11. (AZ) bijlage UenH-strategie Vijfheerenlanden februari 2022_geconsolideerde versie.pdf
Tekst van het document
Specificatie Brandveiligheid Het objectenbestand van de gemeente Vijfheerenlanden, waarmee de VRU uitvoering geeft aan de Taakuitvoeringsovereenkomst (TUO), bestaat uit vergunning- en meldingsplichtige bouwwerken brandveilig gebruik, evenementen, AMvB Brandveiliggebruik en Basishulpverlening en Overige plaatsen (BGBOP) en bouwwerken algemeen gebruik. Deze laatste categorie objecten bestaat voor een groot deel uit industriegebouwen welke opgenomen zijn in het Activiteitenbesluit. Het objectenbestand, waarvoor de gemeente als bevoegd gezag verantwoordelijk is, komt voort uit het preventieonderzoek en wordt periodiek geactualiseerd.
34
Bijlage 10: Risicoanalyse per taakveld Risico-analyse toelichting Voor alle relevante activiteiten die in het kader van de Wabo bouwen en milieu worden uitgevoerd, is een risico inschatting gemaakt. Voor de Wabo bouwen taken wordt dit risico bepaald volgens een vaste methodiek, waarbij verschillende beoordelingscriteria in acht zijn genomen, te weten: Gezondheid: De mate waarin sprake kan zijn van aantasting van de menselijke gezondheid Veiligheid: De mate waarin sprake kan zijn van menselijk en dierlijk letsel, al dan niet met dodelijk gevolg Leefomgeving: De mate waarin de omgevingskwaliteit wordt aangetast Financieel: De hoogte van de kosten voor de gemeente Bestuurlijk: De te verwachten afbreuk en/of schade aan het imago, beeld, geloofwaardigheid en vertrouwen van burgers in het bestuurlijk apparaat en haar besluitvorming. De score is bepaald door voor elk criterium een inschatting te maken (op een schaal van 0 tot 4) van het effect van slecht naleefgedrag. Dit levert een risico inschatting op ten aanzien van de effecten van slecht naleefgedrag. Gezien het feit dat bij sommige activiteiten vaker sprake is van overtredingen en dus een grotere kans op slecht naleefgedrag, wordt aanvullend bepaald wat het risico is op slecht naleefgedrag.
Afhankelijk van het algemene risico op slecht naleefgedrag, komt er nog een vermenigvuldiging op het gemiddelde risico van het effect van slecht naleefgedrag. De prioriteit die wordt gegeven aan een activiteit is gebaseerd op het uiteindelijke gemiddelde risico. Deze prioritering is sturend voor onze inzet. De werkwijze voor het prioritair werken is te vinden in bijlage 11. Hierna geven we per onderwerp in tabellen de ingeschatte risico’s per criteria, de ingeschatte kans op slecht naleefgedrag, het gemiddelde risico en de daaraan gekoppelde prioriteit weer voor alle Wabo bouw-activiteiten. Voor de milieutaken heeft de ODRU (in overleg met de gemeente) een risicoanalyse uitgevoerd. De resultaten hiervan staan in tabel 6. De ODRU beschrijft de activiteiten in kolom 2 en het totaal van de risicoanalyse staat in kolom 3. De prioriteiten zijn aangegeven aan de hand van klassen. Klasse I is de hoogste prioriteit en klasse V is de laagste prioriteit. Doorwerking risicoanalyse In de volgende bijlage (bijlage 11) wordt de werkwijze prioritair werken toegelicht. Deze bijlage beschrijft hoe er omgegaan kan worden met de prioriteiten die gesteld zijn aan de hand van de risicoanalyse in deze bijlage.
35
1 Risicoanalyse bouwen
Activiteit
Gezondheid
Veiligheid
Leefomgeving
Financieel
Bestuurlijk
Bouwwerken onder Wkb bouwbesluittoetsvrij Woonfunctie eenvoudig Woonfunctie complex Publieke- en bedrijfsfunctie eenvoudig (bijeenkomst, gezondheidszorg, industrie, agrarisch, logies, onderwijs, sport, winkel) Publieke- en bedrijfsfunctie complex (bijeenkomst, gezondheidszorg, industrie, agrarisch, logies, onderwijs, sport, winkel) Kantoorfunctie eenvoudig Kantoorfunctie complex
0
0
2
1
1
Kans op slecht naleefgedrag Hoog
1
2
2
1
1
3
3
2,5
2
1,0
1,5
1,5
2,5
3,0
1 2
Gemiddeld risico
Prioriteit
1,0
1. Laag
Middel
1,6
1. Laag
2
Middel
2,9
1,5
1,5
Middel
1,6
2. Gemiddeld 1. Laag
3,0
2,5
3,0
Middel
3,2
3. Hoog
2
2
1
1
Middel
1,6
1. Laag
3
2
1
2
Laag
2,0
2. Gemiddeld 36
Overige gebruiksfuncties eenvoudig Overige gebruiksfuncties complex Bouwwerk geen gebouw zijnde eenvoudig Bouwwerk geen gebouw zijnde complex
1
2
2
1
1
Hoog
1,8
1. Laag
2
3
3
2
2
Laag
2,4
2. Gemiddeld
0,5
1
1
1
1
Hoog
1,2
1. Laag
1,5
2
1,5
1,5
1,5
Laag
1,6
1. Laag
Gemiddeld risico
Prioriteit
1,3
1. Laag
2. Risicoanalyse ruimtelijke ordening
Activiteit
Gezondheid
Veiligheid
Leefomgeving
Financieel
Bestuurlijk
Uitvoeren werk en werkzaamheden (aanleggen) Handelen in strijd met het bestemmingsplan regulier Handelen in strijd met het bestemmingsplan uitgebreid Handelen in strijd met het
0,0
1,0
2,0
1,0
1,0
Kans op slecht naleefgedrag Hoog
1,0
1,0
2,5
2,0
1,5
Middel
1,8
1. Laag
2,0
2,0
3,0
2,0
2,5
Laag
2,3
2. Gemiddeld
1,0
1,0
2,0
1,0
1,5
Middel
1,5
1. Laag
37
bestemmingsplan tijdelijk 3. Risicoanalyse brandveiligheid
Activiteit
Gezondheid
Veiligheid
Leefomgeving
Financieel
Bestuurlijk
Omgevingsvergunning brandveilig gebruik Melding brandveilig gebruik
2,5
3,0
2,0
2,0
3,0
Kans op slecht naleefgedrag Middel
1,0
2,0
0,0
0,5
1,5
Laag
Gemiddeld risico 2,9 1,0
Prioriteit 2. Gemiddeld 1. Laag
4. Risicoanalyse sloop
Activiteit
Gezondheid
Veiligheid
Leefomgeving
Financieel
Bestuurlijk
Sloopvergunning (o.b.v. bestemmingsplan) Slopen/veranderen in beschermd stadsen dorpsgezicht of monument eenvoudig Slopen/veranderen in beschermd stadsen dorpsgezicht of monument complex
1,0
1,0
1,0
1,0
1,0
Kans op slecht naleefgedrag Hoog
1,0
1,0
2,0
2,0
2,0
2,0
1,0
3,0
3,0
3,0
Gemiddeld risico
Prioriteit
1,3
1. Laag
Hoog
2,1
2. Gemiddeld
Middel
2,8
2. Gemiddeld
38
5. Risicoanalyse verordeningen
Activiteit
Gezondheid
Veiligheid
Leefomgeving
Financieel
Bestuurlijk
Vellen van een houtopstand In- en uitritten Reclame
0,0
0,0
3,0
0,5
2,0
Kans op slecht naleefgedrag Middel
0,0 0,0
1,0 0,0
2,0 2,0
1,0 0,5
1,5 1,0
Middel Hoog
Gemiddeld risico
Prioriteit
1,3
1. Laag
1,3 0,9
1. Laag 0. Zeer laag
39
6. Risicoanalyse milieutaken Code
Beschrijving activiteit
Totaal
Klasse/prioriteit
WM04
Autosloperij
37,1
I
WM35
Overige industrie chemisch
36,8
I
WM46
Tankstations met LPG
36,6
I
WM02
Afvalstoffen
36,0
I
WM13
Garage met tankstation
35,1
II
WM26
Loonbedrijven cat 3/4
30,9
II
WM47
Tankstations zonder LPG
29,9
II
WM32
Overige
29,8
II
WM34
Overige industrie
29,7
II
WM31
Opslag- en transportbedrijven cat 3/4
28,7
II
WM52
Vuurwerk
28,3
II
WM15
Garage zonder tankstation cat 3/4
27,9
II
WM55
Zwembaden
27,9
II
WM50
Veehouderijen varkens/kippen
27,7
II
WM29
Metaal- en elektrabedrijven cat 3/4
27,2
II
WM06
Bouw- en houtbedrijven cat 3/4
26,6
III
WM12
Drukkerijen cat 3/4
24,5
III
WM14
Garage zonder tankstation cat 1/2
24,4
III
WM01
(Chemische) Wasserijen
24,4
III
WM24
Jachthavens cat 3/4
23,9
III
WM07
Campings, bungalow- en recreatieparken
23,9
III
WM36
Overige industrie hout
21,8
III
WM21
Horecabedrijven cat 3/4
21,5
III
WM41
Schildersbedrijven
21,4
III
WM19
Glastuinbouw cat 3/4
21,2
III
WM25
Loonbedrijven cat 1/2
21,1
III
WM43
Sportcomplexen cat 3/4
19,7
III
WM09
Detailhandel en ambachtsbedrijven cat 3/4
19,6
III
WM49
Veehouderijen rundvee
19,3
III
WM03
Akkerbouw en fruitteelt
19,1
III
WM40
Rioolwaterzuiveringsinstallatie
18,9
III
WM23
Jachthavens cat 1/2
18,7
III
WM37
Paardenhouderij
18,4
III
WM08
Detailhandel en ambachtsbedrijven cat 1/2
17,9
IV
WM30
Opslag- en transportbedrijven cat 1/2
17,8
IV
WM11
Drukkerijen cat 1/2
17,7
IV
WM28
Metaal- en elektrabedrijven cat 1/2
17,6
IV
WM18
Glastuinbouw cat 1/2
17,5
IV
WM54
Woon- en kantoorverblijven en scholen
17,2
IV
WM27
Medische gezondheidszorg
16,1
IV 40
WM38
Propaanopslag
16,0
IV
WM20
Horecabedrijven cat 1/2
15,8
IV
WM17
Gezondheidszorg
15,8
IV
WM05
Bouw- en houtbedrijven cat 1/2
15,7
IV
WM33
Overige dienstverlening
14,9
IV
WM42
Sportcomplexen cat 1/2
14,5
IV
WM10
Dierenverblijf
14,2
IV
WM22
Instrument/tandtechniek
14,0
IV
WM44
Stookinstallatie
12,4
IV
WM45
Tandartsen
11,8
IV
WM51
Veehouderijen graasdieren
10,5
IV
WM53
Olietank particulier
10,2
IV
WM48
Telefooncentrale
10,1
IV
WM39
Riool- en poldergemalen
9,0
V
WM16
Gasdrukregel- en meetstations
8,8
V
41
Bijlage 11: Werkwijze prioritair werken 11.1 Aanleiding Omdat er nooit voldoende capaciteit is om alle taken uitputtend uit te voeren, betekent het opstellen van VTH beleid ook keuzes maken en prioriteiten stellen. Dit is gebeurd aan de hand van een prioriteitstelling waar een risicoanalyse aan ten grondslag ligt. Hiermee maken wij keuzes ten aanzien van de inzet van capaciteit en middelen. Dit gebeurt zowel voor het onderdeel bouwen als voor het onderdeel milieu. Om de medewerkers zo effectief mogelijk in te zetten, is bepaald welke activiteiten binnen de gemeente prioriteit hebben en welke minder (zie bijlage 10 risicoanalyse per taakveld). De inzet op activiteiten met een lage prioriteit is minder dan op activiteiten met een hoge prioriteit. Hierbij kan gedacht worden aan de diepgang van toetsing van een vergunningaanvraag of een toezichtmoment, de bezoekfrequentie van toezicht en de wijze waarop handhavingsverzoeken in behandeling worden genomen (nu doen of later inplannen). De interventiematrix in de handhavingsstrategie in bijlage 17 laat zien welke handhavingsinstrumenten de handhaver kan inzetten. De risico inschatting beperkt zich niet meer tot alleen risico’s ten aanzien van het niet voldoen aan Bouwbesluit, zoals in de oude methodiek van prioriteren wel het geval was.
Dit is ingegeven door ontwikkelingen als de komst van de Omgevingswet en de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen die maken dat er veranderingen gaan plaatsvinden in de uitvoering van VTH taken. De technische toetsing door de overheid neemt af. Er moet meer integraal gekeken worden naar veel bredere beoordelingskaders, waarin ‘ja, mits…’ het uitgangspunt wordt in plaats van ‘nee, want…’ De verwachting is dat er minder getoetst kan gaan worden volgens een vast kader en stramien en er meer maatwerk moet worden geleverd. Daarom zijn aspecten als ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘bestuurlijke gevoeligheid’ nadrukkelijker meegenomen in de risico inschatting. Binnen elke categorie is ook een onderscheid gemaakt tussen ‘eenvoudig’ en ‘complex’. Hiervoor is gekozen omdat ook binnen ogenschijnlijk eenvoudige categorieën een (grote) mate van complexiteit kan ontstaan. Denk aan bijvoorbeeld een strijdigheid met een bestemmingsplan/toekomstig omgevingsplan, een bestuurlijke gevoeligheid of omdat bepaalde activiteiten een hoge prioriteit hebben gekregen door bijvoorbeeld maatschappelijke of economische ontwikkelingen. Om te kunnen beoordelen of een aanvraag of zaak eenvoudig is, is gekozen voor de volgende richtlijnen m.b.t. bouwen en milieu: -
Een zaak omvat maximaal 4 activiteiten die onder de reguliere procedure vallen (exclusief niet-ingrijpende wijzigingen aan Rijksmonumenten). Passend binnen de (loket)criteria van de nota Ruimtelijke kwaliteit. Beslissingsbevoegdheid ligt onder mandaat op medewerkersniveau. Er zijn geen uitgebreide beheersmaatregelen nodig om omgevingsveiligheid te waarborgen. Valt ten aanzien van constructieve veiligheid niet onder risicoklasse CC-2b en hoger. Niet bestuurlijk gevoelig.
Zoals aangegeven moet er ruimte zijn voor maatwerk. De afweging of een aanvraag of zaak eenvoudig of complex is, doet de zaakverantwoordelijke daarom zelf. Bij twijfel raadpleegt de zaakverantwoordelijke een collega, netwerkmanager en/of de contactpersoon bij de opdrachtgever.
42
11.2 Scenario’s Zoals eerder vermeld kunnen de verschillende categorieën in de prioritering (zie bijlage 10) een score behalen van 0 tot 4. Waarbij nul de laagste prioriteit en inzet kent en vier de hoogste. In onderstaande figuur is dit globaal weergegeven.
Figuur 4 Scenario's prioritair werken
In het overzicht is te zien dat voor de categorieën die 0 of 1 scoren geen scenario is beschreven. Ten aanzien van deze categorieën adviseren wij om in eerste instantie de mogelijkheden tot deregulering te verkennen. Wanneer dit niet gewenst is, of door hogere regelgeving niet kan, wordt voor deze categorieën scenario 1 gehanteerd. De scenario’s hebben gevolgen voor de inzet van zowel vergunningverlening, toezicht en handhaving; dit staat hieronder verder toegelicht. Hierbij gaan we in op vermindering van inzet op de volgende activiteiten wat betreft bouwen: -
Weigeringsgronden gekoppeld aan activiteiten. Bestemmingsplan/omgevingsplan. Redelijke eisen van welstand. Omgevingsveiligheid (o.a. bouw- en sloopveiligheid, maar ook aspecten als onttrekking van grondwater bij bemaling van bouwputten). Milieu aspecten (o.a. geluid, lucht, geur, Wet natuurbescherming). Relevante beleidskaders/normen (mobiliteit, parkeren, detailhandelsbeleid, economisch beleid, enz.). Afwijkingenbeleid.
Hierna volgen drie scenario’s voor vergunningverlening, toezicht en handhaving waarmee de inzet voor activiteiten m.b.t. bouwen in de praktijk kan worden bepaald (wat doen we wel, wat doen we bewust en bestuurlijk afgestemd niet).
43
2.1 Scenario’s vergunningverlening Scenario 1 - De aanvraag wordt alleen beoordeeld op toelaatbaarheid binnen bestemmingsplan en/of overige relevante beleidsregels, waaronder afwijkingenbeleid, nota Ruimtelijke kwaliteit, parkeernota, enz. - Geen toetsing aan Bouwbesluit/Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)/bouwmeldingen (Wkb) krijgen geen inhoudelijke behandeling. - Er wordt geen (extern) advies ingewonnen over de aanvraag. - Het besluit wordt onder mandaat genomen. - Er worden alleen standaard voorschriften in de vergunning opgenomen. Scenario 2 - De aanvraag wordt beoordeeld op toelaatbaarheid binnen bestemmingsplan en/of overige relevante beleidsregels, waaronder afwijkingenbeleid, nota Ruimtelijke kwaliteit, parkeernota, enz. - Geen toetsing aan Bouwbesluit/Bbl/bouwmelding (Wkb). In aangewezen gevallen (zie tabel 1), wordt wel de constructieve veiligheid en/of brandveiligheid beoordeeld. - Op onderdelen wordt (extern) advies ingewonnen, indien noodzakelijk voor het te nemen besluit. - Het besluit wordt onder mandaat genomen. - Er worden naast standaard voorschriften ook eventuele specifieke/maatwerk voorschriften opgenomen, bijvoorbeeld op basis van een extern gegeven advies.
Categorie Woonfunctie Bijeenkomstfunctie Gezondheidszorg Agrarisch Kantoorfunctie Logiesfunctie Sportfunctie (bebouwd) Winkelfunctie Overige Bouwwerk, geen gebouw zijnde (mits, publiek toegankelijk) Tabel 1 Aangewezen gevallen
Eenvoudig X X
X
Complex X X X X X X X X X X
Scenario 3 - De aanvraag wordt integraal beoordeeld op toelaatbaarheid binnen het bestemmingsplan en overige relevante beleidsregels. - De technische toetsing aan het Bouwbesluit/Bbl wordt conform het landelijke toetsprotocol en de vergunningenstrategie uitgevoerd/bouwmeldingen (Wkb) krijgen een inhoudelijke behandeling conform het landelijk toetsprotocol. - Er wordt (extern) advies ingewonnen over de toelaatbaarheid bij afwijking van het bestemmingsplan of ander beleid, waaronder ook provinciale (beleids)regels. - Een besluit van een ander bevoegd gezag (verklaring van geen bedenkingen) en/of een advies van een aangewezen adviseur wordt betrokken bij het te nemen besluit. - Er worden standaard en/of op het project toegespitste voorschriften opgenomen in de vergunning.
44
2.2 Scenario’s toezicht Scenario 1 - Er wordt alleen (administratief) toezicht gehouden op uiterlijke kenmerken en vooraf gesteld uitgangspunten/voorschriften uit de vergunning bij de afronding van het project (afschouwen vanwege termijn openstaand dossier, dan wel vanwege gereed melding). - Rapportage bevat alleen een datum van een eventuele start melding en/of de datum waarop het gereed gemeld is of is geschouwd. - Er wordt geen omgevingsanalyse en risico-inschatting ‘omgevingsveiligheid’ gemaakt. - Bij omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, gaan wij over tot intrekken, volgens het werkproces intrekken vergunningen in bijlage 25 van deze bijlagebundel. Hierbij worden uiteraard rekening gehouden met de wettelijke kaders op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Scenario 2 - Er wordt in aangewezen gevallen (zie tabel 1) toezicht gehouden op de aspecten constructieve veiligheid en brandveiligheid (eventuele inschakeling veiligheidsregio). In andere gevallen wordt alleen toezicht gehouden op uitvoeringsexcessen (bijv. bouwen in afwijking van de vergunning of bij handhavingsverzoeken). Onder de Wkb vervalt deze actie. Alleen in aangewezen gevallen vindt toezicht plaats op constructieve veiligheid en brandveiligheid op basis van meldingen. - Rapportages beperken zich tot start- en gereeddatum (of datum schouw) en toezichtmomenten.
De rapportages worden geregistreerd in het VTH systeem en/of zaaksysteem. - Er wordt een omgevingsanalyse en risico-inschatting gemaakt (dit heeft te maken met de omgevingsveiligheid die behoort tot de beoordeling van de veiligheid bij uitvoering van bouw- en/of sloopwerkzaamheden). - Bij omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, gaan wij over tot intrekken, volgens het werkproces intrekken vergunningen in bijlage 25 van deze bijlagebundel. Hierbij worden uiteraard rekening gehouden met de wettelijke kaders op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Bijlage 25 heeft alleen betrekking op het onderdeel bouwen. Scenario 3 - Er wordt gewerkt volgens een integraal toezichtprotocol (zie bijlage 16), waarvan eveneens omgevingsveiligheid een onderdeel uitmaakt. Onder de Wkb beperkt het toezicht zich tot omgevingsveiligheid tenzij er een melding binnenkomt. - Rapportages bevatten alle toezichtmomenten en verslagen van overleggen met ketenpartners, vergunninghouder en/of uitvoerende partijen. - Bij omgevingsvergunningen, die langere tijd niet worden benut, gaan wij over tot intrekken, volgens het werkproces intrekken vergunningen in bijlage 25 van deze bijlagebundel. Hierbij worden uiteraard rekening gehouden met de wettelijke kaders op grond van de Algemene wet bestuursrecht.
45
2.3 Scenario’s handhaving Scenario 1 - Overtredingen worden alleen projectmatig aangepakt (kan ook door bijvoorbeeld een betere preventieve voorlichting worden voorkomen). - Na eerste constatering wordt alleen een wrakingsbrief gestuurd. Hierin meldt het bevoegd gezag de geconstateerde overtreding, maar treedt nog niet direct op. Aangekondigd wordt dat handhaving op een later te bepalen moment (al dan niet projectmatig) alsnog wordt opgepakt (beginselplicht tot handhaving), waarbij uiteraard de mogelijkheid op het vrijwillig beëindigen van de overtreding wordt geboden. Scenario 2 - Overtredingen worden alleen gehandhaafd als een verzoek om handhaving is ontvangen en handhaving, vanwege bijzondere omstandigheden, niet kan wachten op een projectmatige aanpak. Scenario 3 - Overtredingen vragen om directe handhaving vanwege acuut gevaar en/of bijzondere omstandigheden en/of bijzondere belangen bij een snelle handhaving (bij eigen constatering of verzoek om handhaving). Toelichting bij scenario’s handhaving In alle scenario’s gaan wij allereerst het gesprek aan met de overtreder en eventuele belanghebbenden en/of melder van het handhavingsverzoek en kijken we of het opgelost kan worden door middel van mediation en/of buurtbemiddeling. Overtredingen binnen het eerste scenario worden in beginsel ‘opgespaard’ per thema/project.
Zodra er aanleiding bestaat om tot handhaving over te gaan, dan worden deze in één keer op projectmatige wijze of thematisch gehandhaafd. Aanleidingen kunnen ingegeven zijn door politieke keuzes, incidenten of een bepaalde omvang van het aantal overtredingen in bijvoorbeeld een bepaalde wijk. Over projectmatig te handhaven overtredingen worden jaarlijks bij het maken van het uitvoeringsprogramma in het jaarverslag gerapporteerd. Als er niet direct handhavend wordt opgetreden, dan wordt dit gemeld aan de verzoeker en overtreder, bijvoorbeeld door middel van een eerste waarschuwingsbrief en/of wrakingsbrief. In een later stadium wordt de zaak dan alsnog opgepakt (al dan niet projectmatig). Het tweede scenario komt overeen met het eerste. Het verschil is dat in dit geval wel direct wordt opgetreden bij een verzoek om handhaving in verband met bijzondere omstandigheden. In het derde scenario vindt handhaving direct plaats conform de beschreven werkwijze en regels. In alle gevallen worden verzoeken om handhaving beoordeeld aan de hand van de vooraf gestelde prioriteiten. Bij een lage prioriteit geldt in beginsel dat ook niet direct wordt opgetreden, maar alleen projectmatig of thematisch.
11.3 Prioritair werken bij milieutaken De ODRU voert namens de gemeente de milieutaken uit. Hiervoor hanteren zij een eigen risicoanalyse. De uitkomst van deze risicoanalyse staat in bijlage 10. Hierin is per branche bepaald welk risico er bestaat voor het milieu (niet-naleving) bij geen toezicht. Er vindt een verdere doorrekening plaats om per inrichting de milieucategorie te herleiden. Deze combinatie bepaald in welke risicoklasse een bedrijf wordt ingedeeld en de hieruit 46
voortvloeiende controlefrequentie. Bij bedrijven die vallen onder het zeer klein risico wordt de bezoekfrequentie verlaagd. Vervolgens wordt op basis van subgroepen gekozen voor specifieke toezichtsinstrumenten die aansluiten de motivatie van het niet naleven middels Computer Aided Toezicht Strategie (CATS). Uiteindelijk volgt uit deze analyse en programmering de uitvoering. Deze methode wordt ook wel Programmatisch Toezicht genoemd (zie bijlage 23, Omgevingsdienst regio Utrecht). Op basis van de expertise van de ODRU is besloten dat bij bedrijven die vallen onder het zeer klein risico de bezoekfrequentie verlaagd kan worden. In de onderstaande tabel is per risicoklasse de combinatie van de controlefrequentie en de categorie beschreven voor de milieutaken. Risicoklasse I: Zeer groot risico
Controlefrequentie/jaar 100-200%
II: Groot risico II: Groot risico III: Beperkt risico III: Beperkt risico
100% 50% 50% 20%
Categorie Afhankelijk van de activiteit
Categorie 4 en IPPC Overige inrichtingen met groot risico Categorie 3 en 4 Overige inrichtingen met beperkt risico IV: Klein risico 10% Inrichtingen met klein risico IV: Zeer klein risico 5% Inrichtingen met zeer klein risico Tabel 2 Overzicht combinatie controlefrequentie en categorie per risicoklasse
47
Bijlage 12: Uitleg / toelichting ‘Tafel van Elf’ 12.1. Toelichting De overheid wil veranderingen in de samenleving teweegbrengen door beïnvloeding van het gedrag van burgers en bedrijven. Een van de beleidsinstrumenten die de overheid hiervoor heeft is regelgeving. Met behulp van regels kan de overheid grenzen stellen aan het doen en laten van burgers en bedrijven. Regelgeving veronderstelt echter ook een zekere mate van naleving ervan door de doelgroep. De ‘Tafel van Elf’ is een hulpmiddel om de naleving van regels, wetgeving in het bijzonder, te kunnen bepalen en te kunnen verbeteren. Het is ontwikkeld door de Inspectie voor de Rechtshandhaving van het Ministerie van Veiligheid en het Sanders Instituut van de Erasmus Universiteit Rotterdam. De basis wordt gevormd door een combinatie van in de literatuur voorkomende sociaal-psychologische, sociologische en criminologische theorieën, aangevuld met algemene inzichten en praktijkervaringen op het terrein van de rechtshandhaving. De gemeente Vijheerenlanden heeft er voor gekozen om dit hulpmiddel te gebruiken bij de totstandkoming van onze regelgeving. De Tafel van Elf bestaat uit verschillende dimensies die moeten worden beschouwd als gedragswetenschappelijke variabelen die nalevingsgedrag beïnvloeden. Door ze systematisch na te lopen, vormen ze een hulpmiddel voor de wetgever om te komen tot naleefbare wetgeving.
12.2. De Tafel van Elf Dimensies van spontane naleving 1. kennis van regels Soms is de regelgeving vaag of complex. Het wordt niet begrepen door de doelgroep. Hier prevaleert communicatie boven sanctioneren 2. kosten en baten Hier is calculerend gedrag aan de orde: is een overtreding lonend? Hier past sanctioneren en communiceren, maar dan als ‘naming and shaming’ 3. mate van acceptatie Wordt het beleid door de doelgroep (burger of bedrijf) onderschreven? Betrek belangengroepen bij de formulering van het beleid. 4. normgetrouwheid Het gaat hier om respect en vertrouwen. Een moeilijk te doelgroep beïnvloeden dimensie, waarbij rekening moet worden gehouden met een sterke individualisering van de maatschappij 5. nietDe door de doelgroep ingeschatte kans op een positieve- of overheidscontrole juist een negatieve sanctionering van hun gedrag. In deze categorie bevindt zich de bewuste overtreder met een calculerend gedrag. Handhavingsdimensies 6. meldingskans De door de doelgroep ingeschatte kans dat een overtreder door een derde wordt gemeld (het verzoek om handhaving) en dat er vervolgens door de overheid daadwerkelijk wordt opgetreden 7. controlekans De kans dat daadwerkelijk wordt gecontroleerd wordt ingeschat door de doelgroep. Als de overheid “bekend staat” als één, die nauwelijks controleert of sanctioneert dan geeft dat aan het begaan van overtredingen een onjuiste impuls.
Handhavingsbeleid moet stellig zijn en uitvoeringsresultaat laten zien. Communicatie van handhavingsresultaat werkt in die zin weer preventief 48
8.
detectiekans
9.
selectiviteit
10.
sanctiekans
11.
sanctie-ernst
Als er wordt gecontroleerd, dan kan niet altijd alles worden waargenomen. In controlerapporten gaan wij altijd uit “van het moment van de controle, voor zover wij hebben kunnen vaststellen”. Die laatste zin staat symbool voor de detectiekans, dikwijls behorend bij de calculerende overtreder Bij dit item behoort het uitvoeren van toezicht op basis van een naleefstrategie, waarbij recidivisten nadrukkelijker en frequenter worden gecontroleerd. De categorie “bewuste overtreders” calculeren de pakkans al in bij de dimensies controlekans respectievelijk detectiekans In deze categorie zit het bewuste calculerende gedrag van een potentiële overtreder. De overheid kan na constatering van overtredingen sancties opleggen. Dit gebeurt echter niet altijd. Dit hangt af van zaken als het sepotbeleid, de bewijsbaarheid van overtredingen en het eventuele gedoogbeleid. Daardoor is het relevant te beoordelen in hoeverre de doelgroep verwacht straf te krijgen voor bepaalde overtredingen, ofwel naar de gepercipieerde sanctiekans. De hoogte van een sanctie heeft direct te maken met de hoogte van een dwangsom en/of de impact van bestuursdwang respectievelijk de gevolgen van een procesverbaal. Ook kosten gerechtelijke kosten kunnen een rol spelen. Het proces van sanctieoplegging kan ook bijkomende, immateriële nadelen hebben zoals het verlies van reputatie.
De hoogte en ernst van de verschillende soorten sancties zal niet op alle doelgroepen dezelfde impact hebben. De snelheid en zekerheid van sanctieoplegging kan die impact vergroten, bijv. via het beleid van lik-op-stuk.
49
Bijlage 13: Preventiestrategie Preventiestrategie is de strategie die primair ziet op het bevorderen van spontane naleving van wet- en regelgeving. Belangrijke elementen van de preventiestrategie zijn het communicatiestrategie, (voor)overleg, buurtbemiddeling en mediation. Handhaving is meer dan het corrigeren van overtredingen door het opleggen van herstellende en/of bestraffende sancties. Aan toezicht en handhaving gaan een acceptatieproces (van de gestelde norm, door burgers en bedrijven) vooraf. Dit vergt een gedegen vorm van communicatie. Zo kan er actief voorlichting worden gegeven wanneer blijkt dat bepaalde regelgeving onvoldoende bekend is. Ook kan ingespeeld worden op ontwikkelingen wanneer blijkt dat in een bepaalde branche (of objectencategorie) calculerend gedrag voorkomt. Om inzicht te krijgen in de redenen van overtreden van wet- en regelgeving wordt gebruik gemaakt van de ‘Tafel van Elf’ (zie bijlage 12) van het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid. Deze methodiek sluit aan bij de Landelijke Handhavingsstrategie (LHS). Het is een wetenschappelijk ontwikkeld model dat inzage geeft in de redenen waarom mensen de regels overtreden.
De methode laat zien dat er vóór het daadwerkelijke sanctietraject voldoende mogelijkheden zijn om middels gerichte communicatie overtredingen te voorkomen, dan wel helderheid over normen te verstrekken (mochten die onvoldoende helder zijn). De Tafel van Elf probeert het activeren van het sanctietraject te voorkomen door een verhoogde inzet op preventie. Onderin de piramide staan werkwijzen die een breed en langdurig effect hebben, het meest inwerken op ‘norm-internalisatie’ (het eigen maken van de norm) en het minst belastend zijn voor burgers en bedrijven. Helemaal in de punt ziet u handhaving in de vorm van controleren en sanctioneren. Dit is met name van belang als een stok achter de deur. De ervaring leert dat effecten van sancties alleen gunstig zijn zolang de handhaving actief is. Bovendien gaat het om een aanpak die doorgaans ingrijpender is voor burgers en bedrijven. Daarnaast is handhaving voor de overheid een kostbaar middel dat gedoseerde inzet vergt. De Tafel van Elf beschrijft dimensies van spontane naleving. De dimensies uit de Tafel van Elf vormen daarom de basis van de preventiestrategie. Dat wordt verder vormgegeven onder Figuur 5 De piramide van de Tafel van Elf invloed van de LHS. Zo wordt eenduidig sanctionerend opgetreden indien –ondanks preventie en communicatie– toch sprake is van een (herhaling van) een overtreding.
Onderdeel van preventiestrategie is verder het inschakelen van buurtbemiddeling of mediation bij bijvoorbeeld (schriftelijke) handhavingsverzoeken. Dit is aanvulling op de Tafel van Elf. In geval van handhavingsverzoeken kan buurtbemiddeling een sterkere oplossingskracht hebben dan de inzet van toezicht & handhaving. Waar mogelijk zetten we deze vorm van preventie in.
50
Bijlage 14: Communicatie strategie Vanuit het verleden is handhaving is veelal gericht op de beïnvloeding van gedrag van burgers of bedrijven, zodat deze wet- en regelgeving naleven. Deze beïnvloeding zal succesvoller zijn naarmate handhaving is gestoeld op kennis over dit gedrag en de oorzaken ervan. Ook in het gehele VTH-beleid groeit het besef dat adequate naleving van regelgeving kan worden bevorderd door de inzet van informatie en communicatie waarbij de doelen zijn de bevordering van naleving van regelgeving met als hoger doel verbetering, behoud en/of vergroting van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Als de doelgroep niet op de hoogte is van de regels, deze niet goed begrijpt, of onjuist interpreteert, kan regelgeving niet correct worden nageleefd. Voorlichting kan deze specifieke doelgroep(en) informeren over het bestaan van de regels en de juiste toepassing ervan. Als er minder onbedoelde fouten worden gemaakt bij de naleving, blijft er meer capaciteit beschikbaar voor toezicht en handhaving van overtredingen die de meeste impact hebben op de veiligheid(beleving) en impact op het woon-, werk- en leefklimaat. De communicatie vindt zo gericht mogelijk plaats aan de hand van de volgende communicatievormen: - Algemene communicatie: via websites en/of (lokale) media zo veel mogelijk mensen informeren over de regels en de toepassing daarvan.
- Doelgroepgerichte/gebiedsgerichte communicatie: een doelgroep of gebied informeren over de specifieke regels die voor gebied van toepassing zijn. - Individuele communicatie: persoonlijke voorlichting aan een burger of bedrijf over de regels en de toepassing ervan (Omgevingsloket). Gemeente Vijfheerenlanden communiceert actief: • wij kijken naar de mogelijkheden en kansen binnen de wettelijke kaders; • wij lichten inwoners en bedrijven begrijpelijk voor bij complexe en veranderende wetgeving; • wij creëren bewustwording van de wet- en regelgeving; • wij communiceren over goede voorbeelden; • wij communiceren over het initiatief; • wij leggen verantwoording af over onze resultaten en die van onze uitvoeringspartners; • wij stemmen onze communicatie af op de info-behoefte van de doelgroep; • wij stimuleren naleefgedrag door middel van communicatie; • wij beantwoorden vragen over aanvragen zo snel mogelijk en begrijpelijk en communiceren van tevoren wanneer het antwoord komt; • wij communiceren ook van buiten naar binnen en willen weten welke behoefte er leeft bij onze doelgroep.
51
Bijlage 15: Vergunningenstrategie 1. Inleiding Deze bijlage beschrijft de strategieën voor vergunningverlening voor diverse activiteiten. Vanuit een risicoanalyse en de prioriteitenstelling volgt een bepaald toetsingsniveau voor diverse activiteiten. In dit beleidsplan worden de toetsingsprotocollen per taakveld gespecificeerd zodat het toetsingsproces transparant en voorspelbaar is voor zowel de gebruikers als voor de klanten. 1.2 Doelstelling Het doel van het toetsingsprotocol is om de verlening van vergunningen transparanter te maken en uniformiteit in de toetsing te bewerkstelligen. Met het toetsingsprotocol legt de gemeente zichzelf voor iedere vergunning een minimum toetsingsniveau op. Het bestuurlijk vaststellen van de toetsingsniveaus van de diverse voorschriften zodat de vergunningverlening op een verantwoorde wijze plaats vindt. Hierdoor kunnen ook de medewerkers afgewogen en expliciete keuzes maken bij het toetsen van vergunningaanvragen en meldingen. 1.3 Uitgangspunten bij beoordelingen van vergunningen en meldingen Het toetsingsprotocol heeft uitsluitend betrekking op de voorschriften zoals opgenomen in de betreffende wet- en regelgeving. De mate van toetsen wordt bepaald door het effect dat een calamiteit met zich meebrengt, de kans dat deze zich voordoet én de bestuurlijke prioriteit.
1.3.1 Informatieverstrekking en vooroverleg Voordat een principeverzoek of complete aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, komt het regelmatig voor dat een aanvrager vooraf overleg wil over de haalbaarheid van zijn plan (voor een concreet initiatief). Vaak wordt in eerste instantie het verzoek gedaan bij de balie of bij een betrokken medewerker waarbij de initiatiefnemer het project toelicht en de mogelijke vereiste vergunningen of meldingen worden besproken, met de bijbehorende procedures. Bij het principeverzoek wordt globaal gekeken naar de (ruimtelijke) haalbaarheid en inpasbaarheid van het plan. Hierbij is vaak het bestemmingsplan leidend, aangevuld met ander lokaal beleid (bijv. ruimtelijke kwaliteit). Na het vooroverleg is het voor de initiatiefnemer duidelijk of een later in te dienen aanvraag om vergunning kans van slagen heeft en welke procedure hiermee is gemoeid. Als het plan aangepast moet worden, wordt duidelijk aangegeven op welke onderdelen dit dan dient te gebeuren. 1.3.2 Indieningsvereisten De indieningvereisten voor aanvragen om vergunningen, ontheffingen en meldingen zijn opgenomen in diverse regelingen, zoals de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor), het Activiteitenbesluit en/of het Bouwbesluit 2012.
In bijzondere gevallen kunnen voor de beoordeling andere gegevens nodig zijn dan in specifieke regelingen is opgenomen of wanneer er geen indieningvereisten zijn vastgesteld. Op grond artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan het college om (specifieke) aanvullende gegevens vragen. In het geval een aanvraag niet voldoet aan de indieningsvereisten kan deze niet ontvankelijk worden verklaard. Dit betekent concreet dat de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen. Voordat dit gebeurt wordt de aanvrager altijd eerst in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen een aangegeven termijn aan te vullen. 1.3.3 Overige uitgangspunten Als algemene leidraad voor de toetsing van vergunningen geldt dat uit de ingediende gegevens altijd voldoende aannemelijk moet zijn dat aan de geldende regelgeving wordt 52
voldaan. De gemeente zorgt ervoor dat zij zelf voldoende kennis op de diverse disciplines bezit of inhuurt zodat de gemeente zich er altijd van kan vergewissen of rapporten en adviezen van derden voldoen aan de regelgeving. 1.3.4 Interne en externe afstemming Integrale vergunningverlening is een onderdeel van de dienstverlening van een gemeente. Een adequate interne afstemming is nodig om aanvragen binnen de wettelijke termijnen compleet af te handelen en draagt daardoor in grote mate bij aan de klantbeleving van de dienstverlening. Dit behelst in eerste instantie een goede afstemming, zowel tussen vergunningverleners en andere interne betrokkenen, als tussen vergunningverlener, toezichthouder, handhaver en adviseurs. Deze afstemming is van wezenlijk belang voor een eenduidige, uniforme toetsing en optreden naar buiten toe. Hiervoor zijn werkprocessen opgesteld en werkafspraken gemaakt. Afstemming en adviesmomenten zijn verwerkt in deze werkprocessen en -afspraken. De werkprocessen en -afspraken die de organisatie aangaan worden in een afzonderlijk document vastgelegd. Deze dynamische uitwerking is een reactie van de organisatie op de bestuurlijke keuzes in dit beleidsplan. Externe afstemming is van belang om te komen tot een optimaal en integraal resultaat in zowel vergunningverlening, toezicht als handhaving.
De samenwerkende partners (waterschap, politie, veiligheidsregio, omgevingsdienst, provincie, ministerie enz.) benutten zo de specifieke deskundigheid, ondersteuning, aanvulling en informatie over en weer. Ook het overleg met adviseurs van aanvragers, zoals architecten, milieuadviseurs etc., zal veelal nodig zijn en bijdragen aan het gewenste eindresultaat. Onder de Omgevingswet bestaat er advies met instemmingsrecht van andere bestuursorganen. Hier volgt een voorbeeld met betrekking tot Rijkswaterstaat. Onder de Omgevingswet geeft de gemeente de omgevingsvergunningen af voor vergunningplichtige activiteiten in de ‘droge’ beperkingsgebieden (gebieden langs snelwegen waarvoor vanuit Rijkswaterstaat beperkingen gelden). De afstemming met Rijkswaterstaat betreft advies met instemmingsrecht. 1.4 Uitwerking per beleidsveld 1.4.1 Algemeen Meldingen In veel wet- en regelgeving worden de laatste jaren vergunningstelsels vervangen door een systeem van meldingen. Door het stellen van algemeen verbindende regels, is het aanvragen van een vergunning minder vaak nodig. Deze transitie vindt al jaren plaats in de milieuwetgeving. Ook voor het brandveilig gebruiken en slopen is een systeem van meldingen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Bij meldingen gaat de wetgever er van uit dat voor bepaalde activiteiten volstaan kan worden met een mededeling (melding) aan het bevoegd gezag.
Aan het bevoegd gezag is het de taak te beoordelen of de activiteit inderdaad meldingsplichtig is en of de melding volledig is ingediend. Een volledige inhoudelijke toetsing van een melding past niet binnen de systematiek van de meldingsplicht. Echter, een inhoudelijke toetsing van een melding vindt wél plaats voor wat betreft de relevante feiten van het gemelde bedrijf. Het accent van de taken van de gemeente met betrekking tot meldingen verplaatst zich naar het uitvoeren van toezicht. In het handhavingsbeleid wordt voor toezicht en handhaving daarop ingegaan. Het algemene uitgangspunt voor de behandeling van meldingen is als volgt: 1.) Toets volledigheid: is de melding volledig ingediend? 2.) Toets aannemelijkheid: is voldoende aannemelijk dat de melding overeenkomt met het werkelijk (voorgenomen) gebruik of de (voorgenomen) uitvoering van werken? Een uiterst globale schouwing op basis van ervaring. 53
3.) 4.) 5.)
Toets: de ingediende gegevens worden niet inhoudelijk getoetst, tenzij wettelijk voorgeschreven. Maatwerkvoorschriften: globale beoordeling of mogelijk maatwerkvoorschriften nodig zijn. Gebruiksmeldingen: toetsen op volledigheid. Aansluitend wordt de meldingen betrokken in het periodiek toezicht op brandveiligheid.
In het uitvoeringsprogramma VTH kan het college voor specifieke onderdelen van de melding ervoor kiezen enkele gegevens toch vooraf te toetsen en bij strijdigheden de melder hierover te berichten. Hierdoor kunnen achteraf, bij handhaving, mogelijke problemen worden voorkomen. Behandeling melding (ongewoon) voorval De Wet Milieubeheer verplicht bedrijven tot melding van ‘ongewone’ voorvallen. Het begrip ongewoon is hierbij heel ruim gesteld; elke verstoring waarbij sprake is van milieuschade of het dreigen daarvan moet zo spoedig mogelijk aan het bevoegd gezag worden gemeld. Het tijdstip en de wijze van melden zijn gelijk voor ieder voorval, ongeacht de ernst ervan. 1.4.2 Vergunningenstrategie Bouwen Toets Bouwbesluit In het Bouwbesluit zijn voorschriften opgenomen waaraan een bouwwerk moet voldoen. Voor wat betreft de beoordeling van aanvragen omgevingsvergunning is het Bouwbesluit onderverdeeld in de hoofdstukken Veiligheid, Gezondheid, Bruikbaarheid, Energiezuinigheid en Milieu en Installaties. Het is onmogelijk om alle bouwwerken en onderwerpen uit het Bouwbesluit 100% te toetsen. Dit vraagt te veel middelen en personele capaciteit. Ook betekend dit dat de aanvrager zeer veel gegevens dient te overleggen, wat niet in verhouding staat tot de aanvraag.
Om te voorkomen dat bij de toetsing willekeur optreedt, is het noodzakelijk afspraken te maken om te komen tot een aanvaardbaar toetsingsniveau. Het Bouwbesluit maakt onderscheid tussen verschillende gebruiksfuncties. De voorschriften voor de verschillende bouwwerken zijn onderverdeeld in verschillende thema’s. De voorschriften kunnen wat betreft zwaarte per gebruiksfunctie verschillen. Bovendien hanteert het Bouwbesluit verschillende niveaus met betrekking tot deze voorschriften. Bij verandering van zowel het gebruik als de technische staat van een bouwwerk zijn de voorschriften van het van rechtens verkregen niveau van toepassing, wat weer nooit lager mag zijn dan de ondergrens, het niveau voor bestaande bouw. De dynamiek in de bouwpraktijk kan ertoe leiden dat bepaalde risico’s die door de gemaakte keuzes onderbelicht worden op enig moment toch een groter maatschappelijk gewicht gaan krijgen waardoor beleid dient te worden bijgesteld. Landelijke ontwikkelingen of lokale incidenten kunnen er toe leiden dat vanuit de rijksoverheid wordt opgelegd actie te ondernemen. Dit is eerder aan de orde geweest bij onder meer de veiligheid van platte daken, veiligheid van gevelbekleding en (spouw)ankers en brandveiligheid van woningscheidende wandconstructies. Voor dergelijke incidenten is vooraf geen toetsniveau vast te stellen. De aanpak ervan zullen wij telkens als project uitvoeren.
Risico’s moeten inzichtelijk, beheersbaar en controleerbaar zijn. Het vaststellen van de niveaus (de diepgang) waarop de activiteit bouwen moet worden getoetst, maken die risico’s beheersbaar. Door het werken met een bestuurlijk vastgestelde toetsmatrix zijn de interne risico’s afgedekt en krijgt de bestuurlijke verantwoordelijkheid zijn plaats. Daarnaast kunnen hierdoor eventuele aansprakelijkheidsstellingen worden begrensd. Het is moeilijk aan te geven wat een adequaat toetsingsniveau is. Feit is dat er ten aanzien van de toetsing van de vergunning gemotiveerd keuzes moeten worden gemaakt en prioriteiten moeten worden gesteld. De prioriteiten die de gemeente heeft gegeven aan de verschillende taakvelden zijn opgenomen in bijlage 10. 54
Bouw- en sloopveiligheid Afdeling 8.1 uit hoofdstuk 8 van het Bouwbesluit 2012 schrijft voor dat de uitvoering van bouw- en sloopwerkzaamheden op een zodanige wijze wordt uitgevoerd, dat voor de omgeving een onveilige situatie of voor de gezondheid of bruikbaarheid nadelige hinder, zo veel mogelijk wordt voorkomen. Maatregelen die de veiligheid van de omgeving moeten waarborgen dienen te worden vastgelegd in een bouw-of sloopveiligheidsplan. De gemeente gebruikt hiervoor de Landelijke Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid van Vereniging Bouw- en Woningtoezicht Nederland. In deze richtlijn zijn de voorschriften uit het Bouwbesluit 2012 nader uitgewerkt. De richtlijn heeft als doel zowel de aanvrager als het bevoegd gezag te ondersteunen om te komen tot een goed en deugdelijk bouwveiligheidsplan. Beoordelen gelijkwaardigheid De bouwregelgeving is in heel Nederland gelijk. De voorschriften uit het Bouwbesluit zijn vooral geënt op veelvoorkomende bouwwerken. Het is voor het college mogelijk af te wijken van een voorschrift als op basis van gelijkwaardigheid door de aanvrager is aangetoond dat op een andere wijze aan het voorschrift wordt voldaan. Gelijkwaardigheid moet altijd naar het genoegen van burgemeester en wethouders worden aangetoond. Dit laatste is niet zonder belang. Bij gelijkwaardigheidsvraagstukken kan de lokale situatie een belangrijke rol spelen.
Bij brandveiligheidsvraagstukken is onder meer de ligging en bereikbaarheid van het gebouw en ook de capaciteit van de lokale brandweer relevant voor de beoordeling van een voorgestelde gelijkwaardige oplossing. Dit is maatwerk waarbij een net zo veilige situatie moet worden gerealiseerd als met de geldende regelgeving is bedoeld. Daarom kan het zo zijn dat een gelijkwaardige oplossing in verschillende situaties anders moet worden benaderd. De gemeente heeft, vooral ook als het gaat over veiligheid, wettelijk een belangrijke rol en moet een zorgvuldige overweging maken om al dan niet akkoord te gaan met een gelijkwaardige oplossing. Bij complexe materie vraagt het college advies aan de deskundigen. Voor brandveiligheidsvraagstukken heeft de VRU een grote rol. Adviezen worden door de gemeente beoordeeld. In het algemeen geldt dat de gemeente zelf over voldoende kennis moet beschikken om zich ervan te vergewissen dat de inhoud van een advies geen gebreken bevat en ook in juridische procedures stand houdt. Bij conflictsituaties tussen aanvrager en de gemeente wordt advies gevraagd aan de Adviescommissie Toepassing en gelijkwaardigheid bouwvoorschriften Toets Bestemmingsplan Een aanvraag wordt ook getoetst aan de regels van het bestemmingsplan.
Indien blijkt dat een plan niet voldoet aan de regels van het geldende bestemmingsplan, wordt beoordeeld of er mogelijkheden zijn hiervan af te wijken. Dit kan zijn met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Ook kan het nodig zijn dat een aanpassing van of een nieuw bestemmingsplan nodig is. Een aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die in strijd is met planologische regels moet worden beschouwd als een aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Initiatieven die niet passen binnen de geldende regels, worden lokaal getoetst. Hiervoor zal vaak overleg nodig zijn met medewerkers ruimtelijke ordening. In voorkomende gevallen zullen zij vroegtijdig, bij het vooroverleg, in het vergunningenproces worden betrokken. Toets Ruimtelijke kwaliteit De toets aan de nota Ruimtelijke kwaliteit en Erfgoed maakt onderdeel uit van de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning met de activiteit “bouwen”. Plannen die voldoen aan de regels van het bestemmingsplan of waarvoor mogelijk kan worden afgeweken van die regels, worden vervolgens getoetst aan de nota Ruimtelijke kwaliteit en Erfgoed, indien deze in een gebied zijn gelegen waar deze nota van toepassing is. Voor deze toets wordt gebruik gemaakt van het gemeentelijke ruimtelijke kwaliteitsbeleid en vastgestelde beeldkwaliteitsplannen.
In deze stukken staan de criteria. De gemeente is ingedeeld in een aantal deelgebieden. De nota beschrijft de deelgebieden met bijbehorende toetsingsniveaus. Bepaalde gedeelten van de gemeente kunnen toets vrij zijn. In die gevallen geldt een excessenregeling. 55
1.5 Vergunningenstrategie Ruimtelijke Ordening De activiteit “afwijken van het bestemmingsplan” maakt meestal onderdeel uit van een aanvraag omgevingsvergunning met de activiteit bouwen. Het Besluit omgevingsrecht kent typen bouwwerken die ook als deze in strijd zijn met de regels van het bestemmingsplan, zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen (vergunningsvrij) gebouwd mogen worden. De situatie kan zich dus voordoen dat voor het realiseren van het bouwwerk geen omgevingsvergunning voor het bouwen nodig is, maar wel voor het afwijken van het bestemmingsplan. In die gevallen wordt dus een omgevingsvergunning verleend met uitsluitend de activiteit afwijken van het bestemmingsplan. In bestemmingsplannen en beleidsregels kan worden bepaald wanneer er sprake is van afwijkend gebruik en in welke gevallen en onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend. Er zijn verschillende soorten afwijkingen: tijdelijke afwijking: deze afwijking geldt voor maximaal 10 jaar. Bijvoorbeeld voor het neerzetten van een woonkeet bij de bouw van een woning; binnenplanse afwijking: in het bestemmingsplan staan regels voor deze afwijkingen.; buitenplanse afwijking of kruimelgevallen: kleinere afwijkingen van het bestemmingsplan. Deze afwijkingen staan in het Besluit Omgevingsrecht.
Voorbeelden zijn de uitbreiding van een woonhuis of een bijgebouw aan een woning, bedrijfsgebouwen voor boerderijen, energie en telecom en het openbaar vervoer of het wegverkeer. Ook als een gebouw op een andere manier wordt gebruikt valt kan in veel gevallen met een kruimelgeval worden meegewerkt. Afhankelijk van het soort project of activiteit moet het bevoegd gezag motiveren dat er sprake is van een goed woon-, werk- en leefklimaat. afwijkingen van het bestemmingsplan voor speciale (grotere) projecten. De aanvraag hiervoor bevat een goede ruimtelijke onderbouwing. De ruimtelijke onderbouwing moet de afwijking van het bestemmingsplan motiveren en beschrijft de aard en omvang van het project, de mate van ingrijpendheid in de ruimtelijke structuur, het geldende beleid van zowel gemeente als andere overheden, de aanwezige waarden en de milieugevolgen. De gemeente verleent medewerking aan de aanvraag als uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat de aanvraag niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening; Wanneer een aanvraag strijdig is met het bestemmingsplan moet bij de afweging of er wordt afgeweken van het bestemmingsplan de belangen van derden meenemen. Te denken valt hierbij aan boek 5 van het Burgerlijk Wetboek waarin het burenrecht is opgenomen.
1.6 Vergunningenstrategie Brandveilig gebruik De brandveiligheid in een gebouw wordt altijd bepaald door een combinatie van factoren, zoals bouwkundige kwaliteit, de installatietechnische brandbeveiligingsvoorzieningen, de organisatorische beheersmaatregelen en het feitelijk gebruik. Om het juiste niveau van brandveiligheid te behouden, zijn er, naast bouwtechnische voorschriften, voorschriften over het daadwerkelijk gebruik van het bouwwerk nodig. Het Bouwbesluit 2012 bevat landelijk geldende regelgeving over het brandveilig gebruik van bouwwerken en is van toepassing op alle bouwwerken. In de Wabo en het Bouwbesluit 2012 zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot brandveiligheid. De volgende drie situaties worden onderscheiden: 1. Omgevingsvergunning algemeen: toets en advies op activiteit bouwen, milieu; 2. Omgevingsvergunning gebruik: toets en advies op activiteit brandveilig gebruik; 3. Gebruiksmelding: Voor brandveilig gebruiken van veel gebouwen is geen omgevingsvergunning nodig, maar geldt een meldingsplicht. Basis hierbij is dat geen inhoudelijke beoordeling van gegevens meer vooraf plaatsvindt, maar voornamelijk wordt beoordeeld of de melding volledig is. In de gebruiksfase van bouwwerken wordt toezicht gehouden. Getoetst wordt op volledigheid.
56
Advies op evenementen is hier niet betrokken. Zowel bij Wabo-aanvragen als bij evenementen aanvragen wordt prioritering aangebracht die de diepgang van toetsing bepalen. 1.7 Vergunningenstrategie Milieu A. Situatieschets gemeente Vijfheerenlanden Het doel van de vergunningenstrategie milieu is om het gewenste kwaliteitsniveau van de diverse processen en werkzaamheden zo hoog mogelijk te houden en in ieder geval te laten voldoen aan de wettelijke eisen en landelijke kwaliteitscriteria. De komende beleidsperiode zal worden gebruikt om de vergunningenstrategie verder uit te werken en om tot een verdere harmonisering te komen in de uitvoering van de vergunningentaak. Binnen het bedrijvenbestand waarvoor de gemeente bevoegd gezag is, zijn twee IPPCbedrijven, 9 tankstations met een LPG installaties en enkele grotere industriële bedrijven. Binnen de gemeente is tevens 5 vuurwerkverkoop- en opslagpunt aanwezig, waarvoor de gemeente bevoegd gezag is. Het aantal provinciale bedrijven bedraagt vijf, waarvan één BRZP-bedrijf. Wat opvalt is dat bijna een derde van het aantal bedrijven een agrarisch karakter heeft en dat scholen/kantoren en detailhandel een grote groep vormen op het totale bedrijvenbestand. B. Kwetsbare objecten Naast scholen en kinderdagverblijven zijn enkele bejaardenhuizen en overige zorginstellingen verspreid over de gemeente gevestigd.
Er is geen ziekenhuis aanwezig in de gemeente. Inrichtingenbestand, ingedeeld in meldingsplichtige en vergunningplichtige inrichtingen: Het inrichtingen bestand bestaat uit ongeveer 1814 inrichtingen. Circa 191 van deze inrichtingen vallen niet onder de werking van de Wet milieubeheer. In Vijfheerenlanden zijn ongeveer 403 type A inrichtingen aanwezig, deze bedrijven hebben geen meldingsplicht maar moeten wel voldoen aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Er zijn 1177 type B inrichtingen, deze bedrijven moeten een melding indienen bij oprichting of wijziging van de inrichting. Daarnaast zijn er 14 type B inrichtingen, die naast een melding tevens een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) nodig hebben. Er zijn 30 type C inrichtingen (vergunningplichtig), waarvan drie type C inrichtingen met een IPPC-installatie. Van de overige vergunningplichtige bedrijven betreft ongeveer de helft veehouderijen en de andere helft industriële bedrijven. C. Inrichtingen met betrekking tot veiligheid In Vijfheerenlanden zijn geen inrichtingen aanwezig die vallen onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo). Wel zijn er twee Bevi-inrichtingen (Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen), namelijk twee tankstations met LPG-opslag. Er zijn geen inrichtingen aanwezig met een opslagcapaciteit van meer dan 10.000 kg gevaarlijke stoffen en er zijn 5 vuurwerkopslagplaatsen.
Bij dit soort bedrijven is in het kader van de veiligheid het volgende van belang: het naleefgedrag; het veiligheidsmanagement van de inrichting en de ligging van het bedrijf ten opzichte van kwetsbare bestemmingen. Er is een landelijke risicokaart beschikbaar waarop de risicovolle inrichtingen staan aangegeven. De omgevingsanalyse schetst een beeld van de huidige gemeentelijke bodem en grondwaterkwaliteit. Op veel plaatsen in met name het stedelijk gebied is de bodem vervuild door bewoning en industriële activiteiten die op die locaties hebben plaatsgevonden. De gemeente heeft verscheidene grond- en grondwaterverontreinigingen. 57
Op de meeste locaties is er geen risico voor de mens. Meestal is de bodem geschikt om op te wonen, te werken en te ontwikkelen. Er dient wel op gelet te worden dat de verontreiniging in de grond of het grondwater niet verplaatst wordt door grondverplaatsingen en grondwateronttrekkingen. Informatie over verontreinigingen is bekend bij de Provincie en is in te zien op Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht. Algemeen Met de inwerkingtreding van de Wabo is mogelijk gemaakt dat één omgevingsvergunning kan worden verleend voor een project dat bestaat uit verschillende activiteiten (bouw, aanleg, oprichten, gebruik). Voor het deelgebied Milieu wordt in de omgevingsvergunning ingegaan op de milieurelevante aspecten van de inrichting. Hierbij wordt aangesloten op de wetten, algemene regels, richtlijnen en verordeningen die van toepassing zijn, zoals het Activiteitenbesluit. Sinds de inwerkingtreding van het Activiteitenbesluit op 1 januari 2008 zijn steeds meer bedrijfstakken onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit komen te vallen. Hierdoor hoeven steeds minder bedrijven een omgevingsvergunning aan te vragen en kunnen steeds meer bedrijven de meer eenvoudige melding Activiteitenbesluit indienen. Inrichtingen De algemene regels van het Activiteitenbesluit en de regels met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de activiteit milieu gelden alleen voor inrichtingen.
Er is sprake van een inrichting als voldaan is aan twee voorwaarden: 1. De activiteit is een 'door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid, die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht'. 2. Er moet een categorie uit bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) van toepassing zijn. Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende soorten inrichtingen : - Inrichtingen type A; - Inrichtingen type B (met of zonder omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM)); - Inrichtingen type C; - Inrichtingen type C met een IPPC-installatie. Inrichtingen type A Dit zijn inrichtingen die minder milieubelastende activiteiten uitvoeren, zoals veel kantooren schoolgebouwen. Bij de oprichting of een wijziging van de inrichting hoeft geen melding te worden gedaan bij het bevoegd gezag. Ook is geen omgevingsvergunning milieu nodig. De inrichting valt volledig onder het Activiteitenbesluit. Los van het Activiteitenbesluit kunnen ook andere milieuregels gelden. Inrichtingen type B Dit zijn inrichtingen die bij de oprichting of een wijziging van de inrichting een melding moeten doen bij het bevoegd gezag. Er is geen omgevingsvergunning milieu nodig. Soms is er wel een OBM nodig. De inrichting valt volledig onder het Activiteitenbesluit. Los van het Activiteitenbesluit kunnen ook andere milieuregels gelden.
Voorbeelden van type B inrichtingen zijn autodemontagebedrijven, metaalbewerkende bedrijven en jachthavens. Inrichtingen type C Dit zijn inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Daarnaast moet een melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan voor de activiteiten binnen de inrichting, waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Voor die laatstgenoemde activiteiten hoeven dan geen voorschriften in de vergunning te staan. Soms hebben inrichtingen type C ook een OBM nodig. Alleen een gedeelte van het Activiteitenbesluit is van toepassing op inrichtingen type C. De rest van de milieuregels staat in de omgevingsvergunning van het bedrijf. Los van het Activiteitenbesluit en de 58
omgevingsvergunning kunnen ook andere milieuregels gelden. Voorbeelden van een type C inrichting zijn een rioolwaterzuiveringsinstallatie met slibvergistingsinstallatie of een autodemontagebedrijf dat ook vrachtwagens demonteert. Inrichtingen type C met een IPPC-installatie Dit zijn inrichtingen die een omgevingsvergunning milieu nodig hebben. Daarnaast moet een melding op grond van het Activiteitenbesluit worden gedaan voor de activiteiten binnen de inrichting, waarop hoofdstuk 3 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Voor de activiteiten die onder het Activiteitenbesluit vallen hoeven dan geen voorschriften in de vergunning staan. Een wijziging aan de IPPC-installatie zelf is nooit meldingsplichtig. Hiervoor is altijd een omgevingsvergunning milieu nodig. Soms hebben inrichtingen type C ook een OBM nodig, een OBM is echter niet nodig als de activiteit deel uitmaakt van de IPPC-installatie. Alleen een gedeelte van het Activiteitenbesluit is van toepassing op inrichtingen type C. De rest van de milieuregels staat in de omgevingsvergunning van het bedrijf. Los van het Activiteitenbesluit en de omgevingsvergunning kunnen ook andere milieuregels gelden. Soorten vergunningen Uitgebreide procedure • Oprichtingsvergunning Bij een aanvraag om oprichtingsvergunning beoordeeld. •
•
wordt de gehele inrichting
Veranderingsvergunning Bij een aanvraag om een veranderingsvergunning wordt de verandering beoordeeld en ook de algemene aspecten zoals geluid en geur waarop de verandering mogelijk invloed heeft. Een veranderingsvergunning komt naast de reeds bestaande vergunning te staan. Revisievergunning Bij de aanvraag om een revisievergunning wordt de gehele inrichting beoordeeld. Een revisievergunning vervangt de voorgaande vergunning(en) volledig.
Reguliere procedure • Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) Sinds 1 januari 2011 is een OBM verplicht voor bepaalde activiteiten die niet zomaar onder de regels van het Activiteitenbesluit kunnen vallen zonder voorafgaande toets. Die toets kan gaan over bijvoorbeeld lokale hinder (geluid, geur, luchtkwaliteit) en doelmatig beheer van afvalstoffen. De OBM bestaat uit een toestemming of een weigering. Het bevoegd gezag kan geen voorschriften aan de OBM verbinden. De voorschriften voor de OBM-plichtige activiteit staan in het Activiteitenbesluit. Door de introductie van de OBM moeten bedrijven voor bepaalde activiteiten een melding Activiteitenbesluit doen én een OBM aanvragen. De Activiteitenbesluit Internet Module (AIM) informeert bedrijven als ze activiteiten hebben geselecteerd waarvoor een OBM is vereist. • Omgevingsvergunning milieuneutrale verandering Het milieugedeelte van de omgevingsvergunning moet met de reguliere procedure worden gewijzigd als er sprake is van een verandering van de werking van de inrichting die milieuneutraal is ten opzichte van de vergunde situatie. Er wordt getoetst of er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.10, derde lid van de Wabo. Reguliere of uitgebreide procedure