19. (RVE) Bijlage: Concept handelingskader jan 2022.pdf
Tekst van het document
Figuur c: Polders gebiedsproces Zegveld – bron: PBUW
Bijdrage vanuit de opgaven De gebiedsgerichte aanpak geeft de volgende inzichten over de doelstellingsopgaven. Natuur In het gebiedsproces is aandacht voor natuurmaatregelen. Specifiek voor de Schraallanden langs de Meije wordt de bestaande natuur (NNN) rondom het Natura2000-gebied ingericht als een hydrologische buffer met als doel wegzijging uit de Schraallanden naar de omgeving te verminderen. Daarnaast vraagt de instandhouding van het habitattype blauwgrasland in de Nieuwkoopse Plassen om een verbetering van de waterkwaliteit. Vanuit het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht wordt in samenwerking met Zuid-Holland een hydrologische verbinding beoogd tussen de Nieuwkoopse Plassen en de Schraallanden, met het doel de waterkwaliteit te verbeteren. De planvorming hiervoor moet nog plaatsvinden. Bovenstaande maatregelen geven invulling aan de restopgave zoals beschreven in de evaluatie verdrogingsbestrijding 2020 (bron: factsheet De Meije) en kunnen in het kader van de GGA Nieuwkoop als no-regret worden aangemerkt. Uitwerking en realisatie vindt plaats door SBB i.s.m. PU/AVP. De plannen worden gefinancierd vanuit NNN en SPUK-natuur.
T
Stikstof In het Natura2000-gebied de Nieuwkoopse Plassen komen in 67% van de hexagonen stikstofgevoelige habitats voor waarvan de KDW wordt overschreden. Voor de Schraallanden is sprake van een matige overschrijding op alle hexagonen.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
De Schraallanden zelf bestaan voor ca. 15 ha uit het habitattype blauwgrasland. Dit type natuur kent een kritieke depositiewaarde (KDW) van 1071 mol/ha/jaar. De verwachting is dat op basis van de generieke Rijksmaatregelen deze waarde gehaald wordt. Echter, de Schraallanden zijn onderdeel van de Nieuwkoopse Plassen en kunnen hiervan niet los worden gezien. Het totale gebied kent stikstofgevoelige habitattypen als veenmosrietland en vochtige heide met een KDW van resp. 714 en 786 mol/ha/jaar die bepalend zijn voor de stikstofopgave voor de landbouw in het omringende gebied. De gemiddelde depositie is berekend op ca. 1170 mol/ha/jaar (bron AERIUS m20-2018). Afgemeten aan het meest kritische depositiewaarde is de totale opgave ca. 450 mol/ha/jaar. Na het uitvoeren van de maatregelen door het Rijk moet er naar verwachting binnen de Nieuwkoopse Plassen een depositie van 275 mol/ha/jaar overbrugd worden (zie onderstaande figuur).
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW Omgevingsperspectief Om maatregelen voor een duurzaam toekomstperspectief vanuit landbouw te kunnen schetsen worden onder andere keukentafelgesprekken gevoerd en agrarische bedrijfsmodellen doorgerekend. Dit wordt momenteel uitgevoerd. Daarnaast vindt in het gebied bodemdaling plaats wat bijdraagt aan de CO2-uitstoot. In de Veenweidenstrategie hebben de gebiedspartners afspraken gemaakt over CO2-reductie en het doel
U
gesteld om CO2-uitstoot te halveren en daarmee bodemdaling gemiddeld te halveren. Ook kent het omliggende gebied opgaven in de realisatie van het NNN en de Groene Contour die de komende jaren gaan plaatsvinden. Invulling van deze opgaven bieden kansen voor de opstart van (kleinschalige) gebiedsprocessen, bijvoorbeeld in polder Rietveld. Als vervolg op de Proeftuin Veenweiden wordt er een projectvoorstel uitgewerkt waarbij ingezet wordt op een coaching traject managementmaatregelen gericht op emissiereductie van zowel stikstof als broeikasgassen op veenweidebedrijven. Voorlopige conclusies Voor het gebiedsproces Nieuwkoopse Plassen zijn aanpak van bodemdaling, stikstofreductie in combinatie met vitale landbouw in het gebied de primaire opgaven. Om verder te kunnen in het proces is duidelijkheid nodig over de omvang en houdbaarheid van de opgaven. Omdat de stikstofaanpak vrijwilligheid als uitgangspunt kent komt een gebiedsproces alleen tot stand wanneer daar voldoende draagvlak én draagkracht is om te komen tot een transitie van de landbouw. Draagvlak in de streek omzetten naar een aanpak met resultaten vraagt om draagkracht middels realistische verdienmodellen en ondersteuning qua regelgeving en financiën voor maatregelen en investeringen die niet vanuit de streek zelf gerealiseerd kunnen worden.
Dit vraagt om een bij de ambities passend/werkend instrumentarium, consistentie qua vergunningverlening en een balans tussen KDW-opgave en instandhoudingsdoelen. De opgaves zijn omvangrijk, (organisatie)grensoverschrijdend en langjarig. Dit vraagt om het goed doordenken van een organisatievorm waarmee het mogelijk is om uitwerkingen op polderniveau in goede banen te leiden. Pilot Verleasen De agrariërs rondom de Nieuwkoopse Plassen (coöperatie ‘Boeren met Perspectief’) hebben het voornemen gepresenteerd om zich als sector (met name de melkveehouderij) de ‘crisis uit te innoveren’. In de pilot wordt ingezet op het verleasen van stikstofruimte, na innovatie; in de pilot komt nl. maximaal 56% van de vrijgespeelde stikstofruimte beschikbaar voor tijdelijk verleasen, terwijl 44% permanent naar de natuur gaat (na de verlease periode krijgt de agrariër de 56% weer terug).
2.4
Botshol
Algemene omschrijving Botshol is een Natura2000 laagveengebied van 218 ha groot. Het gebied is gelegen tussen Abcoude en Vinkeveen en is verbonden met de Vinkeveense Plassen. Het gebied is gelegen op Utrechts grondgebied en ligt tegen de NoordHollandse provinciegrens aan. Botshol kent meerdere gevoelige habitattypen, waarvan overgangs- en trilvenen het meest stikstofgevoelig is. Dit natuurtype kent een kritieke depositiewaarde van 714 mol/ha/jaar. Het gebiedsproces tot nu toe In de omgeving van Botshol liggen vele opgaven, ambities en programma’s. Omtrent deze opgaven en ambities zijn reeds verschillende gebiedsprocessen gestart. De provincie Utrecht is als stakeholder bij meerdere gebiedsprocessen betrokken.
V
Gebiedsproces De Ronde Hoep De Ronde Hoep ligt ten westen van de Botshol, in de provincie Noord-Holland. Het gebiedsproces is een bottom-up georganiseerd proces, wat sinds maart 2021 vanuit de agrariërs in de polder en in samenwerking met overheden en andere gebiedspartijen is gestart. Het proces is gericht op een duurzaam toekomstperspectief voor de agrarische ondernemers en geeft invulling aan een integrale aanpak van opgaven op het vlak van vitale landbouw, bodemdaling, broeikasgassen, stikstof, water, biodiversiteit en energie. Op het gebied van stikstof zet het proces in op beperken van de stikstofemissie (bouwsteen 5) om het effect op, in het bijzonder, het Natura2000-gebied Botshol te beperken. Middels keukentafelgesprekken met agrariërs in het gebied brengen ze de nul situatie in kaart en wordt per grondgebruiker geïnventariseerd welke mogelijkheden er zijn om bij te dragen aan stikstofbeperking. Dit wordt uitgedrukt in management maatregelen, technische (innovatieve) maatregelen en/of met grond van stoppende bedrijven met oog op extensivering voor blijvende agrarische bedrijven. Gebiedsproces Waardassacker – Botshol – Nellestein Het gebiedsproces Waardassacker, Botshol Nellestein is een bottom-up georganiseerd gebiedsproces, wat sinds 2020 vanuit de gebiedspartners in deze polders is gestart.
Het proces is gericht op het opstellen van een gebiedsontwikkelplan met het doel te komen tot duurzame, toekomstbestendige en leefbare polders. Het ontwikkelplan wordt opgesteld vanuit een integrale benadering met aandacht voor opgaven als bodemdaling, CO2 emissie, stikstof, verbetering van agrarische bedrijfsstructuur, natuur, energie en economische duurzaamheid. Op het gebied van stikstof gaat het proces aan de slag met op reductie van zowel stikstof emissie, als depositie. Na het vaststellen van de stikstofopgave voor Botshol kijkt het proces naar de mogelijkheden voor kringlooplandbouw en de maatregelen die er voor nodig zijn om dit te bewerkstelligen. Ook kijkt het proces naar de mogelijkheden van stikstofreductie via (herstel) beheer. Overige gebiedsprocessen Naast bovengenoemde gebiedsprocessen lopen er meerdere gebiedsprocessen in de randen van de 5km zone rondom Botshol, als Groot Wilnis Vinkeveen, Marickenland en Perspectief in de Polder. Deze gebiedsprocessen zijn gericht op opgaven als bodemdaling en natuurontwikkeling. De provincie is trekker van de eerste twee gebiedsprocessen en werkt ook mee aan Perspectief in de Polder (een pilot van het Waterschap Amstel Gooi en Vecht met als doel te leren van de proceskant van lopende gebiedsprocessen in het veenweidegebied om de opgedane kennis meteen toe te kunnen passen).
Dat biedt mogelijkheden om stikstof in het proces in te brengen. Bijdragen vanuit de opgaven Natuur Afgelopen jaren zijn, in het kader van de PAS, maatregelen uitgevoerd om de stikstofgevoelige natuur te herstellen. Ook komende jaren gaan de beherende partijen aan de slag met herstelmaatregelen als baggeren, frezen en plaggen, uitvoeren van waterbeheer voor verbetering van de waterkwaliteit en verwijderen van de bosopslag/appelbes. Ook zal komend jaar het beheerplan opnieuw worden opgesteld, op basis van de nieuwe inzichten en gegevens. In het kader van het Programma Natuur van de provincie Utrecht wordt in Botshol gewerkt aan het verbeteren van de waterkwaliteit via defosfatering van het water, aanpassing van het maaibeheer naar een gelijke verdeling tussen zomer en winterbeheer en creëren van overslagplaatsen van maaisel. Ook wordt de waterhuishouding nogmaals onderzocht.
W
Stikstof Botshol kent 92 hexagonen (49%) waarbij de KDW overschreden wordt. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 79%. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door landelijke depositie en lokale depositie.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
BIJ12 heeft doorgerekend wat de effecten zijn van de autonome ontwikkelingen (2030) en de bronmaatregelen van het Rijk. De verwachting is dat na het uitvoeren van de generieke Rijksmaatregelen de KDW en de Omgevingswaarde niet gehaald worden.
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW Omgevingsperspectief Om maatregelen voor een duurzaam toekomstperspectief vanuit landbouw, mobiliteit, industrie en wonen te kunnen schetsen worden, onder andere, keukentafelgesprekken gevoerd en agrarische bedrijfsmodellen doorgerekend. Dit wordt momenteel uitgevoerd vanuit de lopende gebiedsprocessen. Daarnaast vindt in de regio bodemdaling plaats, wat veel aandacht krijgt in de Regionale Veenweidestrategie en lopende gebiedsprocessen. Ook onderzoeken de gebiedspartijen de mogelijkheden voor bijdragen aan, onder andere, CO2 reductie, verbetering van agrarische bedrijfsstructuur, realisatie van het natuurnetwerk Nederland en de groene contour en energietransitie, via de lopende gebiedsprocessen. Ook ontwikkelt de provincie Utrecht een nieuw plan voor de aanpak van verdroging en de maatregelen die hiervoor benodigd zijn. Voorlopige conclusies Botshol is een gebied met een grote stikstofopgave. In het gebied zijn meerdere opgaven van toepassing, waarbij bodemdaling en vitale landbouw de grootste zijn. Bestaande gebiedsprocessen zijn bottom-up georganiseerd en hebben veel draagvlak. Deze processen bieden kansen voor een efficiënte en gedragen aanpak van de opgaven die in het gebied spelen. Het is van belang actief bij de processen aan te haken en deze te faciliteren.
X
2.5 Kolland en Overlangbroek, Rijntakken Algemene omschrijving In het zuid-oosten van Utrecht, tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen, liggen de Natura2000gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken. Het gebied Kolland & Overlangbroek is een gebied van 107 ha en ligt volledig op Utrechts grondgebied. Rijntakken is een gebied van totaal 23.047 ha, waarvan 1.019 ha gelegen is in de provincie Utrecht. De provincie Gelderland is voortouwnemer voor de Rijntakken. Kolland & Overlangbroek is een overgang tussen de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug naar de laaggelegen rivierkleigronden van de Nederrijn en bestaat geheel uit het natuurdoeltype Vochtige alluviale bossen. Dit natuurdoeltype kent een kritische depositiewaarde van 1.857 mol/ha/jaar. Dit ligt heel dicht bij de achtergronddepositie in dit gebied. De verwachting is dan ook dat na het uitvoeren van de generieke Rijks bronmaatregelen de doelstellingen m.b.t. stikstof gehaald worden. Het gebied Rijntakken is een rivierkleigebied en kent meerdere habitattypen, waarbij Stroomdalgraslanden het meest stikstofgevoelig is. Dit doeltype heeft een kritische depositiewaarde van 1.286 mol/ha/jaar. Na het uitvoeren van de Rijksbronmaatregelen resteert naar verwachting een depositie van 875 mol/ha/jaar, hiermee wordt de doelstelling dus gehaald.
Het gebiedsproces tot nu toe Beide gebieden liggen dicht bij elkaar en veel opgaven in beide gebieden hebben overeenkomsten. Daarom wordt er een gezamenlijk en integraal gebiedsproces opgezet. Het gebiedsproces bestaat grofweg uit de omgeving van de Nederrijn en het landelijk gebied tussen Amerongen, Leersum, Utrechtse Heuvelrug, Langbroek, Wijk bij Duurstede en de Nederrijn. Dit is een groter gebied dan de oorspronkelijk 5 km zone. Een deel van de Rijntakken valt binnen de gemeente Rhenen en heeft een sterke relatie met Binnenveld. Het maakt dan ook onderdeel uit van dat gebiedsproces. Bijdragen vanuit de opgaven Natuur Kolland Overlangbroek Het beheerplan is eind 2020 vastgesteld. De meeste PAS-maatregelen zijn inmiddels uitgevoerd. Het gaat hierbij om de uitvoering van de hydrologische herstelmaatregelen. Daarnaast vindt bosbeheer plaats, met name gericht op vervanging van de essen die zijn bezweken aan de essentaksterfte. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht worden maatregelen uitgevoerd die gericht zijn op verbetering van de kwaliteit van de natuurgebeden waar actief beheerde essenhakhoutbosjes voorkomen. De
Y
voorgestelde maatregelen worden uitgevoerd voor natuur- en hydrologische herstel en instandhouding van zogenoemde vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) die hier aanwezig zijn. In het gebied van Kolland en Overlangbroek zijn extra projecten voor natuur- en hydrologisch herstel in voorbereiding die mogelijk aanvullend binnen 10 jaar worden uitgevoerd. Een systeemanalyse van beide gebieden kan helderheid geven over de te nemen maatregelen. Rijntakken Voor het Utrechtse deel zijn de werkzaamheden in het kader van de PAS beperkt. Er lopen nog 3 tamelijk grote herinrichtingsprojecten. In de Rijntakken zijn diverse natuurdoeleinden waarbij er met name een functieverandering van landbouw naar natuur plaats dient te vinden. Dit betreft de uitbreiding van de oppervlakte en kwalitatieve verbeteringen van stroomdalgraslanden, glanshaver en droge hardhoutooibossen. Daarnaast betreft het een verbetering van het leefgebied van de stikstofgevoelige kwartelkoning. In het kader van het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht wordt in de Rijntakken gewerkt aan de hydrologische verbetering door uitbreiding van het huidige rietmoeras en kwelgeul. Om negatieve effecten van stikstof op te vangen, is met name de benutting van dit gebufferde grondwater zeer functioneel.
Daarnaast zijn extra projecten voor natuur- en hydrologisch herstel in de overgangsgebieden in voorbereiding, net als de verwerving van circa 60 ha ten behoeve van herstel van struweel. Stikstof Kolland Overlangbroek Kolland en Overlangbroek ken circa 51 hexagonen die stikstofgevoelige habitats hebben. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 12%. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door landelijke depositie en lokale depositie.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
De overschrijding is Kolland en Overlangbroek is beperkt. Ook omdat er al enkele beheersmaatregelen getroffen zijn. Dit betekent dat met een klein aantal additionele maatregelen de KDW doelstelling gehaald wordt.
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW
Z
Rijntakken De Rijntakken kent circa 63 hexagonen die stikstofgevoelige habitats hebben. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 8%. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door landelijke depositie en lokale depositie.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
De overschrijding in Rijntakken is heel erg beperkt. Dit betekent dat met een klein aantal maatregelen de KDW doelstelling gehaald worden.
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW Omgevingsperspectief Veel agrarische percelen grenzen direct aan de Natura2000-gebieden. Dit is een aandachtspunt waar in de uitwerking rekening mee moet worden gehouden. Door in de gebiedsgerichte aanpak agrariërs in staat te stellen in te spelen op minder emissies en het vasthouden van kwel worden landbouw en natuur meer in balans gebracht. Aangesloten kan worden bij de verkenning van LTO Noord en Boerenverstand die gericht is op het stimuleren van kringlooplandbouw in de gehele Kromme Rijn streek. Ook de resterende natuuropgaven in het gebied zouden benut kunnen worden om het perspectief van de landbouw richting een meer natuurinclusieve landbouw te verbeteren. Naast natuur en een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw zijn er nog enkele andere opgaven in het gebied.
Wonen. Beide gemeenten hebben woningbouwopgave. Binnen de bebouwde kom is weinig ruimte voor nieuwbouw. Nabij Kolland & Overlangbroek en de Rijntakken is geen woningbouw voorzien. Bij Wijk bij Duurstede tegen de bebouwde kom aan de zuid- en de westzijde vindt beperkte nieuwbouw plaats. Regionale Energie Strategie. Beide gemeenten Wijk bij Duurstede en Utrechtse Heuvelrug hebben geen ambities in het buitengebied nabij Kolland & Overlangbroek en de Rijntakken om windenergie of zonne-energievelden te gaan ontwikkelen. Wel wordt ingestoken op zon op dak bij de stallen en boerderijen. Klimaatadaptatie. Door de provincie wordt samen met partners in het gebied (Heel het gebied tussen Heuvelrug, Wijk bij Duurstede, Amerongen en de Nederrijn gewerkt aan een regionale klimaatadaptatiestrategie. Recreatiedruk. Het gebied in en rondom de Natura2000-gebieden heeft te maken met veel recreatieve gebruikers. Fietsers, wandelaars en voetgangers. Dit leidt tot grote drukte en potentieel gevaarlijke situaties op de wegen en paden in het gebied.
AA
Voorlopige conclusies - De hydrologie is een belangrijke factor in het gebied. Hierbinnen komen de opgaven bij elkaar als de toekomst van de landbouw, natuuropgave en klimaatadaptatie. Na afronding van de PAS maatregelen wordt bezien of de huidige peilen het juiste effect hebben - Naast brongerichte maatregelen is het de verwachting dat in Kolland en Overlangbroek voorlopig geen aanzienlijke natuurherstelmaatregelen doorgevoerd hoeven te worden. - Uitgaande van de autonome ontwikkeling en de generieke bronmaatregelen van het Rijk lijkt met een klein aantal maatregelen de KDW doelstelling gehaald te worden.
2.6 Binnenveld Algemene omschrijving Binnenveld is een blauwgraslandreservaat van 111 ha groot. Het gebied is gelegen ten westen van Veenendaal en bestaat uit twee delen in twee provincies. Het Utrechtse deel is ca 36 ha groot en het Gelderse deel ca 75 ha. Binnenveld kent meerdere stikstofgevoelige habitattypen, waarvan overgangs- en trilvenen als veenmosrietlanden het meest stikstofgevoelig is. Dit natuurdoeltype kent een kritieke depositiewaarde van 714 mol/ha/jaar. De verwachting is dat er na het uitvoeren van de generieke Rijksmaatregelen nog een restopgave blijft. Het gebiedsproces tot nu toe Vanuit meerdere overheden en gebiedspartijen, waaronder provincie Gelderland, gemeenten in de regio en waterschap Vallei en Veluwe, is het gebiedsproces Binnenveld gestart. Dit proces wordt gefaciliteerd met een onafhankelijk procesbegeleider. Om alle opgaven, ambities en projecten in kaart te brengen zijn meerdere werksessies georganiseerd. Dit is uitgewerkt in een gebiedsanalyse en aanpak, dat eind november ’21 in bestuurlijk overleg besproken is. Momenteel wordt het vervolgtraject, met bijbehorende experimenten, verder vormgegeven. De provincie Utrecht is hierbij betrokken. Bijdragen vanuit de opgaven Natuur Afgelopen jaren zijn er in het Binnenveld vanuit de provincie Gelderland natuurherstelmaatregelen uitgevoerd.
De Utrechtse maatregelen zijn in voorbereiding en er wordt naar verwachting begin 2022 mee gestart. Stikstof Binnenveld kent in Utrecht 33 hexagonen (92% van het oppervlak) waarbij de KDW overschreden wordt. Binnen deze hexagonen is er een gemiddelde overschrijding van 45%. Deze overschrijding wordt veroorzaakt door landelijke depositie en lokale depositie.
BIJ12: aandeel sectoren in de totale stikstofdepositie
RUD: aandeel lokale sectoren in de stikstofdepositie
BB
BIJ12: effect van autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen van het Rijk in relatie tot de KDW Omgevingsperspectief De druk op ruimtelijke- en sociale ontwikkelingsruimte in het Binnenveld is enorm door het grote scala aan opgaven die er spelen, uitgewerkt in programma’s en projecten. De betrokken overheden (Provincies Gelderland en Utrecht, Regio FoodValley en het ministerie van LNV) zijn gestart om samen met de gebiedspartijen te komen tot een gebiedsproces. Het gebiedsproces stelt de opgaven landbouw, natuur en recreatie als vertrekpunt en werkt verder naar een gezamenlijke richting met het gebied. Dit doen zij, onder andere, via uitwerking van experimenten naar vitaliteit van het gebied. Voorlopige conclusies De eerste inventarisatie van het Binnenveld laat zien dat er momenteel (meer dan) 55 projecten, opgaven en ambities in het gebied liggen. Voor het vervolg is het van belang dat focus in deze opgaven wordt aangebracht om vooruit te kunnen. Daarbij zijn er vanuit het “iedereen aan tafel” principe veel partijen betrokken in de inventarisatie. In de verdere uitwerking van de volgende fasen van het gebiedsproces is het ook hier focus aan te brengen op partijen die een bijdrage kunnen leveren in de aanpak van opgaven.
Het gebiedsproces gaat nu de vervolgfase in, waarbij een toekomstvisie wordt opgesteld, lessen worden getrokken en een vertaling wordt gemaakt naar een gebiedsontwikkelingsplan. Ook zal de Binnenveldtafel worden opgericht waarin in klein comité de regie gevoerd wordt en samenwerkingsafspraken worden gemaakt over het vervolg.
CC
Bijlage 3 – Pilots en onderzoeken Pilot Boeren met Perspectief Nieuwkoopse Plassen Op 25 mei 2021 hebben wij besloten te starten met een casuïstische pilot inzake verleasen van innovatie, zoals voorgesteld door de coöperatie ‘Boeren met Perspectief’ van agrarisch ondernemers rondom de Nieuwkoopse Plassen. Momenteel wordt de casuïstiek in samenwerking met de betrokken partners (initiatiefnemers, natuurorganisaties, provincie Zuid-Holland en het Ministerie van LNV) uitgewerkt. Er is een drietal second opinions uitgevoerd om de haalbaarheid te toetsen. Naar aanleiding van de second opinions is geconcludeerd dat het idee nog altijd voldoende potentieel heeft voor de natuur en de sector. Maar ook dat de nadere uitzoekpunten en mogelijke risico’s het onwenselijk maken de pilot over het volledige gebied uit te rollen. Daarom is gezamenlijk besloten de pilot te beperken tot casuïstiek. Er worden zes casussen uitgewerkt voor het verleasen van de stikstofruimte: drie gebaseerd op de ambtelijke/ bestuursrechtelijke variant en drie gebaseerd op de boerenvariant/ privaatrechtelijke variant. Coaching traject managementmaatregelen Nieuwkoopse Plassen Naast de casuïstische pilot Nieuwkoop wordt ook gestart met een coaching traject managementmaatregelen gericht op uitstootreductie van zowel stikstof als broeikasgassen.
Op korte termijn is er veel stikstof- en broeikasgaswinst mogelijk via de route van beter management. Zo heeft de Proeftuin Veenweiden laten zien dat een reductie van 25% stikstofemissie goed mogelijk is, onder gelijktijdige verbetering van de bedrijfsresultaten. Hiermee wordt invulling gegeven aan het Plan van Aanpak voor de GGA Nieuwkoopse Plassen waarin is voorgesteld om ‘in de breedte’ aan de slag te gaan met een coaching traject managementmaatregelen gericht op reductie van de stikstofemissie. Hierbij wordt het instrument van kpi's gehanteerd om de prestaties van de bedrijven op vlak van stikstof en andere opgaven te verbeteren. Deze pilot is een vervolg op de Proeftuin Veenweiden. Proeftuin Kringlooplandbouw Kromme Rijn In kader van de Samenwerkingsagenda Landbouw wordt in de Kromme Rijnstreek een proeftuin Kringlooplandbouw ontwikkeld waarbinnen de landbouw samen met overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties wil onderzoeken wat kringlooplandbouw concreet betekent en hoe de ondernemers (melkveehouders én fruittelers) de transitie naar kringlooplandbouw kunnen vormgeven. Er wordt gestuurd op regionale streefdoelen voor kpi's onder de noemer Biodiversiteitsmonitor Kromme Rijn. Hieraan gekoppeld wordt een systeem van belonen van prestaties ontwikkeld. Waar nodig wordt de relatie met de regionale gebiedsopgaven nader in beeld gebracht.
Voor het onderwerp stikstof is het gebiedsproces Kolland-Overlangbroek leidend. Regiodeal FoodValley: meetnetwerk In de regio FoodValley zijn de concentraties van fijnstof, geur en ammoniak in de lucht relatief hoog. Tegelijk is de regio dichtbevolkt én er is een groot oppervlak natuurgebied (o.a. de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug). De Regiodeal FoodValley zet onder meer in op de vermindering van de uitstoot van fijnstof, geur en ammoniak door de veehouderij. Er wordt ingezet op (het versnellen van) innovaties en toepassing daarvan door pilots op praktijkbedrijven. Door de inzet van meetpunten en monitoring wordt onderzocht wat de invloed is van aanpassingen in de bedrijfsvoering op de uitstoot. De Regiodeal levert dus een belangrijke bijdrage aan de wens om de agrarische sector meer te kunnen laten werken aan doelen (de daadwerkelijke reductie van uitstoot) in plaats van maatregelen. Pilots extensief agrarisch grondgebruik overgangsgebieden In de SPUK van het Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht is de inzet van menskracht en middelen opgenomen om ten behoeve van fase 2 instrumentarium te kunnen ontwikkelen voor afwaardering van grond bij voortgezet agrarisch gebruik in de overgangsgebieden rondom de Natura2000-gebieden. De koppelkansen met andere opgaves (transitie naar een meer
DD
duurzame landbouw en tegengaan bodemdaling) zullen in deze fase en de fase hierna continu worden gezocht en geborgd. Iets vergelijkbaars is opgenomen in het concept Regionale Veenweidenstrategie (RVS) namelijk om te starten met gebiedsgerichte pilots rondom afwaardering en verbetering van het verdienvermogen, o.a. door de vergoeding van ecosysteemdiensten. Dergelijke pilots sluiten goed aan op de ambitie van natuur inclusieve landbouw in de Landbouwvisie. Ondernemers die willen omschakelen naar vormen van landbouw die ruimte bieden voor ecologische processen en biodiversiteit toevoegen kunnen dit niet op eigen kracht. Eén van de manieren om extensivering mogelijk te maken is verlaging van de grondkosten in combinatie van vergoeding voor (nieuwe) ecosysteemdiensten. Hiermee experimenteren we al in de Groene Contour. En dat willen we uitbreiden naar de overgangsgebieden in kader van Natura2000 en de Regionale Veenweide Strategie. Lopende onderzoeken Ten aanzien van stikstof en tal van aanpalende onderwerpen lopen vele onderzoekstrajecten. Een aantal daarvan zijn voor nu het vermelden waard, het is ondoenlijk volledig te zijn. Daarnaast vinden herberekeningen plaats naar de effecten van de bronmaatregelen van het Rijk.
Dit omdat besloten is uit te gaan van gekarteerde oppervlakten aan habitats in plaats van hexagonen en omdat sommige bronmaatregelen van het Rijk in de eerdere analyses een andere invulling hebben gekregen dan in de Kamerbrief van april 2020 was opgenomen. Dit kan leiden tot aangepaste of andere conclusies. Daarnaast vindt er een jaarlijkse actualisatie van AERIUS plaats. In navolging op een onderzoek van begin 2021 naar de mogelijke bijdrage van het natuurinclusief inrichten van overgangsgebieden rondom Natura2000-gebieden bekijkt het ministerie momenteel samen met provincies in hoeverre dit zinvol is om te doen. In IPO-verband worden nieuwe stikstofanalyses uitgevoerd, waarvan de resultaten naar verwachting medio 2022 beschikbaar zijn. Daarnaast worden voor de Natura2000-gebieden natuurdoelanalyses voorbereid die belangrijke informatie moeten gaan leveren voor de gebiedsplannen en de (aan te passen) beheerplannen. De richtlijnen voor het opstellen van die analyses zijn naar verwachting begin 2022 gereed, en men hoopt dat de analyses zelf in de loop van 2022 gereed zijn. De RUD heeft in opdracht van de provincie Utrecht analyses uitgevoerd naar de bronnen voor stikstofdepositie op de Natura2000-gebieden.
De resultaten worden eind 2021 verwacht, en samen met de eerdere analyseresultaten gaat dit ons helpen in het kiezen van de juiste maatregelen, waarbij de effectieve en efficiënte inzet van middelen van groot belang is. Voor de komende jaren (tot 2030) staan in de provincie Utrecht een groot aantal woningbouwplannen gepland. Wanneer een nieuwbouwplan/project meer dan 0,00 mol/ha/jaar bijdraagt aan de stikstofdepositie op (naderend) overbelaste stikstofgevoelige natuur in Natura2000gebieden is er sprake van een in potentie significant effect waarvoor: 1. in het geval van een plan, het plan niet zondermeer kan worden vastgesteld; 2. in het geval van een project een Wnb-vergunning moet worden aangevraagd welke dan niet zondermeer kan worden verleend. De provincie Utrecht heeft TAUW gevraagd te screenen voor welke woningbouwplannen binnen de provinciegrenzen verwacht mag worden dat er een ‘mogelijk negatief effect op Natura2000gebieden’ (bijdrage > 0,00 mol/ha/jaar) ontstaat ten aanzien van stikstofdepositie. De resultaten worden begin 2022 verwacht. Dan kan ook worden bezien of dit gevolgen kan hebben voor de gebiedsgerichte aanpak.
EE
Bijlage 4 – Juridische ontwikkelingen 4.1 Wet en Programma stikstofreductie en natuurherstel Het Rijk is gestart met de ontwikkeling van een landelijk programma, waarbij middelen zijn vrijgemaakt voor natuurherstelmaatregelen en bronmaatregelen (verlaging stikstofdepositie) in N2000-gebieden. Die aanpak is vastgelegd in de ‘Wet stikstofreductie en natuurherstel’ (Wsn), die op 1 juli 2021 in werking is getreden. De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen. Het is een wettelijk vereiste dat achteruitgang van natuur blijvend voorkomen moet worden. In de Wsn zijn de omgevingswaarden12 vastgelegd die bepalen in welk tempo de stikstofdepositie in Nederland moet afnemen. In 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal de helft en in 2035 minimaal 74%. Het is mogelijk dat de doorvertaling van deze waarden naar de provincies gedifferentieerd wordt. De Wsn bepaalt dat in 2023 alle Gedeputeerde Staten aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) een gebiedsplan voorleggen, waarin de gebiedsgerichte uitwerking van de landelijke omgevingswaarde en het programma stikstofreductie en natuurverbetering zijn uitgewerkt.
Ook regelt de Wsn de tussentijdse monitoring en zo nodig bijsturing. Voor de zogeheten PAS melders en initiatiefnemers die onder het PAS vergunningvrij waren is in de Wsn bepaald dat zij alsnog gelegaliseerd worden. De Wsn maakt een gedeeltelijke vrijstelling mogelijk van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector. Programma stikstofreductie en natuurherstel De Wsn introduceert het Programma stikstofreductie en natuurherstel. Het programma voorziet in het verbeteren van de natuurwaarden en waarborgt een integrale, gecoördineerde en continue inzet om blijvend te sturen op de landelijke gunstige staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitattypen en soorten. Bij de ontwikkeling van het programma wordt tevens verkend of het zinvol is om uit de (ruimtelijke) vertaling van omgevingswaarden emissiedoelstellingen af te leiden, om zo tot heldere opgaven te komen die zijn te koppelen aan maatregelen. Rijk en provincies hebben opdracht gegeven aan kennisinstellingen om deze verkenning uit te voeren. Op basis van deze verkenning worden nadere afspraken gemaakt. Relatie Uitvoeringsprogramma Natuur van de provincie Utrecht Het Maatregelenpakket Programma Natuur is onderdeel van programma Stikstofreductie en Natuurverbetering. In het Uitvoeringsprogramma Natuur is uitgewerkt wat de inzet is op verbetering van natuur.
Provincies vertalen het dit door in de N2000-beheerplannen 4.2.1.1 Gebiedsplannen Op 1 juli 2023 worden door GS per Natura2000-gebied Gebiedsplannen aan de Minister aangeboden. Deze plannen geven inzicht in de maatregelen die getroffen zijn of gaan worden, zodat helder is in welke mate de dubbeldoelstelling uit de Wet wordt gehaald. 4.2.1.2 Autonome ontwikkelingen en bronmaatregelen In de contourennota programma stikstof en natuurherstel van het Rijk wordt het volgende geschreven over de autonome ontwikkelingen. Op basis van doorrekeningen van het Planbureau 12 De omgevingswaarden geven aan bij welk percentage van het areaal van de stikstofgevoelige habitats in N2000-gebieden de depositie
van stikstof onder de Kritische Depositie Waarde (KDW) zit. De KDW is de hoeveelheid stikstof in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten.
FF
voor de Leefomgeving (PBL) en het RIVM blijkt dat gemiddeld indicatief 120 mol/ha/jaar in 2030 vermindering van stikstofdepositie gerealiseerd wordt door staand en voorgenomen beleid. In de structurele aanpak stikstof (24 april 2020) is reeds een pakket met bronmaatregelen vastgesteld dat gericht is op stikstofreductie. Inzet is dat dit structurele pakket moet leiden tot een daling van 103 tot 180 mol/ha/jaar in 2030. Het rijk gaat ervanuit dat met de inzet van de autonome ontwikkelingen en de bronmaatregelen de KDW gerealiseerd wordt. 4.2.1.3 Legalisatie PAS-meldingen en overige meldingen De Minister van LNV en de provincies hebben op grond van de Wsn de opdracht om tezamen zorg te dragen voor het legaliseren van projecten waarvoor ten tijde van het PAS 2015–2019 geen natuurvergunning nodig was vanwege hun geringe stikstofdepositie op Natura2000-gebieden. PASmeldingen vallen daar ook onder. De wet schrijft voor dat de PAS-meldingen binnen 3 jaar na inwerkingtreding van de wet gelegaliseerd zijn. 4.2.1.4 Nieuwe regering Het is nog onduidelijk of met de uitvoering van de Wsn aan de Europese verplichtingen ten aanzien van de instandhoudingsdoelen gerealiseerd worden. Het ligt in de lijn der verwachtingen dat de doelstellingen en maatregelen uit de Wsn verder aangescherpt worden. De vorming van een nieuw kabinet en regeerakkoord moet hier meer duidelijkheid over verschaffen.
De verwachtingen van het Rijk ten aanzien van de gebiedsgerichte aanpak door de provincies zijn hooggespannen, de toepassing van bronmaatregelen in gebiedsplannen vormt een belangrijk element in de aanpak.
3.2.2. Vergunningverlening Door de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2019 over het PAS was de vergunningverlening voor projecten die stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura2000-gebieden veroorzaken, stil komen te liggen. Dit heeft geleid tot vertraging in de realisatie van projecten en maatschappelijke onrust in met name de agrarische sector en bouwwereld. Op 24 maart 2020 trad de gewijzigde ministeriële regeling Natuurbescherming met bijbehorend Stikstofregistratiesysteem (SSRS) in werking. Dit systeem maakt de vergunningverlening voor woningbouwprojecten en toestemmingsverlening voor zeven infrastructurele rijksprojecten onder voorwaarden mogelijk. Uitspraken van de Afdeling begin 2021 hebben gevolgen voor de vergunningverlening, ook voor openstaande aanvragen. Intern salderen, is door een uitspraak van de Afdeling op 20 januari 2021, onder de per 1 januari 2020 gewijzigde Wet natuurbescherming vergunningvrij gebleken. Voor zaken die zich beroepen op intern salderen, betekent dit dat zij kunnen kiezen tussen het intrekken van de lopende aanvraag of het ontvangen van een positieve weigering. In de positieve weigeringen wordt aangegeven dat geen sprake is van vergunningplicht en dat daarom geweigerd wordt om een vergunning af te geven.
De onderbouwing bij de invloed van wegverkeer op neerslag van stikstof in Natura2000-gebieden is op dezelfde datum door de Afdeling als onvolledig beoordeeld. Op 22 september 2021 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in meerdere zaken die invloed hebben op de vergunningverlening. Interprovinciaal worden de gevolgen van de uitspraken en de gevolgen voor de vergunningverlening nader afgestemd om tot consistente vergunningverlening te komen. 4.2.1.5 PAS-melders en meldingsvrije activiteiten In Utrecht zijn ongeveer 220 PAS-meldingen ingediend. Bij RVO zijn ongeveer 140 verzoeken ontvangen voor de legalisatie van een PAS-melding. Op dit moment zijn wij bezig met de
GG
beoordeling van de eerste Utrechtse dossiers die in aanmerking komen voor legalisatie. Dat gaat om gevallen die op grond van de ´Logtsebaan-uitspraak’ vergunningvrij zijn en waarvoor een positieve weigering afgegeven kan worden. Voor zaken die niet vergunningvrij zijn geldt in beginsel dat er stikstofruimte nodig is om die te kunnen legaliseren. Het tempo van legalisatie is dan afhankelijk van de mate waarin de benodigde stikstofruimte vrijkomt. Voor de meldingsvrije activiteiten worden op dit moment de plannen nader uitgewerkt in samenspraak met het Rijk. 4.2.1.6 Interim-uitbreiders In het verleden zijn bedrijven uitgebreid zonder daar vergunning voor te hebben gekregen. In deze periode vertrouwden bedrijven er op dat dit mogelijk was zonder vergunning aan te vragen. Voor deze bedrijven moet op termijn ook een oplossing worden geboden. Nog onduidelijk is hoe deze oplossing kan worden geboden en wat daarvoor nodig is. Een oplossing hiervoor kan niet zonder het Rijk. 4.2.1.7 Opzichzelfstaande vergunningssituaties Het is bij verschillende al langer lopende dossiers sterk de vraag of op basis van het huidige beleid en nu beschikbare instrumenten tot vergunbare Wnb-situaties gekomen kan worden. Mogelijk zal voor deze dossiers een doelenbank noodzakelijk zijn om tot vergunbare situaties te komen.
Omdat het om langer lopende dossiers met historie gaat, verhoogt dit de druk om tot operationele doelenbanken te komen met voldoende saldo om vergunningen te kunnen verlenen. Hoe langer dat duurt, hoe langer het kan duren om in deze gevoelige dossiers tot vergunbare situaties te komen. 4.2.1.8 Reguliere vergunningen Voor de reguliere vergunningverlening worden op dit moment voornamelijk positieve weigeringen afgeven omdat sprake is van intern salderen. Extern salderen is maar zeer beperkt mogelijk binnen de huidige beleidsregels. Voor het volledig mogelijk maken van reguliere vergunningverlening, zonder terug te moeten vallen op salderen, is het noodzakelijk om de instandhoudingsdoelen te behalen.
HH
Bijlage 5 – Doelen en kaders uit de leidraad Doelen uit de Leidraad 1. Het robuuster maken en verbeteren van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden met het doel om de verbeterde staat van instandhouding ervan te bereiken/behouden; 2. Een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw en andere maatschappelijke en economische activiteiten; 3. Een vermindering van de lokale stikstofdepositie t.b.v. doelstellingen 1 en 2.
Kaders uit de Leidraad 1. De koers die is aangegeven in de Landbouwvisie (2018) en in de Samenwerkingsagenda Landbouw (2019), is richtinggevend in de gebiedsprocessen. Aanvulling: We stellen het gebied centraal en de opgaven die daar in spelen. 2. We zetten in op een juridisch houdbare aanpak. Aanvulling: we verlenen vergunningen die langdurig houdbaar zijn en zekerheid bieden voor de toekomst – handelingsperspectief meer invulling. 3. Álle sectoren dragen bij. Uitgangspunt is dat dit een evenredige bijdrage van de depositie betreft. Aanvulling: aangevuld dat we ook provinciale bronmaatregelen moeten treffen en dat de focus aan het begin bij de landbouw ligt. 4. Daar waar mogelijk sluiten we aan bij reeds lopende gebiedsprocessen en maken we gebruik van bestaande overlegstructuren en uitvoeringsprogramma’s. Aanvulling: rol van provincie bepaald aan de hand van maatwerk per gebiedsproces. 5. Grondtransacties verlopen binnen de bestaande beleidskaders van openbaarheid, transparantie en gelijkberechtiging. Niet aangevuld 6. Bij maatregelen komt 30% vrijkomende stikstofruimte ten goede aan de natuur (benodigde daling stikstofdepositie) en 70% van de ruimte is inzetbaar voor activiteiten die ontwikkelruimte vragen. Dit sluit aan bij het landelijke beleid. Niet aangevuld 7. Het nemen van maatregelen die direct eigendommen van anderen raken, is op basis van vrijwilligheid.
Hiermee wordt invulling gegeven aan Motie 66: Niet tot gedwongen sluiting van agrarische bedrijven over te gaan op basis van provinciale stikstofregels totdat nader landelijk beleid is geformuleerd. Niet aangevuld: motie aangenomen 8. De gebiedsprocessen voorzien we van voldoende momenten van reflectie en kennisuitwisseling om er samen van te leren en bij te sturen waar nodig. Niet aangevuld
II