CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

24. (AZ) Eindrapport VianenSingelgracht_DEFINITIEF-gecomprimeerd (002).pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 3 november 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Categorie II: schriftelijke mededelingen van college of griffie26.516 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

29

Figuur 4.11

Vianen, Singellaan: Vlak 2 van graf 3 en 7 (boven), vlak 3 van graf 3 (onder).

Massagraf B Massagraf B lag circa 0,6 meter ten noorden van massagraf A. Het was sterk verstoord waardoor slechts een omvang van 1,4 bij 0,5 meter kon worden onderzocht. Het bevatte enkel nog delen van de skeletten van drie naast elkaar gelegen individuen (4, 5 en 6). De oorspronkelijke omvang van massagraf B kon niet meer worden vastgesteld. Op basis van het bodemprofiel zoals waargenomen in het talud van de gracht werd duidelijk dat ter plekke van massagraf B een verstoring in het profiel zichtbaar was (Figuur 4.1 nummer 2 en Figuur 4.12). De aard of oorzaak van de verstoring is niet bekend, maar de omvang zoals zichtbaar in het talud (lengte circa 3 meter) wekt de suggestie dat de omvang van massagraf B veel kleiner was als dat van A en C. De lengte komt overeen met die van de grafkuilen waaruit massagraf A is samengesteld.

30

Figuur 4.12

Vianen, Singellaan: Verstoring zichtbaar in het talud (geel omlijnd), ter plekke van massagraf B.

Massagraf C De exacte omvang van massagraf C is onbekend. In de zuidkant van de werkgang rond massagraf A was de noordwestelijke hoek zichtbaar. Hieruit bleek dat hier minimaal drie lagen skeletten begraven liggen, waarbij hoofd- en voeteneind elkaar afwisselen (Figuur 4.13). Op basis van een waarneming in het veld kon worden vastgesteld dat de vrijgelegde skeletresten waarschijnlijk van jonge mannen zijn. De meest westelijke hoek van massagraf C lag ongeveer 1,5 meter ten oosten en één meter ten zuiden van de meest zuidwestelijke hoek van massagraf A. Op basis van de verspreiding van skeletmateriaal kon de noordoostelijke begrenzing van massagraf C worden vastgesteld op een gelijke hoogte als de zuidoostelijke hoek van massagraf A. Dit zou betekenen dat massagraf C ongeveer 8,5 meter lang is.

31

Figuur 4.13

Vianen, Singellaan: De noordwestelijke hoek van massagraf C (spoor 76).

Ondanks dat alleen massagraven A en B zijn opgegraven en massagraf B sterk is verstoord, zijn er dusdanig veel overeenkomsten tussen de drie massagraven dat verondersteld kan worden dat ze gelijktijdig zijn/aan één gebeurtenis kunnen toegeschreven: • Alle drie massagraven waren in aanleg oost/west georiënteerd en lagen op korte afstand van elkaar; • Massagraf A bevatte meerdere aan elkaar grenzende grafkuilen die in lengte verschilden van twee tot 5,2 meter, massagraf B bestond uit één grafkuil die niet langer was dan drie meter, een afmeting die overeenkomt met die van de individuele grafkuilen van massagraf A. Ook massagraf C heeft vermoedelijk, net als massagraf A een lange, rechthoekige vorm. • Massagraf A en C bevatten beide meerdere lagen begravingen, waarin opvolgend in noord/zuid en zuid/noord richting werd begraven; • Alle massagraven bevatten resten van (jonge) mannen. Het is onduidelijk of de gevonden drie massagraven de enige zijn. Het kan niet worden uitgesloten dat op het perceel nog meer massagraven liggen, te meer omdat het nabijgelegen kasteelterrein Batestein twee keer in gebruik is geweest als militair hospitaal (zie Hoofdstuk 2.2). Deze zullen dan verder in zuidelijke richting aanwezig zijn, omdat ten tijde van in gebruik zijn van beide hospitalen aan de noordzijde een gracht aanwezig was (zie Hoofdstuk 2.2).

Met het doel om de begrenzing van massagraf C beter vast te leggen, en om eventuele andere massagraven op te sporen is na afloop van de opgraving geofysisch onderzoek uitgevoerd (Orbons 2021). Dit onderzoek heeft geen eenduidig beeld opgeleverd.

32

5.

Fysisch Antropologisch Onderzoek (A. Pijpelink, CRINA)

5.1

Inleiding Dit hoofdstuk behandelt het fysisch antropologisch onderzoek naar de inhumatiegraven. De skeletten van de individuen zijn macroscopisch onderzocht om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van wie hier begraven liggen en wat zich hier mogelijk heeft afgespeeld. Dit onderzoek draagt bij tot het beantwoorden van alle in de NvW II (Appendix II) opgestelde onderzoeksvragen. Het onderzoek is uitgevoerd conform het voorstel in het evaluatierapport (Veenstra 2021) en het PvA SO (Appendix V).

5.2

Methoden en technieken De in het veld gehanteerde werk- en verzamelwijze is beschreven in Hoofdstuk 3. Voor de determinatie van menselijk skeletmateriaal zijn standaard methoden en technieken opgesteld. Deze methoden en technieken worden gebruikt om het geslacht, de leeftijd bij overlijden en de lichaamslengte te bepalen en om een uitspraak te doen over de staat van het gebit van het overleden individu. Daarnaast wordt het hele skelet bekeken voor de constatering van botveranderingen die kunnen duiden op ziekteverschijnselen. Aan de hand van deze factoren is het mogelijk om een uitspraak te doen over de samenstelling van het grafveld en de sociale positie van de overleden individuen die in het grafveld begraven lagen. De meest gangbare methoden en technieken voor de determinatie van menselijk skeletmateriaal zijn gecombineerd tot een standaard methode. Deze standaard methode wordt ook wel ‘Barge’s Antropologica’ of het ‘groene boekje’ genoemd (Maat & Mastwijk 2005). Naast de standaard methoden en technieken voor de determinatie van menselijk skeletmateriaal staan enkele andere methoden en technieken ter beschikking, maar van velen is de betrouwbaarheid nog onder discussie.

Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van 'Barge’s Antropologica' en enkele aanvullende methoden (zie hieronder) om de leeftijd bij overlijden en het geslacht te kunnen bepalen indien er te weinig materiaal beschikbaar is voor een determinatie aan de hand van de standaard methode.

5.2.1 Conservering De mate van conservering heeft een grote invloed op de determinatiemogelijkheden. In de meest gunstige omstandigheden is het skelet volledig, zijn de individuele botten niet gefragmenteerd en is de cortex (de wand van het bot) onbeschadigd. In het slechtste geval is het botmateriaal zo ver vergaan dat er slechts een lijksilhouet over is. De conservering van het materiaal wordt op drie onderdelen beoordeeld: de volledigheid van het individu, de conservering van het botmateriaal zelf en de mate van fragmentatie. De volledigheid wordt in vier categorieën opgedeeld: <25%, 25-50%, 50-75% en >75%. De conservering van het botmateriaal zelf wordt in vier categorieën opgedeeld: 0 Goed: De cortex van het bot is onbeschadigd en het bot is hard; 1 Gemiddeld: De cortex ontbreekt gedeeltelijk, het bot is nog vrij hard; 2 Matig: De cortex ontbreek gedeeltelijk of geheel en het materiaal is broos; 3 Slecht: De cortex ontbreek grotendeels of volledig, het materiaal valt vrijwel volledig uit elkaar.

33

De mate van fragmentatie wordt in vijf categorieën opgedeeld: 0: Alle beenderen zijn volledig intact; 1: Er zijn enkele beenderen in twee delen gebroken; 2: Vrijwel alle beenderen zijn in twee of drie delen gebroken, metingen zijn niet altijd meer mogelijk; 3: De meeste gewrichten ontbreken en vrijwel het gehele skelet is gefragmenteerd, metingen zijn zelden nog mogelijk; 4: De beenderen zijn deels versplinterd, geen enkel bot is nog intact of volledig aanwezig; 5: De beenderen zijn sterk versplinterd, grote delen van het skelet ontbreken. Om een beeld te krijgen van de compleetheid van het materiaal, wordt er per individu een inventaris bijgehouden van welke lichaamsdelen er aanwezig en afwezig zijn. Per individu is een foto recht van boven gemaakt om een duidelijk beeld te krijgen van de compleetheid van een individu. Deze foto's zijn opgenomen in Appendix XII. 5.2.2 Geslacht Het geslacht wordt bepaald aan de hand van tien kenmerken aan het bekken, vier kenmerken aan de onderkaak en elf kenmerken aan de schedel. Elk kenmerk krijgt een positieve (mannelijke) of negatieve (vrouwelijke) score, die per lichaamsonderdeel worden berekend (sommige kenmerken wegen zwaarder dan andere) tot één uitkomst. Aan de hand van de uitkomst van het bekken, de onderkaak en de schedel wordt het geslacht vastgesteld. Het bekken is het meest bepalend voor de definitieve geslachtsbepaling.

De onderkaak wordt alleen als aanvullende geslachtsindicator gebruikt. Bij de geslachtsdeterminatie in dit onderzoek worden de uitkomsten tussen de -0,5 en de 0,5 als onbetrouwbaar beschouwd. Daarnaast wordt de DSP methode gebruikt (Diagnose Sexuelle Probabiliste) voor een geslachtsbepaling aan de hand van tien metrische gegevens aan het bekken (Murail et al. 2005). Volgens de uitvinders van deze methode is de uitkomst 100% betrouwbaar. Er zijn echter wel minimaal vier metrische kenmerken nodig om tot een geslachtsbepaling te kunnen komen. Als de uitkomst van een geslachtsdeterminatie onzijdig is wordt het resultaat aangeduid met ‘ND’. Over het algemeen is het bij onvolwassen individuen niet mogelijk om het geslacht vast te stellen. De geslachtskenmerken ontwikkelen zich gedurende de ontwikkeling van het lichaam. Pas als het lichaam voldoende volgroeid is (ongeveer 20 jaar en ouder), is het mogelijk om het geslacht te bepalen. Onvolwassen individuen lijken daarom altijd vrouwelijk te zijn. 5.2.3 Leeftijd bij overlijden Onder volwassen individuen worden individuen vanaf 20 jaar oud verstaan. De leeftijd bij overlijden van onvolwassen individuen is vaak nauwkeuriger en betrouwbaarder dan de leeftijd bij overlijden van volwassenen, omdat het lichaam van onvolwassen individuen nog in ontwikkeling is.

Vele ontwikkelingsstadia kunnen nauwkeurig gekoppeld worden aan een leeftijd, maar er moet wel rekening gehouden worden met het feit dat de gezondheid van een individu de ontwikkelingssnelheid van het lichaam kan beïnvloeden. De leeftijd bij overlijden van onvolwassen individuen kan op vier manieren worden vastgesteld. Waar mogelijk worden deze methoden gecombineerd. De leeftijd van onvolwassen individuen wordt bepaald door te kijken naar de doorbraak van de gebitselementen (Ubelaker 1978; WEA 1980), naar de fusering van de verschillende skeletonderdelen van de schedel, de wervelkolom en het bekken (Maat & Mastwijk 1995; Rauber Kopsch 1952; Wolff-Heidegger 1954), naar de lengte van de lange beenderen met of zonder gewrichtsuiteinden (zonder epifyseschijven) (Maresh 1955) en naar de fusering van de 34

uiteinden (epifyseschijven) van de lange beenderen (Brothwell 1981; WEA 1980). De leeftijd bij overlijden van volwassenen is bepaald aan de hand van meerdere methoden, namelijk de vergroeiing van de schedelnaden (Broca 1875 en Nemescéri et al. 1960), de slijtage op het schaambeen (symphysis pubis) (Brooks & Suchey 1990) en twee verschillende methoden die kijken naar de slijtage op het darmbeen (auriculair oppervlak) (Buckberry en Chamberlain 2002; Schmitt 2005). Bij de determinatie van de leeftijd bij overlijden moet rekening gehouden worden met het feit dat elk individu zich in een ander tempo ontwikkelt en dat een leeftijdsbepaling dus altijd iets kan afwijken van de echte leeftijd. De uiteindelijk bepaalde leeftijd bij overlijden per individu valt altijd binnen een leeftijdsrange (bijvoorbeeld 5-8 of 20-40 jaar). De uitkomsten van de vier verschillende methoden komen meestal redelijk overeen. Hoe verder de resultaten uit elkaar liggen, tussen de verschillende methoden, hoe groter de leeftijdsrange is. Per individu wordt het gemiddelde van deze leeftijdsrange gebruikt om de totale gemiddelde leeftijd bij overlijden te bepalen. Bij een leeftijdsrange van bijvoorbeeld 20-40 jaar wordt een leeftijd van 30 jaar gebruikt om de gemiddelde leeftijd van de onderzochte populatie te berekenen.

Bij een leeftijdsoverzicht per 10 jaar zou een individu van 20-40 jaar oud dus worden ingedeeld in de categorie van 30-40 jaar. Het nadeel van vrijwel alle methoden en technieken die momenteel voor handen zijn voor het bepalen van een leeftijd bij overlijden, is dat de maximale leeftijdscategorie 60+ is. Bij het berekenen van een gemiddelde leeftijd bij overlijden binnen het gehele grafveld kan dit de gemiddelde leeftijdsberekening behoorlijk vertekenen. Als een individu als 60+ gecategoriseerd is, wordt er daarom voor gekozen om deze individuen bij de berekening als 70 jaar oud te rekenen. Zodoende valt er een relatief betrouwbare gemiddelde leeftijd bij overlijden uit het gehele grafveld te onttrekken. 5.2.4 Lichaamslengte De lichaamslengte van een individu is deels erfelijk bepaald, maar ook afhankelijk van de leefomstandigheden (Maat 2003, 62). Hoe beter de leefomstandigheden, bijvoorbeeld een vitaminerijke voeding en lichte arbeid, hoe langer iemand kan worden. Daarom kan de lichaamslengte een bijdrage leveren aan de bepaling van de sociale status van de begraven individuen. Voor de berekening van de lichaamslengte van een individu wordt de lengte van de lange beenderen gemeten. Deze lengtes worden verwerkt in een formule om zo tot een lichaamslengte te komen. Voor dit onderzoek wordt de methode van Trotter (en Gleser) gebruikt (Trotter 1970; Trotter & Gleser 1958).

Deze methode is bruikbaar voor de berekening van de lichaamslengte van zowel mannen als vrouwen. 5.2.5 Ziekteverschijnselen Botveranderingen die kunnen duiden op ziekteverschijnselen zijn misschien wel de meest belangrijke factoren voor het bepalen van de sociale positie van een bevolkingsgroep. Er zijn verschillende categorieën ziekteverschijnselen: traumata, infectieziekten, deficiëntieziekten, degeneratieve gewrichtsaandoeningen, overige ziekteverschijnselen en anomalieën. Elke soort ziekteverschijnselen zegt iets over de gezondheid en daarmee de sociale positie van de bevolkingsgroep. Trauma Onder trauma worden over het algemeen botbreuken verstaan, maar ook andere vervormingen aan het bot welke het gevolg zijn van knelling, verwonding of een harde klap. In de meeste gevallen worden geheelde botbreuken teruggevonden, maar het is ook mogelijk dat een individu is overleden als gevolg van de breuk, in welk geval de breuk een scherpe rand heeft. Als een botbreuk gezet en gespalkt wordt kan deze zo mooi helen dat er weinig van de 35

oorspronkelijke breuk te zien is. Ongezette of ongespalkte breuken kunnen scheef groeien en zijn vaak een stuk beter te herkennen. Infectieziekten Infectieziekten kunnen het lichaam binnentreden via lichamelijk contact, via voedsel of door inhalatie (Ortner 2003, 179). De meeste infectieziekten blijven in het zachte weefsel van het lichaam en blijven daardoor archeologisch onzichtbaar. In veel gevallen is het individu overleden voordat de infectieziekte zich in het skelet manifesteert. Enkele infectieziekten manifesteren zich wel al in een vroeg stadium in het skelet (Ortner & Putschar 1981). In veel gevallen zijn er één of meerdere indicatoren voor een infectieziekte zichtbaar op het bot, maar zijn deze niet direct aan een specifieke infectieziekte toe te schrijven. Dit worden niet-specifieke infecties genoemd. Deficiëntieziekten Deficiëntieziekten zijn ziekten als gevolg van een tekort aan voedingsmiddelen of andere belangrijke bestanddelen die men nodig heeft om normaal te kunnen leven. De aan- of afwezigheid van deficiëntieziekten is daarom een zeer geschikte factor om uitspraak te kunnen doen over de sociale positie van een bevolkingsgroep (Ortner & Putschar 1981; Maat & Mastwijk 2005, 15).

Degeneratieve gewrichtsaandoeningen Er zijn drie soorten degeneratieve gewrichtsaandoeningen: perifere osteoartrose of POA (artrose in alle gewrichten behalve in de wervelkolom), vertebrale osteoartrose of VOA (artrose in de onderlinge articulatievlakken van de wervelkolom) en de degenerative disc disease of DDD (slijtage en botreactie in de tussenwervelschijven) (Rogers & Waldron 1995). Alle drie de gewrichtsaandoeningen zijn deels gerelateerd aan leeftijd: gewrichten slijten als gevolg van het gebruik van de gewrichten. De intensiteit van het gebruik van de gewrichten en de belasting van de gewrichten bepaalt hoe snel de gewrichtsslijtage optreedt. Over het algemeen treedt bij iedereen boven de 40 jaar gewrichtsslijtage op (Rogers & Waldron 1995). Overige ziekteverschijnselen Overige ziekteverschijnselen zijn ziekten die niet aan één van de andere ziektecategorieën zijn toe te schrijven, doordat er geen duidelijke oorzaak van de ziekte is, of omdat de oorzaak van de ziekte verschilt van de ziekten uit de andere categorieën. Anomalieën Anomalieën zijn (meestal aangeboren) afwijkingen waar een individu over het algemeen geen last van heeft. Sommige van deze anomalieën zijn overerfbaar (Ortner 2003, 453-479). 5.2.6 Gebitsstatus De aan- of afwezigheid van gebitselementen kan iets zeggen over de gezondheid van het gebit.

Bij elk individu komen normaal 32 gebitselementen door (bij het ontbreken van de verstandskiezen 28). Door onder andere een slecht onderhoud van het gebit kunnen gebitselementen uitvallen. Ook gebitsaandoeningen zijn belangrijke indicatoren voor de gezondheid van het gebit en mogelijk ook voor de sociale status van het individu. Onder gebitsaandoeningen worden gaatjes (cariës), abcessen, wortelpuntontstekingen (fistula’s), emailhypoplasiën (ribbels in het tandemail als gevolg van een tijdelijke stop in de ontwikkeling van de tanden door een tekort aan voedingsstoffen) en pijprokersgaten gerekend.

36

5.3

Resultaten In totaal zijn 82 individuen opgegraven, verspreid over twee massagraven (A en B). Massagraf A bevatte 79 individuen verspreid over zes aan elkaar grenzende grafkuilen. Massagraf B was verstoord en bevatte de resten van drie individuen. Een compleet overzicht van de determinatieresultaten per individu is te vinden in Appendix VI.

5.3.1 Conservering De conservering van het materiaal is gemiddeld. Er zijn geen skeletten met een slechte conservering aangetroffen. De fragmentatie van het materiaal wisselde maar was ook overwegend goed. Enkele skeletten waren nog slechts voor een deel bewaard gebleven als gevolg van recente verstoringen, maar de meeste individuen zijn volledig bewaard gebleven. Een factor die binnen dit onderzoek zeker genoemd moet worden met het oog op de conservering van het bot is de rol van taphonomische processen. De vondstlocatie is in het verleden in gebruik geweest als boomgaard, en ten tijde van de opgraving stond er recht boven het massagraf een palissade met struikgewas. De plantenwortels en palen van de palissade zijn diep in de grond gedrongen en hebben (vermoedelijk mede als gevolg van de relatief ondiepe ligging van het graf) plaatselijk sterke erosie van het bot opgeleverd als gevolg van zuurstof, hemel- en grondwater. De plantenwortels zijn deels door het botmateriaal heen gedrongen; organische resten in de bodem (zoals een menselijk lichaam) leveren immers veel voedingsstoffen op voor planten waardoor de wortels zich hier naartoe dringen. Ter plaatse van de wortels zijn zeer lokale plekken in het bot ontstaan waar het bot vrijwel volledig is vergaan, terwijl het bot waar geen plantenwortels aanwezig waren veelal goed bewaard is.

Deze lokale plekken zien er bijna uit als cystes (Figuur 5.1 tot en met 5.4), met het verschil dat er geen infectiesporen aanwezig zijn en de holtes meestal niet doorlopen naar het articulerende bot (als gevolg van het uiteenvallen van het lichaam lagen de betreffende beenderen vaak niet meer volledig in anatomisch verband).

Figuur 5.1

Vianen, Singellaan: De impact van wortelgroei in de bodem op het bot ter hoogte van de linker onderarm van individu 18.

37

Figuur 5.2

Vianen, Singellaan: De impact van wortelgroei in de bodem op het bot ter hoogte van de onderzijde van de linker opperarm van individu 18.

Figuur 5.3

Vianen, Singellaan: De impact van wortelgroei in de bodem op het bot ter hoogte van een lendenwervel van individu 18.

38

Figuur 5.4

Vianen, Singellaan: De impact van wortelgroei in de bodem op het bot ter hoogte van een borstwervel van individu 23: Een bijna perfecte ronde opening in de wervelboog wat lijkt op een verwonding door een scherp voorwerp. Echter, de articulerende wervel was volledig intact en daarnaast zijn er geen tekenen van botreactie of breukranden zichtbaar, wat suggereert dat dit na de dood moet zijn veroorzaakt.

Figuur 5.5

Vianen, Singellaan: Volledigheid van de individuen.

39

Figuur 5.6

Vianen, Singellaan: Conservering van het botmateriaal.

Figuur 5.7

Vianen, Singellaan: Fragmentatie van het botmateriaal.

De inventaris (Tabel 2) geeft aan in welke hoeveelheid de verschillende lichaamsdelen (Figuur 5.8) zijn aangetroffen. Bij de inventaris is alleen gekeken of een lichaamsdeel wel of niet aanwezig is. Als een lichaamsdeel aanwezig is hoeft dat niet te betekenen dat het lichaamsdeel compleet is. De compleetheid per individu is te vinden in de skeletinventaris per individu. Deze zijn te vinden in Appendix XII.

40

Figuur 5.8

Vianen, Singellaan: De belangrijkste skeletonderdelen in kleur weergegeven. De getallen en kleuren komen overeen met de inventarislijst uit Tabel 2.

41

Tabel 2:

Vianen, Singellaan: Inventaris van de belangrijkste skeletonderdelen (gedeeltelijk naar Baetsen 2013).

Skeletonderdeel

Rechts

Links

Totaal

1. Schedel (cranium)

-

-

78

2. Onderkaak (mandibula)

-

-

77

3. Sleutelbeen (clavicula)

75

78

153

4. Schouderblad (scapula)

79

79

158

5. Borstbeen (sternum)

-

-

73

6. Opperarm (humerus)

79

78

157

7. Ellepijp (ulna)

78

77

155

8. Spaakbeen (radius)

78

76

154

9. Hand ((meta)carpalen en phalanges)

78

75

153

10. Bekken (pelvis)

77

75

152

11. Heiligbeen (sacrum)

-

-

76

12. Dijbeen (femur)

78

78

156

13. Knieschijf (patella)

66

75

141

14. Scheenbeen (tibia)

77

77

154

15. Kuitbeen (fibula)

77

77

154

16. Voet ((meta)tarsalen en phalanges

79

78

157

17. Halswervels (vertebrae thoracicae)

-

-

504 (N=80)*

18. Borstwervels 1-6 (vertebrae thoracicae)

-

-

434 (N=78)**

18. Borstwervels 7-12 (vertebrae thoracicae) -

-

444 (N=77)***

19. Lendenwervels (vertebrae lubales)

-

374 (N=78)****

-

20. Ribben (costae) 848 (N=80) 868 (N=80) 1716***** * Een compleet individu heeft 7 halswervels. Dit is het totaal aantal gevonden halswervels van alle 82 individuen. ** Een compleet individu heeft 12 borstwervels. Dit is het totaal aantal gevonden halswervels van alle 82 individuen. *** Een compleet individu heeft 12 borstwervels. Dit is het totaal aantal gevonden halswervels van alle 82 individuen. **** Een compleet individu heeft 5 lendewervels. Dit is het totaal aantal gevonden halswervels van alle 82 individuen. ***** Een compleet individu heeft aan beide kanten 12 ribben. Dit is het totaal aantal gevonden halswervels van alle 82 individuen.

5.3.2 Geslacht Van 78 individuen kan het geslacht worden vastgesteld (Figuur 5.9). Van twee volwassen individuen kan het geslacht niet worden vastgesteld omdat er geen geslachtskenmerken meer bewaard zijn gebleven. Echter aan de hand van het postuur zijn deze individuen vermoedelijk mannelijk. De geslachtsdeterminatie van deze twee individuen is genoteerd als ‘M/V (M?)’. Ook van twee onvolwassen individuen was het geslacht niet vast te stellen omdat zij te jong waren waardoor de geslachtskenmerken nog niet waren ontwikkeld. Van deze twee individuen is het geslacht genoteerd als ‘K’. De helft van de individuen is onvolwassen, maar op de twee bovengenoemde individuen 42

na was hier wel al een geslachtsdeterminatie uit te voeren. Deze individuen zijn genoteerd als ‘K (M)’ in de tabellen. De determinatie van het geslacht van de onvolwassenen is minder overtuigend als bij de volwassenen. Dit komt omdat de geslachtskenmerken nog niet volledig zijn ontwikkeld. In de meeste gevallen was het bekken duidelijk mannelijk, maar waren met name de geslachtskenmerken van de schedel nog onderontwikkeld. Alle 78 individuen waarbij een geslachtsdeterminatie mogelijk was, waren mannelijk. De twee individuen zonder geslachtskenmerken zijn vermoedelijk ook mannelijk aan de hand van het postuur. Van de twee jonge tieners waarbij de geslachtskenmerken nog niet ontwikkeld waren, wordt voorlopig uitgegaan dat dit ook jonge mannen zijn geweest. Maar dit is macroscopisch niet met zekerheid vast te stellen en zou eventueel aan de hand van DNAonderzoek kunnen worden vastgesteld. Dat er alleen maar mannen zijn aangetroffen binnen het onderzoek geeft aan dat dit geen begraafplaats is van een normale populatie. Hier wordt verder op in gegaan in de discussie en conclusie. De geslachtsdeterminatie wordt per individu gespecificeerd weergegeven in Appendix X.

Figuur 5.9

Vianen, Singellaan: Geslachtsverhouding.

5.3.3 Leeftijd bij overlijden Van 80 individuen kan een minimale en maximale leeftijd bij overlijden worden vastgesteld. Bij twee individuen kan alleen worden vastgesteld dat ze volwassen waren bij gebrek aan specifieke leeftijdskenmerken. Dit zijn tevens de twee individuen waar geen geslachtskenmerken meer van bewaard waren gebleven. Deze twee individuen zijn gedetermineerd als 20+. Precies de helft van de individuen is onvolwassen, namelijk 41 individuen (Figuur 5.11). Hierbij is het jongste individu tussen de 9 en 14 jaar overleden. De volwassenen zijn allen ook relatief jong gestorven met een maximale leeftijd bij overlijden van 40-44 jaar oud. De gemiddelde leeftijd bij overlijden van de volwassenen is 26,5 jaar (N=39, Figuur 5.10). Als de onvolwassenen hierbij worden meegerekend is de totale gemiddelde leeftijd bij overlijden 21,7 jaar oud (N=80). De meeste individuen zijn tussen de 18 en 25 jaar overleden (53,6%). De gemiddelde leeftijd bij overlijden is zeer jong en geeft evenals de geslachtsdeterminatie aan dat dit geen normale begraafplaats betreft waar de doorsnede populatie begraven ligt. De leeftijd bij overlijden per individu is terug te vinden in Appendix VIII en IX.

43

Figuur 5.10

Vianen, Singellaan: Leeftijd bij overlijden over het gehele grafveld.

Figuur 5.11

Vianen, Singellaan: Leeftijd bij overlijden van de onvolwassenen.

5.3.4 De lichaamslengte De lichaamslengte kan alleen berekend worden van volwassen individuen aangezien deze volledig zijn uitgegroeid. Echter omdat de meeste onvolwassenen binnen dit onderzoek late tieners zijn, is hiervan (waar mogelijk) ook een lengteberekening gemaakt. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het feit dat deze individuen nog niet volledig zijn uitgegroeid en dat de lichaamslengte berekening van de tieners dus een minimale lichaamslengte betreft. Van 37 volwassen individuen kan een lichaamslengte worden berekend. De gemiddelde lichaamslengte van de volwassenen is 166,4 centimeter (± 3,3 centimeter). Hierbij is het kleinste individu 155,8 cm en het langste individu 184,5 centimeter. Van 22 tieners kan een minimale lichaamslengte worden berekend. Als deze lichaamslengte wordt meegenomen met de volwassen individuen is de totale gemiddelde lichaamslengte 166,8 cm (± 3,3 centimeter), waarbij de kleinste tiener 157,7 centimeter lang is en de grootste tiener 178,3 centimeter lang. De lichaamslengte per individu is terug te vinden in Appendix XI.

44

5.3.5 Ziekteverschijnselen Binnen het onderzoek zijn diverse ziekteverschijnselen aangetroffen. De ziekteverschijnselen zullen per categorie worden besproken. In Appendix VI zijn de onderzoeksresultaten en ziekteverschijnselen per individu weergegeven. Trauma Geheelde botbreuk Er zijn geheelde botbreuken of verwondingen waargenomen. Geheelde botbreuken zijn waargenomen in een sleutelbeen (Figuur 5.12), de hand (Figuur 5.13), het kuitbeen en een rib. Geheelde oppervlakkige verwondingen zijn waargenomen in het scheenbeen, de hand en het dijbeen (Figuur 5.14). Hierbij is het bot beschadigd, maar heeft er geen volledige breuk plaatsgevonden. Ten slotte had één individu een compressiefractuur in de onderste borstwervel. Een overzicht van alle aangetroffen traumata is te vinden in Tabel 3.

Figuur 5.12

Vianen, Singellaan: Geheelde breuk in het linker sleutelbeen van individu 30.

Figuur 5.13

Vianen, Singellaan: Geheelde breuk in een middenhandsbeen van individu 15.

Figuur 5.14

Vianen, Singellaan: Geheelde verwonding met een lichte ontsteking in het dijbeen van individu 26. 45

Indicatoren voor stress Buiten botbreuken kunnen er ook andere indicatoren van stress worden aangetroffen in de vorm van entesopathiën (kleine botuitsteeksels) en depressies in het botoppervlak. Deze kunnen ontstaan als gevolg van overbelasting, extreme spierontwikkeling of langdurige of frequente beknelling. Bij twee individuen zijn entesopathiën aangetroffen. Entesopathiën zijn verbeningen van de peesaanhechtingen, die vaak op standaard locaties worden aangetroffen binnen het lichaam. Bij één individu zijn de entesopathiën in de knie waargenomen en bij één individu in de enkel. Entesopathiën komen veelvuldig voor. Binnen dit onderzoek zijn relatief weinig entesopathiën aangetroffen, vermoedelijk als gevolg van de jonge leeftijd van de individuen, waardoor de entesopathiën zich nog niet hebben kunnen ontwikkelen. Buiten entesopathiën zijn er ook andere indicatoren voor stress aangetroffen. Twaalf individuen vertonen een zogenaamde rhomboid fossa aan het sleutelbeen (Figuur 5.15). Dit is een depressie aan de onderzijde van het proximale sleutelbeen waar de peesaanhechting met de eerste rib zich bevind. Deze depressie ontstaat door overbelasting op deze pees.

Figuur 5.15

Vianen, Singellaan: Figuur 15. Rhomboid fossa in het rechter sleutelbeen van individu 34.

46

Figuur 5.16

Vianen, Singellaan: Osteochondritis dissecans in de rechter distale opperarm van individu 32.

Osteochondritis Dissecans Osteochondritis dissecans is een vorm van trauma. Hierbij komt tijdens de groei van het lichaam een klein botfragment los van het gewricht, waardoor permanent een poreus en vaak rond plekje in het gewricht zichtbaar blijft. Deze vorm van trauma heeft verder geen invloed op het individu. Bij drie individuen is osteochondritis dissecans aangetroffen. Bij twee individuen in de distale opperarm (Figuur 5.16) en bij één individu in de voet. Exostose Een exostose is een verbeende pees- of spieraanhechting en ontstaat vaak als gevolg van een knelling van het bot. Een exostose wordt ook wel als een goedaardig tumor beschouwd. Een exostose lijkt op een entesopathie, maar is vaak groter en bevind zich op een andere locatie in het lichaam dan waar de entesopathiën zich normaliter bevinden. Bij twee individuen is een exostose aangetroffen. In beide gevallen in het distale kuitbeen. Spondylolisis Bij spondylolisis is (een deel van) de wervelboog van een wervellichaam afgebroken en niet meer terug aangegroeid. Dit verschijnsel komt meestal in de onderrug voor (in de lumbale wervels) en is het meestal het gevolg van zware rug belastende activiteiten. Men heeft hier over het algemeen geen last van. Spondylolisis is bij één individu aangetroffen in de onderste lumbale wervel (Figuur 5.17).

47

Figuur 5.17

Vianen, Singellaan: Spondylolisis bij individu 29.

Amputatie/autopsie Bij twee individuen zijn aanwijzingen gevonden voor autopsie en/of amputatie. Bij één individu was de schedel doorgezaagd, wat een algemene procedure is bij een autopsie om de doodsoorzaak te kunnen achterhalen (Figuren 5.18 en 5.19). Tevens waren bij dit individu de benen doorgezaagd (Figuren 5.20 en 5.21). Het rechter been is onder de knie doorgezaagd en het linker been is op twee plaatsen doorgezaagd: zowel boven- als onder de knie. Op de benen zijn geen ziektesporen aangetroffen die aanleiding geven tot amputatie. Ook is het onlogisch om één been op twee plaatsen door te zagen. Vermoedelijk is het amputeren van de benen dan ook onderdeel geweest van de autopsie of is er op dit individu geoefend om een amputatie uit te voeren. De aanwezigheid van zaagsneden op het bot en de volledige afwezigheid van botreactie als gevolg van genezing wijzen er op dat dit individu direct na de ingreep is overleden of al overleden was (deze conclusie is getrokken in overleg met dr. Hans de Boer, forensisch patholoog). In combinatie met de doorgezaagde schedel en bij gebrek aan een aanleiding voor amputatie wordt vermoed dat alle zaagactiviteiten bij dit individu na de dood zijn uitgevoerd.

48

Figuur 5.18

Vianen, Singellaan: Doorgezaagde schedel van individu 22 in het veld.

Bij het tweede individu met zaagsporen is aan beide kanten het schaambeen verwijderd (Figuren 5.22 en 5.23). Ook bij dit individu zijn nog zaagsneden aangetroffen op het bot. Het verwijderen van het schaambeen is een procedure die onmogelijk tijdens het leven van een individu kan hebben plaatsgevonden. Vermoedelijk betreft het hier dus ook een autopsie van het individu. Verder bleek de rechter arm van dit individu op de kop en los naast zijn lichaam te zijn geplaatst en was de schedel niet aanwezig. Opmerkelijk is dat zowel op de arm en schouder als op de halswervels geen snijsporen zichtbaar waren op het bot. De arm zal zeker chirurgisch zijn verwijderd, gezien de ligging los van het lichaam. De schedel zou als gevolg van een verstoring kunnen zijn verdwenen, maar hiervoor zijn geen aanwijzingen gevonden (de nog aanwezige halswervels vertoonden geen beschadiging). Waarschijnlijk zijn bij dit individu na overlijden arm en hoofd verwijderd. Waarom is niet duidelijk, mogelijk is ook hier geoefend in amputatie. Waarom ook het hoofd is verwijderd is onduidelijk.

49

Figuur 5.19

Vianen, Singellaan: Deel van de doorgezaagde schedel tijdens het onderzoek van individu 22.

Figuur 5.20

Vianen, Singellaan: Amputatie van het linker been van individu 22 op twee verschillende locaties: net boven de knie en net onder de knie.

Figuur 5.21

Vianen, Singellaan: Duidelijk zichtbare zaagsneden in het rechter onderbeen van individu 22. 50

Figuur 5.22

Vianen, Singellaan: Verwijderde schaambeenderen bij individu 67 in het veld.

Figuur 5.23

Vianen, Singellaan: Verwijderd schaambeen bij de rechter bekkenhelft van individu 67 tijdens het onderzoek. 51

Tabel 3:

Vianen, Singellaan: De verschillende soorten trauma per individu.

Individu Grafkuil

Geslacht

Leeftijd Geheelde breuk/dislocatie

Stress indicator

1

1

K (M)

17-19

Rhomboid fossa sleutelbeenderen

4

2

M

20-40

Rhomboid fossa rechter sleutelbeen

10

1

M

30-34

Exotase distale kuitbeen links

13

1

M

22-24

Rhomboid fossa sleutelbeenderen

15

1

K (M)

14-17

19

1

K (M)

17-19

Geheelde breuk middenhandsbeentje van de middelvinger rechts Exotase distale kuitbeen rechts

20

1

M

22-24

22

1

M

22-24

Rhomboid fassa sleutelbeenderen

23

1

M

22-24

26

1

M

25-29

28

1

K (M)

17-20

29

1

M

22-24

Spondylolisis laatste lendenwervel (L5)

30

1

M

30-34

Geheelde breuk linker sleutelbeen

32

1

M

18-22

Osteochondritis dissecans grote teen rechts

34

1

M

20-24

Rhomboid fossa sleutelbeenderen

36

1

M

30-34

Entesopathiën rechter knie

40

3

M

30-34

Doorgezaagde schedel en benen (amputatie/autopsie) Rhomboid fossa sleutelbeenderen Geheelde verwonding linker dijbeen (zie ook infecties) Rhomboid fossa sleutelbeenderen

Geheelde verwonding rechter duim

43

3

M

30-34

Geheelde breuk rechter kuitbeen

45

5

M

25-29

Geheelde oppervlakkige verwonding rechter scheenbeen

Entesopathiën rechter enkel

61

3

K (M)

18-20

Geheelde breuk 1e rib rechts

62

3

K (M)

17-18

Compressiefractuur onderste borstwervel

66

3

M

25-29

67

7

M

20-24

72

1

M

22-24

Rhomboid fossa sleutelbeenderen

75

1

K (M)

18

Osteochondritis dissecans grote teen rechts

77

1

K (M)

14-18

Rhomboid fossa rechter sleutelbeen

82

1

M

20-24

Osteochondritis dissecans distale opperarm rechts

Rhomboid fossa sleutelbeenderen Doorgezaagde schaambeenderen, geamputeerde arm en hoofd?

52

Infecties Binnen dit onderzoek zijn uitzonderlijk veel sporen van infecties aangetroffen. Bij 48 individuen (58,5%) is tenminste één vorm van een infectie waargenomen (Tabel 4 en 5). Infecties zijn vrijwel altijd te herkennen aan een laagje geweven bot op het oppervlakte van het bot zelf. Het nadeel van dit verschijnsel is dat dit laagje tijdens de vondstverwerking makkelijk kan worden aangezien voor vuil op het bot en regelmatig wordt weggewassen (Figuur 5.24). Sommige beenderen uit dit onderzoek vertonen kleine plekken met een laagje geweven bot op het oppervlak, waarvan het vrij zeker is dat het grootste deel zeer waarschijnlijk niet meer aanwezig is en weggewassen zal zijn. Op sommige locaties in het lichaam gaan de geweven botlaagjes gepaard met lichte verkleuringen van het bot. In enkele gevallen binnen dit onderzoek wordt er vermoed dat het individu een infectie had, maar dat het laagje geweven bot is weggewassen, omdat deze individuen wel de typische verkleuringen vertoonden. Als deze acht vermoedelijke infecties mee worden gerekend, zijn er ten minste 50 individuen (61%) met tenminste één vorm van een infectie. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de ontwikkeling van een infectie. De infectie manifesteert zich niet direct op het bot, maar moet al geruime tijd in het lichaam aanwezig zijn.

De afwezigheid van tekenen van een infectie wil dus niet zeggen dat een individu niet is overleden aan een infectie.

Figuur 5.24

Vianen, Singellaan: Laagje extra bot aan de binnenzijde van de hals van het linker dijbeen van individu 62 (de licht grijze plekken). Vermoedelijk is het laagje extra bot gedeeltelijk weg gewassen.

Beenvliesontsteking (periostitis) Beenvliesontsteking is de ontsteking van het botvlies (het periosteum) en treedt op als gevolg van een infectie. Beenvliesontsteking komt in twee vormen voor: lokaal (op één lichaamsdeel) en verspreid door heel het lichaam/tweezijdig (zowel op het linker als op het rechter lichaamsdeel). Lokale beenvliesontsteking is meestal het gevolg van een infectie die is overgeslagen van een plaatselijke verwonding. Beenvliesontsteking op meerdere plaatsen in het lichaam of tweezijdig is meestal het gevolg van een infectie(ziekte). Deze heeft zich via de bloedbaan door het lichaam verspreid. Ook kan het een gevolg zijn van zware overbelasting van de benen, wanneer het alleen in de benen voorkomt, al is een infectieziekte hier ook een veelvoorkomende oorzaak voor (Maat & Mastwijk 2005, 14-15; Roberts & Manchester 2007, 172). 53

Beenvliesontsteking kan optreden als gevolg van meerdere infectieziektes en wordt daarom meestal een ‘niet specifieke infectie’ genoemd. Beenvliesontsteking kan na genezing soms ook nog worden waargenomen in de vorm van een licht oppervlakkig gestreept patroon op het aangetaste bot. Alle beenvliesontsteking binnen dit onderzoek was echter actief ten tijde van overlijden. Er zijn vijf individuen met beenvliesontsteking in beide onderbenen aangetroffen en nog eens vier individuen met enkele beenvliesontsteking in het onderbeen, waarvan het mogelijk is dat het andere been te goed is schoongemaakt tijdens de vondstverwerking om beenvliesontsteking nog te kunnen waarnemen. Eén individu vertoonde duidelijk alleen in het linker been beenvliesontsteking, waarvan heviger in het dijbeen dan in het onderbeen. Vermoedelijk is de beenvliesontsteking hier veroorzaakte door een plaatselijke verwonding. In totaal is bij 18 individuen beenvliesontsteking verspreid door het lichaam aangetroffen (buiten de onderbenen, de binnenzijde van de schedel, de ribben en de bijholtes, zie hieronder). Hiervan wordt in vier gevallen vermoed dat de infectie het gevolg is van een plaatselijke verwonding (inclusief bovengenoemde). De overige 14 individuen met sporen van een ‘niet specifieke infectie’ leden vermoedelijk aan een infectie die zich via de bloedbaan door het gehele lichaam heeft verspreid.

In veel gevallen is de infectie aangetroffen in combinatie met hersenvliesontsteking, longontsteking, bijholteontsteking, of een combinatie van deze ontstekingen. Hersenvliesontsteking of meningitis Hersenvliesontsteking kan op twee manieren voorkomen: bacterieel of viraal. Een virale infectie wordt veroorzaakt door een virus en gaat meestal vanzelf over. Het ziektebeeld van een virale hersenvliesontsteking is meestal niet heel ernstig, maar is wel erg besmettelijk. Bacteriële hersenvliesontsteking wordt veroorzaakt door de meningokok, de pneumokok (vooral gekend bij longontsteking) of Haemophilus influenzae (type b) (Hib). Deze kiemen zitten (ongevaarlijk) in de neus en keel. Door hoesten, niezen en omhelzen krijgen we ze van andere mensen. Als het lichaam ze niet goed opruimt, kunnen ze via het bloed naar de hersenvliezen. Deze bacteriën kunnen tevens bloedvergiftiging (sepsis) veroorzaken (www.gezondheidenwetenschap.be/richtlijnen/hersenvliesontsteking-meningitis). Bacteriële hersenvliesontsteking gaat meestal niet vanzelf over (niet zonder medicatie) en het ziektebeeld is veel ernstiger als bij een virale infectie. Virale hersenvliesontsteking is zelden dodelijk, bacteriële hersenvliesontsteking daarentegen is zeer dodelijk. Een bacterie kan buiten het lichaam nauwelijks in leven blijven en is daarom alleen besmettelijk bij dicht menselijk contact.

Bacteriële hersenvliesontsteking komt het meeste voor bij baby’s, jongvolwassenen en mensen met minder weerstand (www.umcutrecht.nl/nl/ziekenhuis/ziekte/hersenvliesontsteking en www.thuisarts.nl/hersenvliesontsteking/heb-ik-hersenvliesontsteking-volwassene). Hersenvliesontsteking is waar te nemen in het skelet door een laagje extra poreus bot aan de binnenzijde van de schedel (Figuur 5.25). Bij vier individuen was de schedel niet meer bewaard gebleven, waardoor het niet is vast te stellen of deze individuen aan hersenvliesontsteking hebben geleden of niet. Hersenvliesontsteking is zeer veel aangetroffen binnen dit onderzoek, namelijk bij 27 individuen. Bij nog eens acht individuen wordt vermoed dat zij leden aan hersenvliesontsteking, maar is het laagje poreus bot aan de binnenzijde van de schedel vermoedelijk weg gewassen. Dit betekent dat er bij 35-45% van alle opgegraven individuen hersenvliesontsteking is aangetroffen. Waarschijnlijk is de hersenvliesontsteking binnen dit onderzoek veroorzaakt door een bacteriële infectie. Vermoedelijke ontberingen van lange trektochten, het meestal eenzijdige eten bij een trektocht en slechte hygiënische leefomstandigheden in combinatie met krap opgezette kampementen van de legertroep(en) zullen voor een verminderde weerstand hebben gezorgd en hebben geleid tot de ideale omstandigheden voor de verspreiding van een bacteriële infectie.

Het is zeer waarschijnlijk dat 54

de individuen aan de gevolgen van hersenvliesontsteking zijn overleden. Bij twee individuen is behalve hersenvliesontsteking ook longontsteking aangetroffen (zie hieronder), wat doet vermoeden dat in ieder geval bij deze twee individuen pneumokokken de veroorzaker zal zijn geweest. Pneumokokken is ook een bekende veroorzaker van middenoorontsteking en sinusitis (of bijholteontsteking, zie hieronder).

Figuur 5.25

Vianen, Singellaan: Hersenvliesontsteking (laagje poreus bot aan de binnenzijde van de schedel) bij individu 49.

Longontsteking Bij vier individuen is een laagje poreus bot aan de binnenzijde van de ribben aangetroffen (Figuur 5.26). Als gevolg van de ontsteking van het longweefsel kan de infectie overslaan op het botweefsel, waardoor de ribben worden aangetast. Bij één individu is slechts één rib aangetast en daarom wordt vermoed dat dit het gevolg is van een ontsteking door een plaatselijke verwonding (bijvoorbeeld een kneuzing of vleeswond). De andere drie individuen vertoonden duidelijk tekenen van longontsteking (meerdere aangetaste ribben). Bij twee individuen waren alleen de linker ribben aangetast en bij één individu was de longontsteking tweezijdig. In combinatie met de veel voorkomende hersenvliesontsteking binnen dit onderzoek, wordt vermoed dat de bacterie pneumokokken de veroorzaker kan zijn van de longontsteking bij deze individuen, maar dit is niet meer met zekerheid te achterhalen.

55

Figuur 5.26

Vianen, Singellaan: Longontsteking (laagje poreus bot aan de binnenzijde van een linker rib) bij individu 73.

Bijholteontsteking of sinusitis Bijholteontsteking is een langdurige ontsteking van de neusbijholtes. Bijholteontsteking is herkenbaar aan een laagje poreus extra bot, of kleine benige uitsteeksels in de holtes. Als de schedel volledig intact is zijn deze holtes niet inspecteerbaar, maar in veel gevallen is de schedel gefragmenteerd en kunnen deze holtes wel op sinusitis geïnspecteerd worden. Bij acht individuen is bijholteontsteking waargenomen (Figuur 5.27). Bij 14 individuen was het niet mogelijk om de neusholtes te bestuderen omdat de delen niet aanwezig waren of de schedel ter plaatse van de neusbijholtes intact was. Dit betekent dat er bij 12% van de waarneembare individuen bijholteontsteking is aangetroffen. Bijholteontsteking wordt meestal veroorzaakt door een virus zoals een verkoudheid, maar kan ook een bacteriële oorzaak hebben.

Figuur 5.27

Vianen, Singellaan: Sinusitis bij individu 62.

Vermoedelijke aangezichtsverlamming of facialisparese Aangezichtsverlamming kan meerdere oorzaken hebben: trauma, kanker een beroerte of een infectie (www.thuisarts.nl/aangezichtsverlamming-van-bell/ik-heb-aangezichtsverlamming-vanbell) (Figuur 5.28). Of iemand een verlamming heeft gehad is in het skelet zelden 56

detecteerbaar. Aangezichtsverlamming is echter iets makkelijker herkenbaar dan een verlamming elders in het lichaam. Als gevolg van de (vrijwel altijd eenzijdige) aangezichtsverlamming heeft het individu het niet meer door als er zich vuil ophoopt tussen de tanden, waardoor dit ook niet- of in mindere mate wordt verwijderd. Het gevolg is dat er aan één zijde van het gebit meestal zéér veel tandsteen aanwezig is (vaak gepaard met cariës en wortelpuntontstekingen of abcessen) en aan de andere zijde vrijwel géén tandsteen of andere gebitsaandoeningen (Figuur 5.29). Bij vier individuen is mogelijke aangezichtsverlamming waargenomen. Bij twee individuen is de verlamming vrij zeker en bij twee individuen is het minder duidelijk of zij aan aangezichtsverlamming leidden, als gevolg van de sterke fragmentatie van het kaakbot of doordat de eenzijdige aanwezigheid van tandsteen niet excessief was. Bij drie van de vier individuen is de aangezichtsverlamming rechts waargenomen en bij één individu links.

Figuur 5.28

Vianen, Singellaan: Zeer lokale beenvliesontsteking onder het rechter oog van individu 70. Vermoedelijk een doorgeslagen infectie van een ontsteking in het gezicht.

Een exacte oorzaak voor de aangezichtsverlamming kan niet worden gegeven. Echter, aangezichtsverlamming kan een gevolg zijn van oorontsteking, wat weer het gevolg zou kunnen zijn van pneumokokken. Er zijn vele mogelijke veroorzakers van aangezichtsverlamming, maar in combinatie met het frequent voorkomen van longontsteking, hersenvliesontsteking en bijholteontsteking binnen dit onderzoek zou pneumokokken een indirecte veroorzaker kunnen zijn. Drie van de individuen met vermoedelijke aangezichtsverlamming hadden tevens hersenvliesontsteking. Hier staat tegenover dat het verloop van ziekte als gevolg van een pneumokokken-infectie zich snel voltrekt, te snel om tot de vorming van veel tandsteen te leiden.

57

Figuur 5.29

Vianen, Singellaan: Vermoedelijke aangezichtsverlamming bij individu 62: in de rechter kaak is zeer veel tandsteen aanwezig, terwijl de gebitselementen in de linker kaak vrijwel volledig vrij zijn van tandsteen.

Figuur 5.30

Vianen, Singellaan: Percentage geïnfecteerde individuen met de betreffende infectie.

58

Tabel 4:

Vianen, Singellaan: De verschillende soorten infectieziektes per individu.

Individu

Graf

Geslacht

Leeftijd

Infectieziekte

3 7 8 9 10 11 12 14 15 16 17 24 26 27 28 29 30 31 32 33

4 4 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1

M K (M) K (M) K (M) M K (M) K (M) K K (M) K (M) K (M) M M M K (M) M M M M K (M)

25-29 17-20 17-18 18-20 30-34 14-18 18-21 9-14 14-17 18-20 17-20 18-22 25-29 40-44 17-20 22-24 30-34 25-29 18-22 17-19

35 37 41 42 44 47 49 50 51

1 1 3 3 3 3 3 3 5

M/V (M?) K (M) M M M M M M K (M)

20+ 18-20 22-24 35-39 25-29 18-22 22-24 22-24 18-20

52 53 54 56 57 58 59 60 61 62

3 3 3 3 3 3 3 3 3 3

K (M) M M K (M) K (M) K (M) K (M) M K (M) K (M)

18-20 35-39 22-24 12-15 18-20 17-18 14-17 22-24 18-20 17-18

64 65

7 3

K (M) K (M)

18-20 17-19

67 68 69

7 7 7

M K (M) K (M)

20-24 18 16-18

70

6

K (M)

18-21

71

7

K (M)

18

73 75 78 82

1 1 1 4

K (M) K (M) K (M) M

14-17 18 14-17 20-24

Vermoedelijk hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking, vermoedelijk aangezichtsverlamming links Beenvliesontsteking in 1 rechter rib (lokale verwonding) Bijholteontsteking, beenvliesontsteking rechter voet en onderbenen Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking linker onderkaak (binnenzijde) Vermoedelijk hersenvliesontsteking, longontsteking Beenvliesontsteking onderbenen Vermoedelijk hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking, bijholteontsteking Bijholteontsteking, beenvliesontsteking linker dijbeen (lokale verwonding) Bijholteontsteking Beenvliesontsteking onderbenen en linker dijbeen Vermoedelijk hersenvliesontsteking Vermoedelijk hersenvliesontsteking, bijholteontsteking Bijholteontsteking Longontsteking, beenvliesontsteking linker onderbeen Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking buitenzijde onderkaak links en rechts (gevolg wortelpuntontstekingen) Beenvliesontsteking en botontsteking rechter scheenbeen (lokale verwonding) Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking rechter onderkaak (binnenzijde) Hersenvliesontsteking, vermoedelijk aangezichtsverlamming rechts Hersenvliesontsteking Vermoedelijk hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking rechter ellepijp Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking beide gehele benen Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking

rechter onderbeen en buitenzijde rechter onderkaak, aangezichtsverlamming rechts Hersenvliesontsteking Beenvliesontsteking rechter onderbeen (lokale verwonding) Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking linker onderbeen Beenvliesontsteking onderbenen Beenvliesontsteking linker onderbeen Hersenvliesontsteking Beenvliesontsteking gehele linker been (vermoedelijk lokale verwonding) Hersenvliesontsteking Bijholteontsteking, beenvliesontsteking beide dijbenen, aangezichtsverlamming rechts Vermoedelijk hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking beide dijbenen Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking beide dijbenen, beide opperarmen en binnenzijde aan de binnenzijde van de oogkassen Beenvliesontsteking beide dijbenen Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking rechter onderbeen, bekken (darmbeen links en rechts) en onderkaak links en rechts (binnenzijde) Hersenvliesontsteking, bijholteontsteking, beenvliesontsteking rechter jukbeen (zeer lokaal) Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking beide opperarmen en bekken (darmbeen rechts) Hersenvliesontsteking, longontsteking Hersenvliesontsteking Hersenvliesontsteking, beenvliesontsteking linker dijbeen Vermoedelijk hersenvliesontsteking

59

Tabel 5:

Vianen, Singellaan: De verschillende soorten infectieziektes per individu: HVO=hersenvliesontsteking, BHO=bijholteontsteking, BVO= beenvliesontsteking, LO=longontsteking, AV=aangezichtsverlamming. + = aanwezig. Bij ++ met een lichtblauwe kleur is de infectie vermoedelijk ontstaan door een plaatselijke verwonding.

Ind Graf ivid u

Geslacht

leeftijd

HVO

3 7 8 9 10 11 12 14 15 16 17 24 26 27 28 29 30 31 32 33 35 37 41 42 44 47 49 50 51 52 53 54 56 57 58 59 60 61 62 64 65 67 68 69 70 71 73 75 78 82

M K (M) K (M) K (M) M K (M) K (M) K K (M) K (M) K (M) M M M K (M) M M M M K (M) M/V (M?) K (M) M M M M M M K (M) K (M) M M K (M) K (M) K (M) K (M) M K (M) K (M) K (M) K (M) M K (M) K (M) K (M) K (M) K (M) K (M) K (M) M

25-29 17-20 17-18 18-20 30-34 14-18 18-21 9-14 14-17 18-20 17-20 18-22 25-29 40-44 17-20 22-24 30-34 25-29 18-22 17-19 20+ 18-20 22-24 35-39 25-29 18-22 22-24 22-24 18-20 18-20 35-39 22-24 12-15 18-20 17-18 14-17 22-24 18-20 17-18 18-20 17-19 20-24 18 16-18 18-21 18 14-17 18 14-17 20-24

+ + + +

4 4 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 3 3 3 3 3 3 5 3 3 3 3 3 3 3 3 3 3 7 3 7 7 7 6 7 1 1 1 4

BHO rechts

BHO links

BVO been rechts

BVO been links

LO recht s

LO links

BVO kaak

Overige locaties

Vermoedelijk AV

+ ++ +

+

+

+

+ +

+ + +

+ + +

+ + +

+

+ + +

+ +

+

+

+ + +

+

+

++ ++

+ + + + + + + + +

+ +

+

+ +

+

+

+

+

++ + + +

+ + +

+ ++

++

+ +

+ + + +

+ + + + + + + + + +

+ +

+

+ +

+ + +

+ +

60

+

Deficiëntieziekten Cribra orbitalia en cribra femora Cribra orbitalia en cribra femora zijn poreuze plekken in de oogkassen (cribra orbitalia) of onder de proximale gewrichtskoppen van de dijbenen (cribra femora). Deze porositeit is het gevolg van een chronische bloedarmoede, wat wordt veroorzaakt door een chronisch ijzertekort en komt meestal voor bij kinderen. Door deze bloedarmoede kan het beenmerg gaan uitzetten, waardoor de cortex wordt aangetast. Hierdoor ontstaat en poreus oppervlak. De exacte oorzaak van cribra orbitalia en cribra femora staat nog ter discussie. De chronische bloedarmoede of het ijzertekort kan ontstaan als gevolg van een tekort aan bepaalde voedingsstoffen (eventueel als gevolg van een infectieziekte) (Mann & Hunt 2005, 31-32; Maat et al. 2002, 15-16), maar tegenwoordig wordt malaria ook als een mogelijke oorzaak beschouwd. Malaria is echter niet waarneembaar op het bot en kan alleen met DNA onderzoek worden aangetoond (Alders & Van der Linde 2012, 42-43). Er zijn 19 individuen aangetroffen met cribra orbitalia (Figuur 5.31, Tabel 6) en één individu met cribra femora. Het percentage cribra orbitalia is hoog (25%) (zes individuen waren niet inspecteerbaar op cribra orbitalia).

Het is onduidelijk of de cribra is ontstaan als gevolg van een voedingstekort of als gevolg van een infectie, maar in combinatie met het zeer hoge percentage infecties binnen dit onderzoek (zie hierboven), zal de chronische bloedarmoede in veel gevallen vermoedelijk het gevolg zijn van een infectie.

Figuur 5.31

Vianen, Singellaan: Cribra orbitalia bij individu 33.

Rachitis Rachitis (ook wel de Engelse ziekte genoemd), zijn kromme beenderen als gevolg van een chronisch vitamine D tekort. Als gevolg van een chronisch tekort aan vitamine D kunnen de beenderen in het lichaam niet voldoende calcium opnemen, waardoor de botten verzwakken. Dit heeft als gevolg dat de beenderen die het meest worden belast kunnen vervormen. In de meeste gevallen zijn alleen de benen aangetast, maar indien de ziekte op zeer jonge leeftijd is voorgekomen, kunnen ook de opperarmen zijn aangedaan als gevolg van de belasting op de 61

armen bij het kruipen. Rachitis is bij twee individuen in een lichte vorm waargenomen in de gehele benen (Tabel 6). Het aantal gevallen met rachitis is in deze populatie niet opvallend groot. Tabel 6:

Vianen, Singellaan: De verschillende soorten deficiëntieziekten per individu.

Individu Grafkuil Geslacht

Leeftijd

Deficiëntie

2

1

M

18-22

Cribra orbitalia

7

4

K (M)

17-20

Cribra orbitalia

8

1

K (M)

17-18

Cribra orbitalia

11

1

K (M)

14-18

Cribra orbitalia

16

1

K (M)

18-20

Cribra orbitalia

17

1

K (M)

17-20

Cribra orbitalia

18

1

K (M)

18-20

Cribra orbitalia

19

1

K (M)

17-19

Cribra orbitalia

31

1

M

25-29

Cribra orbitalia

32

1

M

18-22

Cribra orbitalia

33

1

K (M)

17-19

Cribra orbitalia

36

3

M

30-34

Cribra orbitalia

37

1

K (M)

18-20

Cribra orbitalia

39

1

M

22-24

Rachitis in de gehele benen

51

5

K (M)

18-20

Cribra orbitalia

58

3

K (M)

17-18

Cribra orbitalia

62

3

K (M)

17-18

Cribra orbitalia

69

7

K (M)

16-18

Cribra orbitalia

72

1

M

22-24

Cribra orbitalia

74

1

M

25-29

Cribra orbitalia

76

1

K (M)

14-17

Rachitis in de gehele benen

78

1

K (M)

14-17

Cribra orbitalia

Degenerative disc disease (DDD) DDD is een aandoening in de wervelkolom als gevolg van een (chronische) overbelasting van de rug en is een zeer veel voorkomende aandoening, vooral op een wat oudere leeftijd (Mann & Hunt 2005, 94-95). DDD kan in drie vormen voorkomen: artrose in de wervellichamen in de vorm van pitting, polijsting en extra botvorming in het gehele wervellichaam, deuken in de wervellichamen (Schmorlse noduli) en extra botontwikkeling langs de rand van de wervellichamen (osteofyten, Figuur 5.33). Deze drie vormen komen vaak tegelijk voor in het lichaam. Wanneer een deuk in het wervellichaam (Schmorlse noduli, Figuur 5.34 en 5.35) doorloopt tot aan de zenuwbaan wordt dit een hernia genoemd. Bij 80 individuen is de wervelkolom aangetroffen, of waren delen ervan aanwezig. Van deze 80 individuen hebben 40 individuen één of meerdere vormen van DDD. Vier individuen hebben artrose in de vorm van pitting, polijsting en extra botvorming in het gehele wervellichaam (Figuur 5.32), 33 individuen hebben deuken in de wervellichamen waarbij er bij 16 individuen spraken is van een hernia en negen individuen hebben extra botvorming langs de rand van de wervellichamen. Een percentage van 50% degeneratie in de wervelkolom is 62

over het algemeen normaal binnen een grafveldpopulatie. Echter de individuen binnen dit onderzoek kunnen niet beschouwd worden als een normale grafveldpopulatie gezien de zeer lage gemiddelde sterfteleeftijd en aangezien het enkel om mannelijke individuen lijkt te gaan. De aanwezigheid van dermate veel degeneratieve gewrichtsveranderingen in de rug duidt op een zware overbelasting van het lichaam. Het komt wel eens voor dat jongeren degeneratie in de rug vertonen (mogelijk als gevolg van zware lichamelijke arbeid), maar een dermate hoog percentage wordt veelal gezien bij jonge soldaten (ook vastgesteld door eigen observatie van de auteur na onderzoek van vele gesneuvelde soldaten uit de Eerste Wereldoorlog in Vlaanderen). Tabel 7 geeft een overzicht van alle vormen van artrose per individu. Vertebrale osteoartrose (VOA) VOA is ook een aandoening in de wervelkolom als gevolg van een (chronische) overbelasting van de rug, maar dan in de facetgewrichten van de wervels (dit zijn de gewrichtsvlakjes waar de wervels onderling mee in verband staan). VOA komt vaak in combinatie met DDD voor en wordt meestal aangetroffen bij individuen met een wat hogere leeftijd bij overlijden. VOA is slechts bij één individu aangetroffen in de vorm van (lichte) pitting en polijsting. Het betreft één van de oudste individuen binnen dit onderzoek, namelijk een man van 40-44 jaar oud.

Perifere osteoartrose (POA) POA is ook een vorm van artrose en kan in elk gewricht voorkomen behalve in de rug (in dat geval heet het DDD of VOA). POA komt meestal voor als gevolg van een chronische overbelasting van het gewricht en hangt vaak samen met ouderdom. Slechts vier individuen vertonen POA (Figuur 5.36 en 5.37). Dit is gezien de lage leeftijd bij overlijden van de meeste individuen niet vreemd. Alle vier de individuen met POA waren ten minste 25 jaar oud (wat nog steeds jong is voor POA). Drie individuen vertonen artrose in de proximale ribben waar deze articuleren met de wervels. Mogelijk staat dit in verband met de artrose in de wervelkolom waar deze drie individuen tevens aan leden. Daarnaast hebben twee individuen artrose in de handen en twee individuen artrose in de enkels. Eén individu vertoont artrose in de rechter schouder, de linker pols, de linker hand, de rechter knie, de rechter enkel, de proximale ribben én de wervelkolom. Het betreft hier een individu van de oudste leeftijdscategorie binnen dit onderzoek, namelijk van 40-44 jaar oud.

63

Figuur 5.32

Vianen, Singellaan: Artrose in een halswervellichaam van individu 40.

Figuur 5.33

Vianen, Singellaan: Osteofyten aan een borstwervel van individu 36.

64

Figuur 5.34

Vianen, Singellaan: Schmorlse noduli met een hernia in een onvolgroeide borstwervel van individu 28.

Figuur 5.35

Vianen, Singellaan: Schmorlse noduli in een volgroeiende borstwervel van individu 2.

65

Figuur 5.36

Vianen, Singellaan: POA in de rechter schouder (in de vorm van ‘rimming’ langs de rand van de gewrichtskom van het schouderblad) van individu 55.

Figuur 5.37

Vianen, Singellaan: POA in de linker hand (polsbeentje met het middenhandsbeentje van de duim) van individu 55.

66

Tabel 7:

Vianen, Singellaan: De verschillende soorten artrose per individu. ‘H’ staat voor halswervels , ‘B1’ staat voor de bovenste 6 borstwervels, ‘B2’ staat voor de onderste 6 borstwervels, ‘L’ staat voor lendenwervels en ‘S’ staat voor heiligbeen.

Individu

Graf

Geslacht

Leeftijd

DDD artrose wervellichamen

DDD Schmorlse noduli

DDD osteofyten

VO A

1 2 9 10 19 20 25 27 28

1 1 1 1 1 1 1 1 1

K (M) M K (M) M K (M) M M M K (M)

17-19 18-22 18-20 30-34 17-19 22-24 22-24 40-44 17-20

L -

B2 -

LS -

29

1

M

22-24

-

-

-

30

1

M

30-34

-

-

-

31 32

1 1

M M

25-29 18-22

-

-

-

34

1

M

20-24

-

-

-

36

3

M

30-34

-

B2 B2 B2 (hernia) B1B2 B1B2 B2 (hernia) B2 B2 (hernia) B1B2L (hernia) B1B2 (hernia) B1B2 (hernia) B2 B1B2 (hernia) B1B2 (hernia) B2

B1L

-

40 42 43 44 45

3 3 3 3 5

M M M M M

30-34 35-39 30-34 25-29 25-29

H H L -

HS B2 B2L -

-

47 49 50

3 3 3

M M M

18-22 22-24 22-24

-

-

-

51 53 55

5 3 3

K (M) M M

18-20 35-39 40-44

-

B1B2L B1B2 B1B2 (hernia) B2 (hernia) B2 B1B2 (hernia) B2 (hernia) B2 (hernia) -

L B1

-

56 57 58 59 62

3 3 3 3 3

K (M) K (M) K (M) K (M) K (M)

12-15 18-20 17-18 14-17 17-18

L -

L -

-

66 68 72 73 75 76 79

3 7 1 1 1 1 1

M K (M) M K (M) K (M) K (M) K (M)

25-29 18 22-24 14-17 18 14-17 17-19

-

B1B2 B1B2 B1B2 B1B2L (hernia) B2 (hernia) B2 (hernia) -

B2 -

-

67

POA

Proximale ribben

Proximale ribben en linker enkel

Linker hand

Proximale ribben, rechter schouder, linker pols, linker hand, rechter knie en rechter enkel

Overige ziekten Ankylose Ankylose is de verbening van meerdere lichaamsdelen zonder een duidelijke oorzaak (Ortner 2003, 571). Ankylose is bij drie individuen aangetroffen (Figuren 5.38 en 5.39, Tabel 8). Bij twee individuen betreft het een fusie van twee beenderen in de voet (bij één individu de uiterste teenkootjes van één teen in de rechter voet en bij één individu betreft dit het middelste middenvoetsbeentje met een enkelbotje in de linker voet). Het derde individu heeft ankylose in de linker pink, waarbij de uiterste twee vingerkootjes in een kromming aan elkaar zijn gegroeid. De ankylose in de linker pink kan gerelateerd zijn aan stress of trauma, maar dat valt niet meer te achterhalen. Ankylose van de uiterste teenkootjes is een veel voorkomend verschijnsel en is vaak aangeboren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=e2c95a2c-7025-4bb3-9650-a29604f9b665