CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bijlage 8 Bureauonderzoek Archeologie

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en MER De Spurkt21.400 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK KLAVER 15 HET TOEKOMSTIGE INDUSTRIETERREIN TRADE PORT NOORD TE VENRAY GEMEENTE VENRAY

archeologisch bureauonderzoek Klaver 15 op het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray Opdrachtgever

Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo Sint Jansweg 20 5928 RC Venlo

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

7301.002 1 26 juni 2018

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

P. Beurskens MA

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

7301.002

Toponiem

Klaver 15

Opdrachtgever

Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo

Gemeente

Venray

Plaats

industrieterrein Trade Port Noord te Venray

Provincie

Limburg

Kadastrale gegevens

Gemeente Venray, sectie U, nummers 289, 291, 292 (ged.), 322 (ged.), 246, 253, 244, 243, 158 (ged.) 159 (ged.), 160 (ged.), 242, 155, 107, 162 (ged.), 161 (ged.), 106 (ged.), 104, 103, 300, 95, 94, 93 en 92

Omvang plangebied

circa 44,3 ha

Kaartblad

52 B (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 196.103 / Y: 396.234

Bevoegde overheid

Gemeente Venray Westsingel 1 5801 TT Venray Postbus 500 5800 AM Venray T: 0478-523333 Contactpersoon: mevr. J. Riechelman E: Jessie.Riechelman@venray.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Gemeente Venlo Postbus 3434, 5902 RK Venlo T: 077 – 3596994 Contactpersoon: Dhr. drs. J. W. Schotten E: j.schotten@venlo.nl

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Bureauonderzoek 4615359100

Archeoregio NOaA

Brabants zandgebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Limburg

Uitvoerders

Econsultancy, P. Beurskens MA

Econsultancy Archeologisch Rapport

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo in juni 2018 een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen ontwikkeling van het terrein. Het plangebied is gelegen aan de Klaver 15 op het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray in de gemeente Venray. Het plangebied zal worden herontwikkeld. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek In het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting voor de periodes Paleolithicum en Mesolithicum. De ligging langs een beekdal maakt het een geschikte locatie voor tijdelijke kampementen en andere activiteiten.

Voor de periodes Neolithicum tot en met de Middeleeuwen geldt een middelhoge verwachting. Vanaf het Laat-Neolithicum is een deel van het plangebied begroeid met veen, waardoor het een matig geschikte locatie werd voor bewoning. Een uitzondering op deze middelhoge verwachting geldt voor bijzondere datasets uit de Bronstijd. Ten noorden van het plangebied zijn enkele rituele deposities bekend, die ook in het plangebied verwacht kunnen worden. Voor de Nieuwe tijd geldt een hoge verwachting. Aangezien het bekend is dat er in het plangebied tijdens de Tweede Wereldoorlog is gevochten, is het mogelijk dat er nog resten hiervan in het plangebied liggen. Advies Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Venray). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.

Rapport 7301.002 versie 1

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8

3

Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 3 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 10 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 19

CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 24

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 25 BRONNEN .......................................................................................................................................... 27

Rapport 7301.002 versie 1

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII. Tabel IX.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Verleende bouwvergunningen voor perceel 291, Spurkt 5 Verleende bouwvergunningen voor perceel 244, Spurkt 5a Verleende bouwvergunningen voor perceel 253, Spurkt 5b Verleende bouwvergunningen voor perceel 158, Spurkt 5c Verleende bouwvergunningen voor perceel 107, Spurkt 8 Gespecificeerde archeologische verwachting

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied Situering van het plangebied binnen de historische kaarten

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus

Rapport 7301.002 versie 1

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied gelegen aan de Klaver 15 op het toekomstige industrieterrein Trade Port Noord te Venray in de gemeente Venray (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft voornemens om het plangebied te herontwikkelen. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2). Uitgaande van de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni 2018 door P. Beurskens MA (archeoloog). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNA-archeoloog). 2 2.1

BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.0, 07-06-2016), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2

Beschikbaar via www.sikb.nl.

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 1 van 27

           2.3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Venray; Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter 3 rondom het plangebied. De onderzoekslocatie ligt aan de Klaver 15, ten noorden van Venray in de gemeente Venray (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van tussen 18,1 tot circa 19,5 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als Gemeente Venray, sectie U, nummers 289, 291, 292 (ged.), 322 (ged.), 246, 253, 244, 243, 158 (ged.) 159 (ged.), 160 (ged.), 242, 155, 107, 162 (ged.), 161 (ged.), 106 (ged.), 104, 103, 300, 95, 94, 93 en 92. Volgens de topografische kaart van Nederland, 52 B (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X: 196.103 / Y: 396.234. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.

Er heeft geen veldinspectie plaatsgevonden aangezien de opdrachtgever geen toestemming heeft gegeven. Het plangebied is momenteel in gebruik als grasland, akkerland. Verder is het plangebied gedeeltelijk bebouwd en in gebruik als agrarisch bedrijf (zie figuur 3). 4

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart 3

Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied. 4 Bestemmingsplannen gemeente Venray.

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 2 van 27

maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’. Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’. Volgens de bijbe2 horende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 2500 m en dieper dan 50 cm –mv. De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische verwachtingskaart en de bijbehorende beleidsnota (WAD, 2016). Volgens de verwachtingskaart (zie Figuur 4) ligt het plangebied in een zone 5 met een lage en hoge archeologische verwachting. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend binnen het Bodemloket geen milieuhygiënische onder6 zoeken uitgevoerd. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De toekomstige inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De toekomstige plannen voor het plangebied betreffen een herontwikkeling van het terrein. De exacte plannen zijn nog niet bekend. Naar verwachting zal er een oppervlakte van 44,3 ha worden verstoord tot een diepte van circa 1,5 tot 3,5 m –mv. Indien de grondslag slecht is, zal de verstoring dieper plaatsvinden. 2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand (Bx5)

5

Verhoeven & Moonen, 2011. www.bodemloket.nl. 7 De Mulder et al., 2003. 6

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 3 van 27

Stroomgordel

8

Beekdalen uit het Laat-Glaciaal (12.900-10.150 jaar geleden)

9

Oostelijk deel: dekzandrug of kopje (3L5) Zuidelijk en noordelijk deel: beekdalglooiingen (3H11) Westelijk deel: ondiep fluviatiel dal (2R4)

Geomorfologie

Bodemkunde

10

Grondwatertrap

Centraal deel: gooreerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (pZn21). Zuidelijk deel: veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21) Zuidwestelijk deel: lage enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (EZg21) V

Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied bevindt zich binnen een gebied met sedimenten van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand (Bx5). De afzettingen van de Formatie van Boxtel zijn afgezet gedurende de laatste ijstijd. Gedurende de laatste ijstijd had de wind vrij spel in het verplaatsen van zand en silt. Over een groot deel van Neder11 land werd een pakket dekzand afgezet. Er ontstonden duidelijke hoogteverschillen, waarbij reliëfverschillen kleiner dan 1,5 meter dekzandplateaus worden genoemd en grotere hoogteverschillen dekzandruggen of dekzandkopjes genoemd worden. Dekzandafzettingen die zijn afgezet tijdens het LaatGlaciaal zorgden voor nivellering van het landschap door laagtes in het landschap op te vullen. Het dekzand, dat in het plangebied aan het oppervlak wordt aangetroffen, wordt ook wel het Laagpakket 12 van Wierden genoemd, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. In het Holoceen (vanaf circa 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan.

Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de 13 Nieuwe tijd. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen in de omgeving van Venray afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dichtstbijzijnde bekende beekdal ( van de Loobeek) bevindt zich in het noordelijk deel van het plangebied. 14

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. Drie van deze boringen bevinden zich in het plan15 gebied. Uit de boringen blijkt dat de ondergrond bestaat uit verschillende lagen zand. Het bovenste 8

Berendsen & Stouthamer, 2001/ Cohen et al., 2012. Alterra, 2003. 10 Stichting voor Bodemkartering, 1968. 11 Berendsen, 2008. 12 De Mulder et al., 2003. 13 Berendsen, 2008. 14 www.dinoloket.nl. 15 DINO boornummers B52B1401, B52B1412 en B52B1414. 9

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 4 van 27

16

pakket bestaat uit fijn zand. Hieronder bevindt zich een dikke laag middelgrof zand. Deze sedimenten behoren tot de dekzanden van de Formatie van Boxtel. In de boringen langs de Loobeek wordt er grover zand aangetroffen. Afwisselend met lagen zand zijn langs de Loobeek pakketten veen en leem 17 aangetroffen. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het oostelijk deel van het plangebied binnen een dekzandrug of kopje (3L5). Door het plangebied, in het zuidelijk naar het noordelijk deel, zijn er beekdalglooiingen (3H11) gekarteerd. Het westelijk deel van het plangebied ligt binnen een ondiep fluviatiel dal (2R4) (zie figuur 5). 18

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied op de flank van een hoger gelegen rug die zich richting het zuiden uitstrekt. Het zuidelijk deel van het plangebied ligt op een hoogte van circa 19,3 m +NAP. Het plangebied helt geleidelijk af richting het beekdal van de Loobeek ten noorden. In het plangebied is een hoogteverschil van circa 1,5 m aanwezig. Eén kilometer ten noordoosten is het lager gelegen dal van de Maas en de Maasterrassen zichtbaar (zie figuur 6). Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het centrale deel van het plangebied gekarteerd als gooreerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (pZn21). In het zuidwestelijk deel van het plangebied is de bodem gekarteerd als veldpodzolgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (Hn21) (zie figuur 7). De zuidwestelijk hoek van het plangebied is gekarteerd als lage enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (EZg21). Gooreerdgronden zijn deels oudere en deel jonge ontginningen. De bovengrond bestaat uit 20-35 cm dikke donkergrijs tot zwarte humusrijke eerdgrond, oftewel de A-horizont.

Hieronder is er plaatselijk een Ap-horizont aangetroffen. Over het algemeen bevindt zich onder de A-horizont de natuurlijke afzettingen, de C-horizont, bestaande uit lichtgrijs zand. De C-horizont wordt aangetroffen op een diepte van circa 45 cm- mv. De overgang van de A- naar de C-horizont heeft soms een fletsbruine 19 kleur als gevolg van een zwakke podzolvorming. Veldpodzolgronden zijn overwegen jonge (heide) ontginningsgronden en zijn ontstaan in jonger dekzand. De top van het profiel bestaat uit een humeuze Ap-horizont met een zeer donker grijze kleur. Deze laag heeft een scherpe overgang naar de onderliggende donker roodbruine B-horizont. In de Bhorizont heeft humeusinspoeling plaatsgevonden. De C-horizont wordt aangetroffen op een diepte van circa 90 cm –mv. De C-horizont bestaat sterk lemig zand, terwijl de bovenliggende lagen uit zwak 20 lemig zand bestaat. Afhankelijke van de grondwatertrap, komen er roestvlekken voor.

16

DINO boornummers B52B1315, B52B1414 en B52B1415. DINO boornummers B52B1803, B51B1401, B52B1405, B52B1310 en B52B1412. 18 www.ahn.nl. 19 Stichting voor Bodemkartering, 1968. 20 Stichting voor Bodemkartering, 1968. 17

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 5 van 27

Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late-Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen). Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de e jaren ‘80 van de 20 eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de MiddenBronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen e e die tussen de 9 en de 12 eeuw naast de essen kwamen te liggen.

De rijkheid aan archeologische resten heeft er toe geleidt dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over 21 het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. 22

Tabel II.

Grondwatertrappenindeling

Grondwatertrap

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

VIII

GHG (cm -mv)

-

<40

<40

>40

<40

40-80

>80

> 140

GLG (cm -mv)

<50

50-80

80-120

80-120

>120

>120

>120

-

') ")

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VII en VIII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap V. De oostelijke hoek bevindt zich in een gebied met grondwatertrap VII. Het noordwestelijke deel van het plangebied bevindt zich binnen een gebied met grondwatertrap III. Er wordt niet verwacht dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beïnvloeden.

21 22

Doesburg et al., 2007. Locher & Bakker, 1990.

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 6 van 27

2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf23 goed (RCE). In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Tevens zijn in de figuur de indicatieve archeologische waarde en de in ARCHIS geregistreerde AMKterreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden.

De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van te voren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn. Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plan24 gebied niet binnen een Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied. 25

AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (16228) (zie bijlage 2 en figuur 8). Dit AMK-terrein heeft betrekking op de historische kern van Loobeek, circa 1000 m ten noordoosten van het plangebied. De begrenzing van historische kernen zijn e e gebaseerd om 19 - en 20 -eeuwse kaarten. Binnen de contouren kunnen bewoningssporen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd worden verwacht. De historische kern van Loobeek heeft een hoge archeologische waarde. 23

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. GISViewer provincie Limburg. 25 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 24

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 7 van 27

26

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 15 archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en archeologische begeleidingen van graafwerkzaamheden (zie bijlage 3 en figuur 8). Het plangebied maakt deel uit van een bureauonderzoek ten behoeve van de herinrichting van de Loobeek. Uit de gegevens van het bureauonderzoek is een verwachtings- en advieskaart voor dit gebied opgesteld. Bij het opstellen van de archeologische verwachting is onderscheid gemaakt tussen droge en natte landschappen. De verwachtingskaart is vertaald naar een advieskaart. Als er wordt ingezoomd naar het onderhavig plangebied op de verwachtings- en advieskaart wordt er aangegeven dat er in een groot deel van het plangebied een lage verwachting geldt. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een oude beekdal waar een hoge verwachting aan wordt verbonden. Voor deze gebieden geldt dat er een karterend of waarderend onderzoek voorafgaand aan de uitvoering moet plaatsvinden. Tevens bevindt in het zuidwesten deel van het plangebied een gebied waar een onbekende verwachting geldt, maar waar vermoedelijk een brug/voorde/overgang aanwezig zou kunnen zijn.

RAAP adviseert om in deze gebieden een intensieve archeologische begeleiding van de 27 graafwerkzaamheden te laten uitvoeren. Aangrenzend ten zuidwesten en enkele honderden meters op afstand van het plangebied bevindt zich een groot plangebied, wat is onderverdeeld in deelgebied A tot en met H. In het hele gebied is een karterend onderzoek uitgevoerd. In deelgebieden A tot en met D heeft er een oppervlakte kartering plaatsgevonden. In plangebied A, B en D waren veel molshopen aanwezig die gecontroleerd zijn op archeologisch materiaal. Er zijn geen archeologische vondsten aangetroffen. Bij deelgebied C is aan de westkant veel recent puin waargenomen. Door het ontbreken van middeleeuwse vondsten in combinatie met de gegevens van de historische kaarten wordt er vermoed dat het gebied relatief laat ontgonnen is. In deelgebieden A, C en D en het noordelijk deel van deelgebied B zijn gooreerdgronden aanwezig. In het zuidelijk deel van deelgebied B is een dekzandrug met veldpodzolen waargenomen. Er is geen esdek aanwezig. Aan de westzijde van deelgebieden A, C en D zijn venige/lemige afzettingen van circa 20 cm dik aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwe28 zigheid van archeologische sporen. In deelgebieden E tot en met H heeft er een karterend booronderzoek met hoogtemetingen plaatsgevonden. In deelgebied E is er sprake van een esdek van 60 cm dik.

Ter plaatse van boring 69 en 72 zijn kleine fragmentjes aardewerk in het esdek aangetroffen. Eén fragment dateert uit de Middeleeue wen, vier andere op z’n vroegst uit de 18 eeuw. Aan de westzijde van het plangebied ontbreekt een esdek. Het esdek is niet dikker dan 40 cm. In deelgebied F is slechts in twee boringen een esdek van 50-60 cm dikte aangetroffen. Ter plaatse is ook veel recent puin aanwezig. Het betreft waarschijnlijk opgebrachte grond. Aan de oostzijde van het deelgebied werd het akker gebruikt voor aspergeteelt en is er gediepploegd. Er is geen archeologisch materiaal waargenomen. In deelgebied G is er geen sprake van een aaneengesloten esdek. Plaatselijk is een esdek van circa 70-80 cm waargenomen. In de omliggende boringen is het minder dan 50 cm dik. In de bouwvoor werd een scherf Keuls steene e goed uit de 16 -17 eeuw aangetroffen. Ook in deelgebied H is geen esdek aangetroffen. Slechts één boring vertoond een esdek van 55 cm dikte. Voor het gekarteerde gebied wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Als aanvulling op het onderzoek zou het echter aanbeveling verdienen de percelen tussen de deelgebieden E en G en tussen de deelgebieden G en H vlakdekkend af te boren (ca. 22 boringen met de megaboor). Hier zou eventueel nog een esdek aanwezig kunnen 26

Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. Sprengers, 2016. 28 De Jager, 1998. 27

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 8 van 27

zijn. Voor de planning en uitvoering van eventuele vervolgstappen van het archeologisch onderzoek 29 dient contact te worden opgenomen met de ROB te Amersfoort. Aangrenzend ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich bedrijventerrein Nijverheid. Uit de boringen blijkt dat het zuidwestelijk deel van het gebied een intact bodem heeft. De bodem is geïnterpreteerd als een gooreerdgrond. Op basis van de waargenomen bodemprofielen wordt de verwachting bijgesteld naar middelhoog voor het aantreffen van archeologische resten, met name jachtkampen uit het Paleolithicum en Mesolithicum. Vermoedelijk was het gebied in beperkte mate aantrekkelijk tijdens de periode Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Daar waar de bodem is verstoord kan de verwachting worden bijgesteld naar laag. Er wordt geadviseerd om het gedeelte met een middelhoge verwachting te onderzoeken door middel van een karterend inventariserend veldonderzoek door mid30 del van boringen. Aan de overzijde van de Loobeek heeft er aan de Smakterveld een bureauonderzoek plaatsgevonden. Hieruit bleek dat er een hoge verwachting was voor de jager-verzamelaars tijdens het Paleolithicum en Mesolithicum en de landbouwers vanaf het Neolithicum. Deze resten worden verwacht op de locaties waar een lage enkeerdgrond wordt verwacht. Hier wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek geadviseerd.

In de zone van veengronden is er een lage verwachting en wordt geadviseerd om vrij te geven. Het verkennend booronderzoek heeft aansluitend plaatsgevonden. Uit deze resultaten blijkt dat er in het plangebied een vorstvaaggrond op de flanken van het beekdal aanwezig is. In het beekdal is een moerige grond en veengrond aangetroffen. Op basis van deze bodemprofielen wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar laag en middelhoog. Er wordt geadviseerd om een vervolgonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek uit te voeren. Het karterend onderzoek is voornamelijk gericht op het zoeken naar archeologische sporen en vondsten in de boringen. In het plangebied zijn in de gebieden met een middelhoge verwachting boringen gezet. Er zijn geen archeologische vondsten aangetroffen. Tevens zijn er geen sporen waargenomen. In de meeste boringen is een verstoord profiel aangetroffen. De archeologische verwachtingen voor het plangebied 31 wordt bijgesteld naar laag en wordt geadviseerd om het vrij te geven. Aan Houtklef 10 heeft er een bureau- en booronderzoek met als vervolgonderzoek een archeologische begeleiding plaatsgevonden. Uit het vooronderzoek bleek dat er een verstoord bodemprofiel aanwezig was. De verstoring is aangetroffen tot een diepte van 210 cm –mv. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen.

Gezien resultaten wordt het plangebied vrijgegeven voor vervolgonderzoek. Ondanks dit advies, heeft er een archeologische begeleiding plaatsgevonden aangezien er nog diepe sporen aanwezig kunnen zijn. Tijdens dit onderzoek zijn geen archeologische structuren of sporen aangetroffen. Er zijn alleen vondsten aangetroffen in het verstoorde zandpakket. Het gaat 32 hierbij om metalen objecten, zoals Engelse munitie uit de Tweede Wereldoorlog. 33

Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8). Ten noorden van het plangebied, in het beekdal van de Loobeek, is een fragment van een bronzen 34 hielbijl en twee fragmenten van bronzen speerpunten uit de Bronstijd aangetroffen. Verder zijn er 29

De Jager, 1998. Huizer & van der Geest, 2007. 31 Den Otter, 2006/ Den Otter & de Jager, 2006. 32 Benerink, 2012. 33 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 34 Archis vondstmelding 2783641100, 3092445100 en 2783625100. 30

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 9 van 27

ook nog bronzen onderdelen van zwaarden, een fragment van een bronzen randbijl, twee fragmenten 35 van een bronzen speerpunt en een fragment van een bronzen naald aangetroffen. Deze objecten worden geïnterpreteerd als ‘rituele deposities’. De algemene verklaring is dat deze objecten werden geofferd door de gemeenschap om de goden gunstig te stemmen en de relatie met hun voorouders te 36 onderhouden. Deze objecten zijn gedeponeerd in een bepaalde natte context, namelijk in vennen, moerassige plekken en in water zoals beken en de rivieren. Met name de kruispunten tussen beken/rivieren of locaties waar een beek in een rivier uitmondt worden door archeologen beschouwt als potentiële locatie voor deposities. Dit soort plekken hadden waarschijnlijk een speciale en religieuze 37 betekenis voor de gemeenschappen. Ten westen van het plangebied is een fragment van een vuurstenen bijl en een fragment van een stenen bijl uit het Neolithicum-Bronstijd gevonden. Bijlen werden met name gebruikt voor het kappen 38 van bomen. Op dezelfde locatie is aardewerk uit het Neolithicum aangetroffen. Deze vondsten zouden kunnen wijzen op de aanwezigheid van een nederzetting. Ten zuiden en oosten van het plangebied zijn met name fragmenten van vuursteen en aardewerk bekend. Op twee locaties is vuurstenen afval aangetroffen.

Aangezien er geen determineerbare stuk39 ken bij zitten, is het niet mogelijk om er een datering aan te geven. Verder is er ook een mesolithi40 41 sche spits aangetroffen. Het aardewerk dateert uit de Bronstijd-IJzertijd en de Late-Middeleeuwen. Deze vondsten zouden kunnen wijzen op bewoning of andere activiteiten tijdens deze periodes. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn enkele wetenschappelijke publicaties geraadpleegd. Deze hebben betrekking op de archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied. De resul42 taten zijn beschreven in bovenstaande paragraaf. Eén van de publicaties was niet beschikbaar. Aangezien er in het plangebied bebouwing aanwezig is, zijn de bouwdossiers van gemeente Venray geraadpleegd. Er is geen contact gezocht met het provinciaal depot van provincie Limburg, aangezien er verwacht werd dat dit geen aanvullende informatie zou opleveren. 2.7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft e door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd.

35

Archis vondstmelding 3092437100. Van den Broeke, 2005/ Fontijn 2003. 37 Van den Broeke, 2005. 38 Archis vondstmelding 2783593100, 2042060100 en 2882859100. 39 Archis vondstmelding 2976592100 en 2042060100. 40 Archis vondstmelding 2042060100. 41 Archis vondstmelding 2783617100, 2991674100 en 2042060100. 42 Derks, 1991. 36

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 10 van 27

43

Korte bewoningsgeschiedenis van Venray In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Midden-Paleolithicum (300.000-33.000 voor Chr.) Door geologische processen is het landschap uit het Vroeg Paleolithicum dermate geërodeerd en/of afgedekt, dat dit nauwelijks of niet herkenbaar is in het huidige landschap. Als gevolg hiervan kunnen geen goed onderbouwde uitspraken worden gedaan over de verwachte ligging van vindplaatsen uit deze perioden. Er zijn overigens wel zes losse vondsten uit het Midden Paleolithicum bekend, in twee gevallen betreft het een zogenaamde vuistbijl. Laat-Paleolithicum (33.000-8.800 voor Chr.) Tijdens grote delen van het Midden Weichselien (het Pleniglaciaal) overheersten kou en waarschijnlijk ook droogte; kenmerkend voor deze periode is een poolwoestijn. De ondergrond was permanent bevroren en alleen in de zomer ontdooide de bovengrond. In latere fasen van het Weichselien markeerden relatief snelle opeenvolgingen van koude en warme perioden de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen. De koudere perioden (Oude en Jonge Dryas stadiaal) kenmerkten zich door een boomloos en open landschap met toendravegetatie van grassen, kruiden en dwergstruiken.

In warmere perioden (Bølling- en Allerød-interstadiaal) steeg de gemiddelde julitemperatuur naar circa 15 ºC. Hierdoor kon zich een meer taiga-achtige vegetatie vormen, waarbij een groot oppervlak (waaronder het onderzoeksgebied) bestond uit een gemengd dennen-berkenbos. Het bomenbestand (vooral berk en den) nam in het Allerød-interstadiaal toe, waardoor de typische taigabewoners (zoals rendieren) langzaam wegtrokken. Hun plaats werd ingenomen door bosdieren als eland, edelhert, wild zwijn en oerrund. In de gemeente Venray zijn uit deze periode verscheidene vindplaatsen bekend. Het betreffen vier vindplaatsen waar artefacten van de Tjongercultuur (rendierjagers) zijn aangetroffen en een vindplaats waar een pijlpunt (spits) van de Ahrensburgcultuur is aangetroffen. Deze mobiele gemeenschappen trokken in kleine familiegroepen door een bosrijk landschap dat doorsneden werd door diverse kleine beekjes en rivieren. De tijdelijke kampementen bevonden zich op gunstige plaatsen in het landschap en werden dan ook herhaaldelijk bezocht. Geschikte locaties, zoals donken en dekzandruggen, lagen in de nabijheid van water, zodat optimaal gebruik kon worden gemaakt van de diversiteit aan natuurlijke voedselbronnen, drinkwater en transportroutes. Aangenomen wordt dat ze in de koudste fase warmere en beschutte oorden opzochten ten zuiden van Nederland.

Binnen het grondgebied van de gemeente liggen verschillende locaties (zeven stuks) waar archeologische resten uit het Laat Paleolithicum zijn aangetroffen. De archeologische resten bestaan uit artefacten gemaakt van vuursteen. Op vier plekken betrof het een 'losse vondst' en op drie locaties is een concentratie van artefacten aangetroffen (kampementen). Er ligt een kampement ten zuidwesten van het Zwart Water, één op de beekdalrand van de Loobeek bij Loobeek en één op de beekdalrand van de Boddebroeker Loop. Mesolithicum (8.800-4.900 voor Chr.) De aanvang van het Mesolithicum werd gekenmerkt door de overgang van het toendralandschap naar een gesloten berkenbos, gevolgd door een gesloten dennenbos (taiga). Vanaf het Boreaal (9.000-8.000 jaar geleden) arriveerden de eerste warmteminnende planten (zoals de hazelaar en eik), waarbij het aandeel den en berk snel werd teruggedrongen. Halverwege het Mesolithicum was het klimaat reeds dermate verbeterd dat de vegetatie voornamelijk bestond uit warmteminnende soorten. Op de hoger gelegen zandgronden ontwikkelde zich in korte tijd een eiken-berkenbos, in de beekdalen en andere lager gelegen delen werd de vegetatie gedomineerd door vochtige elzenbossen. De den was vrijwel verdwenen. Met name door de vrij snelle overgang van naaldbos met een relatief 43

loobeek-merselo.nl/volmolen/ Moonen et al., 2008/ Renes, 1999/ www.venray.nl.

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 11 van 27

hoge verdamping naar loofbos met een relatief lage verdamping, trad er in het Atlanticum een sterke grondwaterspiegelstijging op. Deze vernatting had in het algemeen tot gevolg dat in de lage delen op grote schaal veenvorming (laagveen) optrad. Depressies en laagten (zoals beekdalen en vennen) groeiden hierdoor dicht. Als gevolg hiervan werd de afwatering van de Peelhorst belemmerd, waardoor vanuit de vennen hoogveen tot ontwikkeling kwam. Door de meer gesloten vegetatie en de kleinere fauna ontwikkelde de mens geleidelijk andere voedselpatronen. Het verzamelen van planten en vruchten, visvangst en jacht bleven belangrijk. Binnen de jacht verschoof het accent echter naar klein standwild, dat de grote kudden rondtrekkende dieren van het taigalandschap definitief vervangen had. De waterrijke gebieden vormden een ideale leefomgeving voor de mens door de grote verscheidenheid aan flora en fauna. Binnen deze gebieden zochten de bewoners de hoger gelegen punten in het landschap op. In het ritme van de seizoenen trok men rond in kleine groepen die waarschijnlijk in hutten en tenten bivakkeerden. Vuursteen bleef de belangrijkste grondstof voor werktuigen, maar men raakte steeds meer bedreven in de fijne bewerking ervan. Er ontstonden dan ook allerlei specialistische vormen zoals pijlspitsen, stekers en schrabbers.

Binnen het grondgebied van de gemeente liggen 72 verschillende locaties waar archeologische resten uit het Mesolithicum zijn aangetroffen. Het betreffen zowel 'losse vondsten' als 'kampementen'. Mesolitische vindplaatsen komen verspreid over de hele gemeente voor. De meeste vindplaatsen liggen echter op de rand van de Peelhorst waar zich de bovenlopen van de verschillende beken bevinden. Vindplaats 'Merselo-Haag' is waarschijnlijk de meest bekende. Neolithicum (4.900-2.000 voor Chr.) Bepalend voor de vegetatieontwikkeling vanaf het Neolithicum was de introductie van landbouw, ook wel aangeduid met de term 'neolithisering'. Met de introductie van de landbouw (meer specifiek de akkerbouw) stelde de mens geleidelijk andere eisen aan de landschappelijke omgeving. De locatiekeuze werd steeds meer bepaald door de mate waarin gronden geschikt waren als akkerareaal. Door het kappen van bos (waarvoor vuurstenen bijlen werden gebruikt) ontstonden open terreinen met grassen en kruidachtigen. Uit verschillende archeologische vondsten blijkt dat deze houtkap in deze periode ook binnen de gemeente Venray plaatsvond. Belangrijk voor de ontwikkeling van het landschap was dat vanaf het Neolithicum de houding van de mens tegenover de natuur geleidelijk veranderde: voor het eerst paste hij zijn leefomgeving aan.

Het proces van neolithisering was lang en complex, waarbij met name in het begin sprake was van het naast elkaar bestaan van gemeenschappen van jager-verzamelaars en landbouwers. Het proces vond ook niet overal tegelijkertijd plaats in Nederland. Voor de zandgronden van Zuid-Nederland lijkt het aannemelijk dat de overschakeling van jagen/verzamelen naar landbouw pas in de loop van het Neolithicum op gang kwam en pas aan het einde van het Neolithicum was voltooid. Binnen het grondgebied van de gemeente liggen 145 verschillende locaties waar archeologische resten uit het Neolithicum zijn aangetroffen. Het betreffen zowel resten van duidelijke jager-verzamelaars gemeenschappen (130) als resten van landbouwende gemeenschappen. De jager-verzamelaars resten zijn vooral losse vondsten zoals (fragmenten van) vuursteen bijlen en spitsen. De resten zijn op het gehele grondgebied van de gemeente aangetroffen, maar komen vooral voor ten zuidoosten van Ysselsteyn en in het gebied tussen de Oostrumse Beek en de Lollebeek. De resten uit het Neolithicum die toe te schrijven zijn aan een landbouwgemeenschap betreffen losse vondsten en nederzettingen. Deze vindplaatsen liggen met name in het gebied tussen de Oostrumse Beek en de Lollebeek.

Bronstijd (2.000-800 voor Chr.) Terwijl in grote delen van het dekzandgebied het gesloten eiken-berkenbos nog domineerde, ontstonden in gebieden met (relatief) intensieve landbouw mogelijk al in de Bronstijd de eerste heidevelden. Deze ontstonden als gevolg van beweiding van gekapte bosgronden, waardoor jonge zaailingen zich niet konden ontwikkelen. De Bronstijd dankt zijn naam aan de introductie van brons, een legering van koper en tin. Gedurende de Bronstijd nam de bevolking verder toe, vingen de eerste structurele landbouwactiviteiten aan, nam het areaal landbouwgrond geleidelijk toe en werd veel energie gesto-

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 12 van 27

ken in de aanleg van grafheuvels en de inrichting van deze graven. Zo'n laatste rustplaats was echter maar aan enkelen voorbehouden. Tegen het einde van de Bronstijd treedt er een verandering op in de wijze van begraven. Er worden geen grote grafheuvels meer gebouwd. Steeds meer mensen worden na hun dood gecremeerd. De as werd in een urn gedaan, en begraven onder een klein heuveltje. Zo ontstonden uitgestrekte urnenvelden, die eeuwenlang in gebruik bleven. Het aantal archeologische vindplaatsen uit de Bronstijd, binnen het grondgebied van de gemeente, is beperkt (28). Het betreffen losse vondsten, nederzettingen en rituele deposities. De nederzettingen zijn zowel aangetroffen op de hoger gelegen gronden tussen de Loobeek en de Oostrumse Beek als in het gebied tussen de Oostrumse beek en de Lollebeek. IJzertijd (800-12 voor Chr.) Gedurende de IJzertijd nam het areaal landbouwgrond en heidevelden verder toe ten koste van het areaal eiken-berkenbos. Uit diverse onderzoeken blijkt dat de bewoning op de zandgronden zich in de IJzertijd kenmerkte door verspreid in het landschap liggende boerderijen. Rond deze boerderijen bevond zich dan het akkerareaal. De boerderijen werden met een zekere regelmaat verplaatst. De geregelde verplaatsing hing samen met de eenvoudige wijze van beakkering die zorgde voor een snelle uitputting van de bodem.

Hierdoor moesten geregeld nieuwe akkerarealen ontgonnen worden. De akkers werden vooral aangelegd op de relatief hooggelegen gebiedsdelen die tevens een natuurlijke vruchtbaarheid hadden. Een nieuwe boerderij werd gebouwd in de buurt van de akkers die op dat moment in gebruik waren. Dit patroon van 'zwervende erven' resulteerde na verloop van tijd in een landschappelijke eenheid met een grote dichtheid en verscheidenheid aan archeologische resten: boerderijen, grafvelden en sporen van akkerarealen. In de loop van de IJzertijd werden de erven plaatsvaster en ontstonden kleine dorpjes. Binnen het grondgebied van de gemeente liggen 53 verschillende locaties waar archeologische resten uit de IJzertijd zijn aangetroffen. Het betreffen veelal resten van grafvelden of nederzettingen. De nederzettingen zijn zowel aangetroffen op de hoger gelegen gronden tussen de Loobeek en de Oostrumse Beek als in het gebied tussen de Oostrumse beek en de Lollebeek. Noemenswaardig zijn de archeologische resten die ter plaatse van De Hulst zijn aangetroffen. Romeinse tijd (12 voor-450 na Chr.) Rond 50 v. Chr krijgen de bewoners van Zuid-Nederland te maken met de grootschalige veldtochten van de Romeinse legers. Daarmee begint in ons land de Romeinse tijd, die tot ongeveer 400 na Chr. zou duren. De zuidoever van de Rijn werd ingericht als rijksgrens (limes), die werd versterkt met forten (castella).

Zuid-Nederland werd een Romeinse provincie. De inheemse bewoners van dit gebied namen delen van de Romeinse levensstijl over. Dat is terug te zien in voorwerpen, kleding, gebouwen (tempels, badhuizen), het gebruik van geld en de organisatie van de economie (villa's, steden). De bewoning ging zich concentreren in kleine gehuchten die vaak aan de rand van de uitgestrekte akkerarealen lagen. Ook kwam het landschap nog meer ten dienste van de mens te staan, hetgeen leidde tot een sterke afname van het bosbestand. Binnen het grondgebied van de gemeente liggen 53 verschillende locaties waar archeologische resten uit de Romeinse tijd zijn aangetroffen. Het betreffen veelal resten van grafvelden of nederzettingen. De nederzettingen zijn zowel aangetroffen op de hoger gelegen gronden tussen de Loobeek en de Oostrumse Beek als in het gebied tussen de Oostrumse beek en de Lollebeek. Bijzonder zijn de archeologische resten te noemen die ter plaatse van Hoogriebroek zijn gedaan. Vroege-Middeleeuwen (450-1050 na Chr.) Er is niet veel bekend over wat zich op het grondgebied van de gemeente Venray in de vijfde en zesde eeuw afspeelde. De schaarse archeologische vondsten uit deze periode doen vermoeden dat de bevolkingsdichtheid sterk afnam, en de economie kleinschalig en zelfvoorzienend was. Als gevolg hiervan trad een licht herstel van het bosareaal op.

Vanaf de Karolingische tijd werd onder invloed van een sterke bevolkingsgroei het landbouwareaal voortdurend uitgebreid, waarbij tevens het areaal

Rapport 7301.002 versie 1

Pagina 13 van 27

heidevelden sterk toenam. De belangrijkste archeologische resten uit de Vroege-Middeleeuwen zijn nederzettingen en grafvelden. Naarmate de kerkelijke organisatie zich uitbreidde werd het kerkgebouw steeds vaker het centrum van de nederzetting. De doden werden aanvankelijk begraven op grafvelden buiten de nederzettingen, en later bij of in de kerk. In de negende en tiende eeuw groeide de bevolking aanzienlijk en werd er op vele plaatsen een begin gemaakt met de ontginning van de woeste gronden. Binnen het grondgebied van de gemeente liggen 20 verschillende locaties waar archeologische resten uit de Vroege-Middeleeuwen zijn aangetroffen. Bijzonder is de ontdekking van een nederzettingscomplex ter plaatse van het Brukske en het Sint Antoniusveld. Ook in Venray zelf zijn archeologische resten uit de Vroege-Middeleeuwen bekend. Tijdens een kleinschalige opgraving in 1993 is ter plaatse van het Wilhelminaplein aardewerk gevonden wat erop duidt dat deze plek al vanaf circa 700 na Chr. bewoond is. Volle- en Late-Middeleeuwen (1050-1500 na Chr.) Rond 1200 duikt Venray in de geschreven bronnen op als een nederzetting met de naam Rode. ‘Roe de’ wijst op een nederzetting die door ontginning van bosgronden is ontstaan. In de 15 eeuw profiteert Venray van de bloei van het hertogdom Gelre. Er komt een monumentale kerk, toegewijd aan Sint Petrus' Banden, met een rijke beeldenschat.

Rondom de oude kern ontstaan kerkdorpen met een eigen karakter: Castenray, Leunen, Merselo, Oostrum en Smakt. Staatkundig behoorde Venray tot 1279 bij het graafschap Kessel. In dat jaar verkocht Hendrik IV van Kessel zijn graafschap aan Reinoud I van Gelre en sindsdien maakte Venray deel uit van het Overkwartier van Gelre met Roermond als hoofdplaats. Als gevolg van de sterke bevolkingsgroei werden nieuwe nederzettingen gesticht. Het grondgebied van de gemeente werd gaandeweg opgevuld met nederzettingen. Deze nederzettingen lagen niet meer centraal op de dekzandruggen maar op de flanken hiervan. Bovendien werden ze plaatsvast. Uitbreidingen van nederzettingen ging samen met ontginningen. Ook de kleinere en meer geïsoleerd gelegen, minder vruchtbare gronden werden ontgonnen (zgn. kampontginningen). Daarnaast werden geleidelijk de relatief lager gelegen delen grenzend aan de oude akkercomplexen in gebruik genomen. Hierdoor ontstond langzaam maar zeker een groot aaneengesloten open akkercomplex met aan de randen zowel verspreide als geclusterde boerderijen. Venray, Veltum en Oirlo liggen niet op de rand maar vrij centraal op een dekzandrug. Op de historische kaarten worden ze omringd door velden. Zowel in Venray, Veltum als Oirlo zijn vroegmiddeleeuwse resten aangetroffen.

De ligging in combinatie met de vroegmiddeleeuwse resten impliceert een permanente bewoning vanaf de Vroege-Middeleeuwen. Als gevolg van de bloei van hertogdom Gelre onderging het dorp Venray een sterke groei. Rond 1400 was er een aanzet tot stadsontwikkeling. Het centrale deel van het dorp was omgracht (Burggraaf). De gracht omsloot een afgerond driehoekig terrein rond de St. Petruskerk, met een noordzijde van circa 250 m, en een zuidwest- en zuidoostzijde van ieder circa 300 m. De gracht had een breedte van circa 5 m en was circa 3 m diep. Binnen het grondgebied van de gemeente liggen 56 verschillende locaties waar archeologische resten uit de Late-Middeleeuwen zijn aangetroffen. Het betreffen vooral aardewerkscherven die zijn aangetroffen op de oude velden. In veel gevallen duiden deze scherven op het landbouwkundig gebruik van de velden en niet op de aanwezigheid van een nederzetting uit de Late-Middeleeuwen. Het huishoudelijk afval (waaronder gebroken vaatwerk) werd namelijk samen met de potstalmest uitgereden over de akkers. Dit aardewerk wordt ook wel aangeduid met de term 'bemestingsaardewerk'. Dit betekent niet dat er onder de huidige esdekken geen nederzettingen uit de Volle- of Late Middeleeuwen verwacht kunnen worden. Onder de esdekken bij het Brukske, Merselo en Antoniusveld zijn namelijk vroeg- en volmiddeleeuwse nederzettingen ontdekt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370739/1