Toelichting Bijlage 8 Bureauonderzoek Archeologie
Tekst van het document
Nieuwe tijd (vanaf 1500 na Chr.) Bij de Vrede van Munster (1648), die de 80-jarige oorlog beëindigde, bleef Venray deel uit maken van het Habsburgse rijk. Na de Spaanse Successieoorlog (1715) werd het voormalige Gelderse Overkwartier verdeeld in een Oostenrijks, een Staats, een Pruisische en een Gulliks deel. Venray ging deel uitmaken van de Pruisische provincie Gelder. De verdeling had plaatselijk gevolgen voor het
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 14 van 27
landschap. Zo deed de Pruisische overheid meer dan de andere aan het stimuleren van ontginningen. Koning Frederik van Pruissen bood ontginners 30 daalders en 6 jaar ontheffing van grondbelasting. In 1792 trok een Frans leger de Oostenrijkse Nederlanden en Staats-Brabant binnen. Onder Frans gezag werden een aantal politieke wijzigingen doorgevoerd, zoals opheffing van de kloosters, afschaffen van de heerlijke rechten en indeling in nieuwe gemeenten, die het plaatselijk bestuur overnamen van de oude schepenbanken en de gemeinten. Deze politieke wijzigingen hadden ook landschappelijke gevolgen. Als gevolg van het afschaffen van de heerlijke rechten verviel de molendwang. Dit betekende dat boeren voortaan vrij waren in de keuze voor een molenaar. Dure en veraf gelegen molens kwamen in de problemen en werden gesloopt. In Venray zijn enkele molens bekend, waaronder twee volmolens aan de Loobeek. Eén van deze volmolens lag 200 meter ten noorden van het plangebied. De wol van de schapen die in de Peel graasden werd deels verhandeld, gesponnen, geweven en veredeld tot vilt. Het maken van vilt gebeurde in een volmolen. De wol werd er met door waterkracht aangedreven houten hamers urenlang geplet waardoor vilt ontstond, dat gebruikt werd voor kleding.
Omdat bij dit proces onder meer urine gebruikt werd stonk een volmolen dan ook een uur in de wind en stond hij meestal buiten de dorpsgrenzen. Ook voor de onontgonnen gebieden hadden de politieke wijzigingen gevolgen. Deze waren voorheen eigendom van de hogere overheden, maar werden beheerd door het plaatselijk bestuur, nu werden ze formeel eigendom van de gemeenten. In de Nieuwe tijd zijn zowel de nederzettingen als het cultuurland behoorlijk uitgebreid. De agrarische nederzettingsvorm bij uitstek was de zogenaamde verspreide bewoning. Boerderijen in nieuwe ontginningen stonden vrijwel steeds te midden van hun grondgebied. De groeiende bevolking leidde tot een grote behoefte aan nieuw bouwland. Dorpsbesturen verkochten heide om bepaalde dringende uitgaven te kunnen doen. Het noordelijk en westelijk deel van het plangebied werd rond 1806/1840-1890 ontgonnen. Het overige deel van het plangebied werd in de periode 1890-1990 ontgonnen. Reparatie van oorlogsschade was in deze onrustige tijd vaak aanleiding om gemeentegrond te verkopen. Binnen het grondgebied van de gemeente liggen acht verschillende locaties waar archeologische resten uit de Nieuwe tijd zijn aangetroffen. Het betreffen vooral veel aardewerkscherven die zijn aangetroffen op de oude velden.
In veel gevallen zullen deze scherven, net als de scherven uit de Late-Middeleeuwen, duiden op het landbouwkundig gebruik van de velden en niet op de aanwezigheid van een nederzetting uit de Nieuwe tijd. Naast archeologische resten zijn er veel landschappelijke elementen uit de Nieuwe tijd bewaard gebleven. Voor Venray zijn de kloosters heel e bepalend geweest. Aanvullend vonden in de tweede helft van de 20 eeuw andere geleidelijke, grootschalige en planmatige veranderingen in het landelijk gebied plaats. De geleidelijke veranderingen werden uitgevoerd door particulieren die voortdurend kleine ingrepen uitvoerden: het rooien van een houtwal, egalisatie van een dekzandkop en dergelijke. Daarnaast werden van hogerhand (onder andere ruilverkaveling 'Lollebeek') wegen, beken en akkerranden rechtgetrokken, nieuwe sloten aangelegd, terreinen geëgaliseerd en houtwallen gerooid. Uiteindelijk heeft het landschap hierdoor zijn huidige vorm gekregen. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel III.
44
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Bron
Periode
Kaartblad
Schaal
Omschrijving plangebied
Bijzonderheden/directe omgeving
Tranchot und v. Müffling kaart44
1803-1820
19 Venray
1:20.000
Heide
Heide en in agrarisch gebruik
Beeldbank Vrije Universiteit.
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 15 van 27
Kadastrale minuut
45
1811-1832
Gemeente Venray, Sectie A, Blad 02 en Sectie C, Blad 02
1:2.500
Heide
-
1850-1864
52 Venlo
1:50.000
Heide en wegen
Ten noorden bevinden zich veenputten en akkers Ten zuiden zijn gebouwen gerealiseerd Ten oosten, zuiden en westen zijn wegen aangelegd
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1895
632 + 652
1:50.000
Heide en wegen
Wegennet is veranderd
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1902
632 + 652
1:50.000
Heide, moeras, gras, bos en wegen
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1912
632 + 652
1:50.000
Heide, moeras, gras, bos en wegen
-
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1928
632 + 652
1:50.000
Agrarisch gebruik en wegen
Het heidegebied begroeid met bos Wegennet is veranderd
Militaire topografische kaart (veldminuut)
1936
632 + 652
1:50.000
Agrarisch gebruik en wegen Zuidwestelijk deel bebouwd
Ten zuiden en westen zijn meerdere gebouwen gerealiseerd
Topografische kaart
1958
52B
1:25.000
Agrarisch gebruik en wegen Zuidwestelijk deel bebouwd
-
Topografische kaart
1967
52B
1:25.000
Agrarisch gebruik en wegen Zuidwestelijk deel bebouwd
Ten zuiden zijn gebouwen gerealiseerd Loobeek is verlegd naar het zuiden
Topografische kaart
1978
52B
1:25.000
Agrarisch gebruik en wegen Zuidelijk deel bebouwd
Ten zuiden zijn gebouwen gerealiseerd
Topografische kaart
1987
52B
1:25.000
Agrarisch gebruik en wegen Zuidelijk deel bebouwd
-
Topografische kaart
1994
52B
1:25.000
Agrarisch gebruik en wegen Zuidelijk deel bebouwd
Het huidige wegennet is aangelegd
Militaire topografische kaart (nettekening)
46
Op het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is te zien dat het plangebied in het begin e van de 19 eeuw met heide begroeid is. Het plangebied maakt deel uit van het natuurgebied ‘Smakte sche Heide’. Het plangebied blijft tot het begin van de 20 eeuw in gebruik als heide. Op de kaart van circa 1850 en 1895 is te zien dat er meerdere wegen door het plangebied zijn aangelegd (zie figuur 9). De omgeving ten zuiden van het plangebied is ook begroeid met heide en hoort bij het natuurgebied ‘Smaktsche Heide’. De grond ten noorden is in agrarisch gebruik. De perceeltjes zijn in gebruik e als grasland en begrenst met hagen of sloten. In de tweede helft van de 19 eeuw worden er veenkuilen aangelegd. Veenkuilen zijn ontstaan door kleinschalige turfwinning. Nadat de turf was gestoken, bleven er putten over die langzaam volstroomde met water. e
In het begin van de 20 eeuw worden er grotere heidegebieden ontgonnen en omgezet naar akker47 en/of grasland. Dit gebeurt ook in het oostelijk en westelijk deel van het plangebied. In het centrale deel van het plangebied is nog een moeras/drassig gebied en bos weergeven. Bij het moeras/drassig
45
Beeldbank Cultureel Erfgoed. Kadaster Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel). 47 Renes, 1999. 46
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 16 van 27
48
gebied staat ‘Spurk(t)’ aangegeven. De wegen die oorspronkelijk dwars door het plangebied liepen, e zijn verlegd naar voornamelijk het westelijk deel van het plangebied. In de jaren ’30 van de 20 eeuw wordt ook de rest van het plangebied ontgonnen en omgezet naar akker- en grasland. Verder zijn er veranderingen toegepast aan het wegennet. Het natuurgebied ten zuiden en oosten van het plangebied, nu ‘Smakter Heide’ genoemd, is nu begroeid met bos. Vanaf de jaren ’40 van de vorige eeuw wordt er in het plangebied in de omgeving bebouwing gerealiseerd. In het plangebied wordt ten zuidoosten een woning gebouwd. Ook ten zuiden en westen worden er meerdere gebouwen gerealiseerd. Rond dezelfde periode vindt er ruilverkaveling plaats. De kleinere perceeltjes worden vervangen door grote aaneengesloten percelen. Dit vind ook plaats in het plangebied. In de loop van de tijd wordt de bebouwing uitgebreid, zoals de tuinbouwkassen ten zuiden. In het plangebied worden er in de jaren ’80 nog twee gebouwen gerealiseerd in het zuiden van het centrale deel van het plangebied. Het huidige wegennet wordt pas gerealiseerd aan het einde van e de 20 eeuw. e
De Loobeek is aangegeven op de kaart van begin 19 eeuw, circa 600-700 m ten noorden. Deze e beek had een natuurlijke kronkelige loop. Rond de tweede helft van de 20 eeuw wordt de Lookbeek verlegd richting het zuiden. De Loobeek bevindt zich nu circa 300-400 m ten noorden van het plangebied. De loop van de beek wordt rechtgetrokken. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Een rijksmonument is in Nederland een zaak (een bouwwerk of object, of het restant daarvan) die van algemeen belang is wegens de schoonheid, de betekenis voor de wetenschap of de cultuurhistorische waarde. Tot 2012 moest een monument 50 jaar of langer geleden zijn vervaardigd om in het kader van de Monumentenwet voor bescherming in aanmerking te komen. Per 1 januari 2012 is dit criterium vervallen. Een gemeente kan besluiten een bijzonder pand op de gemeentelijke monumentenlijst te zetten. Dit gebeurt als een pand geen nationale betekenis heeft, maar wel van plaatselijk of regionaal belang is. De gemeente legt haar monumentenbeleid vast in de gemeentelijke monumentenverordening. Naast het gemeentelijk monument is er ook nog het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). De MIP Gemeentebeschrijvingen vormen een verzameling beschrijvingen van de historischgeografische, sociaaleconomische, architectuurhistorische, bouwhistorische en stedenbouwkundige ontwikkelingen van gemeenten in de periode 1850-1940.
Deze beschrijvingen zijn samengesteld in het kader van het Monumenten Inventarisatie Project (MIP). Dit project was een initiatief van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur om een landelijk overzicht te krijgen van de bouwkunst en stedenbouw uit de periode 1850-1940. Het MIP werd in de periode 1987-1994 uitgevoerd door de provincies en de vier grote steden, in samenwerking met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Binnen de 50 m attentiezone liggen geen rijksmonumenten maar wel één gemeentelijke monumenten/MIP monument. Het monument is een kapel aan de Ambachtstraat bij nr. 4, ten zuiden van het 49 plangebied. Het H.H. Barbara en Martinus kapel is gebouwd in circa 1920. Het is van belang in het kader van de cultuurgeschiedenis. 48
Spurk is vermoedelijk een afgeleiden van spork, een algemeen voorkomende heester in laagveengebieden deze prefereert een zure grond, groeit in vochtige bossen en venen. 49 Op grond van haar levensverhaal geldt de H. Barbara als beschermster tegen brand en bliksem en tegen een plotselinge dood. Ook kan haar hulp ingeroepen worden als storm het land verwoest. De H. Barbara is ook de beschermheilige van verschillende gevaarlijke beroepen, in het bijzonder van de artilleristen en mijnwerkers, maar ook van de infanteristen, telegrafisten, genisten, ingenieurs, brandweerlieden, architecten, boeren, dakdekkers, metselaars, bouwvakkers, klokkengieters, metaalgieters, smeden, steenhouwers, beiaardiers, koks, hoedenmakers, slagers, gevangenen, meisjes, stervenden, torens, vestingen, geologen en explosievenruimers. Sint-Martinus is de beschermheilige van de armen.
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 17 van 27
Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Venray is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Tabel IV geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor de onderzoekslocatie per kadastraal perceel. Tabel IV.
Verleende bouwvergunningen voor perceel 291, Spurkt 5
Naam aanvrager
Jaartal
Omschrijving
Jacobs
1955
Verbouwing veestal
Jacobs
1961
Bouw melkstal Funderingen bevinden zich op een diepte van 85 cm -mv
Jacobs
1966
Uitbreiding boerderij
Jacobs
1969
Verbouwing woonhuis
Jacobs
2000
Bouw stallingsruimte Funderingen bevinden zich op een diepte van 85 cm -mv
Tabel V.
Verleende bouwvergunningen voor perceel 244, Spurkt 5a
Naam aanvrager
Jaartal
Omschrijving
Wismans
1971
Bouw woonhuis Funderingen bevinden zich op 100 cm –mv
Claessens
2016
Verbouwen stal/ schuur De stal/ schuur is gedeeltelijk onderkelderd tot een diepte van 165 cm –mv Funderingen bevinden zich op een diepte van 105 cm -mv
Tabel VI.
Verleende bouwvergunningen voor perceel 253, Spurkt 5b
Naam aanvrager
Jaartal
Omschrijving
Van den Ven-Janssen
1996
Bouw woonhuis en garage Funderingen bevinden zich op 100 cm –mv
Van de Ven
1996
Bouw schuur/loods Funderingen bevinden zich op 100 cm –mv
Tabel VII.
Verleende bouwvergunningen voor perceel 158, Spurkt 5c
Naam aanvrager
Jaartal
Omschrijving
Swinkels
1997
Bouw woning Funderingen bevinden zich op 85 cm –mv Bouw stal en loods Funderingen bevinden zich op 85 cm –mv De stal heeft een mestkelder tot een diepte van 235 cm –mv De loods is onderkelder tot en een diepte van 125 cm –mv
Tabel VIII.
Verleende bouwvergunningen voor perceel 107, Spurkt 8
Naam aanvrager
Jaartal
Omschrijving
Moorrees
1988
Bouw opslagloods Funderingen bevinden zich op 85 cm -mv
Moorrees
2006
Bouw woonhuis en bijgebouw Funderingen bevinden zich op 90 cm -mv
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 18 van 27
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plange50 bied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. In de maanden september en oktober hebben er in de regio Overloon en Venray zware gevechten plaatsgevonden. Het plan van de Geallieerden was om deze regio snel te veroveren om zo de Maasbruggen in handen te krijgen. In werkelijkheid hadden ze de Duitse tegenstand onderschat waardoor de frontlijn een lange tijd boven Overloon bleef hangen. Om vooruitgang te boeken werd er besloten om het offensief op Venray te openen door artilleriebeschieting en een luchtaanval uit te voeren. Venray was een belangrijk verkeersknooppunt aangezien hier de wegen naar Venlo, en dus naar de Maas, samenkwamen. Het offensief had niet het gewenste effect aangezien de Duitse verdediging sterk bleef. Venray werd echter zwaar verwoest, veel mensen kwamen zonder huis te zitten en het 51 kostte ongeveer 200 inwoners het leven. In heel Venray, en ook in het plangebied, zijn verschillende 52 explosieven aangetroffen. Uiteindelijk wisten de Geallieerden Overloon, ten noorden van Venray, na 19 dagen in handen te krijgen. De opmars naar Venray begon. Het bleek echter moeilijk om de Loo53 beek over te steken. De Duitsers hadden verschillende mijnenvelden rondom de Loobeek aange54 legd.
Zo is er ook een mijnenveld aangelegd in het plangebied. Een frontale aanval werd voorkomen door Panther-tanks in te zetten. De operatie Polux begon. Hierbij werden de Britse 9th Brigade en 185th Brigade bijgestaan door het 7th U.S. Armored Division die vanuit het zuiden zouden aanvallen en het 11th Armored Division die vanuit het westen zouden aanvallen. Uiteindelijk trok de Duitsers zich terug en gaven Venray zonder gevecht over. e
Enkele meters ten westen van het plangebied is een monument geplaatst voor het 1 Bataljon van het Royal Norfolk Regiment uit Groot-Brittannië. De Norfolk, Warfolks en 185th Brigade hadden veel soldaten verloren bij het oversteken van de Loobeek. Op de eerste steen staat de volgende tekst: Opgee dragen aan de mannen van het 1 bataljon van het Royal Norfolk regiment die leden en stierven in de velden rond deze plaats in oktober 1944. Moge vrede en vrijheid hun levend gedenkteken zijn. Dit monument is opgericht door hun kameraden en vrienden uit Brittanië en Nederland. Op de tweede steen staat: Ook aan alle Britse geallieerden en Nederlandse soldaten die sneuvelden voor de vrijheid van dit land en aan alle onschuldige slachtoffers van de oorlog, speciaal de 300 burgers die de dood 55 vonden in en rond Overloon en Venray in 1944, we shall remember them. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
In het laatste decennium heeft het archeologisch onderzoek naar beekdallandschappen steeds meer aandacht gekregen. Uit de evaluaties van archeologische onderzoeken van de jaren 1996-2006 kwam naar voren dat het archeologisch onderzoek van die tijd zich voornamelijk toespitste op nederzettingen, grafvelden en aandachtspunten gericht op droge landschappen. Doordat er in de beekdalen tot dan toe nog weinig archeologisch onderzoek plaatsvond, waren er ook maar weinig vindplaatsen bekend. Uit recent onderzoek blijkt dat de beekdalen een schat van informatie kunnen bevatten met betrekking tot voorwerpen en vindplaatsen. Archeologische resten die zich in de beekdalen kunnen bevinden betreffen voornamelijk resten ten behoeve van de visserij, zoals pijlpunten, harpoenen, netten en fuiken, kleine jachtkampementen, afvaldepots, beekovergangen, verdedigingswerken, res-
50
Amersfoort & Kamphuis, 1990/De Jong, 1969 – 1994/ikme.nl/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990. 51 Klep & Schoenmaker, 1995. 52 Ruimingskaart Beobom. 53 Klep & Schoenmaker, 1995. 54 Ruimingskaart Beobom. 55 www.tracesofwar.nl
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 19 van 27
ten van scheepvaart, zoals boten en steigers, resten van delfstoffenwinning, rituele deposities en 56 organische resten. Bepaalde zones in beekdalen hebben voor bepaalde type vondsten een hogere trefkans. Voordes komen bijvoorbeeld vooral voor op plaatsen waar het beekdal smal en het water niet te diep was. Veel voordes zijn later vervangen door bruggen. Bruggen kunnen op dergelijke plaatsen verwacht worden omdat de plaats bepaald werd door de al bestaande wegen naar de (voormalige) voorde 57 toe. Ter plaatse van het westelijk deel van het plangebied heeft het beekdal een versmalling. Men zou kunnen denken aan een (steen)voorde of een kleine brug. Dit wordt ook op de verwachtingskaart van de gemeente aangegeven. Mogelijk was op deze plaats ook een oudere beekovergang in de vorm van een voorde. Resten van voedselvoorziening kunnen in principe overal in het beekdal voorkomen. Ook kampementen van jagers-verzamelaars kunnen in het gehele beekdal voorkomen. Voornamelijk op de kleine ophogingen tussen de oude meanders in, is de kans op het aantreffen van een jachtkampje zeer groot, mede gezien de vele waarnemingen die in het gebied zijn geregistreerd. Ook in de zones aangrenzend aan de beek, in de gradiëntzone tussen de natte en de droge zone in, komen regelmatig 58 kampementen van jagers-verzamelaars voor, de basiskampementen.
Afvaldepots in beekdalen kunnen een beter beeld geven van de materiële cultuur dan de vondsten in de nederzettingen. Het vondstmateriaal uit de nederzettingen en grafvelden is relatief schaars, deels omdat de conserveringsomstandigheden er minder gunstig zijn of omdat het afval buiten de nederzetting gedeponeerd is, bijvoorbeeld in een beekdal. Beekdalen kunnen dus inzicht verschaffen in de 59 materiële cultuur van samenlevingen die in nederzettingen of in grafvelden niet aangetroffen wordt. Afvaldepots komen vooral voor in de beekbeddingen of in oude meanders. De kans op het aantreffen van een dergelijke afvaldepot wordt groter als het omringende gebied een rijke bewoningsgeschiede60 nis heeft. In het omringende gebied van het plangebied is er een overvloed aan aanwijzingen voor een rijke bewoningsgeschiedenis en zijn er twee afvaldepots van vuursteen bekend, waardoor de kans op een afvaldepot zoals hiervoor beschreven hoog is. Een beekdal kan veel delfstoffen bevatten. Ten eerste is dat leem om wanden van huizen mee dicht te smeren en voor het vervaardigen van keramisch bouwmateriaal, zoals baksteen, tegels en dakpannen. Plaatsen waar de leem dagzoomt of ondiep aan de oppervlakte ligt, zijn kansrijke zones voor leemputten. Ook komt ijzeroer veelvuldig in beken voor. In de zones waar kwelwater uittreedt kan zich ijzeroer vormen.
Het ijzeroer werd gewonnen door de ijzeroerbrokken uit te steken, waardoor grote kuilen achterbleven. In het beekdal werd ook turf gestoken. Dikke lagen veen leenden zich goed voor 61 turfwinning. Op de historische kaarten zijn ten noorden van het plangebied enkele veenkuilen zichtbaar, waardoor het zeer waarschijnlijk is dat er ook turfwinning in het plangebied heeft plaatsgevonden. Rituele deposities, komen behalve in grote rivieren en moerassen ook veelvuldig in beekdalen voor. De deposities in natte context vanaf het Neolithicum tot de Romeinse tijd worden in de huidige stand van onderzoek beschouwd als rituele, doelbewuste handelingen. Niet alle natte contexten werden gebruikt voor dit ritueel en het lijkt alsof alleen bepaalde zones hiervoor gebruikt werden. De moerassen en de beekdalen lagen aan de periferie van het agrarische landschap. In deze moerassen en 56
Roymans & Verhoeven, 2010. Roymans & Verhoeven, 2010. 58 Roymans & Verhoeven, 2010. 59 Gerritsen, 2004. 60 Roymans & Verhoeven, 2010. 61 Roymans & Verhoeven, 2010. 57
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 20 van 27
beekdalen zijn de conservatieomstandigheden zeer gunstig. Er zijn op deze plaatsen veel aanwijzingen voor dergelijke rituele deposities, vooral speerpunten en bijlen. Zwaarden worden met name in de grote rivieren aangetroffen. Op deze natuurlijke grenzen, maar ook op de grenzen tussen leefgemeenschappen worden rituele deposities aangetroffen. Zo wordt op de grens van twee gemeenschappen aan beide zijden gedeponeerd, zoals blijkt uit de deposities aan beide zijden van de 62 Maas. Er schijnt een voorkeur te bestaan voor samenvloeiingen van waterlopen en beekovergan63 gen. Enkele meters ten noorden van het plangebied zijn enkele waarnemingen van bronzen zwaarden, speerpunten, naalden en bijlen die met deze rituele handelingen in verband gebracht kunnen worden. De trefkans voor rituele deposities is voor het hele plangebied hoog. Door de natte context en daardoor zuurstofarme omstandigheden kunnen organische resten zeer goed geconserveerd zijn. Het gaat hierbij om resten van hout, bot en pollen. Pollenonderzoek is met name van toepassing in afgesneden meanders. De meander groeit dicht met veen waardoor de pollen stratigrafisch worden geconserveerd. Pollenonderzoek kan veel informatie verschaffen over de flora in het verleden en over de landschapsvorming door natuurlijke en ook antropogene processen. Bot wordt vooral in contexten met een lage zuurgraad aangetroffen.
Water met een hoog kalkgehalte heeft een lage zuurgraad. Ook blijft bot in leemlagen goed bewaard, vanwege de waterwerende werking van de leem. Verder heeft de vorming van ijzeroerbanken een fossiliserende werking op bot. Het 64 bot wordt langzaam vervangen door ijzerverbindingen. Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IX.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting/Complextype
Te verwachten resten en/of sporen
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
(Laat-)Paleolithicum
Hoog
beekgerelateerde resten: attributen voor jacht en visvangst, afvaldeposities van kampementen
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Mesolithicum
Hoog
beekgerelateerde resten: attributen voor jacht en visvangst, afvaldeposities van kampementen
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Neolithicum
Middelhoog
rituele deposities, afvaldepots
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Bronstijd
Middelhoog/hoog
rituele deposities, afvaldepots, voordes
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
62
Fontijn, 2004. Roymans & Verhoeven, 2010. 64 Roymans & Verhoeven, 2010. 63
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 21 van 27
IJzertijd
Middelhoog
rituele deposities, afvaldepots, voordes
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Romeinse tijd
Middelhoog
rituele deposities, afvaldepots, voordes
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
infrastructurele werken
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Late-Middeleeuwen
Middelhoog
infrastructurele werken
Westelijke hoek: Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen Overig deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Nieuwe tijd
Middelhoog
infrastructurele werken
Westelijk deel: Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekafzettingen Overige deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Tweede Wereldoorlog
Hoog
Conventionele Explosieven, loopgraven, stellingen, resten van achtergelaten materiaal, veldgraven
Westelijk deel: Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzand- of beekafzettingen Overige deel: Onder het maaiveld en in de top van de dekzand- of beekdalafzettingen
Uit de landschappelijke ligging, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers-verzamelaars en matig gunstig vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen vanaf het Mesolithicum. De jager-verzamelaars, tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum, vestigden zich voornamelijk op gronden dichtbij open water, zoals beekdalen of vennen. Deze gebieden waren geschikt voor hun tijdelijke kampementen en activiteiten zoals jacht en visserij. In het noorden van het plangebied bevindt zich zo’n oud beekdal van de Loobeek. In de omgeving zijn ook enkele vondsten uit het Paleolithicum en Mesolithicum bekend. Vanwege de landschappelijke locatie en de bekende archeologische vondsten is de verwachting voor deze periodes hoog. De hoger gelegen gebieden waren voor de landbouwers tijdens het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd aantrekkelijk voor bewoning. Met name op de hoge dekzandruggen in de omgeving van het plangebied zijn aardewerkscherven uit het Neolithicum aangetroffen die wijzen op een nederzetting. Tijdens het Laat-Neolithicum is het plangebied deels begroeid met veen. Het veen zich in de loop van de tijd uitgebreid in het zuiden van het plangebied.
In de Romeinse tijd is het gehele plangebied, met uitzondering van het zuidoostelijke hoekje, begroeid geweest met veen. De veengebieden waren matig geschikt voor bewoning of activiteiten. Hierdoor geldt er een middelhoge archeologische verwachting voor de periodes Neolithicum tot en met de Middeleeuwen.
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 22 van 27
Een uitzondering op deze middelhoge verwachting geldt voor bijzondere datasets met name uit de Bronstijd. In het beekdal van de Loobeek zijn enkele rituele deposities van bronzen speerpunten, zwaarden, bijlen en naalden uit de Bronstijd aangetroffen. Het aantreffen van dit soort vondsten (ook uit andere archeologische perioden) is ook mogelijk in het plangebied. Daarom geldt er een hoge verwachting voor bijzondere datasets in natte contexten voor met name de Bronstijd. Rituele deposities uit andere archeologische perioden zijn echter niet uit te sluiten. In de omgeving zijn verschillende vondsten uit de Nieuwe tijd aangetroffen. Archeologische resten uit deze periode zijn niet uit te sluiten. Daarom geldt er een middelhoge archeologische verwachting voor de Nieuwe tijd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is er hevig gevochten in het plangebied. Het is bekend dat er een mijnenveld heeft gelegen in het plangebied. Venray is hevig gebombardeerd, waardoor er ook in de omgeving van het plangebied vele explosieven zijn aangetroffen. In het plangebied geldt daarom een bijzonder hoge verwachting voor resten van de Tweede Wereldoorlog. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden.
Daar waar een enkeerdgrond wordt verwacht, in het westelijke deel van het plangebied, worden de archeologische resten verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont (dekzand- of beekdalafzettingen). Organische resten en 65 metaal zullen door de natte en zuurstofloze condities over het algemeen goed zijn geconserveerd. In het overige deel van het plangebied wordt een gooreerdgrond of veldpodzolgrond verwacht. De archeologische resten in deze bodem worden direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.
Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. In het plangebied is 1950 bebouwing aanwezig. Uit de bouwdossiers blijkt dat de gebouwen zijn gefundeerd vanaf circa 0,85 m –mv. Onder enkele stallen bevindt zich een mestkelder tot circa 2,35 m – mv. Op de locaties van de bebouwing zouden de eventuele archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
65
Kars & Smit, 2003.
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 23 van 27
3
CONCLUSIE EN ADVIES
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. In het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum. De locatie langs een beekdal maakt het een geschikte periode voor tijdelijke kampementen en andere activiteiten. Voor de periodes Neolithicum tot en met de Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Vanaf het Laat-Neolithicum is het plangebied deels begroeid met veen, waardoor het een matig geschikte locatie werd voor bewoning. Een uitzondering op deze middelhoge verwachting geldt voor bijzondere datasets in de Bronstijd. Ten noorden van het plangebied zijn enkele rituele deposities bekend, die ook in het plangebied verwacht kunnen worden. Voor de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting. Aangezien het bekend is dat er in het plangebied tijdens de Tweede Wereldoorlog is gevochten, is het mogelijk dat er nog resten hiervan in het plangebied bevinden. Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek.
Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met een om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Venray). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 24 van 27
LITERATUUR Alterra, 2003: Digitale Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:25.000. Amersfoort, H. & P.H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berendsen, H.J.A. & E. Stouthamer, 2001: Palaeogeographic development of the Rhine-Meuse delta, The Netherlands. Van Gorcum, Assen. Benerink, G.M.H., 2012: Archeologisch Begeleiding. Plangebied Houtklef 10, Venray, gemeente Venray. SOB Research-rapport 1764-1006. Broeke, P. van den, 2005: Gaven voor de Goden. Riten en cultusplaatsen in de metaaltijden, in L.P. Louwe Kooijmans, P.W. van den Broeke, H. Fokkens, A. van Gijn (red.): Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik en A.H. Geurts, 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Universiteit Utrecht. Derks, T., 1991: Eindverslag archeologisch vooronderzoek rijksweg 73. Traject Venray-Venlo. RAAP Rapport 44. Doesburg, J. van (red.), et al., 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort 2007. Fontijn, D.R., 2003: Sacrificial Landscapes. Cultural biographies of persons, objects and ‘natural’ places in de Bronze Age of the Southern Netherlands, c. 2300-600 BC. Analecta Praehistorica Leidensia 33/34. Fontijn, D.R., 2004: ‘Schatvondsten’ uit de beekdalen.
De interpretatie van metaaldeposities uit de Bronstijd, in Beekdallandschappen in archeologisch perspectief, Amersfoort (Nederlandse Archeologische Rapporten 28). Huizer, J. & A. van der Geest, 2007: Venray, Bedrijventerrein Nijverheid, Nijverheidstraat. Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen. ADC Rapport 805. Jager, D.H. de, 1998: Gemeente Venray, plangebied Smakterheide 2; een archeologische kartering. RAAP-rapport 351. Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Kars, H. & A. Smit (red.), 2003: Handleiding Fysiek Behoud Archeologisch Erfgoed. Degradatiemechanismen in sporen en materialen. Monitoring van de conditie van het bodemarchief. Amsterdam (Geoarchaeological and Bioarchaeological Studies, 1). Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch.
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 25 van 27
Moonen, B.J., J.A.M. Roymans & M.A.H. Lipsch, 2008: Begrensd verleden; een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray. Deelrapport I: Toeli8hting op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. RAAP-rapport 1482. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff, T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Otter, Y. den, 2006: Natuurontwikkelingsgebieden in Noord- en Midden-Limburg. Plangebied Berkenkamp, Plangebied Smakterveld, Plangebied Speckerweg. Inventariserend Veldonderzoek Karterend Booronderzoek (Fase 3). BAAC-rapport 06.226. Otter, Y, den & S. de Jager, 2006: Tussenrapport Natuurontwikkelingsgebieden in Noord- en MiddenLimburg. 11 plangebieden. Inventarsierend archeologisch onderzoek Fase 1, bureauonderzoek. BAAC-rapport 06.034. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. Roymans, J.A.M. & M.P.F. Verhoeven, 2010: Beekdallandschappen als Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied, Een onderzoekskader voor 7 beekdallandschappen in Noord- en Midden Limburg, (RAAP rapport 1880).
Sprengers, N., 2016: Herinrichting Loobeek, Venraysch Broek en Loobeek de Spurkt; archeologisch vooronderozek: een bureauonderzoek. RAAP-rapport 3239. Stichting voor Bodemkartering, 1968: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 52 West/Venlo. Verhoeven M.P.F. & B.J. Moonen, 2011: Actualisatie archeologische verwachtingskaart en opstellen beleidskaart met bijhorende beleidsregels. RAAP- adviesdocument 538. Zwanenburg G.J., 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen.
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 26 van 27
BRONNEN AHN; internetsite, juli 2018. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juli 2018. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, juli 2018. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, juli 2018. http://imagebase.ubvu.vu.nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, juli 2018 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Limburg; internetsite, juli 2018. https://www.limburg.nl/Beleid/Cultuur/Erfgoed/Monumenten/Cultuurhistorische_Waardenkaart Dinoloket; internetsite, juli 2018. http://www.dinoloket.nl/ Gemeente Venray; internetsite, juni 2018. https://www.venray.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juli 2018. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, juli 2018. http://www.topotijdreis.nl/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, juli 2018. https://www.limburg.nl/onderwerpen/omgeving/omgevingsplan/pol-2014-inclusief/ Ruimingskaart; internetsite, juni 2018. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juli 2018. http://www.sikb.nl Stichting Loobeek; internetsite, juni 2018. http://loobeek-merselo.nl/volmolen/ VEO Bommenkaart; internetsite, juni 2018. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 7301.002 versie 1
Pagina 27 van 27
Figuur 1.
Situering van het plangebied binnen Nederland
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Situering van het plangebied binnen Nederland Legenda Plangebied
Rapport 7301.002 versie 1
Figuur 2.
Detailkaart van het plangebied
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Detailkaart van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 7301.002 versie 1
Figuur 3.
Luchtfoto van het plangebied
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Luchtfoto van het plangebied Legenda Plangebied
Rapport 7301.002 versie 1
Figuur 4.
Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart gemeente Venray Legenda Plangebied
66
Verhoeven & Moonen, 2011.
Rapport 7301.002 versie 1
66
Figuur 5.
Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
67
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart
Plangebied
67
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 7301.002 versie 1
Figuur 6.
Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Situering van het plangebied binnen Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Legenda Plangebied
68
AHN
Rapport 7301.002 versie 1
68
Figuur 7.
Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart
69
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Situering van het plangebied binnen de bodemkaart Legenda Plangebied
69
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 7301.002 versie 1
Figuur 8.
Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied
70
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied (bron: Archeologisch informatiesysteem Archis3, AHN) Plangebied
70
Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort
Rapport 7301.002 versie 1
Figuur 9.
Situering van het plangebied binnen de historische kaarten
Situatie 1803-1820 (bron: imagebase.ubvu.vu.nl)
Situatie 1850-1864 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1895 (bron: www.topotijrdeis.nl)
Situatie 1936 (bron: www.topotijdreis)
Situatie 1967 (bron: www.topotijdreis.nl)
Situatie 1994 (bron: www.topotijdreis.nl)
Klaver 15 het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Situering van het plangebied binnen de historische kaarten Legenda Plangebied
Rapport 7301.002 versie 1
Bijlage 1 Ouderdom in jaren
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken
Chronostratigrafie
MIS
Holoceen 11.755 12.745 13.675 14.025
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
15.700
1 Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)
Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)
2
LaatPleniglaciaal 29.000
50.000
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal
3
Formatie van Kreftenheye
Formatie van Boxtel
4
75.000
VroegW eichselien (VroegGlaciaal) 115.000 130.000
370.000 410.000
5a 5c 5d
Eemien (warme periode)
5e
Saalien (ijstijd)
6
Holsteinien (warme periode)
Formatie van Beegden
5b
Eem Formatie Formatie van Drente
Formatie van Urk
Elsterien (ijstijd) 475.000
Cromerien (warme periode) 850.000
Pre-Cromerien 2.600.000
Rapport 7301.002 versie 1
Formatie van Sterksel
Formatie van Peelo
Cal. jaren v/n Chr.
14
C jaren
Chronostratigrafie
Pollen zones
0
1950
Vb2
1500
Subatlanticum koeler vochtiger
450 0 12
Vb1 Va
Vegetatie Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem
Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd
800 2650
815
IVb Subboreaal koeler droger
2000
IVa
5000
3755 4900
5300
Atlanticum warm vochtig
III
Boreaal warmer
II
Preboreaal warmer
I
8000
7020
8240
9000
8800 11.755
10.150
12.745
10.800
13.675
11.800
14.025
12.000
15.700
13.000
LaatWeichselien (LaatGlaciaal)
Late Dryas
LW III
Allerød
LW II
Vroege Dryas LW I Bølling
35.000
Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk>1% invloed landbouw (granen)
Bronstijd
Neolithicum
Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend
Mesolithicum
parklandschap dennen- en berkenbossen open parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen
MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)
perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra
VroegWeichselien (VroegGlaciaal)
perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap
Laat-Paleolithicum
75.000
115.000 130.000
Eemien (warme periode)
Midden-Paleolithicum loofbos
Saalien (ijstijd) 300.000
Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974), Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003). Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003). Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994). Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 Bronk Ramsey (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000). Pollenzones volgens P. Vos & P. Kiden (2005).
Rapport 7301.002 versie 1
Bijlage 2 AMK nr. 16228
Situering t.o.v. plangebied 1000 meter ten noordoosten
Rapport 7301.002 versie 1
AMK-terreinen
Datering
Waarde en omschrijving
Middeleeuwen laat - Nieuwe tijd
Toponiem: Loobeek Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de oude dorpskern van Loobeek. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden e e kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19 -eeuwse en vroeg 20 eeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 na Chr.) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege- en Volle-Middeleeuwen (tot circa 1300 na Chr.) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.
Bijlage 3 Zaaknummer (OMnummer) 4008474100
Onderzoeksmeldingen
Situering t.o.v. het cent rum van het plangebied In het plangebied
2079808100 (10384)
aangrenzend ten zuidwesten
2027619100 (10377)
aangrenzend ten zuidwesten
2137269100 (19902)
aangrenzend ten zuidoosten
2042060100 (5357)
100 meter ten oosten
Rapport 7301.002 versie 1
Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek Type onderzoek: bureauonderzoek en archeologische verwachtingskaart Toponiem: Loobeek, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 20-7-2016 Resultaat: Voor beide deelgebieden is op basis van de resultaten van het bureauonderzoek een archeologische verwachtingskaart opgesteld. Vermoedelijk zal de toekomstige inrichting beperkt blijven tot het dal van de Loobeek, maar in het kader van dit onderzoek is er om voldoende context te verzamelen voor een betrouwbaar verwachtingsmodel toch voor gekozen om ook de directe omgeving van het beekdal (straal 1.000 m rond beekloop) te betrekken in het verwachtingsmodel. Bij het opstellen van de archeologische verwachting is onderscheid gemaakt tussen droge en natte landschappen. Het verwachtingsmodel is gebaseerd op de gemeentelijke verwachtingskaarten, maar is gespecificeerd ten aanzien van het beekdal van de Loobeek. Hierdoor is het cultuurhistorisch potentieel van het onderzoeksgebied en de ruimtelijke invulling hiervan nauwkeuriger in kaart gebracht, zodat deze elementen beter kunnen worden meegewogen in de uiteindelijke planvorming. De verwachtingskaart is op haar beurt per deelgebied vertaald naar een advieskaart. Als algemene aanbeveling geldt dat de archeologische waarden binnen het plangebied zo veel mogelijk moeten worden ontzien, middels planaanpassing of -inpassing.
Concreet komt het erop neer om in archeologisch waardevolle gebieden geen graafwerkzaamheden uit te voeren. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Deelgebied A, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied A heeft er een oppervlakte kartering plaatsgevonden. In dit deelgebied waren veel molshopen aanwezig die gecontroleerd zijn op vondsten. Er zijn geen prehistorische of middeleeuwse vondsten aangetroffen. Door het ontbreken van middeleeuwse vondsten in combinatie met de gegevens van de historische kaarten wordt er vermoed dat het gebied relatief laat ontgonnen is. Aan de westzijde zijn venige/lemige afzettingen van ca. 20 cm dikte aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische sporen. Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Deelgebied B, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied B heeft er een oppervlakte kartering plaatsgevonden. Het booronderzoek wijst uit dat in het zuidelijk deel van deelgebied B bevind zich de dekzandrug met veldpodzolen. Er is geen esdek aanwezig. Hoewel dit een gunstige vestinglocatie was, is er in de overvloedige aanwezige molshopen geen archeologisch materiaal aangetroffen.
Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Bedrijventerrein Nijverheid, Venray Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 23-11-2006 Resultaat: Ondanks het feit dat er geen archeologische resten in het plangebied zijn aangetroffen, is uit de verkennende fase van het onderzoek gebleken, dat de bodem (met uitzondering van het zuidwestelijke deel van het plangebied nabij de boorpunten 1, 2, 4, 5, 6, 9 en 10) grotendeels intact is en dat het in het bijzonder gaat om een gooreerdgrond. Op basis van deze bodemkundige interpretatie moet de verwachting voor het plangebied naar beneden worden bijgesteld naar een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische resten van hoofdzakelijk jachtkampen uit het Paleolithicum, Mesolithicum. Vermoedelijk was het gebied van nature in beperkte mate aantrekkelijk voor landbouwers uit het Neolithicum en latere perioden wegens de voor landbouwdoeleinden matige eigenschappen van de bodem (geringe vruchtbaarheid en relatief lage grondwatertrap). Wat betreft de conservering van de mogelijke vindplaatsen, dient te worden opgemerkt, dat het te verwachten materiaal voornamelijk vuursteen betreft, dat ten gevolge van het in cultuur brengen van het gebied ten behoeve van akkerbouw en grondbewerking (akkerland) mogelijk niet meer in situ is gelegen.
Aangezien er op grond van het veldonderzoek geen aanwijzingen zijn gebleken voor de aanwezigheid van archeologische resten in het plangebied, komt de beantwoording van de overige, in de inleiding gestelde vragen, te vervallen. Het advies is om in de gebieden met een middelhoge archeologische verwachting (lees: de gebieden zonder bodemverstoring) een karterend inventariserend veldonderzoek door middel van boringen in een verdicht boorgrid uit te voeren, om gaafheid, omvang, datering en conservering van archeologische resten te onderzoeken. Op grond van de waarnemingen uit voornamelijk Paleolithicum en Mesolithicum, alsmede de interpretatie van de bodem als gooreerdgrond, wordt geadviseerd het vervolgonderzoek hierop af te stemmen en het onderzoek te richten op het in kaart brengen van vuursteenvindplaatsen. De precieze invulling van dit onderzoek zal moeten worden vastgelegd in een Plan van Aanpak (PvA). Vooruitlopend op de inhoud van dit PvA, wordt geadviseerd de boringen uit te voeren met een 15 cm Edelmanboor in een 20x25 m grid en het opgeboorde materiaal te zeven over een zeef met een maaswijdte van 3 mm. Deze boormethode is geschikt voor het opsporen van middelgrote vuursteenvindplaatsen met een hoge vondstdichtheid. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Rijksweg A73 Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau
2027651100 (10382)
250 meter ten zuidwesten
2113008100 (16389)
250 meter ten noordoosten
2113008100 (16389)
250 meter ten noordoosten
2113008100 (16389)
250 meter ten noordoosten
Datum: 31-12-1989 Resultaat: Het resultaat van dit onderzoek is niet bekend in Archis Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Deelgebied C, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied C heeft er een oppervlakte kartering plaatsgevonden. Er zijn geen prehistorische of middeleeuwse vondsten aangetroffen. Aan de westzijde van het akker is veel recent puin waargenomen. Het booronderzoek bevestigd dat er gooreerdgronden aanwezig zijn. Aan de westzijde zijn venige/lemige afzettingen van ca. 20 cm dikte aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische sporen. Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: Plangebied 3A: Smakterveld, Venray Uitvoerder: BAAC BV Datum: 14-3-2006 Resultaat: Plangebied Smakterveld (tijdens fase 1 en 2) ligt in en op de noordflank van het beekdal van de Loobeek. Archeologisch gezien, zijn voornamelijk de flanken van het beekdal interessant, omdat die de overgang zijn van de hoge en droge delen en geschikt waren voor bewoning. De beek werd gebruikt voor water- en voedselvoorziening. Waarnemingen uit de nabije omgeving duiden op bewoning aan de noordflank van het beekdal. Het beekdal zelf is over het algemeen te nat geweest voor bewoning in het verleden.
Voor de flank van het beekdal geldt een middelhoge tot hoge verwachting en voor het beekdal zelf geldt een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Type onderzoek: verkennend booronderzoek Toponiem: Plangebied 3A: Smakterveld, Venray Uitvoerder: BAAC BV Datum: 14-3-2006 Resultaat: Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat alleen het noordwestelijk deel van het plangebied op de flank van het beekdal ligt. Ter plaatse werd het bodemprofiel van een vorstvaaggrond aangetroffen. In het overige deel van het plangebied zijn moerige gronden en veengronden aangetroffen, typerend voor een beekdalafzetting. Deze begrenzing en de intactheid van het bodemprofiel leidde tot een indeling van gebieden met een lage en een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend veldonderzoek werd aanbevolen voor de zone met een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Type onderzoek: karterend booronderzoek Toponiem: Plangebied 3A: Smakterveld, Venray Uitvoerder: BAAC BV Datum: 14-3-2006 Resultaat: Er is geboord met een boorgrid van 20 bij 25 m, waarbij de afstand tussen de boorraaien 20 m is en de boringen in de raai 25 m uit elkaar liggen. In totaal 22 boringen in plangebied Smakterveld gezet.
Het door de wind afgezette dekzand bestaat uit matig fijn tot matig grof zand en heeft een mediaan van 150-300 mm. Het zand voelt relatief zacht aan, wat karakteristiek is voor dekzand. Het zand is meestal over grote afstanden getransporteerd, waardoor afronding van het zand heeft plaatsgevonden. In de boringen 7, 9 en 18 is humeuze klei en in boring 14 is veen aangetroffen direct onder de 30 cm dikke bouwvoor. De humeuze klei en veen zijn afgezet door de beek en vormen dus een duidelijk grens tussen de hoger gelegen dekzandrug en het lager gelegen beekdal. Met uitzondering van de boringen 7, 9, 14 en 18, behoren de aangetroffen bodemprofielen tot de (vorst)vaaggronden. De bouwvoor gaat scherp over in of een Bs-, of direct in het onverstoorde dekzand (C-horizont). Er zijn in diverse boringen duidelijk sporen van recente verstoringen in de vorm van verploeging waargenomen. Daardoor ontbreekt de Bs-horizont in diverse profielen (in sommige boringen is het bodemprofiel tot 60 cm beneden maaiveld afgetopt). Door verploeging was geel zand, uit de C-horizont, in vlekken aanwezig in de bouwvoor en waren humeuze zandvlekken en kleibrokken aanwezig onder de bouwvoor. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het bodemprofiel is in een groot deel van het onderzoeksgebied verstoord. Daarnaast zijn er geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Daarom wordt de middelhoge tot hoge verwachting op basis van de resultaten uit het bureauonderzoek en het verkennend booronderzoek bijgesteld naar een lage verwachting op het aantreffen van archeologische sporen en vondsten.
2080536100 (10381)
500 meter ten zuiden
2079792100 (10378)
600 meter ten zuiden
Rapport 7301.002 versie 1
Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek is voor het gehele plangebied naar onze mening geen archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk, omdat er geen archeologische indicatoren in de vorm van sporen en/of vondsten zijn gevonden die duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats in het plangebied. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Deelgebied D, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied D heeft er een oppervlakte kartering plaatsgevonden. In dit deelgebied waren veel molshopen aanwezig die gecontroleerd zijn op vondsten. Er zijn geen prehistorische of middeleeuwse vondsten aangetroffen. Aan de westzijde zijn venige/lemige afzettingen van ca. 20 cm dikte aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische sporen. Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Deelgebied F, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau
Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied F heeft er een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Hoewel de oppervlaktekartering zijn succes heeft bewezen, is ze feitelijk minder geschikt voor het onderzoek van gebieden waar archeologische vindplaatsen voor een relatief dikke cultuurlaag (de zogenoemde esdekken) worden afgedekt. In deze gevallen is de kans klein dat vondsten, bijvoorbeeld door de werking van landbouwmachines, aan het oppervlakte terecht komen. Booronderzoek maakt het mogelijk om inzicht te krijgen in de dikte van het esdek en in de aan- of afwezigheid van de cultuurlaag onder het esdek. In het gebied zijn boringen geplaatst in een grind van 40x50 m. Er is tot een maximale diepte van 1,2 m –mv geboord. Het opgeboorde sediment is gezeefd door een zeef met een maaswijdte van 0,5 m en gecontroleerd op het voorkomen van archeologisch materiaal, zoals fragmenten aardewerk of vuurstenensplinters. De hoogte en positie van elk boorpunt is nauwkeurig ingemeten met behulp van de infrarood theodoliet (landmeetkundig apparaat). Slechts in twee boringen in dit laaggelegen gebied is sprake van een cultuurdek van 50 à 60 cm dikte. Omdat er ter plaatse ook veel recent puin aan de oppervlakte werd aangetroffen, betreft het waarschijnlijk opgebrachte grond (boringen 41 en 42). In de boringen 54, 55, 63 en 68 werden beekdalafzettingen aangetroffen.
Alle overige boringen leverden een bodemprofiel op dat als gooreerdgrond kan worden geclassificeerd. De akkers aan de oostzijde van dit deelgebied zijn in gebruik voor aspergeteelt. Plaatselijk was duidelijk te zien dat de grond ten behoeve van deze teelt recent is gediepploegd (boringen 56-60). Ondanks de diepe verstoring is aan de oppervlakte nergens opgeploegd archeologisch materiaal waargenomen. Er zijn dan ook geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische sporen aangetroffen.
2027643100 (10380)
700 meter ten zuiden
Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Als aanvulling op het onderzoek zou het echter aanbeveling verdienen de percelen tussen de deelgebieden E en G en tussen de deelgebieden G en H vlakdekkend af te boren (ca. 22 boringen met de megaboor). Hier zou eventueel nog een esdek aanwezig kunnen zijn. Voor de planning en uitvoering van eventuele vervolgstappen van het archeologisch onderzoek dient contact te worden opgenomen met de ROB te Amersfoort. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Deelgebied E, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied E heeft er een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Hoewel de oppervlaktekartering zijn succes heeft bewezen, is ze feitelijk minder geschikt voor het onderzoek van gebieden waar archeologische vindplaatsen voor een relatief dikke cultuurlaag (de zogenoemde esdekken) worden afgedekt. In deze gevallen is de kans klein dat vondsten, bijvoorbeeld door de werking van landbouwmachines, aan het oppervlakte terecht komen. Booronderzoek maakt het mogelijk om inzicht te krijgen in de dikte van het esdek en in de aan- of afwezigheid van de cultuurlaag onder het esdek. In het gebied zijn boringen geplaatst in een grind van 40x50 m. Er is tot een maximale diepte van 1,2 m –mv geboord.
Het opgeboorde sediment is gezeefd door een zeef met een maaswijdte van 0,5 m en gecontroleerd op het voorkomen van archeologisch materiaal, zoals fragmenten aardewerk of vuurstenensplinters. De hoogte en positie van elk boorpunt is nauwkeurig ingemeten met behulp van de infrarood theodoliet (landmeetkundig apparaat). Aan de hand van de verrichte hoogtemetingen is goed te zien dat dit deelgebied in hoogte afneemt in oostwaartse richting. Uit de boringen blijkt dat aan de westzijde, tegen de Overloonseweg aan, plaatselijk sprake is van een esdek van ca. 60 cm dik. Ter plaatse is het boornet verdicht (boringen 27, 69, 71, 72, 73 en 74). In de boringen 69 en 72 werden enige zeer kleine fragmentjes aardewerk in het cultuurdek aangetroffen. Eén fragmentje kan uit de Middeleeuwen dateren, vier andere dateren op z'n vroegst uit de 18e eeuw. In de overige boringen aan de westzijde van deelgebied E ontbreekt een esdek (boringen 26, 33, 34, 35, 70, 75, 76 en 77). Het cultuurdek is hier niet dikker dan 40 cm. In enige boringen zijn restanten van de inspoelingshorizont van een veldpodzol aangetroffen. Aan de oostzijde van het deelgebied zijn venige en lemige (beekdal)afzettingen (meerveengrond?) op zand aangetroffen (boringen 28-31, 36 en 78). Aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische sporen ontbreken.