CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

24. (AZ) Eindrapport VianenSingelgracht_DEFINITIEF-gecomprimeerd (002).pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 3 november 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Categorie II: schriftelijke mededelingen van college of griffie26.516 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 5.38

Vianen, Singellaan: Ankylose van het middelste middenvoetsbeentje met een enkelbotje in de linker voet van individu 44.

Figuur 5.39

Vianen, Singellaan: Ankylose van de uiterste twee vingerkootjes van de linker pink van individu 57.

Tabel 8:

Vianen, Singellaan: De verschillende soorten overige ziekten per individu.

Individu Graf Geslacht

Leeftijd

Overige ziekten

Lichaamsdeel aangetast

44

3

M

25-29

Ankylose

Middelste middenvoetsbeentje met enkelbotje linker voet

57

3

K (M)

18-20

Ankylose

Uiterste twee teenkootjes teen rechter voet

66

3

M

25-29

Ankylose

Uiterste twee vingerkootjes pink links

68

Anomalieën Afwijkingen in schedelnaadformatie Er zijn drie grote schedelnaden (suturen) te onderscheiden: bregma (voorhoofd), sagittale (in het midden bovenop de schedel) en lambda (achterhoofd). Normaal lopen de schedelnaden kartelig maar in rechte lijnen. Regelmatig worden afwijkingen aangetroffen binnen de formatie van deze schedelnaden. De meest voorkomende afwijkingen zijn sutura metopica en de aanwezigheid van wormian bones. Een sutura metopica houdt in dat de schedelnaad van de twee helften van het voorhoofd onvergroeid is. Normaal vergroeien deze schedelnaden vóór het tweede levensjaar (Ortner 2003, 453-463). Sutura metopica is bij 12 individuen aangetroffen. Wormian bones zijn kleine ‘eilandjes’ in de schedelnaden. Deze kunnen in elke schedelnaad voorkomen, maar worden het meest aangetroffen in de lambda. Bij twee individuen zijn wormian bones aangetroffen in de sagittale en bij 21 individuen in de lambda. Wanneer er één groot eiland aanwezig is in het achterhoofd wordt dit ossicle at lambda genoemd (Figuur 5.40 en 5.41). Bij tien individuen is een ossicle at lambda aangetroffen in verschillende variaties (zeer groot, relatief klein, opgesplitst in twee delen). Tabel 9 geeft een overzicht van alle vormen van anomalieën per individu.

Figuur 5.40

Vianen, Singellaan: Kleine ossicle at lambda bij individu 1.

69

Septal aperture Septal aperture is een kleine opening in de onderzijde van de opperarm. Meestal komt deze botafwijking voor bij vrouwen als gevolg van de tengere bouw van vrouwen (Maat et al. 1998, 22). Een septal aperture is bij twee individuen aangetroffen, in beide gevallen alleen in de rechter arm.

Figuur 5.41

Vianen, Singellaan: Grote ossicle at lambda bij individu 25.

Os acromiale Bij een os acromiale is het acromion (uiterste deel van het schouderblad) niet gefuseerd met het schouderblad. Os acromiale komt zowel symmetrisch als enkelzijdig voor. Os acromiale is bij twee individuen aangetroffen. Bij één individu kwam de os acromiale alleen rechts voor en bij het tweede individu zowel links als rechts. Fossa van Allen Een fossa van Allen is een depressie direct onder de buitenste rand van de proximale epifyse van het dijbeen. Dit kan worden veroorzaakt door frequent hurken of langdurig staan (Maat & Mastwijk 2005, 17; Maat et al. 1998, 20). Bij tien individuen is een fossa van Allen waargenomen (Figuur 5.42). Bij zeven individuen is een fossa van Allen zowel links als rechts aangetroffen, bij één individu kon alleen het rechter dijbeen worden geïnspecteerd en bij twee individuen is de fossa van Allen enkelzijdig aangetroffen (bij het ene individu alleen links, bij het andere individu alleen rechts). 70

Figuur 5.42

Vianen, Singellaan: Fossa van Allen bij individu 55.

Femoral plaque Femoral plaque is een depressie direct naast de proximale gewrichtskop van het dijbeen. De exacte oorzaak staat nog ter discussie, maar kan mogelijk in verband worden gebracht met bepaalde inspannende activiteiten (Mann & Hunt 2005, 165-166). Bij zeventien individuen is femoral plaque waargenomen (Figuur 5.43). In alle gevallen was de femoral plaque symmetrisch.

Figuur 5.43

Vianen, Singellaan: Femoral plaque bij individu 66.

71

Vastus notch Een vastus notch is een half ronde inkeping aan de bovenkant aan de buitenzijde ter plaatse van de vastus lateralis spier (spier aan de voorzijde van het dijbeen) als gevolg van inslijting van de betreffende spier (Buikstra en Ubelaker 1994). Een vastus notch is bij één individu aangetroffen en alleen in de linker knieschijf. Lumbalisatie Bij lumbalisatie is de eerste wervel van het heiligbeen (S1) niet gefuseerd met de andere wervels van het heiligbeen, waardoor het individu een zesde lendenwervel (L6) heeft. Lumbalisatie is bij drie individuen aangetroffen (Figuur 5.44).

Figuur 5.44

Vianen, Singellaan: Lumbalisatie bij individu 54.

Sacralisatie Sacralisatie is het tegenovergestelde van lumbalisatie. Hierbij is een lendenwervel onderdeel geworden van het heiligbeen en heeft het individu slechts vier lendenwervels in plaats van vijf. Sacralisatie is bij drie individuen waargenomen. Bij twee individuen was de fusie volledig en bij één individu was de sacralisatie gedeeltelijk (Figuur 5.45).

72

Figuur 5.45

Vianen, Singellaan: Sacralisatie bij individu 60.

Volledig gefuseerd borstbeen Het borstbeen bestaat bij geboorte uit vijf benige delen, die naarmate het individu ouder wordt fuseren. Het bovenste deel (het manubrium) blijft normaal altijd gescheiden van het staartdeel (het xiphoid) door een laagje kraakbeen, maar in een enkel geval kunnen deze twee delen ook met elkaar fuseren (Yekeler et al. 2006, 186:956–60). Een volledig gefuseerd borstbeen is bij vier individuen aangetroffen (Figuur 5.46), waardoor er één massief gedeelte is ontstaan. De borstkast zal hierdoor wat meer gefixeerd zijn geweest.

Figuur 5.46

Vianen, Singellaan: Volledig gefuseerd borstbeen van individu 53.

Sternal foramen Een sternal foramen is een aangeboren afwijking waardoor het borstbeen niet volledig fuseert en er een gat in het borstbeen ontstaat. Sternal foramen in bij vier individuen aangetroffen (Figuur 5.47). 73

Figuur 5.47

Vianen, Singellaan: Sternal foramen bij individu 45.

Sagittal cleft in de voet Een sagittal cleft in de voet is een normale variatie in het lichaam waarbij de proximale epifyseschijf van het eerste teenkootje van de grote teen gedeeltelijk gespleten is (radiopaedia.org/cases/cleft-epiphysis-big-toe-proximal-phalan). Een sagittal cleft in de voet is bij vier individuen aangetroffen (Figuur 5.48).

Figuur 5.48

Vianen, Singellaan: Sagittal cleft in de voeten van individu 1.

Gevorkte rib Bij één individu is een gevorkte rib aangetroffen. Hierbij is het uiteinde van de rib in twee delen gesplitst. Dit is een aangeboren afwijking waar het individu geen hinder van zal hebben ondervonden. Een gevorkte rib wordt soms met bepaalde syndromen in verband gebracht, maar hier zijn bij dit individu geen directe aanwijzingen voor gevonden. Gebitsafwijkingen Er bestaan enorm veel variaties in het menselijk gebit. Binnen dit onderzoek zijn zes verschillende gebitsafwijkingen aangetroffen, namelijk de permanente aanwezigheid van een melkkies waar normaal de laatste valse kies zou moeten doorbreken, de onderontwikkeling van de verstandskiezen, een verstandskies met een vijfde kauwvlak, een extra kies, het ontbreken van een snijtand, en een hoektand in de bovenkaak die diagonaal doorkomt achter 74

de snijtanden en zich daardoor vrijwel volledig in de kaak bevindt. Bij drie individuen zijn melkkiezen in de onderkaak aangetroffen. Op een leeftijd van 10-11 jaar zouden deze vervangen moeten worden door een valse kies (ofwel premolaar). Twee individuen met melkkiezen zijn 14-18 jaar oud. Mogelijk zijn deze individuen laat bij het wisselen, maar dit is niet meer te achterhalen. Onderontwikkeling van de verstandskiezen is bij vijf individuen aangetroffen. Bij vier individuen alleen in de bovenkaak en bij één individu zowel in de bovenkaak als in de onderkaak. Een onderontwikkelde verstandskies ziet er uit als een klein stompje in plaats van een volwaardige kies. Een verstandskies heeft normaal vier kauwvlakken. Bij één individu hadden de verstandskiezen in de bovenkaak een vijfde kauwvlak. Eén individu vertoonde een extra kies in de rechter bovenkaak. Het individu had dus aan één kant vier kiezen in plaats van de gebruikelijke drie. Bij twee individuen ontbrak de tweede snijtand in de linker bovenkaak. Eén van deze individuen is ook het individu met de extra kies. Ten slotte hadden twee individuen een hoektand die diagonaal is doorgekomen. De hoektand is doorgekomen achter de snijtanden en bevond zich daardoor vrijwel volledig in de kaak.

75

Tabel 9:

Vianen, Singellaan: Anomalieën per individu.

Individu

Graf

Geslacht

Leeftijd

Anomalie

1 2 3 10 13 15 16 17 18 19 20 21 23 24 25 26 27 28 29 30 31 34 39 40 41 42 43 44 45 46 47 49 51 52 53

1 1 4 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 3 3 3 3 3 5 5 3 3 5 3 3

K (M) M M M M K (M) K (M) K (M) K (M) K (M) M M M M M M M K (M) M M M M M M M M M M M K (M) M M K (M) K (M) M

17-19 18-22 25-29 30-34 22-24 14-17 18-20 17-20 18-20 17-19 22-24 22-24 22-24 18-22 22-24 25-29 40-44 17-20 22-24 30-34 25-29 20-24 22-24 30-34 22-24 35-39 30-34 25-29 25-29 12-15 18-22 22-24 18-20 18-20 35-39

54 55 56 57 58 60 62 63 64 65 66 68 69 70 71 72

3 3 3 3 3 3 3 7 7 3 3 7 7 6 7 1

M M K (M) K (M) K (M) M K (M) K (M) K (M) K (M) M K (M) K (M) K (M) K (M) M

22-24 40-44 12-15 18-20 17-18 22-24 17-18 14-18 18-20 17-19 25-29 18 16-18 18-21 18 22-24

75 78 80 82

1 1 3 4

K (M) K (M) K (M) M

18 14-17 18-20 20-24

Sutura metopica, ossicle at lambda, sagittal cleft in de voet Sutura metopica, gefuseerd borstbeen Femoral plaque, gebitsanomalie Lambdoid Wormian bones Fossa van Allen, femoral plaque Gebitsanomalie Lambdoid Wormian bones Sutura metopica, lambdoid Wormian bones Gebitsanomalie, sagittal cleft in de voet Gefuseerd borstbeen Fossa van Allen, femoral plaque Fossa van Allen, gebitsanomalie Sutura metopica, lambdoid Wormian bones Os acromiale Lambdoid Wormian bones, ossicle at lambda Sutura metopica, lambdoid Wormian bones, ossicle at lambda, fossa van Allen Sternal foramen, sacralisatie Gebitsanomalie Ossicle at lambda, femoral plaque Os acromiale, femoral plaque Ossicle at lambda, fossa van Allen, femoral plaque, gevorkte rib Lambdoid Wormian bones, ossicle at lambda Fossa van Allen Femoral plaque Ossicle at lambda Fossa van Allen, gebitsanomalie Lambdoid Wormian bones, septal aperture, fossa van Allen, gefuseerd borstbeen Femoral plaque, gebitsanomalie Lambdoid Wormian bones, sternal foramen, fossa van Allen, femoral plaque Lambdoid Wormian bones, ossicle at lambda Vastus notch Sutura metopica, sagittal cleft in de voet Femoral plaque Gebitsanomalie Sagittal en lambdoid Wormian bones, gefuseerd borstbeen, sagittal cleft in de voet Septal aperture, femoral plaque, lumbalisatie Fossa van Allen, femoral plaque Sternal foramen Sutura metopica, lambdoid Wormian bones, femoral plaque

Lumbalisatie, gebitsanomalie Lambdoid Wormian bones, sacralisatie Femoral plaque Lambdoid Wormian bones, gebitsanomalie Sutura metopica, lambdoid Wormian bones, femoral plaque Lambdoid Wormian bones Sternal foramen, femoral plaque Sutura metopica Lambdoid Wormian bones Lambdoid Wormian bones Sutura metopica, lambdoid Wormian bones, lumbalisatie Sutura metopica, Sagittal en lambdoid Wormian bones, ossicle at lambda, femoral plaque Gebitsanomalie Sacralisatie Ossicle at lambda, gebitsanomalie Sutura metopica

76

Figuur 5.49

Vianen, Singellaan: Het voorkomen van de verschillende anomalieën.

5.3.6 Gebitsstatus Bij de gebitsstatus wordt er normaal alleen gekeken naar de volwassen individuen. Maar omdat alle niet-volwassenen tieners zijn en de staat van hun gebit ook al veel informatie kan verschaffen over de gezondheid en leefomstandigheden van de individuen, worden deze hier ook behandeld. Van de 41 volwassen individuen zijn er bij 38 individuen kaakfragmenten aangetroffen. In totaal zijn er bij de 38 individuen met kaakfragmenten 1119 gebitselementen doorgekomen. Bij een optimale gebitsontwikkeling kan dit 1216 elementen zijn. Van de 1119 gebitselementen zijn er 1006 aangetroffen in de kaak, zijn 30 gebitselementen voor de dood verloren en zijn 83 gebitselementen na de dood verloren. In totaal zijn 39 elementen aangeboren afwezig (op een snijtand bij één individu na in alle gevallen verstandskiezen) en zijn er geen boventallige gebitselementen waargenomen. Wat betreft de gebitsaandoeningen zijn er in totaal 31 gaatjes (cariës) en vier wortelpuntontstekingen aangetroffen, waarvan 3 wortelpuntontstekingen bij één individu. Teruggetrokken tandvlees, tandsteen en kaakbotontsteking komen voor, maar niet uitbundig. Emailhypoplasie is bij 16 volwassen individuen aangetroffen, waarbij het bij zeven individuen in een zeer hevige vorm aanwezig was. Pijprokersgaten zijn bij negen volwassen individuen aangetroffen.

Tevens is er regelmatig een donkere aanslag aan de binnenzijde van de tanden aangetroffen wat vermoedelijk rokersaanslag is. Rokersaanslag is bij 18 individuen aangetroffen. Van de 41 niet-volwassen had één individu geen kaak meer om te inspecteren. Bij de 40 niet-volwassenen zijn er 1161 gebitselementen doorgekomen, waarvan 1073 gebitselementen zijn aangetroffen in de kaak, drie gebitselementen voor de dood zijn verloren en 85 gebitselementen na de dood zijn verloren. In totaal zijn 23 elementen aangeboren afwezig (op een snijtand bij één individu na in alle gevallen verstandskiezen) en is er één boventallig gebitselement waargenomen (een vierde kies aan één zijde). Bij de niet-volwassenen zijn nog eens 22 gaatjes (cariës) en 6 wortelpuntontstekingen aangetroffen. Teruggetrokken tandvlees, tandsteen en kaakbotontsteking komen in lichte mate voor. Emailhypoplasie is bij 23 niet-volwassen individuen aangetroffen, waarbij het bij zes individuen in een zeer hevige vorm aanwezig was. Pijprokersgaten zijn bij drie niet-volwassen individuen aangetroffen. Ook bij de niet-volwassenen is er bij 15 individuen vermoedelijke rokersaanslag aangetroffen. Er zijn over het geheel weinig gebitselementen voor de dood verloren, en weinig abcessen (geen één), wortelpuntontstekingen (Figuur 5.50), tandsteen, teruggetrokken tandvlees en 77

kaakbotontsteking aangetroffen. Dit is zeer waarschijnlijk het gevolg van de lage gemiddelde leeftijd bij overlijden van de individuen. De meeste van deze aandoeningen ontstaan naarmate men ouder wordt. Er zijn wel sporen van cariës aangetroffen, maar niet opvallend veel. Emailhypoplasie is bij 33 individuen (42%) aangetroffen (Figuur 5.50). Emailhypoplasie, het voorkomen van kleine horizontale strepen in het tandglazuur, geeft aan dat de individuen een tekort aan voedingsstoffen hebben gehad in de eerste zes levensjaren, mogelijk als gevolg van ziekte. Op basis van het relatief hoge percentage emailhypoplasie kan worden aangenomen dat de jonge mannen geen deel hebben uitgemaakt van de hogere sociale klasse, maar eerder van armere komaf waren. Pijprokersgaten zijn in totaal bij 12 individuen waargenomen (15%, Figuur 5.50), maar vermoedelijke rokersaanslag is bij 33 individuen aangetroffen (42%, Figuur 5.51). Mogelijk rookte, een aantal individuen nog niet lang genoeg om de kenmerkende slijtage aan de tanden te vertonen.

Figuur 5.50

Vianen, Singellaan: Linker bovenkaak van individu 50 met emailhypoplasie (zwart), een pijprokersgat (oranje) en een wortelpuntontsteking (wit).

78

Figuur 5.51

Vianen, Singellaan: Rokersaanslag aan de binnenzijde van de tanden en kiezen bij individu 43.

79

5.4

Grafritueel Op drie individuen na zijn alle individuen binnen een rechthoek van ongeveer elf meter bij tweeënhalf meter aangetroffen (massagraf A). Tijdens het veldwerk leek deze rechthoek in eerste instantie één grote grafkuil te zijn, maar naarmate het onderzoek vorderde zijn er binnen massagraf A zes mogelijke aparte grafkuilen onderscheiden, die vermoedelijk zeer kort na elkaar zijn gegraven en in gebruik zijn genomen (zie ook Hoofdstuk 4.2). Ongeveer een meter ten noorden van massagraf A bevond zich een los liggende grafkuil (massagraf B, grafkuil 2).

Figuur 5.52

Vianen, Singellaan: Overzicht van de zeven aangetroffen grafkuilen (noorden linksboven).

Alle individuen lagen op de rug met gestrekte benen. De positie van de armen varieerde en kan door het ineenzakken van de gestapelde graven of overige taphonomische processen van oorspronkelijke positie zijn veranderd. Er zijn vele kistnagels aangetroffen, in enkele gevallen met een zeer dun laagje gemineraliseerd hout, wat aangeeft dat de individuen in grafkisten zijn begraven. De aanwezigheid van kistnagels tussen de lichamen, in combinatie met de enorme hoeveelheid kistnagels geeft aan dat elk individu een eigen grafkist had. De individuen zijn veelal om en om (dus hoofd aan voeten) begraven. Er wordt vermoed dat gebruik is gemaakt van trapezoïde kisten, omdat dit bij om en om begraven het meest efficiënt is om zo compact mogelijk te begraven. In sommige gevallen leek de horizontale 80

afstand tussen de verschillende individuen dit te bevestigen. De kisten waren vrijwel overal in twee tot vier lagen hoog opgestapeld in de grafkuil(en). Men lag niet begraven in een traditionele oriëntatie volgens het christelijk gebruik. Hierbij ligt men met het hoofd in het westen en de voeten naar het oosten, omdat men gelooft dat men bij de wederopstanding Jezus in het oosten kan zien staan, zodat hij de opgestanen kan begeleiden naar het beloofde land. Binnen dit onderzoek lijkt de oriëntatie van de graven niet van betekenis te zijn geweest anders dan zo efficiënt mogelijk de uitgegraven kuil op te vullen. Vrijwel alle individuen lagen in een noord-zuid of zuid-noord oriëntatie. Vijf individuen lagen in een oost-west oriëntatie en één individu lag in een west-oost oriëntatie. In totaal zijn er 67 benen knoopjes gevonden (zie Hoofdstuk 8.2), waarbij 17 niet meer aan een individu waren toe te wijzen. Bij 33 individuen zijn een of meerdere benen knoopjes op het lichaam aangetroffen. De knoopjes zijn gevonden ter hoogte van de hals en van de polsen, wat doet vermoeden dat de mannen gekleed waren, mogelijk in een hemd of doodskleed.

De aanwezigheid van knoopjes (wat duidt op kledij), het gebruik van grafkisten en de geordende lichaamshouding van de individuen geeft aan dat de mannen, ondanks het gebruik van een massagraf, met zorg en respect zijn begraven en niet zomaar in een kuil zijn geworpen. Het onderscheid tussen de zeven mogelijke verschillende grafkuilen (Figuur 5.52) binnen het massagraf is gebaseerd op afwijkende oriëntatie, de horizontale afstand tussen de individuen, de manier van inzakking van de lichamen en het aantal lagen individuen. Het is mogelijk dat grafkuil 1 uit twee grafkuilen heeft bestaan (hierbij lag de mogelijke grens in het midden), maar er waren te weinig overtuigende aanwijzingen om hier een extra grafnummer aan toe te wijzen. De compacte ligging van de verschillende grafkuilen zonder oversnijdingen of verstoringen van individuen indiceert dat de kuilen kort na elkaar zijn aangelegd en in gebruik zijn genomen. Men moest hiervoor hebben geweten waar al individuen begraven lagen en waar niet. Mogelijk zijn meerdere grafkuilen op voorhand gegraven, hebben de grafkuilen kort open gelegen of waren er markeringen aan het oppervlak zichtbaar. Daarnaast is een kort geleden gegraven graf een periode lang duidelijk zichtbaar aan het oppervlakte als gevolg van de verstoring van het oppervlak. Dit kan mogelijk markerend genoeg zijn geweest.

De opbouw van de zeven mogelijke verschillende grafkuilen was als volgt (Figuur 5.52 en Hoofdstuk 4.2): • Grafkuil 1 bestond uit 42 individuen, allemaal gepositioneerd in een noord-zuid of zuid-noord oriëntatie. Het oostelijke deel van deze grafkuil bestond uit drie lagen graven, terwijl het westelijke deel uit vier lagen bestond. Het is dus goed mogelijk dat grafkuil 1 uit twee grafkuilen heeft bestaan. Alle individuen in grafkuil 1 lagen systematisch om en om begraven. • Grafkuil 2 lag los van de andere meervoudige graven die we vonden en gaf ons een eerste aanwijzing dat er waarschijnlijk meerdere rijen met massagraven zijn geweest. Grafkuil 2 lag ongeveer 0,6 meter ten noorden van de andere graven en bevatte minstens drie individuen die om en om begraven lagen in een noord-zuid en zuidnoord oriëntatie. Helaas was bijna de gehele grafkuil verstoord, waardoor we slechts circa 15 centimeter van de overgebleven individuen hebben aangetroffen. Van grafkuil 2 werd slechts één laag begravingen ontdekt, het is onduidelijk of er oorspronkelijk meerdere lagen begravingen aanwezig zijn geweest (zie ook Hoofdstuk 4.2). • Grafkuil 3 lag in het verlengde van grafkuil 1 richting het oosten. De grens tussen grafkuil 1 en 3 is een grondbank; de meest oostelijke begravingen van grafkuil 1 vormde een enkele laag, de grondbank bestond uit de laag hieronder.

De individuen die op de grens tussen deze graven in grafkuil 3 lagen, zijn volledig verticaal verzakt, 81

•

• • •

inclusief het meest oostelijke individu van grafkuil 1. Grafkuil 3 bevatte 23 individuen, ook begraven in een noord-zuid en zuid-noord oriëntatie. Bij grafkuil 3 leek de om en om positionering minder belangrijk als in grafkuil 1: sommige gestapelde begravingen liggen om en om, maar soms liggen er ook drie individuen gestapeld in dezelfde oriëntatie. Mogelijk had men bij de begravingen in deze grafkuil meer haast, of maakte men gebruik van een ander model kist. Grafkuil 3 bevatte drie lagen begravingen. Grafkuil 4 bevond zich in de meest zuidwestelijke hoek van het massagraf, net naast grafkuil 1 en bevatte slechts twee gestapelde individuen in een west-oost en oost-west oriëntatie. Deze grafkuil werd waarschijnlijk voorafgaand, of gelijktijdig aan grafkuil 1 gegraven, omdat sommige hoofden en voeten van individuen uit grafkuil 1 de individuen van grafkuil 4 enigszins overlapten. Grafkuil 5 lag net ten noorden van grafkuil 3 en bevatte drie gestapelde individuen, allen begraven in een oost-west oriëntatie. Grafkuil 6 lag in het verlengde van grafkuil 5, net ten noorden van grafkuil 7 en bevatte slechts één individu in een oost-west oriëntatie. Grafkuil 7 is de laatste grafkuil die we hebben onderscheiden en lag in het verlengde ten oosten van grafkuil 3. Grafkuil 7 bevatte acht individuen gestapeld in twee lagen.

Hier leek de afwisseling van begraving in noord-zuid of zuid-noord oriëntatie volledig willekeurig te zijn geweest, nog meer als in grafkuil 3.

De individuen lagen begraven in compacte klei. Dit bemoeilijkte het opgraven, maar zal in het verleden toen de grafkuilen werden aangelegd ook zwaar werk zijn geweest om handmatig uit te graven. Hoe compacter men begraven kon worden, hoe minder werk er nodig was voor het uitgraven van een grafkuil. De aanwezigheid van de grotendeels verstoorde grafkuil 2 slechts 0,6 meter ten noorden van massagraf A, met drie individuen die om en om begraven lagen, duidt op een tweede massagraf ten noorden van het volledig opgegraven massagraf (het in Hoofdstuk 4.2 besproken massagraf B). De oorspronkelijke afmeting van massagraf B is helaas niet meer te achterhalen als gevolg van de vrijwel volledige verstoring, maar zal aanzienlijk kleiner zijn geweest dan massagraf A (zie Hoofdstuk 4.2 en Figuur 4.5). Ten zuiden van massagraf A, is bij de machinale aanleg op ongeveer één meter afstand massagraf C gevonden (Figuur 5.53). Hiervan is alleen de noordelijke zijde zeer beperkt aan het licht gekomen. Alleen in de noordwestelijke hoek van massagraf C is (zeer beperkt) onderzoek gedaan naar het aantal lagen begraven individuen, om dit in situ te kunnen behouden, maar toch basale informatie op te kunnen doen over dit massagraf. In deze hoek bleken drie individuen om en om gestapeld te liggen in een noord-zuid en zuid-noord oriëntatie.

De compacte begraving van de individuen en de aanwezigheid van ten minste drie massagraven doet vermoeden dat men ruimtegebrek had of een ruimtegebrek voorzag voor de begraving van de doden, wat aangeeft dat men veel doden had of op korte termijn verwachtte. Mogelijk zijn de drie aangetroffen massagraven de enige graven op het terrein, maar het is ook heel goed mogelijk dat er oorspronkelijk nog meer massagraven aanwezig zijn geweest en dat er ten zuiden van de opgraving, waar de bodem niet verstoord hoefde te worden, nog meer massagraven aanwezig zijn.

82

Figuur 5.53

Vianen, Singellaan: De drie aangetroffen massagraven met daarbinnen de zeven onderscheiden grafkuilen in kleur omlijnd. Massagraf C is niet nader onderzocht. (het noorden ligt linksboven).

Er is geprobeerd om verschillen te vinden tussen de individuen in de verschillende grafkuilen (grafkuil 1 tot en met grafkuil 7, Figuur 5.52), maar die zijn niet aangetroffen. Alle graven bevatten mannen van verschillende leeftijden, zowel jong als oud. De verschillende ziekteverschijnselen komen ook in elke grafkuil voor en er zijn ook niet opvallend hoge concentraties van een aandoening binnen één grafkuil aangetroffen. Eén gebitsanomalie komt alleen in grafkuil 3 voor. Het betreft onderontwikkelde verstandskiezen in de bovenkaak. Dit is bij drie individuen uit grafkuil 3 aangetroffen (nrs. 52, 58 en 80). Dit zou kunnen betekenen dat deze individuen verwant waren, maar dit hoeft niet het geval te zijn. Een mogelijke genetische verwantschap geldt ook voor andere binnen dit onderzoek waargenomen anomalieën. Deze komen verspreid over de diverse grafkuilen voor. Het voorkomen van deze anomalieën is een te zwak argument om verwantschap te kunnen vermoeden, laat staan vaststellen. Er lijkt voor zover waarneembaar geen onderscheid te zijn gemaakt tussen de verschillende individuen voor de plaatsing in een betreffende grafkuil. Mogelijk is er wel een onderscheid gemaakt op basis van bepaalde factoren, maar zijn deze niet aan het bot af te leiden (bijvoorbeeld herkomst of rang). De knoopjes in grafkuil 5 wijken af van de knoopjes die zijn aangetroffen in de andere grafkuilen.

Dit zou kunnen betekenen dat er een onderscheid is gemaakt wie in welke grafkuil werd begraven, maar het zou ook een simpelere verklaring kunnen hebben, bijvoorbeeld dat de (doods)hemden (als de knoopjes toebehoorden aan (doods)hemden) met het eerste type knoopjes op waren en ze verder gingen met het begraven in (doods)hemden met een nieuw type knoopjes. 83

5.5

Conclusie en discussie Bij toeval is in de winter van 2020-2021 in Vianen bij een archeologische begeleiding een massagraf aangetroffen. Hierbij zijn 82 individuen opgegraven. Alle individuen zijn vermoedelijk mannelijk en erg jong. De gemiddelde leeftijd bij overlijden is 26,5 jaar en als de onvolwassenen worden meegeteld (allen tieners), komt de gemiddelde leeftijd bij overlijden op 21,7 jaar. De wijze van begraven, de aanwezigheid van alleen maar mannen en de zeer lage leeftijd bij overlijden doen vermoeden dat het hier om soldaten gaat. Historische bronnen (Uppelschoten 2015, 183; Amsterdamsche Courant van dec. 1794; Zuurdeeg & Heniger 1996, 13) wijzen op de aanwezigheid van militaire hospitalen in het nabijgelegen Kasteel Batestein in 1747-1748 en in de winter van 1794-1795. De aanwezigheid van pijprokersgaten past goed bij een datering in de achttiende eeuw. Het is waarschijnlijk dat de opgegraven individuen gestorven patiënten uit één van de veldhospitalen betreffen. Een militair veldhospitaal verklaart ook de nood voor massagraven. Het eerste beeld wat men krijgt bij een massagraf van gesneuvelde soldaten zijn dodelijke verwondingen opgedaan op het slagveld. Op enkele geheelde breuken en een paar ontstekingen als gevolg van een vleeswond na zijn sporen van trauma echter veel minder vaak aangetroffen dan bij dit beeld zou passen.

In plaats daarvan zijn er zeer veel sporen van infecties aangetroffen. Ongeveer 60% van alle individuen vertoont sporen van één of meerdere infecties. Met name hersenvliesontsteking komt veel voor, namelijk bij 35-45% van alle individuen. Daarnaast zijn longontsteking, bijholteontsteking, niet-specifieke ontstekingen door heel het lichaam en aangezichtsverlamming (mogelijk als gevolg van oorontsteking) aangetroffen. Vermoedelijke ontberingen van veldtochten, het meestal eenzijdige eten bij een veldtocht en slechte hygiënische leefomstandigheden in combinatie met krappe kampementen van de legertroep(en) zullen voor een verminderde weerstand hebben gezorgd en hebben geleid tot de ideale omstandigheden voor de verspreiding van een bacteriële infectie. Alle aangetroffen infecties hebben één mogelijke gemeenschappelijke bacteriële veroorzaker en dat is de pneumokokken bacterie. Het is niet met zekerheid meer te achterhalen, maar vermoedelijk zijn de meeste (en mogelijk zelfs alle) individuen overleden als gevolg van een infectie met pneumokokken. Op twee individuen is vermoedelijk autopsie gepleegd. Bij één individu was de schedel doorgezaagd, wat een algemene procedure is bij een autopsie om de doodsoorzaak te kunnen achterhalen. Tevens waren bij dit individu de benen doorgezaagd, maar hiervan wordt vermoed dat dit is gedaan om te oefenen.

Bij het tweede individu met zaagsporen is aan beide kanten het schaambeen verwijderd, wat vermoedelijk ook gerelateerd is aan autopsie. Aangezien veel individuen overleden aan een infectie, zullen de doctoren in het veldhospitaal graag hebben willen weten wat er nu precies aan de hand was met de patiënten, wat de oorzaak was en hoe ze meer slachtoffers konden voorkomen. Dat er op twee individuen autopsie is gepleegd is dus niet vreemd. De gemiddelde lichaamslengte op basis van 37 volwassenen is 166,4 centimeter (± 3,3 centimeter). Als de tieners worden meegerekend (22 individuen) is de totale gemiddelde lichaamslengte 166,8 centimeter (± 3,3 centimeter). Omdat dit gemiddelde vrijwel gelijk blijft geeft dit aan dat het onwaarschijnlijk is dat de gemiddelde lichaamslengte vertekend als gevolg van een klein aantal individuen. De gemiddelde lichaamslengte is behoorlijk laag. Er lijkt geen relatie te bestaan tussen een kleiner gestalte en de aanwezigheid van emailhypoplasie. Het tekort in voedingsstoffen in de jeugd heeft dus waarschijnlijk geen- of beperkte invloed gehad op de groei van het lichaam. In vergelijking tot Britse begraafplaatsen uit de achttiende eeuw en tot het mogelijk gelijktijdige Franse massagraf in ’s-Hertogenbosch is de lichaamslengte op basis van de methode van Trotter nog steeds kort: in Londen Christ 84

Church Spitalfields (1700-1850) is de gemiddelde lichaamslengte 169,7 centimeter (Cox 1996), in Birmingham St. Martins (1775-1900) is de gemiddelde lichaamslengte 171,8 centimeter (Brickley et al. 2006) en bij het Franse massagraf in ’s-Hertogenbosch (1794-1795) is de gemiddelde lichaamslengte 170,4 centimeter (Van der Linde 2015). De kleine gestalte en het voorkomen van emailhypoplasie bij 42% van de individuen, doet vermoeden dat de leefomstandigheden van de jonge mannen gedurende hun hele leven niet optimaal zullen zijn geweest. De meest aangetroffen deficiëntie is cribra orbitalia. Deze porositeit in de oogkassen is het gevolg van een chronische bloedarmoede, wat wordt veroorzaakt door een chronisch ijzertekort. Dit kan ontstaan als gevolg van een tekort aan bepaalde voedingsstoffen (mogelijk als gevolg van een infectieziekte). Een vermoedelijk eenzijdig eetpatroon, maar ook de aanwezigheid van vele infecties binnen dit onderzoek zijn vermoedelijk de veroorzakers van de deficiëntie binnen dit onderzoek. Het percentage degeneratieve gewrichtsaandoeningen (met name in de rug) is normaal voor een gemiddelde grafveldpopulatie, maar gezien de zeer lage gemiddelde leeftijd bij overlijden van de individuen binnen dit onderzoek is een percentage van 50% degeneratieve veranderingen in de wervelkolom behoorlijk hoog.

De aanwezigheid van dermate veel degeneratieve gewrichtsveranderingen op een dergelijke jonge leeftijd duidt op een zware overbelasting van het lichaam. Het komt regelmatig voor dat jongeren degeneratie in de rug vertonen (mogelijk als gevolg van zware lichamelijke arbeid), maar een dermate hoog percentage wordt veelal gezien bij jonge soldaten. Het hoge percentage degeneratie in de wervelkolom past dus bij de verwachting dat de individuen binnen dit onderzoek overleden soldaten zijn. Er zijn zeer veel anomalieën (botafwijkingen) aangetroffen. Anomalieën kunnen duiden op verwantschap. Er zijn echter zeer veel verschillende anomalieën aangetroffen en geen aanwijzingen die direct duiden op verwantschap. Er zijn in het veld drie verschillende massagraven aangetroffen (massagraf A, B en C). Massagraf A is volledig opgegraven en bevatte 79 individuen. Massagraf B was voor het overgrote deel verstoord ten tijde van de opgraving. Van dit massagraf zijn nog slechts drie gedeeltelijke individuen aangetroffen en opgegraven. Massagraf C is slechts in het profiel lichtelijk aangesneden en in situ bewaard gebleven. Het is mogelijk dat er nog meerdere massagraven aanwezig zijn in de bodem ten zuiden van massagraf C, maar om dit zeker te weten zou aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Binnen massagraf A lijken zes faseringen, “grafkuilen”, te bestaan.

Dit onderscheid is gemaakt op basis van de ruimtelijke positionering en inzakking van de individuen. Als gekeken wordt naar de vermoedelijke doodsoorzaak van de (meeste) individuen (infectie met pneumokokken bacterie) en de dodelijkheid en besmettelijkheid hiervan, is het waarschijnlijk dat tussen het in gebruik nemen van de verschillende grafkuilen, slechts enkele dagen hebben gezeten. Er is gepoogd om verschillen te achterhalen tussen de verschillende grafkuilen. Behalve de aanwezigheid van afwijkende benen knoopjes in grafkuil 5 ten opzichte van de andere grafkuilen zijn er op geen enkel gebied (relevante) verschillen te ontdekken tussen de verschillende grafkuilen. Dit wil niet zeggen dat er geen onderscheid gemaakt kan zijn tussen wie in welke grafkuil werd geplaatst, maar dit is macroscopisch aan de hand van de beenderen in ieder geval niet meer te achterhalen. Het aangetroffen massagraf in Vianen is uniek voor Nederland. In 2013 is in ’s-Hertogenbosch binnen de muren van Bastion Baselaar een massagraf aangetroffen met Franse soldaten uit 1794 en 1795, die afkomstig waren van het militaire hospitaal aldaar. Wanneer dit massagraf wordt vergeleken met het massagraf uit Vianen dan bestaan er zowel overeenkomsten als verschillen. Binnen het massagraf in ‘s-Hertogenbosch zijn minimaal 68 85

individuen begraven. Behalve mannen zijn er binnen dit onderzoek ook 7 vrouwen aangetroffen (10%). Ook hier zijn met name veel jonge individuen aangetroffen: 27 individuen waren tussen de 14 en 25 jaar oud en slechts acht individuen waren ouder dan 25 jaar (hierbij zijn de individuen waarvan alleen kon worden vastgesteld dat ze volwassen waren niet meegerekend). De gemiddelde leeftijd bij overlijden van de volwassenen was 23,1 jaar. Dat is nog eens drie jaar jonger als de gemiddelde leeftijd bij overlijden in Vianen. In ’sHertogenbosch was het jongste individu 12-14,5 jaar oud. Dit was echter een vrouw. Het jongste mannelijke individu was 14-16,5 jaar oud. Deze leeftijden komen redelijk overeen met de leeftijden bij overlijden in Vianen. Het voorkomen van pijprokersgaten en emailhypoplasie is vergelijkbaar tussen beide onderzoeken en ook de hoeveelheid degeneratieve gewrichtsaandoeningen komt redelijk overeen (met 55,5% degeneratie in de wervelkolom in ‘s-Hertogenbosch). In ’s-Hertogenbosch zijn ook enkele amputaties aangetroffen waarvan één in de opperarm en zeven in de dijbenen. Alle amputaties zijn ook rondom het tijdstip van overlijden uitgevoerd: er zijn nog zaagsporen aanwezig op het botoppervlak en er zijn geen aanwijzingen van genezing zichtbaar, wat indiceert dat het individu aan de procedure is overleden of dat dit net na de dood is uitgevoerd (Van der Linde 2015).

Behalve de aanwezigheid van vrouwen zijn er nog enkele grote verschillen tussen het massagraf in ’s-Hertogenbosch en dat in Vianen: In ’s-Hertogenbosch zijn zeven kogels in de grafkuil aangetroffen en zijn er bij vier individuen steekwonden vastgesteld. In Vianen zijn wel enkele geheelde breuken en geïnfecteerde plaatselijke verwondingen aangetroffen, maar geen direct dodelijke verwondingen. Hierbij moet vermeld worden dat de historische bronnen van ’s-Hertogenbosch vermelden dat er na het beleg van 1794 van de 139 bezweken soldaten slechts acht individuen zijn overleden aan verwondingen. De meeste soldaten zijn dus aan ontberingen, infecties of ondervoeding enzovoort overleden. De hoeveelheid deficiënties in de vorm van cribra orbitalia is in Vianen ruim 10% hoger (14,8% tegenover 25%). Ook zijn er vrijwel geen infecties waargenomen in het Franse massagraf. Historische bronnen spreken over een dysenterie en tyfus uitbraak in ’s-Hertogenbosch in die periode. Dit zijn ziektes die zich niet manifesteren op het bot, dit kan een verklaring geven voor het lage aantal sporen van een infectie. Daarnaast worden voedselschaarste, een zeer strenge winter, een watersnoodramp en mogelijk malaria genoemd in de betreffende periode in ‘s-Hertogenbosch. Allemaal factoren die aan een vroegtijdige dood kunnen bijdragen, maar slechts beperkt waarneembaar zijn op het bot.

Het grootste verschil tussen het massagraf in Vianen en ’s-Hertogenbosch is echter de behandeling van de doden. In Vianen is elk individu in een grafkist begraven, zijn de kisten ordelijk gestapeld en liggen alle individuen gestrekt op de rug. In ’s-Hertogenbosch lijken de individuen soms onordelijk in de grafkuil gegooid te zijn, waarbij een deel van de individuen op de rug liggen, maar een deel van de individuen ook op de buik. Er lijkt geen gebruik te zijn gemaakt van grafkisten, maar dit kan te maken hebben met het vermelde tekort aan (brand)hout in die periode in ‘s-Hertogenbosch, als gevolg van langdurige belegering. Ook in ’s-Hertogenbosch is vermoedelijk gefaseerd begraven, maar hier heeft de fasering verticaal plaatsgevonden in plaats van horizontaal. Er zijn dus telkens een paar individuen in de grafkuil geplaatst en afgedekt met een laagje grond, waarna er opnieuw individuen bovenop dit laagje grond in de grafkuil zijn geplaatst. Er zijn ten minste zes lagen met lichamen onderscheiden (Van der Linde 2015). Dit impliceert dat de kuil ook langer heeft opengelegen. Concluderend kan worden gesteld dat het massagraf gevonden in Vianen een uniek verschijnsel is en ons een goed beeld biedt van het zware leven en de ontberingen die de soldaten in de achttiende eeuw hebben moeten ondergaan.

De jonge mannen waren vermoedelijk van een lage sociale afkomst gezien het tekort aan voedingsstoffen in de jeugd bij velen en de lage gemiddelde lichaamslengte. De leefomstandigheden lijken in de loop van hun leven niet veel verbeterd te zijn. De grote hoeveelheid infecties, bloedarmoede, 86

degeneratie in de wervelkolom en de zeer lage gemiddelde leeftijd bij overlijden duidt op een zwaar leven met slechte hygiënische leefomstandigheden en waarschijnlijk een eenzijdig dieet (tekort aan bepaalde voedingsstoffen). Vermoedelijk heeft 42% van de individuen gerookt. Dit zal niet hebben bijgedragen aan de gezondheid van de jonge mannen. De mannen lijken niet te zijn overleden op het slagveld, maar aan de ontberingen en slechte leefomstandigheden.

87

6.

Isotopen Onderzoek Om duidelijkheid te krijgen over de datering, herkomst en het dieet van de begraven individuen is een selectie van zes individuen bemonsterd voor isotopen-onderzoek. Isotopen zijn atomen van hetzelfde chemische element (hetzelfde aantal protonen, maar met wisselende aantallen neutronen). Chemische elementen in de natuur bestaan meestal uit twee of meer isotopen. Er bestaan stabiele isotopen en radioactieve isotopen; de laatste soort is onderhevig aan verval. Onder invloed van natuurlijke omstandigheden zoals verdamping, condensatie, regen, warmte en kou enz. zijn de verhoudingen tussen isotopen in chemische elementen aan verandering onderhevig (fractionering). Het meten van verhoudingen isotopen in menselijk botmateriaal kan daarom informatie opleveren over de herkomst (zuurstof-, zwavel-, strontium- en lood-isotopen) en dieet (koolstof-, stikstof- en zuurstof-isotopen) (Herz & Garrrison 1998, 271). Het meten van het verval van 14C isotopen ten opzichte van de stabiele 12 C/13C verhouding levert informatie op over de ouderdom (zogenaamde 14C dateringen) (Nord & Billström 2018). De selectie van de zes individuen is gebaseerd op twee criteria: afkomstig uit meerdere grafkuilen (de verspreiding door het massagraf) en het volledig doorkomen van de tweede molaar (M2, oftewel de tweede kies, doorgaans in de vroege tienerjaren).

Omdat sprake was van veel jonge individuen, was dit namelijk niet altijd het geval. Ondanks dat gelet is op de verspreiding, zijn geen individuen uit massagraf B geselecteerd. Vanwege de verstoring van dit graf zou mogelijkerwijs sprake kunnen zijn van een besmetting door ander materiaal, wat een verstoord beeld kan opleveren. Alle geselecteerde individuen zijn dus afkomstig uit massagraf A (maar wel verspreid over de verschillende grafkuilen waaruit massagraf A is opgebouwd). De geselecteerde individuen staan weergegeven in Tabel 10. Het aantal monsters dat geselecteerd moest worden voor 14C onderzoek om voor het geheel een betrouwbare uitspraak te kunnen doen, is vooraf afgestemd met de instelling die de dateringen heeft uitgevoerd (14CHRONO laboratory, University of Belfast). Tabel 10: Individu

Vianen, Singellaan: De geselecteerde individuen voor isotopen- en 14C onderzoek Vondstnummer

Grafkuil

18

139

1

30

149

1

43

216

3

46

119

5

53

184

3

68

145

7

Voor de onderzoeken zijn in overleg van alle geselecteerde individuen de M2, het bovenbeen (femur) en een rib (costae) bemonsterd. Het 14C onderzoek is uitgevoerd door 14CHRONO laboratory, University of Belfast (prof. P. Reimer). Het herkomst- en dieetonderzoek is uitgevoerd door British Geological Survey te Nottingham (prof. J. Evans). De rapporten van hun onderzoeken zijn opgenomen in Appendices XIII en XIV. De bemonsterde M2 monsters zijn verwerkt door British Geological Survey. De bemonsterde bovenbenen zijn verwerkt door 14 CHRONO laboratory. De door hen bepaalde koolstof en stikstof isotopen zijn gedeeld met British Geological Survey.1 Dit hoofdstuk behandelt de resultaten ervan en bevat een analyse van de data. 1 De British Geological Survey heeft zeer veel ervaring met onderzoek in heel Europa. Mede omdat werd vermoed dat de individuen afkomstig waren uit het Verenigd Koninkrijk, is voor dit laboratorium gekozen. 88

6.1

14

C dateringen

Zoals hierboven vermeld zijn 14C dateringen, ook wel koolstofdateringen, een methode waarbij het verval van het radioactieve isotoop 14C wordt gemeten. Tegenwoordig wordt echter het verschil in gewicht tussen verschillende koolstof-isotopen gemeten. Dit isotoop komt alleen voor in organisch materiaal, waardoor de methode alleen geschikt is voor organisch materiaal (plantenresten, hout/houtskool en botmateriaal). Door kosmische straling wordt continu stikstof omzet in nieuwe 14C, dit zorgt in de atmosfeer voor een continue aanmaak. Levende organismen nemen hierdoor constant nieuw 14C op, door middel van de opname van zuurstof of door het consumeren van voedsel. Door sterfte stopt de opname van 14C, waarna een geleidelijk verval optreed. Het heeft een halveringstijd van 5730 +/- 40 jaar en na gemiddeld circa 50.000 jaar is het geheel verdwenen. De methode is dan ook niet geschikt om ouder materiaal te dateren. De monsters zijn gedateerd door middel van versnellermassaspectroscopie (Accelerator Mass Spectroscopy, AMS) waarmee het gewichtsverschil tussen waarden koolstof-isotopen wordt gemeten. Dit levert in eerste instantie een ruwe datering op die wordt uitgedrukt in BPjaren geleden (before present, waarbij present is vastgesteld op het jaar 1950).

De mate waarin er in de afgelopen duizenden jaren 14C in de atmosfeer is gevormd is contant aan veranderingen onderhevig als gevolg van veranderingen in het magneetveld van de aarde en wisselende zonne-activiteit; de hierdoor ontstane schommelingen in de dateringscurve worden wiggles genoemd. Ook is het 14C-gehalte in de atmosfeer afhankelijk van veranderingen in het zuurstofevenwicht tussen oceaan en atmosfeer. Ook als gevolg van isotopenfractionering kan zowel de hoeveelheid 14C als de verhouding tot het stabiele isotoop 13C fluctueren (Van der Plicht 2005). Daarom is er ook een correctie van de datering gemaakt op basis van de 13 C/12C verhouding. De datering in jaren BP komt niet één op één overeen met kalenderjaren, het maken van de som 1950 min ouderdom in jaren BP levert dan ook niet de werkelijke datering op. De dateringen in BP moeten worden gekalibreerd om tot kalenderjaren te komen (calAD). Als gevolg van de bovengenoemde wiggles, kunnen meerdere pieken in de dateringscurve aanwezig zijn, wat een ruimere datering oplevert, of meerdere dateringen aangeeft. De context waaruit de gedateerde monsters afkomstig zijn en de overige archeologische vondsten of een combinatie met andere dateringsmethoden kunnen dan vaak uitsluitsel bieden.

Naast de hierboven genoemde factoren die van invloed zijn op de hoeveelheid 14C in een monster is er een reservoir aan opgesloten 14C aanwezig in oceanen, zeeën, sedimenten en sedimentaire gesteenten op de zeebodem. In al deze reservoirs is de isotopenverhouding anders dan in de atmosfeer. Dit heeft tot gevolg dat organismen die hun voedsel onttrekken aan de zee een (sterk) verouderd beeld opleveren in 14C waarden. Dit geldt ook voor 14C hoeveelheid die wordt gemeten in waterplanten en organismen die dit hebben geconsumeerd. Een deel van de 14C die ze opnemen, komt namelijk niet in de vorm van koolstofdioxide binnen, maar in de vorm van (veel oudere) opgeloste koolstofdeeltjes. Omdat deze vaak erg oud zijn, bevatten ze erg weinig, of geen 14C meer. Waterplanten en dieren die hiervan leven, lijken op basis van een 14C datering ouder dan ze in werkelijkheid zijn (een zogenaamd reservoir-effect). Dit geldt ook voor dateringen die worden verricht aan menselijke resten die deze waterplanten en dieren hebben geconsumeerd. Tot slot geven dateringen op basis van 14 C doorgaans een periode aan waarbinnen het genomen monsters dateert; deze periode loopt uiteen van enkele decennia tot honderden jaren.

Met name voor 14C dateringen uit relatief jongere perioden is vaak een gedegen analyse van meer dan alleen de dateringen nodig om een vindplaats van een betrouwbare ouderdomsbepaling te voorzien. Een overzicht van 14C dateringen van Vianen Singellaan in jaren BP (Before Present=1950) staat weergegeven in Tabel 11. Na kalibratie leveren de dateringen getallen op in calAD die 89

staan weergegeven in Figuur 6.1. Het monster van individu 18 heeft een oudere datering dan op basis van de vondstcontext werd verwacht. We weten namelijk dat massagraf A dateert van na 1700 en dat er na de Franse tijd (tot 1813) geen sprake meer is geweest van gebeurtenissen die kunnen hebben geleid tot het aanleggen van dergelijke massagraven in Vianen. Op basis van de verhouding 13C/12C zoals die is vastgesteld bij individu 18, zal deze persoon waarschijnlijk grotendeels een maritiem dieet hebben gehad (zie ook Hoofdstuk 6.2). Dit kan een veroudering hebben opgeleverd van circa 30% (persoonlijke mededeling prof. P. Reimer). De overige dateringen laten meerdere pieken (wiggles) zien vanaf halverwege de zeventiende eeuw tot en met de twintigste eeuw. Vooral dateringen 44881, 44882 en 44884 en 44885 vertonen overeenkomsten in pieken die voorkomen vanaf de late zeventiende tot begin 20e eeuw, en een nadruk lijken te vertonen in de achttiende en vroege negentiende eeuw. Voor de achttiende eeuw laten de dateringen een duidelijke ruime verspreiding zien door de gehele achttiende eeuw, tot en met de vroege negentiende eeuw. Datering 44883 vertoont een hoge piek in de midden zeventiende eeuw en in de late achttiende eeuw. Tabel 11:

Vianen, Singellaan: De 14C dateringen in jaren BP (Before Present).

UBno

Individu

Datering in BP (jaren voor 1950)

Standaarddeviatie

44880

18

333

24

44881

30

173

23

44882

43

146

22

44883

46

233

23

44884

53

188

23

44885

68

156

21

90

Figuur 6.1

Vianen, Singellaan: Gekalibreerde dateringen in grafiek. De grootste waarschijnlijkheden worden weergegeven in een grafiek en met een zwart blok (bron: Appendix XIII).

Met betrekking tot de datering zijn twee dingen duidelijk: we weten dat de ruïne van kasteel Batestein twee keer in korte tijd na elkaar in gebruik is geweest als militair hospitaal: zowel in 1747-1748 als in de winter van 1794-1795 (zie Hoofdstuk 2.2) en we weten dat de massagraven slechts een korte tijd in gebruik zijn geweest waarbij eerder sprake is van enkele dagen dan enkele weken (zie Hoofdstuk 4.2 en 5.4). Alle dateringen hebben hoogstwaarschijnlijk betrekking op één gebeurtenis. Op basis van historische bronnen kunnen we deze gebeurtenis koppelen aan 1747-1748 of 1794-1795. Daarom zijn de gekalibreerde dateringen samengevoegd om een gemiddeld beeld te krijgen van de grootste waarschijnlijkheid (Figuur 6.2). Hierbij is de afwijkende datering van individu 18 buiten beschouwing gelaten. Daarnaast is bij de kalibratie rekening gehouden met het feit dat een bovenbeen is gedateerd (de femur). Tot een leeftijd van circa 40 jaar worden de cellen van de femur gemiddeld eens per tien jaar vervangen. Dit betekent dat wat er van de individuen is gedateerd niet het moment van overlijden is, maar de laatste vorming van het bot. Daarom moet van de datering circa tien jaar af worden getrokken. De volledige tien jaar zal niet voor alle individuen opgaan: individu 46 uit grafkuil 5 (datering 44883) is bijvoorbeeld slechts 1215 jaar oud is geworden.

Voor de overige gedateerde individuen is een correctie van tien jaar wel aannemelijk. Deze kalibratie van de gemiddelde datering geeft niet een duidelijker beeld dan dat er al was op basis van de individuele kalibraties: de grootste waarschijnlijkheid voor de datering ligt vanaf het tweede kwart van de achttiende eeuw tot en met het eerste kwart van de negentiende eeuw. 91

Figuur 6.2

Vianen, Singellaan: Gemiddelde van gekalibreerde dateringen in grafiek. In geel 95,4% (2 sigma) waarschijnlijkheid en in groen 68,3% (1 sigma) waarschijnlijkheid (via emailcontact prof. P. Reimer).

Omdat er sprake is van voorkennis: een datering in 1747-1748 of 1794-1795, is er ook een kalibratie gemaakt door middel van een kalibratieprogramma gebaseerd op Bayesiaanse statistiek (ChronoModel versie 2.0.18). Hierin is een kalibratie gemaakt op basis van de aanname dat sprake is van een éénmalige gebeurtenis die plaatsvond binnen een periode die bekend is, namelijk vanaf circa 1737 tot 1790 (inclusief correctie voor het dateren van de femur). Als marge zijn er zowel aan het begin als aan het eind enkele decennia aan deze periode toegevoegd. Er is de waarschijnlijkheid berekend binnen de periode van 1700 tot 1830. Alle dateringen, met uitzondering van individu 18 zijn hierin gezamenlijk gekalibreerd (Figuur 6.3). De berekening geeft een waarschijnlijkheid aan binnen deze periode van circa 1728 tot 1809. Binnen deze periode is een piek zichtbaar die zich globaal bevindt tussen 1755 en 1785. Bij deze berekening is geen correctie voor het dateren van de femur toegepast. Wanneer een veroudering van circa tien jaar wordt opgeteld bij deze piek, dan kan op basis van deze kalibratie worden geconcludeerd dat de grootste waarschijnlijk ligt tussen 1765 en 1795.

92

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=e2c95a2c-7025-4bb3-9650-a29604f9b665