CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

TAMIMRO202401 Ruimtelijke motivatie v5

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Grootdorp 39, Merselo.27.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Vanwege de beperkte functiemenging wordt het gebied getypeerd als ‘rustige woonwijk’. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door een hoog aantal woonfuncties. Aan de oosten westzijde grenst het plangebied direct aan diverse woonfuncties. Ten noorden en noordwesten van het plangebied liggen enkele maatschappelijke functies. Het betreft in dit geval de kerk, een jeugdhuis en een school. Ten zuiden van het plangebied liggen op enige afstand enkele agrarische bedrijven. Omdat de omgeving zich hoofdzakelijk kenmerkt door de aanwezigheid van woonfuncties is er sprake van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Een tweeledige toetsing is in het kader van dit planvoornemen noodzakelijk. Met het planvoornemen wordt de realisatie van nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. Anderzijds heeft de nieuwe zorgfunctie zelf mogelijke milieuimpact op de directe omgeving tot gevolg. Op Kleindorp 2 is de kerk gevestigd. Voor deze functies geldt een richtafstand van 30 meter tot gevoelige gebouwen voor het aspect ‘geluid’. In onderhavig geval bedraagt de richtafstand van de rand van de hoofdfunctie “Maatschappelijk – Gemengd” tot de toekomstige dichtstbij gelegen gevel van de nieuwe zorgvoorzieningen 32 meter. Er wordt dan ook voldaan aan de richtafstanden. 50

Op Kleindorp 1 is een jeugdhuis gevestigd. Een jeugdhuis is gelijk te stellen aan de categorie “Buurt- en clubhuizen” waarvoor een richtafstand van 30 meter voor het aspect ‘geluid’ geldt. De werkelijke afstand van de rand van de hoofdfunctie “Maatschappelijk – Gemengd” tot de gevel van de nieuwe zorgvoorziening bedraagt circa 65 meter en voldoet daarmee ruimschoots. De school op Kleindorp 3 – 3a ligt op een afstand van circa 100 meter van de dichtstbij gelegen gevel van de zorgvoorziening en voldoet ruimschoots aan de afstand van 30 meter voor het aspect geluid die is opgenomen voor “scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs”. Op Kleindorp 5 en Coppelenberg 1 mogen bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 gevestigd zijn. Voor dit type bedrijvigheid geldt een richtafstand van 50 meter. De afstand van deze bedrijven tot de gevel van de nieuwe zorgvoorziening bedraagt 98 en respectievelijk 126 meter. Ook ten aanzien van deze bedrijven wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Ten zuiden van de planlocatie zijn op Pas 2 en 3 agrarische bedrijven gevestigd. Het betreft in beide gevallen locaties waar geen intensieve veehouderijen gevestigd mogen zijn. Beide locaties zijn in gebruik als akkeren tuinbouwbedrijven waarvoor een richtafstand van 30 meter tot de gevel van gevoelige gebouwen geldt.

In onderhavig geval bedraagt de werkelijke afstand circa 115 en respectievelijk circa 140 meter. Ook hier wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstanden. Vanuit de nieuwe zorgvoorziening dienen ook richtafstanden te worden aangehouden tot gevoelige gebouwen in de directe omgeving. Er is geen specifieke categorie opgenomen voor dit type zorgvoorziening. Er dienen dan ook categorieën bedrijvigheid/activiteiten te worden gezocht waarin de activiteiten van de nieuwe zorgvoorziening terug komen. De nieuwe zorgvoorziening valt in “Gezondheids- en welzijnszorg” en kan gelijk geschaard worden met de volgende categorieën “Artsenpraktijken, klinieken, en dagverblijven”, “Verpleeghuizen” en/of “Kinderopvang”. Voor al deze categorieën is de richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid maatgevend. De rand van de nieuwe hoofdfunctie “Maatschappelijk” tot omliggende gevoelige gebouwen op Grootdorp 33, 33a, 33b, 33c, 35, 35a, 41 en 43 is kleiner dan 30 meter. Er wordt dan ook niet voldaan aan de richtafstand voor het aspect geluid. Van deze richtafstanden kan echter gemotiveerd worden afgeweken. Een van de manieren waarop een kleinere richtafstand acceptabel wordt geacht is als doormiddel van een akoestisch onderzoek wordt aangetoond dat er ondanks de kleinere afstand een acceptabele geluidsbelasting is op gevoelige objecten in de directe omgeving.

Er is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een acceptabele geluidsbelasting. Op basis van dit onderzoek is gebleken dat, met de toepassing van enkele geluidwerende maatregelen, een acceptabel woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gegarandeerd met betrekking tot het aspect geluid. 6.3.2. Conclusie Ten aanzien van het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

51

6.4. Geluid door activiteiten 6.4.1.Wettelijk kader Het aspect ‘geluid’ heeft een belangrijke rol in de Omgevingswet en is onderverdeeld in: • Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen; • Geluid door activiteiten. Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet zorgt de gemeente in een omgevingsplan voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit kan de gemeente onder andere bereiken door: • De ordening van de locaties van activiteiten ten opzichte van elkaar. Bijvoorbeeld door afstanden tussen woningen en bedrijven aan te houden; • Het stellen van regels aan activiteiten op een locatie. Bijvoorbeeld door normen op te nemen voor geluidsemissies of het nemen van preventieve maatregelen. Bij vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde is het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de hoogste van de volgende waarden: a. De standaardwaarde, zoals opgenomen in tabel 1, of; b. Het geluid bij volledige benutting van het geluidproductieplafond dat gold voorafgaand aan de vaststelling van het in de aanhef bedoelde geluidproductieplafond. Tabel 3: Standaardwaarden geluid voor een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort

Geluidsbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50Lden 40 Lnight

Bij vaststelling van een geluidproductieplafond als omgevingswaarde kan de hoogste van de twee waarden, bedoeld in artikel 3.32 lid 1 worden overschreden als; a. Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de hoogste van de twee waarden te voldoen; b. De overschrijding door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; en c. Het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde, bedoeld in tabel 2. Tabel 4: Grenswaarde voor geluid door een geluidbron op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort Geluidsbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschapswegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Grenswaarde 65 Lden 70 Lden 70 Lden 60 Lden

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid in paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl instructieregels opgenomen. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met de instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

52

6.4.2. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Wettelijk kader De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting is onder de Omgevingswet vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven in het Omgevingsplan voor elke locatie aan wat de gewenste geluidskwaliteit is. Geluid kan een grote invloed hebben op het woon- en leefklimaat van mensen en heeft daarmee invloed op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het Omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Dit gebeurt zowel bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen als bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen en locaties in de directe nabijheid van geluidsbronnen.

De doelstellingen ten aanzien van het aspect geluid zijn als volgt geformuleerd: • Het voorkomen van onbeheerste groei van de geluidsbelasting op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties; • Het reduceren van geluidsbelastingen op en in geluidsgevoelige gebouwen en locaties die blootstaan aan zeer hoge geluidsbelastingen; • Het bevorderen van bronmaatregelen; • Het scheppen van een beter toegankelijk en minder complex geheel van regels; • Het beperken van de lasten bij de uitvoering van de regels. Geluidproductieplafonds In de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidproductieplafonds die de maximale toegestane productie weer op een vast fictief punt, het referentiepunt, op korte afstand van de geluidsbron weergeven. In afdeling 3.5 van het Bkl is daarnaast het wettelijk kader omtrent de beheersing van het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen opgenomen. In Bijlage 12 van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Geluidgevoelige gebouwen In artikel 3.20 Bkl zijn geluidsgevoelige gebouwen aangewezen. Het betreft gebouwen of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft.

De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door eisen te stellen aan geluid op en rond woningen waar mensen langdurig verblijven en slapen. In het beleid wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel. In artikel 22.63 van het omgevingsplan zijn waarden voor geluidgevoelige gebouwen, waaronder de huisvestingsvoorziening, opgenomen. De waarden voor geluid op gevoelige gebouwen mogen de in onderstaande tabel opgenomen waarden niet overschrijden.

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

53

07.00 – 19.00 uur 50 dB(A)

19.00 – 23.00 uur 45 dB(A)

23.00 – 07.00 uur 40 dB(A)

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

6.4.3. Beoordeling Met het oprichten van de nieuwe zorgvoorziening worden nieuwe gevoelige gebouwen op locatie mogelijk gemaakt. Er dient dan ook onderbouwd te worden dat voldaan wordt aan de maximale geluidsbelasting op de verschillende gevels van de nieuwe gebouwen. Ten behoeve van het planvoornemen is dan ook een akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een acceptabele geluidsbelasting en een goed woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuwe zorgvoorzieningen. Op basis van dit uitgevoerde onderzoek ‘wegverkeerslawaai’ is aangetoond dat ter plaatse van de zorgvoorzieningen sprake is van een acceptabele geluidsbelasting. Ten aanzien van het aspect ‘wegverkeerslawaai’ is daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4.4.Geluid door activiteiten Geluidbelasting kan ook ontstaan als gevolg van activiteiten op een locatie. Binnen het plangebied wordt gewoond, gespeeld en gewerkt in een zorgvoorziening. Naast de zorggebouwen worden op de gronden speel- en spelvoorzieningen, een moestuin, een terras bij de zorgvoorziening en een theehuisje gerealiseerd. Parkeren van voertuigen vindt aan zowel de noord- als de zuidzijde van de zorggebouwen plaats. De activiteiten die binnen het plangebied worden uitgevoerd kunnen effect hebben op omliggende gevoelige objecten. De dichtstbij gelegen gevoelige objecten rondom het plangebied betreffen in dit geval de woningen op Grootdorp 33, 33a, 33b, 33c, 35, 35a, 39 en 41. Ten behoeve van het akoestisch onderzoek is een representatieve bedrijfssituatie bepaald die als basis dient voor de akoestische modellen. De representatieve bedrijfssituatie bestaat uit: • Een speeltuin op locatie die gedurende de dagperiode van 10.00 tot 18.00 uur geopend is. In de avond en nacht wordt de speeltuin niet gebruikt; o De speeltuin wordt gebruikt door bewoners van de zorgvoorziening en is gedurende gezette tijden per week geopend voor bezoekers. Gedurende een normale dag wordt de speeltuin door maximaal 60 kinderen gebruikt die 4 uur per bezoeker verblijven in de speeltuin.

• Op het terrein is tevens een speelveld/voetbalveld aanwezig dat gedurende de dag- en avondperiode 09.00 en 22.00 uur wordt gebruikt door bewoners; o Op het speelveld zijn gedurende deze periode maximaal 8 kinderen en 8 jong volwassen gelijktijdig op het speelveld; • Op locatie is een theehuisje aanwezig; o Er zijn 6 tafels beschikbaar waar gedurende de dag maximaal 50 volwassen tussen 10.00 en 18.00 uur op het terras praten met elkaar; • Er is een terras aanwezig bij de zorglocatie; o Gedurende de dag verblijven hier maximaal 24 (jong)volwassen, maximaal 4 uur en 24 (jong)volwassenen gedurende de avondperiode elk maximaal 4 uur. Naast alle hierboven genoemde uitgangspunten zijn in het rekenmodel ook verkeersbewegingen en onderhoud van het perceel met materieel meegenomen. De hierboven beschreven situatie betreft een worst-case scenario van het gebruik van het perceel. Voor alle bovenstaande uitgangspunten geldt dat de activiteiten in de rekenmodellen zijn vertaald naar gebruiksuren. 60 kinderen die elk maximaal 4 uur per dag buiten in de speeltuin spelen betekent in dit geval in totaal 240 uur gebruik van de speeltuin. In het akoestisch onderzoek is tevens een beoordeling van de geluidsbelasting als gevolg van het planvoornemen op bovengenoemde gevoelige objecten opgenomen. Op het terrein worden diverse 54

akoestische maatregelen getroffen om geluidsuitstraling naar omliggende woningen tot een minimum te beperken. Ter hoogte van de nieuwe speeltuin wordt een grondwal aangelegd. Aan de noordzijde van het terras wordt een geluidsscherm geplaatst. En ook in de nog nieuw aan te leggen groenstrook op de noordgrens van het perceel wordt een akoestisch scherm geplaatst. Op de noordelijke perceelsgrens is in 2024 een hekwerk met doek geplaatst. Dit hekwerk wordt aangepast/vervangen om als akoestisch scherm te kunnen functioneren. Deze maatregelen zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek. De resultaten van dit onderzoek zijn hieronder weergegeven: Op de waarneempunten op de gevels van de nieuwe ontwikkeling zijn de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus en de maximale geluidsniveaus bepaald ten gevolge van de geluiduitstraling ten gevolge van stemgeluid (speeltuin, speelveld en terrassen) en voertuigbewegingen. Er vinden geen activiteiten plaats, waarbij relevante tonale geluiden hoorbaar zijn ter plaatse van de beoordelingspunten. De resultaten voor de representatieve bedrijfssituatie (RBS) staan gegeven in tabel 5-a. De volledige resultaten zijn gegeven in bijlage 3. Er kan volstaan worden met de berekening van de geluidbelastingen in de relevante dag- en avondperiode. Tabel 5-a: Geluidbelastingen ten gevolge van beoogde activiteiten Grootdorp 39 Merselo id.

01-03 04-06 07 08 09 10 11-12

omschrijving Grootdorp 41 Grootdorp 35a Grootdorp 36 Grootdorp 33 Grootdorp 33a Grootdorp 33b Grootdorp 33c Richtwaarde

LAr,LT [dB(A)] dag / avond 33 / 31 42 / 40 45 / 40 41 / 37 43 / 38 40 / 40 44 / 40 45 / 40

LAmax [dB(A)] dag / avond 54 / 50 58 / 65 60 / 64 59 / 63 61 / 64 55 / 64 58 / 65 70 / 65

De berekende waarden hoeven niet getoetst te worden aan de geluidnormering, Bruidsschat. De geluidbelastingen ten gevolge van het stemgeluid zijn, samen met het overige omgevingsgeluid (rijdende voertuigen) inzichtelijk gemaakt. Door de uitgangspunten qua locatie, gebruikstijden en personenaantallen van deze geluidberekeningen op te nemen in de regels van de TAM-IMRO, zou geborgd kunnen worden dat er uit akoestisch oogpunt sprake is van een Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL). Ten aanzien van andere aspecten wordt voldaan aan de opgenomen richtafstanden. Een verdere toetsing van deze aspecten is dan ook niet noodzakelijk. Milieubelastende activiteiten in het Omgevingsplan In het Omgevingsplan zijn in artikel 22.3.1. regels voor milieubelastende activiteiten opgenomen. Het planvoornemen voorziet niet in het mogelijk maken van milieubelastende activiteiten. Een verdere toetsing aan afdeling 22.3 “Milieubelastende activiteiten” is in dit kader dan ook niet noodzakelijk. 6.4.5. Conclusie De activiteit voldoet aan de in het Omgevingsplan, Bkl en Bal opgenomen regels ten aanzien van het aspect ‘geluid’. De activiteit is geen belemmering voor omliggende functies en een veilig en gezonde fysieke leefomgeving kan vanuit het aspect geluid worden gegarandeerd. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies. 55

6.5. Geur door activiteiten 6.5.1.Wettelijk kader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. In artikel 5.1.4.6 van het Bkl zijn regels ten aanzien van het aspect geur opgenomen. De geurregels zijn van toepassing op het toelaten: a. Op een locatie van een activiteit, anders dan wonen, die geur veroorzaakt op een geurgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; of b. Van een geurgevoelig gebouw waarop geur wordt veroorzaakt door een activiteit, anders dan wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een geurgevoelig gebouw, zoals gedefinieerd in artikel 5.91 Bkl, is in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfunctie daarvan; b. Onderwijsfunctie en nevengebruiksfunctie daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Geurgevoelige gebouwen moeten beschermd worden tegen geuremissie. De instructieregels van het Bkl voor het aspect geur zijn gericht op aangewezen geurgevoelige gebouwen. De functie van de gebouwen is bepalend voor de aanwijzing van geurgevoelige gebouwen.

Gemeenten moeten op basis van artikel 5.92 en 5.93 van het Bkl rekening houden met de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient in ieder geval rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Hierbij moet rekening worden gehouden met lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid. Het rekening houden met geur werkt tweeledig: • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven; De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

Bij het bepalen of de gemeente regels in het omgevingsplan vastlegt (en zo ja, welke), spelen de volgende aspecten een rol: • bestaande toetsingskaders, zoals het lokaal geurbeleid • geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige gebouwen en locaties • aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt van de activiteit • historie van het bedrijf en het klachtenpatroon • bestaande en verwachte geurhinder van die activiteit • kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels Ook dient rekening te worden gehouden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten. Voor een aantal activiteiten moeten geurregels worden opgenomen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. 56

Voor andere geurveroorzakende activiteiten kunnen gemeenten zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan stelt. De locatiekeuze bepaalt welke regels moeten gelden. Voorbeelden zijn: • voedingsmiddelenindustrie • horeca-, recreatie- en detailhandelsactiviteiten • dierenpensions, dierenasielen, dierenklinieken, hondenfokkers of -trainers, hobbymatig houden van dieren en maneges In het omgevingsplan wordt vastgelegd voor welke locaties waarden voor geur gelden. In voorkomende gevallen kunnen aan activiteiten ook afstandsregels worden toegekend. De afstandsregels zijn minimale afstanden die dienen te worden aangehouden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Geurwaarden en geurafstanden gelden niet voor geurgevoelige gebouwen die functioneel verbonden zijn of in het verleden functioneel verbonden zijn geweest met de geurveroorzakende activiteit (artikel 5.95 en 5.96 Bkl). In de bruidsschat zijn ook geurregels opgenomen. De geurregels kunnen tot eind 2031 vervangen worden door eigen geurregels. In het vigerend omgevingsplan zijn de algemene regels uit de bruidschat opgenomen en is bepaald dat de nieuwe bebouwing wordt gezien als ‘geurgevoelig gebouw’. Gemeentelijke geurnormen zijn opgenomen in de ‘Verordening Geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011’ die onderdeel is van het vigerend (tijdelijke deel van het) omgevingsplan.

Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Venray 2011 In de Verordening Geurhinder en Veehouderij gemeente Venray 2011 zijn geurnormen voor het grondgebied van gemeente Venray opgenomen. Met deze normen wordt afgeweken van de wettelijke normen uit de oude Wgv. In de geurverordening zijn de volgende geurnormen opgenomen: a. Bestaande woongebieden 3,0 ouE/m3; b. Zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen 8,0 ouE/m 3; c. Buitengebied 14,0 ouE/m3. In aanvulling op de verordening is een gebiedsvisie aanvaardbaar woon- en leefklimaat vastgesteld waarin de maximale waardes voor de voor- en achtergrondbelasting in de verschillende gebieden zijn opgenomen. Voor Merselo zijn deze maximale waardes bepaald op 6,5 OUe/m3 voor de voorgrondbelasting en 20 OUe voor de achtergrondbelasting. 6.5.2. Beoordeling Voor de beoordeling van het aspect ‘geur’ is zowel de voor- als de achtergrondbelasting belangrijk. De voorgrondbelasting is de belasting van een individuele veehouderij op een gevoelig gebouw of locatie. In de directe omgeving liggen geen veehouderijen die geuremissie op de planlocatie en de nieuwe zorgvoorziening tot gevolg hebben. Een nadere toetsing van de voorgrondbelasting is in het kader van dit planvoornemen dan ook niet noodzakelijk.

Voorgrondbelasting De dichtstbij gelegen veehouderijen liggen op minimaal 400 meter van de rand van het plangebied, waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstand van 200 meter voor het aspect ‘geur’ in het kader van bedrijven en milieuzonering. Voor een eerste toetsing aan de voorgrondbelasting wordt naast de richtafstanden tevens gebruik gemaakt van de kaart “Indicatieve geurcontouren 2022” van gemeente Venray. Op deze kaart (figuur 5) is goed te 57

zien dat het plangebied niet binnen een van de indicatieve geurcontouren van omliggende agrarische bedrijven ligt.

5: Kaart Indicatieve geurcontouren gemeente Venray 2022

Op basis van deze eerste toetsing wordt geconcludeerd dat er geen belemmeringen voor het planvoornemen ten aanzien van de voorgrondbelasting. Uit het uitgevoerde geuronderzoek blijkt tevens dat op alle toetspunten ruimschoots voldaan wordt aan de maximale geurbelasting van 6,5 OUe/m 3 voor de voorgrondbelasting en 20 OUe/m3 voor de achtergrondbelasting. De gevoelige bebouwing die als gevolg van het planvoornemen wordt opgericht levert geen extra of nieuwe belemmeringen op voor omliggende veehouderijbedrijven ten aanzien van het aspect geur. Dit blijkt enerzijds uit het geuronderzoek waaruit blijkt dat ruimschoots voldaan wordt aan de van toepassing zijnde geurnormen. Anderzijds komen de nieuwe gevoelige gebouwen niet dichter bij bestaande veehouderijbedrijven te liggen dan al bestaande gevoelige gebouwen. Achtergrondbelasting De achtergrondbelasting betreft de cumulatieve geurbelasting van alle veehouderijen in de directe omgeving van het plangebied. Voor een beoordeling van de achtergrondbelasting is onder andere gebruik gemaakt van de kaart “Indicatieve achtergrondbelasting 2022” van gemeente Venray. Op deze kaart is te zien dat binnen het plangebied sprake is van een belasting die is aangemerkt als “redelijk goed” (7,5 – 13,15 OU) en “goed” (3,04 – 7,49 OU).

Deze indicatieve achtergrondbelastingen blijven ruimschoots binnen de geurverordening en de gebiedsvisie aanvaardbaar woon- en leefklimaat opgenomen maximale waardes.

58

17: Uitsnede kaart "Indicatieve achtergrondbelasting 2022"

Naast deze eerste toetsing aan de indicatieve achtergrondkaarten is tevens een geuronderzoek uitgevoerd om aan te tonen wat de achtergrondbelasting is op de nieuwe zorgvoorzieningen. Uit dit geuronderzoek, dat is uitgevoerd door Van Empel Inspecties, blijkt dat ter plaatse van de nieuwe zorgvoorzieningen sprake is van een acceptabele achtergrondbelasting. Het geuronderzoek is als separate bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke motivatie. De conclusie van het onderzoek luidt als volgt: “In het kader van de milieukundige beoordeling voor de realisatie van een zorgvoorziening aan Grootdorp 39 te Merselo is verzocht om een geuronderzoek waarmee de achtergrondbelasting van geur (afkomstig van de omliggende veehouderijen binnen 2 km) inzichtelijk wordt gemaakt en een afweging kan worden gemaakt van het woon- en verblijfklimaat ter plaatse. In deze rapportage is de achtergrondbelasting geur in beeld gebracht en getoetst aan de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011 (Aanvulling gebiedsvisie – Aanvaardbaar woon- en leefklimaat). In de achtergrondbelasting is er sprake van maximaal 7% geurgehinderden (4,27 Ou/m3). De milieukwaliteit is geclassificeerd als zijnde “Goed”. Op basis van geldende geurnorm (20% geurgehinderden in de achtergrondbelasting geur) wordt voldaan aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Op basis van de cumulatieve geurhinder is zelfs sprake van een goed woon- en leefklimaat.” Uit het uitgevoerde geuronderzoek blijkt tevens dat op alle toetspunten ruimschoots voldaan wordt aan achtergrondbelasting van 20 OUe/m3. Een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect ‘geur’ kan worden gegarandeerd. Het planvoornemen heeft andersom geen (extra) negatieve effecten op omliggende (bedrijfsmatige) functies. Er mag dan ook worden aangenomen dat ten aanzien van het aspect ‘geur’ geen belemmeringen bestaan ten aanzien van dit planvoornemen. 6.5.3. Conclusie Vanuit het aspect ‘geur’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

59

6.6. Bodemkwaliteit 6.6.1. Wettelijk kader In het Bkl zijn ter bescherming van de gezondheid en het milieu instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. In het “Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet” is de inhoud van de instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl. In het aanvullingsbesluit is bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding aan het bevoegd gezag. In de regeling worden drie basisvormen voor het bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang: • Beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen; • Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; • Duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen. 6.6.2. Beoordeling De huidige gebruiksfunctie van de planlocatie is “Wonen”. Woonfuncties zijn in het kader van het aspect bodem aangemerkt als gevoelige functies. Het planvoornemen heeft een wijziging van de hoofdfunctie “Wonen” naar “Maatschappelijk” tot gevolg.

De hoofdfunctie “Maatschappelijk” is net als de woonfunctie een gevoelige functie in het kader van het aspect ‘bodem’. Een bodemonderzoek is in de basis dan ook niet noodzakelijk. Om een gezonde en veilige leefomgeving te kunnen garanderen is er echter voor gekozen de bodem ter plekke van het plangebied te onderzoeken. Er zijn geen verontreinigingen in de bodem aangetroffen. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Het bodemonderzoek is als bijlage bijgevoegd aan deze ruimtelijke motivatie. 6.6.3. Conclusie Ten aanzien van het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.7. Wegen, verkeer en parkeren 6.7.1. Wettelijk kader Nieuwe functies brengen verkeersgeneratie en een parkeerbehoefte met zich mee. Bij het toelaten van een nieuwe functie dient beoordeeld te worden wat de effecten zijn op bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. De effecten mogen niet onevenredig groot zijn. Op termijn kan het mobiliteitsbeleid worden opgenomen in de gemeentelijke omgevingsvisie of het omgevingsplan. Het mobiliteitsbeleid is nu nog vastgelegd in de “Beleidsnota Parkeernormen” van de gemeente Venray. Het uitgangspunten in de Nota Parkeernormen is dat een bouwinitiatief op eigen terrein voldoet aan de parkeervraag. Aan de parkeerplaatsen op eigen terrein worden eisen gesteld zodat deze ook daadwerkelijk gebruikt kunnen worden. Het proces van toepassing van de parkeernormen start met een ruimtelijk initiatief, plan of project. Per functie wordt de parkeerbehoefte bepaald. In het geval van een functiewijziging en/of functie-uitbreiding wordt de parkeerbehoefte alleen bepaald voor dat gedeelte waar een wijziging of uitbreiding plaatsvindt. 60

Bij een functiewijziging wordt de parkeerbehoefte voor de nieuwe functie verminderd met de parkeerbehoefte van de oude functie. Als niet aan de parkeereis kan worden volstaan, heeft het college van burgemeester en wethouders de mogelijkheid ontheffing te verlenen en terug te vallen op de Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling waarin de initiatiefnemer een bijdrage levert per niet aangelegde parkeerplaats. 6.7.2. Beoordeling Het plan voorziet in een functiewijziging van de functie wonen naar maatschappelijk/zorg. De bestaande parkeerbehoefte bedraagt met één woning in het gebied ‘rest bebouwde kom’ 2,0 parkeerplaatsen. Aan de nieuwe zorgvoorziening, waar permanent deelnemers verblijven, is geen specifieke categorie toegekend. In de Nota Parkeernormen zijn onder de categorie “Gezondheid en (sociale) voorzieningen diverse subcategorieën opgenomen die raakvlakken hebben met de nieuwe functie. De subcategorie “verpleeg- en verzorgingstehuis” is de categorie die het best aansluit bij de nieuwe functie. Voor deze subcategorie is een parkeernorm van 0,6 parkeerplaatsen per wooneenheid opgenomen. Bij realisatie van het totale plan wordt voorzien in 24 kamers voor permanent verblijf en 8 kamers voor kortdurend verblijf. De totale parkeernorm bedraagt in dit geval dan ook 32 x 0,6 = 19,2 parkeerplaatsen.

In de eindsituatie, waarin alle drie de fases gerealiseerd zijn, zijn werknemers in twee diensten aan het werk. Dienst 1 duurt van 09.00 tot 19.00. Dienst 2 van 19.00 tot 09.00 uur. Tijdens de diensten zijn 10 personeelsleden werkzaam op locatie. Het betreft in deze 8 medewerkers voor de permanente opvang en 2 medewerkers voor de logeeropvang. Er is een focus op weekendopvang (vrijdag tot en met zondag) maar deze kan ook flexibel worden ingezet gedurende korte dagdelen etmalen of vakantieopvang. Het uitgangspunt is dat elke medewerker met een eigen personenauto naar de locatie komt. Voor medewerkers zijn gedurende vrijdag tot en met zondag 10 parkeerplaatsen noodzakelijk. Bewoners van de permanente zorgvoorzieningen verblijven structureel op locatie en verlaten slechts incidenteel de zorglocatie. Er is geen sprake van structurele breng- en of haalmomenten van cliënten in de zorgwoningen van fase 1 en 2. Bewoners beschikken niet over eigen vervoer waardoor voor bewoners geen eigen parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Gedurende week kunnen bewoners in overleg worden bezocht door familie/vrienden. Om de druk op bewoners te beperken mogen op locatie maximaal 4 bezoekers op hetzelfde moment worden bezocht en alleen in overleg met de organisatie. Voor bezoekers zijn 4 parkeerplaatsen noodzakelijk.

De overige parkeerplaatsen, 5 in totaal, zijn beschikbaar voor externen, zoals vertegenwoordigers, overige zorgpersoneel (huisarts, specialisten) e.d.. Leveranciers van goederen zullen gebruik maken van vrachtauto’s voor leveranties en parkeren kortstondig op de verhardingen buiten de parkeerplaatsen. De verwachting is dat per week 3 bezoeken van externen plaatsvinden. Bezoekers van het theehuisje zullen vanwege de kleinschaligheid vooral uit de directe omgeving afkomstig zijn en kunnen gedurende gezette tijden gebruik maken van de parkeerplaatsen op het terrein. De verwachting is dat 50% van de bezoekers van het theehuisje gebruik zal maken van de auto. De overige 50% komt lopend of met de fiets. Het theehuisje biedt plek en maximaal 10 bezoekers, waarvoor 5 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn. Om de rust voor bewoners te bewaren vinden bezoeken van familie en vrienden niet plaats tijdens de openingstijden van het theehuisje. Omdat de openingstijden van het theehuisje en de speeltuin niet gelijktijdig met bezoeken van familie en vrienden plaatsvinden zijn op locatie, buiten de 10 parkeerplaatsen voor personeel en 3 parkeerplaatsen voor externen zijn dan nog voldoende parkeerplaatsen beschikbaar voor bezoekers van het theehuisje. Op eigen terrein worden in totaal 21 parkeerplaatsen aangelegd. Aan de voorzijde van de bebouwing en de straatkant worden 8 parkeerplaatsen aangelegd.

Aan de achterzijde van de zorgvoorziening worden nog 12 parkeerplaatsen aangelegd. Onder de carport van de woning is al 1 parkeerplaats aanwezig. De parkeerplaatsen zijn minimaal 2,5 meter breed en 5 meter lang. 61

De voorzijde van het plangebied wordt ter hoogte van de bestaande inrit aan de oostzijde van het woonhuis volledig verhard om ruimte te creëren voor het manoeuvreren en keren van voertuigen op eigen perceel. Op deze wijze wordt voorkomen dat onveilige situaties ontstaan door achteruit rijdend verkeer op Grootdorp. Verkeersgeneratie De wijziging van de functie van de bestaande locatie kan wel een stijging van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande functie tot gevolg hebben. Voor een berekening van de verandering in de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de publicatie “Toekomstbestendig parkeren – Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van het CROW. In de berekeningen is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad “Matig stedelijk”, conform de uitgangspunten in de Nota Parkeernormen en gebied “Rest bebouwde kom”. De bestaande functie, een woonhuis, is ingedeeld in de categorie “Koop, vrijstaand” waarvoor een verkeersgeneratie van 8,6 voertuigen per dag geldt. Voor de categorie “Verpleeg- en verzorgingstehuis” is geen verkeersgeneratie berekend. De verkeersgeneratie is in dit geval berekend aan de hand van de toekomstige maximale planologische situatie. In de eindsituatie zijn 10 medewerkers per dag in twee diensten werkzaam. De eerste dienst duurt van 09.00 tot 19.00 uur. De tweede van 19.00 uur tot 09.00 uur.

Bewoners van fase 1 en 2 verblijven permanent op locatie en beschikken zelf niet over vervoersmiddelen. In de berekeningen van de nieuwe verkeersgeneratie is uitgegaan van 2 incidentele verkeersbewegingen per week per bewoner. Bewoners ontvangen echter wel bezoeken die gepland en in overleg met de organisatie plaatsvinden. Gemiddeld worden bewoners 1 keer per week bezocht door familie/vrienden/kennissen. De zorgvoorziening wordt gedurende de werkweek door 3 externe bezoekers zoals vertegenwoordigers, controleurs, huisartsen, specialisten en derden bezocht. Het theehuisje is op gezette tijden geopend voor publiek en zal vanwege de zeer beperkte omvang een voornamelijk lokale aantrekkingskracht hebben op bewoners van Merselo, omliggende dorpen en fietsers. Gedurende de lente- en zomerperiode is het theehuisje maximaal 2 dagen per week gedurende 4 uur per dag geopend. Het theehuisje biedt plek aan maximaal 10 personen, waarvan wordt aangenomen dat 50% van de bezoekers gebruik maakt van gemotoriseerd verkeer. Bij 10 personen per uur openingstijd betreft dit maximaal 40 personen waarvan 20 personen met gemotoriseerd verkeer komen. Leveranciers van goederen (eten, verzorgingsproducten e.d.) maken gebruik van vrachtauto’s. Leveranties vinden gemiddeld 1 keer per week plaats. In onderstaand overzicht is het aantal verwachte verkeersbewegingen in de eindsituatie opgenomen.

6: Verwacht aantal verkeersbewegingen Verwachte verkeersbewegingen Categorie Medewerkers Cliënten Bezoekers Overige (vertegenwoordigers, controleurs, huisarts e.d.) Theehuisje Bedrijfswoning Leveranciers Totaal per jaar Gemiddeld per week Gemiddeld per dag

62

Personenauto’s

Vrachtbewegingen

Bewegingen per jaar 14.600 7.488 2.496 936

Bewegingen per jaar 0 0 0 0

2.080 3.139

0 0 208 208 4 <1

29.803 574 82

Uitgaande van een volledig gerealiseerd plan en een maximale bezetting van het aantal kamers bedraagt het nieuwe aantal verkeersbewegingen 29.803 lichte voertuigen en 208 zware voertuigen per jaar. In dit geval betreft het circa 82 voertuigbewegingen, dus 41 voertuigen per dag extra als gevolg van het planvoornemen. Ontsluiting De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via Grootdorp – Merseloseweg in oostelijke richting naar Venray, via Grootdorp – Kleindorp in noordelijke richting naar de Beekweg en N277 en via Grootdorp – Haag - Pas in zuidelijke richting naar Venray en de N270. Vanaf de Merseloseweg, Kleindorp en Haag gaat het verkeer op in het heersend verkeersbeeld. Uit verkeerstellingen van gemeente Venray op de wegen Grootdorp, Kleindorp, Haag en Pas blijkt dat op geen van de wegen de maximale etmaalintensiteiten voor deze wegen worden gehaald en er sprake is van een ruime onbenutte capaciteit voor de afwikkeling van extra verkeer. De toename van het aantal verkeersbewegingen bedraagt 82 per dag, dus 41 voertuigen per dag. De verwachting is dat de planlocatie grotendeels ontsloten wordt via Grootdorp – Steeg in de richting van Venray. Uitgaande van 80% gebruik van deze ontsluiting zou het planvoornemen een stijging van 66 verkeersbewegingen per dag tot gevolg hebben op Grootdorp – Steeg.

Uitgaande van een etmaalintensiteit van 592 voertuigen per dag in de huidige situatie wordt de toekomstige belasting 657 voertuigen per dag. Met een breedte van circa 5 meter is deze erftoegangsweg/gebiedsontsluitingsweg ingericht om een dergelijk aantal verkeersbewegingen op juiste wijze af te kunnen wikkelen en geen problemen op te leveren voor de verkeersdoorstroming en/of verkeersveiligheid ter plekke. Voor overige ontsluitingsstructuren via Kleindorp en Haag geldt dat de intensiteiten op deze wegen ook dusdanig laag zijn, zoals blijkt uit gemeentelijke verkeersgegevens, dat geen problemen met de verkeersdoorstroming en/of verkeersveiligheid te verwachten zijn. Vanwege het beperkt aantal verkeersbewegingen is op de aanwezige ontsluitingsstructuur en de beperkte verkeersgeneratie van het plan zijn als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen geen problemen met de verkeersdoorstroming en/of verkeersveiligheid te verwachten. In Merselo is buiten een busverbinding met Venray geen openbaar vervoer aanwezig. Deelnemers maken vanwege hun zorgbehoefte geen gebruik van openbaar vervoer. 6.7.3. Conclusie Door een beperkte verkeersgeneratie, een ontsluitingsstructuur waarop nog voldoende capaciteit aanwezig is en de realisatie van alle parkeerplaatsen op eigen terrein zijn geen negatieve gevolgen voor de verkeerssituatie in de directe omgeving te verwachten.

Vanuit de aspecten wegen, verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.8. Kwaliteit van de buitenlucht 6.8.1. Wettelijk kader Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl. De grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn opgenomen in paragraaf 2.2.1 van het Bkl als rijksomgevingswaarden. De grenswaarden gelden als inspannings- of resultaatverplichting en brengt twee verplichtingen met zich mee: • De plicht tot monitoring, om te bewaken of aan de omgevingswaarde is voldaan; 63

•

En de plicht tot het opstellen van een programma met maatregelen wanneer sprake is van een dreigende overschrijding;

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging; Niet voor alle activiteiten en locaties hoeven de gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te worden gebracht. In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl zijn specifieke activiteiten en aandachtsgebieden vastgesteld waarin de luchtkwaliteit moet worden beoordeeld bij vaststelling van een omgevingsplan. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: • een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; • bij het toelaten in omgevingsplan: de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter. Of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; • bij het toelaten in omgevingsplan: de aanleg van een auto(snel)weg.

Naast de rijksomgevingswaarden kunnen gemeenten in hun omgevingsvisie en omgevingsplan eigen ambities met betrekking tot de luchtkwaliteit opnemen door lokale omgevingswaarden op te stellen. Op dit moment is er nog enkel sprake van een omgevingsplan van rechtswege waarin nog geen aanvullende lokale omgevingswaarden zijn opgenomen. NIBM Voor activiteiten die Niet In Betekenende Mate (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dit is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee manieren om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens valt. 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2.

Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. 6.8.2. Beoordeling Het plangebied ligt in een van de door het Rijk aangewezen agglomeraties van aandachtsgebieden voor fijnstof (PM10). In deze gebieden wordt de luchtkwaliteit en de hoeveelheid fijnstof extra gemonitord door het Rijk en de gemeenten. Fijnstofconcentraties Met de realisatie van de nieuwe zorgvoorziening wordt de bouw van nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt. Een toetsing aan relevante fijnstofconcentraties is dan ook van belang om aan te kunnen tonen dat sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuwe zorgvoorziening. Voor deze 64

toetsing zijn de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. In de omgevingswet zijn de volgende maximale normen als omgevingswaarde opgenomen. Tabel 7: Grenswaarden Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Status Omgevingswaarde Omgevingswaarde Omgevingswaarde

Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM is de concentratie PM2,5 ter plaatse 9,27 µg/m3. De concentratie PM10 is 17 µg/m3. En de concentratie NO2 is 11,64 µg/m3. De jaargemiddelde concentraties liggen ruimschoots onder de daarvoor opgenomen omgevingswaarden. De concentratie PM10 blijft ver onder de De luchtkwaliteit is dan ook ruimschoots voldoende. Daarnaast zal de luchtkwaliteit in de toekomst, mede door de toepassing van betere technieken op tal van gebieden, nog verder verbeteren. NIMB In het kader van dit planvoornemen is een NIBM-berekening uitgevoerd met behulp van de NIBM-calculator versie 24-04-2024. Uit deze berekeningen blijkt dat het planvoornemen geen overschrijding van de NIBMgrenzen tot gevolg heeft. Er is dan ook geen nader onderzoek naar de luchtkwaliteit noodzakelijk.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2023 Jaar van planrealisatie

2030

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer

1,2%

NO2 in μg/m3

0,03

PM10 in μg/m3

0,01

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

83

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

6.8.3. Conclusie Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit en levert geen significante bijdrage aan de concentratie PM10 in het aandachtsgebied. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

65

6.9. Omgevingsveiligheid 6.9.1. Wettelijk kader De hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van omgevingsveiligheid zijn opgenomen in de instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn specifieke activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving; • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving; • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aandachtsgebieden aan. De aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen gevaren uit de omgeving. Hierbij valt te denken aan brand, explosies of gifwolken. Binnen deze aandachtsgebieden moet bij de toetsing van omgevingsvergunningen rekening worden gehouden met het groepsrisico in relatie tot brand, explosies en gifwolken.

In voorkomende gevallen kan er sprake zijn van aanvullende bouwkundige eisen uit het Besluit bouwwerken en leefomgeving (Bbl). De aandachtsgebieden zijn opgenomen op de kaart van het Register Externe Veiligheid. Voor het persoonsgebonden risico (PR) geldt een basisbeschermingsniveau. In het Bkl zijn in de bijlagen de PR-contouren en aandachtsgebieden opgenomen. 6.9.2.Beoordeling In onderstaande afbeelding is een uitsnede van de kaart ‘Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico’ opgenomen. Op deze kaart is te zien dat het plangebied niet binnen een aandachtsgebied voor externe veiligheid ligt. Er is dan ook geen toename van het groepsrisico te verwachten als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

18: "Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico"

66

Het planvoornemen voorziet niet in de toevoeging van nieuwe risicovolle activiteiten op locatie. Er is dan ook geen stijging van het plaatsgebonden risico te verwachten. Het planvoornemen maakt de huisvesting en permanente bewoning van een kwetsbare en gedeeltelijk niet-zelfredzame doelgroep mogelijk. Het planvoornemen ligt niet binnen een aandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour van een omliggende risicovolle activiteit. Er hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met aanvullende eisen op het gebied van omgevingsveiligheid. 6.9.3. Conclusie Het planvoornemen ligt niet binnen een aandachtsgebied of plaatsgebonden risicocontour van een omliggende risicovolle activiteit. Er hoeft dan ook geen rekening te worden gehouden met aanvullende eisen op het gebied van omgevingsveiligheid. Vanuit het aspect ‘omgevingsveiligheid’ is er dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

6.10.

Natuur

6.10.1. Wettelijk kader In het Bkl zijn diverse regels opgenomen ter bescherming van de natuur. De regels hebben betrekking op gebiedsbescherming van aangewezen Natura2000-gebieden, soortenbescherming van beschermde planten diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. De gebieds- en soortenbescherming komt rechtstreeks voort uit de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Er geldt een vergunningplicht voor activiteiten die, gelet om de instandhoudingsdoelstellingen, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorende effect kunnen hebben op soorten waarvoor een gebied is aangewezen. De effecten van stikstof zijn een belangrijk aspect. Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De Natura2000-gebieden zijn door de minister aangewezen. Op grond van artikel 2.43 is bepaald dat voor elk Natura2000-gebied tevens instandhoudingsdoelstellingen worden vastgesteld in een aanwijzingsbesluit. Voor plannen en activiteiten dient in beeld te worden gebracht of deze mogelijk significant negatieve effecten op Natura2000-gebieden kunnen hebben.

Natura2000-gebieden hebben een externe werking waardoor ook activiteiten die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Omgevingsvergunningen die significant negatieve effecten kunnen hebben op Natura2000-gebieden kunnen alleen worden verleend indien uit een passende beoordeling blijkt dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast. Indien dit niet het geval is kan een omgevingsvergunning slechts worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura2000-netwerk bewaard blijft. Soortenbescherming Ook de bescherming van dier- en plantensoorten is in de Omgevingswet opgenomen. Deze bescherming wordt op verschillende manieren uitgevoerd. Zo is er een verbod om beschermde planten te plukken of beschermde dieren te doden of te vangen. Ook andere handelingen die dier- en plantensoorten kunnen 67

bedreigen zijn verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. De Wet natuurbescherming schrijft voor dat iedereen de algemene zorgplicht voor de in het wild levende planten en dieren in acht moet nemen. Dit houdt in dat handelingen die niet noodzakelijk verband houden met het beoogde doel, maar nadelig zijn voor de flora en fauna, achterwege moeten blijven. Op grond van artikel 2.8 lid 1 sub f van de Omgevingswet zijn provincies primair verantwoordelijk voor de soortenbescherming. Maar ook decentrale overheden kunnen in hun omgevingsvisie, omgevingsplan of door het vaststellen van programma’s voor soortenbescherming actief beleid ten aanzien van soortenbescherming voeren. Bij alle activiteiten in de fysieke leefomgeving moet worden nagegaan of: • Er soorten aanwezig zijn; en • Welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Bal zijn de vergunningplichten in het kader van soortenbescherming opgenomen. 6.10.2. Beoordeling Het bestaande gebouw wordt intern verbouwd voor de tijdelijke huisvesting van ontheemden. Deze interne verbouwing heeft geen sloop van (delen) van het gebouw tot gevolg. Het beperkte buitenterrein is nagenoeg volledig verhard en niet geschikt voor flora en fauna om zich te vestigen. In het kader van dit planvoornemen is een quickscan flora en fauna uitgevoerd.

Uit deze quickscan, die als bijlage bij dit TAM-omgevingsplan is gevoegd, blijkt dat op locatie geen waardevolle flora en fauna aanwezig zijn en/of voorkomen. De voorgenomen functiewijziging heeft dan ook geen negatieve effecten op de gunstige instandhouding van flora en fauna. De verbouwactiviteiten zijn beperkt tot interne verbouwingswerkzaamheden. Om mogelijke effecten van de verbouwingswerkzaamheden en het uiteindelijke gebruik van de locatie in beeld te brengen zijn Aeriusberekeningen uitgevoerd met behulp van de Aerius-calculator. Uit deze Aerius-berekeningen blijkt dat het plan geen significant negatieve effecten heeft op omliggende Natura2000-gebieden. De Aeriusberekeningen zijn als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing. 6.10.3. Conclusie Het planvoornemen heeft geen significant negatieve effecten op Natura2000-gebieden en/of waardevolle soorten in de omgeving. Vanuit het aspect ‘natuur’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

6.11.

Water en watersystemen

6.11.1. Wettelijk kader Water is een essentieel onderdeel van de leefomgeving en daarmee een integraal onderdeel van de Omgevingswet. De belangrijkste opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste en het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied en kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en waterveiligheid. In het omgevingsplan worden dan ook regels opgenomen om de waterbelangen te borgen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en de opvattingen van de waterbeheerder betrekken bij het inschatten van de gevolgen voor het watersysteem. Op basis van artikel 5.37 Bkl moeten waterbelangen verplicht worden opgenomen in het omgevingsplan. 68

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet er een ‘weging van het waterbelang’ (watertoets) plaatsvinden. Dit geldt ook voor Buitenplanse omgevingsplan activiteiten. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen de gevolgen van activiteiten voor grond- en/of oppervlaktewater in beeld te worden gebracht. Naast de algemene regels kunnen ook nog aanvullende instructieregels voor specifieke rijksbelangen aan de orde zijn: • Bescherming primaire waterkeringen; • Behoud waterveiligheid kust; • Behoud waterveiligheid grote rivieren; en • Het IJselmeergebied. 6.11.2. Beoordeling Hemelwater Het omgevingsplan regelt in artikel 22.144 enkele zaken met betrekking tot de opvang en afvloeien van hemelwater. Lid 1 stelt dat met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater afvloeiend hemelwater kan worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Lid 2 stelt dat afvloeiend hemelwater alleen in een vuilwaterriool wordt geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam, redelijkerwijs niet mogelijk is. Gemeente Venray heeft in het Gemeentelijk RioleringsPlan (vGRP) het beleid ten aanzien van het waterbeheer in de periode 2022 – 2025 vastgelegd. Het vGRP maakt het mogelijk mee te bewegen met trends en ontwikkelingen binnen het vakgebied en in te spelen op klimaatverandering en veranderende verhoudingen tussen overheid en inwoners.

Het vGRP wordt gebruikt om nu en in de toekomst aan gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen te gebruiken. Er wordt gestreefd naar duurzame watersystemen, waarbij het hemelwater bij voorkeur bovengrond wordt geïnfiltreerd in de bodem. Hemelwater In het geval van nieuwbouw van bebouwing in uitbreidings- en inbreidingslocaties dienen initiatiefnemers binnen het plangebied de waterberging op te lossen en geldt een eis van 60 mm per m2 verhard oppervlak. Groene daken worden niet als verhard oppervlak beschouwd. Verhard oppervlak dat voorheen aanwezig was wordt niet in mindering gebracht op deze waterbergingsnorm. In onderstaande tabel is een overzicht van de nieuwe verharding binnen het plangebied opgenomen. Soort verharding Zorgvoorziening fase I Zorgvoorziening fase II Zorgvoorziening fase III Schuur (6x25) Berging Theehuisje Terras Verharding parkeerplaatsen, inritten Overige verhardingen (tuinpaadjes, speeltuin, etc.) Totaal

Oppervlakte (m2) 200 200 200 150 50 16 305 900 200 2.221

Bij een eis van 60 mm per m2 dient de minimale bergingscapaciteit op de planlocatie 2.221 m 2 x 0,060 = 133,26 dus 134 m3 te bedragen. Om veiligheid van deelnemers te kunnen garanderen wordt op de zorglocatie zelf (binnen percelen 741 en 742) geen infiltratievoorziening aangelegd. Er is daarom gekozen om een infiltratievoorziening in de vorm van een sloot aan te leggen op perceel 761. Op deze wijze worden 69

de zorgvoorziening en de infiltratievoorziening gescheiden door groen en hekwerk en kan de veiligheid van de deelnemers worden gegarandeerd. Over een lengte van 100 meter wordt een sloot van 2,5 meter breed en 1 meter diep aangelegd. De totale capaciteit van de sloot bedraagt daarmee circa 200 m3. Op locatie wordt dan ook voldoende bergingscapaciteit gerealiseerd om wateroverlast voor omliggende percelen te voorkomen. Het water wordt door natuurlijk afschot, het gebruik van dakgoten, leidingen en straatkolken naar de infiltratievoorziening getransporteerd. In de infiltratievoorziening kan het water infiltreren in de bodem en wordt verdere (lokale) verdroging van de bodem op locatie tegengegaan. In de bouw en aanleg van de nieuwe zorgvoorziening worden duurzame en niet-uitlogende materialen toegepast waardoor vervuiling van schoon hemelwater wordt voorkomen. Afvalwater Het huidige woonhuis is voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater al aangesloten op het gemeentelijk riool. Huishoudelijk afvalwater wordt ook in de toekomst via het gemeentelijk riool afgevoerd. In overleg met de gemeente wordt bepaald of een vergroting/verzwaring van het riool noodzakelijk is. Het planvoornemen heeft geen gevolgen voor de infiltratie of kwaliteit van het hemelwater. 6.11.3.

Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de kwaliteit of kwantiteit van het aanwezige hemel, oppervlakte- en/of grondwater. Vanuit de aspecten water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie.

6.12.

Niet gesprongen explosieven

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het besluitgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de bestemmingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

6.13.

Duurzaamheid

6.13.1. Wettelijk kader Duurzaamheid heeft een belangrijke rol gekregen in de Omgevingswet en is het onderdeel van de centrale doelstelling: “met het oog op duurzame ontwikkeling, zorgen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’. Duurzaamheidsmaatregelen kunnen worden vastgelegd in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. In de omgevingsvisie van Venray is duurzaamheid een kernpijler. 70

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16975159/1