CConstaterende datVijfheerenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

11. (AZ) bijlage UenH-strategie Vijfheerenlanden februari 2022_geconsolideerde versie.pdf

Raadsvergadering Vijfheerenlanden 21 april 2022, gemeente VijfheerenlandenBij agendapunt: Categorie I: schriftelijke mededelingen van college of griffie33.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Verzoek om wijziging van de voorschriften van de vergunning een vergunninghouder kan vragen om een voorschrift te wijzigen, bijvoorbeeld het 59

wijzigen van een, in zijn ogen, te streng voorschrift. Ook een derde belanghebbende kan vragen om een voorschrift te wijzigen, bijvoorbeeld een verzoek om een strenger geluidsvoorschrift. Verzoek om vergunning (gedeeltelijk) in te trekken of de vergunningvoorschriften in te trekken. De vergunninghouder kan vragen om de omgevingsvergunning (deels) in te trekken of een aantal vergunningvoorschriften. Een derde belanghebbende kan ook om intrekking van vergunde activiteiten vragen, bijvoorbeeld vanwege ondervonden hinder. Ambtshalve actualiseren van de omgevingsvergunning Op grond van art. 2.30 van de Wabo moet regelmatig worden beoordeeld of de aan de vergunning verbonden voorschriften nog voldoende actueel zijn. Denk bijvoorbeeld aan het aanscherpen van de geluidsvoorschriften op grond van de actualisatieplicht of het aanpassen van de vergunning(voorschriften) naar aanleiding van veranderde wet- en regelgeving. Ambtshalve wijziging vergunning / voorschriften Het bevoegd gezag kan ambtshalve de vergunningvoorschriften wijzigen. De gronden staan in artikel 2.31 van de Wabo. Het ambtshalve (gedeeltelijk) intrekken van de vergunning / voorschriften Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning ambtshalve (deels) intrekken. De gronden hiervoor staan in artikel 2.33 en artikel 3.23 Wabo.

Het kan bijvoorbeeld gaan om het intrekken van een vergunning die van rechtswege is verleend, indien die activiteit ernstige gevolgen voor het milieu heeft. Maatwerkvoorschriften Het Activiteitenbesluit bevat algemene regels voor milieubelastende activiteiten. Deze algemene regels kunnen in specifieke gevallen onredelijk zijn. Daarom bevat het Activiteitenbesluit de mogelijkheid om in dergelijke gevallen van de algemene regels af te wijken met maatwerkvoorschriften.

Soorten meldingen • Melding Activiteitenbesluit; • Melding Lozen buiten inrichting; • Vuurwerkbesluit (Het Vuurwerkbesluit is van toepassing naast de regels van het Activiteitenbesluit); • Melding mobiel breken bouw- en sloopafval; • Melding Besluit Bodemkwaliteit; • Melding bodemenergiesystemen (zie tabel 3). Klein gesloten bodemenergiesysteem (< 70 kW)

Groot gesloten bodemenergiesysteem (> 70 kW)

binnen inrichting

buiten inrichting

binnen inrichting

buiten inrichting

Buiten Interferentiegebied

Activiteitenbesluit

Besluit lozen buiten inrichting

Activiteitenbesluit + OBM

Besluit lozen buiten inrichting + OBM

Binnen Interferentiegebied

Activiteitenbesluit + OBM

Besluit lozen buiten inrichting + OBM

Activiteitenbesluit + OBM

Besluit lozen buiten inrichting + OBM

Milieubescher mingsgebied

Provinciale milieuverordening

Tabel 3 Bodemenergiesystemen 60

Actualisatieplicht Het bevoegd gezag moet vergunningen (van IPPC installaties) actueel houden. In de regelgeving zijn daarvoor twee actualisatieverplichtingen opgenomen: - Actualisatieplicht die regelmatig uitgevoerd moet worden (artikel 2.30 Wabo / artikel 5.10, lid 2 Bor); - Actualisatieplicht (artikel 5.10 lid 1 Bor) voor IPPC-installaties binnen een termijn van vier jaar na publicatie van BBT–conclusies. Op grond van art. 2.30 van de Wabo moet regelmatig worden beoordeeld of de aan de vergunning verbonden voorschriften nog voldoende actueel zijn. Deze actualisatieplicht houdt in dat het bevoegd gezag regelmatig moet beoordelen of de voorschriften van een vergunning nog toereikend zijn. Dit gezien de ontwikkelingen op het gebied van technisch mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen die de kwaliteit van het milieu verbeteren. Een verdere uitwerking van deze actualisatieplicht staat in artikel 5.10, lid 2 van het Bor. Dit is een niet limitatieve lijst. Sinds 1 januari 2013 geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10 lid 1 Bor). Deze extra actualisatieplicht wordt hieronder verder toegelicht onder de ´Richtlijn Industriële Emissies´. De omgevingsdienst draagt er zorg voor dat de omgevingsvergunningen voor het onderdeel milieu regelmatig op actualiteit worden bezien en hanteert daarbij bovengenoemd kader.

Zo nodig wordt een procedure gestart voor het ambtshalve actualiseren van de vergunning.

61

2. Toetsingskader voor bouwen, ruimtelijke ordening, aanleggen en slopen Hieronder staan de diverse toetsingskaders beschreven met betrekking tot bouwen, slopen, ruimtelijke ordening en aanleggen. 2.1 Wabo De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) benoemt onder meer bouwwerken met een geringe ruimtelijke uitstraling die als vergunningsvrij worden aangemerkt. Bij het bouwen van dergelijke bouwwerken aan een voorgevel of in een beschermd stads- of dorpsgezicht, geldt uit esthetische overwegingen het vergunningsvrije stelsel niet, zodat een preventieve welstands- of bestemmingsplantoets mogelijk is. Dit brengt echter ook mee dat de toets aan het Bouwbesluit en Bouwverordening relevant wordt, met alle bijbehorende (administratieve) lasten van dien. Ter beperking van die (administratieve) lasten worden bouwwerken die primair als vergunningsvrij zijn aangemerkt, maar om esthetische overwegingen alsnog aan een vergunningplicht zijn onderworpen (monument of beschermd gezicht, kleine wijzigingen aan de voorgevel), preventief uitsluitend getoetst aan welstand en het geldend planologisch regime. 2.2 Bouwbesluit 2012 Het Bouwbesluit 2012 geeft landelijk geldende regels voor de technische eisen waaraan bouwwerken dienen te voldoen.

Het bevat voorschriften met betrekking tot het bouwen van bouwwerken uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. Ten aanzien van vergunningverlening is de keuze gemaakt om geen aanvullende prioriteiten te stellen boven hetgeen wettelijk verplicht is. Het toetsen van elke aanvraag aan alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 is binnen de huidige formatie niet mogelijk en ook niet noodzakelijk. Bij vergunningverlening vindt prioritering plaats door keuzes te maken in het niveau van diepgang van toetsing van de aanvraag. Niet alle aspecten van het Bouwbesluit 2012 zijn namelijk voor alle bouwwerken van even groot belang en bovendien dreigt door de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen, het toetsen van een aanvraag aan het Bouwbesluit 2012 door marktpartijen te gaan geschieden. Bij het toetsen van bouwaanvragen aan het Bouwbesluit 2012 legt de gemeente altijd de nadruk op constructieve veiligheid en brandveiligheid. De aandacht voor de overige aspecten uit het Bouwbesluit kan per jaar verschillen afhankelijk van de ervaringen uit voorgaande jaren. In het jaarlijkse uitvoeringsprogramma wordt aangegeven waar in dat jaar specifiek aandacht aan wordt geschonken. Een extern constructiebureau controleert de constructieberekeningen.

2.3 Bouwverordening De gemeente heeft een bouwverordening waarin nog een beperkt aantal voorwaarden staan waaraan bouwwerken dienen te voldoen. De verwachting is dat deze verordening op termijn zal verdwijnen. De aspecten die de gemeente met deze verordening regelt, worden straks namelijk zoveel mogelijk ingebracht in het omgevingsplan onder het regime van de nieuwe Omgevingswet. Zolang de bouwverordening bestaansrecht heeft, wordt ieder plan dat nog door de gemeente wordt getoetst, gecheckt op de daarin opgenomen voorschriften 2.4 Planologische regime De gemeente toetst iedere omgevingsvergunningaanvraag aan het geldende planologisch regime. Doel hiervan is om de ruimtelijke inrichting van de gemeente welke is vastgelegd in onder meer bestemmingsplannen te beschermen. Voor zover een aanvraag niet past binnen de hierin gestelde regels, kan op basis van het ‘Beleid planologische afwijkingen1’ voor gronden en bouwwerken die vallen binnen de reikwijdte van artikel 4 van bijlage II van het BOR alsnog een vergunning worden verleend.

62

2.5 Ruimtelijke kwaliteit Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid van Vijfheerenlanden beoogt een versoepeling van de regels en daarmee van de toetsing van de criteria, waaraan het uiterlijk van bouwwerken moet voldoen. De drie voormalige gemeenten hadden ieder eigen welstandsbeleid. Met het opstellen van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid voor de gemeente Vijfheerenlanden is ervoor gekozen om de lijn van de voormalige gemeente Vianen te volgen. In de praktijk is gebleken dat de regels die deze voormalige gemeente hanteerde voldoende waarborgen geven voor het handhaven van de ruimtelijke kwaliteit maar daarnaast ook veel vrijheid geeft voor de initiatiefnemers. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid betekent op punten een versoepeling. Met name voor het voormalig grondgebied van de gemeenten Leerdam en Zederik zijn de regels eenvoudiger geworden. Voor de gemeente Vianen golden al eenvoudiger richtlijnen. Doel van de versoepeling van de regels is om op die plekken die een hogere beeldkwaliteit hebben, en waar het van belang wordt geacht om deze beeldkwaliteit te behouden, hogere kwaliteitseisen te stellen aan het uiterlijk van bouwwerken. Dit geldt met name voor de beschermde gezichten, het landelijk gebied, de kleine kernen en langs hoofdroutes. In de overige gebieden stelt de gemeente zich terughoudend op. Dat geldt bijvoorbeeld voor de meeste woongebieden en de bedrijventerreinen.

In het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is sprake van 4 niveaus op basis waarvan het uiterlijk van bouwwerken wordt beoordeeld: Vrij niveau: hier gelden geen criteria voor het uiterlijk van bouwwerken. De vrije gebieden zijn voornamelijk gelegen in de woonwijken. Soepel niveau: Het uiterlijk van bouwwerken wordt alleen beoordeeld wanneer de plannen zich aan de voorkanten van het openbare gebied bevinden. Voor de achterkanten geldt dat hier alleen wordt gekeken of zich geen excessen voordoen. Het soepel niveau geldt voor woongebieden en bedrijventerreinen. Gewoon niveau: wanneer dit niveau geldt dan wordt gekeken naar de voorkant van het pand ten aanzien van het openbaar gebied en naar belendingen (aangrenzende panden en percelen). Dit niveau is van toepassingen voor het landelijk gebied en de dorpslinten en stedelijke uitlopers. Bijzonder niveau: dit geldt voor gebieden waar extra inspanning voor behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst is. Het bijzonder niveau is van toepassing op het beschermd stadsgezicht van Vianen, het beschermde gezicht van Ameide en voor het beschermd gezicht Oosterwijk. De vier niveaus brengen criteria met zich mee waaraan het uiterlijk van het bouwwerk wordt getoetst. Wordt niet voldaan aan de gestelde criteria dan moet aanpassing van vorm, kleur of materiaalgebruik worden doorgevoerd.

Mocht naderhand blijken dat het bouwwerk niet conform de gestelde criteria is uitgevoerd, dan wordt hierop gehandhaafd door de gemeente. De criteria worden tenslotte niet voor niets opgesteld: het doel is om de kwaliteit van de openbare ruimte te behouden of te versterken. 2.6 Sloopmeldingen (inclusief eventuele asbestverwijdering) De gemeente heeft de taak risico’s voor de omgeving die kunnen ontstaan bij de sloop van bouwwerken en asbestverwijdering beheersbaar te houden. Particulieren en bedrijven die dergelijke activiteiten willen uitvoeren zijn conform het Bouwbesluit wettelijk verplicht dit minimaal vier weken van te voren te melden via het Omgevingsloket. De ODRU beoordeeld namens de gemeente deze meldingen op volledigheid en juistheid van plannen voor de te nemen sloopveiligheidsmaatregelen en onderzoeksrapporten naar de aanwezigheid van asbest in het te slopen bouwwerk. Op basis hiervan stelt de ODRU namens gemeente de melder op de hoogte van de uitkomst van de toets die op de melding is uitgevoerd. 63

Vanaf 1 maart 2017 zijn gecertificeerde partijen in de asbestketen, verplicht om met het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) te werken. Het Landelijk Asbestvolgsysteem (LAVS) is een webapplicatie waarmee het proces van inventarisatie tot en met de stort van asbest gevolgd en geregistreerd kan worden door de verschillende ketenpartijen. Inventariseerders en saneerders zijn verplicht om hun werkzaamheden in het LAVS te registreren. In het LAVS wordt het proces van inventarisatie tot en met de stort van asbest gevolgd en geregistreerd kan worden door de verschillende ketenpartijen. Inventariseerders en saneerders zijn verplicht om hun werkzaamheden in het LAVS te registreren. Bedrijfsmatige asbestsaneringen moeten via het LAVS worden gedaan. Wat is het doel van LAVS?  Beter inzicht krijgen in de aanwezigheid van asbest.  Transparantie in het asbestverwijderingsproces.  Betere naleving van de asbestregelgeving.  Beter toezicht op de asbestverwijdering.  Ondersteuning bij het doorlopen van de wettelijke procedures.  Informatie is zichtbaar voor alle ketenpartners die betrokken zijn bij het project. 2.7 Toetsingskader voor Brandveilig gebruik De taak op het gebied van brandveiligheid wordt uitgevoerd door de Veiligheidsregio Utrecht (VRU).

De veiligheidsregio Utrecht doet namens de gemeente de inhoudelijke toets op de relevante wet- en regelgeving (zoals de Wabo, het Bouwbesluit 2012, AMvB BGBOP en de APV) op het terrein van onder meer bouwen, ruimtelijke ordening, vuurwerkopslagplaatsen en evenementen. Het voornaamste doel van advisering en toezicht op het gebied van brandveiligheid is het streven naar minder branden, minder slachtoffers en minder schade. Hierbij zijn vooral het voorkomen van de calamiteiten (preventie) en het creëren van de mogelijkheid om aanwezige personen veilig te kunnen laten vluchten, van essentieel belang. 2.8 Toetsingskaders voor toepassing van de Wet Bibob De Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur), geeft de gemeente de mogelijkheid de achtergrond van een bedrijf of persoon te laten onderzoeken. Als er ernstig gevaar dreigt dat de vergunning of de subsidie wordt misbruikt, dan kan de gemeente de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning of subsidie intrekken 2.9 Toetsingskaders milieu Het doel van het verlenen van vergunningen is, door het toetsen van aanvragen en het opleggen van voorschriften, bijdragen aan een schoon, gezond en duurzaam leefmilieu. Op milieugebied is de beleidsruimte voor het voeren van een eigen VTH-beleid beperkt.

Vanuit Europese (NEC en IPPC-richtlijnen) en landelijke (Wabo, Wet VTH, diverse AMvB’s) weten regelgeving wordt bepaald welke procedures gevolgd moeten worden en welke voorschriften gelden voor inrichtingen, activiteiten en toestellen en installaties. Ook worden er eisen gesteld aan het actueel hebben en houden van de vergunningen en daarin opgenomen voorschriften. Dit houdt ook in het intrekken van vergunningen voor niet meer in gebruik zijnde bedrijven. In de wet VTH is bepaald dat een belangrijk deel van de milieugerelateerde taken (de zogenaamde basistaken) niet door de gemeente maar door de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) moet worden uitgevoerd. In het Besluit omgevingsrecht is vervolgens bepaald dat de partners die deel uitmaken van de ODRU gezamenlijk het VTH-beleid opstellen voor de taken die door de ODRU worden uitgevoerd. De gemeente oefent, via haar vertegenwoordiging in de ambtelijke werkgroepen en het bestuur van de ODRU, invloed uit op de na te streven kwaliteitsniveaus. 64

In de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s van de ODRU is opgenomen bij welke soort inrichtingen in dat betreffende jaar een toets naar de actualiteit van (de voorschriften van) de vergunning plaatsvindt. Hieronder wordt beschreven welke toetsingskaders bij het beoordelen van meldingen en bij de vergunningverlening voor het deel milieu worden betrokken. Per aspect wordt alleen onderscheid aangebracht in de taakvelden Industrie en Agrarisch als dat nodig is. Binnen de vergunningverlening op het gebied van milieu staat veel wet- en regelgeving vast, maar er is soms ook ruimte om maatwerk te leveren door de regels aan te passen aan de plaatselijke situatie. Richtlijn Industriële Emissies (hierna RIE) De Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU) geeft milieueisen voor de grote milieuvervuilende bedrijven. Deze richtlijn geldt voor alle lidstaten van de Europese Unie. De richtlijn vereenvoudigt zeven richtlijnen tot één richtlijn. De belangrijkste daarvan is de IPPC-richtlijn. Bijlage I van de RIE geeft aan wanneer het een IPPC-installatie betreft. De RIE eist dat bedrijven de installatie pas in bedrijf nemen als ze een omgevingsvergunning milieu hebben. Deze integrale vergunning moet voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT). Voor IPPC-installaties staan de beste beschikbare technieken in BBT-conclusies.

De vergunningverlening en handhaving van inrichtingen die vallen in categorie 4.5 van bijlage I van de RIE is uitbesteed aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied om te zorgen dat deze taak robuust wordt uitgevoerd. Coördinatie De Waterwet en de Wabo kennen een coördinatieregeling bij gelijktijdige verlening of wijziging van de Watervergunning en de omgevingsvergunning bij IPPC-inrichingen. Er is alleen coördinatie als de aanvragen voor de vergunningen gelijktijdig wordt ingediend. Als binnen zes weken na indiening van de aanvraag voor één van de vergunningen geen aanvraag is ingediend voor de andere vergunning, dan wordt de aanvraag voor beide vergunningen buiten behandeling gelaten. Extra actualisatieplicht Naast de reguliere actualisatieplicht op grond van art. 2.30 Wabo, geldt een extra actualisatieplicht voor IPPC-installaties (artikel 5.10, lid 1 Bor). De plicht houdt in dat binnen een termijn van vier jaar, na publicatie van de BBT-conclusies voor de hoofdactiviteit van een IPPC-installatie, door de vergunningverlener moet worden beoordeeld of de IPPCinstallatie kan voldoen aan de beste beschikbare technieken (BBT) die in de (nieuwe) BBTconclusie(s) staan. Indien de installatie niet voldoet moet binnen de termijn van vier jaar de vergunning(voorschriften) worden geactualiseerd én moet de IPPC-installatie binnen de termijn van vier jaar aan die voorschriften voldoen.

Publicatie In artikel 19 lid 1b Wet milieubeheer is een verplichting opgenomen voor het publiceren van de vigerende vergunning van een IPPC-bedrijf op internet. IPPC-database Ten behoeve van de rapportageverplichting van Nederland over IPPC-bedrijven aan Europa is het van belang de IPPC-database actueel te houden. Namens de gemeenten actualiseert de omgevingsdienst de IPPC-database jaarlijks. In artikel 21.2a van de Wet milieubeheer is de verplichting hiertoe opgenomen. Best beschikbare technieken (BBT)Het bevoegd bepaalt bij vergunningverlening de beste beschikbare technieken. Daarbij houdt het bevoegd gezag rekening met de Nederlandse 65

informatiedocumenten over BBT. Deze documenten staan in de bijlage van de Ministeriele regeling Omgevingsrecht (Mor). Voor IPPC-installaties moet het bevoegd gezag daarnaast rekening houden met BBT-conclusies 2.10 Toetsingskader geluid Voor de toetsing van meldingen Activiteitenbesluit zijn de toetsingseisen benoemd in het Activiteitenbesluit. Voor de toetsing bij de vergunningverlening zijn de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening van 1998 en de Circulaire Industrielawaai van 1979 beschikbaar. Gemeentelijk beleid Het geluidbeleid van de gemeente is opgenomen in de ‘Beleidsregels hogere waarden WGH 2020’. Het geluidgezoneerde industrieterrein De Hagen – De Biezen valt onder bevoegd gezag van de gemeente. Provinciaal beleid - Stiltegebieden: In de Provinciale milieuverordening heeft de provincie Utrecht 13 stiltegebieden opgenomen. Er gelden regels voor geluid in en nabij stiltegebieden. Bij het toetsen van de aanvraag om omgevingsvergunning wordt hier rekening mee gehouden. De geluidgezoneerde bedrijfsterreinen van de glasfabriek in Leerdam en de kaasfabriek in Schoonrewoerd vallen onder het bevoegd gezag van de provincie. -

Geluidgezoneerde industrieterreinen: Het proces voor het vaststellen van een hogere grenswaarde en aanwijzing van een gezoneerd industrieterrein is een ruimtelijk proces, ten dienste van het vaststellen van een bestemmingsplan. Bij vergunningverlening en bij binnengekomen meldingen, toetsen wij aan de vastgestelde hogere waarden en MTG waarden bij woningen in de geluidszone en op de grens van de geluidszone.

2.11 Toetsingskader luchtkwaliteit Nederland moet jaarlijks rapporteren aan de EU hoe het gesteld is met onze luchtkwaliteit. Jaarlijks moet elke gemeente over een bepaalde periode gegevens aanleveren over verkeer en veehouderijen. Binnen het werkgebied van de omgevingsdienst is voor wat betreft bedrijven, voor één pluimveehouderij een overschrijding geconstateerd in 2020. Uitbreiden is voor een dergelijke veehouderij slechts mogelijk indien er aan strengere eisen kan worden voldaan. De toetsing aan de luchtkwaliteitseisen bij vergunningverlening is wettelijk vastgelegd. In hoofdstuk 5, Titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. De luchtkwaliteit wordt getoetst op de aanwezigheid van schadelijke stoffen in de lucht, zoals koolmonoxide, stikstofoxide en zwevende deeltjes/fijn stof. Er zijn zeer veel variabelen die van invloed zijn op de uitkomst. Hoe sommige van deze variabelen bepaald moeten worden, is soms ook vastgelegd in gemeentelijke verordeningen / handreikingen. In het Activiteitenbesluit staan ook activiteiten die mogelijk bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor veel van deze activiteiten is de Omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) voorgeschreven. Hierbij moet vooraf getoetst worden aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden. 66

2.12 Toetsingskader geur De geur van bedrijven verspreidt zich via de lucht en veroorzaakt een geurbelasting op de woon- en leefomgeving. Onder geurbelasting verstaan we de hoeveelheid geur, uitgedrukt in odour units per kubieke meter lucht, die op een geurgevoelig object zoals een woning 'terecht' komt. Deze hoeveelheid kan worden gemeten of berekend. Voor de industrie geldt dat er getoetst moet worden of er sprake is van een aanvaardbaar hinderniveau. Hiervoor is een Handleiding Geur Industrie (Infomil) beschikbaar. Lokale overheden kunnen ook een eigen geurbeleid opstellen. Meerdere provincies en gemeenten, waaronder Vijfheerenlanden, hebben dat gedaan. Voor het beoordelen van het aspect geur afkomstig van agrarische bedrijven, is voor vergunningplichtige bedrijven de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) het toetsingskader. Voor meldingsplichtige agrarische bedrijven zijn de voorschriften opgenomen in het Activiteitenbesluit. Deze zijn gebaseerd op de Wgv en grotendeels hetzelfde. Voor veehouderijen zijn in de wet / het Activiteitenbesluit normen benoemd. De wet / het Activiteitenbesluit biedt gemeenten ook de ruimte om binnen bepaalde bandbreedtes af te wijken van de normen. Afwijking moet vastgelegd worden in een verordening en onderbouwd worden in een gebiedsvisie. Verder moet er gerekend worden met een in de wet vastgelegd rekenprogramma (V-Stacks vergunning).

Lokaal geurbeleid De beleidsregels van de gemeente ten aanzien van geur zijn opgenomen in de ‘Geurverordening gemeente Vijfheerenlanden 2021’ en de ‘Gebiedsvisie in het kader van de geurverordening 2021’. 2.13 Toetsingskader ammoniak Voor het beoordelen van het aspect ammoniak afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) het toetsingskader. Onderdeel van de Wav is de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) waarin de ammoniakuitstoot per diersoort en stalsysteem staat aangegeven. De Wav maakt onderscheid in de ligging binnen of buiten een zone van 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied. Op grond van de Wav wijzen de Provinciale Staten de gebieden aan die als zeer kwetsbaar gebied worden aangemerkt. Sinds 1 augustus 2015 is het nieuwe Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. In dit Besluit emissiearme huisvesting zijn maximale emissiewaarden voor huisvestingsystemen opgenomen. Huisvestingssystemen die voldoen aan deze maximale emissiewaarden, worden als BBT beoordeeld. De datum van oprichting van het dierenverblijf bepaalt welke maximale emissiewaarde geldt.

2.14 Toetsingskader externe veiligheid (EV) Landelijk toetsingskader Binnen dit toetsingsaspect zijn diverse regelingen van toepassing: - Activiteitenbesluit - Besluit externe veiligheid inrichtingen en de regeling (Bevi/Revi) - Besluit risico zware ongevallen (Brzo) - Vuurwerkbesluit - Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik - PGS richtlijnen - Registratiebesluit externe veiligheid (Risicoregister) - Regeling provinciale risicokaart (Risicoregister) Bevi / Revi Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bedoeld om mensen in de buurt van 67

een bedrijf met gevaarlijke stoffen te beschermen. Bij een omgevingsvergunning milieu voor een dergelijk bedrijf moet rekening worden gehouden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico). In de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen verder uitgewerkt. Brzo De vergunningverlening en handhaving van inrichtingen die vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo), is uitbesteed aan de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied om te zorgen dat deze taak robuust kan worden uitgevoerd. In Vijfheerenlanden gaat het alleen om de glasfabriek. Vuurwerkbesluit De vuurwerkramp in Enschede in 2000 is aanleiding geweest voor het aanscherpen van wet- en regelgeving rondom het in- en uitvoeren, opslaan, bewerken, afleveren, het voorhanden hebben en het afsteken van vuurwerk. Het Vuurwerkbesluit is rechtstreeks werkend en geldt dus naast het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning. Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik In deze Circulaire is aangegeven hoe de aan te houden veiligheidsafstanden tussen opgeslagen ontplofbare stoffen (voor civiel gebruik) en kwetsbare objecten moet worden bepaald.

Het gaat dan bijvoorbeeld om het gebruik van ontplofbare stoffen voor de schietsport, opslag bij wapenhandelaren, het slopen van gebouwen, etc. PGS richtlijnen. Ten behoeve van de op- en overslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Bij een omgevingsvergunning milieu moet rekening worden gehouden met deze PGS richtlijnen. De PGS richtlijnen zijn vermeld als Nederlandse informatiedocumenten over BBT in de bijlage van de Mor. Registratiebesluit externe veiligheid / Regeling provinciale risicokaart (Risicoregister) Op grond van het Registratiebesluit externe veiligheid en de Regeling provinciale risicokaart moeten bepaalde inrichtingen (bijvoorbeeld Bevi-inrichtingen, Brzo– inrichtingen, etc.) worden opgenomen in het Register Risicosituaties Gevaarlijke Stoffen (RRGS). Gemeenten, provincies en rijk zijn vanaf 2007 verplicht de risico’s van gevaarlijke stoffen in te voeren in het risicoregister. Deze gegevens vormen de basis voor risicokaarten die burgers kunnen raadplegen op www.risicokaart.nl. Lokaal toetsingskader Er is een directe samenhang tussen de verlening van vergunningen voor bedrijven die gevaarlijke stoffen hebben en de risico's en ruimtelijke mogelijkheden in de omgeving van dergelijke bedrijven.

Afstemming op dit gebied tussen de Omgevingsdienst en de afdeling ruimtelijke ordening is dan ook van groot belang. 2.15 Toetsingskader water Onder dit aspect vallen meerdere zaken : - Lozingen - Bodemenergiesystemen - Grondwater Lozingen Het lozen van afvalwater vanuit inrichtingen op riolering, oppervlaktewater of op of in de bodem is geregeld in het Activiteitenbesluit, door voorschriften in een omgevingsvergunning of in de watervergunning. 68

De beoordeling van lozingen afkomstig van inrichtingen, in het kader van de omgevingsvergunning milieu, heeft uitsluitend betrekking op lozingen op de riolering. De gemeenten en de waterschappen in haar werkgebied hebben een Wabo Samenwerkingsovereenkomst (SOK) opgesteld. Onder andere is overeengekomen dat voor aanvragen omgevingsvergunning en meldingen Activiteitenbesluit van inrichtingen die in bijlage 3 van de SOK zijn opgenomen, advies wordt gevraagd aan het betreffende waterschap. Gemeenten zijn geen waterbeheerder in de zin van de Waterwet, maar beschrijven hun watertaken wel in plannen. Hierbij gaat het met name om het gemeentelijk rioleringsplan waarin naast riool- en afvalwatertaken op grond van de Wet milieubeheer, de invulling van de gemeentelijke zorgplichten voor hemelwater en grondwater wordt beschreven. De gemeenteraad heeft op 16 december 2020 het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP 20212025) vastgesteld. Bodemenergiesystemen Bodemenergie is te onderscheiden in aardwarmte (uit de diepe ondergrond) en gebruik van open dan wel gesloten bodemenergiesystemen (in de ondiepe ondergrond) . Bij open bodemenergiesystemen wordt grondwater onttrokken en vervolgens na gebruik voor verwarming en verkoeling weer terug in de bodem gebracht (geïnjecteerd/geretourneerd).

Warmte- koudeopslag is een soort bodemenergiesysteem dat gebruik maakt van de warmte of koude die van nature aanwezig is in de bodem en het grondwater. Voor deze open bodemenergiesystemen is vrijwel altijd een watervergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het onttrekken van grondwater. Bij gesloten bodemenergiesystemen wordt geen grondwater verplaatst. De systemen wisselen warmte en koude uit via een gesloten buizenstelsel in de ondergrond. Een veel gebruikte naam voor deze systemen is 'bodemwarmtewisselaar'. De gemeente is bevoegd gezag voor gesloten bodemenergiesystemen. Gesloten bodemenergiesystemen zijn meldingsplichtig, soms is er ook een OBM nodig. Een gemeente is verplicht de meldingen te registreren. De omgevingsdienst registreert de meldingen in het landelijke systeem: landelijk grondwater register (LGR). Grondwater Grondwater dient vele functies, waaronder de drinkwaterwinning, landbouw, industrie, natuur en energie. Er moet voldoende zijn, van een goede kwaliteit. Daarnaast dient het grondwaterbeheer, in het bijzonder het grondwaterpeilbeheer, te zijn afgestemd op de verschillende boven- en ondergrondse functies. Een op de verschillende bestemmingen afgestemd grondwaterpeil dient veel belangen. Binnen het werkgebied van de omgevingsdienst zijn meerdere waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en/of boringvrije zones aanwezig.

De gebiedsaanwijzing is opgenomen in bestemmingsplannen. Bij het verlenen van omgevingsvergunningen dient rekening te worden gehouden met deze gebieden en de activiteiten die daarin worden toegestaan. 2.16 Toetsingskader bodem Bodem inrichtingen Het (nationale) preventieve bodembeschermingbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna: NRB). Dit beleid is gericht op het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico voor de reguliere bedrijfsvoering, voor zover sprake is van een bodembedreigende situatie. De NRB is opgenomen als Nederlandse informatiedocument over BBT in de bijlage van de Mor. Voor de beoordeling van het aspect bodem bij de vergunningverlening wordt de NRB dan ook als toetsingskader 69

gebruikt. Als een inrichting bodembedreigende activiteiten verricht moet er veelal een nulsituatie bodemonderzoek worden verzocht. Om het eisen van nulsituatie bodemonderzoeken meer te uniformeren werkt de omgevingsdienst momenteel aan een ´beleidsnotitie nulsituatie bodemomonderzoeken´. Besluit Bodemkwaliteit Uitgangspunten van het landelijk beleid is dat er niet gebouwd wordt op een bodem die dusdanig is verontreinigd dat risico's voor de gezondheid kunnen ontstaan. Er is een regionale bodemkwaliteitskaart door de gemeenten vastgesteld waarin gebiedsspecifieke regels zijn opgenomen met betrekking tot het omgaan met grondstromen. Het Bodem Informatie Systeem en de bodemkwaliteitskaart van de omgevingsdienst geeft inzicht in de bodemkwaliteit. 2.17 Toetsingskader energie Energie Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu wordt de circulaire ‘Energie in de milieuvergunning´ als richtlijn gehanteerd om te bepalen of een energieonderzoek noodzakelijk is en of energiebesparende maatregelen nodig zijn. Conform de Circulaire is het aspect energie relevant wanneer het bedrijf jaarlijks méér dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas verbruikt. Ook bij meldingsplichtige bedrijven is het aspect energie relevant als het jaarlijks verbruik groter is dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas.

Op grond van artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit moet een ondernemer dan alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van 5 jaar of minder nemen (zie ook hieronder onder ´erkende maatregelen´). Energie-efficiency bij bedrijven, instellingen en particulieren is een milieuaspect waarmee in de vergunningverlening rekening moet worden gehouden. Dit is een wettelijke verplichting. Bij vergunningverlening voor de activiteit milieu wordt getoetst aan toepassing van BBT voor energie-efficiency, binnen de bedrijfsactiviteiten. Dat geldt voor het efficiënt gebruiken van energie bij processen, door installaties en van gebouwen. Bij de behandeling van omgevingsvergunningen voor de activiteit milieu, wordt energie-efficiency meegenomen door toetsing aan BBT op basis van het aanwezige energiebesparingspotentieel en uitvoerbare energiebesparingsmaatregelen (eventueel op basis van een uitgevoerd energieonderzoek). Erkende maatregelen In de bijlage 10 van de Activiteitenregeling zijn voor een aantal bedrijfstakken erkende maatregellijsten opgenomen. Door de maatregelen op de lijst uit te voeren kan de ondernemer voldoen aan de verplichting uit art. 2.15 van het Activiteitenbesluit. De maatregelen zijn alleen erkend als de terugverdientijd 5 jaar of minder is. Per maatregel zijn randvoorwaarden benoemd.

Hiermee wordt aangegeven in welke gevallen de maatregel toegepast kan worden. De Europese Energie-Efficiency Richtlijn (EED) De EED draagt bij aan onder andere minder uitstoot en luchtverontreiniging in Europa, met als doel 20% lager energieverbruik in Europa in 2020. De EED verplicht bepaalde grote ondernemingen (met meer dan 250 FTE of een jaaromzet groter dan 50 miljoen euro) een energie-audit uit te voeren, met als doel het terugdringen van het energieverbruik van grote ondernemingen. Voor veel grote ondernemingen geldt de auditplicht niet omdat zij al standaard een audit uitvoeren. Zoals voor bedrijven die deelnemen aan de Meerjarenafspraak energie70

efficiëntie 2001-2020 (MJA3) of de Meerjarenafspraak energie-efficiëntie ETSondernemingen (MEE). Maar ook bedrijven met een internationaal erkend energie- of milieubeheerssysteem hoeven deze energie-audit niet uit te voeren. 2.18 Toetsingskader afval In het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP) is het beleid verwoord voor het beheer van alle afvalstoffen waarop de Wet milieubeheer van toepassing is. Het LAP is het toetsingskader bij alle vergunningverlening op grond van de Wet milieubeheer waar afvalaspecten aan de orde zijn. Dat geldt voor provincies, gemeenten en waterkwaliteitsbeheerders. Dit geldt voor vergunningen voor afvalbeheerinrichtingen, maar ook voor vergunningen voor bedrijven waar afval vrijkomt.

71

Bijlage 16: Toezichtstrategie 1. Toezichtstrategie Toezichtstrategie is de strategie die beschrijft op welke manier en in welke vorm toezicht plaatsvindt. Dit is een leidraad bij het opstellen van het Uitvoeringsprogramma en voor de toezichthouder in zijn dagelijkse werk. Toezicht vindt plaats op basis van de gestelde prioriteiten en doelen. Deze zijn vastgesteld op basis van de risicoanalyse (zie bijlage 10). De prioritering is leidend voor de frequentie van het toezicht. 1.1 Manier van werken bij toezicht en handhaving Verschillende handhavingspartners zijn actief in toezicht en handhaving in de leefomgeving. Zowel in de openbare ruimte als in het bebouwde gebied. Te denken valt aan toezicht door de gemeentelijke Boa’s, het waterschap, de Veiligheidsregio Utrecht, de provincie Utrecht, de politie, de Omgevingsdienst regio Utrecht en de gemeentelijke organisatie, waaronder de buitendienst. Door informatiegestuurde handhaving en heldere werkafspraken zijn meerdere vormen van integraal toezicht mogelijk. Dat wordt hierna uitgewerkt.

Figuur 6 Modellen voor het uitvoeren van (integrale) controle Controleren met elkaar: Toezichthouders vanuit diverse taakvelden voeren gezamenlijk een integrale controle uit. Ieder voor de eigen discipline. Met name van toepassing in situaties die door een groter dan gemiddelde complexiteit of bestuurlijke prioriteit worden gekenmerkt. Soms is deze methode nodig, meestal is die arbeidsintensief en belastend voor de ondernemer of burger. Na elkaar controleren: Verschillende toezichthouders van uiteenlopende instanties of afdelingen voeren zelfstandig en onafhankelijk van elkaar een controle uit. Omdat de inspecties over een relatief groter tijdsbestek worden uitgevoerd, heeft deze aanpak een sterkere preventieve uitwerking. Deze vorm van controleren is de klassieke vorm van toezicht. De toezichtlast neemt echter toe en de efficiëntie neemt af. Bovendien is het risico groot dat controles verschillende vakgebieden bestrijken, hetgeen kan leiden tot interpretatieverschillen. 72

Voor elkaar signaleren: Een toezichthouder kan tijdens zijn ‘eigen’ controle een mogelijke overtreding in een ander taakveld signaleren. Als deze constatering daartoe aanleiding geeft, zal de specialist van dat taakveld zelf een controle uitvoeren. Het voordeel van deze aanpak is dat overtredingen in een eerder stadium worden gesignaleerd. Deze aanpak vergt wel de nodige afstemming (en kunde) binnen een organisatie. Voor elkaar controleren: Een toezichthouder neemt tijdens een integrale controle meerdere aandachtsvelden voor zijn rekening. Dit heeft voornamelijk betrekking op situaties die worden gekenmerkt door een geringe complexiteit. Dit is een vorm van signaaltoezicht, die prima kan worden uitgevoerd door een generalistisch toezichthouder, die bovendien dikwijls wordt ingezet voor uiteenlopende surveillances. Bij toezicht wordt de gekozen voor de meest effectieve en efficiënte manier van toezicht. Dit is afhankelijk van het doel van het betreffende project in het UVP. Het streven is bij alle controles oog te hebben voor signaalpunten van andere taakvelden en/of bevoegd gezag. Uitgangspunt is dat alle signaalpunten na afloop van de controle worden doorgegeven aan de betrokken handhavingspartner. De manier van werken bij toezicht & handhaving van de gemeente krijgt vorm in een soort controle.

Hierbij wordt onderscheid gemaakt in preventief, actief en reactief toezicht: ● geprogrammeerd gebiedstoezicht (preventief, § 1.2); ● gebiedsgerichte controles (actief, § 1.3); ● controle op de naleving van verleende vergunningen en/of meldingen (actief, § 1.4); ● controle naar aanleiding van handhavingsverzoeken (reactief, § 1.5). De ODRU voert namens de gemeente programmatisch toezicht uit op milieuzaken (§ 1.6). 1.2 Preventief: geprogrammeerd gebiedstoezicht De kwaliteit van de leefomgeving wordt onder meer bepaald door de mate van controle op de naleving van de gestelde normen. Controle betekent ook “gezien worden” en dat werkt in de regel preventief. Gekoppeld aan handhavingscommunicatie zal dit een positief effect hebben op kwaliteit van de leefomgeving. De surveillance kan door elke discipline worden uitgevoerd. Het gaat er dan om dat bevindingen bij de juiste handhavingspartner wordt gedeponeerd: ook dat is een vorm van signaaltoezicht. Dit kan een collega zijn of een ander bevoegd gezag. Periodiek wordt een gebied, al dan niet steekproefsgewijs, gecontroleerd of er overtredingen zijn. Deze controles vinden plaats aan de hand van incidentele fysieke perceelscontroles. 1.3 Actief: gebiedsgerichte controle Een surveillance kan ook resulteren in een controle, op basis waarvan een handhavingstraject moet worden opgestart.

Deze controle zal vooral in buitengebieden leiden tot het constateren van uiteenlopende vormen van strijdig (planologisch) gebruik, mede door de veranderingen in de wetgeving per 1 november 2014 (de uitbreiden van het vergunningvrij bouwen en de verruiming van de mogelijkheden tot planologisch afwijkend gebruik, ook buiten de bebouwde kom). Het belang van een tijdige signalering is tweeledig: ● ernstige overtredingen worden eerder gesignaleerd en aangepakt (mits prioritair), en ● de informatie is direct bruikbaar in elke actualiseringsronde van de bestemmingsplannen. De gebiedsgerichte controle kan ook worden ingezet voor de taakvelden milieu, bouwen en openbare ruimte. Tijdens de controle heeft de toezichthouder specifiek oog voor een of meerdere controlepunten. Met het afnemen van vergunningplichtige activiteiten en het toenemen van vergunningsvrije of meldingsplichtige werkzaamheden neemt de kans op afwijkend 73

handelen toe. Daar waar minder inzet nodig is voor vergunningverlening, blijkt uit de praktijk dat intensivering van toezicht en handhaving noodzakelijk is. 1.4 Actief: controle naar aanleiding van verleende vergunningen en/of meldingen Deze vorm van controle is traditioneel en vloeit direct voort uit het nemen van beschikkingen, het stellen van voorschriften bij vergunningen en het accepteren van meldingen. Naleving van voorschriften is essentieel bij vergunningverlening, immers het gaat hier om zaken die expliciet vergund dienden te worden. Alle verleende vergunningen worden, waar mogelijk, integraal gecontroleerd overeenkomstig het vastgestelde beleid en de eventuele controlefrequentie (zie bijlage 24). In geval van overtredingen wordt – afhankelijk van het beleid - de handhavingsstrategie toegepast. 1.5 Reactief: controle naar aanleiding van klachten en/of verzoeken om handhaving Niet alle klachten en/of verzoeken om handhaving resulteren in een controle. Dat is afhankelijk van de prioriteitstelling (zie bijlage 10). Op anonieme handhavingsverzoeken wordt in beginsel niet gereageerd. Indien sprake is van een mogelijk acute situatie wordt uiteraard wel actie ondernomen. Bij dit onderwerp wordt de lijn van de constante jurisprudentie omtrent ‘de beginselplicht tot handhaving” gevolgd.

1.6: Programmatisch toezicht ODRU Programmatisch Toezicht is een probleemgerichte aanpak waarbij het gedrag van de mensen (doelgroepen) als uitgangspunt wordt genomen voor de te bepalen toezicht- en handhavingstrategie. Door op een systematische manier de doelgroepen en hun naleefgedrag te bepalen kunnen de meest effectieve handhavingsinstrumenten worden toegepast. Dit leidt tot een verhoging van de kwaliteit van de dienstverlening van de ODRU en de effectiviteit en efficiëntie van toezicht en handhaving. Het programmatische karakter maakt het mogelijk dat de ODRU voor al haar gemeenten een zo veel mogelijke uniforme werkwijze kan realiseren. Dit komt het gelijke speelveld en het rechtsgevoel van de inwoners ten goede. Door informatie gestuurd en met meetbare doelstellingen te werken kunnen wij in een jaarlijkse cyclus het effect meten, rapporteren en onze capaciteit zo doelgericht mogelijk aanpassen en inzetten. De gemeenten en de ODRU kunnen samen de indicatoren bepalen die in het jaarverslag worden opgenomen. Dit stelt de ODRU in staat om in het gemeentelijke jaarverslag een rapportage op basis van outcome te geven, zodat duidelijk wordt in hoeverre de beleidsdoelen worden gehaald. 1.7: Voorbereiding van toezicht Voordat een toezichtcontrole wordt uitgevoerd, worden altijd eerst de relevante documenten beoordeeld die bij een casus horen.

De bouwcontrole is door vergunningverlening aangemaakt in de VTH-applicatie. In deze applicatie worden de documenten per hoofdzaak gestructureerd opgeslagen. De relevante documenten worden door de toezichthouders beoordeeld op volledigheid en de vergunningsvoorwaarden. Wanneer voor het betreffende bouwplan ook een bouwveiligheidsplan benodigd is, wordt ook deze getoetst op volledigheid. Indien gewenst wordt intern eerst een overleg gehouden tussen verschillende afdelingen alvorens een toezichtcontrole wordt uitgevoerd.

74

Bijlage 17: Handhavingsstrategie De handhavingsstrategie is bepalend voor de wijze waarop de gemeente optreedt bij geconstateerde overtredingen. Het opleggen en uitvoeren van sancties draagt eveneens bij aan preventie bij anderen en zorgt ervoor dat regels beter worden nageleefd. De handhavingsstrategie geldt voor de zowel de Wabo-taken bouwen als de Wabo-taken milieu en komt overeen met de landelijke handhavingsstrategie op één punt na, we hanteren één hersteltermijn minder. 1.1 Totstandkoming, visie en werking Landelijke Handhavingsstrategie Tijdens het Bestuurlijk Omgevingsberaad, dat plaatsvond op 4 juni 2014 is de eindversie van de Landelijke Handhavingsstrategie (versie 1.7 van 24 april 2014) door het Interprovinciaal overleg en het Openbaar Ministerie aangeboden aan de staatssecretaris. De Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) is het eerste gezamenlijke product van het Openbaar Ministerie, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de Unie van Waterschappen, het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de Inspectie Leefomgeving en Transport, de Inspectie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Nationale Politie en de vereniging van omgevingsdiensten. 1.2 Implementatie van de Landelijke Handhavingsstrategie Alle betrokken partijen hebben zich uitgesproken voor implementatie van de LHS.

Handhavende instanties, zoals overheden, omgevingsdiensten, het Openbaar Ministerie en de politie treden bij een geconstateerde overtreding van de Wabo op dezelfde manier op. De strategie komt voort uit de behoefte van de betrokken instanties om eenduidig handhavend op te treden en de afstemming van bestuurs- en strafrecht te optimaliseren. Zo ontstaat een gelijk speelveld waarbij men ervan uit kan gaan dat handhavers zodanig optreden dat het rechtsgevoel wordt gerespecteerd en de leefomgeving veilig, schoon en gezond blijft. 1.3 VTH-kwaliteitscriteria Met het overnemen en invoeren van de LHS wordt aangesloten bij de landelijke ontwikkelingen op het gebied van de landelijke kwaliteitscriteria op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-kwaliteitscriteria) voor Wabo bevoegde overheden. Dit waarborgt landelijke eenduidigheid (en rechtsgelijkheid) in twee opzichten:  iedere bevinding krijgt een passende interventie, en;  het proces om tot een passende interventie te komen verloopt overal hetzelfde. 1.4 Uitgangspunten Landelijke Handhavingsstrategie De LHS is gebaseerd op de volgende uitgangspunten: 1. Onafhankelijkheid (sterke, slagkrachtige en onafhankelijke handhavingsinstanties); 2. Professionaliteit en vakmanschap (training, opleiding, kennis- en informatieuitwisseling); 3. Betrouwbaarheid (beginselplicht tot handhaven en verantwoording afleggen); 4.

Eenvoud (een passende interventie bij iedere bevinding en hoe daar toe te komen); 5. Gezamenlijkheid (overleg, afstemming en planmatig en informatie gestuurd gezamenlijk optreden). De LHS bevat een stappenplan voor het bepalen van de reactie/interventie op een bevinding. De reactie/interventie is afhankelijk van de (mogelijke) gevolgen van de bevinding en het gedrag van de overtreder. Daarbij worden ook eventuele verzwarende (of verlichtende) aspecten meegewogen. De strategie gaat uit van het in principe zo licht mogelijk starten met interveniëren, gericht op herstel en het vervolgens snel inzetten van zwaardere interventies als naleving uitblijft. Daarnaast is overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geregeld. 75

Handhavingsorganisaties kiezen afhankelijk van de situatie weloverwogen voor alleen bestuursrechtelijk, bestuurs- en strafrechtelijk of alleen strafrechtelijk optreden. Uitgangspunt is dat het bestuur en het Openbaar Ministerie, elk handelend vanuit de eigen verantwoordelijkheid, hun handelen afzonderlijk en in combinatie richten op het naleven van wet- en regelgeving. Bestuursrechtelijk optreden Bestuursrechtelijk optreden is vooral gericht op het herstellen van de situatie, conform de wet- en regelgeving, opdat vastgesteld beleid wordt geëffectueerd. De keuze van de in te zetten bestuursrechtelijke interventie(s) vindt plaats aan de hand van de in hoofdstuk 3 van de LHS opgenomen interventiematrix, waarbij het spoedig herstellen van de situatie voor de bevinding de eerste prioriteit is. Strafrechtelijk optreden Het strafrecht komt in beeld als de (mogelijke) gevolgen van belang zijn of aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar. Het strafrecht komt mede in beeld als het gedrag van de overtreder daar aanleiding toe geeft. Strafrechtelijk optreden is vooral gericht op het straffen van de overtreder en het wegnemen van diens wederrechtelijk genoten (concurrentie)voordeel. 1.5 Gemeentelijke toepassing van de Landelijke Handhavingsstrategie De LHS (bijgevoegd) maakt onderdeel uit van deze handhavingsstrategie.

De gemeente hanteert deze strategie, mede gelet op de geldende wettelijke verplichtingen en haar deelname in de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst regio Utrecht. Daarnaast vindt zij duidelijkheid en eenduidigheid voor de inwoners, bedrijven, verenigingen en instellingen van groot belang. De gemeente Vijfheerenlanden past de LHS toe op het Wabotakenveld (de fysieke leefomgeving). 1.6. Vaststellen van de sanctie via de interventiematrix Bij het constateren van een overtreding, bijvoorbeeld naar aanleiding van een reguliere controle, een klacht of een verzoek om handhaving, is de interventiematrix uit de LHS leidend. Als de toezichthouder een overtreding heeft geconstateerd stelt hij of zij met behulp van de interventie-matrix de sanctie vast. Daarbij zijn de volgende stappen aan de orde: 1. Positionering bevinding in de interventiematrix De handhaver bepaalt in welk segment van de interventiematrix de bevinding gepositioneerd kan worden door:  het beoordelen van de gevolgen van de bevinding voor milieu, natuur, water, veiligheid, gezondheid en/of maatschappelijke relevantie en  het typeren van de overtreder. 2. Bepalen verzwarende aspecten De handhaver bepaalt of er verzwarende aspecten zijn die moeten worden betrokken bij de afweging om het bestuurs- en/of strafrecht toe te passen.

Hoe meer verzwarende aspecten, des te groter de reden om naast bestuursrechtelijk ook strafrechtelijk te handhaven. 3. Onderzoek samenwerking bestuur, politie en Openbaar Ministerie De handhaver bepaalt of overleg over de toepassing van het bestuurs- en/of strafrecht geïndiceerd is op basis van de beoordeling van de bevinding met de interventiematrix (stap 1) en de afweging van verzwarende aspecten (stap 2). 4. Optreden met de interventiematrix De handhaver kijkt naar de interventies in het segment van de interventiematrix waarin hij de bevinding eerder met behulp van stap 1 heeft gepositioneerd. Vervolgens kiest de handhaver voor de minst zware (combinatie) van de in het betreffende segment opgenomen interventies, tenzij de handhaver motiveert dat een andere (combinatie 76

van) interventie(s) in de betreffende situatie passender is. De interventies in de (segmenten van de) matrix lopen van beneden naar boven op in zwaarte. 5. Vastlegging De doorlopen stappen en genomen beslissingen worden volgens de geldende procedure(s) vastgelegd.

DE (MOGELIJKE) GEVOLGEN ZIJN:

1.7 De interventiematrix Bij het positioneren van de bevindingen maakt de handhaver gebruik van de onderstaande interventiematrix.

Aanzienlijk, 4 dreigend en/of onomkeerbaar

Van belang

3

Beperkt

2

Vrijwel nihil 1

A

B

C

Goedwillend:

Moet kunnen:

Calculerend:

 

Onbedoeld Proactief

Onverschillig

Bewust belemmerend en/of risico nemend

D Bewust en structureel / Crimineel:   

Fraude Oplichting Witwassen

GEDRAG VAN DE OVERTREDER Legenda Lichte segmenten. Bestuursrechtelijk optreden is aangewezen. Middensegmenten. Bestuursrechtelijk, bestuursrechtelijk én strafrechtelijk of strafrechtelijk optreden is aangewezen. Strafrechtelijk optreden komt vooral in beeld, naarmate er (meer) verzwarende aspecten zijn (zoals ‘verkregen financieel voordeel’). Zware segmenten. Strafrechtelijk optreden is in elk geval aangewezen, terwijl in veel gevallen ook bestuursrechtelijk optreden is aangewezen. Figuur 7 De interventiematrix

77

Toelichting op gedrag van de overtreder A Goedwillend Deze waakt uit eigen beweging structureel voor overtredingen, neemt daartoe preventieve maatregelen en borgt deze binnen zijn activiteiten / bedrijfsvoering. De overtreder wil de regels volgen en de overtreding vond onbedoeld plaats B Moet kunnen Deze neemt het niet zo nauw met het collectieve belang, heeft een 'moet kunnen houding', de overtreding en de gevolgen laten hem onverschillig C Calculerend Deze is opportunistisch/calculerend en weet dat zijn daad een bepaald gevolg kan hebben, maar neemt de gevolgen op de koop toe. Daarmee neemt hij bewust risico's. Hiervan is ook sprake bij bewust belemmeren van een controle. D Bewust en Deze is een overtreder die bewust en structureel de regels structureel overtreedt. Deze is uit op macht (i.c. oneerlijke concurrentie) en geldelijk gewin of werkt structureel samen met meerdere personen waarbij misdrijven worden gepleegd. De overtreding bestaat uit bijvoorbeeld fraude, oplichting en witwassen, of gaat daarmee samen. Indien het gedrag van de overtreder -om wat voor een reden dan ook -niet voldoende bepaald kan worden, wordt hiervoor categorie B (onverschillig) gekozen. Indien een overtreding meerdere activiteiten bestrijkt wordt -indien er wordt gekozen voor één integrale reactie-het vak gekozen van de activiteit waarbij de ernst van de overtreding het hoogst is.

De ernst wordt per overtreding vastgesteld. Toelichting op de gevolgen van de overtreding 1 Vrijwel nihil De gevolgen van de overtreding met betrekking tot bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn vrijwel nihil of te verwaarlozen 2 Beperkt De gevolgen van de overtreding met betrekking tot bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn beperkt van aard 3 Van belang De gevolgen van de overtreding met betrekking tot bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn van belang of dreigend. Dit is ook het geval bij een aanmerk elijk risico dat de overtreding maatschappelijke onrust veroorzaakt en/of doden of gewonden tot gevolg heeft. 4 Aanzienlijk dreigend De gevolgen van de overtreding met betrekking tot en/of onomkeerbaar bijvoorbeeld: milieu, veiligheid, fysieke leefomgeving en gezondheid zijn aanzienlijk en/of onomkeerbaar. Dit is o.m. het geval als de overtreding maatschappelijke onrust veroorzaakt en/of doden of gewonden tot gevolg heeft.

78

1.8 Toepassen sanctiemogelijkheden Het positioneren in de interventie-matrix heeft gevolgen ten aanzien van de in te zetten sanctiemiddelen. Indien er in een vlak meerder sancties staan vermeld betekent dit niet dat alle opgesomde sanctiemiddelen ook moeten worden ingezet. Afhankelijk van de overtreding kan een keuze worden gemaakt ten aanzien van de in te zetten sanctiemiddelen.

DE (MOGELIJKE) GEVOLGEN ZIJN:

Aanzienlijk, dreigend en/of onomkeerbaar

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht PV

Bestuursrech t bestraffend Bestuurlijke boete

Bestuursrech t bestraffend Bestuurlijke boete

Bestuursrech t herstellend Tijdelijk stilleggen, LOB, LOD Verscherpt toezicht

Bestuursrech t herstellend Tijdelijk stilleggen, LOB, LOD, Verscherpt toezicht

Bestuursrecht bestraffend Exploitatieverbo d / sluiting, schorsen of intrekken vergunning certificaat of erkenning

Bestuursrecht bestraffend Exploitatieverbo d / sluiting, schorsen of intrekken vergunning certificaat of erkenning

Bestuursrecht herstellend Tijdelijk stilleggen, LOB, LOD

Bestuursrecht herstellend Tijdelijk stilleggen, LOB, LOD

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht PV

Bestuursrech t bestraffend Bestuurlijke boete

Bestuursrech t bestraffend Bestuurlijke boete

Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete

Bestuursrech t herstellend Bestuurlijk gesprek, Waarschuwen

Bestuursrech t herstellend Tijdelijk stilleggen, LOB, LOD, Verscherpt toezicht

Bestuursrecht herstellend Tijdelijk stilleggen, LOB, LOD, Verscherpt toezicht

Bestuursrecht bestraffend Exploitatieverbo d / sluiting, schorsen of intrekken vergunning certificaat of erkenning

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht BSBm / PV

Strafrecht PV

Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete

Bestuursrecht bestraffend Bestuurlijke boete

4

Van belang 3

Beperkt

2

Bestuursrecht herstellend Tijdelijk stilleggen, LOB, LOD

79

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Vijfheerenlanden&id=ed3f32a5-cdd9-4a1c-8b1b-3e4185ae960f