CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

TAMIMRO202401 Ruimtelijke motivatie v5

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22m Grootdorp 39, Merselo.27.576 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Ook wordt ingezet om zoveel mogelijk vanuit de verbinding tussen opgaven, samen met de burger en partners waar nodig extra kwaliteit te realiseren. Leefbaarheid, gezondheid, en veiligheid zijn hierbij de (ver)bindende factoren. Ten aanzien van het thema ‘gezondheid’ gelden er geen directe wettelijke taken. Bij provinciale opgaven wordt gezondheid vanuit een brede definitie als uitgangspunt meegenomen. De brede definitie van gezondheid gaat uit van de gezondheid van groepen en/of de gezondheid binnen gebieden. Daardoor is het gemakkelijker om vraagstukken op lokaal, regionaal en provinciaal niveau te benaderen. Beoordeling In de omgevingsvisie worden weinig concrete doelstellingen voor de gezondheidszorg geformuleerd. In de omgevingsvisie is er daarom ruimte voor maatwerk. De realisatie van een nieuwe woon-zorg voorziening in de kern Merselo draagt bij aan de integratie van deelnemers (zorgbehoevenden) in de maatschappij. De visie van de zorginstelling is gericht op integratie van deelnemers en contact van deelnemers met de maatschappij en hun directe omgeving en het stimuleren van inclusie. In die zin draagt het plan direct bij aan het leggen van de juiste verbindingen tussen sociale en fysieke woonopgaven en wordt verdere 26

segregatie van een specifieke doelgroep voorkomen. Daarnaast wordt een woonvoorziening gerealiseerd in een landelijke en groene omgeving waarin rust en ruimte centraal staat. De natuurlijke omgeving draagt bij aan het welzijn van de bewoners door hen een gezonde en prikkelarme leefomgeving te bieden waarin ontspanning en herstel worden bevorderd. De groene buitenruimte biedt mogelijkheden voor beweging, recreatie en sociale interactie. Dit komt niet alleen de fysieke gezondheid van deelnemers ten goede, maar ondersteunt ook het mentale welzijn. Door de combinatie van natuur, toegankelijkheid en een doordachte inrichting ontstaat een woonomgeving die bijdraagt aan een gevoel van veiligheid, geborgenheid en een verhoogde levenskwaliteit voor de bewoners. Ondanks dat specifieke doelstellingen en kaders voor zorgvoorzieningen ontbreken in de omgevingsvisie kan wel worden geconcludeerd dat de realisatie van de zorgvoorziening bijdraagt aan een bredere ontwikkelingsdoelstellingen. De activiteiten passen in de doelstellingen van de Omgevingsvisie Limburg. Er is vanuit de Omgevingsvisie dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 4.2.3. Omgevingsverordening Limburg Op 17 december 2021 is de Omgevingsverordening Limburg vastgesteld en recent op 3 februari 2025 voor het laatst gewijzigd.

In de Omgevingsverordening Limburg zijn de provinciale regels op het gebied van milieu, provinciale wegen, (grond-)water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte opgenomen. In de Omgevingsverordening zijn twee soorten regels opgenomen: 1. instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap. Dit zijn opdrachten aan de gemeenten en het waterschap die de gemeenten moeten verwerken in het gemeentelijke bestemmingsplan (Omgevingsplan) en het waterschap moet verwerken in de waterschapsverordening. Pas na het verwerken van de provinciale instructieregels in het gemeentelijke bestemmingsplan, of in de waterschapsverordening krijgen deze regels effect op activiteiten van inwoners en bedrijven; 2. regels voor activiteiten die voor alle inwoners en bedrijven gelden, of voor specifieke doelgroepen. In de Omgevingsverordening Limburg zijn regels opgenomen die de Omgevingsvisie juridische binding geven. Perceel 741 ligt binnen de gebiedsaanwijziging “Landelijke kernen” en “Overstromingskansgebied E”. De overige percelen liggen in de gebiedsaanwijzigingen “Buitengebied” en “Overstromingskansgebied C” Landelijke kernen De nieuwe zorgvoorzieningen worden op de nieuw te bouwen schuur na gerealiseerd op perceel 742 en binnen de gebiedsaanwijziging “Buitengebied”. De realisatie van de nieuwe schuur wordt niet belemmerd door de instructieregels uit de omgevingsverordening.

Er zijn in de omgevingsverordening geen regels opgenomen voor de vestiging van nieuwe zorgvoorzieningen binnen de landelijke kernen. Op locatie ontstaat een vorm van permanent wonen. Deze vorm van permanent wonen kan echter niet geschaard worden onder toevoeging van woningen aan de reguliere woningvoorraad. De bewoning vindt onder begeleiding van zorgprofessionals plaats en de kamers zijn niet beschikbaar voor andere doelgroepen dan deelnemers van de zorginstellling. Een toetsing aan de kaders voor de toevoeging van nieuwe woningen is dan ook niet zinvol. Ook in de regionale woonvisie Noord-Limburg wordt over het wonen in een verblijf van de zorgaanbieder geen concreet beleid opgenomen. Buitengebied Binnen de gebiedsaanwijzing ‘Buitengebied’ zijn geen specifieke regels opgenomen ten aanzien van de realisatie van zorgvoorzieningen. Er zijn in de omgevingsverordening geen regels opgenomen voor de 27

vestiging van nieuwe zorgvoorzieningen binnen de landelijke kernen. Op locatie ontstaat een vorm van permanent wonen. Deze vorm van permanent wonen kan echter niet geschaard worden onder toevoeging van woningen aan de reguliere woningvoorraad. De bewoning vindt onder begeleiding van zorgprofessionals plaats en de kamers zijn niet beschikbaar voor andere doelgroepen dan deelnemers van de zorginstelling. In de regelset van dit TAM-omgevingsplan is vastgelegd dat enkel vormen van zorgwonen zijn toegestaan. Daarnaast worden geen afzonderlijke zorgwoningen gecreëerd, maar slechts slaapkamers met gezamenlijke voorzieningen. Een toetsing aan de kaders voor de toevoeging van nieuwe woningen is dan ook niet zinvol. Ook in de regionale woonvisie Noord-Limburg wordt over het wonen in een verblijf van de zorgaanbieder geen concreet beleid opgenomen. Overstromingskansgebied C en E De instructieregels zijn primair gericht tot gemeenten en het Waterschap Limburg. In artikel 8.0b, lid 1 van het Bkl is echter bepaald dat de instructieregels in hoofdstuk 5 Bkl, provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De voorgenomen activiteit past binnen de instructieregels in de Omgevingsverordening. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening.

Vanuit de Omgevingsverordening is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3. Omgevingswaarden Met omgevingswaarden kunnen Rijk en provincie en gemeente hun beleid laten doorwerken. In omgevingswaarden zijn maatstaven ten aanzien van de fysieke leefomgeving opgenomen die betrekking hebben op: • De gewenste staat of kwaliteit op een bepaald moment op een bepaalde plaats; • De toelaatbare belasting door activiteiten; • De toelaatbare concentratie of depositie van stoffen. Omgevingswaarden moeten worden uitgedrukt in concrete, meetbare of berekenbare eenheden of andere objectief te bepalen termen of normen. Bij het vaststellen van een omgevingswaarde dient te worden aangegeven of het een resultaatsverplichting, inspanningsverplichting of een andere verder te omschrijven verplichting met zich meebrengt en binnen welke termijn de omgevingswaarde moet zijn bereikt. Omgevingswaarden hebben geen doorwerking naar andere partijen dan de gemeente die de omgevingswaarden heeft vastgesteld. De omgevingswaarden kunnen worden opgenomen in het omgevingsplan en moeten kunnen worden beïnvloed of beheerst door de inzet van beleidsinstrumenten, zoals voor geur of geluid. Op de activiteit zijn geen specifieke omgevingswaarden vanuit het Rijk of provincie van toepassing. Conclusie Vanuit het aspect ‘omgevingswaarden’ is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

28

4.4. Regionaal beleid 4.4.1. Regionale woonvisie Noord-Limburg 2022 - 2024 De provincie heeft de verschillende regio’s opgedragen om zelfstandig overeenstemming te bereiken over de behoefte aan realisatie van nieuwe woningen. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken. De regio Noord-Limburg heeft de ambities en opgaven vertaald in de “Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024”. Aan de hand van een uitgebreide analyse van de regionale woningmarkt zijn de volgende opgaven geformuleerd en opgenomen in een uitvoeringsprogramma: 1. Kwalitatief vraagstuk – Mismatch woningvoorraad en toekomstige bevolkingssamenstelling; 2. Liefde voor de bestaande voorraad; 3. Kwalitatief vraagstuk op de lange termijn: wat doen we na de huishoudenspiek?; 4. Huisvesting voor specifieke doelgroepen; 5. Thuis in je huis, straat, buurt en wijk; 6. Sociale huursector en toewijzingsbeleid corporaties; 7. Middenhuur; 8. Leefbare kleine kernen. Zorgdoelgroepen In de regionale woonvisie is een specifiek deel van het beleid gewijd aan ‘zorgdoelgroepen’. Het beleid en de uitgangspunten zijn in dit geval voornamelijk gericht op extramuralisering van de zorg waarbij wonen buiten verblijven van de zorgaanbieder centraal staat.

Tegelijkertijd worden sociaal duurzame woonconcepten nagestreefd die een bijdrage leveren aan ‘het zorgen voor elkaar’ en hebben veranderingen in de zorg geleid tot een andere kijk op het thema wonen in relatie tot leefbaarheid. In deze andere kijk is er ruimte voor spreiding van doelgroepen om het principe van gemengde wijken te bevorderen. Hoewel wordt regionaal wordt ingezet op het stimuleren van extramurale vormen van zorg blijft er ook in de toekomst een behoefte aan intramurale zorgplekken bestaan. Met dit initiatief wordt hieraan bijgedragen. Daarnaast voorziet het planvoornemen in 16 plekken voor logeeropvang waarin deelnemers kunnen verblijven om op deze manier de directe omgeving, familie, vrienden, kennissen en steungezinnen, te ontlasten in de dagelijkse zorg voor deze deelnemers. Op deze wijze wordt met de intramurale zorg op locatie een bijdrage geleverd aan de slagingskansen voor de steeds verder toenemende extramurale zorg in de regio en wordt een duurzaam netwerk gecreëerd waarbij intra- en extramurale zorg elkaar ondersteunen. Het planvoornemen draagt daarnaast bij aan het principe van meer gemengde wijken en spreiding van personen die zorg nodig hebben.

Door de zorgvoorziening in de kern Merselo te realiseren en een directe binding met omgeving en omwonenden te stimuleren wordt bijgedragen aan sociale integratie en verbinding tussen de deelnemers en hun omgeving. Het planvoornemen draagt dan ook bij aan realisatie van de doelstellingen uit de regionale woonvisie. Conclusie Vanuit de regionale structuurvisie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

29

4.4.2.Regiovisie Meedoen en Wonen 2022 – 2026 Gemeenten in Noord- en Midden-Limburg hebben een gezamenlijke regiovisie vastgesteld om hun visie ten aanzien van beschermd wonen te realiseren. Kern van de visie is: “Alle kwetsbare inwoners van Noord- en Midden-Limburg worden op passende wijze ondersteund, zodat zij zo zelfstandig mogelijk kunnen meedoen in de samenleving. Om deze visie te bereiken wordt gewerkt langs twee pijlers en 7 ambities:

Jaarlijks stellen de betrokken gemeenten, waaronder gemeente Venray, een beleidsagenda vast waarin voor dat jaar is aangegeven welke activiteiten worden ondernomen om de ambities verder vorm te geven. De beleidsagenda vormt daarmee de input voor de regionale begroting. Transformatie van beschermd wonen De afgelopen jaren is hard gewerkt aan de transformatie van beschermd wonen met als doel de zorg kleinschalig en in de wijken te organiseren. Van beschermd wonen binnen grote zorginstellingen naar het beschermen van kwetsbare inwoners middenin de samenleving door het bieden van uiteenlopende woonvormen met herstelondersteuning. Een plek niet naast, maar met en tussen de inwoners van onze wijken. In de nota is het beleid voor de periode 2022 – 2026 gericht op: Pijler 1: Meedoen & Erbij horen. 1. Meer preventie: de problemen voor zijn door het vergroten van kennis bij intermediairs en het breed beschikbaar hebben van preventieactiviteiten. 2. Meer maatwerk bieden: ruimte creëren om te doen wat passend is voor de inwoner. 3. Meer samenwerking: het verbeteren van de samenwerking door de verantwoordelijkheid voor de doelgroep gezamenlijk te dragen. 4. Vergroten inzet ervaringsdeskundigen en cliëntparticipatie: het integreren van ervaringskennis en cliëntparticipatie in het gehele sociale domein Pijler 2 Wonen & Thuis zijn in de wijk 1.

Doorzetten van transformatie van de opvang en beschermd wonen: Door in te zetten op kleinschalige opvangvormen en zelfstandige wooneenheden en een regionale spreiding van beschermd wonen- en opvangplekken.; 2. Vergroten passend aanbod woonoplossingen: Creëren van een passend aanbod van woonvormen en woonplekken; 3. Meer inzetten op veerkrachtige wijken: De sociale basis op orde hebben, kwetsbare inwoners doen zo normaal mogelijk mee in de wijk. In de verdere uitwerking van de doelen is beschreven dat voldoende passende woningen voor de doelgroep kwetsbare inwoners worden gerealiseerd. Daarnaast wordt ingezet op nabuurschap om zo alle inwoners welkom te laten zijn in de wijken, ook kwetsbare inwoners. Door het maken van laagdrempelige ontmoetingsplekken wordt ingezet op betere integratie en veerkrachtigere wijken. Ook wordt ingezet op het bevorderen van inclusie van kwetsbare inwoners en het versterken van de cliëntparticipatie. 30

De regiovisie wordt jaarlijks door gemeente Venray vertaald in een beleidsagenda. In de beleidsagenda voor 2025 is omschreven dat het nodig is een versnelling te realiseren in passende woonzorgoplossingen voor specifieke doelgroepen en te onderzoeken op welke wijze de verbindingen tussen de locatie van beschermd wonen en maatschappelijke opvang en het voorliggend veld (sociale basis) kan worden versterkt. Beoordeling Voorliggend planvoornemen sluit goed aan op de uitgangspunten uit de regiovisie. Er wordt voorzien in een passende woonvorm voor deelnemers met een ondersteuningsvraag, waaronder mensen met een licht verstandelijke beperking, autisme, ADHD, het syndroom van down en niet-aangeboren hersenletsel (NAH). Deze deelnemers hebben een duidelijke behoefte aan nabijheid 24/7 toezicht en begeleiding en kunnen niet zelfstandig wonen. De woonzorgvoorziening is gesitueerd midden in de kern Merselo om zo inclusie en sociale ontwikkeling van de bewoners te bevorderen. Inclusie wordt ook gestimuleerd door het op gezette tijden open stellen van de speeltuin/speelveld en het theehuisje waarmee er een directe sociale interactie is tussen bewoners van Merselo en de bewoners van de woonzorgvoorziening.

Het initiatief draagt op deze wijze ook direct bij aan de lokale uitwerking van gemeente Venray door invulling te geven aan de vraag naar passende woonoplossingen en door de directe verbinding met de omgeving te zoeken bij te dragen en versterking van de verbindingen met het voorliggend veld. Conclusie Vanuit de regiovisie Meedoen en Wonen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5. Gemeentelijk beleid 4.5.1. Omgevingsvisie De gemeentelijke omgevingsvisie dient als leidraad voor de uitvoering van nieuwe wetgeving. De “Omgevingsvisie Venray 2023” is op 21 december 2023 vastgesteld. In deze omgevingsvisie zijn de ambities en doelen voor de komende jaren en de samenhang tussen belangrijke thema’s als milieu, natuur, gezondheid, wonen, recreatie, verkeer en vervoer, landschap en o.a. cultureel erfgoed vastgelegd. Ook ten aanzien van de zorg zijn enkele uitgangspunten beschreven. Zo komt er mogelijk gevolgen van een groot aantal (landelijke) ontwikkelingen op de gemeente af. Het gaat in deze om vergrijzing en de toename van kwetsbare inwoners door de afbouw van klinische bedden en ambulante behandeling onder andere door een afname van bedden en capaciteit in de gezondheidszorg. Dit heeft invloed op welke voorzieningen nodig zijn in de gemeente. Er is dan ook meer behoefte aan diversiteit in woonvormen om deze kwetsbare doelgroepen te kunnen huisvesten. Er wordt een breder palet van woonvormen met veel variatie tussen gewoon zelfstandig wonen en intramuraal wonen en de daarbij passende zorg gerealiseerd in de gemeente. Inwoners die de stap vanuit deze instellingen naar zelfstandig wonen kunnen maken worden kansen geboden met passende ondersteuning.

Daarnaast zorgen veranderingen in de zorg voor een andere kijk op het thema wonen in relatie tot de voorzieningen en leefbaarheid van wijken. De toenemende behoefte aan huisvesting van bijzondere groepen (statushouders, in- en uitstroom uit de maatschappelijke opvang en beschermd wonen, huisvesting van jongeren via de jeugdwet) en aan levensloopbestendige woningen betekent een extra opgave voor het aanbod van betaalbare woningen, in een veilige en beschermde woonomgeving. Woonconcepten die een bijdrage leveren aan ‘het zorgen voor elkaar’ worden omarmd. Hierbij is er oog voor toegankelijkheid, veiligheid en is er oog voor spreiding van doelgroepen. Specifiek in de woongebieden wordt goede huisvesting en integratie van bijzondere doelgroepen bevorderd. 31

Gemeentelijk wordt er ingezet op het behoud van zoveel mogelijk voorzieningen in de kernen en deze toegankelijk en bereikbaar voor iedereen te houden. De voorkeur gaat uit naar initiatieven die bijdragen aan fysieke en/of mentale gezondheid, sociale participatie en werk (bijvoorbeeld dagbesteding). In de woongebieden, waartoe de kern Merselo behoort, wordt het aantal zorgvoorzieningen afgestemd op de doelgroepen. Beoordeling Het planvoornemen voorziet concreet in de realisatie van een nieuwe zorgvoorziening en daarmee in het creëren van nieuwe capaciteit in de gezondheidszorg. Het plan levert een actieve bijdrage aan een breder palet aan verschillende woonvormen en de toevoeging van intramuraal wonen voor een bijzondere doelgroep. Door een groot en structureel landelijk tekort aan capaciteit in de gezondheidszorg zal de nieuwe zorgvoorziening een regionale functie vervullen. De nieuwe zorglocatie is echter ook toegankelijk en bij uitstek geschikt voor zorgbehoevenden uit Venray. Met de permanente verblijfsplekken wordt voorzien in een structurele zorg- en opvangmogelijkheid voor ouders die vanwege de specifieke zorgbehoefte en problematiek zelf niet meer dagelijks voor hun kind kunnen zorgen.

Voor zorgbehoevenden uit gemeente Venray betekent dit dat ze kunnen verblijven op een locatie in de omgeving van hun naasten waardoor bezoeken en onderlinge contacten worden vergemakkelijkt. In de toekomst wordt een actieve (ver)binding met de kern Merselo nagestreefd, waarbij de zorginstelling niet alleen deelnemers integreert in het dorpsleven, maar ook zelf een waardevolle bijdrage levert aan de gemeenschap en aan de realisatie van een woonvorm waarin ‘Zorg voor elkaar’ voorop staan. Zowel op kleine schaal door bewoners onderling in combinatie met de zorgverleners alsook op grotere schaal door onderlinge verbinding en interactie tussen bewoners, zorgverleners en inwoners van Merselo. Dit wordt onder andere gerealiseerd door het openstellen van voorzieningen, zoals de speeltuin, de speelweide, gemeenschappelijke ruimtes en andere faciliteiten zodat inwoners van Merselo op een laagdrempelige manier betrokken worden bij de zorginstelling. Hierdoor ontstaat een natuurlijke ontmoetingsplek waar interactie en verbinding tussen deelnemers en buurtbewoners gestimuleerd worden. Daarnaast wordt ingezet op het aanbieden van zelfgemaakte producten, bijvoorbeeld ambachtelijke of handgemaakte artikelen, die door deelnemers met zorg en aandacht worden vervaardigd.

Dit draagt niet alleen bij aan de waardering voor hun talenten en vaardigheden, maar versterkt ook de lokale economie en het gemeenschapsgevoel. Waar de zorg het toelaat, wordt tevens actief bijgedragen aan de leefbaarheid van de kern. Dit kan bijvoorbeeld door het ondersteunen van lokale initiatieven, het meewerken aan buurtprojecten of het uitvoeren van openbare ruimtes of het organiseren van activiteiten voor verschillende doelgroepen. Door deze initiatieven wordt niet alleen de participatie van deelnemers in het dagelijks leven bevorderd, maar wordt ook een inclusieve en hechte gemeenschap gecreëerd waarin iedereen een rol van betekenis kan spelen. 4.5.2. Omgevingsplan gemeente Venray Het vigerend “Omgevingsplan gemeente Venray” is vastgesteld op 1 januari 2024. Het onderliggende ruimtelijke kader is opgenomen in de voormalige bestemmingsplannen “Merselo”, vastgesteld op 16 december 2014, het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010” en het bestemmingsplan “Buitengebied Venray 2010, herziening locaties” dat is vastgesteld op 14 december 2010. Percelen 741 en 742 De percelen 741 en 742 hebben de hoofdfunctie ‘Wonen’. Gronden met de hoofdfunctie “Wonen” zijn primair bedoeld ten behoeve van de woonfunctie. Bedrijfsmatige activiteiten, buiten beroepen aan huis, 32

zijn niet toegestaan. Op de locatie ligt tevens de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4” die is opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden in de bodem. Op de locatie liggen tevens de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ en ‘luchtvaartverkeerszone”. De ‘Vrijwaringszone – Molenbiotoop” is opgenomen ter bescherming van die is opgenomen ter bescherming van vliegbasis “De Peel”. Binnen deze gebiedsaanduiding gelden beperkingen

10: Uitsnede omgevingsplan gemeente Venray percelen 741 en 742

ten aanzien van de bouwhoogte van gebouwen. Het bouwen van gebouwen hoger dan 65 meter is niet toegestaan. Percelen 677 en 761 De percelen 677 en 761 hebben de hoofdfunctie “Agrarisch met waarden”. Gronden met deze hoofdfunctie zijn primair bedoeld voor agrarisch grondgebruik. Op de gronden liggen tevens de dubbelbestemmingen “Waarde – Archeologie -2” en “Waarde – Archeologie – 3” ter bescherming van mogelijke archeologische waarden in de bodem. De dubbelbestemming “Waarde – Esgronden” is opgenomen te bescherming van de landschapswaarden die de oude esgronden typeren.

33

11: Uitsnede voormalig bestemmingsplan "Buitengebied Venray, herziening locaties" perceel 677

Op de gronden liggen tevens de gebiedsaanduidingen ‘Reconstructiewetzone – Verwevingsgebied” en “Luchtvaartverkeerzone” en de maatvoering “Maximum bouwhoogte (m): 80”. Binnen de “Reconstructiewetzone – Verwevingsgebied” is de verdere ontwikkeling van intensieve veehouderijen mogelijk. Deze zonering heeft door het vervallen van het onderliggende provinciale beleid geen inhoudelijke werking mee. Binnen de aanduiding “Luchtvaartverkeerszone” en ‘Maximum bouwhoogte (m): 80’ is het verboden om gebouwen te bouwen met een bouwhoogte hoger dan 80 meter.

12: Uitsnede voormalig bestemmingsplan "Buitengebied Venray 2010" perceel 761

34

De realisatie van een nieuwe zorgvoorziening is op de gronden met de hoofdfunctie “Wonen” niet rechtstreeks mogelijk. Het gebruik van de gronden voor zorgactiviteiten en de bouw van de gewenste zorggebouwen, bijgebouwen en parkeerplaatsen is niet rechtstreeks toegestaan. Ten behoeve van de zorgvoorziening wordt tevens een bufferzone voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen opgenomen. De bufferzone dient juridisch-planologisch te worden geborgd. In het vigerend omgevingsplan is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op percelen 677 en 671 immers niet uitgesloten. Om het gebruik van de gronden en bouw van de gewenste zorgvoorzieningen mogelijk te maken en tevens een ‘spuitvrije’ zone op te nemen is een wijziging van het planologisch regime noodzakelijk. Middels een TAMIMRO-procedure wordt een specifieke, op maat gemaakte, planologische regeling voor de percelen gerealiseerd. 4.5.3.Ruimtelijk Kwaliteitskader Venray Op 15 november 2023 is het Ruimtelijk KwaliteitsKader Venray (RKK) vastgesteld. In dit kwaliteitskader is vastgelegd welke waarden en karakteristieken belangrijk zijn om te behouden en welke randvoorwaarden gelden om toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk te maken.

Het ruimtelijk kwaliteitskader vormt een inspiratiedocument voor initiatiefnemers en bevat aanbevelingen die helpen om een initiatief zo goed mogelijk in te passen in de omgeving en hierbij rekening te houden met de omringende waarden. In het RKK zijn verschillende deelgebieden opgenomen die zijn begrensd op basis van de provinciale verordening, de omgevingsvisie en de aanwezige landschapstypen. Per deelgebied zijn aparte kenmerken, waarden en opgaven geformuleerd die als basis dienen voor de inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in hun omgeving. Onderhavig initiatief ligt in het gebiedstype “Esgronden”. Esgronden Het Essenlandschap is onder invloed van menselijk gebruik ontstaan. Rondom de dorpen lagen de esgronden, die eeuwenlang werden opgehoogd met mest uit potstallen (dierenmest, vermengd met heideplaggen). Hierdoor vormden de essen hoger gelegen delen in het landschap. Essen kunnen nog altijd herkend worden aan hun bolle ligging. Vanwege de vruchtbaarheid van de bodem waren essen overwegend in gebruik als akker waardoor ze open bleven in het landschap. Ontwatering van de essen vond plaats door middel van inzijging (wegzakken van regenwater in de ondergrond), zodat kavelsloten nauwelijks voorkwamen. Langs de randen van de essen ligt dikwijls een weg waarlangs de agrarische bebouwing was geconcentreerd. Deze weg is vaak voorzien van laanbeplanting.

Beplanting is vooral gelegen bij de bebouwing en naast de wegen. Hierdoor hebben essen een zeer open karakter. De esgronden kenmerken zich door: • Kleinschalige verkaveling en bebouwing langs de historische wegen • Veelal kleine verkavelingen in diverse richtingen, vooral op de flanken van de essen en aan historische wegen. De essen om Leunen zijn aan de binnenzijde van de randweg bebouwd, elders aan de buitenzijde • Akkerbouw op de es, vollegrond tuinbouw De waarden van dit landschap zijn als volgt geformuleerd: • Unieke ontstaansgeschiedenis • Bolle en open ligging in het landschap • Kleinschalige en onregelmatige verkaveling langs de randen van de es • Bebouwing langs historische wegen op de flanken van de es • Akkerbouw en vollegrond tuinbouw vanwege voedselrijke bodem • Singels en lanen langs de weg rondom de es • (Historische) erven zijn voorzien van erfrandbeplanting 35

Op de esgronden spelen de volgende uitdagingen: • Landschap, natuur, water en bodem De Europese Kaderrichtlijn Water stelt dat het watersysteem in 2027 op orde moet zijn. Dit vereist ecologisch, hydrologisch en geomorfologisch herstel van oppervlaktewateren en behoud of herstel van de fysisch-chemische toestand. Ook herstel en bescherming van de bodem is een belangrijke opgave. Omdat de openheid van de es zeer waardevol is, is dit niet de geschikte locatie voor de aanplant van nieuw bos. • Klimaatadaptatie Klimaatverandering vraagt om meer ruimte voor water en maatregelen ter voorkoming van hittestress op de bodem. Vanwege de openheid en afwezigheid van sloten op de essen, zal er vooral aan de randen van essen gezocht kunnen worden naar het toevoegen van groen in de vorm van laanbeplanting en erfrandbeplanting. • Energietransitie Realisatie van een zonneveld is mogelijk binnen een bestaand bouwvlak van maximaal 2 hectare. Uitgangspunt is volledige sloop van bedrijfsgebouwen. Als bestaande gebouwen blijven bestaan dienen eerst de bedrijfsdaken benut te worden en is een aanvullende investering in kwaliteit vereist. • Landbouwtransitie Op de esgronden zal de landbouwtransitie zich vooral richten op functieverandering en extensivering.

De gemengde gebieden (blauw) lenen zich voor een gemengd karakter, waarbij onder andere gedacht kan worden aan wonen, recreatie en kleinschalige bedrijvigheid. Daarnaast zijn er gebieden die een toekomstperspectief kennen met overwegend wonen(oranje). Deze gebieden liggen veelal direct grenzend aan dorpskernen of bebouwingsconcentraties. • Vrijetijdseconomie De esgronden zijn aantrekkelijk om te fietsen wandelen. Kleinschalige recreatieve voorzieningen kunnen worden ingepast in bestaande erven. Om de herkenbaarheid van het landschap te vergroten wordt bij de uitstraling van het landschapstype ingezet op: • Instandhouden van de karakteristieke openheid, de bodemkwaliteit en het reliëf van de essen • Onbebouwd en onbeplant laten van oude akkers, vanwege de waarde van de openheid en de beleefbaarheid van de glooiingen, en het (micro) reliëf in het landschap • De weg markeert de rand van de es • Wegen worden aangeplant met laanbeplanting • kleinschalige verkaveling en bebouwing langs historische wegen • Behoud van zichten op en over de es • Er wordt ingezet op vermindering van de bebouwing op de esgronden. Daarbij gaat het vooral om vermindering van bebouwing midden op de esgronden. Hergebruik van bebouwing is mogelijk aan de randen van de esgronden en dan vooral gericht op recreatieve doeleinden.

Uitbreidingen van bestaande bedrijvigheid is alleen beperkt mogelijk aan de randen van de esgronden. Grootschalige bedrijvigheid is niet gewenst. • Opknappen van waardevolle (historische) bebouwing, eventueel d.m.v. splitsing in wooneenheden. Bij splitsing dient een extra meerwaarde gecreëerd te worden door de woning goed in te passen in relatie tot de omgeving waarin het ligt en hiermee wordt bewerkstelligd dat de historische stedenbouwkundige- en landschapsstructuur wordt behouden, versterkt of hersteld.

36

•

Herstel van historische beplantings-, wegen- en padenstructuren

1: Typisch esgronden landschap

En, bij de uitstraling van het erf en bebouwing op: • Een ontwikkeling mag niet ten koste gaan van de openheid van de es, of zicht op de es. Daarbij is het van belang dat bebouwing op kavels zich ook niet verbreedt ten opzichte van de weg. • Bebouwing past in de kleinschalige landelijke omgeving door middel van toepassing van gebiedseigen erfbeplanting, met name aan de randen van het erf (erfrandbeplanting) • Er dient altijd sprake te blijven van een goede ordening op een kavel. Dit betekent een representatieve voorzijde van het erf met de woonfuncties, met daarachter gelegen de bedrijfskavel met bedrijfsmatige functies. Ook als het “erf” enkel een woonbestemming heeft de ordening op het “erf” visueel aan laten sluiten bij dit principe. • De situering van de bebouwing kan variëren. Wel dient er sprake te blijven van samenhang tussen de bebouwing. Dit kan op diverse manieren tot uiting komen: een compact erf met korte onderlinge afstanden tussen de bebouwing, vormgeving van de bebouwing en het materiaal en kleurgebruik. Hierbij is een compacte erfindeling het uitgangspunt. • Het voorerf is groen en representatief ingericht; (gras, solitaire bomen, haag), geen opslagfuncties. • Parkeren zo veel mogelijk op eigen terrein, ingepast met een bosje of inheemse haag. • Welstandscriteria Buitengebied

37

Beoordeling Aan dit planvoornemen ligt een stedenbouwkundig- en landschappelijk plan ten grondslag dat al in een vroegtijdig stadium met gemeente Venray is besproken en akkoord is bevonden. In de bebouwingsstructuur is rekening gehouden met de ontwerpuitgangspunten door de nieuwe bebouwing achter de bestaande woning op het perceel te situeren. Parkeervoorzieningen worden op eigen terrein gesitueerd en worden daar waar mogelijk ingepast met groenelementen. Het ‘erf’ was in de huidige situatie al volledig ingepast met een stevige en forse groenstructuur. Deze structuur blijft aan de west-, zuid- en oostzijde intact

2: Landschappelijk inpassingsplan

waardoor er een duidelijke scheiding ontstaat tussen het bebouwde erf en het achterliggende open esgrondenlandschap. Aan de oostzijde blijft een uniek bestaand doorzicht op het esgrondenlandschap behouden. Bij de aanplant van de landschappelijke inpassing wordt gebruik gemaakt van inheemse beplanting en structuren die de herkenbaarheid van het landschap ten goede komen. Door de bebouwing uit te voeren in één bouwlaag met een kap wordt aansluiting gezocht bij de ‘boerderij-achtige’ uitstraling van de erven in het esdorpenlandschap. Het laatste ontwerp, dat hierboven is weergegeven, is de basis voor de verdere uitwerking van dit ruimtelijk plan en is stedenbouwkundig en landschappelijk door gemeente Venray akkoord bevonden. 4.5.4.Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling De Structuurvisie bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011 is vastgesteld op 20 december 2011 en op 1 januari 2012 in werking getreden. Het in deze structuurvisie vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden 38

gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Het beleid moet er toe leiden dat het buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en tegelijkertijd meer kwaliteit te bieden heeft voor mens, plant en dier. Er wordt met doormiddel van dit beleid meer ruimte geboden aan nieuwe en/of uitbreiding van bestaande economische functies zodat het economisch draagvlak van het buitengebied behouden blijft en een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid. De Structuurvisie is van toepassing op ontwikkelingen in het buitengebied. Onder het buitengebied wordt verstaan alle gronden die buiten de contouren van de kerkdorpen en buiten de grens ‘stedelijke dynamiek’ van het POL vallen. Het planvoornemen valt in de categorie “Overige (gebouwde) functies waaronder ook commerciële vormen van zorg vallen. Waarvoor, naast een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing, ook een bijdrage van €50/m2 bruto vloer oppervlakte b.v.o. wordt gevraagd. De tegenprestatie vindt zo veel mogelijk ter plaatse en/of in de nabijheid van de ingreep plaats. Indien dit niet mogelijk is, komt de bijdrage ten goede van het kwaliteitsfonds buitengebied.

Toetsing Het plan voorziet in de bouw van een zorggebouw met een totale oppervlakte van 600 m 2, waarvoor een overeenkomstige bijdrage van € 30.000,- van toepassing is. Tussen gemeente Venray en de initiatiefnemers is een anterieure overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat de initiatiefnemers een bedrag van €30.000 storten in het kwaliteitsfonds van gemeente Venray. Gemeente Venray bepaald op welke wijze dit bedrag wordt besteed om de kwaliteit van het buitengebied te versterken. Conclusie Het planvoornemen voldoet aan de uitgangspunten van de Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling 2011.

39

Landschappelijke, stedenbouwkundige cultuurhistorische waarden

en

In de centrale doelstelling van de Omgevingswet is ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen. Vanuit de centrale doelstellingen zijn aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit, stedenbouwkundige kwaliteit en de kwaliteit van natuur en landschap van belang voor de wijze waarop de fysieke leefomgeving wordt beleefd. Bij de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten deze aspecten dan ook worden meegewogen.

5.1. Landschappelijke kwaliteit 5.1.1.Wettelijk kader Rijk Het Rijk heeft slechts een beperkt aantal instructieregels opgenomen ten aanzien van de landschappelijke kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de artikelen 5.1.5 en 5.1.7 van de Omgevingswet: • paragraaf 5.1.5: beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en • paragraaf 5.1.7: behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten De invulling van het aspect landschappelijke kwaliteit ligt daarmee primair bij provincies en gemeenten die de uitgangspunten kunnen vastleggen in de Omgevingsvisie en het omgevingsplan. Provincie In de Omgevingsverordening zijn voor het plangebied geen specifieke instructieregels met betrekking tot de landschappelijke kwaliteit opgenomen. Gemeente Ook in het Omgevingsplan zijn geen specifieke regels met betrekking tot de landschappelijke kwaliteit opgenomen. 5.1.2. Beoordeling In algemene zin mag een activiteit geen afbreuk doen aan de landschappelijke waarden in een gebied. Waardevolle landschappen en gebiedskenmerken dienen zoveel mogelijk behouden te blijven. De activiteit voorziet in de realisatie van een nieuwe zorgvoorziening en enkele bijgebouwen.

De nieuwe activiteiten worden opgericht op een perceel dat in de huidige situatie in gebruik is als tuin bij de woning op Grootdorp 39. Percelen 741 en 742 zijn begrensd door een stevige groenstructuur. Deze groenstructuur blijft in de toekomst behouden. Het noordelijk deel van deze groenstructuur wordt verplaatst naar de rand van het perceel om ruimte vrij te maken voor de nieuwe zorgfunctie. Met behoud van de groenstructuur blijft ook een belangrijk deel van de kwaliteit van het perceel behouden. Het stedenbouwkundig ontwerp van de nieuwe zorglocatie is voorgelegd aan de gemeente en positief beoordeeld en voldoen aan het Ruimtelijk Kwaliteitskader. Een beoordeling van het plan aan het RKK is opgenomen in paragraaf 4.6.3 van deze ruimtelijke motivatie. Door de gemeente zijn stedenbouwkundige en landschappelijke voorwaarden gesteld die als randvoorwaarden zijn opgenomen in het plan. De massa dient bij voorkeur te worden uitgevoerd in één laag met kap en passend bij het agrarisch ensemble. In de verdere uitwerking en detaillering van de bebouwing zal in overleg met de gemeente rekening worden gehouden met deze uitgangspunten. 40

De zorglocatie is door de aanwezigheid van de bestaande (en deels te verplaatsen) groenstructuur ingepast in de omgeving. Een belangrijk deel van de privacy en geborgenheid voor deelnemers wordt ontleend aan deze groenstructuur. De bestaande groenstructuur bestaat uit grotendeels gebiedseigen en inheemse beplanting en vormt tevens een duidelijke begrenzing tussen kern en buitengebied. De groenstructuur is mede met diverse andere groenelementen binnen het plangebied vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan. Dit inpassingsplan is als bijlage toegevoegd aan deze ruimtelijke onderbouwing.

13: Overzicht landschappelijke inpassing

5.1.3.Conclusie Met dit inpassingsplan dat middels een voorwaardelijke verplichting in planologisch-juridisch zin geborgd is in het TAM-omgevingsplan is invulling gegeven aan de voorwaarden voor kwaliteitsverbetering van het landschap. Vanuit het aspect landschappelijke kwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

41

5.2. Cultureel erfgoed en archeologie 5.2.1. Wettelijk kader Cultureel erfgoed De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Bal, de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Onder erfgoed vallen cultureel erfgoed en werelderfgoed. Cultureel erfgoed bestaat uit rijksmonumenten, gemeentelijke en provinciale monumenten en archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen. De bescherming van het landschap is vastgelegd in het Europees landschapsverdrag. In dit verdrag is erkend dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Ook in artikel 1.2 lid 1 sub g van de Omgevingswet is opgenomen dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Landschapswaarden zijn deels in de instructieregels van het Bkl verankerd. Een ander deel kan door Rijk, provincie en gemeenten worden vastgelegd in de Omgevingswet. Naast veiligheid en gezondheid is ‘een goede omgevingskwaliteit’ opgenomen in de centrale doestelling in artikel 1.3 van de Omgevingswet. Dit artikel geeft aan dat cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het daarbij om zowel de menselijk beleving van de fysieke leefomgeving als de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebied. Archeologie De realisatie van de zorglocatie is geconcentreerd op percelen 741 en 742.

Op percelen 677 en 761 vinden geen (bouw)activiteiten plaats. In de toetsing van het aspect ‘archeologie’ zijn dan ook enkel percelen 741 en 742 betrokken. In het Omgevingsplan is de nevenfunctie “Waarde – Archeologie 4” opgenomen ter bescherming van mogelijke archeologische waarden in de bodem. Binnen deze nevenfunctie is een archeologisch onderzoek verplicht bij activiteiten die een bodemverstoring groter dan 500 m2 en dieper dan 50 cm onder maaiveld tot gevolg hebben. 5.2.2. Beoordeling De plannen voorzien in het mogelijk maken van een nieuw zorggebouw. Het zorggebouw wordt opgericht in drie fases. In elke fase wordt een deel van 200 m2 (10 x 20) gebouwd. Buiten het hoofdgebouw worden nog twee schuren, een berging en een theehuisje gebouwd. De oppervlakte van deze bebouwing bedraagt 210 m2. Door de bouwactiviteiten wordt de bodem over een grotere oppervlakte dan 500 m 2 verstoord. Op basis van de regels van het omgevingsplan is een archeologisch onderzoek dan ook verplicht. In 2020 heeft op het terrein direct ten noorden van het plangebied echter al een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek plaatsgevonden. De resultaten van dit onderzoek zijn ook bruikbaar voor het plangebied. Het terrein aan Grootdorp 39 ligt binnen dezelfde beleidseenheid, geomorfologische eenheid, AHN-hoogte en bodemkundige eenheid dan Grootdorp 35.

Ook de historische ontwikkeling is vergelijkbaar (nog onbebouwd rond 1802-1804 en deels bebouwd vanaf 1895. Bij het verkennend booronderzoek aan Grootdorp 35 is de specifieke verwachting van een hoge archeologische verwachting bijgesteld naar een middelhoge archeologische verwachting omdat de podzolbodem is opgenomen in het esdek. Gezien het vergelijkbare landgebruik en de ligging binnen hetzelfde akkercomplex wordt binnen het plangebied geen andere conclusie verwacht. Door de aanplant van bomen rondom het plangebied zou binnen het plangebied zelfs sprake kunnen zijn van een grotere bodemverstoring. 42

Om deze reden is dan ook aan de gemeentelijk archeologie voorgesteld een nieuw specifiek bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uit te laten voeren. Een afweging van de nieuwe plannen tegen het beleid van een middelhoge archeologische verwachting met een bijbehorende ondergrens van 2.500 m2 in plaats van 500 m2. Omdat de voorgenomen activiteiten de ondergrens van 2.500 m 2 niet overschrijden is een archeologisch onderzoek dan ook niet noodzakelijk. Het advies van de gemeentelijk archeoloog is als volgt samengevat: “De resultaten van het verkennende bodemonderzoek in het noordelijk aangrenzende plangebied (Grootdorp 35) kan worden geëxtrapoleerd naar het plangebied op nummer 39. Door een middelhoge archeologische verwachting aan te nemen vallen de ingrepen t.b.v. de planrealisatie ruim binnen de bijbehorende oppervlaktenorm Verder is de totale oppervlakte van de nieuwbouw, dus incl. het zorgcomplex, relatief beperkt en biedt deze nauwelijks mogelijkheden voor zinvol archeologisch onderzoek. Er is al met al dan ook geen noodzaak om een onderzoeksplicht aan het plan te verbinden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. De locatie, bebouwing en groenstructuren hebben geen cultuurhistorische waarden.

Er vindt als gevolg van de voorgenomen activiteiten dan ook geen aantasting van cultuurhistorische waarden, archeologische waarden of waardevolle landschapselementen plaats. 5.2.3. Molenbiotoop Aan Grootdorp 93 in Merselo staat molen “Nooit gedacht”. In het omgevingsplan is voor deze molen een molenbiotoop opgenomen ter bescherming van de belangen van de bestaande molen als werktuig en beeldbepalend element. Binnen deze molenbiotoop zijn specifieke bouwregels van kracht. Op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘Vrijwaringszone – molenbiotoop’ is het niet toegestaan: a. binnen 100 m van de molen nieuwe bouwwerken op te richten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek; b. tussen 100 m en 400 m van de molen nieuwe bouwwerken op te richten met een grotere hoogte dan 1/30 van de afstand gemeten tussen het bouwwerk en de onderste punt van de verticaal staande wiek, tenzij op de verbeelding in de onderliggende bestemming een hogere maximale bouwhoogte is opgenomen. In het bestemmingsplan is geen hogere maximale bouwhoogte opgenomen. Er dient dan ook voldaan te worden aan de bouwregels in lid a en b van dit artikel. Een gedeelte van fase 1 van het zorginstelling valt binnen deze molenbiotoop. Het plangebied ligt op meer dan 100 meter afstand waardoor voldaan moet worden aan de voorwaarde in lid b.

De kortste afstand van het nieuwe zorghuis en de molenbiotoop is 385 meter. Dit betekent dat een maximale bouwhoogte van 385 : 30 x 1 = 12,8 meter is toegestaan. In de eerste ontwerpen van de zorginstelling is rekening gehouden met een gebouw met een bouwhoogte van maximaal 9,25 meter. Hiermee blijft de bouwhoogte van het nieuwe zorghuis ver onder de maximale bouwhoogte die binnen de molenbiotoop is toegestaan. Om de belangen van de bestaande molen ook in de toekomst te blijven borgen is de aanduiding ‘Vrijwaringszone – Molenbiotoop’ overgenomen in de verbeelding en regels van dit TAMIMRO-plan. Op deze wijze zijn de belangen van de bestaande molen als werktuigen en beeldbepalend element ook in de toekomst gegarandeerd. 5.2.4. Conclusie Vanuit de aspecten cultureel erfgoed, archeologie, landschap en de molenbiotoop is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. 43

5.3. Stedenbouw en architectuur 5.3.1. Wettelijk kader In de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie moet ook de stedenbouwkundige kwaliteit worden meegenomen. De gemeente heeft naast enkele instructieregels van de Rijksoverheid grotendeels de vrijheid om de stedenbouwkundige kwaliteit in te vullen. De stedenbouwkundige kwaliteit kan in de omgevingsvisie en het omgevingsplan worden verankerd. 5.3.2.Beoordeling In het principebesluit zijn een aantal stedenbouwkundige randvoorwaarden opgenomen: “Het perceel en omliggende begroeiing biedt voldoende mogelijkheden voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Het is echter een vrij fors programma (3 woongroepen, in totaal 40 bedden). We adviseren om de ruimtelijke (stedenbouwkundige) inpassing eerst verder uit te werken, ook in relatie tot groene inpassing / gemeenschappelijke tuin en het parkeren. Bij de uitwerking van de plannen moet nader gekeken worden naar de exacte ligging van de gebouwen, meer duidelijkheid over de massa gegeven worden (voorkeur heeft 1 laag met kap, passend bij het agrarisch ensemble) en de invulling van openbare ruimte (ontsluiting, parkeren en invulling groen/water). Vanuit duurzaamheid en ruimtegebrek is het ook goed dat bestaande bijgebouwen worden ingepast middels er een nieuwe functie aan te geven.

Stedenbouwkundig ontwerp Deze stedenbouwkundige randvoorwaarden hebben geleid tot een eerste stedenbouwkundige concept die met de omgeving en gemeente is gedeeld. Reacties van direct omwonenden en input van de gemeentelijk stedenbouwkundige hebben geleid tot een tweede stedenbouwkundige concept. Dit stedenbouwkundige

14: Stedenbouwkundig ontwerp bebouwing

concept komt tegenmoet aan een aantal wensen van omwonenden en is door de stedenbouwkundige 44

akkoord bevonden. De stedenbouwkundige concept vormt de basis voor de planologisch-juridische situatie, het landschappelijk inpassingsplan en de verdere technische uitwerking van de bebouwing.

15: Overzicht functies

Van de hoofdbebouwing (fase 1, 2 en 3) zijn eerste technische ontwerpen opgesteld die inzicht geven in de uitstraling, typering, bouw- en goothoogte en indeling van de gebouwen. Deze technische ontwerpen worden in een later stadium uitgewerkt en ter toetsing voorgelegd aan de gemeente. Landschappelijke inpassing Voor het planvoornemen is tevens een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het landschappelijk inpassingsplan is een verdere uitwerking van het groen dat in het stedenbouwkundig ontwerp is opgenomen. De landschappelijke inpassing bestaat gedeeltelijk uit het vastleggen van het behoud en onderhoud van een deel van de bestaande groenstructuren. Daarnaast wordt het noordelijke deel van de bestaande groenstructuur verplaatst om ruimte vrij te maken voor de realisatie van de nieuwe zorgvoorziening. Tussen de gronden die in de toekomst gebruikt gaan worden als tuin bij de woning en de nieuw zorgvoorziening wordt een nieuwe groenstructuur aangelegd die een duidelijke begrenzing vormt tussen privé en zakelijke functies, en de nodige privacy garandeert voor de bewoners van de woning op Grootdorp 39.

45

16: Overzicht landschappelijke inpassing

Het landschappelijk inpassingsplan is ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente en akkoord bevonden. Welstand Ook in het buitengebied zijn welstandscriteria van toepassing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Een welstandstoetsing vindt plaats op het moment dat een omgevingsplan voor de bouwactiviteit omgevingsplan wordt aangevraagd. Omdat er nog geen sprake is van een concrete uitwerking van de bebouwing is een verdere beoordeling aan de welstandscriteria nog niet noodzakelijk. Uiteraard zal het planvoornemen moeten voldoen aan de hierboven beschreven stedenbouwkundige en landschappelijke uitgangspunten. 5.3.3. Conclusie Vanuit de aspecten stedenbouw en architectuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4. Ladder voor duurzame verstedelijking De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een Buitenplanse OmgevingsPlan Activiteit. Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand) 4. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. 46

5. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. De behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en b. Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheid om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 6. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. Op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist, en b. Nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 7. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4.1.Beoordeling In totaal wordt voorzien in 3 zorggebouwen van elk 200 m 2, een theehuisje, berging en schuur. 2 zorggebouwen voorzien in de permanente huisvesting van 24 cliënten in het derde zorggebouw worden 8 slaapkamers voor 2 personen logeeropvang ingericht. Met deze ontwikkeling wordt voorzien in een uitbreiding van meer dan 500 m 2 bebouwing binnen bestaand stedelijk gebied. De realisatie van het woonzorgcomplex valt daarnaast onder de definitie van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook noodzakelijk. In het kader van dit planvoornemen heeft een toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking plaatsgevonden. Uit deze laddertoetsing die als bijlage is bijgevoegd aan deze ruimtelijke motivatie blijkt dat er sprake is van een behoefte aan deze stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen voldoet daarmee aan de ladder voor duurzame verstedelijking. 5.4.2. Conclusie Het aspect ‘zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand’ is geen belemmering voor het planvoornemen.

47

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze de activiteiten invloed hebben op de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie. Hierbij komen alle aspecten uit artikel 1.2 van de Omgevingswet waarop de activiteiten betrekking hebben aan bod.

6.1. Beschermen van de gezondheid 6.1.1.Wettelijk kader In artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. Het gezondheidsaspect speelt een belangrijke rol in de Omgevingswet en dient breed gemotiveerd te worden. Daarnaast hangen de aspecten van een goede omgevingskwaliteit en een veilige en gezonde fysieke leefomgeving nauw met elkaar samen. Bij nieuwe activiteiten dient dan ook gemotiveerd te worden op welke wijze deze activiteit invloed heeft op de kwaliteit van de leefomgeving in brede zin. Om een gezonde fysieke leefomgeving te bereiken en te behouden zijn in het Bkl een aantal instructieregels opgenomen die specifiek betrekking hebben op bescherming van de gezondheid en het milieu. Deze regels hebben betrekking op aspecten als ‘geur’, ‘geluid’, ‘trillingen’, ‘luchtkwaliteit’ en ‘bodem’. De verschillende aspecten worden in navolgende paragrafen verder gemotiveerd. 6.1.2.Beoordeling Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een nieuwe zorgvoorziening. De zorgvoorziening en bijbehorende functies kunnen invloed hebben om de fysieke leefomgeving. Vanuit de locatie vindt voornamelijk geluidbelasting op de omgeving plaats. Er is als gevolg van de activiteiten geen emissie van geur of fijnstof te verwachten.

De zorgvoorziening zelf voorziet in de mogelijkheid tot permanent verblijf van deelnemers en medewerkers en is daarmee aan te merken als een gevoelig gebouw in het kader van artikel 3.2.1 van het Bkl. In deze ruimtelijke motivatie is dan ook een uitgebreide toetsing van de effecten van de omgeving op deze nieuwe gevoelige gebouwen opgenomen. In onderstaande paragrafen is een nadere beoordeling van de diverse milieuaspecten opgenomen. 6.1.3.Conclusie Een veilige en gezonde fysieke leefomgeving op de locatie van de activiteit en in de omgeving is gegarandeerd.

6.2. Milieubelastende activiteiten 6.2.1.Wettelijk kader Het begrip “milieubelastende activiteit” (mba) is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: “activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit”. Het gaat in dit geval dus om alle activiteiten die een negatief effect kunnen hebben op het milieu. 48

Ook niet-bedrijfsmatige, niet-plaatsgebonden en/of tijdelijke activiteiten vallen onder het begrip mba. De mba’s zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), waarvoor algemene regels gelden, de zogenaamde Bal-mba’s. Daarnaast zijn ook in afdeling 22.3 van de Bruidsschat, met de titel “Milieubelastende activiteiten”, mba’s opgenomen die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet van rechtswege in het tijdelijk deel van het gemeentelijk Omgevingsplan zijn opgenomen. Het betreft in dit geval: • Energiebesparing • Zwerfafval • Geluid • Trillingen • Afvalwaterbeheer • Bodembeheer • Lozen bij maken van betonmortel • Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen • Recreatieve visvijvers • Uitwassen van beton • Wassen van motorvoertuigen • Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch • Voedingsmiddelenindustrie materiaal • Opwekken van elektriciteit met een • Niet-industriële voedselbereiding windturbine • Slachten van dieren en bewerken van • Bieden van parkeergelegenheid in een dierlijke bijproducten of uitsnijden van parkeergarage vlees, vis of organen • Bieden van gelegenheid voor het • In werking hebben van een acculader beoefenen van sport in de buitenlucht • Traditioneel schieten • Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoerdermiddelen • Opslaan van vaste mest • Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of

vogels In de praktijk hebben lang niet alle bovengenoemde milieubelastende activiteiten betrekking op een activiteit die met een omgevingsvergunning mogelijk wordt gemaakt. De bovengenoemde activiteiten zijn ook niet van toepassing op de nieuwe zorgvoorziening. Op de locatie worden geen van bovenstaande milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Een verdere toetsing van het plan aan deze milieubelastende activiteiten is dan ook niet noodzakelijk. Ook in hoofdstuk 5 van het Bkl zijn instructieregels voor milieu in het Omgevingsplan opgenomen. In het Bkl wordt in dit geval gesproken over ‘activiteiten’. 6.2.2.Beoordeling De milieubelastende activiteiten uit het Bal hebben betrekking op bedrijfsmatige activiteiten en zijn daarom niet van toepassing op het planvoornemen. Bovengenoemde activiteiten zijn ook niet van toepassing op de nieuwe zorgvoorziening. Op de locatie worden geen van bovenstaande milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Een verdere toetsing van het plan aan deze milieubelastende activiteiten is dan ook niet noodzakelijk 6.2.3. Conclusie Vanuit het aspect milieubelastende activiteiten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

49

6.3. Bedrijven en milieuzonering 6.3.1.Wettelijk kader Om te bepalen of mogelijk sprake is van activiteiten die een belemmering kunnen zijn voor een gezonde en veilige leefomgeving kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In deze publicatie zijn voor tal van bedrijfsactiviteiten richtafstanden tot gevoelige bouwwerken en activiteiten opgenomen voor de aspecten ‘geur’, ‘stof’, ‘geluid’ en ‘gevaar’. De in deze publicatie opgenomen richtafstanden, die in de basis gelden voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’, zijn een eerste basis voor toetsing nieuwe activiteiten en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indien de opgenomen richtafstanden ten aanzien van nieuwe activiteiten niet kunnen worden gehaald dan kan eventueel gemotiveerd worden afgeweken van deze richtafstanden en middels een nader onderzoek worden aangetoond dat sprake is van een gezonde en veilige leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In het voormalige bestemmingsplan “Merselo” dat is opgenomen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt de systematiek van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ aangehouden in de beoordeling en toetsing van nieuwe activiteiten in hun omgeving.

Zolang het Omgevingsplan met deze systematiek van kracht is kan het instrumentarium van ‘Bedrijven en milieuzonering’ worden toegepast bij de beoordeling van een evenwichtige toedeling van functies aan een locatie. Om te bepalen of mogelijk sprake is van activiteiten die een belemmering kunnen zijn voor een gezonde en veilige leefomgeving ter plekke van de huisvestingslocatie kan gebruik worden gemaakt van de VNGpublicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. In deze publicatie zijn voor tal van (bedrijfs)activiteiten richtafstanden tot gevoelige bouwwerken en activiteiten, zoals zorglocaties en woningen, opgenomen voor de aspecten ‘geur’, ‘stof’, ‘geluid’ en ‘gevaar’. De in deze publicatie opgenomen richtafstanden, die gelden voor het gebiedstype ‘rustige woonwijk’, zijn een eerste basis voor toetsing van nieuwe activiteiten en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Indien de opgenomen richtafstanden ten aanzien van nieuwe activiteiten niet kunnen worden gehaald dan kan eventueel gemotiveerd worden afgeweken van deze richtafstanden en middels een nader onderzoek worden aangetoond dat sprake is van een gezonde en veilige leefomgeving en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 6.3.1.Beoordeling Het plangebied ligt in het centrum van de kern Merselo waar slechts een beperkt aantal functies aanwezig is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16975159/1