19. (RVE) Bijlage: Concept handelingskader jan 2022.pdf
Tekst van het document
Hoewel we op dit moment vooral inzetten op instrumentarium binnen de landbouw en de uitvoering van het Programma Natuur, moeten alle sectoren een bijdrage leveren. Flankerend lopen bijvoorbeeld het Regionaal Mobiliteitsplan, waarin de klimaatopgave wordt door vertaald voor mobiliteit, en de lobby met provincie Gelderland voor een schonere binnenvaart.
16
e. Kader: Gebiedsprocessen zijn altijd maatwerk. Per gebied kijken we naar de behoefte van onze gebiedspartners en welke rol de provincie inneemt. Handelingsperspectief: De provincie is onder andere eindverantwoordelijk voor vergunningverlening en het provinciale gebiedsplan (inclusief de onderliggende gebiedsagenda’s). Dat vraagt een vorm van regie op de gebiedsgerichte aanpak als geheel door de provincie. Samen met het gebied kijken we welke ruimte er binnen het gebied gecreëerd kan worden, welke aanpak hierbij efficiënt is en hoe we dit gezamenlijk organiseren. De rol van de provincie is afhankelijk van de behoefte in het gebied en kan dus per gebied verschillen. f.
Kader: We verlenen vergunningen die langdurig houdbaar zijn en zekerheid bieden voor de toekomst. Handelingsperspectief: Ontwikkelingen in de wet- en regelgeving en in het bijzonder de jurisprudentie maken het lastig zekerheden te bieden bij vergunningverlening. We streven naar een zo groot mogelijke zekerheid dat vergunningen overeind blijven en doen er in de voorbereiding alles aan om dit te bewerkstelligen. We volgen hierbij de door het Rijk nog te ontwikkelen kaders en eisen uit het coalitieakkoord. Voor de onderbouwing van de vergunningverlening zijn de natuurdoelanalyses van de Natura2000-gebieden van groot belang. De garantie dat een vergunning niet aangevochten zal worden en\of overeind zal blijven kunnen wij echter nooit geven. Voor de PAS melders en de meldingsvrije activiteiten wordt door het Rijk, in samenspraak met de provincies, een programma uitgewerkt om het proces van legalisatie te doorlopen. Voor de reguliere vergunningverlening is van groot belang dat de instandhoudingsdoelen worden behaald om te kunnen komen tot meer robuuste vergunningverlening. Voor de ‘opzichzelfstaande vergunningssituaties’ is het van belang de omvang van het probleem zo compleet mogelijk in kaart te brengen. Hiervoor zijn wij zelf als eerste aan zet. Het is van belang bij deze dossiers vaart te zetten achter de nadere uitwerking van een oplossing.
Voor interimmers geldt dat de minister in de kamerbrief van 27 juni 20196 heeft aangegeven dat zij alsnog vergunning aan moeten vragen. In haar kamerbrief van 16 juli 20217 heeft de minister aangegeven met ons als provincie samen te willen kijken naar de omvang en naar welke mogelijkheden er zijn om alsnog over te gaan tot vergunningverlening. De minister heeft in de kamerbrief van 24 september 20218 aangegeven dat zij in gesprek wil om samen met de sector de omvang van dit probleem in beeld te brengen. Het legalisatietraject voor interimmers moet nog worden opgestart. Het indienen van een aanvraag is de eigen verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers.
6 Kamerstuk 32 670, nr. 163 van 27 juni 2019 7 Kamerbrief over voortgang aanpak stikstofproblematiek, 16 juli 2021, DGS / 21160530 8 Beantwoording Kamervragen over het schriftelijk overleg AERIUS-calculator en wijziging stikstofregistratiesysteem, 24 september 2021,
DGS / 21160530
17
4 Vervolgaanpak en mijlpalen 4.1 Gebiedsprocessen Gebiedsagenda Met het Startdocument als vertrekpunt starten we de volgende fase van het gebiedsproces. Dat leidt uiteindelijk tot een Gebiedsagenda, waarin de opgaven, oplossingsrichtingen en maatregelen verder worden uitgewerkt en samenwerkingsafspraken (rollen en verantwoordelijkheden, governance, kostenraming en -dekking) worden opgenomen. Daarmee sluiten inhoud en opbouw van de Gebiedsagenda zoveel mogelijk aan op het Gebiedsplan. De provincie neemt de regie in de totstandkoming van de gebiedsagenda’s. Hoe die regierol wordt ingevuld zal per gebiedsproces en met de gebiedspartijen worden ingevuld. De gebiedsagenda’s komen in grote lijnen langs de volgende stappen in gezamenlijkheid met de gebiedspartijen tot stand: - We doen aan gezamenlijke fact-finding om beschikbare en ontbrekende kennis te vergaren - We stellen gezamenlijk onderzoeksopgaven op en voeren keukentafelgesprekken - We stellen gezamenlijk scenario’s op met oplossingsrichtingen - We beschrijven de benodigde maatregelen op het gebied van de primaire opgaven en bepalen de sociaal economische effecten - We beschrijven de vervolgstappen, brengen de financiën in zicht en maken samenwerkingsafspraken. Hierbij hanteren we de volgende principes:
We doen het samen Het gebied staat centraal We creëren meerwaarde We organiseren een grote betrokkenheid en inbreng van de direct betrokkenen en belanghebbenden. Waar mogelijk en zinvol sluiten we aan bij bestaande organisatiestructuren We bouwen voldoende momenten van reflectie en kennisuitwisseling in om lering te trekken en bij te sturen waar nodig.
De gebiedsprocessen om te komen tot een gebiedsagenda, provinciaal gebiedsplan en de uitvoering van concrete maatregelen kennen een aanzienlijke doorlooptijd. Tijdens de verbouwing is de winkel open: lopende projecten gaan gewoon door, en waar kansen zich voordoen worden die zo veel als mogelijk pro-actief opgepakt. Het instrumentarium moet daarbij gaan helpen. We dagen gebiedspartijen zo veel mogelijk uit om zelf met ideeën en oplossingen te komen, bijvoorbeeld door thematische of gebiedsgerichte pilots uit te voeren of broedkamers te starten. De Gebiedsagenda’s vormen belangrijke input voor het provinciale Gebiedsplan wat in het kader van het Programma stikstofreductie en natuurherstel wordt opgesteld. Gebiedsagenda’s en Gebiedsplan zullen naar verwachting op zeker moment in belangrijke mate parallel gaan lopen. Vaststelling van de Gebiedsagenda’s gebeurt door GS, na consultatie van de gebiedspartijen via de gebiedstafels. Daar waar we uitdrukking willen geven aan een breder onderliggend draagvlak, danwel bekrachtiging van visie, maatregelen en gemaakte afspraken aan de orde is kan vaststelling bij de besluitvormende organen van de andere gebiedspartijen aan de orde zijn. Gereed: Q1 2023.
18
Gebiedsplan In het kader van het Programma stikstofreductie en natuurherstel wordt per provincie een Gebiedsplan opgesteld. Dit Gebiedsplan beschrijft de maatregelen die in of ten behoeve van de Natura2000-gebieden worden getroffen. De maatregelen worden doorgerekend zodat duidelijk wordt welk effect zij hebben op de stikstofreductie, en daarmee op het behalen van de omgevingswaarden uit de Wet stikstofreductie en natuurherstel. Naar verwachting zal het gebiedsplan een meer integraal karakter krijgen. Dit is afhankelijk van de kabinetsformatie. De provincie zorgt ervoor dat de maatregelen uit het Gebiedsplan een doorvertaling krijgen in de provinciale gebiedsgerichte uitwerking en in kaders. Dit kan o.a. leiden tot het (tussentijds) opnemen van deze natuurherstelmaatregelen in beheerplannen en aanvullende bronmaatregelen. Besluitvorming over het gebiedsplan is aan GS, na consultatie van de gebiedspartijen via de gebiedstafels. Gereed: 1 juli 2023 Uitvoeringsprogramma Natuur In het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen ligt er een directe koppeling met maatregelen uit het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht en het Natuurpact.
De aanvraag voor financiële middelen voor de tweede fase van het Programma Natuur bij het Rijk vraagt om een gebiedsgerichte benadering. Reden waarom deze inventarisatie samen wordt opgepakt met de gebiedsprocessen in het kader van de gebiedsgerichte aanpak. De maatregelen uit de Gebiedsagenda’s vormen mede de onderbouwing van de aanvraag voor de tweede fase. Gereed: juli 2023
4.2 Instrumentenkoffer De instrumenten zijn op verschillende momenten klaar en zullen dus op verschillende momenten ingezet worden. Sommigen moeten vanaf nul ontwikkeld worden (zoals een bedrijfsverplaatsingsregeling), anderen bestaan al en moeten vindbaar worden in één loket. Er is daarnaast verschillende expertise nodig, we willen onze stakeholders goed betrekken en we proberen integraal andere opgaven mee te koppelen in het instrumentarium. Het kost tijd om dit zorgvuldig te doen, nog los van op dit moment nog te ontwikkelen instrumentarium vanuit het Rijk.
19
Bijlagen Bijlage 1 – Aanpak vanuit een integraal perspectief 1.1 Waar staan we voor Via de gebiedsgerichte aanpak streven we naar het herstel van de natuur in de N2000-gebieden en om economische en maatschappelijke ontwikkelingen mogelijk te (blijven) maken. De provincie heeft de inspanningsverplichting om samen met de gebiedspartijen te kijken wat er binnen de gebiedsprocessen hieraan kan worden bijgedragen. In deze bijlage wordt nader ingegaan op deze integrale aanpak. Hierbij zijn de drie eerder genoemde doelstellingen de basis: Het robuuster maken en verbeteren van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden om de verbeterde staat van instandhouding ervan te bereiken/behouden. De provincie Utrecht is verantwoordelijk voor het bereiken en behouden van de instandhoudingsdoelstellingen uit de Vogel -en Habitatrichtlijn voor de N2000-gebieden in haar provincie. Door het effect van stikstof op ontwikkeling van de natuur komt het behalen van dit doel voor de stikstofgevoelige gebieden in het geding. Via het uitvoeren van natuurmaatregelen streven we naar versterkte en meer robuuste natuur in de N2000-gebieden. Deze maatregelen richten zich ook op andere drukfactoren als waterkwantiteit, waterkwaliteit, noodzaak van verbindingen tussen leefgebieden of bestrijden van exoten. Deze doelstelling vindt zijn uitwerking in de opgave natuur.
Een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw en andere maatschappelijke en economische activiteiten De provincie Utrecht streeft naar een prettige werk- en leefomgeving, waarbinnen ontwikkeling mogelijk is. Door de huidige stikstofproblematiek zit de vergunningverlening die deze ontwikkeling mogelijk maakt grotendeels op slot. Door met de verschillende sectoren gezamenlijk te onderzoeken welke opgaven er in het gebied liggen, welke bijdrage ze kunnen leveren in de aanpak van deze opgaven en waar deze schuurt met de behoefte streven we naar het creëren van de benodigde ontwikkelruimte voor dit toekomstperspectief. Deze doelstelling vindt zijn uitwerking in de opgave omgevingsperspectief. Een vermindering van de lokale stikstofdepositie t.b.v. doelstellingen 1 en 2. Om de natuur te versterken en een duurzaam toekomstperspectief te kunnen bieden is vermindering van de lokale stikstofdepositie nodig. Via de gebiedsprocessen wordt geïnventariseerd op welke manier het gebied een bijdrage kan leveren, wat de impact is en op welke manier dit in praktijk wordt gebracht. Deze doelstelling vindt zijn uitwerking in de opgave stikstof.
1.2 Benadering vanuit opgaven Er zijn meerdere opgaven die bij de gebiedsgerichte aanpak samen komen. In deze paragraaf worden deze benoemd.
1.2.1 Natuur De opgave Natuur gaat uit van het versterken en meer robuust maken van de natuur. Dit met het doel de gunstige staat van instandhouding (figuur 2) te bereiken én behouden. Hiermee geven we invulling aan de Europese verplichtingen die aan de Natura2000-gebieden toegekend zijn.
A
Gunstige staat van instandhouding – Wet natuurbescherming (art 1.1. definitie) gunstige staat van instandhouding van een natuurlijke habitat: staat van instandhouding van een natuurlijke habitat waarvoor geldt dat: het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen; de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is; gunstige staat van instandhouding van een soort: staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat: uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden; habitat van een soort: door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft; Figuur 2: Wet natuurbescherming (art 1.1 definities) - bron:
wetten.nl - regeling - Wet natuurbescherming - BWBR0037552
Kwaliteitseisen De gunstige staat van instandhouding verschilt per habitattype en per habitat- en vogelrichtlijnsoort. Er zijn daarvoor profieldocumenten opgesteld met daarin kwaliteitseisen en drukfactoren waaraan moet worden voldaan gunstige staat van instandhouding te krijgen. Hierbij is te denken aan, onder andere, bodemstructuur, grondwater, stikstofbelasting irt kritische depositiewaarde (KDW) en naastgelegen grondgebruik. Maatregelen tot nu toe Op basis van bovengenoemd eisenpakket zijn afgelopen jaren per Natura2000-gebied beheerplannen en PAS gebiedsanalyses opgesteld. Voor beide onderdelen zijn afgelopen jaren beheer- en inrichtingsmaatregelen uitgevoerd en zijn ook voor de komende jaren maatregelen voorzien. Echter, uit de jaarlijkse monitoringsverslagen blijkt dat deze maatregelen niet voldoende zijn om de gunstige staat van instandhouding te halen. Er zijn aanvullende maatregelen nodig, wat nu voor een deel gedekt wordt door de maatregelen in het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht. Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht Als aanvulling op de reguliere en PAS-maatregelen is in 2020 vanuit het Rijk het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht gestart.
Dit programma beschrijft voor de korte termijn aanpak van 2021- 2023 met uitloop tot 2025 (SPUK fase 1) met maatregelen om de kwaliteit van natuur binnen de Natura2000-gebieden te verbeteren. Ook vormt het programma een lange termijn aanpak van 2023 tot 2030 (SPUK fase 2) met maatregelen die zowel binnen als buiten de N2000-gebieden plaats vinden. Hiervoor zullen zonodig eerst systeemen natuurdoelanalyses worden uitgevoerd om meer inzicht te krijgen in de status van de beoogde habitattypen en soorten. Daarbij heeft de Minister in haar brief van april 2020 aangegeven tot overgangsgebieden rondom de Natura2000-gebieden te willen komen. In deze zones beoogt zij een meer natuurinclusieve inrichting en grondgebruik rondom Natura2000-gebieden. De daadwerkelijke invulling hiervan verschilt per gebied en wordt meegenomen in het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht en in de gebiedsgerichte aanpak.
B
Toepassing in de gebiedsgerichte aanpak Het bereiken van de gunstige staat van instandhouding is het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte aanpak. Dit krijgt verder vorm door samen met het gebied te kijken naar de uitwerking van het systeemherstel en de maatregelen die nodig zijn om dit te bereiken. We maken haalbare plannen met een integrale visie, waarbij we ook rekening houden met biodiversiteit buiten de Natura 2000-gebieden. Zo komen we in de overgangsgebieden rondom de Natura 2000 tot een duurzame situatie waarin landbouw als drager van het landschap en een gezonde leefomgeving kan blijven bestaan. Juist in de overgangsgebieden is het zaak te zoeken naar de juiste balans tussen de verschillende functies. Kennis en informatie die hiervoor benodigd is, waaronder invloed van drukfactoren en doelbereik, wordt voor het gebied opgehaald. Daar waar inhoudelijke kennis ontbreekt wordt gezocht naar manieren om deze beschikbaar te krijgen. Voor een aantal gebieden is al een systeemanalyse uitgevoerd en vraagt mogelijk om een herziene versie.
1.2.2 Stikstof De opgave stikstof gaat voor het verminderen van lokale stikstofdepositie. Dit met het doel de stikstofbelasting op de Natura2000-gebieden te verminderen en zo een bijdrage te leveren aan het bereiken van de gunstige staat van instandhouding. Stikstofbelasting op de N2000-gebieden Negen van de tien Natura2000-gebieden in de provincie Utrecht zijn stikstofgevoelig. In deze gebieden vindt matige tot ernstige belasting plaats (figuur 3) op de aangewezen habitattypen in het gebied.
Figuur 3: Stikstofdepositie op de N2000-gebieden - bron; xxx
Impact vanuit de sectoren Stikstof wordt uitgestoten vanuit meerdere sectoren (figuur 4). In de provincie Utrecht komt de grootste depositie vanuit de landbouw, buitenland, overige sectoren, wegverkeer en scheepvaart. Doordat we vanuit de provincie Utrecht de depositie vanuit het buitenland niet kunnen beïnvloeden blijft deze buiten beschouwing.
C
Figuur 4: Stikstofdepositie in provincie Utrecht 9
Autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen vanuit het Rijk Om de stikstofdepositie te beperken zijn komende jaren autonome ontwikkelingen gepland. Ook het Rijk voert komende jaren bronmaatregelen uit om daarmee de stikstofdepositie te beperken. De verwachting is dat deze ontwikkelingen bij enkele gebieden in de provincie Utrecht de stikstofdepositie zo beperkt, dat de depositie onder de KDW van het meest stikstofgevoelige natuurdoeltype komt. Echter, dit is een verwachting en geen gegeven. Toepassing in de gebiedsgerichte aanpak Het beperken van de stikstofemissie is een uitgangspunt in de gebiedsgerichte aanpak. Dit krijgt verder vorm door met de belastende partijen in gesprek te gaan over de mogelijkheden die er zijn om de emissie te verminderen, de bijdrage die hiermee wordt geleverd aan de vermindering van depositie en de opgave die over blijft. Doordat de landbouwsector de meeste uitstoot en daarmee impact heeft (figuur 4) ligt de focus voor de korte termijn bij deze sector. Later komen ook de andere sectoren aan bod.
1.2.3 Vitale landbouw De Landbouwvisie Landbouw met Perspectief (2018) en de Samenwerkingsagenda Landbouw (2019) schetsen de ambitie: de toekomst is aan een circulaire, natuurinclusieve, klimaatneutrale en economisch rendabele landbouw. De agrariër blijft voedselproducent en heeft daarnaast een belangrijke rol als landschapsondernemer. Hij blijft daarmee een rol spelen in de instandhouding van het landschap. De gebiedsgerichte aanpak biedt kansen voor het uitwerken van deze ambitie. Duurzame ontwikkeling van de landbouw staat daarom hoog op de agenda. Dit krijgt vorm door samen met de agrariërs naar balans in het gebied te zoeken tussen productie, natuur, bodem, klimaatadaptatie en water (zowel kwantiteit als kwaliteit) en te verkennen wat nodig is om dit te bereiken. Dit kan kennis, investeringssubsidies, kavelruil, het verminderen van financiële risico's of het vergoeden van ecosysteemdiensten zijn. De gebiedsgerichte aanpak gaat uit van de blijvende agrariër, met de focus op ondernemers die de landbouwtransitie vorm willen geven, bijvoorbeeld via kringlooplandbouw. In een aantal gebieden starten we met pilots om kringlooplandbouw vorm te geven en extensieve vormen van landbouw in de overgangsgebieden mogelijk te maken. Ook wordt gekeken naar de efficiency van de landbouwstructuur en de manieren om deze te verbeteren.
Wanneer een agrariër voor bedrijfsbeëindiging kiest, zal via de gebiedsgerichte aanpak bepaald worden hoe de gronden en stikstofruimte het best ten gunste komen van de integrale doelen uit het gebiedsproces.
9
Vanaf 13 januari 2021 wordt “ammoniak uit zee” niet meer in AERIUS apart aangeduid.
D
1.2.4 Bodem en water Een gezond en goed functionerend bodem- en watersysteem is belangrijk voor alle functies. Voor een integrale gebiedsgerichte aanpak zijn een aantal bodem- en wateropgaven van belang: - Klimaatadaptatie - Kaderrichtlijn water - Nitraatrichtlijn (het 7de actieprogramma Nitraatrichtlijn gaat zeer ingrijpende gevolgen voor de landbouw hebben) - Verdrogingsbestrijding in Natura2000-gebieden en het NNN - Sponswerking en bodemvruchtbaarheid Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is op 22 december 2000 van kracht geworden en geeft een kader voor de bescherming van de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Met kwaliteit wordt hier zowel de ecologische kwaliteit (het waterleven) bedoeld als de chemische kwaliteit (verontreinigende stoffen). Voor grondwater stelt de KRW naast chemische kwaliteit ook eisen aan de kwantiteit. De richtlijn vereist dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa eind 2015 op orde is, met een uitstelmogelijkheid tot eind 2027. In de KRW zijn de volgende doelen opgenomen: Het watersysteem (de aquatische ecosystemen en de daarmee verband houdende gebieden) voor verdere achteruitgang behoeden en beschermen. Een goede chemische en ecologische kwaliteit van grond- en oppervlaktewater tot stand brengen. Een duurzame bescherming van grond- en oppervlaktewater bieden ten bate van de drinkwatervoorziening.
De verontreiniging van het grondwater verminderen. Duurzaam gebruik van water bevorderen. de hydrologie en (grond)waterkwaliteit in Natura2000-gebieden op orde brengen voor alle door habitatrichtlijn beschermde grondwaterafhankelijke plant- en diersoorten en habitats, zodat deze niet achteruitgaan en zelfs verbeteren. Verdrogingsbestrijding in Natura2000-gebieden en het NNN Voor het realiseren van habitatrichtlijndoelen in de Natura2000-gebieden en kwaliteitsverbetering van de grondwaterafhankelijke natuur in het NNN (buiten Natura2000) is verdere verbetering van het watersysteem belangrijk. Zowel lokaal in de natuurgebieden, als het regionale watersysteem. Sponswerking en bodemvruchtbaarheid Een vitale bodem is de basis voor een zogeheten ‘kringlooplandschap’, waarin we duurzaam omgaan met de bodem. Een ‘vitale bodem’ wil zeggen dat er geen verdichting is in het bodemprofiel en dat de beworteling, het bodemleven en de bodemchemie op orde zijn. Dit bevordert de sponswerking, want de bodem kan water beter opnemen en vasthouden. Bovendien neemt de uitspoeling van nutriënten af en wordt de kans op gewasziektes kleiner, wat betekent dat minder chemische hulpstoffen nodig zijn. Toepassing in de gebiedsgerichte aanpak Het is belangrijk dat de gebiedsgerichte aanpak bijdraagt aan een toekomstbestendig en goed functionerend bodem- en watersysteem.
Maatregelen om de waterkwaliteit of bodemkwaliteit te verbeteren zullen vaak een relatie hebben met landbouw of natuur, en daarmee ook een factor zijn in de gebiedsprocessen. En andersom hebben maatregelen in het landelijk gebied hun effect op het bodem- en watersysteem. Bijvoorbeeld in de transitie naar kringlooplandbouw. De opgaven voor bodem- en waterkwaliteit nemen we mee in de gebiedsprocessen.
E
1.2.5 Bodemdaling De Regionale Veenweiden Strategie (RVS) voor het Utrechtse veenweidengebied omvat de strategie voor het afremmen van bodemdaling en het verminderen van broeikasgasemissies uit veenbodems in het landelijk gebied van de provincie Utrecht. Het is een strategie voor de (middel)lange termijn: 2030 met een doorkijk naar 2050. Het opstellen van een RVS is een verplichting uit het Klimaatakkoord (2019). Afgeleid van de landelijke doelstelling heeft de provincie Utrecht indicatief een opgave van ca. 0,12 Megaton CO2eq/jaar. In de Omgevingsvisie van de provincie Utrecht (2021) is daarnaast een doelstelling opgenomen om gemiddeld in de periode tot en met 2030 de bodemdaling in het landelijk veenweidengebied met 50% af te remmen Ca. 1/3 van de provincie Utrecht bestaat uit veengrond (gelegen in het westelijk en noordoostelijk deel van de provincie). Hier daalt de bodem door oxidatie van het veen op veel plekken tussen de 0,5 en 1 cm per jaar. De problematiek van bodemdaling verschilt echter sterk per gebied / regio binnen de provincie Utrecht en raakt daardoor in meer of mindere mate de gebiedsprocessen vanuit stikstof. Uit een verkenning is gebleken dat het een grote opgave is om de doelen in 2030 te realiseren: met alleen technische maatregelen wordt de doelstelling vrijwel zeker niet gehaald.
De strategie die in de RVS is aangegeven om de doelstellingen wél te kunnen halen, omvat de volgende richting:
In een groot deel van het Utrechtse veenweidengebied kan een duurzame (melk)veehouderij blijven bestaan, maar wel enigszins aangepast. Het is een melkveehouderij die ook het landschap beheert, bijdraagt aan de leefbaarheid en aan de slag gaat met maatschappelijke opgaven. Agrariërs passen hier (een mix van) maatregelen toe zoals actieve en passieve waterinfiltratietechnieken en het waterschap richt zich – waar mogelijk- op een drooglegging van circa 40 cm. We staan voor een integrale gebiedsgerichte aanpak en waar relevant benutten we kansen voor koppeling met de aanpak van stikstof en biodiversiteit zoals in weidevogelgebieden (Aanvalsplan Grutto). In een klein deel van het veenweidegebied zijn hogere grondwaterstanden nodig. Dit is niet mogelijk zonder een transitie in de landouw, bijvoorbeeld in de richting van Boeren op Hoog Water of natte teelten. Ook de omschakeling naar natuur is dan een oplossing. Voor deze transitie zijn ‘slimme plekken’ nodig, bijvoorbeeld in de sterk dalende polders waar maatregelen om bodemdaling af te remmen veel kunnen opleveren. Of daar waar combinaties zijn te maken met bijvoorbeeld de aanpak van stikstof, nabij de N2000 gebieden. Dit betekent in dit soort gebieden enorm veel voor de agrarische bedrijfsvoering.
Via gebiedsprocessen zal samen met de betrokken agrariërs naar oplossingen gezocht worden, in een zorgvuldig proces met maatwerk per gebied. Het behoud van voldoende verdienvermogen voor de agrarische ondernemer is hierbij het meest urgente vraagstuk om draagvlak te krijgen onder de agrariërs. Dit zal komende jaren blijvende aandacht vragen.
De RVS werkt deze richting uit in 3 programmalijnen: 1. Kennisontwikkeling en innovatie 2. Een robuust en klimaatbestendig watersysteem 3. Samenwerken in gebiedsprocessen Met name de derde lijn raakt een aantal van de gebiedsprocessen in het kader van stikstof. Aan de hand van drie criteria (urgentie, energie en meekoppelkansen) worden, verspreid in het veenweidengebied, nieuwe gebiedsprocessen voor het nemen van maatregelen gestart. Er wordt praktijkervaring opgedaan in de gebiedsprocessen met nieuw instrumentarium en er wordt een gebiedsgerichte pilot overgangsgebied rondom natuurgebieden gestart gericht op bodemdaling in afstemming met opgaven voor stikstof en biodiversiteit.
F
Geografisch en inhoudelijk kent de Regionale Veenweidestrategie in een aantal deelgebieden een sterke samenhang met de gebiedsgerichte aanpak voor stikstof, maar ook buiten die overlappende gebieden kunnen beiden opgaven elkaar versterken of aanvullen. Daarnaast vormt de agrarische sector bij beide een belangrijke samenwerkingspartner. Afstemming tussen beide opgaven is dan ook essentieel, waarbij ambities en doelstellingen over en weer worden geïntegreerd en helder is welke opgave in een bepaald gebied ‘in the lead is’.
1.2.6 Omgevingsperspectief Om een prettige werk- en leefomgeving te kunnen bieden waarbinnen ontwikkeling mogelijk is, is het van belang de opgaves van nu en in de toekomst in kaart te brengen. We onderzoeken welke ontwikkelruimte nodig is om vanuit deze opgaven perspectief te kunnen bieden en kijken samen met de sectoren welke bijdragen zij kunnen leveren om deze toekomstige ontwikkelingen mogelijk te maken. De invulling hiervan nemen we mee in de uitwerking van de gebiedsgerichte aanpak. Omdat stikstof op dit moment één van de grootste beperkende factoren is voor toekomstige ontwikkelingen benaderen we het bieden van perspectief vanuit de opgaven die hier het meest door beïnvloed worden; Mobiliteit Het provinciale wegennetwerk is niet meegenomen in de analyse per bron (dus per weg of wegsegment) als uitgevoerd door de RUD. Het potentiële effect van het gehele netwerk op de gebieden bepaald door het gehele netwerk is wel berekend. Aanvullend zijn de effecten onderzocht van een snelheidsverlaging van 80 naar 60 km/uur op de provinciale wegen. “Provinciale wegen Utrecht: van 80 naar 60 km/h, een verkenning”, 15 oktober 2019. Conclusie van de verkenning is dat aanpassing van snelheden niet leidt tot reductie van de uitstoot van stikstofoxide.
Met uitzondering van de Oostelijke Rondweg Veenendaal en de Rijnbrug lijken er geen provinciale wegenbouwprojecten geraakt te worden door de stikstofproblematiek. Projecten als de verbreding van de A27 tussen Houten en knooppunt Hooipolder, de A12/A27 Ring Utrecht en knooppunt Hoevelaken A28/A1 vallen onder verantwoordelijkheid van het Rijk en worden niet in de gebiedsgerichte aanpak meegenomen. Binnenvaart Ten aanzien van de binnenvaart zijn de resultaten van twee onderzoeken beschikbaar die een beeld geven van de invloed van de binnenvaart op de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden binnen de provincie Utrecht. Onderzoeksbureau Panteia: “Stikstofemissie van de binnenvaart in Utrecht, Depositie van Stikstof (NOx) op Natura2000-gebieden in Utrecht”, 15 januari 2021. Onderzoeksbureau EICB: “Binnenvaart in Perspectief, een inventarisatie in de Provincie Utrecht”, januari 2021. Beide rapporten geven ondermeer aan dat de stikstofdepositie van de binnenvaart op de Natura2000-gebieden minimaal is ten opzichte van de totale depositie. De invloed vanuit de gebiedsgerichte aanpak op de binnenvaart is minimaal. Implementatie van stikstof reducerende technieken in de binnenvaart zal een positief effect hebben op de Utrechtse Natura2000-gebieden. De provincie kan overwegen om dit actief te stimuleren.
Bouw en wonen De provincie Utrecht kent een stevige opgave voor de komende jaren voor de bouw van woningen en werklocaties. Mede vanwege de stikstofproblematiek lopen bouwprojectenvertraging op. De landelijke bronmaatregelen voorzien in stikstofruimte die mede ter beschikking wordt gesteld aan de woningbouwopgaven. Vanuit het Programma Versnelling Woningbouw, en in de verschillende gebiedsprocessen vanuit stikstof is navraag gedaan bij gemeenten of sprake is van projecten die
G
stagneren als gevolg van stikstofproblematiek. Het MER dat in opdracht van het Programma Wonen en Werken is opgesteld geeft daar eveneens inzicht in. Voor dit moment lijkt er geen sprake te zijn van stagnatie, juist doordat ruimte is verkregen met de landelijke bronmaatregelen. Het MER laat dat ook zien, en geeft voor een aantal locaties aan hoe met kleine aanpassingen voldaan kan worden aan de regelgeving. Vanuit het Programma Wonen en Werken TAUW gevraagd te screenen voor welke woningbouwplannen binnen de provinciegrenzen verwacht mag worden dat er een ‘mogelijk negatief effect op Natura2000-gebieden’ (bijdrage > 0,00 mol/ha/jaar) ontstaat ten aanzien van stikstofdepositie. De resultaten worden begin 2022 verwacht. Dan kan ook worden bezien of dit gevolgen kan hebben voor de gebiedsgerichte aanpak. Schoon en Emissieloos bouwen Met de vrijstelling in de Wsn is ruimte geboden voor de realisatie van projecten met een zeer beperkte stikstof emissie. De Wet beschrijft echter ook de ambitie om in 2030 60% stikstofreductie te realiseren in de bouw. De Rijksoverheid is een samenwerkingstraject gestart met medeoverheden en marktpartijen om te komen tot Schoon en Emissieloos Bouwen. Dit richt zich ondermeer op emissieloos bouwmaterieel, bouwlogistieke en circulaire maatregelen. Via het IPO is de provincie Utrecht (Mobiliteit) betrokken bij dit initiatief.
Aanvullende opgaven Naast bovengenoemde opgaven komen er in het landelijk gebied meerdere grote maatschappelijke en economische opgaven samen. De gebiedsgerichte aanpak gaat uit van een integrale benadering met het benutten van meekoppelkansen en het stroomlijnen van de aanpak met lopende opgaven in het gebied. Hierbij is te denken aan opgaven als klimaat, bodemdaling, water, energietransitie en recreatie. Welke opgaven in de omgeving van de Natura2000-gebieden spelen is in de gebiedsgerichte aanpak per gebied geïnventariseerd. De aanpak kijkt naar de kansen die deze opgaven bieden voor het behalen van de eerder benoemde doelen en de manier waarop hier invulling aan wordt gegeven.
H
Bijlage 2 – Integrale aanpak via gebiedsprocessen In de afgelopen periode zijn we gestart met de verkennende fase in de gebiedsprocessen. De verkenningen hebben ondermeer inzicht gegeven in de actuele stikstofproblematiek, belangrijke opgaven die in de gebieden spelen en de wijze waarop de gebiedspartijen willen werken aan die opgaven. Per gebied worden kort de belangrijkste bevindingen weergegeven, die inbreng en onderbouwing vormen voor de kaders en randvoorwaarden die wij stellen. In deze fase van het gebiedsproces is gesproken met vertegenwoordigende partijen en organisaties gesproken, en nog niet met individuele bewoners en bedrijven. Dat maakt uiteraard onderdeel uit van de volgende stap. Vooraf is het van belang te melden dat veel zaken in beweging zijn, en voorlopig ook nog in beweging zullen blijven. Belangrijk daarbij zijn de berekeningen van RIVM en BIJ12 waarnaar in deze bijlage verwezen wordt. Op de autonome ontwikkelingen in het land en de bronmaatregelen van het Rijk hebben wij vanuit de gebiedsgerichte aanpak weinig invloed. Daarnaast verwachten we herberekeningen van de stikstofanalyses, waarbij niet een geheel hexagoon waarin een stikstofgevoelig habitat gelegen is, maar het daadwerkelijke oppervlak van dat stikstofgevoelige habitat wordt meegerekend. Ook de depositiebron wordt daarbij in beeld gebracht. Dit kan leiden tot andere conclusies.
Het is van belang in het oog te houden dat er een wettelijke verplichting bestaat om de verslechtering van habitats en soorten te voorkomen. Dat kan leiden tot een aanvullende opgave ten opzichte van het reduceren van de stikstofdepositie, gericht op het halen van de Kritische Depositiewaarde (KDW) of omgevingswaarde. Ook bij het bereiken van de omgevingswaarde kan er sprake zijn van verslechtering, waarbij vaak ook andere drukfactoren een rol spelen.
2.1 Uiterwaarden Lek, Zouweboezem, Lingegebied en Diefdijk-Zuid Algemene omschrijving Deelgebied Zuidwest ligt binnen de gemeenten Vijfheerenlanden en Lopik en kent drie Natura2000gebieden (Uiterwaarden Lek, Zouweboezem en Lingegebied\Diefdijk-Zuid. Deze gebieden grenzen nagenoeg aan elkaar, kennen geografische en functionele samenhang. Uiterwaarden Lek is een gebied van 148 ha. Zouweboezem is een klein gebied van 31 ha en Lingegebied Diefdijk is een gebied van 500 ha. Waarvan 157 ha in Utrecht. Het Natura2000-gebied Uiterwaarden Lek bestaat uit vier terreinen (Willige Langerak, schiereiland De Bol, de Koekoeksche Waard en de Kersbergscheen Achthovensche uiterwaarden) in de uiterwaarden van de Lek tussen Vianen en Schoonhoven. Er is een grote variatie in reliëf en hoogteligging en een grote schakering aan bodemtypen. Gezamenlijk bevatten deze terreinen de best ontwikkelde voorbeelden van het habitattype stroomdalgraslanden langs de Lek. Daarnaast komen glanshaverhooilanden, vossenstaartgraslanden, overstromingsgrasland en dotterbloemhooiland voor. Het meest stikstofgevoelige habitattype betreft de stroomdalgraslanden met een kritische depositiewaarde van 1.286 mol/ha/jaar.
I
De Zouweboezem vormt de grens tussen de Alblasserwaard en de Vijfheerenlanden. Het gebied is aangewezen als Habitat- en Vogelrichtlijngebied en bestaat uit open water, riet- en zeggemoerassen, wilgengrienden en elzenbroekbos. In het deel van de Polder Achthoven dat binnen de begrenzing ligt komt blauwgrasland voor.1 Dit habitattype is het meest stikstofgevoelig en kent een kritische depositiewaarde van 1.071 mol/ha/jaar.
Het Natura2000-gebied Lingegebied en Diefdijk-Zuid ligt in de provincies Gelderland, Zuid-Holland en Utrecht en bestaat uit vijf deelgebieden: Diefdijk-West, Diefdijk0ost, Nieuwe Zuidlingerdijk, Linge Buitendijks en Linge Binnendijks. Het grootste gedeelte van het N2000-gebied ligt in Gelderland, die dan ook voortouwnemer is. Diefdijk-Zuid omvat de oeverlanden van de rivier de Linge en heeft in veel opzichten toch het karakter van een rivierenlandschap. De uiterwaarden vormen een kleinschalig, afwisselend landschap met grienden, bosjes, rietvelden, rietruigten, graslanden en waterplassen. Ook liggen er enkele wielen en tichelgaten binnen het gebied. Langs het zuidelijke deel van de Diefdijk liggen vooral kleiputten met moerassen, moerasbosjes en nattere graslanden, die zijn ontstaan bij de aanleg van dijken.10 De kalkmoerassen vormen het meest stikstofgevoelige habitattype met een kritische depositiewaarde van 1.143. Het gebiedsproces tot nu toe Er is gekozen om voor deze fase de drie Natura2000-gebieden Uiterwaarden Lek, Zouweboezem en Lingegebied\Diefdijk-Zuid samen te voegen in één gebiedsproces. De samenhang tussen de gebieden is evident, reden waarom er voor deze fase voor is gekozen om Zuidwest als geheel te benaderen. Er heeft een aantal bijeenkomsten plaatsgevonden waar gezamenlijk dieper is ingegaan op opgaven, ambities, kansen en risico’s die in dit gebied leven.
De uitwisseling van kennis en het benoemen van mogelijk conflicterende belangen is waardevol gebleken voor het vertrouwen in een vervolgproces. Deze werkwijze leidt tot meer bekendheid en begrip voor elkaars standpunten, en tot een basis van vertrouwen om gezamenlijk aan een perspectief voor het gebied te werken. Keukentafelgesprekken met individuele agrariërs zijn in het kader van stikstof overigens niet gevoerd. Er is voor gekozen om eerst met vertegenwoordigende partijen op hoofdlijnen duidelijkheid te krijgen alvorens individuele partijen te benaderen. Bijdragen vanuit de opgaven Natuur Uiterwaarden Lek In de afgelopen jaren zijn verschillende maatregelen uitgevoerd, waaronder een groot inrichtingsproject in de Kersbergse en Achthovense uiterwaarden. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht wordt in de komende periode voorzien in extra maatregelen om het natuurherstel te versnellen: verdere inrichting en beheer reeds 10
Aanwijzingsbesluit Natura2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid d.d. 23 mei 2013
J
verworven gronden in de Achthovense en Kersbergse Uiterwaarden, en voorbereidende werkzaamheden in de Horde en in de Achthovense en Kersbergse Uiterwaarden (aanvullende maatregel om te komen tot verwerving en inrichting binnen NNN of Groene Contour). Zouweboezem De Zouweboezem is het kleinste "Belangrijke Vogelgebied" van Nederland, met als voornaamste broedvogel de Purperreiger. In het gebied zijn nagenoeg alle PAS-herstelmaatregelen uitgevoerd. Specifiek voor de blauwgraslanden is onderzoek uitgevoerd naar de huidige basenverzadiging en de mogelijkheden voor een eventuele inundatie. Naast maatregelen als het plaatsen van een pomp bij de blauwgraslanden is veel aandacht besteed aan beheermaatregelen als plaggen, maaien en afvoeren. Een aantal bosjes is verwijderd om de predatie te verminderen. ZuidHollands Landschap en Waterschap Rivierenland gaan aan de slag met het uitbaggeren van de Zouweboezem. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht wordt in de komende periode voorzien in extra maatregelen om het natuurherstel te versnellen: afvoeren van maaisel en hout en de aanleg van een kade ten behoeve van die werkzaamheden, hydrologische maatregelen. Lingegebied en Diefdijk-Zuid Er zijn in het beheerplan geen PAS-herstelmaatregelen opgevoerd voor het Utrechtse deel.
Wel is voorgesteld een onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid en de kwaliteit van de aanwezige bos-habitattype in Utrecht. Dit onderzoek is inmiddels uitgevoerd. Daarnaast wordt een aantal beheervoorstellen gedaan en ligt hier een NNN-opgave van 15 ha. Binnen het Utrechtse deel is voor ca 65 hectare het habitattype nog onbekend. Dit wordt aangeduid met typecodering H9999, waarvoor de KDW wordt gehanteerd van het meest stikstofgevoelige habitattype wat in het Natura2000-gebied aanwezig is (kalkmoeras). Inmiddels is duidelijk dat het hier niet gaat om kalkmoeras maar om veel minder stikstofgevoelige alluviale bossen. Na formele aanpassing van dit habitattype door de voortouwnemer (Gelderland) wordt ook voor dit type de KDW gehaald. In het Lingegebied en Diefdijk-Zuid zullen in de eerste periode 2021-2023 mogelijk maatregelen worden uitgevoerd voor natuurherstel, zij zijn in eerste instantie opgevoerd als aanvullende maatregel. De actualisatie van het Beheerplan door de provincie Gelderland en de gebiedsgerichte aanpak voor het Utrechtse deel raken elkaar en lopen deels parallel. Overige natuurgebieden, weidevogelkerngebieden Verspreid in het gebied liggen meerdere natuurgebieden (NNN), die deels in het kader van de Ruilverkaveling zijn gerealiseerd.
Concrete plannen voor de uitbreiding van het NNN beperken zich voor dit moment tot twee keer 30 hectare bij de Lekuiterwaarden en de Zouweboezem. Hoewel er op dit moment geen taakstelling voor ligt, zijn er ondermeer bij terreinbeheerders ambities voor grotere, aaneengesloten eenheden. Zowel binnen Lopik als binnen Vijfheerenlanden is sprake van belangrijk weidevogelkerngebied, waarbinnen door veel agrariërs actief wordt bijgedragen aan de instandhouding van de weidevogelpopulatie. Er is sprake van belangrijke samenhang tussen deze gebieden en de Natura2000-gebieden, bijvoorbeeld als broed- of foerageergebied van verschillende soorten. In de afwegingen spelen het eigen belang van beide typen gebieden, maar ook die samenhang een belangrijke rol.
K
Stikstof Uiterwaarden Lek Uiterwaarden Lek kent circa 15 hexagonen die overgevoelige habitats hebben. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 10 %. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door enerzijds landelijke depositie en anderzijds lokale depositie. De hoogste depositie komt van de agrarische sector en uit het buitenland. De totale lokale depositie op Uiterwaarden Lek is circa 270 mol/ha/jaar.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
BIJ12 heeft doorgerekend wat de effecten zijn van de autonome ontwikkelingen (2030) en de bronmaatregelen van het Rijk. Beide maatregelen leiden tot een situatie waarbij de stikstofdepositie onder de KDW komt.
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW
Zouweboezem Zouweboezem kent circa 9 hexagonen die overgevoelige habitats hebben. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 27 %. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door enerzijds landelijke depositie en anderzijds lokale depositie. De hoogste depositie komt van de agrarische sector en uit het buitenland. De totale lokale depositie op Zouweboezem is circa 300 mol/ha/jaar.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
L
BIJ12 heeft doorgerekend wat de effecten zijn van de autonome ontwikkelingen (2030) en de bronmaatregelen van het Rijk. Beide maatregelen leiden tot een situatie waarbij de stikstofdepositie onder de KDW komt.
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW
Lingegebied en Diefdijk-Zuid Lingegebied en Diefdijk-Zuid kent circa 122 hexagonen die overgevoelige habitats hebben. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 22 %. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door enerzijds landelijke depositie en anderzijds lokale depositie. De hoogste depositie komt van de agrarische sector en uit het buitenland. De totale lokale depositie op Lingegebied en Diefdijk-Zuid is circa 220 mol/ha/jaar.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
BIJ12 heeft doorgerekend wat de effecten zijn van de autonome ontwikkelingen (2030) en de bronmaatregelen van het Rijk. Het behalen van de KDW in Lingegebied en Diefdijk Zuid is onzeker. Dit wordt met name ingegeven door het feit dat voor 65,1 hectare het habitattype nog onzeker is, waarvoor de KDW wordt gehanteerd van het meest stikstofgevoelige habitattype wat in het Natura2000-gebied aanwezig is (kalkmoeras). Inmiddels is duidelijk dat het hier niet gaat om kalkmoeras maar om veel minder stikstofgevoelige alluviale bossen. Na formele aanpassing van dit habitattype door de voortouwnemer (Gelderland) wordt ook voor dit type de (dan dus hogere) KDW gehaald.
M
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW De huidige situatie laat een relatief beperkte opgave zien voor stikstof in relatie tot de omgevingswaarden, de gemiddelde overschrijding van de KDW bij de stikstofgevoelige hexagonen is beperkt maar verdient zeker aandacht. Als rekening wordt gehouden met de bronmaatregelen van het Rijk en de autonome ontwikkelingen dan lijken voor Zouweboezem en Uiterwaarden Lek de respectievelijke KDW’s voor habitattypen te zijn behaald, danwel te worden behaald. Aanpassing van het onbekende habitattype voor Lingegebied\Diefdijk Zuid leidt waarschijnlijk tot een hogere KDW, waardoor ook voor dat gebied de KDW’s behaald te kunnen worden. Vanuit de gebiedsgerichte aanpak is overigens weinig invloed uit te oefenen op die autonome ontwikkeling en de bronmaatregelen van het Rijk. Omgevingsperspectief Deelgebied Zuidwest is een open weidegebied, dat qua grondsoort vooral bestaat uit laagveen met een dek van rivierklei. De landbouw wordt hier met name gekenmerkt door melkveehouderij en bedrijven met andere graasdieren, zoals vleesvee en schapen. Maar het gebied behelst meer dan melkveebedrijven. Zo leent de zandige bodem in Vijfheerenlanden zich goed voor de fruitteelt. Op bescheiden schaal komen intensieve veehouderijbedrijven en akkerbouwbedrijven in het gebied voor.
De landbouw is in dit gebied altijd van belang geweest als drager van het landschap. De landbouw kent verschillende uitdagingen waarbij een economisch gezonde landbouw in samenhang met de omgeving en maatschappij als basis staat. Naast de natuur en stikstofopgave en het creëren van een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw spelen er nog verschillende andere opgaven in het gebied. De belangrijkste lichten we hier toe. Klimaat en bodemdaling: Met het Klimaatakkoord Landbouw en Landgebruik (KALL) committeren de betreffende partijen zich gezamenlijk om voor de middellange termijn op nationaal niveau aan de doelstelling om 1 Megaton CO2eq reductie in het veenweidegebied te realiseren in 2030. Het reduceren van de bodemdaling is daarbij een belangrijke opgave die ook in Zuidwest speelt. De provincie Utrecht stelt momenteel samen betrokken gebiedspartijen de Regionale Veenweiden Strategie Utrechtse veenweiden op. Daarmee wordt gewerkt aan ‘CO2 reductie, een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw, geborgd in het landschap en met ruimte voor natuur, energietransitie, vermindering van de stikstofuitstoot en andere meekoppelkansen.’ Vergeleken met een aantal andere gebieden binnen de provincie Utrecht is de bodemdaling relatief beperkt, al zijn er lokale knelpunten.
N
Regionale Energie Strategie: Zoekgebieden voor windturbines in Lopik en Vijfheerenlanden, met
daarbinnen reeds vergunde\gerealiseerde turbines. Vijfheerenlanden: gekozen voor windenergie, geen ambitie voor zonnevelden (los van zon op dak). In de RES 2.0 zullen ondermeer nieuwe mogelijkheden voor de energietransitie onderzocht en uitgewerkt worden . Woningbouwprogrammering: Geen knelpunten op dit moment, bouwprojecten vinden doorgang. Op dit moment vindt onderzoek plaats vanuit het Programma Versnelling Woningbouw (TAUW) naar mogelijke stikstofproblematiek bij woningbouwambites voor de toekomst. De bevindingen daarvan worden afgewacht. Infrastructuur: de stikstofproblematiek rond de Rijksweg A27 vormt thans geen onderdeel van de opgave voor het gebiedsproces in Zuidwest maar is een rijksverantwoordelijkheid. Afstemming is echter van groot belang: activiteiten van het Rijk om salderingsruimte te vinden in het gebied kan de verhoudingen en het gebiedsproces verstoren, en verschillende inrichtingsmaatregelen rondom de snelweg kunnen aanzienlijke ruimtelijke impact hebben. Een goede inpassing is van belang, ook om het draagvlak onder belanghebbenden te versterken\te behouden. Het onderhoud aan en de reconstructie van de provinciale wegen N484 en N210 kennen vooralsnog geen stikstofprobleem. Voorlopige conclusies Er is een brede behoefte aan een integrale visie voor de lange termijn, gericht op een perspectief
voor landbouw en natuur en oplossingen voor een aantal knelpunten dat zich voordoet. Uitvoeren van verschillende analyses als onderlegger voor verdere planvorming is van belang.
Gedacht kan worden aan een landschapsecologische systeemanalyse en een landbouwstructuur analyse. Een integrale aanpak is essentieel: veel opgaven raken dezelfde partijen. De opgaven voor natuur en landbouw(transitie) kunnen niet los van elkaar gezien worden. De samenwerking met de Regionale Veenweidestrategie ten aanzien van bodemdaling is logisch en vindt al plaats. Binnen de gebiedsprocessen realiseren we, in lijn met de Regionale Veenweidestrategie, 50% reductie van de bodemdaling binnen dat gebied. Belangrijke opgaven waarmee gekoppeld kan worden zijn de adaptatiestrategie voor klimaat, energietransitie en circulariteit. Waar mogelijk en kansrijk koppelen we andere opgaven mee in onze aanpak, we werken dit gebied specifiek uit. Er wordt een aantal sporen onderscheiden: o Korte termijn: Dit betreft maatregelen die via de SPUK 1 in het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht zijn ingebracht en door de TBO’s worden uitgevoerd: voornamelijk binnen Natura2000-gebieden. Initiatieven van agrariërs die passen binnen de ambities worden ondersteund. o Middellange termijn: noordzijde Uiterwaarden Lek waar al lopende projecten bezig zijn en waarop aangesloten kan worden. o Middellange termijn: Vijfheerenlanden. Voor twee deelgebieden starten we een gebiedsproces om verdere uitwerking te geven aan de opgaven die er liggen en te komen tot maatregelen.
Zouweboezem en Uiterwaarden Lek (zuidzijde) vormen een logisch aaneensluitend geheel en worden daarbij samengepakt, voor Lingegebied en Diefdijk-Zuid voeren we een tweede, integraal gebiedsproces o Stimuleren en faciliteren: Naast de intensievere gebiedsprocessen is veel winst te behalen in het stimuleren van verandering en het faciliteren van die ondernemers die hun bedrijfsvoering willen veranderen. Die winst is niet per definitie gebonden aan de gebieden die binnen de gebiedsprocessen vallen. De Instrumentenkoffer (spoor 3 uit de Leidraad) bevat instrumenten die in de gebiedsgerichte aanpak benut kunnen worden en die partijen kunnen uitdagen en helpen.
O
2.2 Oostelijke Vechtplassen Algemene omschrijving De Oostelijke Vechtplassen is een divers zand, klei- en veengebied van totaal 6.475 ha groot. Het gebied is gelegen ten noorden van de stad Utrecht en ligt grotendeels in Noord-Holland. Een gedeelte van ongeveer 2000 ha ligt op Utrechts grondgebied. Het Utrechtse deel van de Oostelijke Vechtplassen beschikt over verschillende habitattypen, waarvan veenmosrietland het meest stikstof gevoelig is. Dit natuurdoeltype heeft een kritieke depositiewaarde van 714 mol/ha/jaar. Het gebiedsproces tot nu toe Het gebiedsproces Oostelijke Vechtplassen is tegen de zomer van 2021 gestart. Met een werkgroep bestaande uit AGV / Waternet, gemeenten Stichtse Vecht en De Bilt, Stikstofcollectief, Vitens, Natuurmonumenten en Staatsbosbeheerzijn enkele digitale bijeenkomsten gehouden om informatie, opgaven en kansen voor het gebied op tafel te krijgen. Provincie Noord-Holland wordt in bilateraal overleg op de hoogte gehouden van het proces. De leden van de werkgroep vertegenwoordigen hun organisatie. Daarmee bereiken we nog niet alle bewoners, ondernemers en andere betrokkenen in het gebied. In de volgende fase werken we aanpak verder uit en organiseren we ook het verder betrekken van het gebied.
Doordat het overgrote deel van het Natura2000-gebied onder de verantwoordelijkheid van de provincie Noord-Holland valt is deze voortouwnemer voor wat betreft het Beheerplan. NoordHolland neemt op dit moment nog geen initiatief voor een gebiedsproces zoals dat van de provincie Utrecht. Bijdragen vanuit de opgaven Natuur De afgelopen jaren is intensief gewerkt aan het optimaal inrichten van het Natura2000-gebied. Het herstel van het systeem is op hoofdlijnen gericht op een toename van de kwel van de Heuvelrug in de wortelzone van de vegetaties, het terugdringen van het gehalte fosfaat (en sulfaat) in het oppervlaktewater, het afvoeren van de voedselrijke toplaag en het verminderen van de depositie van stikstof. Het gaat daarbij om PAS maatregelen, maar bijvoorbeeld ook om LIFE+ en landinrichting. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht voeren de terreinbeheerders komende jaren maatregelen uit die gericht zijn op aanvullend beheer, bestrijding van exoten, herstel van legakkers en onderzoek naar verder optimalisatie in het watersysteem en beheer. Stikstof De Oostelijke Vechtplassen kent in de provincie Utrecht 167 hexagonen (25% van oppervlak) waarbij de KDW overschreden wordt. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 65%. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door landelijke depositie en lokale depositie.
Op het moment is de depositie ongeveer 1200 mol / jaar. De lokale bijdrage aan deze depositie bedraagt ongeveer 190 mol / jaar: er zijn dus maatregelen op een ander niveau nodig om de meest kritische KDW in dit gebied te kunnen benaderen.
P
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
BIJ12 heeft doorgerekend wat de effecten zijn van de autonome ontwikkelingen (2030) en de bronmaatregelen van het Rijk.
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW Op dit moment valt voor 75% van de hexagonen de depositie onder de KDW, waardoor het gebied aan de omgevingswaarden uit de Wns voldoet. Echter, de overbelaste hexagonen betreffen de meest kwetsbare en zeldzame habitats met een sterke overbelasting. Om van deze doeltypen de instandhoudingsdoelen te halen en verslechtering te voorkomen is er vermindering van 500 mol/ha/jaar benodigd. Omgevingsperspectief Landbouw is in dit gebied, naast natuur, de grootste grondgebruiker en -beheerder. Afgelopen jaren is er veel veranderd door landinrichting en natuurontwikkeling. Ook hebben meerdere agrarische bedrijven natuurbeheer een plek gegeven in hun bedrijfsvoering. Natuurinclusieve landbouw biedt kansen voor meerdere opgaven in het gebied, waaronder stikstofreductie. Momenteel wordt onderzocht welk verdienmodel hierbij benodigd is. Doordat het gebied aan de rand van het stedelijk gebied ligt en onderdeel is van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, biedt het kansen om bijvoorbeeld een groen recreatie- en uitloopgebied te ontwikkelen. Door de wisselende bodemopbouw heeft het gebied te kampen met bodemdaling. Ondanks dat dit momenteel beperkt zichtbaar is, is de verwachting dat het gebied steeds kwetsbaarder wordt.
Daarnaast is het watersysteem in het gebied complex en is de aanvoer van kwelwater, gecombineerd met voldoende en schoon oppervlaktewater voor het gebied essentieel. Ook wordt er drinkwater
Q
gewonnen. Een goed watersysteem is daarom erg belangrijk. De mogelijkheden voor invulling van de Regionale Energie Strategie zijn in het gebied beperkt door de status en aanwijzingen. Voorlopige conclusies De provincie Utrecht staat aan het begin van het gebiedsproces Oostelijke Vechtplassen. Om dit proces verder vorm te geven is behoefte aan inzicht wat de gunstige staat van instandhouding is en wat er voor nodig is om deze te bereiken. Samen met partners uit het gebied worden hier doelstellingen aan gekoppeld en verder uitgewerkt tot een proces. Hier is kennis op het gebied van watersysteem en Natura2000 doelstellingen, een heldere landbouwanalyse, onderzoeken en pilots, vertrouwen in het gebied en een goed gevulde instrumentenkoffer voor nodig.
2.3 Nieuwkoopse Plassen (Schraallanden van de Meije) Algemene omschrijving De Nieuwkoopse Plassen & De Haeck is een veengebied met een omvang van 2.008 ha. Het gebied is gelegen tussen Alphen a/d Rijn en Utrecht en ligt overwegend op Zuid-Hollands grondgebied. Een beperkt deel van 23 ha, het stuk ‘Schraallanden langs de Meije’, ligt op Utrechts grondgebied. De Schraallanden zelf bestaan voor ca. 15 ha uit het habitattype blauwgrasland. Dit type natuur kent een kritieke depositiewaarde (KDW) van 1071 mol/ha/jaar.
Het gebiedsproces tot nu toe Doordat het overgrote deel van het Natura2000-gebied onder de verantwoordelijkheid van de provincie ZuidHolland valt sluit de provincie Utrecht aan bij de gebiedsgerichte aanpak (GGA) van Zuid-Holland. Hierbij is Zuid-Holland in de lead en volgt Utrecht door mee te denken en ontwikkelingen af te stemmen met activiteiten in het Utrechtse. Zuid-Holland richt zich met een integrale gebiedsgerichte aanpak op het Natura2000-gebied en de polders hier om heen binnen een zone van ca. 5km. Daarnaast heeft de provincie Utrecht de Gebiedscommissie Utrecht West gevraagd te adviseren over invulling van een gebiedsproces gericht op het afremmen van de bodemdaling in de polders rondom de kern Zegveld, in samenhang met lopende initiatieven en de GGA stikstof Nieuwkoopse Plassen. Dit gebied omvat de Schraallanden langs de Meije en valt volledig binnen het aandachtsgebied van de GGA Nieuwkoopse Plassen.
R
Gebiedsgerichte aanpak Nieuwkoopse Plassen De provincie Zuid-Holland werkt volgens een adaptief plan van aanpak11. Via deze aanpak worden de opgaven via de thema’s natuur & water, landbouw en NOx samen gebracht in een gebiedsplan met uitvoeringsprogramma. Om richting te geven aan het opstellen van dit gebiedsplan wordt gewerkt aan een gebiedsperspectief. Dit perspectief is een ruimtelijke verbeelding van ontwikkelingsrichtingen die toepasbaar zijn binnen deelgebieden, waarbij gebruik gemaakt wordt van informatie uit onder andere Figuur b: keukentafelgesprekken GGA keukentafelgesprekken, doorrekening van agrarische Nieuwkoop - bron: PZH bedrijfsmodellen, uitwerking van grondinstrumenten, ambities van overheden, gesprekken met LTO en Natuurmonumenten en inzichten vanuit no-regret maatregelen. Op basis van het perspectief en geschetste ontwikkelingsrichtingen geeft de Stuurgroep GGA Nieuwkoopse Plassen, waarin onder andere gedeputeerde Bruins Slot zitting heeft, richting aan verdere invulling van de gebiedsgerichte aanpak. Ringenbenadering Bij het opstellen van het gebiedsperspectief gaat de gebiedsgerichte aanpak uit van een ringenbenadering. Deze benadering gaat uit van de N2000-kern met ringen eromheen van 1, 3 en 5km (figuur a), af te bakenen langs nader te bepalen poldergrenzen.
Deze benadering is zowel polder overstijgend als provincie overstijgend en gaat ervan uit dat een gebiedsgerichte aanpak verder dan 5km van de kern nauwelijks wat toevoegt aan de generieke aanpak van het Rijk en dat de stikstofproblematiek geen geografische grenzen kent.
Figuur a: 1, 3 en 5-km zone rondom de Nieuwkoopse Plassen - bron: Zuid-Holland
Invulling/aanpak Vanuit bovenstaande zonering wordt op basis van een zestal doorgerekende bedrijfsmodellen een aantal ontwikkelingsrichtingen voor grondgebruik uitgewerkt, die worden getoetst aan de uitkomsten van de keukentafelgesprekken (figuur b). Dit komt samen in een gebiedsperspectief. Het is het onderzoeken waard of deze bedrijfsmodellen en ontwikkelingsrichting ook bruikbaar zijn in onze andere gebiedsprocessen, en of ze deel uit kunnen gaan maken van de instrumentenkoffer.
11 Adaptief Plan van Aanpak gericht op het proces van de gebiedsgerichte aanpak Nieuwkoopse Plassen. Vastgesteld door de Stuurgroep
GGA Nieuwkoopse Plassen d.d. 1 februari 2021
S
Deze onderzoekmethode helpt ons om grip te krijgen op het effect en de kosten van bedrijfsmodellen. Het is een van de bouwstenen van de ruimtelijke analyse in de gebiedsgerichte aanpak voor de Nieuwkoopse Plassen. De bestuurlijke trekkers van de thema’s natuur & water, landbouw en NOx werken dit werken dit perspectief samen met de stakeholders verder uit richting het gebiedsplan met uitvoeringsprogramma. Primaire opgaven zijn reductie stikstofemissie, reductie bodemdaling/C02emissie en vitale landbouw. Samenhangend is in deze integrale aanpak oog voor opgaven op het vlak van verdroging & kwel en het versterken van biodiversiteit en natuurnetwerk. Gebiedsproces polders Zegveld De Gebiedscommissie Utrecht West verkent de mogelijkheden naar een bottom-up gebiedsproces rondom bodemdaling en is door de provincie Utrecht gevraagd hierover te adviseren in samenhang met lopende initiatieven en de GGA stikstof Nieuwkoopse Plassen. De verkenning vindt plaats via keukentafelgesprekken in gebiedsdelen Zegveld Noord en Zuid (i.c. Ooster/Wester Zegveld) en polder Rietveld (figuur c). Door de overlap met het gebiedsproces Nieuwkoopse Plassen zijn deze gesprekken voor beide gebiedsprocessen op elkaar afgestemd en uitgevoerd. De uitkomsten van de verkenning en het advies van de GCUW over de vorm van een gebiedsproces wordt eind 2021 verwacht.