omgeven werden door greppels en sloten. Midden in het bos lag een beschut perceel met boomgaard.
Recente veranderingen Het kasteelpark, zoals het halverwege de 19 e eeuw was, is nog bijzonder gaaf aanwezig. Een deel van het bos bestaat uit grienden met wilgen en elzen, die nu en dan worden teruggezet. Daarnaast komen ook andere natte boomsoorten voor, zoals populieren en elzen. Toen de hakhoutcultuur in onbruik raakte door de dalende houtprijzen, zijn er populieren tussen het hakhout geplant (www.utrechtslandschap.nl). De bomen staan op ruggen omgeven door greppels.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[41]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 15. Op dit hoogtebeeld van het kasteelpark is duidelijk de rabatten -structuur van greppels en ruggen te zien. (AHN2).
6 Oevers lokale rivier Door het moeras en veengebied stroomden enkele riviertjes die onder normale omstandigheden het overtollige water van het moeras naar de Lek en de Linge afvoerden. Het gaat om vroegere stroompjes als de Middelloos, de Laak, de Leede, de Arkeloos en de Gravinneloos. Bij hoogwater op de Lek of de Linge kon het gebied vanuit deze riviertjes overstromen. Hierdoor konden langs deze riviertjes kleine oeverwallen ontstaan. Als deze oeverwalletjes hoog genoeg waren opgeslibd dan konden ze al vroeg bewoond worden. In sommige gevallen al ver voor de ontginning van het veengebied. Vanaf ongeveer de 12 e eeuw gingen deze riviertjes dienen als ontginningsbasis voor het omliggende veen (zie eenheid 8). Ooit lagen deze riviertjes iets lager dan de omgeving, zodat ze water af konden v oeren, maar doordat het omliggende veen als gevolg van ontwatering meer is geoxideerd en ingeklonken dan de kleiïg zandige oeverwalletjes, kwamen de riviertjes relatief hoog in het landschap te liggen. Ze hielden
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[42]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
daarom op te bestaan als natuurlijke waterafvoer. De afwatering werd voortaan door mensen georganiseerd door gegraven weteringen of vergraven riviertjes. Met name langs de voormalige Middelloos, ook wel het Broekse Water genoemd (waar nu de Broekseweg ligt), liggen de oevers nog steeds vrij hoog boven het omliggende landschap. Op de begrenzing van deze landschapseenheid op de kaart is te zien dat de overgangen van hoog naar laag per perceel kunnen verspringen. Dit komt doordat ook intensievere bemesting met bijvoorbeeld stadsafval en bewuste ophoging van percelen dicht bij de boerderijen een rol heeft gespeeld. Vanaf de weg over de oeverwal is vaak nog steeds te zien dat het maaiveld afloopt en de sloten zijn dicht langs de weg dieper ingegraven dan verderop in de polder. De weg over de oevers volgt de globale loop van de vroegere riviertjes en heeft daarom een slingerend karakter. Soms hebben deze wegen ook als een kade gediend tegen overstromingswater vanuit het riviertje. Ze kunnen nog steeds een verhoogd karakter hebben. Ze dienden ooit als ontginningsbasis en nog steeds staan er (vaak oude) boerderijen langs. Soms staan de boerderijen op terpen. Kronkelige sloten kunnen soms restgeulen zijn van het vroegere riviertje.
Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - De oevers hebben soms een eigen onregelmatige blokverkaveling, die waarschijnlijk ouder is dan de omliggende veenontginningen. Soms start de strokenverkaveling van het veengebied direct aan de weg op de oever. De koppen van de percelen hebben dan wel vaak een hogere ligging.
Grondgebruik - Op de oevers kwam behalve grasland ook tuinbouw, akkerbouw en fruitteelt voor. Behalve de meestal iets hogere ligging, was ook de nabijheid van de boerderij belangrijk voor deze gewaskeuze. Wegen en waterlopen - Over de oever liep een verbindingsweg, die vaak een wat slingerend verloop had, en min of meer de loop van het vroegere riviertje weerspiegelt. De Lakerveld is op veel plaatsen in 1814-1814 rechtgetrokken. Bebouwing - Boerderijen stonden op de koppen van de percelen, vaak op een terp. Soms maak ten de percelen een scherpe hoek met de weg in verband met de richting van de achterliggende veenontginningen. Daardoor kunnen ook huizen en boerderijen een hoek met de weg maken. Soms stond de bebouwing vooral aan een zijde van de weg. Op de rug van Leerb roek aan de noordzijde. Op andere linten kon dat plaatselijk wisselen. Begroeiing en openheid - Het landschap was beslotener dan de veenontginningen dieper de polder in, door erfbeplanting, fruitteelt en opgaande beplanting op de perceelsranden.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[43]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Recente veranderingen Het historische karakter van de bochtige wegen, de verkaveling de uitzichten op de polder en de oude boerderijen is over het algemeen goed bewaard gebleven. De bebouwingsintensiteit kan zijn toegenomen.
Figuur 16. Voormalige riviertjes in de Vijfheerenlanden (van voor de ontginning van de veengebieden) die later deels als ontginningsbasis gingen dienen volgens Heniger (1993). 1 = dijken, 2 = voormalige lokale riviertjes . Overige eenheden zijn niet relevant.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[44]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 17. Onregelmatige percelering langs de weg Weverwijk op de smalle oever van de Leede. Mogelijk is de kromme sloot op de achtergrond een restant van het vroegere veenriviertje (Overland Vijfheerenlanden 205).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[45]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 18. Hoogtebeeld met de loop van de vroegere Middelloos, waar nu de Broekseweg overheen loopt, met het landschapstype ‘Oever van een lokale rivier’. Aan weerszijden ligt het landschapstype ‘Veenontginningen vanaf een lokale rivier’ (eenheid 6). De rode pijlen geven de ontginningsrichting aan. De relatief hoge ligging van de oevers is hier duidelijk op te zien. Het hoogteverschil met de veenontginningen is zo’n 2 meter. Aan de hoogte van de oeverwallen in het noorden is ook te zien dat het water niet meer, zoals vroeger ooit het geval was, zonder gemalen op de Lek zou kunnen lozen.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[46]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 19. Boerderijen en de weg zelf liggen hoger dan de omliggende veenontginningen in de polder, zoals te zien is aan de diepe ligging van de sloten langs de Broekseweg Bij Broek ten zuiden van Ameide. De hooggelegen weg heeft waarschijnlijk ooit als waterkerende kade of dijk gefunctioneerd (Overland Vijfheerenlanden 367).
3.1.2
Middeleeuwse agrarische veenontginningen
Inleiding Tussen de Linge en de Lek lag een enorm veengebied waarop vanaf ca. 550 v. Chr. bij overstromingen van de rivier langzamerhand een kleilaag werd afgezet (zie § 1.2). Deze gronden worden daarom ook wel aangeduid als klei-op-veengronden. Onder een kleilaag die varieerde van enkele tot meer dan 50 cm lag het slappe en natte veen. Het gebied was begroeid met natte broekbossen met wilgen en elzen. Dode plantenresten braken moeilijk af onder de over het algemeen zeer natte omstandigheden. We kunnen daarom aannemen dat ook de bovengrond erg venig was. De gebieden waren onbewoond. Bewoners van de oeverwallen kwamen er om te vissen, te jagen, of riet en hout te halen. In droge perioden waren delen ervan mogelijk in gebruik voor (bos)beweiding. Dit gebied werd gekenmerkt door een zeer vlakke ligging. Anders dan veengebieden met koepels van relatief hooggelegen veenmosveen, zoals die verder westelijk wel voorkomen, waren deze gebieden n iet gemakkelijk te ontginnen. Door de lage en vlakke ligging was het lastig het water af te voeren.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[47]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Toch werd het veengebied vanaf de elfde of twaalfde eeuw in gebruik genomen. Toenemende bevolkingsdruk op de oeverwallen en machtspolitiek van de bisschop of de plaatselijke elite waren hiervoor drijvende factoren. Het veen werd ontwaterd door sloten te graven die het gebied verdeelden in langgerekte stroken. Als ontginningsbasis dienden de al bewoonde hogere oever wallen langs de Lek of de Linge, lokale riviertjes die al van nature door het moerasgebied stroomden, of gegraven weteringen. Langs een kade, meestal langs de ontginningsbasis, werden op de koppen van de stroken boerderijen gebouwd. Zo ontstonden bewoningslinten met boerderijen op regelmatige afstanden. Naarmate men in Holland en Utrecht meer ervaring kreeg met het ontginnen van veenmoerassen ontstond er steeds vaker een standaardmethode met kavels van circa 30 roeden breed en 6 voorling diep, dus circa 115 x 1250 m. Zo’n kavel was niet alleen door één boerengezin te onderhouden en te bewerken, maar bood het ook bestaanszekerheid. Juist in Vijfheerenlanden, waar vanuit verschillende territoria werd ontgonnen en waar veenriviertjes zich door de moerassen kronkelden, was het moeilijk deze standaardmaten consequent te handhaven. Krommingen in de oeverwal of een lokaal riviertje zorgden ervoor dat de stroken die erachter werden getrokken in breedte gingen toenemen (divergeren) of afnemen (convergeren).
Alleen daar waar oeverwallen of veenriviertjes ontbr aken, of klein genoeg waren om te negeren, kon men grote rechthoekige ontginningsblokken uitzetten, waarbinnen de hoeven deze standaardmaten kregen (cope-ontginning) De sloten die het veen ontwaterden kwamen uit op een aantal weteringen die het water richt ing rivieren moesten afwateren. Hoe verder westwaarts, dus hoe meer stroomafwaarts, hoe lager het rivierwaterpeil, hoe gemakkelijker het was het water te lozen. Deze weteringen lagen aanvankelijk ofwel aan de ontginningsbasis of juist aan de achterzijde va n een ontginningseenheid. Al vrij snel na de ontginning vernatte het ontgonnen gebied. Door wateronttrekking oxideerde het veen en klonk het in. Het maaiveld kwam daardoor lager te liggen. Naarmate de venige bovengrond verdween, werden de bodemeigenschappen steeds meer bepaald door de zeer zware, stugge en slecht waterdoorlatende komklei. Op deze dichte en natte gronden werd akkerbouw onmogelijk. De boeren moesten zicht beperken tot grasland of nat bos. Om de ontwatering te verbeteren werden extra sloten gegraven, waardoor de stroken vaak in de lengte werden gesplitst en dus smaller werden. Ook moesten, vaak dwars door de strokenstructuur, extra weteringen worden gegraven voor de afwatering richting rivieren.
Deze secundaire weteringen en extra sloten zorgden bovendien voor een groter relatief wateroppervlak en daarmee een groter waterbergend vermogen. Naarmate het land daalde, en de rivier relatief steeds hoger kwam te liggen, werd de afwatering steeds complexer. Het was door de in 1277 op de grens met de Alblasserwaard aangelegde Zouwendijk bovendien niet meer mogelijk om ver stroomafwaarts het water te lozen. Steeds moest naar nieuwe manieren worden gezocht om het water op de Lek of de Linge te lozen. Heniger (1993) en Bijl (2000) hebben omvangrijke werken geschreven over de waterbeheersing van Vijfheerenlanden (over respectievelijk de periode vóór 1460 en na 1566). De intensieve samenwerking die hiervoor nodig was, betekende de geboorte van het waterschapsbeheer. Uit de verschillende dijkcolleges ontston d in 1856 het Hoogheemraadschap van de Vijfheerenlanden, dat inmiddels is opgegaan in het Waterschap Rivierenland.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[48]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Een belangrijke mijlpaal in de waterbeheersing was de komst van de windmolen, waardoor de weteringen niet meer vrij hoefden af te wateren op de rivieren, maar water konden oppompen. Uit archieven blijkt dat al in 1460 gebruik werd gemaakt van windmolens. 7 Veenontginning vanaf de grote oeverwallen De strookvormige ontginningen op en achter de oeverwallen (eenheid 4) werden in enkele gevallen verlengd tot diep het achterliggende veengebied in. De strokenstructuur liep dan door over de wetering heen die deze oeverwalontginningen afsloot. Ook het convergerende ofwel divergerende karakter van de oeverwalontginningen werd in het veen voortgezet. Er zijn twee grote eenheden van dit landschapstype: het zuidelijk deel van de Polder Achthoven en de noordwestelijk deel van de Oosterwijkse Polder. De ontginning van Hoog-Oosterwijk is grotendeels onder de bebouwing van Leerdam verdwenen. Deze ontginningen worden meestal gezien als de eerste fase van de ontginning van het uitgestrekte veengebied. Die moeten in de loop van de 11 e eeuw hebben plaatsgevonden. De totale lengte van een ontginningsblok (met ook de oeverwalontginningen op en achter de oeverwal) lie p uiteen van 1500 tot 2000 meter in de Polder Achthoven en van 2000 tot 2500 meter in de Oosterwijkse Polder. Dat is veel meer dan de min of meer gestandaardiseerde lengtes van de cope -ontginningen (eenheden 10 en 11).
Kenmerkend voor zowel de voor- als de achterzijde van deze ontginningen is dat er een wetering ligt en dat de kromming van die wetering een echo is van de kromming van de dijk (zie eenheid 3 en 4). Deze ontginningen bleven in eerste instantie onbewoond. De landeigenaren woonden op de oeverwallen. In het geval van de Oosterwijkse Polder werden al in de achttiende eeuw, mogelijk vroeger, ook aan de Achterdijk boerderijen gebouwd. In de polder Achthoven bleef dit landschapstype tot heden onbebouwd. Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - Divergerende of convergerende strookvormige kavels met een lengte tot 2500 meter, waarvan de richting wordt bepaald door de ontginningsas van de stroomrugontginningen.
Grondgebruik - De klei-op-veengronden waren nat en in gebruik als grasland en nat bos. Binnen de bospercelen lagen ook wel eendenkooien. Waar onder het klei-op-veenpakket stroomruggordels lagen was de maaivelddaling geringer. Hier lagen ook wel enkele akkerbouwpercelen .
Wegen en waterlopen - De aan de voor- en achterzijde van de ontginning lagen al vanaf de ontginning weteringen. Later werd ook dwars door de ontginning van de Oosterwijkse Polder een secundaire wetering gegraven, de Broekgraaf.
Bebouwing - Bebouwing ontbrak in het zuidelijk deel van de polder Achthoven. Er was enige bewoning op de achterkade (de Molenkade) van de Oosterwijkse Polder.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[49]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Begroeiing en openheid - De polder Achthove bestond voor een groot deel uit natte bospercelen afgewisseld met graslan d. Het gebied was daardoor besloten, maar tussen de bospercelen door waren verre uitzichten mogelijk. De Oosterwijkse Polder was buiten de perceelsgewijze bospercelen zeer open. Doordat sloten de perceelsgrenzen vormden, waren geen veekerende perceelsschei dingen nodig.
Recente veranderingen . De Oosterwijkse polder is doorsneden door de spoorlijn en aan de voorkant van dit landschapstype (de Tiendweg) is enige bebouwing gekomen. Daarnaast zijn sommige percelen verbreed, maar de strokenstructuur en de grote open ruimte is nog goed beleefbaar. In de zomermaanden kunnen percelen met mais de openheid wat verstoren. De Polder Achthoven is weinig veranderd.
Figuur 20. De met gras begroeide molenkade die de achtergrens vormt van de Polder Achthoven. Rechts zijn natte bospercelen en graslanden te zien die nu als natuur worden beheerd. (Overland Vijfheerenlanden 058).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[50]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 21. Vanaf de Koenderseweg aan de rand van Leerdam is er ver uitzicht over de Oosterwijkse Polder mogelijk. De Broekgraaf is een secundaire wetering die werd gegraven toen in de eeuwen na de ontginning de afwatering verslechterde. (Overland Vijfheerenlanden 116).
8 Veenontginningen vanaf een lokale rivier Na de veenontginningen vanaf de oeverwallen bleef er een groot en ontoegankelijk moerassig gebied met broekbos over tussen de oeverwallen van de Lek en de Linge. Dit gebied was min of meer bereikbaar via de lokale riviertjes die hier stroomden. Vooral als deze riviertjes een zandig -kleiïge oeverwal hadden gevormd, dan was hier al voor de grote veenontginningen bewoning mogelijk (zie eenheid 6). Waarschijnlijk werd vanaf deze oevers een volgende fase in de ontginning van het veen ingezet, die ook in de loop van de 11 e eeuw of begin 12 e eeuw plaats vond. 18 Min of meer recht op deze kleine rivieroevers werden sloten gegraven. Anders dan bij de veenontginningen vanaf de oeverwallen van Lek en Linge hadden deze geen divergerend of co nvergerend karakter. Achteraan de ontginning hadden de kavels ongeveer dezelfde breedte als vooraan. Er lijkt daarom meer sprake van een meer gepland karakter met een meer gestandaardiseerde methode. De diepte van de ontginningen kon echter enorm variëren, tot ruim 2500 meter bij de ontginningen vanaf Middelbroek. Alleen bij Leerbroek was een min of meer uniforme lengte van zo’n 1500 meter. Mogelijk zijn die ontginningen ook te zien als veenontginningen met cope-patroon (eenheid 9). De kaart bij eenheid 6 geeft een beeld van deze veenontginningen.
18
Heniger vermeldt, verwijzend naar schaarse archiefbronnen, dat de ontginningen langs de laak en mogelijk ook die in Leerbroek in uitvoering verkeerden in de jaren rond 1108.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[51]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - Rechte, strookvormige kavels min of meer loodrecht op de gemiddelde richting van de ontginningsbasis (oever van lokale rivier) maar zich niet steeds aanpassen aan de lokale richting. Daardoor is er geen of veel minder sprake van divergerende of convergerende kavels. De percelen hebben een lengte die varieert van ca. 1500 (Leerbroek) to t 2500 meter (Middelbroek-Zuid. - Plaatselijk, mogelijk op plekken waar al rechten waren geclaimd door andere ontginners, is de diepte veel minder, tot enkele honderden meters. In de ontginningen ten noorden van Leerbroek lijkt men een uniforme lengte van zo’n 1500 meter te hebben gehandhaafd. De ontginningsbasis van Middelkoop (dat is de weg Middelkoop) heeft daardoor grofweg dezelfde richting en dezelfde bochten als de Leerbroekse weg.
Grondgebruik - De klei-op-veengronden waren nat en in gebruik als grasland en nat bos. Eendenkooien waren hier zeldzamer. Waar onder het klei-op-veenpakket stroomruggordels lagen was de maaivelddaling geringer. Hier lagen ook wel enkele akkerbouwpercelen. Dat was vooral het geval in Leerbroek.
Wegen en waterlopen - Aan de voor- en achterzijde van de ontginning lagen vanaf de ontginning meestal al weteringen . Later werden ook dwars door de ontginning secundaire weteringen gegraven. In de Oost -Lakerveldsche polder liggen zelfs twee van dergelijke weteringen.
Bebouwing - De bebouwing stond aan de ontginningsbasis bij de riviertjes (eenheid 6). In dit landscha pstype kwam nagenoeg geen bebouwing voor.
Begroeiing en openheid - Buiten de perceelsgewijze bospercelen was het gebied zeer open. Doordat sloten de perceelsgrenzen vormden, waren geen veekerende perceelsscheidingen nodig. De zone met intensiever grondge bruik bij de boerderijen lag vooral in eenheid 6 (oevers lokale rivier).
Recente veranderingen De polder zijn over het algemeen nog onbebouwd. Sommige percelen zijn verbreed, maar de strokenstructuur en de grote open ruimte zijn nog goed beleefbaar. De W est-Lakerveldsche polder wordt doorsneden door de snelweg.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[52]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
9 Veenontginningen met cope-patroon Na de veenontginningen vanaf de lokale riviertjes bleef er nog een groot min of meer vlak gelegen moerassig gebied over tussen de ontginning van Leerbroek en de ontginningen op en achter de oeverwallen van Vianen, Hagestein en Everdingen. In het algemeen wordt aangenomen dat dit gebied vanaf het tweede kwart van de 12 e eeuw is ontgonnen 19. Meer nog dan bij de voorgaande ontginningen ging men in dit gebied planmatig en volgens een gestandaardiseerde methode te werk. Landmeters werden hier niet gehinderd door (evt. al bewoonde) grotere riviertjes of andere obstakels en konden rechthoekige ontginningsblokken tekenen met daarin nieuwe kavels van min of meer vaste lengte en breedte. Voor de afwatering werden nieuwe weteringen gegraven. De ontginningsblokken werden omgeven door kaden die het water van niet ontgonnen restgebieden moesten weren. Bij de planning van de veenvlakteontginningen lag de locatie van de boerderijen vanaf het begin vast. Bolgerijen is ontwaterd met een slotenpatroon met beproefde afmetingen van circa 115 x 1050 -1100 m, 30 roeden bij (ca.) 6 voorling. In de veenontginningsblokken Over - en Neder Boeicop waren de oorspronkelijke kavels circa 115 m breed (30 roeden), maar liepen ze wat dieper het veen in, circa 1260-1335 m. Op de ontginningsassen op de koppen van de strookvormige percelen was een boerderijenlint gepland.
Toch zien we op kaarten uit de 19 e eeuw dat delen van de ontginningsassen niet be woond waren, zoals het geval was in delen van Bolgarijen. We gaan ervan uit dat door vernatting een deel van dit lint onaantrekkelijk werd voor bewoning. Op het AHN-beeld is te zien dat men ging wonen op een oude stroomrug in de ondergrond die door klink en oxidatie van het veen tevoorschijn kwam. Ook de kern van Zijderveld ligt daarop. Daar waar de onderliggende stroomrug de ontginningsbasis kruist, liggen niet alleen de boerderijen hoger in het land, maar zijn de sloten veel dieper ingegraven. Sinds deze boerderijverplaatsing is een deel van het lint onbewoond en kent een ander deel juist een hoge concentratie aan bewoning. Opvallend is overigens dat de boerderijen vanouds vooral aan de noordzijde van de Zijderveldse laan staan.
Figuur 22. De stroomrug in de ondergrond bepaalde de secundaire clustering van de historische bewoning in Bolgerijen volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN -1).
19
Zie o.a. Pons, p. 31 of Heniger, p. 38, 39.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[53]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - De bijzonder regelmatige verkavelingsstructuur, zoals die op negentiende -eeuwse topografische kaarten is te zien, gaat terug op de middeleeuwse inrichting volgens het bekende principe van de copeontginningen. Door een gedurende de eeuwen voortzettende vernatting was de slotenverkaveling met jongere lengte- en dwarssloten verder opgedeeld.
Grondgebruik - Het landgebruik bestond in de 19e eeuw overwegend uit grasland. Op plekken met oude stroomgordels, waar het maaiveld minder daalde, waren soms ook enkele akkers of boomgaarden. Ook dicht bij de boerderijen waren akkers, tuinen en boomgaarden te vinden.
Wegen en waterlopen - De kaden uit de tijd van de ontginning dienden ook als weg. Langs de kaden liepen weteringen die zorgden voor afwatering van het water uit de poldersloten. Toen de ontwatering in de eeuwen na de ontginning verslechterde, werden in de meeste cope -ontginningen ook secundaire weteringen gegraven, die nu meestal nog bestaan.
Bebouwing - De oude boerderijen staan langs de weg die ook als ontginningsas dienst deed. Vaak waren dergelijke wegen eenzijdige bebouwingslinten. De boerderijen stonden aan de kant van de bij de ontginning horende percelen. Soms bepaalde ook een onderliggende stroomrug de locatie van de boerderijen. Zo stonden de oude boerderijen langs de Zi jderveldse Steeg voornamelijk in Lang- en Zout-Bolgerijen, waar de onderliggende stroomrug deze steeg kruist (zie figuur). Het tussenliggende gebied was praktisch onbewoond.
Begroeiing en openheid - De meeste cope-ontginningen werden gekenmerkt door een praktisch open graslandschap, soms afgewisseld met bospercelen met grienden. De kaden in het gebied waren vaak met bomen, waaronder knotwilgen, beplant.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[54]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 23. Strookvormige percelen met afwisselend grasland en opgaand hout gezien vanaf de Bolgerijse Kade naar het zuiden (Overland 32 (2014)).
Recente veranderingen Het landschap van de copeontginning is verrassend gaaf gebleven. Perceelsvergroting of versnippering heeft nauwelijks plaatsgevonden. Enkele gebieden met veel opgaa nd hout, zoals delen van Bolgerijen, worden ook nu nog gekenmerkt door percelen met bos of grienden, vaak in een fraaie afwisseling met open graslandpercelen. In het kader van de ruilverkaveling zijn wegen in het gebied gelegd, om de percelen beter bereikbaar te maken. Deze zijn echter niet bebouwd en meestal ook niet beplant, zodat het effect op de openheid beperkt is. Wel is de bebouwing langs de oude linten geïntensiveerd of is er bebouwing gekomen (vaak grote stallen van melkveehouderijen) langs achterk aden of vroeger eenzijdig bebouwde wegen.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[55]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
10 Veenontginning met copepatroon, oorspronkelijk brede zijdwende De ontginningsblokken evenwijdig aan de Diefdijk (Neder- en Over-Zijderveld, Kortgerecht en Nieuw Schaayk) waren, zo nemen we aan, oorspronkelijk een brede strook veen die als zogenaamde ‘brede zijdwende’ onontgonnen bleef. Omdat het maaiveld hier niet daalde, fungeerde dit gebied als een brede dam tegen het bovenwater uit de Betuwe. In de naam Zijderveld leest men het middeleeuwse begrip sidewende. Deze brede zijdwende is pas in tweede instantie met een van de omgeving afwijkende oost westlopende verkavelingsstructuur ontgonnen en ontwaterd. Dat gebeurde volgens de standaardmaten van cope-ontginningen. De ontginningsbasis lag langs de Schaikseweg - Dorpsweg-Graaf Huibertlaan). De oorspronkelijke hoevebreedte was circa 115 m (ca. 30 roeden); de kaveldiepte circa 1280 m (ca. 6 voorling). Na 1284 werd de achterkade van deze ontginningen opgehoogd tot een dwarsdijk, de Diefdijk, tussen de Lek en de Linge (zie eerder). Het bewoningslint langs de Diefdijk dateert van ná deze ophoging. Dankzij de Diefdijk die behalve plaatselijk water, ook overst romingswater uit de Betuwse kommen tegenhield, zijn de Vianense kommen bewoond gebleven. Het gebied ten oosten van de Diefdijk werd daarentegen steeds natter en is ontvolkt geraakt.
Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - Het gebied werd gekenmerkt door een regelmatige strokenverkaveling van het copetype, met een ontginningsdiepte van praktisch 1250 m.
Grondgebruik - Grasland was het overheersende landgebruik met akkers, tuinen en boomgaarden dicht bij de boerderijen langs het ontginningslint. Langs de Diefdijk lagen lagergelegen percelen. Waarschijnlijk was hier specie voor aanleg en onderhoud van de dijk gewonnen. Deze percelen waren in gebruik als nat bos of griend. Verspreid over de stroken kwamen ook akkers voor. Verder kwamen er in de polder weinig bospercelen voor.
Wegen en waterlopen - Langs de oorspronkelijke ontginningsbasis liep een wetering. Hier lag ook de doorgaande weg en ook de Diefdijk bood ruimte aan een doorgaande weg. In de polder Nieuw Schaayk lag dwars over de kavels een secundaire wetering. Op enige afstand waren verbindingswegen tussen de ontginningsbasis en de Diefdijk.
Bebouwing - Langs de ontginningsbasis lag een bebouwingslint, vooral aan de oostzijde van de weg. Ook aan de voet van de Diefdijk had zich een lineair boerderijlint gevormd (figuur 25), mogelijk omdat men zich veilig waande aan de voet van de dijk.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[56]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Begroeiing en openheid - Het midden en westen van Zijderveld kenden een open karakter. Langs de Diefdijk was het landschap beslotener door bosopslag en grienden in de verlaagde percelen
Recente veranderingen Net als de andere copeontginningen is het landschap verrassend gaaf. De openheid en kavelstructuur is gehandhaafd gebleven. Er is nog een duidelijke relatie met de Diefdijk, waarvandaan op een aantal plekken een weids uitzicht mogelijk is. Het bewoningslint is verdicht en de bebouwing is toegenomen, waardoor dit uitzicht enigszins is aangetast. Vooral ten zuiden van Zijderveld liggen er nog veel nat bospercelen langs de Diefdijk.
Figuur 24. Zicht vanaf de Diefdijk op een oud boerderij -erf over de polder Nieuw-Schaayk. De strokenverkaveling met gras en nat bos (vaak op verlaagde percelen achter de dijk) zijn goed te zien. (Overland Vijfheerenlanden 268).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[57]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Kleinere brede zijdwendes Binnen het landschap van de veenontginningen zijn meer brede zijdwendes te ontwaren op de randen van ontginningseenheden. Ze zijn echter veel minder breed dan dat de zijdwende van Zijderveld ooit was. Het zijn meestal strookvormige pe rcelen die enigszins afwijken van de normale breedte en ze hebben soms een wigvorm. Ze zijn niet als afzonderlijk landschap in kaart gebracht.
Figuur 25. Twee kleinere brede zijdwenden (paars omtrokken) laten zich door hun onre gelmatige vorm nog duidelijk in het vooroorlogse kaartbeeld aanwijzen. (Topografische kaart, oorspronkelijke schaal 1:25.000, blad 38f, 1936).
11 Veenontginning zonder bewoning In het gebied komen enkele veenontginningseenheden voor die op historische kaar ten onbewoond waren. Ze waren dus anders van opzet dan meestal het geval was bij veenontginningen, waarbij direct al bewoningslinten gepland waren aan de ontginningsassen. Onder dit landschapstype rekenen we die gebieden waarvan we vermoeden dat er al vanaf het moment van ontginning geen bewoning was. De ontginningseenheden Tienhovensche Polder-Zuid en Zevenhoven-Noord horen bij dit landschapstype. Pons (2006) vermoed dat deze gebieden wellicht in eerste instantie te nat waren, en in gebruik waren
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[58]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
als meent bij boeren die elders woonden. Toen later toch werd ontgonnen bleven ze bij deze boeren in gebruik, zodat er geen bewoningsas ontstond. Ook met nog steeds onbewoonde eenheid Scharperswijk was dit waarschijnlijk het geval. Ook andere ontginningseenheden waren soms deels onbewoond. Hier kan ook een andere oorzaak mogelijk zijn, namelijk dat gebieden later vernatten, nadat door klink en oxidatie het land daalde. Als er geen oplossing gevonden kon worden om het water beter af te voeren, dan gingen de betrokke n eigenaren elders wonen. Dit geld mogelijk voor delen van Autena (zie eenheid 12). Deze gebieden zijn niet afzonderlijk in kaart gebracht. Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - Strookvormige verkaveling met min of meer vaste breedtes van de str oken. In de polder ZevenhovenNoord is er aan de Zouwendijk een afwijkende onregelmatige blokverkaveling die wellicht te maken heeft met het winnen van klei voor de dijk.
Grondgebruik - grasland met enkele bospercelen. In de Tienhovensche Polder Zuidzijd e kwam ook een eendenkooi voor.
Wegen en waterlopen - Langs de voor- ofwel achterzijde lagen weteringen, later werden ook secundaire weteringen gegraven Bebouwing - In de negentiende eeuw waren deze polders onbewoond en onbebouwd. Begroeiing en openheid - De polders kenden grote openheid, zonder opgaande begroeiing op de perceelsgrenzen. Wel lagen er enkele perceelsgewijze bossen.
Recente veranderingen - De strokensturctuur is gehandhaafd. De Tienhovensche Polder Zuidzijde is doorsneden met een weg waarlangs een nieuwe boerderij staat. Er zijn nog maar een of twee bospercelen. Er is nog een grote openheid, met name in het noordelijk deel. In Zevenhoven-Noord is langs de Broekseweg enige bebouwing ontstaan, maar hier is nog steeds geen sprake van een lint, zoals meer zuidelijk langs deze weg het geval is. Ook aan de achterzijde van deze polder (aan de Zouwendijk) is enige bebouwing gekomen.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[59]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 26. De Tienhovensche Polder Zuidzijde heeft nog steeds een onbebouwd karakter, zonder bewoningslint langs de aangrenzende wegen. (Overland Vijfheerenlanden 382).
12 Veenontginning in restgebied Nadat de bovenbeschreven veenontginningen waren uitgevoerd bleven er nog een aantal gebieden over. Voor de ontginningsblokken van Autena, Tienhoven en Vierhoeven geldt dat het vanwege de kromming van de kaden in het noorden niet mogelijk was om met de standaardmaten van de copeontginning te werken. Het was een restgebied, maar dat betekent niet dat het daarmee veel later is ontgonnen dan de aangrenzende cope-ontginningen. Misschien vond de uitvoering bijna gelijktijdig plaats. Met name Autena was in de negentiende eeuw vrijwel onbewoond. Langs de Autenase Kade was - zeker rond 1850 - nauwelijks een boerderij te vinden. Mogelijk was er oorspronkelijk wel bewoning, maar verdween deze als gevolg van wateroverlast. Volgens een door Dekker (1983) geraadpleegde bron verdween de kerk van Autena in de 13 e of 12 e eeuw ‘per eluvionem’ (door overstroming). Wel stonden er boerderijen tegen de Tienhovense Weg, zo dicht mogelijk richting de iets drogere oeverwallen. Onder de restgebieden rekenen we ook grotere gebieden die onontgonnen bleven omdat ze te laaggelegen en te nat waren om te ontginnen. Deze gebieden hadden nog lang een belangrijke functie. Er kon water op geloosd worden vanuit de al wel ontgonnen gebieden. Ze deden dus dienst als waterbergingsgebied.
Deze gebieden konden pas worden ontgonnen nadat voor de bestaande ontginningen goed alternatieven waren gevonden voor de waterafvoer. Voor de ontginningen van
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[60]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Nieuwland was dat waarschijnlijk omstreeks 1200 het geval (Pons, 2006). Behalve de variërende perceelslengte lijken deze ontginningen in veel opzichten op die van de cope -ontginningen. Historische karakteristiek Verkavelingsstructuur - Kenmerkend voor de verkaveling van deze restgebieden is dat er geen standaardlengte was. De lengte van de kavels werd bepaald door de grootte van de ruimte die nog moest worden ontgonnen.
Grondgebruik - De polders Autena en Tienhoven waren in historische tijd nog erg nat. Waarschijnlijk om die reden werd zeker de helft van dit gebied ingenomen door griendhout en populierenopstand. Naast de natte omstandigheden had deze extensieve vorm van landge bruik waarschijnlijk te maken met de grote afstand tot de boerderijen. Het overige land lag onder gras. Dichter bij de boerderijen, langs de Tienhovense Weg, was meer grasland en lagen zelfs enkele akkers. De gebieden rond Nieuwland waren na ontginning beter ontwaterd. Het landgebruik onderscheidt zich niet sterk van de copeontginningen met vooral grasland, plaatselijk een bosperceel en kleine akkers en tuinen dichter bij de boerderijen.
Wegen en waterlopen - De wegen lagen op de oude kaden die bij de ontginning van het gebied waren opgeworpen Langs de kaden liepen weteringen die het gebied afwaterden. Daarnaast waren er ook secundaire weteringen.
Bebouwing - De bebouwing stond vooral langs de ontginningsassen. Bij Autena ontbrak bebouwing op deze as. De polders zelf zijn grotendeels onbebouwd gebleven.
Begroeiing en openheid - De polders Autena en Tienhoven hadden een relatief grote oppervlak land met houtopslag en daardoor een gesloten indruk, met tussen de percelen toch verre uitzichten. De andere ontginningen hadden minder bospercelen en waren opener
Recente veranderingen Net als de copeontginningen zijn deze gebieden relatief gaaf behouden gebleven. De polder Autena, waar bospercelen worden afgewisseld met graslanden is weinig veranderd. De grienden, bospercelen en graslanden worden nu deels als natuurgebied beheerd. In polders als Quakernaak, Lang - en Kort Nieuwland is het landschap minder bosrijk maar ook vrij gaaf gebleven. Net als bij de cope ontginningen heeft perceelsvergroting of versnippering weinig plaatsgevonden. In het kader van de ruilverkaveling zijn wegen in het gebied gelegd, om de percelen beter bereikbaar te maken. Deze zijn echter niet bebouwd en meestal ook niet beplant, zodat het effect op de openheid beperkt is. Wel is de bebouwing langs de oude linten geïntensiveerd of is er bebouwing gekomen (vaak grote stallen van
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[61]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
melkveehouderijen) langs achterkaden of vroeger eenzijdig bebouwde wegen. In de polder Quakerna ak is een bungalowpark gebouwd.
Figuur 27. De restontginning van Autena, Tienhoven en Vierhoeven tussen andere ontginningen, met sterk wisselende kavellengtes op een kaart van omstreeks 1915.
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022
[62]
Cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Vijfheerenlanden
Figuur 28. Strookvormig perceel met recent afgezette griend gezien vanaf de Bolgerijse Kade, iets ten oosten van de Kostverlorenweg. Op de voorgrond de Altenase Wetering die het water uit de ontwateringssloten naar het westen toe afwatert (Overland 39 (2014)).
Figuur 29. Vanuit de Leerbroeksche Vliet ten zuiden van Nieuwland werd het zuidoostelijk deel van het restgebied ontgonnen, zo nemen we aan. Aan de oostkant van de wetering ligt de Smalzijde, die de basis was voor de ontginning Laag-Nieuwland. De kavels reikten tot aan de Achterdijksche Wetering achter de Oosterwijkse Polder (eenheid 7). Door de onregelmatige vorm van het restgebied maken de kavels een scherpe hoek met de weg, en dat geldt ook vaak voor de huizen en boerderijen op de koppen van de kavels, zoals hier op nummer 8. Deze kavels hebben ook een sterk verloop in lengte, vanaf 2 kilometer ter hoogte van de dorpskern van Nieuwland tot enkele tientallen meters in het zuiden van deze ontginningseenheid. (Overland Vijfheerenlanden 176).
RAAP-rapport 5475 / versie 31-03-2022