24. (AZ) Eindrapport VianenSingelgracht_DEFINITIEF-gecomprimeerd (002).pdf
Tekst van het document
Vianen, Singellaan Gemeente Vijfheerenlanden (Utr.)
Archeologische Opgraving Protocol 4004 Definitief Steekproefrapport 2019-11/07
Vianen, Singellaan Gemeente Vijfheerenlanden (Utr.)
Archeologische Opgraving Protocol 4004 Definitief Steekproefrapport 2019-11/07
Vianen, Singellaan, Gemeente Vijfheerenlanden (Utr.). Archeologische Opgraving (protocol 4004) Een onderzoek in opdracht van de gemeente Vijfheerenlanden Steekproefrapport 2019-11/07 ISSN 1871-269X Status: definitief Auteur: dhr. J.B. Veenstra MA (senior KNA-archeoloog, registratienr. Actorregister: 41859613) Autorisatie: dr. J. Jelsma (senior KNA-archeoloog/prospector, registratienr. actorregister: 35453178) Goedgekeurd door de bevoegde overheid gemeente Vijfheerenlanden: mevr. A.F. van Pelt De Steekproef bv werkt volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 4.1 en BRL SIKB 4000. Dit onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4004: opgraven. Foto’s en tekeningen zijn gemaakt door De Steekproef, tenzij anders vermeld. © De Steekproef bv, augustus 2022 Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder bronvermelding. De Steekproef bv aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. De Steekproef bv Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau Adres telefoon internet e-mail kvk
Hogeweg 3, 9801 TG Zuidhorn 050 – 5779784 www.desteekproef.nl info@desteekproef.nl 02067214
Inhoud Samenvatting Administratieve gegevens van het plangebied 1. Inleiding........................................................................................................................... 1 1.1 Ligging van het opgegraven terrein..........................................................................3 2. Vooronderzoek.................................................................................................................. 5 2.1 Fysische geografie.................................................................................................. 5 2.2 Ontstaan en historie van Vianen..............................................................................7 2.3 Archeologische verwachting...................................................................................14 3. Veldonderzoek................................................................................................................ 15 3.1 Werkwijze............................................................................................................ 15 4. Resultaten van het onderzoek............................................................................................18 4.1 Bodemopbouw.....................................................................................................
18 4.2 Sporen en structuren.............................................................................................22 5. Fysisch antropologisch onderzoek (A. Pijpelink, CRINA Fysische Antropologie).......................33 5.1 Inleiding.............................................................................................................. 33 5.2 Methoden en technieken.......................................................................................32 5.3 Resultaten............................................................................................................ 37 5.4 Grafritueel........................................................................................................... 80 5.5 Conclusie en discussie..........................................................................................84 6. Isotopen onderzoek.........................................................................................................88 6.1 14C dateringen..................................................................................................... 89 6.2 Overige isotopen..................................................................................................94 7. Tandplakonderzoek (L.
Kubiak-Martens, BIAX)..................................................................105 7.1 Inleiding............................................................................................................ 105 7.2 Methoden en technieken.....................................................................................105 7.3 Resultaten en interpretatie van de SEM analyse......................................................106 7.4 Resultaten en interpretatie van doorvallend licht microscopie..................................109 7.5 Conclusies......................................................................................................... 110 8. Overig vondstmateriaal.................................................................................................. 111 8.1 Aardewerk (J.B. Veenstra)....................................................................................111 8.2 Knopen (M. Rijkelijkhuizen, Elpenbeen).................................................................113 8.3 Hout (J. van der Laan, Cambium).........................................................................117 8.4 Metaal (M. Hendriksen, ArcheoMetaal en J.B. Veenstra).........................................119 8.5 Parasietenonderzoek (Y. van Amerongen, Archol)...................................................124 9.
Conclusies.................................................................................................................... 125 9.1 Synthese: massagraven uit de achttiende eeuw......................................................125 9.2 Beantwoording onderzoeksvragen........................................................................132 9.3 Selectievoorstel vondstmateriaal...........................................................................138 9.4 Advies en aanbeveling........................................................................................139 Literatuur Lijst van Figuren en Tabellen
Appendix I Appendix II Appendix III Appendix IV Appendix V Appendix VI Appendix VII Appendix VIII Appendix IX Appendix X Appendix XI Appendix XII Appendix XIII Appendix XIV Appendix XV Appendix XVI Appendix XVII Appendix XVIII Appendix XIX
Archeologische periode-indeling Nota van Wijziging II Sporenlijst Vondstenlijst Plan van Aanpak Specialistisch Onderzoek Fysisch antropologisch onderzoek: Resultaten overzicht per individu Fysisch antropologisch onderzoek: Gebitsstatus en aandoeningen van de volwassenen. Fysisch antropologisch onderzoek: Leeftijd bij overlijden van de volwassenen. Fysisch antropologisch onderzoek: Leeftijd bij overlijden van de onvolwassenen. Fysisch antropologisch onderzoek: Geslachtsbepaling per individu. Fysisch antropologisch onderzoek: Lichaamslengte per individu Fysisch antropologisch onderzoek: De skeletfoto’s per individu Rapport 14C onderzoek Rapport isotopen-onderzoek Vastgestelde isotopen-waarden en verhoudingen Rapport tandplakonderzoek Tandplakonderzoek: Resultaten SEM analyse en doorlatend microscopie met polariserend licht Determinatielijst aardewerk en bouwkeramiek Conserveringsrapport metaalvondsten
Samenvatting Van 17 november 2020 tot en met 14 januari 2021 heeft De Steekproef bv een archeologische opgraving uitgevoerd aan de Singellaan te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, provincie Utrecht. Aanvankelijk had het onderzoek betrekking op graafwerkzaamheden ten behoeve van woningbouw en de aanleg van een riolering op een terrein dat grenst aan het voormalig kasteelterrein Batestein. De oorspronkelijke archeologische begeleiding werd uitgebreid naar aanleiding van het plan om langs de westelijke zijde van het oorspronkelijke plangebied een verbinding te maken tussen de daar gelegen middeleeuwse stadsgracht en een iets verderop gelegen singel. De vraagstelling van het oorspronkelijke onderzoek luidde: zijn er nog meer archeologische resten in het plangebied aanwezig en hoe staan deze in relatie tot het voormalige kasteel Batestein en de aangetroffen resten uit het vooronderzoek? Tijdens de archeologische begeleiding van het uitgraven van deze nieuwe watergang werden in het zuidelijke talud menselijke skeletresten gevonden. Er bleken drie massagraven te liggen: A, B en C. Massagraf A, de middelste met een omvang van circa 11 bij 2,5 meter werd als eerste ontdekt. Iets ten noorden hiervan lag massagraf B, dat grotendeels verstoord bleek. Er zijn skeletten van 82 individuen opgegraven: 79 in massagraf A en drie in massagraf B.
Massagraf C lag direct ten zuiden van massagraf A en werd niet door de ingrepen bedreigd. Dit massagraf is niet opgegraven. De opgegraven skeletten waren alle van (jonge) mannen. Hierdoor kon worden geconcludeerd dat het ging hoogstwaarschijnlijk om soldaten. Op basis van fysisch antropologisch onderzoek kon worden vastgesteld dat het ging om mannen van lage sociale komaf, die tijdens hun leven veel fysiek zware arbeid hebben verricht. Er zijn zeer weinig sporen van geweld aangetroffen, alleen enkele geheelde botbreuken en sporen van niet dodelijke wonden. Wel zijn bij 60% van de 82 individuen aanwijzingen voor bacteriële infecties gevonden. Dit doet vermoeden dat de soldaten zijn overleden aan ziekte als gevolg van slechte levensomstandigheden. Binnen de begrenzing van massagraf A konden zes verschillende grafkuilen worden onderscheiden, die in korte tijd na elkaar zijn gegraven. Zowel uit het fysisch antropologisch onderzoek als de bestudering van de opbouw van de massagraven blijkt dat sprake is van veel begravingen in een korte tijd, eerder dagen dan weken. Op basis van vondsten, waarnemingen aan het botmateriaal en op basis van 14C dateringen blijken de massagraven te dateren uit de achttiende eeuw. Hierbij blijkt een grotere waarschijnlijkheid te zijn voor de late achttiende eeuw.
In het direct noordelijk van de massagraven gelegen kasteelterrein Batestein blijkt in de achttiende eeuw tweemaal een militair hospitaal te zijn gevestigd: tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog was in 1747 en 1748 's Lands Hospitaal hier ingericht voor het verplegen van Staatse troepen. Tijdens de Eerste Coalitieoorlog, is het terrein eind 1794 en mogelijk begin januari 1795 gedurende een korte tijd in gebruik geweest als hospitaal voor Engelse soldaten. Uit isotopen-onderzoek is gebleken dat de herkomst van zes bemonsterde individuen gezocht moet worden in West-Europa, inclusief zuidelijk Engeland en Ierland. Aangezien er sterke aanwijzingen zijn dat de individuen een Nederlandse of Engelse herkomst hebben zijn de isotopen-waarden ook op individu niveau geanalyseerd. Hieruit blijkt dat voor drie individuen een Engelse herkomst waarschijnlijk is (maar een Nederlandse is niet geheel uit te sluiten). Voor twee individuen is zowel een Nederlandse als Engelse herkomst mogelijk, en voor één individu is een West-Duitse herkomst waarschijnlijk (Hessen of Hannover).
Op basis van de wijze van begraven, de vele infecties en de korte periode waarbinnen de individuen zijn overleden en begraven, de aanwijzingen voor een datering in de late achttiende eeuw, en de mogelijke Engelse herkomst van enkele individuen, concluderen we dat de massagraven zijn te dateren ten tijde van de Eerste Coalitieoorlog.
Selectie advies J.B. Veenstra (senior KNA-archeoloog, actor reg. nr. 41859613) De opgegraven massagraven lagen beide in het talud van een net uitgegraven watergang en werden als gevolg hiervan bedreigd. Na verloop van tijd zouden de graven door erosie en oxidatie zijn aangetast. Het derde massagraf ligt nog grotendeels onaangeroerd in de bodem. Het is zeer goed mogelijk dat in het perceel meer (massa)graven liggen. Het is af te raden in de toekomst opnieuw graafwerkzaamheden uit te voeren aansluitend aan het opgegraven terrein. Indien dit onvermijdelijk is, wordt geadviseerd voorafgaand of tijdens deze graafwerkzaamheden opnieuw archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Met het doel om de begrenzing van massagraf C beter vast te leggen, en om eventuele andere massagraven op te sporen is na afloop van de opgraving een geofysisch onderzoek uitgevoerd (Orbons 2021). Dit onderzoek heeft geen eenduidig beeld opgeleverd. Geadviseerd wordt om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren met een beperkte omvang om de aanwezigheid van meer (massa)graven vast te stellen. Op deze wijze kan het gebied waarbinnen graven aanwezig kunnen zijn, worden begrensd en kan dit deel in de toekomst een beschermde status krijgen.
Administratieve gegevens van het plangebied Provincie
Utrecht
Gemeente
Vijfheerenlanden
Plaats
Vianen
Toponiem
Singellaan
Plaats binnen archeologisch proces
Archeologische Opgraving, protocol 4004: opgraven
Kaartblad
38F
Centrumcoördinaten
134.473 / 445.130
Afmetingen en oppervlakte onderzoeksgebied:
Circa 81 m2
Bevoegde overheid
Instelling: Gemeente Vijfheerenlanden Adres: Postbus 11, 4140 AA Leerdam Contactpersoon: mevr. A.F. van Pelt
Opdrachtgever
Instelling: Gemeente Vijfheerenlanden Adres: Postbus 11, 4140 AA Leerdam Contactpersoon: dhr. J. Wuijckhuijse
OM-nummer archeologische begeleiding
4761864100
AMK-status
Hoge archeologische waarde
Archis-monumentnummer
15673
Waarnemingsnummer
n.v.t.
ISSNnr.
1871 - 269X
Uitvoerder
De Steekproef bv
Steekproef projectcode
2019-11/07
Geomorfologische context
Niet gekarteerd (extrapolerend stroomrug/stroomgordel)
Archeoregio
13. Utrechts-Gelders Rivierengebied
NAP-hoogte maaiveld
Circa 2,8 meter boven NAP
Maximale diepte onderzoek
Maximaal 1,8 meter beneden NAP
Huidig grondgebruik
Weiland
Beheer en plaats documentatie
Provinciaal Archeologisch Depot te Utrecht, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het E-depot
1.
Inleiding Van 17 november 2020 tot en met 14 januari 2021 heeft De Steekproef bv een archeologische opgraving uitgevoerd aan de Singellaan te Vianen, gemeente Vijfheerenlanden, provincie Utrecht (Figuur 1.1). Het onderzoek vloeide voort uit een archeologische begeleiding die is uitgevoerd op de locatie Blauwpoort in opdracht van De Blauwpoort Vianen bv in samenwerking met de Gemeente Vijfheerenlanden. De aanvankelijk uitgevoerde archeologische begeleiding had betrekking op graafwerkzaamheden ten behoeve van woningbouw en de aanleg van een riolering op een terrein dat grenst aan het voormalig kasteelterrein Batestein. Dit veldwerk is uitgevoerd in januari en februari 2020 (Figuur 1.2 lichtblauw). Deze werkzaamheden vloeiden voort uit een in 2013 uitgevoerd proefsleuvenonderzoek (Tulp & Dijk 2014). De oorspronkelijke archeologische begeleiding werd in november 2020 uitgebreid naar aanleiding van het plan om langs de westelijke zijde van het oorspronkelijke plangebied een verbinding te maken tussen de daar gelegen middeleeuwse stadsgracht en een iets verderop gelegen singel (Figuur 1.2 donkerblauw). Een soortgelijke verbinding op min of meer dezelfde plek heeft hier ook in het verleden gelegen, zoals zichtbaar is op meerdere historische kaarten (Figuur 2.3 tot en met 2.6).
Tijdens de archeologische begeleiding van het uitgraven van deze nieuwe watergang werden in het zuidelijke talud menselijke skeletresten gevonden. Er zijn skeletten van 82 individuen opgegraven. Door de vondst van deze massagraven is het opdrachtgeverschap aangaande het opgraven hiervan overgenomen door de Gemeente Vijfheerenlanden. Hiervoor werd een strook van circa 81 m2 opgegraven (Figuur 1.2 geel). Vanwege het unieke karakter van deze vondst, is besloten de uitwerking en analyse van de massagraven los te koppelen van de resultaten van de archeologische begeleiding en beide onderzoeken apart te rapporteren (de resultaten van de archeologische begeleiding zijn gerapporteerd onder de naam Vianen, Blauwpoort, Van der Heul in prep. ). De archeologische begeleidingen en de opgraving van het massagraf zijn uitgevoerd conform de KNA 4.1, BRL 4000: protocol 4004 (Opgraven Landbodems) en het specifiek voor het onderzoek opgestelde Programma van Eisen (PvE) (Tulp 2019) en Plan van Aanpak (Veenstra 2020). In dit PvE is ook het doel van het archeologisch onderzoek en de vraagstelling vastgelegd. Het doel is om archeologische sporen veilig te stellen door documentatie en het systematisch verzamelen van archeologische materialen.
De verkregen informatie kan worden gebruikt ten behoeve van toekomstig wetenschappelijk onderzoek naar laatmiddeleeuwse en nieuwe tijdse bewoning en historische ontwikkeling van dit deel van Vianen en kasteelterrein Batestein (Tulp 2019, 11). De vraagstelling luidt: tijdens het vooronderzoek zijn archeologische grondsporen opgegraven. Zijn er nog meer archeologische resten in het plangebied aanwezig en hoe staan deze in relatie tot het voormalige kasteel Batestein en de aangetroffen resten uit het vooronderzoek? (Tulp 2019, 11). Het oorspronkelijke PvE diende gewijzigd te worden voor het uitgraven van de verbinding tussen stadsgracht en singel. Deze wijzigingen zijn vastgelegd in Nota van Wijziging I (NvW I). In zowel het PvE als de NvW I was de vondst van menselijke skeletresten in anatomisch verband niet voorzien. Beide documenten voorzagen daarom niet in de vaststelling van de benodigde kwaliteitseisen voor onderzoek aan dergelijke resten. Deze zijn vastgesteld in een nieuwe Nota van Wijziging II (Appendix II). Hierin zijn aanvullende onderzoeksvragen opgenomen die specifiek betrekking hebben op de vondst van het massagraf.
1
Om aan de doelstelling te voldoen en de vraagstelling te beantwoorden is de uitwerking tot zover uitgevoerd dat de voor dit onderzoek opgestelde aanvullende onderzoeksvragen uit het NvW II kunnen worden beantwoord. Deze onderzoeksvragen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11.
Wat is de ruimtelijke verspreiding van het grafveld/massagraf, zowel horizontaal als verticaal? Hoeveel individuen liggen telkens op c.q. naast elkaar? Maak een schatting van het totaal aantal bijzettingen in het gehele massagraf. Wat is de mogelijke doodsoorzaak van de overledenen? Is er sprake van geweld, ziekte of dergelijke? Valt daarbij een relatie te leggen met bekende historische gebeurtenissen? Is inderdaad sprake van ongeveer gelijktijdig overlijden of vallen meerdere gebruiksperiodes te onderscheiden? Valt er een grafritueel te herkennen? Wat is de leeftijdsopbouw van de opgegraven populatie en wat is de verhouding man/vrouw? Wat is de datering van de bijzettingen? Indien hiervoor C-14 dateringen nodig zijn: hoeveel individuen moeten worden gedateerd om hierop een antwoord te krijgen? Valt er een relatie aan te wijzen tussen het massagraf en de geschiedenis van kasteel Batestein? Zo ja welke? Kan bestudering van de skeletten bijdragen aan de beantwoording van de overige onderzoeksvragen, bijvoorbeeld die over voedingswijze/dieet? Welke maatregelen moeten op korte termijn genomen worden voor behoud ex situ van de nu bedreigde graven? Welke maatregelen worden geadviseerd om het nu niet bedreigde deel van de begravingen in situ te behouden?
De uitwerking van dit onderzoek is uitgevoerd conform het evaluatierapport. Hierin is een voorstel gedaan voor de uitwerking van het uitgevoerde onderzoek dat is voorgelegd aan de bevoegde overheid: de gemeente Vijfheerenlanden. Namens de gemeente is dit voorstel goedgekeurd door mevr. A.F. van Pelt en mevr. P. Fijma (ODRU) (dd. 21 juni 2021). De analyses van en rapportages over de vondsten zijn uitgevoerd conform KNA 4.1, BRL 4000: protocol 4006 (Specialistisch Onderzoek). Voor de uitvoering is een Plan van Aanpak Specialistisch Onderzoek opgesteld (PvA SO) door dhr. J.B. Veenstra (senior KNAmateriaalspecialist, actor reg.nr. 41859613). De verschillende deelrapportages van de uitgevoerde specialistische onderzoeken zijn integraal opgenomen in dit rapport. Aan het veldonderzoek hebben meegewerkt (in alfabetische volgorde): -dhr. B. Baaijens MA (veldarcheoloog) -dhr. M. van Eldijk (student Universiteit Leiden Faculteit Archeologie) -dhr. J.S. van der Heul MA (KNA-archeoloog, De Steekproef), -dhr. M. Koelewijn (student Universiteit Leiden Faculteit Archeologie) -mevr. A. Koops MA (vrijwilligster) -mevr. A. Pijpelink MA (senior KNA-materiaalspecialist, CRINA Fysische Antropologie) -mevr. J. van Rhenen (vrijwilligster) -mevr. I. Rom (MA) (vrijwilligster) -dhr. J.B. Veenstra MA (senior KNA archeoloog & projectleiding, De Steekproef).
2
1.1
Ligging van het opgegraven terrein Het opgegraven terrein ligt ten oosten van de Singellaan, net buiten het historische centrum van Vianen (Figuur 1.1). Het is gelegen aan de noordzijde van een smal lang perceel dat oostelijk wordt begrensd door de van oorsprong middeleeuwse stadsgracht en westelijk door een singel. De huidige noordgrens bestaat uit een oostwest georiënteerde watergang die de stadsgracht en de singel met elkaar verbindt. Het opgegraven massagraf is gevonden tijdens het uitgraven van deze verbinding. Direct ten noorden van de opgravingslocatie ligt het voormalig kasteelterrein Batestein.
Figuur 1.1
Vianen, Singellaan: Topografische kaart, het opgegraven terrein is rood gekleurd en wordt aangewezen door een pijl (bron: www.opentopo.nl).
3
Figuur 1.2
Vianen, Singellaan: De verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd in de periode januari 2020 – januari 2021. In lichtblauw het oorspronkelijk onderzochte terrein voor het project Blauwpoort. In donkerblauw het terrein dat aanvullend is onderzocht. Beide gebieden zijn onderzocht door middel van een archeologische begeleiding. In geel de locatie van het opgegraven massagraf waarvan de resultaten worden behandeld in dit rapport.
4
2.
Vooronderzoek
2.1
Fysische geografie Vianen ligt in het rivierengebied. Het stromen van rivieren door de eeuwen heen is bepalend geweest voor de vorming van het landschap. Als gevolg van zich verleggende rivieren is een complex systeem van elkaar oversnijdende stroomgordels gevormd. Een stroomgordel is het vroegere stroomgebied van een rivier bestaande uit een dichtgeslibde geul en daarnaast gelegen oeverwallen. Wanneer een rivier overstroomt worden daar waar de stroomsnelheid groter is de zwaardere zand en lichte klei deeltjes afgezet. Hierdoor ontstaan hoger gelegen stroomruggen. Op grotere afstand van de rivier neemt de stroomsnelheid af waardoor fijne kleideeltjes worden afgezet, hier ontstaan de lager gelegen komgronden. De bodems in het gebied bestaan uit zandige/zavelige gronden op de oeverwallen tot zware kleigronden in de komgebieden, waar veenvorming kan optreden als gevolg van de natte omstandigheden. Het landschap in het rivierengebied wordt gekenmerkt door complexe afwisseling van stroomruggen, opgevulde rivierbeddingen, komgronden. Mede als gevolg van de vruchtbare kleigronden, wordt het rivierengebied al vanaf de prehistorie bewoond door de mens. De bewoning concentreerde zich duizenden jaren lang met name op de hoger gelegen oeverwallen. Ook Vianen is ontstaan op de hoger gelegen delen afgezet door de rivier de Lek.
In de strijd tegen het water begon men in de middeleeuwen de rivieren te bedijken. Hierdoor overstroomde het land minder vaak en bleven de rivieren op min of meer vaste plekken door het landschap stromen. Vianen ligt net ten zuiden van de Lek. De ligging van het opgegraven terrein zelf is niet gekarteerd op de geomorfologische- en bodemkaart (Alterra in ARCHIS) vanwege de ligging in de bebouwde kom. Direct ten noorden van de kasteellocatie, ten noorden van de Lekdijk, is het terrein op de geomorphologische kaart gekarteerd als 'meanderruggen en geulen in uiterwaarden' (classificatie geomorfologische kaart 3L15). Volgens de bodemkaart bestaat de bodem hier uit een kalkhoudende ooivaaggrond in lichte zavel (classificatie bodemkaart Rd10A), terwijl de bodem verder naar het noordwesten bestaat uit een kalkhoudende vlakvaaggrond met grof zand (Zn30A). Volgens de geologisch-geomorphologische kaart van Berendsen en Stouthamer (2001) 1 valt het plangebied net buiten de zandige stroomgordelafzettingen van de Lek. Evenmin worden eerdere stroomgordels weergegeven ter plaatse van het plangebied (Figuur 2.1). De eerste ontginningen waren op de iets zuidelijker gelegen stroomruggen. In de veertiende eeuw werd de stad Vianen op de tegenwoordige plek aan de Lek gevestigd. Hier is het terrein ook wat hoger dan de weilanden ten zuiden van Vianen (Figuur 2.2).
1 Jongere versies van deze kaart zijn geraadpleegd, maar toonden geen ander beeld van de omgeving. 5
Figuur 2.1
Vianen, Singellaan: uitsnede van de geologisch-geomorfologische kaart van Berendsen en Stouthamer (2001). Het rode kruis markeert de locatie van Blauwpoort. Met kleuren zijn stroomgordels weergegeven die door de regio gestroomd hebben. De stroomgordels in de nabijheid van Vianen staan vermeld in Tabel 1.
Tabel 1:
Vianen, Singellaan: stroomgordels uit de nabije omgeving van Vianen (Figuur 2.1)
nummer van stroomgordel
naam
datering in jaren BP*
56
Hagestein
2514 - 1050
68
Hollandse IJssel
1805 - 665
91
Lek
1950 - 0
173
Vuylkoop
*BP is Before Present: (ongecorrigeerde)
5350 - 3795
C jaren voor 1950.
14
6
Figuur 2.2.
2.2
Vianen, Singellaan: De ligging van het opgegraven terrein op het Actueel Hoogtebestand Nederland. Het plangebied is rood omlijnd. (bron: AHN-viewer).
Ontstaan en geschiedenis van Vianen De oudste resten van bewoning uit de omgeving van Vianen dateren uit de bronstijd en ijzertijd (een overzicht van de datering van genoemde perioden staat weergegeven in Appendix I). Deze zijn niet gevonden in Vianen zelf, maar in het zuidelijker gelegen Zijderveld en op de Autenase donk iets ten zuiden van Vianen (Kok 2004, 17-20). De oudst bekende vondsten die in Vianen zelf zijn gedaan, zijn scherven aardewerk die dateren uit de romeinse tijd (Kok 2004, 21). Het is echter niet waarschijnlijk dat Vianen vanaf die tijd onafgebroken bewoond is geweest. Nederzettingen werden in deze periode nooit voor eeuwen achtereen bewoond. Om uiteenlopende redenen die niet altijd zijn te achterhalen, werden oude nederzettingen verlaten om elders weer opnieuw op te bouwen. Ook was er geen sprake van dorpen, hooguit 7
buurtschappen bestaande uit enkele dichtbij elkaar gelegen boerderijen, die door het landschap 'zwierven'. Pas in de loop van de vroege middeleeuwen ontstonden buurtschappen en dorpen die op een min of meer vaste plaats in het landschap bleven liggen. De oorsprong van veel Nederlandse dorpen en steden dateert dan ook uit deze periode. De vroegste ontginningen nabij Vianen vonden vermoedelijk al voor het jaar 1000 plaats op de Hagesteinse stroomrug (nummer 56 op Figuur 2.1). In het ontgonnen gebied ontstond een agrarische nederzetting. In de elfde en twaalfde eeuw werd het gebied geleidelijk bedijkt en vonden er nieuwe ontginningen plaats vanaf de Hagesteinse stroomrug en de Lekdijk. Als gevolg van de ontginning en bedijking, ontstond nieuw bruikbaar land en schoof de bewoning in noordelijke richting, dichter naar de Lek (Blijdenstijn 2007). Vanaf het derde kwart van de dertiende eeuw ontwikkeld zich een handelsnederzetting. De eerste schriftelijke vermelding van Vianen dateert uit 1271: in een akte wordt door de bisschop van Utrecht aan Sweder van Beusichem, ook bekend als heer van Vianen, het recht gegeven tweemaal per jaar een markt te houden in het gebied aan de Lekt bij zijn burcht Vianen (Dröge 2012). Van dit kasteel, ook Op de Bol genoemd, zijn in 1969 de funderingen opgegraven (Kok 2004, 2526; Renaud 1971).
Dit kasteel stond hemelsbreed circa 250 meter ten zuiden van de historische binnenstad, aan wat nu 't Wed 2 te Vianen is. Vianen vormde al vanaf de late middeleeuwen een vrije heerlijkheid die tot 1725 zijn zelfstandigheid heeft weten te behouden. Begin veertiende eeuw woede er een machtsstrijd tussen de graven van Holland, de bisschop van Utrecht en de hertogen van Gelre. Vianen lag precies in de zone waar de gebieden van deze machten aan elkaar grensden. Daarnaast nam Vianen een strategische positie in binnen de belangrijke handelsroutes van die tijd. In 1373 werd een verbinding gemaakt tussen de Lek en de stad Utrecht, waardoor Vianen langs de handelsroute van Utrecht naar het zuiden kwam te liggen (Blijdenstijn 2007). In 1335 kreeg Vianen dan ook stadsrechten verleend door de aan de graven van Holland gelieerde Willem van Duivenvoorde. Dit ging gepaard met een planmatige aanleg van de stad Vianen, waarvan de uitleg en het stratenplan grotendeels was gebaseerd op de agrarische gebiedsindeling die was ontstaan als gevolg van de ontginningen. Ook werden er grachten gegraven en stadsmuren gebouwd. Kasteel Op de Bol werd rond 1370 in opdracht van Gijsbert van Vianen afgebroken en in de noordwestelijke hoek van de nieuw gebouwde stad, binnen de stadsmuren, verrees een nieuwe kasteel: Batestein (Kok 2004, 25; De Jong et al 2009, 4-5).
In 1414 kwam Vianen in handen van het geslacht Van Brederode. Kasteel Batestein kent door de tijd heen veel verschillende fases en functies. Er kunnen in ieder geval vijf verschillende bouwfasen worden herkend (De Jong et al., 2009). Tijdens de oudste fase (circa 1370 tot 1530) is sprake van een middeleeuwse stadsburcht, gelegen in de noordwestelijke hoek van de rechthoekige stad. Van deze fase zijn geen afbeeldingen bekend. Tijdens de tweede fase (1530 tot1600) is sprake van een omgracht kasteelterrein met een uitbreiding in noordelijke en westelijke richting, aangelegd rond 1530. Deze fase van het kasteel staat afgebeeld op de kaart van Jacob van Deventer uit circa 1560 (Figuur 2.3). Waarschijnlijk is tijdens deze fase ook de singel oostelijk van de locatie van het massagraf aangelegd. Het smalle noord/zuid georiënteerde terrein waarop het opgegraven terrein ligt, staat al afgebeeld op de kaart van Jacob van Deventer.
8
Figuur 2.3
Vianen, Singellaan: Het opgegraven terrein weergegeven op de kaart van Jacob van Deventer, circa 1560. Kasteel Batestein staat linksboven afgebeeld. De opgravingslocatie is rood omlijnd.
Tijdens de derde fase (1600 tot 1670) werden rondom het kasteel tuinen aangelegd in Hollands-Classicistische stijl (Figuur 2.4). Het kasteel maakte in deze fase een bloeitijd door. Na verloop van tijd leiden geldproblemen tot verval van het kasteel. Na een brand in 1669 raakte het kasteel nog verder in verval. Met de dood van Wolfert van Brederode in 1679 sterft het geslacht Van Brederode uit. Het kasteel komt door vererving in handen van de familie Van Dohna en Von der Lippe. Hiermee start de vierde fase (circa 1670 tot 1829), een periode van verder verval. Ook de stad Vianen maakte een armoedige periode door. In 1725 wordt de heerlijkheid, inclusief stad en kasteel, verkocht aan de Staten van Holland en West-Friesland. Hiermee kwam een eind aan de zelfstandigheid van de heerlijkheid Vianen. Door het nieuwe bestuur werd besloten een gedeelte van het kasteel af te laten breken.
9
Figuur 2.4
Vianen, Singellaan: Het opgegraven terrein weergegeven op de kaart van Johan Blaeu, circa 1648. Het opgegraven terrein is rood omlijnd. Kasteel Batestein is linksboven afgebeeld. Zichtbaar is een vereenvoudigde weergave van de Hollands-Classicistische tuin.
Het toezicht op de restanten van het kasteel was in handen van een rentmeester, die verantwoordelijk was voor het verhuren en verpachten van vertrekken, tuinen en boomgaarden. Tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog kreeg Vianen een rol als garnizoensstad. Deze oorlog brak uit als gevolg van het aantreden van Maria Theresia als aartshertog van Oostenrijk. Frankrijk, Pruisen en Spanje verzetten zich hiertegen. Oostenrijk werd bijgestaan door Groot-Brittannië, de Nederlandse Republiek en Rusland. Het strijdtoneel in de Lage Landen lag vooral in de Zuidelijke Nederlanden (tegenwoordig België) en is niet verder noordelijk gekomen dan Noord-Brabant (onder andere de val van Bergen-Op-Zoom in 1747). In Vianen verbleef onder andere een regiment Engelse dragonders (1746), het regiment van generaal-majoor Gideon Salomon Deutz (1710-1784) in 1747 en een regiment Schotse Hooglanders onder bevel van Lord Drumlanrig in 1748. De garnizoenssoldaten brachten vaak 10
hun hele gezinnen mee. Sommigen van hen overleden in Vianen en werden (vaak pro deo) begraven op het kerfhof van de Grote Kerk. In 1747 werd in opdracht van de Raad van State in de lange galerij van het kasteel 's Lands Hospitaal gevestigd (Figuur 2.5), waar tot het einde van de oorlog in oktober 1748 zieke en gewonde soldaten van het Staatse leger die terugkeerden van het front werden verzorgd (Zuurdeeg & Heniger 1996, 9-14). De zieken en gewonden die langer verzorging nodig hadden dan in de rond het front opgestelde veldhospitalen werden onder andere naar Vianen gebracht. 's Lands Hospitaal was niet alleen te Vianen gevestigd, ook in Geertruidenberg en 's Hertogenbosch waren vestigingen van 's Lands Hospitaal gevestigd (Kerkhoff 1976, 124-125). De Raad van State heeft zelfs in 1747 plannen laten ontwerpen om het gehele kasteel Batestein te verbouwen tot hospitaal. Doordat met de Vrede van Aken in oktober 1748 een einde kwam aan de Oostenrijkse Successieoorlog, zijn deze plannen slechts ten dele uitgevoerd. Bekend is dat de ziekenhuisdoden werden begraven in de boomgaard langs de singel: het smalle perceel waarin zich ook het opgegraven terrein bevindt. Hiervoor was speciaal een doodgravershuisje gebouwd (Zuurdeeg & Heniger 1996, 9-14). Het perceel was via een brug gemakkelijk bereikbaar vanaf het kasteelterrein (Figuur 2.4 en 2.5).
In de vroege negentiende eeuw lijkt de brug te zijn vervangen voor een dam (Figuur 2.6). Overigens was Vianen niet het enige 's Lands Hospitaal tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog. Minder goed gedocumenteerd is de aanwezigheid van een militair hospitaal voor Engelse soldaten tijdens de Eerste Coalitieoorlog in kasteel Batestein. Tijdens de Eerste Coalitieoorlog vocht een bondgenootschap van Europese mogendheden (een coalitie bestaande uit onder andere Oostenrijk, Pruisen, Groot-Brittannië, Spanje, Portugal en de Nederlandse Republiek) tegen revolutionair Frankrijk. In december 1794 bevond Vianen zich te midden van het strijdtoneel. Op Nederlandse bodem vochten met name Engelse, Hessische, Hannoverse en Staatse troepen tegen de optrekkende Fransen. De oorlog verliep, ondanks aanvankelijke successen, dramatisch voor de coalitie. Dit mede als gevolg van de verschillende belangen die de betrokken partijen hadden en een gebrekkige onderlinge communicatie. Vanaf halverwege december 1794 bleek de strenge winter fatale gevolgen te hebben. De slechte verblijfsomstandigheden, slechte uitrusting en zwakke moraal bleken in combinatie met de extreme kou desastreuze gevolgen te hebben voor de soldaten van de coalitie, die bij duizenden aan ziektes en ontberingen overleden (Brown 1795 & Hoofdstuk 9).
Daarbij kwam dat de bevroren rivieren de natuurlijke barrières voor de Fransen weghaalden, die over de bevroren rivieren hun opmars konden vervolgen en halverwege januari 1795 alle vijandelijke troepen hadden verdrongen, wat leidde tot het uitroepen van de Bataafse Republiek. Het hospitaal in Vianen was hier gevestigd vanaf eind december 1794 tot vermoedelijk begin januari 1795, in de periode waarin de Engelse troepen als gevolg van uitputting en ontberingen al nagenoeg verslagen waren. De Amsterdamsche Courant van december 1794 maakt hiervan melding. Na een korte tijd te zijn gevestigd op de kaatsbaan (Figuur 2.5) werden de zieken en gewonden verplaatst naar Amersfoort (Uppelschoten 2015, 183).
11
Figuur 2.5
Vianen, Singellaan: Schematische reconstructie van kasteel Batestein omstreeks 1750, gebaseerd op kadastrale minuutplan van 1822 (tekening P.T. Den Hertog; Zuurdeeg & Heniger 1996, 11). In groen de locatie van 's Lands Hospitaal ten tijde van de Oostenrijkse Successieoorlog, in rood de locatie van het veldhospitaal ten tijde van de Eerste Coalitieoorlog, in blauw de locatie van de massagraven.
Vanaf 1829 tot 1980 vindt de laatste fase van kasteel Batestein plaats, een fase die wordt gekenmerkt door industriële ontwikkelingen, waardoor de allure van een kasteelterrein grotendeels verloren ging. In het begin van de negentiende eeuw werd de bebouwing binnen het kasteelterrein grotendeels afgebroken. Op het kadastrale minuutplan uit circa 1822 zijn nog resten te zien (Figuur 2.6). Een groot deel van het kasteelterrein werd in 1830 verkocht aan de gemeente Vianen; waarschijnlijk was er toen al een kleine fabriek voor aardappelsiroop gevestigd op het Hofplein. Er vestigden zich nog meer kleine ondernemingen, gevolgd door een gasfabriek en een waterleidingsbedrijf. De gasfabriek werd in 1954 12
gesloten. De watertoren en een filtergebouw van het waterleidingsbedrijf uit 1909 zijn tegenwoordig nog aanwezig en zijn beschermd als rijksmonument. Het oostelijke en noordelijke gedeelte van de kasteelgracht is na 1822 deels versmald of gedempt. In de negentiende en twintigste eeuw is aan het Hofplein woningbouw tot stand gekomen; deels geassocieerd met de industriële activiteiten op het terrein, zoals de arbeiderswoningen uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Ook het laatste restant van de gracht tussen het kasteelterrein en het perceel tussen de stadsgracht en de singel zal in deze tijd gedempt zijn.
Figuur 2.6
Vianen, Singellaan: Het opgegraven terrein weergegeven op de kadastrale minuutplan,1822. Het opgegraven terrein is rood omlijnd.
13
2.3
Archeologische verwachting In het PvE (Tulp 2019) is een archeologische verwachting opgesteld op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek dat is uitgevoerd in 2013 (Tulp & Dijk 2013) en de ligging van het onderzoeksgebied op het voorterrein van kasteel Batestein. Graafwerkzaamheden op het terrein tussen de stadsgracht en de singel waren destijds nog niet bekend en niet opgenomen in het PvE. De in het PvE opgestelde archeologische verwachting heeft dan ook specifiek betrekking op hier te verwachten archeologische waarden. Omdat de vondst van het massagraf een toevalsvondst betrof, is de opgestelde archeologische verwachting hierop niet van toepassing.
14
3.
Veldonderzoek
3.1
Werkwijze Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd tussen 17 november 2020 en 14 januari 2021, conform het PvE (Tulp 2019), de NvW II en de en KNA 4.1 Protocol 4004: opgraven. De eerste menselijke botten werden ontdekt tijdens het bestuderen van de bodemopbouw in het talud van de nieuw uitgegraven gracht. Omdat menselijk botmateriaal niet werd verwacht tijdens het onderzoek, is direct na de vondst van het eerste skelet vastgesteld of sprake was van een oud of recent graf. Op basis van het feit dat er geen kledingresten (meer) aanwezig waren, er een hoop spijkers lagen maar geen kist meer aanwezig was, kon worden vastgesteld dat geen sprake was van een recente begraving. Het feit dat er aanwijzingen waren van een begraving in een kist maakte duidelijk dat deze persoon met enige aandacht was begraven. De kans op een misdrijf werd hiermee klein geacht.
Figuur 3.1
Vianen, Singellaan: De eerst gevonden menselijke botten in het talud.
De ligging in een schuin talud bestaande uit natte klei, bemoeilijkte aanvankelijk het vrij leggen van resten van het eerste gevonden skelet (Figuur 3.1). Door machinaal een horizontaal vlak rondom het eerste skelet aan te leggen (Figuur 3.2), kwamen nog meer menselijke botresten aan het licht waardoor duidelijk werd dat sprake was van een massagraf. Hierna is door met een graafmachine in zeer dunne lagen te verdiepen de begrenzing van het massagraf opgezocht. Hierbij bleek dat sprake was van drie verschillende massagraven (Figuur 4.5): het meest noordelijke (spoor 75/massagraf B) was grotendeels verstoord (zie Hoofdstuk 4.2). De middelste (spoor 72/massagraf A) lag in het talud van de nieuwe gracht en werd 15
hierdoor bedreigd. Het meest zuidelijke (spoor 76/massagraf C) lag in een zone die niet verstoord werd. Omdat dit zuidelijke massagraf niet werd bedreigd, is besloten dit in situ te behouden. Dit houdt in dat dit massagraf niet is onderzocht. De delen van dit graf die tevoorschijn waren gekomen door het verdiepen zijn afgedekt. De omvang van het middelste massagraf (spoor 72) bedroeg circa 11 bij 2,5 meter. Van het noordelijke massagraf (spoor 75) was slechts een oppervlak van 1,4 bij 0,5 meter bewaard gebleven. Omdat het zuidelijke massagraf niet werd bedreigd, zijn de graafwerkzaamheden na ontdekking van dit graf gestaakt. Hierdoor is niet de volledige begrenzing vastgesteld. De op Figuur 4.5 weergegeven begrenzing is gebaseerd op de verspreiding van botmateriaal zoals die tijdens het machinaal verdiepen is waargenomen.
Figuur 3.2
Vianen, Singellaan: Een werkbaar vlak aanleggen in het schuine talud.
Nadat de begrenzingen waren vastgesteld, is daar waar geen botten meer aanwezig waren machinaal verdiept zodat rondom de twee op te graven massagraven een werkgang ontstond. Het middelste massagraf (spoor 72) kwam op deze wijze op een verhoogd plateau te liggen. Van hieruit konden de verschillende begravingen vlaksgewijs worden vrij gelegd en kon tegelijkertijd de verticale opbouw worden vastgelegd. Door de gemeente Vijfheerenlanden werden tenten beschikbaar gesteld die over het massagraf zijn opgezet zodat het werk niet werd gehinderd door regen (Figuur 3.3). Het vrij leggen van de skeletten is handmatig uitgevoerd. Elk skelet is door middel van fijn gereedschap vrij gelegd. Hierbij is gebruik gemaakt van houten gereedschap, omdat 16
hiermee het bot zo weinig mogelijk kon worden beschadigd. Aangezien de skeletten opgestapeld lagen, is per rij skeletten een vlak aangelegd. Als gevolg van postdepositionele processen waren de skeletten verzakt. Het verschil in diepte tussen de aangelegde vlakken was hierdoor erg beperkt. Het hoogteverschil per vlak kon sterk variëren: omdat bij het aanleggen van de vlakken de ligging van de skeletten is gevolgd zijn geen rechte horizontale vlakken aangelegd. Na documentatie van het vlak, konden de vrijgelegde skeletten worden gelicht, en kon de onderliggende rij vrij worden gelegd. Hierdoor zijn minimaal twee en maximaal vier vlakken aangelegd. Elk vlak is gedocumenteerd door middel van fotogrammetrie, aan de hand waarvan zowel een 2D als 3D beeld van de vlakken kon worden verkregen. Alle skeletten waren in houten kisten begraven. Deze kisten waren vergaan, maar de (duizenden) spijkers waren nog aanwezig. Omdat door het vergaan van de kisten deze zijn ingestort, is het gehele massagraf verzakt. Hierdoor waren de spijkers overal terecht gekomen. Driedimensionaal inmeten van de buitengewoon grote hoeveelheid spijkers, die bovendien niet meer in de oorspronkelijke context lagen, was onbegonnen werk en zou bovendien niet bijdragen tot kennisvermeerdering. Vanwege de aanwezigheid van zoveel spijkers was metaaldetectie niet zinvol.
Maar omdat het gehele massagraf handmatig, met fijne gereedschappen is vrijgelegd, konden metaalvondsten anders dan spijkers alsnog veilig worden geborgen en gerelateerd worden aan het skelet waarbij het werd gevonden. Dit geldt ook voor de benen knopen die zijn gevonden. Het textiel waaraan de knopen bevestigd waren, was vergaan. Van elk skelet zijn individuele foto's gemaakt en drie hoogtemetingen uitgevoerd (hoofd, bekken en voeten). Elk skelet is in het veld individueel beschreven door een fysisch antropoloog en daarna in vijf delen verzameld (hoofd, linker borstkas en linker arm, rechter borstkas en rechter arm, linker been, rechter been en wervels/heiligbeen). Vondsten anders dan menselijk bot waarvan duidelijk het verband met de begraven individuen zichtbaar was (benen knopen en enkele metaalvondsten), zijn driedimensionaal ingemeten. Vondsten anders dan menselijk bot waarvan duidelijk was dat deze niet met het massagraf verband hielden (onder andere aardewerkscherven naar beneden gezakt als gevolg van het instorten van de kisten) zijn per twee meter lengte en de breedte verzameld.
Figuur 3.3
Vianen, Singellaan: Tenten om droog te kunnen werken.
17
4.
Resultaten van het onderzoek
4.1
Bodemopbouw De bodem rondom Vianen (en in het gehele rivierengebied) is gevormd als gevolg van zand en klei dat werd afgezet door overstromende rivieren. Door de tijd heen verplaatsten deze rivieren zich langzaam door het landschap, waardoor een landschap is ontstaan van elkaar oversnijdende stroomgordels (zie ook Hoofdstuk 2.1).
Figuur 4.1
Vianen, Singellaan: De bodemopbouw in het talud van de net uitgegraven gracht. 1= humeuze toplaag; 2= verstoring; 3= ophogingspakket (late middeleeuwen), diagonale gelaagdheid aangegeven in blauw; 4= natuurlijke kleilaag; 5= gelaagd pakket kleiig veen/humeuze klei.
In en rond het onderzochte terrein zijn vanaf een diepte van circa 2 meter beneden het maaiveld (circa 0,6 tot 0,7 meter boven NAP) afwisselend lagen kleiig veen en humeuze zware klei aanwezig, die tot zeker twee meter onder maaiveld doorgaan (Figuur 4.1, nummer 5). Deze lagen zijn gevormd in een periode waarin het gebied relatief verder van stromend water lag. Water vanuit overstromende rivieren stroomde hier langzamer waardoor de fijne kleideeltjes hier konden afzetten. Op lager gelegen delen bleef water staan. Organische resten van afgestorven planten raakten door de natte omstandigheden afgesloten van zuurstof waardoor deze niet vergingen. Hierdoor kon een veenlaag ontstaan. Op de humeuze klei en veenlagen ligt een circa 20 tot 30 centimeter dik pakket ijzerhoudend lichte klei (Figuur 4.1, nummer 4). Toen dit pakket werd afgezet lag het gebied vermoedelijk dichter bij stromend water. Tijdens overstromingen stroomde het water hier sneller, waardoor de zwaardere deeltjes hier konden afzakken. Het gevolg hiervan is een laag met een minder dichte structuur. Onder droge omstandigheden kan zuurstof in de bodem 18
doordringen, waardoor de van nature in de bodem voorkomende ijzerhoudende deeltjes oxideren. Hierdoor heeft de laag een roestbruine kleur gekregen. Het opgegraven terrein ligt op de grens van de nog steeds actieve stroomgordel van de Lek (Figuur 2.5). Het is dan ook waarschijnlijk dat het pakket ijzerhoudende klei is afgezet als gevolg van overstromingen van de Lek. Deze stroomgordel is ruim 2000 jaar actief. De vorming van het kleipakket kan dan ook gedateerd worden vanaf circa het begin van de jaartelling tot de late middeleeuwen. Boven dit pakket klei ligt een pakket opgebrachte grond met een dikte van circa één meter (Figuur 4.1, nummer 3). Het pakket bestaat uit meerdere diagonale lagen: deels bestaat het uit soortgelijke roodbruine lichte klei als het natuurlijke pakket eronder, maar het wordt regelmatig doorsneden door diagonaal liggende humeuze lagen die in westelijke richting aflopen (Figuur 4.1, blauwe lijnen). In het pakket zijn meerdere verweerde scherven gevonden die gedateerd kunnen worden tussen de tweede helft van de dertiende eeuw en de vijftiende eeuw. De aanwezigheid van deze ophogingslaag verklaard de hogere ligging van het perceel ten opzichte van het perceel ten westen van de singel (Figuur 2.2). De aanwezigheid van aardewerk uitsluitend uit de late middeleeuwen doet vermoeden dat de grond is opgebracht in de periode dat de stad Vianen werd aangelegd.
De diagonale ligging van de lagen duidt erop dat de grond vanuit de kant van de stadsgracht in één keer is opgebracht. Mogelijk is tijdens het uitgraven van de stadsgracht grond met kruiwagens uitgereden over het terrein, waarbij eerst de strook langs de stadsgracht is opgehoogd, en vandaar uit in westelijke richting is toegewerkt. De opgebrachte laag wordt afgedekt door een sterk humeus pakket zware klei, dat het maaiveld vormt (Figuur 4.1, nummer 1). De dikte van dit pakket is circa 30 tot 35 centimeter. Dhr. Kooijman (gepensioneerd tuinder, woonachtig op het Blauwpoort-terrein) wist te vertellen dat hij zich kon herinneren dat in zijn jeugd de stadsgracht werd uitgebaggerd, en dat de bagger daarna over het perceel werd uitgereden. De mogelijkheid dat deze laag als gevolg van baggerwerkzaamheden is ontstaan, of in ieder geval is aangevuld met sterk organisch slibmateriaal, is goed mogelijk. De dikte van de laag doet vermoeden dat dit proces zich meerdere malen zal hebben herhaald. Deze laag zal zijn gevormd over een langere tijd. De massagraven waren ingegraven in de laatmiddeleeuwse ophogingslaag (Figuren 4.2 en 4.3). Op Figuur 4.2 is zichtbaar hoe de schedel van het eerst gevonden skelet zich bevond op de overgang van de humeuze toplaag (nummer 1) naar het opgebrachte pakket (nummer 2).
De bodem rondom de opgegraven massagraven bestond dan ook uitsluitend uit opgebrachte lagen. Op Figuur 4.3 is een noord/zuid doorsnede door deze ophogingslagen zichtbaar, waar de diagonale humeuze lagen (Figuur 4.1) zichtbaar zijn als horizontale lagen (Figuur 4.3, nummers 2, 4 en 6). Onder massagraf A was in het opgebrachte pakket een deel van een diagonale humeuze laag zichtbaar dat bestond uit afgestoken plaggen (Figuur 4.4). De ongeordende wijze waarop deze plaggen in het profiel zichtbaar waren, vormt een extra aanwijzing dat het opgebrachte pakket in één keer vanuit de stadskant is opgebracht, waarbij de plaggen niet bedoeld waren om een constructie of keerwand te vormen.
19
Figuur 4.2
Vianen, Singellaan: De bodemopbouw ter plekke van massagraf A. 1= humeuze toplaag; 2= ophogingspakket (late middeleeuwen), diagonale gelaagdheid aangegeven in blauw; 3= natuurlijke kleilaag;
20
Figuur 4.3
Vianen, Singellaan: De bodemopbouw in het ophogingspakket direct westelijk van massagraf A. 1= humeuze toplaag; 2 tot en met 7 gelaagdheid in het ophogingspakket, humeuze en minder humeuze lagen wisselen elkaar af.
Figuur 4.4
Vianen, Singellaan: Gestorte plaggen in het ophogingspakket onder massagraf A.
21
4.2
Sporen en structuren De gevonden sporen bestaan uit drie oost/west georiënteerde massagraven (A tot en met C): van noord naar zuid de sporen 75 (massagraf B), 72 (massagraf A) en 76 (massagraf C) (Figuur 4.5). Deze sporen zijn gevonden in een ophogingspakket (spoor 74). Omdat spoor 76 niet werd bedreigd is dit niet opgegraven (Figuur 4.13). De omvang van spoor 76 is bij benadering vastgesteld omdat dit niet geheel is vrijgelegd (zie Hoofdstuk 3.1). De sporenlijst staat weergegeven in Appendix III, de vondstenlijst in Appendix IV. Binnen Massagraf A kon een onderscheid worden gemaakt tussen meerdere aan elkaar grenzende grafkuilen. Hierop wordt hieronder en in Hoofdstuk 5.4. verder ingegaan.
Figuur 4.5
Vianen, Singellaan: De ligging van de drie massagraven en de binnen massagraf A geïdentificeerde individuele grafkuilen. Massagraf B is ook als individuele grafkuil behandeld.
Massagraf A Verreweg de meeste tijd is besteed aan de documentatie van massagraf A. Hierdoor is goed inzicht gekregen in de opbouw ervan. Het eerste skelet dat werd gevonden (individu 1) was het meest westelijke van de bovenste rij begravingen van massagraf A. Dit massagraf bleek uiteindelijk 79 individuen te bevatten (Figuur 4.6). In het veld kon al worden vastgesteld dat het alleen ging om jonge mannen. De jonge leeftijd en de afwezigheid van vrouwen maakte 22
het aannemelijk dat sprake was van soldaten. Behalve benen knopen en één metalen knoop (zie Hoofdstuk 8) zijn er geen vondsten gedaan die aan de skeletten waren gerelateerd. De knopen maakten duidelijk dat de skeletten in een doodshemd/-kleed, of ondergoed waren begraven. Lange tijd bestond onduidelijkheid over de datering, totdat enkele gebitten sporen van pijproken bleken te vertonen. Pijproken komt voor vanaf de zeventiende eeuw, maar dan alleen nog als luxeproduct voor de elite. Pas rond 1700 werd pijproken een algemene gewoonte voor alle lagen van de samenleving. Omdat duidelijk was dat het ging om soldaten van arme komaf (zie Hoofdstuk 5) werd duidelijk dat de massagraven gedateerd moesten worden vanaf de achttiende eeuw. Aanvankelijk was de totale omvang van de vondst nog niet duidelijk, dat zou pas in de loop van de tweede week van het onderzoek duidelijk worden. De werkzaamheden werden in eerste instantie bemoeilijkt door de ligging in een talud (Figuur 3.1). Pas nadat de begrenzing van massagraf A was vastgesteld, werd duidelijk dat zowel ten noorden als ten zuiden ervan ook graven lagen (massagraven B en C). De omvang van massagraf A bedroeg circa 11 bij 2,5 meter. De skeletten waren begraven in één tot vier op elkaar gelegen lagen. De bovenste laag skeletten van massagraf A lagen op de overgang van de humeuze toplaag naar het laatmiddeleeuwse ophogingspakket.
Van het hoogst gelegen skelet (individu 36) lag de schedel op 2,4 meter boven NAP. De maaiveldhoogte bedroeg hier circa 2,7 meter boven NAP. De minimale diepte van de skeletten bedroeg dan ook slechts circa 0,3 meter beneden maaiveld. Het diepste deel van het massagraf bevond zich in de westelijke zijde op een diepte van circa 1,3 meter beneden maaiveld (1,36 boven NAP). Het minst diep lag de onderkant in de oostelijke zijde: circa 0,4 tot 0,5 meter onder het maaiveld (circa 2 meter boven NAP) (Figuur 4.7).
23
Figuur 4.6
Vianen, Singellaan: Massagraf A, vlak 1. 24
Figuur 4.7
Vianen, Singellaan: De hoogtes van de onderkant van massagraf A en het omliggende maaiveld ten opzichte van NAP.
Massagraf A lag op een perceelgrens (Figuur 3.2). Alhoewel de hekpalen voor enkele verstoringen hebben gezorgd, heeft de ligging op de grens van twee percelen het massagraf A voor andere verstoringen beschermd. De eigenaar van het zuidelijke perceel (dhr. Baars uit Vianen) wist te vertellen dat het perceel veelvuldig is geploegd ten behoeve van groenteteelt. Vanwege de geringe diepte en de mate waarin de toplaag was verploegd, kon in het vlak geen kleurverschil worden waargenomen op de plekken van de massagraven. De massagraven waren gevuld met kisten, die na verloop van tijd zijn vergaan. De kuil is daarna opgevuld geraakt met rondom liggende grond. Dit zal mee hebben bepaald waarom op een hoger niveau geen ingraving zichtbaar was. Alleen ter plekke van de onderste laag skeletten was een donkergrijze humeuze laag aanwezig, vermoedelijk gevormd als gevolg van vergaan organisch materiaal (kisten en lichamen). Tijdens het onderzoek bleek dat het massagraf was opgedeeld in zes individuele, aan elkaar grenzende grafkuilen (Figuur 4.5). Over de grafkuilen en de aantallen begravingen per grafkuil wordt ook dieper ingegaan in Hoofdstuk 5. Nadat het eerste vlak was vrij gelegd, viel op dat niet overal even veel lagen skeletten begraven waren en dat er onderling hoogteverschillen aanwezig waren.
Daarnaast viel op dat ondanks dat het merendeel noord/zuid en zuid/noord waren begraven, er langs de randen enkele individuen in een oost/west of west/oost oriëntatie waren begraven. Met name vanaf het tweede vlak vielen kleine verschillen op, zoals de oriëntatie van de begravingen en de aanwezigheid van iets grotere afstanden tussen onderlinge skeletten. Op basis hiervan konden de verschillende grafkuilen worden geïdentificeerd. De wijze waarop de grafkuilen aan elkaar grensden en het feit dat deze elkaar niet oversneden duidt erop dat de kuilen in korte tijd na elkaar zijn
25
gegraven, waarbij men op de hoogte was van het feit dat er al een (gevulde) grafkuil lag. Er is bewust een aangrenzende kuil uitgegraven. Het kan niet worden uitgesloten dat toen de kuilen werden gegraven, de al gevulde kuil nog open lag. Grafkuil 1 was een rechthoekige kuil van circa 5,5 bij 2 meter. De kuil was gevuld met vier lagen noord/zuid opgestapelde kisten, waarbij hoofd en voeteneinden elkaar vaak (maar niet altijd) kruizen. De oostelijke kant van de kuil was getrapt aangelegd, hier lagen voor een deel drie lagen kisten en geheel westelijk slechts één laag (Figuur 4.9). Mogelijk is de kuil zo aangelegd omdat op deze manier de kisten gemakkelijker in de kuil konden worden geplaatst. Grafkuil 1 grensde aan grafkuil 4, die bestond uit twee opgestapelde kisten die oost/west waren opgestapeld. Grafkuil 4 is of eerder of gelijktijdig aangelegd met grafkuil 1. De onderste drie lagen kisten in grafkuil 1 waren ogenschijnlijk tamelijk ordelijk één op één op elkaar geplaatst, getuige de ligging van de skeletten (Figuur 4.8 en 4.9). Dit resulteerde in tien rijen bestaande uit respectievelijk zes keer drie lagen en vier keer twee lagen kisten (Figuur 4.8). In het westelijk deel zijn de kisten hier tegen die van grafkuil 4 geplaatst.
Opvallend is dat de bovenste laag enkele decimeters zuidelijker is geplaatst, waardoor deze laag aanvankelijk deels over de kisten van grafkuil 4 zijn geplaatst. Deze waren toen dus nog zichtbaar. Bij deze bovenste laag is ook minder ordelijk één op één opgestapeld. Bovendien bestond de bovenste laag uit 16 naast elkaar geplaatste kisten, waarbij de oostelijke drie een enkele laag vormden en daarmee de bovenste 'trede' van de kuil opvulden (Figuur 4.9). Grafkuil 1 is aanvankelijk volgens een ordelijk systeem opgevuld, maar uiteindelijk zal de noodzaak zijn ontstaan om toch zoveel mogelijk kisten in de kuil te krijgen en de ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Dit getuigt van veel doden in een korte tijd, maar mogelijk ook van enige haast. De oostelijke drie individuen in de bovenste laag (34, 35 en 36, Figuur 4.9) lagen het hoogst. Omdat deze oostelijke drie skeletten niet naar onderen konden zakken door het ontbreken van onderliggende, inzakkende kisten, zal de postdepositionele verzakking hier minimaal zijn geweest. Hiermee vormen ze een goede indicatie voor de hoogte die het massagraf oorspronkelijk zal hebben gehad: circa 2,4 meter boven NAP. Afgezet tegen het diepste punt van grafkuil 1 (1,36 meter boven NAP) betekent dit dat grafkuil 1 daar waar vier lagen kisten waren opgestapeld, een dikte zal hebben gehad van iets meer dan een meter.
De gemiddelde hoogte van de kisten zal dan ook tussen de 25 en 30 centimeter hebben bedragen. De meest gehanteerde lengtemaat van de achttiende eeuw in de Lage Landen was de duim (vergelijkbaar met de Engelse inch). De lengte van een duim kon lokaal variëren, maar liep uiteen van circa 2,4 tot 2, 7 centimeter (wetenschap.infonu.nl). Omgezet kan worden verondersteld dat kisten een hoogte hebben gehad van 10 duim.
26
Figuur 4.8
Vianen, Singellaan: De vlakken 2 (boven) tot en met 4 (onder) van grafkuil1.
27
Figuur 4.9
Vianen, Singellaan: Schematische weergave van de opbouw van grafkuil 1 met de ligging van de individuen (genummerd). Zichtbaar is dat de kuil ordelijk is opgevuld met kisten, en dat de bovenste rij hiervan afwijkt. Ook is de getrapte aanleg van de kuil aan de oostelijke zijde zichtbaar.
Uiteindelijk bleek de kuil niet groot genoeg en werd het massagraf uitgebreid met grafkuil 3 van circa drie bij twee meter, dat aan de westzijde grensde aan grafkuil 1. Dat de kuilen letterlijk aan elkaar grensden, bleek doordat individu 36 (het meest oostelijk begraven individu van grafkuil 1) door postdepositionele processen zijwaarts in grafkuil 3 was gegleden (Figuur 4.10). Dat grafkuil 3 later is aangelegd dan grafkuil 1 blijkt uit het feit dat de kuil direct grenst aan het oostelijke deel waar slechts één laag begravingen lag. Als grafkuil 3 ouder was, dan zou deze waarschijnlijk grenzen aan het deel waar meerdere lagen op elkaar lagen begraven. In grafkuil 3 zijn zeven rijen kisten, drie lagen dik noord/zuid op elkaar geplaatst op een tamelijk ordelijke wijze, waarbij hoofd- en voeteneinden meestal wisselden (Figuur 4.6 en 4.11). Aan grafkuil 3 grensde grafkuil 7, waarvan de oriëntatie iets afweek ten opzichte van grafkuil 3 (Figuur 4.5). De afmetingen bedroegen circa twee bij 1,9 meter. Deze kuil grensde aan grafkuil 3. In grafkuil 7 zijn vier rijen met twee lagen kisten geplaatst in een noord/zuid oriëntatie. Ook hier wisselden hoofd- en voeteneinden, en was sprake van een ordelijke opstapeling (Figuur 4.6 en 4.11). Grafkuilen 5 en 6 bevatten respectievelijk drie en één begraving met een oost/west oriëntatie.
Deze kuilen grensden direct aan de noordzijde van de grafkuilen 3 en 7. Hoe deze grafkuilen passen binnen de totstandkoming van het massagraf is niet duidelijk. Mogelijk moeten ze gezien worden als uitbreiding van de grafkuilen 3 en 7.
28
Figuur 4.10
Vianen, Singellaan: Individu 36, de meest oostelijk begraven persoon van grafkuil 1 is postdepositioneel zijwaarts in grafkuil 3 gegleden.
Omdat alle kisten waren vergaan, waren de skeletten op elkaar, en soms ook door elkaar gezakt. Het feit de verschillende lagen dicht op elkaar lagen maakt duidelijk dat de kisten direct op elkaar zijn geplaatst en dat deze niet eerst werden afgedekt door een laag grond, zoals wel het geval was bij een massagraf uit 1794/1795 dat is gevonden te 's-Hertogenbosch (Genabeek et al. 2015). Hier werden lagen lichamen afgedekt met een dunne laag grond, vermoedelijk om hygiënische redenen. Het massagraf in 's-Hertogenbosch kende dan ook meerdere fasen en is een langere tijd in gebruik geweest. Alles bij elkaar lijkt het erop dat massagraf A in een korte tijd is aangelegd en gevuld. De grote hoeveelheid lichamen, in combinatie met de efficiëntie waarmee deze begraven zijn, in een relatief ondiep graf (slechts 30 centimeter beneden maaiveld) vormen aanwijzingen voor het feit dat de lichamen met enige haast, in een korte tijd zijn begraven. Er waren veel doden in een korte tijd. Toch is wel de moeite genomen de lichamen te begraven in een kist. Het zo goed als ontbreken van resten van kleding (uniformknopen, gespen enz.) duidt er op dat de lichamen zijn uitgekleed. De uniformen werden waarschijnlijk hergebruikt. De vondst van benen knopen (zie Hoofdstuk 8) duidt erop dat de lichamen zijn gewikkeld in een doodshemd, of doodskleed, maar kan ook duiden op het begraven in ondergoed.