Toelichting Bijlage 8 Bureauonderzoek Archeologie
Tekst van het document
2289428100 (41400)
2081719100
800 meter ten noordwesten
900 meter ten
Rapport 7301.002 versie 1
Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Als aanvulling op het onderzoek zou het echter aanbeveling verdienen de percelen tussen de deelgebieden E en G en tussen de deelgebieden G en H vlakdekkend af te boren (ca. 22 boringen met de megaboor). Hier zou eventueel nog een esdek aanwezig kunnen zijn. Voor de planning en uitvoering van eventuele vervolgstappen van het archeologisch onderzoek dient contact te worden opgenomen met de ROB te Amersfoort. Type onderzoek: archeologische begeleiding Toponiem: Houtklef 10, Venray Uitvoerder: SOB Research Datum: 16-6-2010 Resultaat: Uit de resultaten van de archeologische begeleiding blijkt dat binnen het onderzoeksgebied waarschijnlijk geen bewoning heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. De diepte verstoringen geven een onzekerheidsfactor wat dat betreft, omdat eventuele archeologische sporen kunnen zijn verdwenen. Aangezien het terrein een relatief lager gelegen gebied betreft, weliswaar aan de rand van een dekzandrug, kan de reden van het ontbreken van vondsten/sporen wallicht hierin worden gezien. Bewoningssporen moeten dan hoger op de dekzandkop gezocht worden. Aangezien geen archeologische sporen aangetroffen werden kon er geen waardering opgesteld worden in overeenstemming met de KNA 3.1.
Het ontbreken van sporen in het onderzoeksgebied zegt niets over het voorkomen van eventuele sporen in de onmiddellijke omgeving. Met name hogerop de dekzandkop kunnen, mits de bodem niet te erg verstoord is, alsnog archeologische resten verwacht worden die samenhangen met de reeds aangetroffen resten op de dekzandkop. Bij eventuele toekomstige graafwerkzaamheden in de omgeving van het onderzoeksgebied dient hier rekening mee te worden gehouden. Type onderzoek: booronderzoek
(10379)
zuiden
Toponiem: Deelgebied G, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied G heeft er een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Hoewel de oppervlaktekartering zijn succes heeft bewezen, is ze feitelijk minder geschikt voor het onderzoek van gebieden waar archeologische vindplaatsen voor een relatief dikke cultuurlaag (de zogenoemde esdekken) worden afgedekt. In deze gevallen is de kans klein dat vondsten, bijvoorbeeld door de werking van landbouwmachines, aan het oppervlakte terecht komen. Booronderzoek maakt het mogelijk om inzicht te krijgen in de dikte van het esdek en in de aan- of afwezigheid van de cultuurlaag onder het esdek. In het gebied zijn boringen geplaatst in een grind van 40x50 m. Er is tot een maximale diepte van 1,2 m –mv geboord. Het opgeboorde sediment is gezeefd door een zeef met een maaswijdte van 0,5 m en gecontroleerd op het voorkomen van archeologisch materiaal, zoals fragmenten aardewerk of vuurstenensplinters. De hoogte en positie van elk boorpunt is nauwkeurig ingemeten met behulp van de infrarood theodoliet (landmeetkundig apparaat). Ook dit deelgebied neemt in hoogte af van west naar oost. Tegen de rand van het weggetje aan de oostzijde neemt de hoogte van het maaiveld weer wat toe. Ook in dit deelgebied is geen sprake van een aangesloten esdek. Plaatselijk is wel een cultuurdek van ca.
70 à 80 cm dikte aangetroffen (boringen 9, 11, 12, 20, 21, 24 en 79), maar in omliggende boringen is het dek minder dik dan 50 cm. Aanvullende boringen leverden evenmin een eenduidig beeld. Er zijn restanten van podzolbodems aangetroffen en in de boringen 13, 14, 15 en 85 zijn sedimenten waargenomen die de overgang markeren naar het beekdal. Dit dal sluit in noordelijke richting aan op het dal van de Loobeek. In de bouwvoor van boring 86 werd een scherf Keuls Steengoed aangetroffen (16e/17e eeuw). Aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische sporen ontbreken.
2030461100 (10383)
1000 meter ten zuiden
Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Als aanvulling op het onderzoek zou het echter aanbeveling verdienen de percelen tussen de deelgebieden E en G en tussen de deelgebieden G en H vlakdekkend af te boren (ca. 22 boringen met de megaboor). Hier zou eventueel nog een esdek aanwezig kunnen zijn. Voor de planning en uitvoering van eventuele vervolgstappen van het archeologisch onderzoek dient contact te worden opgenomen met de ROB te Amersfoort. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Deelgebied H, Venray Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau Datum: 12-2-1998 Resultaat: In deelgebied G heeft er een karterend booronderzoek plaatsgevonden. Hoewel de oppervlaktekartering zijn succes heeft bewezen, is ze feitelijk minder geschikt voor het onderzoek van gebieden waar archeologische vindplaatsen voor een relatief dikke cultuurlaag (de zogenoemde esdekken) worden afgedekt. In deze gevallen is de kans klein dat vondsten, bijvoorbeeld door de werking van landbouwmachines, aan het oppervlakte terecht komen. Booronderzoek maakt het mogelijk om inzicht te krijgen in de dikte van het esdek en in de aan- of afwezigheid van de cultuurlaag onder het esdek. In het gebied zijn boringen geplaatst in een grind van 40x50 m. Er is tot een maximale diepte van 1,2 m –mv geboord.
Het opgeboorde sediment is gezeefd door een zeef met een maaswijdte van 0,5 m en gecontroleerd op het voorkomen van archeologisch materiaal, zoals fragmenten aardewerk of vuurstenensplinters. De hoogte en positie van elk boorpunt is nauwkeurig ingemeten met behulp van de infrarood theodoliet (landmeetkundig apparaat). In deelgebied H is in de zuidoostelijke hoek van het plangebied geen esdek aangetroffen. Slechts één boring vertoonde een cultuurdek van 55 cm dikte (boring 92). In enige aanvullende boringen werd echter noch een esdek, noch enig archeologisch materiaal aangetroffen. De boringen in dit deelgebied vertoonden podzolprofielen die gedeeltelijk zijn opgenomen in de bouwvoor. Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Als aanvulling op het onderzoek zou het echter aanbeveling verdienen de percelen tussen de deelgebieden E en G en tussen de deelgebieden G en H vlakdekkend af te boren (ca. 22 boringen met de megaboor). Hier zou eventueel nog een esdek aanwezig kunnen zijn. Voor de planning en uitvoering van eventuele vervolgstappen van het archeologisch onderzoek dient contact te worden opgenomen met de ROB te Amersfoort.
Rapport 7301.002 versie 1
Bijlage 4
Vondstmeldingen
Zaaknummer (Waarnemingsnr.) 2783641100 (16197)
Locatie t.o.v. het centrum van het plangebied 50 meter ten noordoosten
2882859100 (32444)
100 meter ten oosten
2783625100 (16195)
200 meter ten westen
3092445100 (16198)
400 meter ten noorden
2042060100 (106112)
400 meter ten oosten
2042060100 (106120)
500 meter ten noordoosten
3090996100 (15339)
500 meter ten zuidoosten
2042060100 (106113)
500 meter ten oosten
2991674100 (138316)
500 meter ten zuiden
3092437100 (16194)
800 meter ten noordwesten
2783617100 (16193)
850 meter ten noordwesten
2976592100 (106111)
1000 meter ten noordoosten
2783593100 (16190)
1000 meter ten westen
Rapport 7301.002 versie 1
Omschrijving Bronstijd : - fragment van een bronzen speerpunt Neolithicum - Bronstijd : - fragment van een stenen bijl Bronstijd : - fragment van een bronzen hielbijl Bronstijd : - fragment van een bronzen speerpunt Mesolithicum : - fragment van een vuursteen spits Late-Middeleeuwen : - fragment van grijsbakkend gedraaid aardewerk Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - aardewerk - fragment van een spinsteentje Paleolithicum : - fragment van een vuursteen vuistbijl/biface Paleolithicum - Nieuwe tijd: - afval van vuursteen Late-Middeleeuwen : - fragment van gedraaid aardewerk Bronstijd : - fragment van een bronzen naald - 2 bronzen onderdelen van zwaarden - fragment van een bronzen randbijl - 2 fragmenten van bronzen speerpunten Bronstijd - IJzertijd : - handgevormd aardewerk Paleolithicum - Nieuwe tijd: - afval van vuursteen Neolithicum : - handgevormd aardewerk - fragmenten van vuursteen bijlen
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Als aanvullende informatie wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland weergegeven. Paleolithicum (tot ca. 8800 voor Chr.) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, ca. 300.000-130.000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het LaatPaleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (ca. 8800-4900 voor Chr.) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (ca. 9000 voor Chr.) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o.a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.
Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territoriumgebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (ca. 5300-2000 voor Chr.) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.
Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolitische bevolking die een halfagrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (ca. 2000-800 voor Chr.) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had
Rapport 7301.002 versie 1
wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit. De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (ca. 800-12 voor Chr.) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen ('Celtic fields').
Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven. De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (ca. 12 voor Chr. - 450 na Chr.) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 na Chr., de Romeinse invloed steeds duidelijker.
In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (ca. 450-1500 na Chr.) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 na Chr., is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen.
De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Ro-
Rapport 7301.002 versie 1
meinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. e e Vanaf de 10 – 11 eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een begin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie.
Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. e In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 tot het begin van de e 20 eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd. Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat e zich tot in het begin van de 20 eeuw uit in de kunsten.
Rapport 7301.002 versie 1
Bijlage 6
AMZ-cyclus
Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.
Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.
De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.
Rapport 7301.002 versie 1
Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan. De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving.
Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.
Rapport 7301.002 versie 1
Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ▼ Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Inventariserend veldonderzoek* ▼ ▼ Verkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie ▼****** Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** (variant begeleiding) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ▼ ▼ Opgraven*** Beschermen Verwijderen van de Bescherming van de archeologische archeologie door resten door archeoplanaanpassing logen (variant begeleiding)
► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzakelijk wordt geacht.
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.***
► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten worden over te gaan op het begeleiden van de graafwerkzaamheden door archeologen.*** ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeologie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardering. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel met bouwkundige voorwaarden).
* Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid. ****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.
Rapport 7301.002 versie 1