CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Bedrijventerrein Smakterheide Noord vastgesteld 1 Bijlagen bij de Regeling Bijlage 2 Kwaliteitsomschrijving

Gemeenteraad 26 mei 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22h Bedrijventerrein Smakterheide-Noord24.134 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

-

Bekendmaking van de ingediende aanvraag op de voor de gemeente gebruikelijke wijze in dag- of weekblad.

-

Fatale beslistermijn, dus vergunningverlening van rechtswege als de beslistermijn wordt overschreden.

-

Inwerkingtreding vergunning daags na afloop termijn voor indienen bezwaarschrift

-

Bezwaar schort werking vergunning niet op; opschorting alleen te bewerkstelligen via verzoek om voorlopige voorziening.

-

Rechtsbeschermingsmogelijkheden: bezwaar; beroep bij de rechtbank; hoger beroep bij de Raad van State.

TOR 2022

24

3.3.3 Aanvraagprocedure omgevingsvergunning uitgebreide procedure Een omgevingsvergunning voor rijksmonumenten wordt voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure, als het gaat om sloop, herbestemming, reconstructie en ingrijpende wijziging van een rijksmonument, dit betekent: -

Besluitvorming binnen 26 weken, maximaal zes weken verlenging beslistermijn bij ingewikkelde of omstreden onderwerpen.

-

Ter inzagenlegging ontwerpbesluit gedurende zes weken.

-

Geen fatale beslistermijn, dus geen vergunningverlening van rechtswege als de beslistermijn wordt overschreden (wel risico op dwangsom bij niet tijdig beslissen)

-

Inwerkingtreding vergunning daags na afloop termijn voor indienen beroepschrift. Beroep schort werking vergunning niet op, opschorting alleen te bewerkstelligen via verzoek om voorlopige voorziening.

-

Rechtsbeschermingsmogelijkheden: zienswijze op de ontwerpvergunning, beroep bij de rechtbank, hoger beroep bij de Raad van State.

-

Indien er sprake is van sloop, gedeeltelijke sloop van ingrijpende aard of daarmee in impact vergelijkbare wijziging van het rijksmonument, functiewijziging van het rijksmonument of reconstructie, dan dient de rijksdienst voor het cultureel erfgoed, namens de minister advies uit te brengen aan het bevoegd gezag. De adviestermijn bedraagt maximaal 8 weken. Gedeputeerde staten hebben een adviesbevoegdheid voor rijksmonumenten die buiten de bebouwde kom zijn gelegen. De adviestermijn bedraagt 8 weken.

3.4

Cultuurhistorie

Cultuurhistorie is een beleidsveld dat volop in ontwikkeling is. In het kader van de modernisering van de monumentenzorg is het de bedoeling cultuurhistorie te gaan verankeren in de regelgeving. Net als bij archeologie zal cultuurhistorie een plaats krijgen in de bestemmingsplannen. Zover is het echter nog niet. Wel bevat een bestemmingsplan en de toelichting een schat aan informatie. Ook qua voorschriften regelt een bestemmingsplan op welke wijze gronden gebruikt mogen worden en of- en wat er gebouwd mag worden.

3.5

Aan te leveren gegevens

Tijdens de haalbaarheidsfase van het bouwplan dienen afhankelijk van de inhoud van het bouwplan verschillende gegevens te worden overlegt. Deze gegevens kunnen o.a. bestaan uit wetenschappelijke rapporten van alle benodigde archeologische onderzoeken en/of de benodigde gegevens bij een vergunningaanvraag Het tijdpad voor de archeologie/monumenten en cultuurhistorie toets hangt af van de onderzoeksen juridische eisen die van toepassing zijn. Er kan pas gestart worden met de realisatie van het bouwplan, project of ruimtelijke ontwikkeling als alle documenten akkoord zijn bevonden.

TOR 2022

25

4

Milieu

TOR 2022

26

4 Milieu

4.1

Algemene uitgangspunten

Binnen het streven naar een prettig woon- en leefklimaat voor onze inwoners, spelen de verschillende milieuaspecten een hele belangrijke rol. De gemeente Venray toetst ruimtelijke initiatieven in de (toekomstige) openbare ruimte op zeven milieuaspecten , te weten: 1. Energie en klimaat 2. Externe veiligheid 3. Geur 4. Geluid 5. Licht 6. Bodem- en (grond)waterkwaliteit 7. Luchtkwaliteit

4.1.1 Wettelijke regelgeving -

Wet milieubeheer

-

Wet geluidhinder

-

Wet geurhinder en veehouderij

-

Besluit bodemkwaliteit

-

Wet bodembescherming

-

Wet ruimtelijke ordening

-

Regeling uniforme saneringen

-

Regeling bodemkwaliteit

-

Besluit uniforme saneringen (BUS)

-

Circulaire bodemsanering

4.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -

Energiestrategie 2030

-

Bodemkwaliteitskaart gemeente Venray

-

Nota bodembeheer 2011

-

Milieubeleidsplan 2003-2007

-

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray

-

Bouwverordening van de gemeente Venray

-

Provinciale milieuverordening Limburg

-

Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder gemeente Venray (Versie 2016)

-

Omgevingsvisie Venray, Thema Milieu en Waarde Water en bodem

4.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -

Bodem:

NEN5707, NEN5720, NEN5725, NEN 5740, NEN5897, NTA 5755 CROW publicatie 400: Werken in en met verontreinigde bodem

TOR 2022

27

4.2

Externe veiligheid

4.2.1 Uitgangspunten Externe veiligheid gaat over de risico's voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, situaties met windturbines en/of situaties met vliegtuigen nabij luchthavens. Op de Risicokaart kunt u bekijken waar risicovolle bedrijven, transportroutes of buisleidingen liggen. Externe veiligheid heeft geen relatie met verkeersveiligheid, openbare orde en overstromingsrisico's. Het gaat binnen de ruimtelijke ordening dan om de relatie tussen een risicovolle activiteit en haar omgeving, oftewel het op voorhand willen voorkomen van onverantwoorde risico’s voor mens en milieu. Belangrijk vertrekpunt is de vraag of bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling sprake is van een (beperkt) kwetsbaar object; Definitie (beperkt) kwetsbaar object Deze begrippen zijn gedefinieerd in onder meer het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi). Hoewel het merendeel van de functies die onder deze definitie vallen niet van toepassing zijn op de openbare ruimte (omdat het veelal bouwwerken en functies in gebouwen betreft) zijn speeltuinen en activiteiten die; “qua aard en omvang gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval", (beperkt) kwetsbaar.

Vrij vertaald dienen functies waar grotere groepen mensen gedurende langere tijd en met een mogelijk verminderde zelfredzaamheid aanwezig kunnen zijn, dus mogelijk als (beperkt) kwetsbaar object te worden beschouwd. In geval van twijfel wordt verzocht om afstemming te zoeken met de gemeente Venray. In het kader van ruimtelijke planvorming dienen twee afzonderlijke basisvragen te worden beantwoord: 1. Is het initiatief een (beperkt) kwetsbaar object? -

Indien nee: geen belemmeringen.

-

Indien ja: zijn er activiteiten in de omgeving van het initiatief die een risicocontour hebben over het initiatief? o

Indien ja: inzichtelijk maken Plaatsgebonden risico en Groepsrisico en nadere afweging maken.

o

Indien nee: geen belemmeringen.

2. Betreft het initiatief de oprichting van infrastructuur waarover risicovolle activiteiten plaatsvinden? -

Indien nee: geen belemmeringen.

-

Indien ja: zijn er (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving? o

Indien ja: inzichtelijk maken Plaatsgebonden risico en Groepsrisico en nadere afweging maken.

TOR 2022

28

o

Indien nee: zijn er toekomstige ontwikkelingen / wensen die worden beperkt door het beoogde initiatief? 

Indien ja: inzichtelijk maken Plaatsgebonden risico en Groepsrisico en nadere afweging maken.

Indien nee: geen belemmeringen.

4.2.2 Ontwerpeisen -

Risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten dienen optimaal van elkaar gescheiden te worden gehouden.

-

In sommige situaties is de gemeente verplicht om advies te vragen bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. De Veiligheidsregio kan adviseren om maatregelen te treffen die een doorwerking hebben voor het ontwerp van het plan of initiatief.

4.3

Geur

4.3.1 Uitgangspunten Op een initiatieflocatie (gebouw) waar mensen gaan verblijven dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat gelet op geurhinder van veehouderijen. Voor de beoordeling van de geurhinder dient rekening te worden gehouden met de voorgrond- en achtergrondbelasting. Geurverordening Ten behoeve van veehouderijen zijn door de gemeente Venray in de ‘verordening Geurhinder en veehouderijen’ de locale geurnormen vastgesteld. Op de kaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening zijn de geurnormen weergegeven die van toepassing zijn in het grondgebied van de gemeente Venray. De geurnormen betreffen de zogenaamde voorgrondbelasting (is geurbelasting op basis van individueel bedrijf) en is uitgedrukt in OU/m3 (Odour Unit/ kubieke meter) Bij het opstellen van de gemeentelijke geurverordening is tevens de achtergrondbelasting in beeld gebracht. De achtergrondbelasting wordt gevormd door de totale geurbelasting van de individuele bedrijven. Verder mag een nieuw geurgevoelig object (gebouw) gelet op de omgekeerde werking geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen ten behoeve van wonen, werken en recreëren moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gelet op geurhinder van veehouderijen is in de aanvullende notitie op de geurverordening (d.d. 16 juni 2011) vastgesteld wat als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt beschouwd in de gemeente Venray. 4.3.2 Ontwerpeisen -

Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor zijn de notitie “Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray Aanvaardbaar woon- en leefklimaat” en de kaarten van de voorgrond- en achtergrondbelasting te raadplegen op de website van de gemeente Venray (www.venray.nl

-

Een te ontwikkelen locatie mag geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen.

TOR 2022

29

4.4

Geluid

4.4.1 Uitgangspunten De ambitie van de gemeente is het mogelijk maken van ontwikkelingen en initiatieven met daarbij een borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bij alle ingrepen in de openbare ruimte wordt dan ook het streven gehanteerd een verbetering van het akoestisch woonen leefklimaat te realiseren. De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. In de wet is een stelsel van bepalingen opgenomen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder bij geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen. De wet kent voor industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden . Wet geluidhinder Van een initiatiefnemer wordt verwacht dat in alle gevallen aantoonbaar gestreefd wordt naar een situatie waarin voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. In situaties waar de voorkeursgrenswaarde aantoonbaar redelijkerwijs niet gehaald kan worden, biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid om (onder voorwaarden) van de voorkeursgrenswaarde af te wijken en een hogere geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming toe te staan via een hogere waarde procedure Wet geluidhinder. Een hogere waarde is mogelijk tot de maximale ontheffingswaarde. In uitzonderlijke gevallen zijn er ook mogelijkheden om geluidniveaus boven de maximale ontheffingswaarde aanvaardbaar te achten.

Zowel in geval van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als van overschrijding van de maximale ontheffingswaarde gelden specifieke eisen en voorwaarden. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar het document ‘Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder gemeente Venray’. Wegverkeerslawaai 30km zones De praktijk wijst uit dat bij 30 km/uur wegen met een relatief hoge verkeersintensiteit ook sprake kan zijn van een relevante geluidbelasting die tot overlast kan leiden. Dit soort situaties kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij doorgaande wegen in een stedelijke omgeving. De bepalingen in de Wet geluidhinder zijn echter niet direct van toepassing op wegen met een snelheidsregime van 30km/u. Ter voorkoming van overlast als gevolg van verkeerslawaai is het noodzakelijk om bij deze wegen reeds in de ontwerpfase concreet aandacht te besteden aan wegverkeerslawaai. Hiermee wordt geborgd dat ook voor deze wegen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.4.2 Ontwerpeisen -

Verwezen wordt naar het ‘Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder gemeente

-

Vuistregel om in te kunnen schatten of er sprake kan zijn van een overschrijding van de

Venray’. voorkeursgrenswaarde bij woonstraten (30km/u snelheidsregime) waarbij de woningen op circa 10,0m. van de wegas liggen: 

In het geval van een standaard gesloten verharding (asfalt DAB) kan de voorkeursgrenswaarde worden overschreden vanaf ca. 700 mvt/etmaal.

TOR 2022

30

In het geval van een standaard open verharding (klinkers) kan de voorkeursgrenswaarde worden overschreden vanaf 300 mvt/etmaal.

Doen deze verkeersintensiteiten zich voor in een woonstraat dan wordt vanuit de gemeente een beschouwing/onderbouwing verwacht welke aannemelijk maakt dat er redelijkerwijs voldoende (bron)maatregelen zijn getroffen om overlast als gevolg van verkeerslawaai te kunnen voorkomen.

4.5

Licht

4.5.1 Uitgangspunten In de ontwerpfase dient reeds rekening gehouden te worden met het voorkomen dan wel beperken van de kans op het ontstaan van lichthinder in de breedste zin. Dit kan worden bereikt door onder andere lichthinder van wegverkeer, openbare verlichting en sportaccommodaties te beperken door de vormgeving van infrastructuur af te stemmen op de bebouwing.

TOR 2022

31

4.6

Bodem- en (grond)waterkwaliteit

4.6.1 Uitgangspunten Bij een wijziging van het gebruik van de bodem dient de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in overeenstemming te zijn met het beoogde gebruik. Bij bouwaanvragen en bestemmingsplanwijzigingen is dit geborgd in de procedure. Bij herinrichting van openbare ruimte is dit vaak minder duidelijk geregeld. Indien een terrein een gevoeligere functie krijgt (bijvoorbeeld: een weg wordt groenvoorziening of een groenvoorziening wordt speelplaats / trapveldje) is een toets op de bodemkwaliteit echter eveneens aan de orde. Voor het toepassen van steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem of in het oppervlaktewater zijn de voorwaarden uit het Besluit bodemkwaliteit, nader uitgewerkt in de nota bodembeheer, van toepassing. Via onderstaande link is nadere informatie beschikbaar m.b.t. het Besluit Bodemkwaliteit, o.a. een praktische handleiding genaamd; de handreiking Besluit Bodemkwaliteit: handreiking Besluit Bodemkwaliteit Zorgplicht Wie steenachtige bouwstoffen, grond, en bagger toepast, heeft onder alle omstandigheden een wettelijke zorgplicht. De toepasser is verantwoordelijk als in het toegepaste materiaal zichtbare, of ruikbare verontreinigingen aanwezig zijn, zoals ijzeroer, olie, asbest of ander materialen die ter plaatse niet in de bodem thuishoren. Bij twijfel moet het bevoegd gezag ingeschakeld worden.

De uitvoerder van de werkzaamheden dient maatregelen te nemen om aantasting van de bodem te voorkomen (zorgplicht art. 13 Wbb) indien er bij een werk grondverzet plaatsvindt, hetzij door tijdelijke uitplaatsing en herschikking binnen het werk, danwel door afvoer en/of aanvoer van zand of grond. De opdrachtgever voor de uitvoering van de werkzaamheden dient de uitvoeringspartijen in het kader van de Wm, Wbb en / of ARBO-wetgeving te informeren over handelingen die de bodem mogelijk nadelig kunnen beïnvloeden (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een verontreinigde verhardingslaag of de aanwezigheid van een bodemverontreiniging). Werken in en met sterk verontreinigde grond is enkel toegestaan met toestemming van het bevoegd gezag Wbb en/of Wm. Afvalstoffen Voor de afvoer van afvalstoffen, die vrijkomen bij de werkzaamheden (grond, funderingsmateriaal, cunetzand, freesasfalt), is de ontdoener (meestal de beheerder van het terrein) verantwoordelijk. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient in het kader van de Wet milieubeheer (hoofdstuk 10) voor elk van de vrijkomende materialen te worden vastgesteld of er sprake is van een afvalstof.

4.6.2 Ontwerpeisen -

De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en toe te passen materialen moet in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik.

-

De vrijkomende materialen moeten bij voorkeur zoveel mogelijk worden hergebruikt binnen het werk.

-

Het (her)ontwikkelen van locaties in relatie met de sanering van een aanwezige bodemverontreiniging (indien aanwezig) heeft de voorkeur.

TOR 2022

32

4.7

Luchtkwaliteit

4.7.1 Uitgangspunten Sinds 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in AMvB's en ministeriële regelingen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor het vaststellen of sprake is van een “niet in betekenende mate” bijdrage is een rekentool beschikbaar. Zie hiervoor: https://www.infomil.nl/onderwerpen/luchtwater/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/ Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor een bouwplan als: -

geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde

-

een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt

-

een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging

-

een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend

Het bovenstaande betekent dat voor initiatieven in Venray veelal geldt dat deze geen gevolgen zullen hebben voor de luchtkwaliteit.

TOR 2022

33

4.8

Uitvoeringseisen

4.8.1 Externe veiligheid -

Met regelmaat wordt bij bouwprojecten gebruik gemaakt van propaantanks voor verwarming en bij betonuitharding. Bij zowel de opslag in als bij het vullen van propaantanks speelt externe veiligheid een rol. Het gestelde in het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer is daarom onverkort van toepassing.

4.8.2 Geluid -

Geluid- en trillinghinder dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen. De gemeente Venray kan -indien hiertoe aanleiding bestaat- eisen stellen ter voorkoming of beperking van overlast. Dit onderwerp speelt onder meer bij sloopwerkzaamheden waarbij de eisen uit het Bouwbesluit 2012 van toepassing zijn en waarbij de gemeente de mogelijkheid om van de initiatiefnemer / veroorzaker een akoestisch onderzoek te verlangen.

4.8.3 Bodem- en (grond)waterkwaliteit Bodemonderzoek bij een aanvraag van een bouwvergunning, bestemmingsplanwijziging, of als een terrein een gevoeligere functie krijgt Er dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden in het kader van een aanvraag van een bouwvergunning of een bestemmingsplanwijziging, of als een terrein een gevoeligere functie krijgt. In dit laatste geval is een bodemonderzoek niet in de vergunningsprocedure ingebed, maar is de initiatiefnemer ervoor verantwoordelijk te bepalen of er geen ongewenste situatie ontstaat, waarbij sprake is van actuele risico’s voor mens en milieu. In eerste instantie kan een vooronderzoek conform NEN5725 worden uitgevoerd teneinde te bepalen of de locatie verdacht of onverdacht is. Op basis van dit vooronderzoek kan worden overwogen of feitelijk onderzoek noodzakelijk is. De aanwezigheid van puin of funderingsmateriaal van onbekende herkomst dient hierbij te worden beschouwd als (asbest)verdachte activiteit en derhalve is (asbest)onderzoek noodzakelijk. Het onderzoek dient te voldoen aan de NEN 5740 en/of de NEN5707/NEN5897. Bodemonderzoeken en partijkeuringen moeten worden uitgevoerd door een erkend onderzoeksbureau. De exacte voorwaarden, waaraan een bodemonderzoek moet voldoen ten behoeve van een bestemmingsplanwijzing zijn vastgelegd in de ‘Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg en het Beleidskader bodem 2010’.

De voorwaarden, waaraan een bodemonderzoek moet voldoen ten behoeve van een bouwaanvraag, zijn vastgelegd in de bouwverordening van de gemeente Venray. Het bodemonderzoek kan enkel afgegeven worden door Kwalibo erkende intermediairs Milieuhygienische verklaring bij toepassen en/of in depot zetten van steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie Het toepassen en / of in depot zetten van steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie valt onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Onder het Besluit vallen steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie die buiten een gebouw worden toegepast. Partijen steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit

TOR 2022

34

worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. De toepasser moet met een milieuhygiënische verklaring aantonen dat de bouwstoffen, grond en baggerspecie voldoen aan bepaalde samenstellings- en/of emissiewaarden. De eisen zijn afhankelijk van de plek en functie van het gebied waar de steenachtige bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast. De toepasser van een bouwstof moet de verklaring tenminste vijf jaar kunnen tonen. Een milieuhygiënische verklaring kan enkel afgegeven worden door Kwalibo erkende intermediairs. De activiteiten binnen het Besluit bodemkwaliteit waarvoor een erkenning is vereist staan vermeld in de regeling bodemkwaliteit Het tijdelijk uitplaatsen van grond (zoals bij een wegreconstructie) valt ook onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit. In dit geval moet onderbouwd worden dat er niet met (sterk) verontreinigd materiaal wordt gewerkt. Tevens wordt het tijdelijk ontgraven materiaal vaak niet op exact dezelfde locatie teruggebracht waardoor verspreiding van verontreiniging plaats zou kunnen vinden. Dit kan worden onderbouwd door middel van een vooronderzoek conform NEN 5725 aangevuld met maatwerkonderzoek.

Het is hierbij niet altijd vereist om het onderzoek uit te voeren conform de NEN5740/NEN5707/NEN5897 en het besluit bodemkwaliteit. Melden van toepassing Het voornemen van het toepassen van een bouwstof dient minstens vijf dagen voor de toepassing gedaan te worden. Melden van toepassingen van grond en baggerspecie, of steenachtige bouwstoffen kan via meldpunt bodemkwaliteit. Bij de melding moeten alle benodigde kwaliteitsgegevens toegevoegd zijn. In uitzonderingsgevallen, welke staan vermeld in het besluit bodemkwaliteit, is geen melding vereist.

TOR 2022

35

4.9

Aan te leveren gegevens

4.9.1 Bodem- en (grond)waterkwaliteit Haalbaarheidsfase Aanvraag bouwvergunning/bestemmingsplanwijziging: -

Milieuhygiënische verklaring van de bodem (minimaal niveau: actueel bodemonderzoek conform NEN5740/NEN5707, niet ouder dan 5 jaar).

Herinrichting openbare ruimte: -

Bouwstoffenbalans: Welke partijen worden hergebruikt en waar worden deze toegepast. Welke partijen worden afgevoerd? Zijn deze partijen herbruikbaar of dienen deze te worden gereinigd.

-

Milieuhygiënische verklaring van de bodem (minimaal niveau: actueel bodemonderzoek conform NEN5740/NEN5707, niet ouder dan 5 jaar).

-

Productcertificaat of asfaltonderzoek conform CROW 210 ‘Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt’ (indien er sprake is van het (tijdelijk) verwijderen van asfalt).

Realisatiefase Het toepassen van bouwstoffen (geen grond of bagger): -

Milieuhygiënische verklaring bouwstof (indien van toepassing).

Het toepassen van bouwstoffen (grond of bagger): -

Milieuhygiënische verklaring bouwstof (indien van toepassing).

Milieuhygiënische verklaring ontvangende bodem indien van toepassing: (minimaal niveau: bodemkwaliteitskaart of actueel bodemonderzoek conform NEN5740/NEN5707, niet ouder dan 5 jaar).

TOR 2022

36

5

Ecologie

TOR 2022

37

5

Ecologie

5.1

Uitgangspunten

De gemeente Venray heeft de ambitie om de biodiversiteit te vergroten en te versterken. Veel leefgebied is door ons intensieve gebruik van het land verloren gegaan. Onbedoeld heeft dit ook geleid tot een toename aan plaagdieren omdat natuurlijke vijanden er niet meer zijn en problemen met groente- en fruitteelt vanwege de afwezigheid aan natuurlijke bestuivers. Om het tij te keren willen we actief, waar mogelijk, leefgebied creëren bij allerlei ruimtelijke initiatieven, groot en klein. Een voorbeeld waarbij aandacht voor ecologie vereist is, is bij de aanleg en reconstructie van wegen in het buitengebied. De wegbermen van deze wegen kunnen worden ingericht en beheerd als ecologische wegberm, e.e.a. afhankelijk van de beschikbare ruimte en het gebruik van aangrenzende percelen. Ruimtelijke initiatieven zoals slopen en bouwen van gebouwen, wegen en waterlopen kunnen ook te maken krijgen met beschermde natuurwaarden. Het is verboden om beschermde natuurwaarden te vernietigen. Daarom is het aan te raden om voorafgaand aan het initiatief een natuurscan uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden en de effecten van het initiatief op de beschermde natuurwaarden. Deze toetssteen ecologie geeft handvatten wat er in zo’n natuurscan onderzocht moet worden. In de toetssteen zijn verwijzingen verwerkt naar relevante achtergrondinformatie.

5.1.1 Wettelijke regelgeving Natuurwaarden worden door middel van de Wet natuurbescherming beschermd. De wet kent drie beschermingsonderdelen: 1. soortenbescherming 2. gebiedsbescherming 3. bescherming houtopstanden

5.1.2 Planologische bescherming Natuurwaarden worden ook via een planologisch spoor beschermd. 1. Provinciale Omgevingsvisie 2. Omgevingsvisie Venray, Waarde Natuur en groen 3. Gemeentelijke bomenkaart en bomenlijst

5.1.3 Compensatieregeling Indien beschermde natuurwaarden negatieve effecten kunnen ondervinden van een ruimtelijk initiatief, dient deze te worden gemitigeerd of gecompenseerd. 1. Omgevingsverordening Limburg 2014 2. Beleidsregel natuurcompensatie 3. Gemeentelijke natuurcompensatieregeling 4. Uitvoeringsnota Bomen Venray (Gemeentelijke compensatie- en herplantplicht bomen)

TOR 2022

38

5.1.4 Handreikingen Er zijn tal van handreikingen, protocollen en stroomschema’s opgesteld die kunnen helpen bij het maken van de juiste keuzes om te voorkomen dat er overtredingen op beschermde natuurwaarden kunnen ontstaan. Deze opsomming is niet volledig. 1. Handreiking bij Ruimtelijke ingrepen van RVO 2. Bij12: soorten en gebieden beschermde natuur in wetgeving en beleid 3. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen

5.2

Voorwaarden

Door middel van een quickscan natuurwaarden kan worden aangetoond of het ruimtelijke initiatief negatieve effecten kan veroorzaken op beschermde natuurwaarden. De quickscan moet worden uitgevoerd door een aantoonbaar deskundige op het gebied van ecologie. Ecologische adviesbureaus, aangesloten bij het netwerk Groene Bureaus, beschikken over deze kennis. Uiteindelijk zal uit de quickscan moeten blijken of er sprake is van één of meerdere van onderstaande punten: 1. er beschermde soorten voor komen of voor kunnen komen 2. er kans is op negatieve effecten op deze beschermde soorten in de vorm van een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming 3. er negatieve effecten zijn te verwachten op instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied 4. er sprake is van kap van een areaal beschermde houtopstanden 5. er sprake is van een activiteit die niet past binnen het Provinciale Natuurnetwerk of de Groenblauwe mantel 6. er sprake is van een activiteit die niet past binnen de ter plaatse geldende bestemming in het bestemmingsplan. 7. een eventuele kap van een of meerdere bomen plaatsvindt binnen een gemeentelijk aandachtsgebied of sprake is van monumentale bomen.

ad1 en 2 In een aantal gevallen is een vervolgonderzoek nodig omdat via een quickscan niet kan worden bepaald of er daadwerkelijk beschermde soorten voorkomen. In dit geval kan het een jaar duren na het uitvoeren van de quickscan voordat duidelijk is of er negatieve effecten op kunnen treden op beschermde soorten. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetast. Voor de meeste beschermde soorten die kunnen worden aangetroffen heeft de overheid in samenwerking met soortspecialisten soortenstandaards opgesteld. Hierin staat beschreven de levenswijze van de soort, de bedreigingen en mogelijk te nemen maatregelen. Ook zijner voor bepaalde, lastig te onderzoeken soorten protocollen opgesteld waaraan een onderzoek moet voldoen. Indien uit het onderzoek blijkt dat er beschermde soorten voor kunnen komen èn er een kans is op een negatief effect op deze soort(en) moet duidelijk worden of deze negatieve effecten via een mitigatie (verzachten, reduceren van negatieve effecten) dan wel compensatie (vervangen van de vernietigde waarden) kan worden voorkomen. In deze gevallen is een ontheffing nodig van het

TOR 2022

39

bevoegd gezag de provincie Limburg. Een aanvraag heeft een tijdsduur van 13 weken met een maximale verlening van nog eens 7 weken. De provincie Limburg heeft hiervoor een Module soortenbescherming opgesteld. Voor een aantal reguliere werkzaamheden zijn door partijen gedragscodes opgesteld die door de minister zijn goedgekeurd. Dergelijke handelingen kunnen dan zonder ontheffing worden uitgevoerd, mist wordt voldaan aan de randvoorwaarden uit de gedragscode. ad3 Natura 2000-gebieden zijn gebieden die een netwerk vormen binnen de Europese Unie waarin de Europese natuur wordt beschermd. De EU heeft daarvoor richtlijnen opgesteld die de lidstaten hebben vertaald naar landelijke wetgeving. In Nederland ligt deze vertaling verankerd in de Wet natuurbescherming. Voor de Natura 2000-gebieden zijn zeer specifieke doelstellingen geformuleerd. De bescherming van deze instandhoudingsdoelstellingen staat centraal. Initiatieven die zowel binnen een Natura 2000-gebied gaan plaatsvinden als buiten (externe werking) een Natura 2000-gebied worden getoetst. Indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat er geen negatieve effecten op kunnen treden op de instandhoudingsdoelen waarvoor een Natura 2000-gebied (of meerdere gebieden) is aangewezen, dient een voortoets te worden opgesteld. Deze toets gaat verder dan een quickscan en legt de focus alleen bij de Natura 2000-doelen.

In het geval dat uit de voortoets nog niet blijkt dat er geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen kunnen optreden wordt een verslechteringstoets of een passende beoordeling opgeteld. In de passende beoordeling wordt nauwkeurig uitgezocht welke negatieve effecten te verwachten zijn op een of meerdere instandhoudingsdoelstellingen en welke mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig zijn. Ook is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. De provincie Limburg is hiervoor het bevoegd gezag. De termijn waarop de provincie een besluit op de aanvraag moet afgeven is maximaal 20 weken. ad4 In geval er een kap van minimaal 10 are of een rij van meer dan 20 bomen in het initiatief zitten kan er sprake zijn van een aantasting van beschermde houtopstanden. Hiervoor dient een kapmelding te worden gedaan waaraan een herplantplicht is gekoppeld. De provincie Limburg is bevoegd gezag. ad5 Planologische bescherming van natuurgebieden vindt op provinciale schaal plaats via het POL2014. Hier zijn de natuurgebieden onderverdeeld in een Goudgroene natuurzone, een Zilvergroene natuurzone en een Bronsgroene landschapszone. Initiatieven die binnen deze zones plaats gaan vinden mogen geen negatieve effecten op de natuurwaarden in deze gebieden. De natuurzones uit het POL2014 kennen geen externe werking.

In de provinciale omgevingsverordening is aangegeven wat wel en wat niet mag in de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone en op welke manier eventuele compensatie moet plaatsvinden. De provincie Limburg is bevoegd gezag. De provincie Limburg hanteert voor deze gebieden het nee, tenzij principe.

TOR 2022

40

ad6 Planologische bescherming van natuurgebieden vindt ook op gemeentelijke schaal plaats. De bescherming is verankerd in het bestemmingsplan. Er bestaat veel overlap in de gebieden die via het POL2014 en via het bestemmingsplan zijn beschermd. Het bestemmingsplan kent een systeem van regels. Hierin is vastgelegd wat het doel van de bestemming is, welke activiteiten mogen plaatsvinden en voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Indien een activiteit niet staat vermeld is deze verboden en kan hier ook geen omgevingsvergunning voor worden verleend. De gemeente Venray is bevoegd gezag. Indien na overleg met het bevoegd gezag wordt afgeweken van de regels kan er sprake zijn van een compensatieplicht. Dit vindt plaats in nauw overleg met het bevoegd gezag. ad7 De gemeente Venray heeft onderscheid gemaakt tussen monumentale/waardevolle bomen, aandachtsgebieden en functionele bomen. De monumentale/waardevolle bomen zijn stuk voor stuk bekend en terug te vinden op de bomenkaart. Daarnaast zijn op deze kaart aandachtsgebieden aangewezen. Voor het kappen van monumentale/waardevolle bomen of bomen in aandachtgebieden is een omgevingsvergunning nodig en geldt een compensatieplicht. Ook voor het kappen van bomen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen als bos, natuur of waardevolle houtopstand is een omgevingsvergunning nodig. Alle andere bomen zijn vergunningsvrij.

Indien sprak is van gemeentelijke bomen dan geldt te allen tijde een 1 op 1 compensatieplicht. Compensatie dient op dezelfde locatie, of in de nabijheid van de gekapte boom plaats te vinden. Indien dit aantoonbaar onmogelijk is dan dient een financiële compensatie ter waarde van herplantkosten en plantmateriaal in de voorziening bomen gestort te worden. Richtgetal waarmee gerekend kan worden bedraagt € 600,00 euro per boom (maat 18/20, prijspeil 2021).

TOR 2022

41

5.3

Aan te leveren gegevens

Indien bekend is op welke wijze en locatie een ruimtelijk initiatief gaat plaatsvinden wordt gestart met de verschillende onderzoeken. Omdat een quickscan natuur en mogelijk vervolgonderzoek vele maanden in beslag kunnen nemen en de daaruit vloeiende noodzaak tot het verkrijgen van een ontheffing of vergunningen ook veel tijd in beslag neemt wordt geadviseerd om ze snel mogelijk met het uitvoeren van de noodzakelijke onderzoeken te starten. Onderzoek zijn gebonden aan nationaal bepaalde protocollen zoals het protocol voor vleermuisonderzoek. Deze dient zowel in het voorjaar als in het najaar te worden uitgevoerd. Een adviesbureau dat behoort tot het netwerk groene bureaus weet precies op welke wijze onderzoek moet worden uitgevoerd en hoeveel tijd dit (kan) vergen. Voor een vloeiende procedure zijn, indien relevant, de volgende documenten noodzakelijk: 1. Rapport natuurwaarden / quickscan natuurwaarden Soortenbescherming 2. Vervolgonderzoek natuurwaarden 3. Ontheffingsaanvraag 4. Ontheffing van de provincie of verklaring van geen bedenkingen van de provincie 5. Bij de ontheffing behorende ecologisch werkprotocol 6. Bij de ontheffing behorende mitigatie en/of compensatieplan Gebiedenbescherming Natura 2000 7. Voortoets 8. Verslechteringstoets 9. Passende beoordeling 10. Aanvraag vergunning Wet natuurbescherming 11.

Mitigatie en compensatieplan bij vergunning Wet natuurbescherming Beschermde houtopstanden 12. Indienen kapmelding Kapvergunning gemeente Venray 13. Bomenbalans opstellen (bij grotere ruimtelijke ontwikkelingen) 14. Omgevingsvergunning

TOR 2022

42

6

Mobiliteit

TOR 2022

43

6 Mobiliteit

6.1

Algemene Uitgangspunten

Mobiliteit is niet een geïsoleerd beleidsterrein, maar speelt zich af binnen een dynamische maatschappij. Mobiliteit moet bijdragen aan een goede, maatschappelijk aanvaardbare balans tussen alle functies en activiteiten die in de maatschappij plaats vinden. Deze houding laat zich leiden vanuit de kernwaarden; Verkeersveiligheid, Bereikbaarheid, Verkeersleefbaarheid, Toegankelijkheid en Duurzaamheid. -

Het Venrayse verkeerssysteem is opgebouwd en ingericht vanuit vijf centrale principes van Duurzaam Veilig.

-

Alle wegen binnen de gemeente Venray zijn ingedeeld in een wegcategorie volgens de door de gemeente vastgestelde wegcategorisering (zie par.5.2). Deze wegcategorieën zijn een afgeleide van de verschillende verkeersnetwerken die Venray kent:

-

-

Fiets

-

Voetganger

-

Personenauto

-

Vrachtverkeer

-

Landbouwverkeer

-

Georganiseerd verkeer

Binnen de gemeente Venray wordt jaarlijks op een aantal specifieke locaties de hoeveelheid gemotoriseerd verkeer gemeten. Deze informatie is openbaar beschikbaar via de telpuntenkaart van de gemeente.

6.1.1 Wettelijke regelgeving -

Wegenverkeerswet 1994

-

Wegenwet 1930

-

Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

-

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)

6.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -

Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 Uitgangspunten Netwerken Infrastructuur en Verkeer 2019 Mobiliteitsvisie Trendsportal

-

Omgevingsvisie Venray, thema bereikbaarheid

-

Beleidslijn verkeersveilige schoolomgeving

-

Beleidslijn uniforme bediening dynamische wegafsluitingen 2014

-

Beleidsnota Parkeernormen Venray

-

Parkeerbeleidsplan 2011-2020

-

Beleidsplan OVL Venray 2017-2021

-

Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid, vastgesteld in B&W 16 april 2018

TOR 2022

44

6.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -

Ontwerpprincipes Openbare Ruimte (OOR)

-

Alle CROW publicaties

-

CROW 165 “Hulpdiensten snel op weg”

-

NEN 2443 voor parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en garages

-

ROVL 2011

-

Bordenboek VNVF

6.2

Wegcategorisering

De wegcategorie wordt bepaald aan de hand van de verschillende verkeersnetwerken (zie Bijlage 2) waar de betreffende weg onderdeel van uit maakt. De bijbehorende inrichting van de verschillende wegcategorieën en eventuele subcategorieën is visueel uitgewerkt in de Ontwerpprincipes Openbare Ruimte (OOR) (zie Bijlage 1). De OOR voorziet ook in een aantal algemene ontwerpelementen zoals o.a. kruispunten, civieltechnische details, parkeervoorzieningen en bushaltes. Deze vormen het uitgangspunt voor elk verkeerstechnisch ontwerp in de openbare ruimte.

6.2.1 Verkeersgebied Binnen het gemeentelijke wegennet kennen we wegen met voornamelijk een verblijfskarakter en wegen met voornamelijk een verkeerskarakter. In onderstaande tabel staan de belangrijkste eigenschappen van de verschillende wegcategorieën omschreven welke voornamelijk een verkeerskarakter kennen:

TOR 2022

45

Tabel 1 Kenmerken wegen verkeersgebied Wijkontsluitingsweg (WOW-50) -

De wijkontsluitingsweg komt alleen binnen de bebouwde kom voor. De belangrijkste functie is om te zorgen voor een goede en vlotte verkeersdoorstroming maar daarnaast is de verblijfsfunctie nadrukkelijk aanwezig.

-

De weg heeft één rijbaan verdeeld in rode suggestiestroken en een rijloper voor autoverkeer. De maximumsnelheid is 50km/h. Daar waar bijvoorbeeld veel parkeerhinder kan worden verwacht bestaat de mogelijkheid om fietsstroken te realiseren ipv rode suggestiestroken.

-

Parkeren direct aan de rijbaan is alleen acceptabel in de vorm van langsparkeren

Gebiedsontsluitingsweg (GOW-50) -

Gebiedsontsluitingswegen zorgen voor de hoofdontsluiting van Venray en kennen daarom een goede en vlotte verkeersafwikkeling.

-

Vormgeving en weginrichting zijn hierop afgestemd met binnen de kom één hoofdrijbaan die met een dubbele doorgetrokken asstreep is opgedeeld in twee rijstroken.

-

Voor fietsers wordt een separaat fietspad of een parallelstructuur aangelegd en bromfietsers volgen in principe de hoofdrijbaan.

-

Parkeren aan de rijbaan, maar ook particuliere uitritten direct op de rijbaan zijn vanwege de gewenste vlotte verkeersdoorstroming in principe niet toegestaan. Hiertoe dient te worden voorzien in een parallelstructuur.

Dorpsverbindingsweg (DVW-60) -

De dorpsverbindingsweg (DVW) is een beetje een vreemde eend in de bijt. Dorpsverbindingswegen zijn wegen die de verbinding tussen kerkdorpen en Venray onderling vormen en de dorpen ontsluiten van en naar de grote doorgaande wegen. Deze wegen worden daarnaast ook vaak gebruikt door buslijnen en regionaal georiënteerd vrachtverkeer. Op deze wegen is dus sprake van bundeling van verkeerstromen voor de wat langere afstand met een hogere snelheid. Vanuit die optiek wordt deze wegfunctie

TOR 2022

46

gerekend tot het verkeersgebied in tegenstelling tot de overige wegen met een 60km/u snelheidsregime. -

Aangezien een DVW-60 in de onderlinge hiërarchie een hogere plek inneemt tov de overige wegen met een snelheidsregime van 60km/u, geniet een DVW-60 altijd de voorrang ten opzichte van een ETW-60.

-

Zo’n weg in het buitengebied kent een belangrijke functie voor fietsers. In beginsel moet gedacht worden aan vrijliggende fietspaden. Als vanwege ruimte- en/of tijdsgebrek vrijliggende fietspaden niet haalbaar blijken of als het aandeel fietsers plaatselijk laag is, kan worden gekozen voor de realisatie van rode suggestiestroken.

Gebiedsontsluitingsweg (GOW-80) -

Gebiedsontsluitingswegen buiten de kom zorgen voor de ontsluiting van Venray naar omliggende gebieden en kennen daarom een goede en vlotte verkeersafwikkeling waar de weginrichting op is afgestemd.

-

Dit wegtype kent buiten de kom één hoofdrijbaan voor het autoverkeer die met een dubbele doorgetrokken asstreep is verdeeld in twee rijstroken. Wanneer landbouwverkeer de hoofdrijbaan gebruikt, is de asstreep wél onderbroken.

-

Voor (brom)fietsers zijn aparte voorzieningen in de vorm van een fietspad of een parallelweg.

-

De maximumsnelheid is 80km/h.

-

Parkeren of particuliere inritten direct aan een GOW-80 zijn vanwege de vereiste goede en vlotte verkeersdoorstroming onacceptabel.

6.2.2 Verblijfsgebied Binnen het gemeentelijke wegennet kennen we wegen met voornamelijk een verblijfskarakter en wegen met voornamelijk een verkeerskarakter. Wegen met een verblijfskarakter kennen minder strenge inrichtingseisen omdat in verblijfsgebieden de stedenbouwkundige opzet bepalender is en bijvoorbeeld uniformiteit geen vereiste is. Een verblijfsgebied is juist herkenbaar aan het ontbreken van uniformiteit en menging van verkeersstromen en soorten verkeersdeelnemers, hetgeen op velerlei wijzen gerealiseerd kan worden. Onderstaand de ontwerpuitgangspunten voor de verschillende wegcategorieën met voornamelijk een verblijfskarakter. Erftoegangsweg (ETW-30) ETW-30: WONEN/ SCHOOLOMGEVING -

De erftoegangsweg, de laagste categorie binnen de wegcategorisering, is ingericht op verblijven en kent per definitie menging van verkeerssoorten.

-

Parkeren kan in parkeervakken maar ook op de rijbaan. Binnen een schoolzone is haaks parkeren in principe ongewenst vanwege de achteruitrijd beweging.

-

Maatregelen binnen een schoolzone zijn locatiespecifiek en gericht op een situatie waar met name kleine kinderen zich verkeersveilig in kunnen begeven.

ETW-30: WONEN/BEVOORRADING -

Een ETW-30 kan in de nabijheid van een winkelcentrum liggen. Vanwege de aanwezigheid van bevoorradend vrachtverkeer mag worden uitgegaan van een bredere rijloper, ruimere boogstralen en een gesloten verhardingssoort. Verder is er terughoudendheid gewenst bij het toepassen van drempels en plateaus.

TOR 2022

47

-

De stedenbouwkundige opzet is zodanig dat er geen achteruitrijdbewegingen door vrachtverkeer benodigd zijn, tenzij dit volledig buiten alle andere verkeersstromen om kan geschieden.

ETW-30: INDUSTRIE -

Vanwege de aanwezigheid van vrachtverkeer moet worden uitgegaan van een bredere rijbaan (> 6,0m < 7,0m), ruimere boogstralen (minimaal R=15,0m) tpv kruisingen en een gesloten verhardingssoort. Verder is er terughoudendheid gewenst bij het toepassen van drempels en plateaus.

-

De stedenbouwkundige opzet is zodanig dat er geen achteruitrijdbewegingen door vrachtverkeer benodigd zijn, tenzij dit volledig buiten alle andere verkeersstromen om kan geschieden.

-

Op industrieterreinen wordt niet voorzien in openbare parkeergelegenheden, parkeren en stallen van voertuigen geschiedt op eigen terrein.

-

Om de leefbaarheid op industrieterreinen te vergroten en lichamelijke beweging te stimuleren moet in alle gevallen worden overwogen “struinpaden” aan te leggen in de wegbermen/groenstroken.

Erftoegangsweg (ETW-60) Met uitzondering van de grote doorgaande wegen zijn alle wegen in het buitengebied aangewezen als verblijfsgebied. Dergelijke wegen zijn ingericht op verblijven en kennen om die reden menging van verkeerssoorten. Binnen het verblijfsgebied is er toch wel enige hiërarchie te herkennen. ETW-60: STANDAARD PROFIEL -

Het ETW60 Standaard profiel kent twee subcategorieën; Het standaard profiel met kantstroken (verhardingsbreedte 4,0 – 5,0m) en het standaardprofiel met suggestiestroken (verhardingsbreedte 5,0 – 6,0m). Het aandeel fietsers icm met de verkeersintensiteit en verkeerssamenstelling bepaald de keuze tussen de twee subcategorieën en de exacte verhardingsbreedte binnen de twee subcategorieën.

-

Als het gaat om een busroute of een route met relatief veel vrachtverkeer / agrarisch verkeer wordt als uitgangspunt het standaardprofiel met suggestiestroken gehanteerd.

ETW-60: SMAL PROFIEL -

De wegen in de haarvaten van het buitengebied hebben het ETW60 Smal profiel.

-

Dit profiel kent een maximale verhardingsbreedte van 4,0m zonder toepassing van wegmarkering. Ook onverharde en halfverharde wegen vallen binnen deze wegcategorie, waarmee de eerste ontwerpafweging is of de betreffende weg van verharding, halverharding of geen verharding dient te worden voorzien.

TOR 2022

48

6.2.3 Kruispunten De volgende tabel geeft de voorgeschreven kruispuntoplossing van de verschillende kruisingsmogelijkheden tussen de verschillende wegcategorieën weer. DVW

GOW

WOW

ETW

Ongelijkwaardige kruising

DVW

Ongelijkwaardig

(eventueel icm

verkeersplateau of

middengeleiders en/of

rotonde*

verkeersplateau) of

nvt

Ongelijkwaardig verkeersplateau

rotonde Uitritconstructie* of ongelijkvloerse kruising,

GOW

VRI of rotonde*

VRI of rotonde

ongelijkwaardige kruising* met terugliggende snelheidsremmer op ETW

Ongelijkwaardig

WOW

verkeersplateau of rotonde*

ETW

Ongelijkwaardige kruising (eventueel icm verkeersplateau) of uitritconstructie Visuele maatregel of verkeersplateau

Tabel 2 Ontwerpuitgangspunten kruising per wegcategorie

Bijzonderheden * -

Binnen de bebouwde kom genieten fietsers en voetgangers die de rotonde volgen voorrang op de auto terwijl dit buiten de bebouwde kom net andersom is.

-

Op en nabij bedrijventerreinen maar ook in het buitengebied worden geen uitritconstructies

-

Uitritconstructies thv kruisingen tussen ETW en GOW alleen binnen de kom toepassen als

toegepast, omdat deze voor vracht- en landbouwverkeer vaak erg oncomfortabel zijn. er een reële zorg of aantoonbaar sprake is van sluipverkeer door de betreffende ETW. -

Bij toepassing ongelijkwaardige kruising GOW – ETW, hoofdrijbaan voorzien van middengeleider zodat fietsers en voetgangers in twee fase kunnen oversteken.

TOR 2022

49

6.3

Verkeerscirculatie

6.3.1 Uitgangspunten -

Bij ruimtelijke ontwikkelingen als een woonwijk of industrieterrein minimaal twee externe ontsluitingen t.b.v. het plangebied. Slechts één ontsluitingsmogelijkheid is niet robuust genoeg, denk hierbij bijvoorbeeld aan een mogelijke calamiteit waardoor een hele wijk onbereikbaar kan worden bij slechts één ontsluitingsmogelijkheid.

-

Geen éénrichtingsverkeer voorstellen bij nieuwe aanleg. Eénrichtingsverkeer geeft een beperking van de bewegingsvrijheid en kent negatieve bijverschijnselen als

-

snelheidsverhogende en attentieverlagende effecten. Geen doodlopende wegen creëren en/of realiseren.

6.3.2 Afsluiten van wegen en éénrichtingsverkeer Uitgangspunt is dat wegen niet worden afgesloten zonder een totaalplan voor de verkeerscirculatie en de weginrichting waaruit blijkt dat de problematiek substantieel verbeterd, er geen onacceptabele effecten elders zijn en er geen andere maatregelen mogelijk zijn. Dit uitgangspunt geldt ongeacht of het een wegafsluiting betreft voor alle verkeer, voor bepaalde verkeersdeelnemers of in één bepaalde richting. In geval van voorstellen voor éénrichtingverkeer, geldt als uitgangspunt dat fietsers hier standaard van worden uitgezonderd en bromfietsers alleen als er sprake is van een onaanvaardbare omrijafstand

6.3.3 Bewegwijzering en bebording Bij aanpassingen aan de verkeersruimte dient de bewegwijzering binnen en buiten de plangrenzen te worden bezien, opdat de continuïteit van het totale systeem gewaarborgd blijft. Denk hierbij ook aan de verwijzingen mbt de bedrijvennummering.

6.3.4 Omleidingsroutes Omleidingsroutes leiden het verkeer tijdelijk om via het verkeersgebied. Verwijzen via erftoegangswegen (verblijfsgebied) kan alleen wanneer acceptabele alternatieven ontbreken of als de te verwijzen bestemming in het verblijfsgebied ligt. Vrachtverkeer van en naar bedrijventerreinen wordt altijd buiten woonbebouwing om verwezen.

TOR 2022

50

6.4

Weginrichting

6.4.1 Uitgangspunten -

De weginrichting moet de weggebruiker duidelijk maken wat de bedoeling is

-

De weginrichting moet resulteren in een goed beheerbare situatie

-

Weginrichting volgens OOR (zie bijlage 1 Ontwerpprincipes Openbare Ruimte).

6.4.2 Schoolzones Rondom een basisschool wordt een schoolzone ingesteld, aangeduid met “schoolzone” markering en bebording. De grootte van de schoolzone is zodanig dat verkeer dat zich binnen de schoolzone bevindt, het schoolgebouw en/of de schooluitgangen kan waarnemen. Binnen een schoolzone, nabij de school in- en uitgangen, mogen geen haakse parkeervakken worden aangelegd. Een zebra is afhankelijk van de situatie denkbaar. Alle andere maatregelen zijn locatie specifiek en gericht op een situatie waar met name kleine kinderen zich verkeersveilig in kunnen begeven.

6.4.3 Fietsstraten Een fietsstraat is een inrichtingsvorm voor een straat, waarop (minimaal) twee functies gecombineerd moeten worden. Enerzijds een doorgaande functie voor het fietsverkeer (hoofdfietsroute, snelle fietsroutes) en anderzijds een erftoegangsfunctie voor het autoverkeer (ETW). Het kan daarbij gaan om een hoofdfietsroute door een woonwijk, een hoofdfietsroute op een parallelweg of een hoofdfietsroute door een winkelstraat. De inrichting moet daarnaast het gevoel geven dat gemotoriseerd verkeer ondergeschikt is aan het aanwezige fietsverkeer Om die reden zijn achteruitrijbewegingen in een fietsstraat ongewenst ivm fietsveiligheid en om die reden zijn haakse parkeervakken direct grenzend aan een fietsstraat niet toegestaan.

6.4.4 VOP’s (Voetgangers Oversteek Plaatsen oftewel zebrapaden) VOP’s bieden voetgangers een oversteekmogelijkheid door bewust in te grijpen in de voorrang. Dit leidt helaas niet altijd tot meer veiligheid als automobilisten de regels rondom zebrapaden niet respecteren en overstekende voetgangers geen voorrang verlenen. Dergelijk gedrag is echter geen reden VOP’s niet meer toe te passen. De gemeente voert daarom een terughoudend beleid met het toepassen van VOP’s om te voorkomen dat ongebreideld toepassen ervan, de geloofwaardigheid van de maatregel aantast. -

Op gebiedsontsluitingswegen worden geen VOP’s toegepast. De stroomfunctie voor het gemotoriseerd verkeer staat voorop en ingrijpen in de voorrang met behulp van een zebrapad is daar strijdig mee. Een uitzondering hier op zijn de rotondes.

-

Op wijkontsluitingswegen kan het zinvol zijn om ten gunste van de voetganger in te grijpen in de verkeersafwikkeling, maar dan alleen nabij bushaltes, scholen en winkelcentra. Een VOP wordt dan altijd aangelegd in combinatie met een verkeersplateau

-

Op erftoegangswegen worden geen VOP’s toegepast, de verblijfsfunctie veronderstelt gelijkwaardigheid terwijl een VOP hiermee in tegenspraak is. Alleen nabij een winkelgebied, een bushalte of binnen een schoolzone is op een erftoegangsweg een VOP mogelijk.

TOR 2022

51

6.4.5 Snelheidsremmers Fysieke snelheidsremmers worden met terughoudendheid toegepast, want weginrichting en/of wegverloop dienen zodanig te zijn dat op een natuurlijke manier het gewenste verkeersgedrag, waaronder ook de gereden snelheid, wordt verkregen. In beginsel worden verticale snelheidsremmers alleen overwogen in de volgende situaties: -

bij kruispunten tussen wegen.

-

bij veranderingen in de maximumsnelheid zoals op de overgangen tussen verkeersgebied en verblijfsgebied en bij de grenzen van de bebouwde kom.

-

in de directe nabijheid van scholen, winkelcentra, voorzieningen voor ouderen, bushaltes en fietsoversteken.

-

bij VOP’s (behalve tpv rotondes).

In beginsel worden horizontale snelheidsremmers alleen overwogen in de volgende situaties: -

bij kruispunten tussen wegen.

-

bij veranderingen in de maximumsnelheid zoals op de overgangen tussen verkeersgebied en verblijfsgebied en bij de grenzen van de bebouwde kom.

-

op lijnbusroutes als alternatief voor een verticale snelheidsremmer.

-

bij (potentiele) trillingshinder als alternatief voor een verticale snelheidsremmer.

6.4.6 Inritten -

Inritten zijn toegangen vanaf de openbare weg tot particuliere percelen waarvoor een vergunning benodigd is

-

De gemeente Venray maakt qua beheer onderscheid tussen inritten die de openbare weg rechtstreeks verbinden met een particulier perceel en uitritten die ook nog een fietspad of voetpad doorkruisen. 

Geen voetpad of fietspad aanwezig in wegprofiel o

De gehele inrit tussen erfgrens en openbare weg komt in beheer bij de eigenaar van het te ontsluiten perceel.

Voetpad en/of fietspad aanwezig in wegprofiel o

Het deel van de inrit vanaf erfgrens tot aan voetpad of fietspad komt in beheer bij de eigenaar van het te ontsluiten perceel. Het deel vanaf voetpad of fietspad tot aan de openbare weg komt in beheer bij de gemeente.

TOR 2022

52

6.5

Parkeren

6.5.1 Uitgangspunten Het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de ‘Beleidsnota Parkeernormen Venray’. In deze beleidsnota zijn de parkeerkencijfers van het CROW vertaald naar parkeernormen voor de Gemeente Venray. De normen staan weergegeven in bijlage 3 van de Beleidsnota. In de beleidsnota staan verder de uitgangspunten en toepassingsregels mbt parkeren. Een korte samenvatting van de uitgangspunten en toepassingsregels staat hieronder weergegeven: -

De ligging van een gebied bepaalt mede de parkeernorm. De gemeente Venray is daarom ingedeeld in stedelijke zones: 1. Centrum: het gebied binnen de binnenring met uitzondering van het woongebied direct ten noorden van het centrum. 2. Schil/overloopgebied: het gebied tussen de binnenring en de buitenring inclusief het woongebied ten noorden van het centrum. 3. Rest bebouwde kom, kerkdorpen en buitengebied: alle overige niet onder 1 en 2 genoemde gebieden.

Figuur 1 Stedelijke zones parkeren

TOR 2022

53

-

Bouwplannen dienen in eigen parkeerbehoefte te voorzien.

-

Garages tellen niet mee in de parkeerbalans. Particuliere opritten dienen minimaal 5,0m diep te zijn en worden als één parkeerplaats gezien, tenzij deze minimaal 4,50 meter breed zijn. Dan mag er met twee parkeerplaatsen worden gerekend.

-

Indien parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd, zijn ze na overdracht aan de gemeente openbaar, en hebben daarna geen formele relatie meer met het oorspronkelijke initiatief.

-

De gemeente is vrij na overdracht een parkeermaatregel zoals betaald parkeren, vergunninghoudersparkeren of parkeerschijfzone in te voeren.

6.5.2 Ontwerpeisen -

Vormgeving parkeerplaatsen volgens OOR (zie bijlage 1 Ontwerpprincipes Openbare Ruimte).

-

Vormgeving parkeer-/stallinggarages volgens NEN 2443 .

-

Situering, vormgeving, kwaliteit en gebruik moet zodanig zijn ingevuld dat het risico op toekomstige parkeerproblemen dan wel verschuiving ervan naar buiten het plangebied en/of de openbare weg, niet aanwezig is dan wel binnen het plan is te ondervangen.

TOR 2022

54

6.6

Hulpdiensten

6.6.1 Uitgangspunten Bij de aanleg van infrastructuur is het van essentieel belang dat de verschillende hulpdiensten snel ter plekke kunnen geraken en ter plekke snel en effectief kunnen handelen tbv de veiligheid en gemoedsrust van de burgers van Venray. Alle hulpdiensten zijn daar in natuurlijk even belangrijk, maar voor het ontwerp van de openbare ruimte zijn de eisen vanuit de brandweer vaak maatgevend. Voldoende bluswater en een goede bereikbaarheid bij brand zijn bijvoorbeeld belangrijk voor een goede bestrijding van de brand. Op basis van de Wet veiligheidsregio’s ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij gemeenten. Het is van belang dat deze aspecten in een vroeg stadium worden meegenomen binnen de planvorming, aangezien er sprake kan zijn van beeldbepalende en kostenverhogende gevolgen die van invloed zijn op de haalbaarheid van het betreffende initiatief.

6.6.2 Ontwerpeisen Algemeen Wegenstructuur -

Het is een vereiste, dat een industrieterrein of woonwijk vanuit ten minste twee windrichtingen bereikbaar is voor nood- en hulpdiensten. Deze aanrijroutes moeten via het plangebied met elkaar in verbinding staan.

-

Indien het instellen van éénrichtingsverkeer en/of het afsluiten van een doorgaande weg onderdeel is van de planvorming én door de gemeente als zodanig is geaccordeerd, dan dient initiatiefnemer zelf overleg te plegen met de betrokken hulpdiensten.

-

Bij de ontwikkeling van een gebied tot industrieterrein of woonwijk moet de afstand van het gebied tot de (dichtstbijzijnde) brandweerkazerne alsook de verkeersbelemmeringen in de aanrijroutes in de planvorming meegenomen worden.

Weginrichting -

Calamiteitenontsluitingen kunnen worden afgesloten voor gemotoriseerd verkeer middels een wegneembare paal die weg te nemen is mbv een driekantsleutel.

-

De wegen moeten in het belang van een goede bereikbaarheid voor brandweermaterieel worden aangelegd met een gegarandeerde doorrijdbreedte van minimaal 3,5 meter. Zie onderstaande afbeelding voor overige eisen ontwerpvoertuig brandweer.

Figuur 2 Ontwerpvoertuig branpolance

TOR 2022

55

-

Op erftoegangswegen, ontsluitingswegen en calamiteitenroutes mogen wegneembare obstakels zoals klappaaltjes alleen worden aangebracht in overleg met en na goedkeuring van de hulpverlenende diensten.

-

Indien er hemelwater in de bodem wordt geïnfiltreerd met behulp van krattensystemen, dan moeten deze voorzieningen de maximale verkeersklasse kunnen dragen of men dient het fysiek onmogelijk te maken dat er voertuigen bovenop die voorzieningen kunnen worden geplaatst.

Industrieterreinen/bedrijfscomplex Verkeersontsluiting -

Doodlopende wegen, geen uitrit zijnde, zijn op een industrieterrein/bedrijfscomplex niet aanvaardbaar. Er dient minimaal te worden voorzien in een keerlus met een minimale diameter van 24,0m. icm een separate calamiteitenontsluiting.

-

Om de bereikbaarheid van bedrijfsgebouwen en andere objecten voor brandweervoertuigen te waarborgen is er ten minste een 3,5m vrije strook en een doorrijhoogte van 4,2m noodzakelijk.

-

Wanneer een pand vanwege de inzetdiepte aan meerdere zijden bereikbaar moet zijn voor brandweervoertuigen, dan zullen de draaicirkels ter hoogte van de hoeken van het gebouw zodanig moeten zijn dat een brandweervoertuig (tankautospuit) de bocht kan nemen.

Blusvoorziening -

De primaire bluswatervoorziening op de waterleiding is voor de dekking van industrieterreinen in het algemeen onvoldoende. Daarom dienen er adequate secundaire bluswatervoorzieningen te worden aangelegd. De uitvoering (zoals brandputten, bluswatervijvers en dergelijke) alsook de locaties zullen nader bepaald moeten worden in overleg met de brandweer.

Opstelplaats -

Ter plaatse van bouwwerken/objecten en/of een bluswaterwinplaats dient voor een tankautospuit een opstelplaats met een breedte van minimaal l x b = 10m. x 4m. beschikbaar te zijn.

-

Ter plaatse van gevoelige bouwwerken/objecten en/of een bluswaterwinplaats dient voor een redvoertuig (autoladder of hoogwerker) een opstelplaats met een breedte van minimaal l x b = 10m. x 5m. beschikbaar te zijn. Dit zowel op straatniveau waar zich het stempelvlak bevindt, als ook op ca. 2,5m hoogte, teneinde een vrije draaicirkel van het redvoertuig te waarborgen.

6.6.3 Uitvoeringseisen -

Er moet ten allen tijde ten minste één vrije rijstrook voor de brandweer beschikbaar blijven. Een weg behoort tot het industrieterrein of woonwijk, wanneer vanaf die weg de percelen rechtstreeks bereikbaar zijn.

-

Een werkvak in een woonstraat mag niet langer zijn dan 80m. om de bereikbaarheid van een bouwwerk/object in geval van een calamiteit te kunnen garanderen. Eventuele gevoelige objecten dienen in kaart te worden gebracht om te kunnen bepalen wat in die gevallen de maximale lengte/grootte van het werkvak is.

-

Alle voorzieningen ten behoeve van de brandveiligheid moeten operationeel zijn op het moment dat een gebouw/object in gebruik gesteld wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16859779/1