CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

19. (RVE) Bijlage: Concept handelingskader jan 2022.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 10 februari 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Categorie I: schriftelijke mededelingen van college of griffie23.204 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Handelingskader Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof Provincie Utrecht Inhoudsopgave Samenvatting .......................................................................................................................................... 1 1

2

Inleiding........................................................................................................................................... 2 1.1

Aanleiding ............................................................................................................................... 2

1.2

Het Handelingskader............................................................................................................... 2

1.3

Leeswijzer................................................................................................................................ 2

Aanpak vanuit een integraal perspectief ........................................................................................ 3 2.1

Integrale aanpak via gebiedsprocessen .................................................................................. 4

2.1.1 2.2

Versterken instrumentarium .................................................................................................. 9

2.2.1

Het instrumentarium ...................................................................................................... 9

2.2.2

Pilots en onderzoeken................................................................................................... 10

2.2.3

Inzichten en lessen ........................................................................................................ 11

2.3

Juridische ontwikkelingen ..................................................................................................... 12

2.3.1 3

4

Inzichten en lessen .......................................................................................................... 7

Inzichten en lessen ........................................................................................................ 13

Kaders en perspectief voor verdere uitvoering gebiedsgerichte aanpak ..................................... 15 3.1

Inleiding................................................................................................................................. 15

3.2

Kaders en perspectief ........................................................................................................... 15

Vervolgaanpak en mijlpalen.......................................................................................................... 18 4.1

Gebiedsprocessen ................................................................................................................. 18

4.2

Instrumentenkoffer............................................................................................................... 19

Bijlagen.................................................................................................................................................... A Bijlage 1 – Aanpak vanuit een integraal perspectief........................................................................... A Bijlage 2 – Integrale aanpak via gebiedsprocessen.............................................................................. I Bijlage 3 – Pilots en onderzoeken .................................................................................................... DD Bijlage 4 – Juridische ontwikkelingen ............................................................................................... FF Bijlage 5 – Doelen en kaders uit de leidraad ...................................................................................... II

Samenvatting Voor u ligt het Handelingskader Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof. Het document schetst de aangepaste en nieuwe kaders waarbinnen we de gebiedsgerichte aanpak verder vormgeven en in uitvoering brengen. Het handelingskader is afgestemd met alle gebiedspartners uit de gebiedstafels Oost- en West. Het Handelingskader bouwt voort op de Leidraad gebiedsgerichte Aanpak Stikstof welke op 15 juli 2020 door Provinciale Staten (PS) is vastgesteld. Tijdens het uitwerken van de eerste fasen uit de Leidraad constateerden we dat de bestaande kaders niet altijd toereikend zijn voor de verdere uitwerking van de gebiedsprocessen. Ook vanuit de gebiedspartners kregen we dit signaal. Voor verdere invulling van de gebiedsgerichte aanpak en de ontwikkeling van een hierbij passend instrumentarium zijn nieuwe en aangepaste kaders nodig die beter aansluiten bij de situatie in provincie Utrecht. Op basis van de uitwerking van de eerste fasen uit de Leidraad zijn voor de gebiedsprocessen en de ontwikkeling van het instrumentarium lessen en inzichten opgedaan voor effectieve en integrale invulling van het vervolg. Ook is vanuit de gebiedspartners hiervoor veel kennis en kunde ingebracht. Daarnaast hebben zich (juridische) ontwikkelingen voorgedaan die invloed hebben op de te lopen koers.

Op basis van deze lessen, inzichten en ontwikkelingen stellen we aangepaste- en nieuwe kaders voor de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof. De kaders die we in het Handelingskader stellen, omvatten in de kern het volgende; 

Het bereiken en behouden van de gunstige staat van instandhouding, en dus het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura2000-gebieden, is het uitgangspunt. In de overgangsgebieden kijken we naar alle kwaliteitseisen en drukfactoren die de instandhoudingsdoelstelling beïnvloeden. De gegevens hiervoor verkrijgen we middels een landschapsecologische systeem analyse (LESA), natuurdoelanalsyes en stikstofanalyses. De provincie Utrecht geeft gehoor aan de inspanningsverplichting voor het behalen van de landelijke omgevingswaarden. We werken aan een toekomstperspectief voor de landbouw. De landbouwvisie, en daarmee transitie naar kringlooplandbouw, is richtinggevend. De focus ligt op de blijvende agrariër en we gaan werken met de systematiek van kritische prestatie indicatoren (KPI) en langjarige overeenkomsten. We hebben aandacht voor passende vergoedingen en het stimuleren nieuwe verdienmodellen. Ook gaan we onderzoeken doen naar de mogelijkheden om agrarische hoofdfunctie los te laten en wachten we het IPO onderzoek af om per gebied een emissiedoelstelling te stellen. We werken integraal en stellen het gebied centraal. We integreren (sectorale) opgaven en gaan uit van de primaire opgaven; natuur, bodem en water, landbouw, stikstof en bodemdaling. Per gebied bepalen we samen met de gebiedspartners de aanvullende opgaven die we in de gebiedsgerichte aanpak meenemen.

Aanvullende provinciale bronmaatregelen zijn nodig om toekomstperspectief te kunnen bieden. Voor het creëren van economische en maatschappelijke ontwikkelruimte zijn aanvullende provinciale bronmaatregelen nodig. We verwachten vanuit iedere sector een bijdrage en pakken kansen om (stikstof)ruimte vrij te maken om de provinciale doelenbank te vullen. De gebiedsprocessen zijn maatwerk en per gebied kijken we naar de behoefte van gebiedspartners en welke rol de provincie inneemt. We zijn verantwoordelijk voor de vergunningverlening en het gebiedsplan. We bepalen per gebied een efficiënte aanpak en welke regierol we hier innemen. We verlenen vergunningen die langdurig houdbaar zijn en zekerheid bieden voor de toekomst. We streven naar het overeind blijven van vergunningen via goede voorbereiding. We volgen de nog te ontwikkelen kaders en eisen uit het coalitieakkoord. Informatie voor onderbouwing, bijvoorbeeld via natuurdoelanalyses, is essentieel. We volgen het Rijksprogramma voor legalisatie PAS-melders en meldingsvrije activiteiten. We brengen het totale vergunningenvraagstuk voor Utrecht in kaart en streven naar het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen om de reguliere vergunningverlening op gang te brengen.

Op basis van de kaders werken we de volgende fasen van de gebiedsgerichte aanpak uit richting een gebiedsagenda per gebied en een provinciaal gebiedsplan.

1

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De natuur in de provincie Utrecht staat onder druk. Door een sterke toename van stikstof emissie (uitstoot) en depositie (neerslag) zien we in de Natura2000-gebieden een sterke afname van belangrijke doelsoorten. De provincie Utrecht is verantwoordelijk om deze gebieden kwalitatief in stand te houden en de biodiversiteit voor toekomstige generaties te behouden en beschermen. Dit is vastgelegd in Europese afspraken. Als we op deze manier doorgaan bereiken we de gunstige staat van instandhouding niet en is de beschikbaarheid van economische en maatschappelijke ontwikkelruimte in Utrecht (zeer) beperkt. Naast stikstof kent het landelijk gebied van de provincie Utrecht meerdere opgaven. Dit biedt kansen voor een integrale aanpak, waarbij het oplossen van de stikstofproblematiek en het creëren van een toekomstperspectief in samenhang worden opgepakt. Dit vraagt om een brede transitie van het landelijk gebied op basis van natuur, landbouw, bodem en water. De provincie Utrecht geeft dit vorm via de gebiedsgerichte aanpak. In deze aanpak kijkt ze per gebied wat nodig- en mogelijk is om de aanpak vorm te geven. Voor de ontwikkeling en uitvoering van deze aanpak is zij verantwoordelijk en leidend.

In juli 2020 hebben Provinciale Staten de Leidraad Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof vastgesteld met daarin een eerste analyse van de problematiek en heldere doelen die wij samen met de partners willen bereiken: 1. Het robuuster maken en verbeteren van de stikstofgevoelige Natura2000-gebieden met het doel om de verbeterde staat van instandhouding ervan te bereiken/behouden; 2. Een duurzaam toekomstperspectief voor de landbouw en andere maatschappelijke en economische activiteiten; 3. Een vermindering van de lokale stikstofdepositie t.b.v. doelstellingen 1 en 2. Afgelopen jaar zijn we actief bezig geweest met het verder ontwikkelen van de gebiedsgerichte aanpak. Ook is meer duidelijk geworden over de opgave waar wij gezamenlijk voor staan en de richting die we hier in kiezen. Echter, ondanks de toegenomen duidelijkheid blijft een mate van onzekerheid bestaan. Er ligt een grote opgave voor het Rijk om de opgave in kaart te brengen en een richting te bepalen. Ook vanuit de provincie Utrecht dragen we hier aan bij via de keuzes die we maken in dit Handelingskader.

1.2 Het Handelingskader In de gebiedsprocessen werken we met onze partners toe naar gebiedsagenda’s. In deze agenda’s werken we per gebied de opgaven, oplossingsrichtingen en maatregelen uit en nemen we de samenwerkingsafspraken op. Daarnaast wordt in het kader van het Programma stikstofreductie en natuurherstel per provincie een gebiedsplan opgesteld. Dit plan beschrijft maatregelen die ten behoeve van de Natura2000-gebieden genomen worden, de doorrekening van deze maatregelen naar het effect op stikstofreductie en het behalen van de omgevingswaarden uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). De gebiedsagenda’s per gebied vormen belangrijke input voor dit gebiedsplan. De onderwerpen uit dit Handelingskader werken dan ook door in beide documenten. Zowel de gebiedsagenda’s als het gebiedsplan worden door Gedeputeerde Staten (GS) Utrecht vastgesteld.

1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 beschrijven we de aanpak vanuit een integraal perspectief. We beschrijven de inzichten die we de afgelopen periode vanuit de drie lijnen: de gebiedsprocessen, ontwikkeling van het instrumentarium en juridische ontwikkelingen, hebben verkregen. In hoofdstuk 3 vertalen we deze inzichten naar kaders die we nodig achten voor verdere invulling van de gebiedsgerichte aanpak en de ontwikkeling van het instrumentarium. Hoofdstuk 4 beschrijft het vervolg en de mijlpalen die we op dit moment kunnen formuleren. De bijlagen geven een meer uitgebreide beschrijving van de integrale benadering, de stand van zaken van de drie lijnen en de onderbouwing voor de inzichten. 2

2 Aanpak vanuit een integraal perspectief Afgelopen jaar zijn de eerste stappen gezet in het uitwerken van de gebiedsgerichte aanpak. In de gebiedsprocessen is een aanzet gemaakt met een integrale aanpak met daarin de natuurmaatregelen, stikstofreductie, toekomstperspectief voor de landbouw, bodemdaling/CO2-reductie, wateropgaven, en andere opgaven die in de gebieden spelen. We zijn gestart met de ontwikkeling van bijpassend instrumentarium. Ook hebben zich juridische ontwikkelingen voorgedaan die impact hebben op de te volgen koers. Op deze drie onderdelen is kennis en inzicht verworven en zijn lessen geleerd die richtinggevend zijn voor de verdere invulling van de gebiedsgerichte aanpak en de kaders die we hiervoor nodig hebben. Vooraf is het van belang te melden dat veel onderwerpen nog voortdurend in beweging zijn, en we verwachten dat dat voorlopig zo blijft. Zo is bijvoorbeeld de doorvertaling van de omgevingswaarden1 uit de Wsn naar de provincies van belang. Op de autonome ontwikkelingen en de uitvoering van de bronmaatregelen van het Rijk hebben wij vanuit de gebiedsgerichte aanpak weinig invloed. Daarnaast verwachten we herberekeningen van de stikstofanalyses, waarbij niet een geheel hexagoon waarin een stikstofgevoelig habitat gelegen is, maar het daadwerkelijke oppervlak van dat stikstofgevoelige habitat wordt meegerekend.

Ook de depositiebron wordt daarbij in beeld gebracht. Dit kan leiden tot andere uitkomsten. De provincies hebben een wettelijke verplichting om de verslechtering van habitats en soorten te voorkomen. Dit kan leiden tot een aanvullende opgave met betrekking tot het reduceren van de stikstofdepositie, gericht op het halen van de Kritische Depositiewaarde (KDW) of omgevingswaarden. Daarnaast kan het nodig zijn ook voor andere drukfactoren dan stikstof maatregelen te treffen om verslechtering te voorkomen. Afgelopen jaren is hard gewerkt aan de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden, onder andere in het kader van de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Provincie en gebiedspartners hebben daarbij onder meer gebiedsanalyses en beheerplannen opgesteld en herstelmaatregelen uitgevoerd. Dit zijn (vaak intensieve) maatregelen als verwerving, inrichting en aanpassingen in het watersysteem, om de kwaliteit van de gebieden te verbeteren. Ook buiten de Natura 2000-gebieden zijn diverse pakketten voor particulier natuurbeheer afgesloten en voeren verschillende gebieden een intensief weidevogelbeheer. Komende periode zullen de activiteiten uit het Programma Natuur hier verder op voortbouwen.

1 De omgevingswaarden geven aan bij welk percentage van het areaal van de stikstofgevoelige habitats in N2000-gebieden de depositie

van stikstof onder de Kritische Depositie Waarde (KDW) zit. De KDW is de hoeveelheid stikstof in mol per hectare per jaar waarboven verslechtering van de kwaliteit van die habitats niet op voorhand is uit te sluiten.

3

2.1 Integrale aanpak via gebiedsprocessen

Figuur 1: Stikstofgevoelige Natura2000-gebieden in de provincie Utrecht

Tien Natura2000-gebieden liggen geheel of gedeeltelijk in de provincie Utrecht, hiervan zijn er negen stikstofgevoelig (figuur 1). Voor deze gebieden zijn de eerste fasen van de gebiedsgerichte aanpak doorlopen, geclusterd in 6 processen. Zo is per gebied inzicht verkregen in de impact van de stikstofproblematiek, belangrijke opgaven die in het gebied spelen en de wijze waarop de gebiedspartijen aan deze opgaven willen en kunnen bijdragen. De belangrijkste bevindingen worden hieronder weergegeven. Voor een meer uitgebreide beschrijving verwijzen we naar bijlage 2. Deze bevindingen vormen een deel van de onderbouwing voor de kaders en randvoorwaarden die we in het handelingskader meegeven. Deelgebied 1: De Oostelijke Vechtplassen Dit deelgebied is een divers zand, klei- en veengebied van in totaal 6.475 ha. Het gebied is gelegen ten noorden van de stad Utrecht en ligt grotendeels in Noord-Holland. Deze provincie is dan ook voortouwnemer. Een gedeelte van ongeveer 2000 ha ligt op Utrechts grondgebied. Het Utrechtse deel van de Oostelijke Vechtplassen omvat een groot aantal habitattypen, waarvan veenmosrietland het meest stikstofgevoelig is. Circa 25% van het oppervlak aan stikstofgevoelige habitattypen in het Utrechtse deel van de Oostelijke Vechtplassen kent een overschrijding van de KDW. Redenerend vanuit de omgevingswaarden, conform de Wsn, is sprake van een beperkte opgave.

Echter, de KDW voor de overbelaste habitats wordt flink overschreden, gemiddeld met 65%. Het grootste deel van de depositie betreft de zogenaamde achtergronddepositie en wordt niet veroorzaakt door lokale bronnen. Er zijn dus maatregelen op regionaal of nationaal niveau nodig bovenop de maatregelen op lokaal niveau om de situatie voor de meest stikstofgevoelige habitattypen in dit gebied voldoende te kunnen verbeteren. Daarnaast is het watersysteem essentieel voor het functioneren van dit gebied en zijn maatregelen ook op dit vlak noodzakelijk. De provincie Utrecht staat aan het begin van het gebiedsproces Oostelijke Vechtplassen. Inzicht in de eisen die de gunstige staat van instandhouding stelt en wat ervoor nodig is om die te bereiken, en een goed uitgeruste instrumentenkoffer zijn essentieel om met het gebied de volgende stap te zetten.

4

Deelgebied 2: Zuidwest Dit deelgebied ligt binnen de gemeenten Vijfheerenlanden en Lopik en omvat drie Natura2000-gebieden: Uiterwaarden Lek, Zouweboezem en Lingegebied\Diefdijk-Zuid. De stikstofopgave in relatie tot de omgevingswaarde lijkt beperkt. De urgentie om ingrijpende maatregelen te nemen, zoals die er wel is in enkele andere gebieden, is daarom beperkt. Dat laat onverlet dat verslechtering van de habitats voorkomen moet worden. Daarbij moeten ook andere drukfactoren, zoals waterkwaliteit en -kwantiteit worden meegenomen. Er is een brede behoefte aan een integrale visie voor de lange termijn, gericht op een perspectief voor landbouw en natuur en oplossingen voor een aantal knelpunten dat zich voordoet Koppeling met klimaat\bodemdaling is evident. Aan de noordzijde van de Lek wordt aangesloten bij lopende projecten in het kader van natuurlijke uiterwaarden en de dijkverbetering. Aan de zuidzijde wordt een gebiedsproces gestart voor Zouweboezem en Uiterwaarden Lek (zuidzijde), en voor Lingegebied en Diefdijk-Zuid. Naast de beide gebiedsprocessen is veel winst te behalen in flankerend beleid door het faciliteren van die ondernemers die hun bedrijfsvoering willen veranderen.

Deelgebied 3: De Nieuwkoopse Plassen & De Haeck Dit deelgebied is een veengebied met een omvang van 2.008 ha. Het gebied is gelegen tussen Alphen a/d Rijn en Utrecht en ligt overwegend op Zuid-Hollands grondgebied. Een beperkt deel van 23 ha, het stuk ‘Schraallanden langs de Meije’, ligt op Utrechts grondgebied en bestaat onder meer uit stikstofgevoelig blauwgrasland. Doordat het overgrote deel van het Natura2000gebied op het grondgebied van de provincie Zuid-Holland valt sluit de provincie Utrecht aan bij de gebiedsgerichte aanpak van ZuidHolland: een integrale aanpak gericht op het Natura2000-gebied en de polders hier omheen binnen een zone van ca. 5km. Bij het opstellen van een gebiedsperspectief wordt gewerkt met een ringenbenadering. Deze benadering gaat uit van de N2000-kern met ringen eromheen van 1, 3 en 5km, af te bakenen langs nader te bepalen poldergrenzen. Deze benadering is zowel polder, als provincie overstijgend en gaat ervan uit dat de stikstofproblematiek geen geografische grenzen kent. De benadering hanteert een straal van maximaal 5 km, omdat impact van stikstofemissies op het N2000-gebied buiten deze straal beperkt is. Primaire opgaven zijn stikstofreductie, natuurherstel, reductie van CO2/bodemdaling en bijdragen aan een vitale landbouw.

Samenhangend is in deze integrale aanpak oog voor opgaven op het vlak van verdroging & kwel en het versterken van de biodiversiteit en het natuurnetwerk. Het bodem- en watersysteem staat aan de basis daarvan. De agrariërs rondom de Nieuwkoopse Plassen (coöperatie ‘Boeren met Perspectief’) hebben het voornemen gepresenteerd om zich als sector (met name de melkveehouderij) de ‘crisis uit te innoveren’. In de speciaal daarvoor opgezette pilot wordt ingezet op het langjarig verleasen van stikstofruimte, na innovatie. Daarnaast wordt als vervolg op de Proeftuin Veenweiden gewerkt aan een coaching traject in relatie tot managementmaatregelen.

5

Deelgebied 4: Botshol Dit deelgebied is een laagveengebied van 218 ha groot. Het gebied is gelegen tussen Abcoude en Vinkeveen en is verbonden met de Vinkeveense Plassen. Het gebied is gelegen op Utrechts grondgebied en ligt tegen de Noord-Hollandse provinciegrens aan. De verwachting is dat na het uitvoeren van de generieke Rijksmaatregelen en de autonome ontwikkeling nog een opgave voor het gebied bestaat om de verslechtering van de habitats tegen te gaan. De aanwezigheid van voldoende water van goede kwaliteit is daarbij een belangrijke randvoorwaarde. In de omgeving van Botshol liggen veel opgaven, ambities en programma’s, waaronder natuur, landbouw, bodemdaling en energie, waarvoor reeds verschillende gebiedsprocessen zijn gestart. De provincie Utrecht is als stakeholder bij meerdere gebiedsprocessen betrokken, zoals die van reductie van bodemdaling. Hoewel stikstof daarbij in meer of mindere mate al onderwerp van gesprek is, zijn er goede koppelkansen om ook de ambities voor stikstof in te brengen in lopende gebiedsprocessen en binnen het gebied te inventariseren welke mogelijkheden er zijn om hier een bijdrage aan te leveren. Deelgebied 5a: Kolland & Overlangbroek Dit deelgebied is een gebied van 107 ha en ligt volledig op Utrechts grondgebied.

De N2000 gebiedjes liggen op de overgang van de zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en de laaggelegen rivierkleigronden van de Kromme Rijn en Nederrijn en bestaat geheel uit het habitattype vochtige alluviale bossen. Deelgebied 5b: Rijntakken Dit deelgebied is een gebied van in totaal 23.047 ha, waarvan 1.019 ha gelegen is in de provincie Utrecht. De provincie Gelderland is voortouwnemer voor de Rijntakken. Het gebied bestaat uit delen van de uiterwaarden langs Rijn, Waal en IJssel. Het kent meerdere habitattypen, waarbij stroomdalgrasland het meest stikstofgevoelig is. Voor Kolland & Overlangbroek en de Rijntakken geldt dat, uitgaande van de thans berekende effecten van de autonome ontwikkeling en bronmaatregelen van het Rijk, de KDW en omgevingswaarde kunnen worden gehaald. Dat laat onverlet dat verslechtering van de habitats voorkomen moet worden. Het bodem- en watersysteem zijn daarbij belangrijke randvoorwaarden. Het beïnvloedingsgebied voor beide Natura2000-gebieden overlapt grotendeels, daarom is één gebiedsproces opgezet. Het gebied dat hierbij wordt betrokken bestaat uit het landelijk gebied tussen Amerongen, Leersum, Langbroek, Wijk bij Duurstede en de Nederrijn. Dit is een groter gebied dan de oorspronkelijke 5 km zone, maar ligt geografisch gezien logischer.

Een deel van de Rijntakken valt binnen de gemeente Rhenen en maakt onderdeel uit van het gebiedsproces Binnenveld. Veel agrarische percelen grenzen direct aan het Natura2000-gebied Kolland en Overlangbroek. In de gebiedsgerichte aanpak kijken we naar welke maatregelen mogelijk zijn om agrariërs in staat te stellen in te spelen op minder emissies en het vasthouden van kwel, zodat er goede balans is tussen landbouw en natuur. Deelgebied 6: Binnenveld Dit deelgebied is een blauwgraslandreservaat van 111 ha groot. Het gebied is gelegen ten zuidoosten van Veenendaal en bestaat uit twee delen waarvan de Hellen zijn gelegen in de provincie Utrecht en de Bennekomse Meent in de provincie Gelderland. Het Utrechtse deel is ca 36 ha groot en kent meerdere stikstofgevoelige habitattypen. De overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) zijn het meest stikstofgevoelig en het is de verwachting dat ook na het uitvoeren van de generieke Rijksmaatregelen de KDW en omgevingswaarde niet worden gehaald. Naast een stikstofopgave is er ook een opgave op het gebied van waterkwaliteit en -kwantiteit. 6

De druk op ruimtelijke- en sociale ontwikkelingsruimte in het Binnenveld is enorm door het grote scala aan opgaven die er spelen, uitgewerkt in programma’s en projecten. De betrokken overheden (Provincies Gelderland en Utrecht, Regio FoodValley en het ministerie van LNV) zijn gestart om samen met de gebiedspartijen te komen tot een gebiedsproces. Het gebiedsproces stelt de opgaven landbouw, natuur en recreatie als vertrekpunt en werkt verder naar een gezamenlijke richting met het gebied. Dit doen zij, onder andere, via een design-thinking aanpak waarbij gedeelde waarden van het gebied uitgangspunt zijn.

2.1.1 Inzichten en lessen De gesprekken met onze gebiedspartners, in en over de gebiedsprocessen/integrale aanpak, hebben veel inzichten gegeven. De belangrijkste noemen wij hier en krijgen een doorwerking in de kaders en het handelingsperspectief in hoofdstuk 3. Integraliteit 1) Stel de toekomst van het landelijk gebied centraal en maak stikstof een deelopgave. Er is een breed gevoelde behoefte aan visie, aan een perspectief op de toekomst. Natuur en landbouw zijn en blijven belangrijke functies voor het landelijk gebied. Ga uit van de toekomst voor het landelijk gebied, met daarbinnen verschillende opgaven. Richt je op een perspectief voor verschillende belangengroepen. 2) Een integrale aanpak van de primaire opgaven is essentieel. De primaire opgaven binnen Utrecht zijn natuur, bodem en water, landbouw, stikstof en bodemdaling. De basis voor alle opgaven is een robuust bodem- en watersysteem: bodem en water als ordenend principe. Daarbij zijn er lokaal/regionaal koppelkansen te onderscheiden, in het bijzonder op het gebied van klimaatadaptatie, kringlooplandbouw en energietransitie. Werk integraal waar het kan, sectoraal waar het moet.

Om verder te kunnen in het proces is wel duidelijkheid nodig over de omvang van de primaire en mee te koppelen opgaven voor wat betreft de reductie van stikstof- en CO2 uitstoot, zodat concrete en voor de blijvende agrariërs terug te verdienen oplossingen kunnen worden bedacht. 3) Ga voor oplossingen die bijdragen aan een duurzaam systeem voor de Natura2000-gebieden. Denk na over de duurzame mogelijkheden voor de lange termijn, in plaats van snelle en tijdelijke oplossingen voor de korte termijn. Analyseer de huidige staat van instandhouding, kijk waar deze dient te verbeteren om te komen tot een gunstige staat van instandhouding en onderzoek met de gebiedspartijen met welke maatregelen in het gebied deze bereikt kan worden. Stikstof 4) De effecten van de autonome ontwikkeling en de bronmaatregelen van het Rijk zijn niet voldoende om overal de doelen te halen. BIJ12 heeft de effecten van de autonome ontwikkeling en de bronmaatregelen van het Rijk vertaald naar de gebieden. Dit heeft inzichtelijk gemaakt of de achtergronddepositie onder de KDW komt en of de omgevingswaarde behaald kan worden. Voorzichtigheid is op zijn plek, mede omdat de landelijke omgevingswaarde nog ruimtelijk vertaald moet worden. Daarnaast zijn we afhankelijk of de autonome ontwikkelingen en de bronmaatregelen van het Rijk inderdaad gerealiseerd worden en het gewenste effect hebben.

De omgevingswaarden worden niet één op één worden vertaald naar de individuele Natura 2000gebieden. We hebben deze waarden wel gebruikt om een beeld te krijgen van de omvang van de problematiek. Duidelijk is wel dat voor Binnenveld, Botshol en de Nieuwkoopse Plassen de effecten van de Rijksmaatregelen op dit moment onvoldoende zijn om de overschrijding van de KDW teniet te doen en te voldoen aan de wettelijke omgevingswaarden. Voor de Oostelijke Vechtplassen geldt dat de omgevingswaarde gehaald wordt, terwijl de KDW voor verschillende stikstofgevoelige habitattypen nog steeds flink wordt overschreden. In Kolland & Overlangbroek,

7

Rijntakken, Uiterwaarden Lek, Zouweboezem en Lingegebied\Diefdijk-Zuid2 kunnen zowel de KDW als de omgevingswaarde gehaald worden door de effecten van de autonome ontwikkeling en de bronmaatregelen van het Rijk. Overigens kent de wet wel een ‘right to challenge’: als Rijksmaatregelen minder effect sorteren en het gebied voorstellen voor effectievere maatregelen ontwikkelt, kan men deze als alternatief aandragen3. 5) De gebiedsgerichte aanpak kan bijdragen aan een deel van de oplossing voor de stikstofproblematiek, maar generieke maatregelen zijn noodzakelijk. De mate waarin de stikstofdepositie afkomstig is van lokale bronnen verschilt per Natura2000gebied, maar in alle gevallen kan de gebiedsgerichte aanpak slechts een deel van het probleem oplossen. De stikstofproblematiek kent geen geografische grenzen en een gebiedsgerichte aanpak verder dan 5 km van het Natura2000-gebied heeft nauwelijks effect op de stikstofdepositie op het betreffende gebied. Naast de gebiedsgerichte aanpak is daarom ook een generieke aanpak nodig. 6) De gunstige staat van instandhouding is afhankelijk van meer drukfactoren dan enkel stikstof. De gunstige staat van instandhouding is afhankelijk van andere drukfactoren dan enkel stikstof, zoals grondwaterstand en de kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater.

Een overschrijding van de KDW is veelal niet de enige oorzaak van de achteruitgang van de kwaliteit van de Natura2000gebieden. Het is van belang om de samenhang tussen en effecten van de verschillende factoren te onderzoeken en de aanpak niet te beperken tot enkel het terugdringen van de stikstofdepositie. 7) Bied rechtszekerheid en een oplossing voor PAS-melders4 en interimmers. Recente gerechtelijke uitspraken leiden tot onzekerheid en onduidelijkheid over wat nu wel en niet kan. Als in gebiedsprocessen oplossingen worden gevonden waarbij vergunningverlening een rol speelt, zoals het verplaatsen van bedrijven, dan moet er sprake zijn van voldoende rechtszekerheid voor de bedrijven die daar aan deelnemen. Proces, draagvlak, kennis en kunde 8) Maak gebruik van aanwezige kennis en kunde en bestaande netwerken Er is in de gebieden en vanuit de partners veel kennis en kunde beschikbaar, dat kan beter gebundeld ingezet worden. Maak gebruik van de bestaande samenwerkingsverbanden, initiatieven vanuit de partners, maatschappelijke organisaties en sociale netwerken in de gebieden. Faciliteer kennisdelers, waaronder deskundigengroepen als de ‘broedkamers’ die vanuit het stikstofcollectief aangedragen zijn en houdt daarbij niet vast aan de provinciegrens. Kennis en inzichten gaan over de provinciegrenzen heen, interprovinciale samenwerking is daarom van belang.

9) Biedt realistische verdienmodellen en voldoende ondersteuning. De gebiedsgerichte aanpak komt alleen tot resultaat wanneer er voldoende draagvlak én draagkracht is om tot een transitie van de landbouw te komen. Draagvlak in de streek omzetten naar een aanpak met resultaten vraagt om draagkracht middels realistische verdienmodellen en ondersteuning in regelgeving en financiën voor maatregelen en investeringen die niet vanuit de streek zelf gerealiseerd kunnen worden. Dit vraagt om een bij de ambities passend en werkend instrumentarium (zowel van het Rijk als de provincie), consistentie en zekerheid in vergunningverlening. Een investering in reductie van stikstofemissie die niet bijdraagt aan meer omzet of een hogere marge op het bedrijf, wordt niet vanzelf terugverdiend. Daarvoor zal een alternatieve financiering gevonden moeten worden. 2 Binnen het Utrechtse deel is voor ca 65 hectare het habitattype nog onbekend. Dit wordt aangeduid met typecodering H9999, waarvoor de KDW wordt

gehanteerd van het meest stikstofgevoelige habitattype wat in het Natura2000-gebied aanwezig is (kalkmoeras). Inmiddels is duidelijk dat het hier niet gaat om kalkmoeras maar om veel minder stikstofgevoelige alluviale bossen. Na formele aanpassing van dit habitattype door de voortouwnemer (Gelderland) wordt ook voor dit type de KDW gehaald. 3 Met de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is artikel 1.12e aan de Wet natuurbescherming toegevoegd. 4 PAS-melders betreffen activiteiten die onder het PAS een melding hebben gedaan, daarnaast zijn er voormalige PAS-vrijstellingen die niet meldingsplichtig waren, activiteiten die onder het PAS waren vrijgesteld én geen melding hoefden te doen en als laatste interimmers waarbij activiteiten zijn uitgebreid/opgericht na aanwijzing van de Habitatrichtlijn/Vogelrichtlijn, maar vóór de implementatie in landelijke en/of provinciale regelgeving.

8

10) Pak als provincie de regie. In de gebieden spelen veel ambities, opgaven en programma’s gelijktijdig. Er is behoefte aan het koppelen van dossiers én een partij die hier duidelijk de regie neemt. Er is, in meer of mindere mate, bereidheid tot samenwerken maar dat vraagt wel een procesregisseur en een grens- en organisatie overstijgende aansturing gericht op een echte gebiedsgerichte integrale aanpak. De opgaven zijn omvangrijk, (organisatie)grensoverschrijdend en langjarig. Daarom is het van belang een organisatievorm te bepalen waarmee het mogelijk is om uitwerkingen op gebiedsniveau in goede banen te leiden. Stuur op bottom-up processen in de gebieden, maar pak ook door als het moet.

2.2 Versterken instrumentarium Afgelopen periode zijn we actief bezig geweest met de ontwikkeling van de instrumentenkoffer. Vanuit zowel ambtelijke kennis, als externe kennis vanuit de gebiedspartijen is input opgehaald. Ook zijn er diverse onderzoeken en pilots uitgevoerd die inzichten genereren voor verdere ontwikkeling van instrumenten. De belangrijkste lessen geven we hieronder weer. Deze zijn input voor de kaders.

2.2.1 Het instrumentarium We zetten in op zowel bestaand als nieuw instrumentarium en maken daarbij onderscheid tussen maatregelen voor de korte (2022) en de (middel)lange termijn (2023 en verder). De instrumenten in deze koffer zijn op alle sectoren gericht. Echter, het nieuwe instrumentarium kent een sterke focus op de landbouw vanwege de bijdrage van deze sector aan de stikstofdepositie. Bestaand instrumentarium Bij het bestaande instrumentarium denken we voor de korte termijn aan het benutten van het POP3+ programma, aansluiting op het Nationaal Strategisch Programma (NSP) voor de volgende periode van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en provinciale middelen voor klimaat (bodemdaling). Er vindt afstemming plaats met het Rijk over de inzet van instrumenten, zoals de gerichte opkoop veehouderijen, zodat er geen overlap plaatsvindt en we goede ervaringen overnemen in onze eigen instrumentenkoffer (bijvoorbeeld het Omschakelprogramma). Om dergelijke regelingen goed vindbaar te maken, richten we één loket in waar een agrariër terecht kan voor alle mogelijke regelingen (gebaseerd op meerdere provinciale opgaven). Ook onderzoeken we de mogelijkheden om ons RO-instrumentarium uit te breiden (bijvoorbeeld de huidige ruimte-voor-ruimte-regeling) en de experimenteerruimte in de provinciale omgevingsverordening in te zetten.

We willen onderzoeken of het mogelijk is om bij verbreding van agrarische ondernemers de agrarische hoofdfunctie losgelaten kan worden. Voor de (middel)lange termijn kijken we bijvoorbeeld naar het verankeren van de in te zetten instrumenten in vergunningverlening. Nieuw instrumentarium Ons instrumentarium is gefocust op de zogenoemde ‘blijvers’ onder de agrarische ondernemers. We willen hen faciliteren bij de transitie naar kringlooplandbouw. Een onderdeel daarvan is het stimuleren van nieuwe verdienmodellen en het werken met kritische prestatie indicatoren (KPI’s). Dit in combinatie met stimulerende maatregelen in de vorm van een subsidieverordening, die de transitie kunnen ondersteunen, maar ook via coaching en kennistrajecten. Voor de (middel)lange termijn werken we met langjarige overeenkomsten voor (agrarisch-)natuur en landschapsbeheer en onderzoeken we hoe dit verankerd kan worden in vergunningverlening en beleid. We hebben daarbij aandacht voor het verdienmodel met een passende vergoeding, maar ook voor de landbouwstructuur. Voor een toekomstperspectief voor natuur en landbouw zijn grondinstrumenten van belang. Zo organiseren we de juiste functie op de juiste plek en creëren we “schuifruimte” die benodigd is om de gebiedsprocessen op gang te brengen. Het stelt agrariërs in staat vorm te geven aan de gewenste ontwikkelingen.

Agrariërs die willen stoppen en die een aanzienlijke depositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden worden deels gefaciliteerd vanuit lopende Rijksregelingen (Gerichte opkoop veehouderijen en Landelijke beëindigingsregeling piekbelasters veehouderij). We onderzoeken in de grondstrategie welke maatregelen de provincie zelf aanvullend kan nemen. 9

Maatregelen Programma Natuur Parallel aan het ontwikkelen van instrumenten voor de agrarische sector, hebben we via het Programma Natuur instrumenten tot onze beschikking die specifiek gericht zijn op het robuuster maken van natuur. De uitvoering van maatregelen uit het Programma Natuur kent twee fases. Fase 1 (2021 – 2023) zet in op maatregelen in de Natura 2000-gebieden. Het gaat hierbij om verbetering van de kwaliteit van natuurgebieden, hydrologische verbetering, maatregelen in overgangszones, inclusief verbinding tussen gebieden, overige kwaliteitsmaatregelen bovenop het Natuurpact en versnelling van verwerving. In fase 2 (2023 – 2030) ligt de nadruk op maatregelen in de zogeheten overgangsgebieden. Dat zijn de gebieden rondom de N2000-gebieden die kunnen bijdragen aan een gunstige staat van instandhouding voor de stikstofgevoelige habitats, met name door een minder intensief gebruik. Stikstofbank en provinciale doelenbank Het administreren van vrijgekomen stikstofruimte gaan de provincies samen met het Rijk regelen via een stikstofbank (landelijk) en doelenbanken (provinciaal). In april 2021 zijn door de Bestuurlijke Commissie stikstof afspraken gemaakt over hoe deze bank te vullen, wie er gebruik van gaat maken en wat voor provinciale doelenbanken gesteld gaan worden.

In juli 2021 is door alle provincies besloten de stikstofbank op te nemen in de provinciale beleidsregels salderen. Om de doelenbanken te vullen zijn we bereid om bedrijven op te kopen. GS kunnen besluiten tot het instellen van een doelenbank, op dit moment is de provincie Utrecht voornemens om vier provinciale doelenbanken op te zetten: 1) 2) 3) 4)

een legalisatiebank voor zaken uit het verleden; een bank voor nieuwe projecten van provinciaal belang (bijvoorbeeld voor mobiliteit); een bank voor de pilot Boeren met Perspectief Nieuwkoopse plassen (gericht op de ambtelijke/bestuursrechtelijke variant); een bank voor gebiedsprocessen.

2.2.2 Pilots en onderzoeken Via pilots onderzoekt de provincie welk beleid en instrumentarium werkend en passend is. Er is gestart met de casuïstische pilot inzake verleasen van innovatie rondom de Nieuwkoopse Plassen. Dit doen we in samenwerking met de coöperatie ‘Boeren met Perspectief’, natuurorganisaties, Provincie Zuid-Holland en het ministerie van LNV. Een andere pilot rondom de Nieuwkoopse Plassen is het coachingstraject managementmaatregelen, gericht op uitstootreductie van zowel stikstof, als broeikasgassen. In kader van de Samenwerkingsagenda Landbouw wordt in de Kromme Rijnstreek een proeftuin Kringlooplandbouw ontwikkeld, waarbinnen de landbouw samen met overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties wil onderzoeken wat kringlooplandbouw concreet betekent en hoe de ondernemers (melkveehouders én fruittelers) de transitie naar kringlooplandbouw kunnen vormgeven. De Regiodeal FoodValley heeft een pilot opgezet rondom een meetnetwerk voor o.a. fijnstof, geur en ammoniak. In het kader van het Programma Natuur en in de concept Regionale Veenweide Strategie worden pilots opgestart rondom afwaardering agrarische gronden en verbetering van het verdienvermogen van agrarische bedrijven. In bijlage 3 staat een meer uitgebreide beschrijving van de diverse pilots. Lopende onderzoeken Er lopen veel onderzoekstrajecten in het kader van stikstof en verwante onderwerpen.

Een aantal onderzoeken die mogelijk impact hebben geven we hier weer. In navolging op een onderzoek naar de bijdrage van het natuurinclusief inrichten van overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden bekijkt het ministerie momenteel samen met provincies naar de effectiviteit hiervan. In IPO-verband worden nieuwe stikstofanalyses uitgevoerd en natuurdoelanalyses voorbereid. De resultaten komen naar verwachting in de loop van 2022 beschikbaar.

10

De RUD heeft in opdracht van de provincie Utrecht analyses uitgevoerd naar de bronnen voor stikstofdepositie op de Natura2000-gebieden. Samen met de eerdere analyseresultaten van de RUD helpt dit ons in het kiezen van de juiste maatregelen, waarbij de effectieve en efficiënte inzet van middelen van groot belang is. Komende jaren (tot 2030) staan in de provincie Utrecht een groot aantal woningbouwprojecten gepland. De provincie Utrecht (Programma versnelling woningbouw) heeft een ingenieursbureau gevraagd te screenen voor welke woningbouwplannen binnen de provinciegrenzen zij verwachten dat een ‘mogelijk negatief effect op Natura2000-gebieden’ (bijdrage > 0,00 mol/ha/jaar) ontstaat ten aanzien van stikstofdepositie. De resultaten verwachten we begin 2022.

2.2.3 Inzichten en lessen Bij een eerste inventarisatie zijn vanuit zowel ambtelijke kennis, als externe kennis van gebiedspartijen veel lessen en inzichten opgedaan. De belangrijkste noemen wij hier en laten we doorwerken in de kaders en het handelingsperspectief in hoofdstuk 3. 1) Grondinstrumenten (inclusief benodigde middelen) die grondmobiliteit op gang brengen en verplaatsing, extensivering e.d. mogelijk maken zijn essentieel. Grondinstrumenten zijn vooral bedoeld om de juiste functie op de juiste plek te krijgen en de landbouw te ondersteunen bij de benodigde ontwikkelingen. Ze bieden speelruimte in de gebiedsprocessen en brengen daardoor op gebiedsniveau oplossingsrichtingen dichterbij. Er zijn pilots nodig voor het uitproberen van ecosysteemdiensten, waarbij het grondgebruik past bij de N2000-gebieden (zie bijlage 3). Ook afwaarderen/herwaarderen en het ondersteunen van bedrijfsverplaatsing kan kansen bieden. 2) Kringlooplandbouw is richtinggevend voor de gebiedsgerichte aanpak. Als uitwerking van de provinciale Landbouwvisie moet kringlooplandbouw meer worden verbonden met de gebiedsgerichte opgaven. Daarbij kan de systematiek van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's) behulpzaam zijn (bijlage 3).

In de gebiedsprocessen brengen we in beeld hoe de bedrijven nu scoren op de (stikstof-gerelateerde) KPI's (nulmeting) en hoeveel ammoniak reductie gerealiseerd kan worden op basis van de streefwaarden die we in de Biodiversiteitsmonitor Melkveehouderij hanteren. Door gebiedsgerichte streefwaarden te bepalen voor KPI's, geven we agrariërs doelen mee en laten we het aan hun eigen vakmanschap over hoe ze daar komen. Dat biedt handelingsperspectief aan de ondernemers. Waar nodig ondersteunen we de ondernemer met onze instrumentenkoffer, het delen van kennis en coachingstrajecten. Een mogelijkheid daarbij is het ‘belonen van prestaties’, waarbij we aansluiten bij de beloningsinstrumenten via de Biodiversiteitsmonitor. Het hanteren van KPI’s biedt ons de mogelijkheid om de integraliteit en effectiviteit van maatregelen/subsidies te beoordelen. 3) Inzicht in de landbouwstructuur en verkaveling is essentieel. Een actuele landbouwanalyse is nodig en wordt in 2022 verwacht. Die zal ingebracht worden als onderdeel van de factfinding in de gebiedsprocessen. 4) Zorg voor afstemming en integratie met bestaande en toekomstige regelingen. De door de provincie te ontwikkelen subsidieregelingen voor de stikstofopgave dienen goed afgestemd, en waar mogelijk geïntegreerd, te worden met bestaande en toekomstige regelingen.

Op die manier voorkomen we dat te veel regelingen naast en los van elkaar ontstaan, benutten we mogelijke synergievoordelen en vergroten we de vindbaarheid. 5) Houd rekening met bijeffecten van de inzet op technologie. Wanneer een agrariër investeert in technologische maatregelen op zijn/haar bedrijf, dan kan dit leiden tot intensivering. Dit kan op gespannen voet staan met andere opgaven en ook leiden tot

11

lock-in.5 Desinvesteringen liggen hierbij de loer, vooral in de directe omgeving van de Natura2000-gebieden. Dit willen we voorkomen. 6) Juridische borging van technische maatregelen is belangrijk. Aansluitend liggen een aantal technische maatregelen op bedrijfsniveau, zoals stalaanpassingen, onder een juridisch vergrootglas. Aangezien dergelijk maatregelen grote investeringen vragen, is het voor agrariërs van belang dat dit type maatregel geborgd is: zowel via een vergunning als via het vastleggen van stikstofruimte die de maatregel oplevert. 7) Maak één helder informatiepunt. Maak de beschikbare instrumenten en informatie daarover makkelijk vindbaar via een loket om daarmee ondernemers zo veel mogelijk te ontzorgen bij het aanvragen van subsidies of adviesdiensten. Het landbouwportaal van de provincie Noord-Holland wordt als goed voorbeeld gezien. 8) Pilots en onderzoeken dragen bij om ontbrekende kennis in te brengen in de gebiedsprocessen. Er lopende op dit moment al verschillende pilots waarvan de uitkomsten een bijdrage kunnen leveren aan het ontwikkelen van het instrumentarium en inzichten kunnen leveren in de gebiedsprocessen. De gebiedspartners geven aan onder andere behoefte te hebben om nieuwe pilots op te zetten die inzicht geven op welke manier het gebiedsproces het beste georganiseerd kan worden en welke effecten instrumentarium en innovaties hebben.

Daarnaast is gebleken dat er nog veel informatie ontbreekt om goede analyses van de gebieden te kunnen maken.

2.3 Juridische ontwikkelingen Deze paragraaf schetst de belangrijkste ontwikkelingen die zich het afgelopen jaar op Rijksniveau hebben voorgedaan, de laatste juridische ontwikkelingen en ontwikkelingen met betrekking tot de vergunningverlening. Een uitgebreide toelichting is opgenomen in bijlage 4. Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden. De Wsn regelt onder andere de resultaatsverplichting voor stikstofreductie: in 2025 moet minimaal 40% van het areaal van de stikstofgevoelige natuur in beschermde Natura2000-gebieden een gezond stikstofniveau hebben; in 2030 minimaal 50% en in 2035 minimaal 74%. In het nieuwe coalitieakkoord wordt de wettelijke doelstelling versneld van 2035 naar 2030 en komt daarmee in lijn met het advies van het adviescollege Stikstofproblematiek (commissie-Remkes). De wet geeft de opdracht voor een programma van maatregelen om die reductie te bereiken en de natuur te herstellen, of in elk geval verslechtering te voorkomen. Ook regelt de wet de tussentijdse monitoring en bijsturing waar nodig. De wet maakt een gedeeltelijke vrijstelling van de natuurvergunningplicht voor het aspect stikstof voor activiteiten van de bouwsector mogelijk.

Het is niet vanzelfsprekend dat met de uitvoering van de Wsn aan de Europese verplichtingen ten aanzien van de instandhoudingsdoelen voldaan wordt. De Wsn bepaalt dat vóór 1 juli in 2023 alle provincies (op het niveau van GS) aan de minister een gebiedsplan voorleggen, waarin de gebiedsgerichte uitwerking van de landelijke omgevingswaarden en het programma stikstofreductie en natuurherstel zijn uitgewerkt. Verder staat in de Wsn opgenomen dat binnen drie jaar na inwerkingtreding van de wet er een oplossing voor de PAS-melders en meldingsvrije activiteiten gevonden is. Het Rijk is verantwoordelijk voor het vaststellen van het legalisatieprogramma en voor het beschikbaar maken van de benodigde stikstofruimte. Samen met het Rijk worden de eerste Utrechtse dossiers die in aanmerking komen

5 Wij willen voorkomen dat boeren zwaar moeten investeren op één thema (zoals stikstof), daarvoor geld moeten lenen en gedwongen zijn om de productie te

verhogen om mogelijk later weer geconfronteerd te worden met nieuwe opgaven en investeringen op andere opgaven. We beogen bedrijven te ondersteunen om integraal te verduurzamen zonder dat we het rendement en de financiering onder druk zetten.

12

voor legalisatie beoordeeld. Er wordt gewerkt aan een plan van aanpak voor de meldingsvrije activiteiten. Coalitieakkoord 2021 - 2025 Het recent uitgebrachte coalitieakkoord geeft aan dat de coalitie beoogd de natuur te beschermen, het verlies van biodiversiteit te herstellen en een perspectief aan de agrarische sector te bieden. Dit wil het Kabinet doen door te investeren in een duurzame landbouw en een robuust natuurareaal. De aanpak richt zich niet alleen op stikstof, maar ook op de (Europese) normen en opgaven van de waterkwaliteit, bodem, klimaat en biodiversiteit. Deze aanpak zal leiden tot grote aanpassingen in het landelijk gebied. Er wordt een Nationaal Programma Landelijk Gebied opgericht, dat de uitdagingen in de landbouw en natuur aanpakt. Er worden bestuurlijke afspraken gemaakt met de provincies onder welke voorwaarden het beschikbare rijksbudget wordt vrijgegeven. Gebiedsgericht wordt inzichtelijk gemaakt wat de perspectieven zijn voor verschillende vormen van landbouw en het toekomstperspectief. Om op verantwoorde wijze stikstofruimte uit te geven, wordt gewerkt met goed onderbouwde kader en eisen aan vergunningverlening. De integrale aanpak biedt op afzienbare termijn de basis voor ruimere vergunningverlening.

Recente gerechtelijke uitspraken Verschillende uitspraken van de rechtbank, waaronder die van de rechtbank Midden-Nederland, hebben gevolgen voor de vergunningverlening. Naast het legaliseren van de PAS-melders en meldingsvrije activiteiten zijn er interim-uitbreiders en ‘opzichzelfstaande vergunningssituaties’. Voor de interimmers biedt de Wsn nu geen oplossing. Het is voor enkel de provincie niet oplosbaar en vraagt om de schaal en kracht van het Rijk. De laatste categorie ‘opzichzelfstaande vergunningssituaties’ moet nog in kaart worden gebracht en vervolgens naar een oplossing worden gezocht. Het extern salderen voor nieuwe initiatieven binnen de huidige beleidsregels is maar zeer beperkt mogelijk. Dit komt doordat er nog beperkingen zijn om extern te salderen voor bedrijven die op 4 oktober 2019 beschikten over dier- of fosfaatrechten. Pas als de instandhoudingsdoelen zijn behaald kan weer rechtszekere vergunningverlening plaatsvinden. Hierbij kunnen ook beperkte toenames worden toegestaan, op voorwaarde dat de instandhoudingsdoelen niet verslechteren.

2.3.1 Inzichten en lessen 1.

De Wsn verplicht de provincies om een gebiedsplan op te stellen. De provincie heeft vanuit de Wsn de verplichting tot het opstellen van een gebiedsplan. De gebiedsagenda’s die we per Natura2000-gebied schrijven vormen gezamenlijk de input voor het provinciale gebiedsplan.

2.

Uit de Wsn volgt dat er geen verslechtering van de habitats mag plaatsvinden. Het is een wettelijk vereiste dat achteruitgang van de natuur voorkomen moet worden en dat de instandhoudingsdoelen gerealiseerd worden. Om de vergunningverlening weer op gang te krijgen is het van belang dat er maatregelen genomen worden die aantonen dat deze ten goede komen van de instandhoudingsdoelen. Er is maar beperkt ruimte binnen het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen om toenames in stikstofdepositie toe te staan ten gunste van de vergunningverlening.

3.

Door ambitieuze verwachtingen vanuit het Rijk ligt er veel druk op de gebiedsprocessen om de KDW en de omgevingswaarden te halen. Het Rijk gaat ervan uit dat met de autonome ontwikkelingen en de bronmaatregelen reducties, zoals vooraf zijn ingeschat, worden behaald. Het is de vraag of dit een realistische aanname is, aangezien op dit moment de uitvoering van de bronmaatregelen beperkt van de grond komt. De provincies hebben een inspanningsverplichting om bij te dragen aan de omgevingswaarden, waarbij de vertaling van de landelijke omgevingswaarden naar een ruimtelijke of provinciale opgave nog gaat plaatsvinden.

13

4.

Het maken van de vertaling van depositie naar emissie is essentieel. Het programma stikstofreductie en natuurherstel spreekt over een vertaling van de omgevingswaarden naar emissiedoelstellingen. Voor de gebiedspartijen is het essentieel om te kunnen werken aan emissiedoelen per Natura2000-gebied. In de gebiedsprocessen wordt dit meegenomen.

5.

Het totale vergunningenvraagstuk moet in kaart zijn. De Wsn stelt dat binnen drie jaar na inwerkingtreding de PAS melders gelegaliseerd zijn. Dit geldt ook voor de overige meldingen. Het is een zorgpunt dat de Wsn geen oplossing biedt voor de interimmers. Ook blijkt dat er agrariërs zijn die in de veronderstelling zijn dat hun vergunning voldoende is, terwijl het mogelijk is dat deze op grond van de Wnb niet langer volstaat. Dit volledige vraagstuk moet in kaart zijn, zodat naar een oplossing gezocht kan worden.

6.

De noodzaak om te komen tot houdbare vergunningverlening is evident. We willen voorkomen dat vergunningen worden ingetrokken. Door uitspraken van de rechtbank waarin RAV factoren ter discussie worden gesteld, is het onzeker wanneer de onderbouwing voldoende is. In gerechtelijke uitspraken worden in de vergunningverlening gehanteerde termen als ‘voldoende daling’ en ‘binnen afzienbare termijn’ als onvoldoende uitgewerkt beoordeeld. Om hier duiding aan te geven is het van belang om zowel gebiedsdoelstellingen te benoemen als natuurherstelplannen te maken. Ook wetenschappelijke onderbouwing van maatregelen en monitoring op de realisatie is van belang om de noodzakelijke onderbouwing te leveren. Zo moet duidelijk worden of door het treffen van maatregelen de natuurwaarden niet achteruit gaan, de stikstofdepositie voldoende daalt en de maatregelen binnen gestelde termijn worden uitgevoerd. Ook moet er duidelijkheid komen of innovaties standhouden bij de rechtbank. Om de vergunningsproblematiek op orde te brengen is het ook noodzakelijk dat het Rijk de bronmaatregelen voortvarend uitvoert, zodat er voldoende stikstofruimte voorhanden is. In het coalitieakkoord wordt gesproken over goed onderbouwde aders en eisen aan vergunningverlening. Samen met een integrale aanpak moet dit op afzien bate termijn basis bieden voor ruimere vergunningverlening.

Daarmee kan de onzekerheid die nu is ontstaan bij de agrarische sector weggenomen worden.

14

3 Kaders en perspectief voor verdere uitvoering gebiedsgerichte aanpak 3.1 Inleiding Met het vaststellen van de leidraad in juli 2020 hebben Provinciale Staten kaders bepaald voor de gebiedsgerichte aanpak (bijlage 5). Afgelopen periode hebben PS moties aangenomen ter aanvulling of aanscherping van deze kaders. Daarbij hebben we vanuit de gebiedsprocessen geleerd dat het vormgeven van de gebiedsgerichte aanpak een integrale benadering vraagt op basis van kaders met een bredere focus. De kaders uit de Leidraad blijven gehandhaafd, maar voornoemde ontwikkelingen maken aanvulling, aanpassing en aanscherping nodig. Na ieder kader volgt het bijbehorende handelingsperspectief. Met de voorgestelde kaders en perspectieven verwachten we de gebiedsgerichte aanpak verder efficiënt vorm te kunnen geven. Daarmee zijn deze kaders het vertrekpunt voor de gebiedsagenda’s; de concrete uitwerking van opgaven en bijpassende aanpak met maatregelen per gebied, die input vormen voor het gebiedsplan dat vóór 1 juli in 2023 door alle provincies (op het niveau van Gedeputeerde Staten) aan de minister voorgelegd moet worden. In het gebiedsplan worden de gebiedsgerichte uitwerking van de landelijke omgevingswaarden en het programma stikstofreductie en natuurherstel nader uitgewerkt.

3.2 Kaders en perspectief a. Kader: Het bereiken en behouden van de gunstige staat van instandhouding, en dus het halen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura2000-gebieden, is het uitgangspunt voor de gebiedsgerichte aanpak en het te ontwikkelen instrumentarium. Handelingsperspectief: We maken haalbare plannen met een integrale visie, waarbij we ook rekening houden met biodiversiteit buiten Natura 2000-gebieden. Zo komen we in de overgangsgebieden rondom de Natura 2000 tot een duurzame situatie waarin landbouw als drager van het landschap en een gezonde leefomgeving kan blijven bestaan. Juist in de overgangsgebieden is het zaak te zoeken naar de juiste balans tussen de verschillende functies. We kijken in de uitwerking van de processen naar alle kwaliteitseisen en drukfactoren die de kwaliteit van de Natura2000-gebieden beïnvloeden. Het tegengaan van verslechtering en behalen van de instandhoudingsdoelstellingen zijn het uitgangspunt. We verzamelen hier de benodigde gegevens voor via uitvoering van systeemanalyses (LESA), natuurdoelanalyses en stikstofanalyses. Aan de hand van deze informatie bepalen we maatregelen voor alle drukfactoren die van invloed zijn op de staat van instandhouding. De provincie heeft een inspanningsverplichting om met de gebiedsgerichte aanpak een bijdrage te leveren aan het halen van de landelijke omgevingswaarden.

Belangrijke ontwikkelingen die van invloed kunnen zijn op deze ambitie zijn de vertaling van de landelijke omgevingswaarden naar de provincie door Rijk en IPO en afspraken in het nieuwe regeerakkoord. b. Kader: We werken aan een toekomstperspectief voor de landbouw. Handelingsperspectief: De landbouw is en blijft een sector van belang, als voedselproducent en als belangrijke drager van het landschap en de economie van het landelijk gebied. Toekomstperspectief en een goed verdienmodel voor agrariërs is dan ook van groot belang. We onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor agrarische bedrijven of de agrarische hoofdfunctie losgelaten kan worden. De Landbouwvisie, en daarmee de transitie naar kringlooplandbouw, is richtinggevend voor de gebiedsgerichte aanpak en het te ontwikkelen instrumentarium. Daarmee leggen we de focus op de blijvende boer en instrumenten die hem/haar helpen die transitie vorm te geven. We werken een systematiek van Kritische Prestatie Indicatoren (KPI) uit waarmee we agrariërs vanuit hun kennis, kunde en vakmanschap in staat willen stellen aan onze doelstellingen te werken. Via langjarige overeenkomsten en passende vergoedingen vergroten we de

15

mogelijkheden van (agrarisch-)natuur en landschapsbeheer. Ook stimuleren we nieuwe verdienmodellen. Het IPO heeft een opdracht uitgezet bij kennisinstellingen om te komen tot emissiedoelstellingen. Deze verkenning is medio 2022 gereed. De uitkomsten van deze verkenning gebruiken we om emissiedoelstellingen per gebied te formuleren. De vergunningverlening en wetgeving zijn op dit moment ingericht rondom depositiedoelstellingen, reden waarom we deze vooralsnog aanhouden. c. Kader: We werken integraal en stellen het gebied centraal. Handelingsperspectief: Integraal werken draagt bij aan het draagvlak en aan de optimale afstemming tussen de verschillende ambities en opgaven in een gebied. Dit vraagt om gesprekken over elkaar versterkende, maar ook conflicterende zaken en het maken van keuzes. Vanuit het gebied vindt de integratie van de (sectorale) opgaven plaats: we integreren dus niet vanuit een centrale stikstofopgave de andere opgaven maar zoeken van het begin af aan naar wat er nodig is in het gebied. Om voortgang te behouden is het wel van belang focus aan te brengen: we gaan uit van primaire opgaves en bepalen we per gebied welke opgaves we verder in de gebiedsgerichte aanpak meenemen. De basis voor alle opgaven is een robuust bodem- en watersysteem: bodem en water als ordenend principe.

De primaire opgaves binnen Utrecht zijn: - Natuur - Bodem en Water (waterkwaliteit en -kwantiteit, KRW) - Landbouw (landbouwvisie, kringlooplandbouw) - Stikstof - Bodemdaling (CO2) Voor de gebied specifieke opgaven kan worden gedacht aan bijvoorbeeld energietransitie, Groen Groeit Mee of drinkwatervoorziening. In het bepalen van de aanvullende opgaven en vormgeven van de integrale aanpak staat het gebied centraal. Samen met de gebiedspartners maken we het speelveld van opgaven en koppelkansen voor het gebied in kaart en bepalen we een efficiënte aanpak met maatregelen die voor het gebied realistisch zijn. d. Kader: Aanvullende provinciale bronmaatregelen zijn nodig om toekomstperspectief te kunnen bieden. Handelingsperspectief: De generieke bronmaatregelen van het Rijk zijn onvoldoende om een perspectief voor natuur en landbouw te kunnen bieden en ruimte te creëren voor economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Hiervoor zullen we dan ook zelf aanvullende bronmaatregelen moeten treffen. Daar waar kansen liggen om (stikstof)ruimte vrij te maken leveren we vanuit de gebiedsgerichte aanpak een bijdrage aan het oplossen van knelpunten en de stagnerende maatschappelijke en economische ontwikkelingen binnen de provincie Utrecht (vullen van de provinciale doelenbank). We zijn in het kader hiervan bereid om bedrijven op te kopen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=b50fd3b9-1d6f-4dcf-84c7-b7bd450e9170