CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding - regels en toelichting

Commissie Wonen 18 november 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b “150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venray”.20.097 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 44 van 81

De omgevingsverordening stelt regels die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. De omgevingsverordening regelt de onderwerpen waarvan de juridische doorwerking en borging in de ruimtelijke plannen van gemeenten noodzakelijk is. In de omgevingsverordening is niets specifiek voor de aanleg van ondergrondse hoogspanningsverbindingen geregeld. Het initiatiefgebied is in de omgevingsverordening grotendeels aangewezen als landelijk gebied. Er zijn activiteiten verboden die de kenmerken en waarden van deze gebieden aantasten. Effecten op de natuur en omgeving zijn beschreven in paragraaf 4.3, hierin wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de omgevingsverordening. Relatie met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan De voorliggende wijziging van het omgevingsplan is niet in strijd met en voldoet aan de regels in de Omgevingsverordening Limburg 2024.

3.3

Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie Venray 2030 De toekomstvisie Venray 2030 is tot stand gekomen op basis van inbreng van ruim 1.500 inwoners van Venray. In de toekomstvisie Venray voor 2030 staan 5 ambities centraal: 1. De kracht van verscheidenheid In 2030 is er ruimte voor iedereen en wijkt Venray niet voor taboes en uitdagingen. Inwoners, hun netwerken, culturen en voorzieningen zijn met elkaar verbonden, zodat iedereen kan meedoen. In Venray is altijd wat te beleven met verscheidene evenementen. 2. Groen en sociaal wonen Alle inwoners kunnen de komende tien jaar in Venray voor elke levensfase een passende woning vinden. De mismatch tussen inwoners en het woningaanbod is verleden tijd en er is een gedifferentieerd aanbod aan woningtypes en woonmilieus. Dit draagt bij aan een sociaal krachtige naaste omgeving. Waarin, ook in de bebouwde omgeving, volop groen aanwezig is. 3. Nieuwe economische kansen Ondernemerschap gaat hand in hand met aandacht voor mens, dier en milieu. Agro, zorg, de maakindustrie en logistiek innoveren en genereren banen voor toekomstige generaties. Venray streeft naar een landelijk gebied waar agrarische bedrijven vooroplopen in duurzaamheid. Ook de maakindustrie en de logistieke sector moeten ervoor zorgen dat mensen en goederen op een groene manier van A naar B kunnen. 4.

Kennis, creativiteit en vernieuwing stroomt In de digitale en geautomatiseerde economie van 2030 is de beroepsbevolking kleiner en de vraag naar hoogopgeleide kenniswerkers groter, zo is de verwachting. Een leven lang leren is noodzakelijk geworden. Daarom creëren we netwerken die leiden tot nog meer kennisdeling, creativiteit en vernieuwing tussen bedrijven, (onder)wijsinstellingen, inwoners en overheid. 5. Iedereen mobiel Iedereen kan meedoen in de toekomst. Ook de inwoners met een kleine portemonnee. De bereikbaarheid van Venray is sterk verbeterd, met nieuwe manieren van vervoer en een verbeterde fietsinfrastructuur. Ook heeft Venray belangrijke stappen gezet in de energietransitie. Relatie met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan Het initiatief sluit aan bij de vijfde ambitie van de gemeente Venray 'iedereen mobiel'. Binnen deze ambitie worden doelstellingen gesteld om stappen te zetten in de energietransitie. Het initiatief draagt bij aan het mogelijk maken van de energietransitie door de capaciteit van het energienetwerk te vergroten. Daarmee sluit het initiatief aan op de Toekomstvisie. Energiestrategie 2030 De gemeente Venray heeft in 2023 de Energiestrategie 2030 vastgesteld. Doel van het kader is om handelingsperspectief te geven aan initiatiefnemers, gemeente, inwoners en overige

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 45 van 81

belanghebbenden. Daarbij ligt de nadruk op landschappelijke en ruimtelijke inpassing. De energiestrategie 2030 is een herijking van het 'Kader opwekking duurzame energie' (KODE). De KODE richt zich binnen het brede thema duurzaamheid op het onderdeel energietransitie en daarbinnen specifiek op de lokale opwekking van duurzame energie. Denk hierbij aan zonne-energie, windenergie, warmtebronnen en biomassa. De energiestrategie gaat tevens in op batterijopslag en groene waterstof. Relatie met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan Om de capaciteit en vraag in energie te vergroten dient het hoogspanningsnet richting gemeente Venray te worden uitgebreid. Middels de voorliggende wijziging van het omgevingsplan, wordt een ondergrondse 150kV hoogspanningsverbinding gerealiseerd, waarmee het net wordt uitgebreid.Het initiatief sluit hierbij aan op de gemeentelijke ambities en faciliteert bij het behalen van de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Omgevingsvisie In de omgevingsvisie laat de gemeente zien welke uitdagingen ze hebben en waar ze naartoe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: onze Toekomstvisie 2030 ‘Venray loopt voorop’. De belangrijke waarden van Venray willen ze beschermen en versterken. De aankomende jaren zetten ze zichzelf hiervoor in.

Ze houden daarbij rekening met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. De voorgenomen ondergrondse hoogspanningsverbinding bevindt zich in de gemeente Venray in het agrarisch gebied. De volgende thema's van de omgevingsvisie zijn hierbij van belang: milieu, duurzaamheid en water en bodem. De onderwerpen milieu en water en bodem worden behandeld in hoofdstuk 4. Duurzaamheid gaat over het leefbaar houden van de aarde op de langere termijn. Denk hierbij aan de klimaatverandering die optreedt en de uitputting van de grondstoffen van de aarde. Venray zet in op: het afremmen van de klimaatverandering door het gebruik van fossiele energiebronnen in te ruilen voor schone energiebronnen. Hierdoor stoten ze minder koolstofdioxide (CO2), een belangrijk broeikasgas, uit in de atmosfeer. Daarnaast kunnen ze zichzelf ook weerbaarder maken tegen de gevolgen van de opwarming van de aarde, zoals het extremere weer. Relatie met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan Het initiatief is in lijn met de omgevingsvisie, omdat het bijdraagt aan de energietransitie. De hoogspanningsverbinding zal middels de voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 46 van 81

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1

Inleiding

Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de verschillende onderzoeken die zijn uitgevoerd. Daarmee wordt in dit hoofdstuk beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zoals artikel 4.2, eerste lid van de Omgevingswet voorschrijft. Uitvoering onderzoeken Om tot een gedegen planontwikkeling te komen, zijn middels diverse onderzoeken de effecten van het initiatief op het gebied inzichtelijk gemaakt. In de periode vanaf mei 2022 tot september 2022 zijn de veldonderzoeken voor de kabelverbinding uitgevoerd. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 zijn de onderzoeken waar nodig geüpdatet. Tevens is beoordeeld of de onderzoeken nog alomvattend waren, vanwege de verandering van het initiatief van de realisatie van één naar twee circuits. Figuur 4.1 geeft de situatie aan met twee circuits. De resultaten van de onderzoeken zijn verwerkt in de verschillende onderzoeksrapporten die als bijlage aan deze wijziging van het omgevingsplan zijn toegevoegd.

Figuur 4.1: Circuittekening met belemmeringsstrook Aanpassingen onderzoek van één naar twee circuits De uitgevoerde grondboringen voor de veldonderzoeken zijn uitgevoerd op de hartlijn van het oorspronkelijk enkele circuit. Het ecologische onderzoek is uitgevoerd voor de gehele werkstrook met extra buffer van 30 meter daarbuiten voor het enkele circuit. De verbreding van de belemmerende strook en ontgraving zijn binnen de perceelsgrenzen en dus binnen de onderzochte strook. Figuur 4.2 geeft een grondboring weer die op de oorspronkelijke hartlijn is verricht ten opzichte van de nieuwe hartlijn en dus binnen de belemmerende strook.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 47 van 81

Figuur 4.2: Grondboring oorspronkelijke hartlijn en de nieuwe hartlijn en hierdoor dus binnen de belemmerende strook. De verbreding van de belemmerende strook en ontgraving vinden plaats op hetzelfde perceel en landgebruik. Derhalve wordt aangenomen dat de onderzoeksresultaten ter plaatse van de hartlijn voor ene enkel circuit representatief zijn voor de bredere strook voor twee circuits.

4.2

Archeologie en cultuurhistorie

4.2.1

Kader

Archeologie speelt een belangrijke rol in het omgevingsplan onder de Omgevingswet. Het doel is om het cultureel erfgoed te beschermen en te behouden en archeologisch waardevolle gebieden te identificeren en te beheren. Hierbij wordt rekening gehouden met de belangen van zowel de ruimtelijke ontwikkeling als de wetenschappelijke waarde van archeologische vondsten. Door middel van archeologisch onderzoek en passende maatregelen wordt gestreefd naar een zorgvuldige integratie van archeologie in het ruimtelijk beleid, met oog voor de historische en culturele waarden van het gebied. De Erfgoedwet en de Omgevingswet regelen de omgang met het archeologisch erfgoed. Uitgangspunt van de wetgeving is om het archeologisch erfgoed zoveel mogelijk ter plekke te bewaren en beheermaatregelen te nemen om dit te bewerkstelligen. Op grond van deze wetten worden gemeenten verantwoordelijk geacht voor de bescherming van archeologische waarden. 4.2.2

Onderzoeksresultaten

In het initiatiefgebied zijn geen bekende archeologische waarden aanwezig. Op basis van de landschappelijke kenmerken, bekende archeologische waarden en resultaten uit eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken uit de omgeving kunnen archeologische waarden uit het Laat Paleolithicum tot en met de Romeinse tijd aanwezig zijn in het initiatiefgebied. Een archeologische verwachting op waarden uit een latere periode zijn op basis van historisch kaartmateriaal en de landschappelijke kenmerken klein. Eventuele aanwezige archeologische waarden bevinden zich direct onder de bouw voor in de top van het dekzand of in de afzettingen van de Maas (Formatie van Beegden). Plaatselijk kunnen deze afzettingen afgedekt zijn door een laag stuifzand. Vermoedelijk bevindt het mogelijke sporen niveau zich daar op 30 tot 80 cm onder het maaiveld. Deze mogelijk aanwezige archeologische waarden worden door de aanleg van een sleuf met een breedte van 6 meter en een diepte van 2,10 meter -mv bedreigd. Archeologische resten kunnen worden vergraven.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 48 van 81

Uit het bureauonderzoek blijkt dat met de voorgenomen graafwerkzaamheden de kans zeer groot is dat archeologische waarden zullen worden verstoord of vernietigd. Daarom is er op locaties met een middelhoge of hoge archeologische verwachting waar de ingreep de vrijstellings-/verstoringsgrenzen uit de nevenfuncties in de omgevingsplannen overschrijdt een inventariserend onderzoek uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek. De rapportage hiervan is bijgevoegd in Bijlage 1. In veel boringen lijkt de bodemopbouw nog intact, al zijn er verstoringen waargenomen in boringen 1, 2, 8, 11, 17-19, 27, 47, 51, 75, 121 en 123. Toch is er in het dekzand maar één intacte podzolbodem (boring 21) aangetroffen. In boring 70 is een oude oeverafzetting aangetroffen op 40 cm (20,4 m +NAP) met humeuze bandjes bovenop deze oeverafzetting. De mogelijkheid bestaat dat in het verleden een groot deel van het tracé is verstoord door diepploegen of dat er nooit een podzolbodem heeft kunnen vormen door de hoge grondwaterstand. De archeologische verwachting kan voor een groot deel van het gebied worden bijgesteld naar laag. Enkel in het gebied rondom de boringen waar een intacte podzolbodem en oude oeverafzettingen zijn aangetroffen blijft de verwachting behouden.

Gezien de maximale ontgravingsdiepte in niet-agrarisch en agrarisch gebied 1,7 meter en 2,3 meter betreft, worden deze archeologische waarden bedreigd door de aanleg van deze hoogspanningsverbinding. Deze bedreiging rondom boringnummers 21 en 70 kan worden voorkomen door het boren met archeologische begeleiding (variant van IVO-P), hierdoor biedt het een hogere kans op het aantreffen van eventuele vindplaatsen. De andere boorpunten kunnen zonder archeologisch voorbehoud worden uitgevoerd. 4.2.3

Betekenis voor het TAM-omgevingsplan

Naar aanleiding van het inventariserend onderzoek heeft de gemeente Venray middels een selectiebesluit bepaald dat er archeologisch vervolgonderzoek vereist is in de vorm van een proefsleuvenonderzoek voor de zone rondom boringen 135 en 136 uit het onderzoek. Voor alle overige zones waar sprake is van een open ontgraving geldt dat hier een extensieve begeleiding dient te worden uitgevoerd nadat de graafwerkzaamheden zijn verricht en de sleuven openliggen. Mochten tijdens de inspecties archeologische resten worden aangetroffen, dan kan worden besloten om ook de aanleg van de kabelsleuf archeologisch te begeleiden. De proefsleuven worden uitgevoerd vóór uitvoering, maar pas nadat het omgevingsplan is vastgesteld. De regels van dit TAM-omgevingsplan borgen dat de archeologische waarden zijn beschermd. Hierdoor vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

4.3

Ecologie

4.3.1

Kader

De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling blijft grotendeels ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). 4.3.2

Onderzoeksresultaten

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 49 van 81

Voor het initiatief is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2 bij deze toelichting). De resultaten van dit onderzoek worden hieronder besproken. Gebiedsbescherming: Natura 2000 Gelet op de afstand van het tracé tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden en de aard van de werkzaamheden, zijn directe effecten, zoals optische-, licht- en geluidsverstoring, op voorhand uitgesloten. Hierdoor is er geen noodzaak tot een nadere beschouwing op deze effectindicatoren. Uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat het plan leidt tot tijdelijke toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Nederlandse Natura-2000 gebieden. Op basis van de stikstofberekening blijkt dat er dat er ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een relevante toename van stikstofdepositie (=0,01 mol N/ha/jaar) binnen de Natura 2000-gebieden 'Boschhuizerbergen', 'Maasduinen', 'Zeldersche Driessen', 'Sint Jansberg', 'Deurnsche Peel & Mariapeel', 'Oeffelter Meent' en 'Bruuk'. De tijdelijke toename aan stikstofdepositie op hexagonen met een overschrijding van de Kritische Depositiewaarde (KDW) bedraagt maximaal 0,19 mol N/ha/jaar. Het voorgenomen project leidt niet tot toenames van stikstofdepositie op andere Natura 2000-gebieden dan bovenstaande benoemd. Voor het project is een ecologische beoordeling opgesteld (Bijlage 5).

In de bijlage is een uitgebreide gebiedsspecifieke analyse opgenomen. Conclusie ecologische beoordeling De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt een toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,19 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen de Natura 2000-gebieden 'Boschhuizerbergen', 'Maasduinen', 'Zeldersche Driessen', 'Sint Jansberg', 'Deurnsche Peel & Mariapeel', 'Oeffelter Meent' en 'Bruuk'. Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, is onderzocht of de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat dit niet het geval is. De tijdelijke stikstoftoename ten gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling staat ook niet in de weg van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen/leefgebieden van kwalificerende soorten. Significant negatieve gevolgen door de tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het voorgenomen project zijn hierom uitgesloten. Soortenbescherming Vanuit het onderdeel soortbescherming zijn er mogelijk belemmeringen voor de voorgenomen werkzaamheden.

Er zijn soorten aanwezig of te verwachten binnen de invloedssfeer van de voorgenomen maatregelen, die beschermd zijn onder de Omgevingswet (Ow) en die mogelijkerwijs negatief beïnvloed kunnen worden. Er is zowel soortgericht onderzoek nodig als voorzorgsmaatregelen die voorkomen dat er sprake is van schadelijke handelingen tijdens floraen fauna- activiteiten (Ow). De aandachtspunten zijn zowel gebaseerd op het bronnenonderzoek aangevuld met de veldinspectie die heeft plaatsgevonden. Met de werkzaamheden dient derhalve rekening gehouden te worden met de volgende aandachtspunten:

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 50 van 81

Een functie van het initiatiefgebied als rust- en verblijfplaats voor vleermuizen kan op voorhand niet worden uitgesloten. Omdat niet in beeld is welke bomen gekapt dienen te worden en of deze bomen daadwerkelijk beschikken over geschikte holte(s) dient hier een aanvullende inspectie voor plaats te vinden zodra bekend is welke bomen gekapt gaan worden. Bij aanwezigheid van een potentieel geschikte holte dient een aanvullende controle middels endoscopisch onderzoek te worden uitgevoerd. Aan de hand van deze nadere inspectie kan de geschiktheid van holtes en noodzaak tot uitvoering van aanvullend vleermuisonderzoek worden beoordeeld. Ook hebben verschillende bomenrijen mogelijk een functie als (essentiële) vliegroute voor vleermuizen. Hiervoor is het van belang dat de functie als vliegroute niet wordt verstoord door bijvoorbeeld licht van bouwlampen of door geluid van werkmateriaal. Werkzaamheden aan en nabij mogelijke vliegroutes dienen daarom gedurende daglicht te worden uitgevoerd en inzet van bijvoorbeeld bouwlampen dient te worden geminimaliseerd en zodanig te worden geplaatst dat er geen uitstraling daar de omgeving plaats vindt. Het is mogelijk dat trillingen en geluid van de boringen en ontgraving verstoring kunnen veroorzaken op mogelijk aanwezige dassenburchten in en nabij het initiatiefgebied.

Uit voorzorg heeft daarom aanvullend onderzoek plaatsgevonden waaruit blijkt dat door de werkzaamheden verblijfplaatsen worden verstoord en aangetast. Hierdoor is er sprake van een 'flora- en fauna-activiteit' met vergunningsplicht door schadelijke handelingen. Door de juiste maatregelen te treffen wordt een vergunning op voorhand verleenbaar geacht voor de das. Tevens dienen de boringen plaats te vinden buiten de kwetsbare periode van das (kraamperiode) waarin zij het meest storingsgevoelig zijn. De aanwezigheid van oeverholen van bever in de te dempen watergangen binnen het initiatiefgebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. Hiervoor is aanvullend onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van de overholen van bevers op locaties waar er wordt gedempt. Hieruit blijkt dat door de werkzaamheden verblijfplaatsen worden verstoord en aangetast. Hierdoor is er sprake van een 'flora- en fauna-activiteit' met vergunningsplicht door schadelijke handelingen. Door de juiste maatregelen te treffen wordt een vergunning op voorhand verleenbaar geacht voor de bever. Voor het aanleggen van het tracé door de watergangen in het initiatiefgebied dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht in verband met mogelijke aanwezigheid van de kamsalamander en Alpenwatersalamander.

Er kunnen maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat er verbodsbepalingen worden overtreden, door bijvoorbeeld de watergangen buiten de voortplantingsperiode uit te voeren, wanneer zij zich op het land bevinden. Voor het landbiotoop welke aangetast gaat worden, dient het bijvoorbeeld tijdig ongeschikt gemaakt te worden, en de sleuf van de open ontgraving dient niet toegankelijk te zijn voor amfibieën wanneer deze open ligt, nabij de poelen en geschikte watergangen. Dit betreft maatwerk en er wordt geadviseerd deze maatregelen op te nemen in een ecologisch werkprotocol. Wanneer bovenstaande uitvoerende maatregelen worden gehanteerd is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk. Het is mogelijk dat de te dempen watergangen binnen het initiatiefgebied leefgebied vormen van de grote modderkuiper. Er is voldoende alternatief leefgebied aanwezig om naar uit te wijken en de situatie na de aanleg van het tracé weer zal worden teruggebracht naar de huidige situatie. Hierdoor zal slechts sprake zijn van tijdelijke aantasting van een marginaal deel van het leefgebied. Aantasting van individuen is te voorkomen door, de laatste 10 cm water te laten staan na het dempen. Deze waterlaag, inclusief een deel van de sliblaag, kan vervolgens uit de watergang worden geschept en over het land uitgespreid.

Hierin aanwezige modderkruipers kunnen vervolgens worden weggevangen en elders worden uitgezet. Wanneer bovenstaande uitvoerende maatregelen worden gehanteerd is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 51 van 81

Het is mogelijk dat trillingen en geluid van de boringen en de open ontgravingen verstoring kunnen veroorzaken op mogelijk aanwezige nesten, zoals slechtvalk en buizerd. Uit voorzorg is er daarom aanvullend onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van in gebruik zijnde jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het initiatiefgebied. Indien niet kan worden gewerkt buiten het broedseizoen van de buizerd, is een vergunning noodzakelijk voor deze soort. Indien er tijdens het broedseizoen zal worden gewerkt en er wordt door een buizerd gebroed op het buizerdnest, dan zal door verstoring mogelijk het nest vroegtijdig worden verlaten. Hierdoor is sprake van een ‘flora- en fauna-activiteit’ met vergunningsplicht door schadelijke handelingen (Vogelrichtlijnsoorten, artikel 11.37 lid 1b en d). Het project zal in dit geval een project zijn in het kader van een belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid (artikel 8.74j, Bkl, Ow). Dit dient verder onderbouwd te worden bij de vergunningsaanvraag. Op basis van de ingreep, het initiatiefgebied en de omgeving wordt ingeschat dat er in theorie voldoende mate compenserende en mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen om de populatie en gunstige staat van instandhouding van de soorten te waarborgen.

Echter dient rekening gehouden te worden dat met name voor de buizerd het belang van volksgezondheid of openbare veiligheid, de onderbouwing hiervan een knelpunt kan vormen. Om een vergunning verleenbaar te krijgen, dient goed naar alternatieven en het belang gekeken te worden. Wat is de noodzaak voor het aanleggen van het kabeltracé, zijn er ook andere maatregelen, locaties en werkwijze die minder effect hebben op de beschermde soorten. Dit dient in dit geval nader onderzocht en beschouwd te worden. De verleenbaarheid van de vergunning op basis van het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid wordt haalbaar geacht. De maatregelen, het borgen ervan en de alternatievenafweging dienen wel nader beschouwd te worden.  Tevens dient tijdens de uitvoeringsfase men rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels. Alle broedgevallen zijn gedurende deze periode beschermd op grond van de Omgevingswet. Werkzaamheden op deze locatie mogen alleen aanvangen buiten het broedseizoen of na vrijgave door een ter zake deskundige. Het broedseizoen loopt globaal van half maart tot augustus. Echter, afhankelijk van de lokale meteorologische omstandigheden, kan deze periode eerder of later beginnen en eindigen. Van belang is dat broedende vogels niet zodanig opzettelijk verstoord worden dat de gunstige staat van instandhouding van de soort in het geding komt.

 Naast de bescherming middels verboden geldt ook de specifieke zorgplicht (art. 11.27 Bal), deze stelt dat nadelige gevolgen bij uitvoering van een flora- en fauna-activiteit zo veel als mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt dienen te worden. Maatregelen zijn nodig voor haas en konijn, alver, vogels en vlinders. Deze worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol. Het betreft het werken buiten het broedseizoen van vogels, door de werkzaamheden altijd vanaf een kant op te starten, zodat aanwezige dieren kunnen vluchten en door te werken in de periode november t/m februari nabij konijnenholen en hazenleger (nest). Ook dient afgegraven grond weer terug te worden geplaatst in het projectgebied. Bij het dempen van watergangen kunnen uit de laatste 10 cm water en slib, de aanwezige vissen (alver en grote modderkruiper) worden weggevangen en elders worden uitgezet. Er is aanvullend soortenonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 3). Das en bever Met de uitvoering van de werkzaamheden worden verblijfplaatsen (vluchtpijp das en oeverholen bever) verstoord en aangetast. Hierdoor is sprake van een 'flora- en fauna-activiteit' met vergunningsplicht door schadelijke handelingen (Ow, Andere soorten artikel 11.54 lid 1b en Habitatrichtlijnsoorten Artikel 11.46 lid 1b en d).

Voor onderhavige schadelijke handelingen moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor een soort van het beschermingsregime Habitatrichtlijn artikel 11.46 (bever) en Andere soorten artikel 11.54 (das). Een vergunning voor een flora- en fauna-activiteit wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden (artikel 8:74k Bkl en 8:74l Bkl): e. Er bestaat geen andere bevredigende oplossing. f. Er dient sprake te zijn van een wettelijk belang. g. De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 52 van 81

Een activiteitenplan moet worden opgesteld als toelichting ten behoeve van een aanvraag voor een omgevingsvergunning. In dit plan worden onder andere het planvoornemen, het wettelijk belang, de alternatieve afweging, de effectbepaling, de Staat van Instandhouding en de te nemen maatregelen nader toegelicht. Op basis van het voornemen is er sprake van een wettelijk belang. Het project zal een project zijn in het kader van een belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten (artikel 8.74k, Bkl, OW). Dit dient verder onderbouwd te worden bij de aanvraag van een vergunning flora- en fauna-activiteit. Door de juiste maatregelen te treffen wordt een vergunning op voorhand verleenbaar geacht voor das en bever. Het onderdeel natuur staat de uitvoerbaarheid van het plan derhalve niet in de weg. Buizerd Indien niet kan worden gewerkt buiten het broedseizoen van de buizerd, is een vergunning noodzakelijk voor deze soort. Indien er tijdens het broedseizoen zal worden gewerkt en er wordt door een buizerd gebroed op het buizerdnest, dan zal door verstoring mogelijk het nest vroegtijdig worden verlaten.

Hierdoor is sprake van een 'flora- en fauna-activiteit' met vergunningsplicht door schadelijke handelingen (Vogelrichtlijnsoorten, artikel 11.37 lid 1b en d). Verleenbaarheid ontheffing met buizerd Het project zal in dit geval een project zijn in het kader van een belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid (artikel 8.74j, Bkl, Ow). Dit dient verder onderbouwd te worden bij de vergunningsaanvraag. Op basis van de ingreep, het plangebied en de omgeving wordt ingeschat dat er in theorie voldoende mate compenserende en mitigerende maatregelen kunnen worden getroffen om de populatie en gunstige staat van instandhouding van de soorten te waarborgen. Echter dient rekening gehouden te worden dat met name voor de buizerd het belang van volksgezondheid of openbare veiligheid, de onderbouwing hiervan een knelpunt kan vormen. Om een vergunning verleenbaar te krijgen, dient goed naar alternatieven en het belang gekeken te worden. Wat is de noodzaak voor het aanleggen van het kabeltracé, zijn er ook andere maatregelen, locaties en werkwijze die minder effect hebben op de beschermde soorten. Dit dient in dit geval nader onderzocht en beschouwd te worden. De verleenbaarheid van de vergunning op basis van het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid wordt haalbaar geacht.

De maatregelen, het borgen ervan en de alternatievenafweging dienen wel nader beschouwd te worden. Algemene broedvogels In de uitvoeringsfase dient tevens rekening gehouden te worden met de (mogelijke) aanwezigheid van broedvogels. Op grond van de Omgevingswet zijn alle broedende vogels beschermd. Om te voorkomen dat verbodsbepalingen ten aanzien van broedvogels overtreden worden, dienen de werkzaamheden op plekken waar broedvogels verwacht kunnen worden, buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Indien dat niet mogelijk is, moet het werkgebied buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt worden voor broedvogels. Geadviseerd wordt om op het terrein door een ecoloog periodiek controles uit te laten voeren op broedvogels. Gebiedsbescherming: Natuurnetwerk Nederland Het project is ook getoetst aan het provinciaal beleid van Noord-Brabant en Limburg met betrekking tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op de lengte van het gehele tracé zijn gebieden aanwezig die zijn aangewezen als NNN. Er zijn meerdere locaties waar het tracé NNN doorkruist en waar de aanleg hiervan mogelijk negatieve effecten heeft op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of de kernkwaliteiten van het provinciaal beleid. De ligging van het tracé ten opzichte van deze gebieden is weergegeven in figuur 4.3.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 53 van 81

Figuur 4.3 initiatiefgebied, Zwarte cirkels geven knelpunten met betrekking tot de aanleg aan. (bron: Provincies Noord-Brabant en Limburg). Bij de aanleg van het kabeltracé wordt op meerdere locaties het NNN doorkruist of wordt in de nabijheid het NNN ontgraven. De locaties waar mogelijk knelpunten ontstaan zijn met zwarte cirkels weergegeven in figuur 4.3. Op de meeste locaties waar het NNN wordt doorkruist, wordt het tracé aangelegd middels een boring. Omdat hiermee boven het maaiveld geen aantasting plaats vindt, zijn negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN op deze locaties op voorhand uitgesloten. Er zijn voor de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg een aantal knelpunten. Limburg Het tracé loopt een klein gedeelte door de beschermde Natuurnetwerk Limburg. Hier wordt echter gebruik gemaakt van een ondergrondse boring. Tevens loopt het tracé langs gebieden die als Natuurnetwerk Limburg zijn aangesteld. Hierop geldt in de provincie Limburg echter geen externe werking. Het deel van het tracé dat onder de Natuurnetwerk Limburg doorgetrokken zal worden, zal geen effect hebben op de kenmerken en waarden van het gebied erboven. Het tracé doorkruist door middel van open ontgraving en door middel van HDD de Groenblauwe mantel.

Het betreft vier gebieden in het buitengebied tussen Overloon en Venray waar open ontgraving in Groenblauwe mantel plaatsvindt. De kernkwaliteiten in de Groenblauwe mantel zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed, reliëf en ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal (Provincie Limburg, 2024). Het gebied waar het tracé doorheen loopt betreft een beekdal. De knelpunten waar het tracé door middel van open ontgraving wordt aangelegd, zijn allen weide- en akkerlanden. Negatieve effecten op de kernkwaliteiten van deze gebieden zijn niet op voorhand uitgesloten. Er is een natuurbeek aanwezig waar het tracé doorheen loopt, genaamd de Loobeek. Het tracé zal echter het water eenmaal, breed kruisen onder de grond door middel van HDD. Het deel van het tracé dat onder de natuurbeek doorgetrokken zal worden, zal geen effect hebben op de kenmerken en waarden van de beek erboven. Samenvatting

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 54 van 81

Er zijn door externe werking mogelijk sprake van negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNB-gebied. Ook zijn negatieve effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van Groenblauwe mantel van provincie Limburg en Groenblauwe waarden van provincie Noord-Brabant niet op voorhand uitgesloten aangezien het tracé door middel van open ontgraving door deze gebieden loopt. Hiervoor is de 'nee tenzij' toets opgesteld (zie Bijlage 4). Uit deze 'nee tenzij' toets blijkt het volgende: Negatieve effecten met verlies van ecologische functie van de betreffende gebieden als gevolg van de voorgenomen plannen zijn niet aan de orde. Er zijn daarom geen belemmeringen vanuit provinciaal beleid en er is geen noodzaak tot het nemen van vervolgstappen. De locaties waar NNN wordt doorkruist waar een gestuurde boring is gepland, zijn vastgelegd in de regels en verbeelding. 4.3.3

Betekenis voor het TAM-omgevingsplan

Voor de Natura 2000-gebieden zijn directe effecten uitgesloten. Voor de soortenbescherming dient rekening te worden gehouden met de beschreven aandachtspunten. Voor het provinciaal beleid rondom NNN zijn er geen belemmeringen naar voren gekomen. Het project leidt niet tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en/of kernkwaliteiten en kan het omgevinsplan in overeenstemming met het provinciaal beleid worden vastgesteld.

4.4

Water

4.4.1

Kader

De weging van het waterbelang is een belangrijk instrument bij het klimaatbestendig en waterrobuust inrichten van de ruimte. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. In deze paragraaf zijn de relevante waterhuishoudkundige aspecten beschreven. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. 4.4.2

Onderzoeksresultaten

Voor het initiatief zijn verschillende waterkundige aspecten in beschouwing genomen. In deze subparagraaf wordt per waterkundig aspect omschreven hoe het initiatief zich hiertoe verhoudt. Het effect van het initiatief op oppervlaktewater en/of grondwater is middels een geohydrologisch onderzoek onderzocht (zie Bijlage 6). Watercompensatie De aanleg van de ondergrondse hoogspanningsverbinding leidt niet tot een toename van het verharde oppervlak of het dempen van oppervlaktewater. Er is dan ook geen noodzaak tot watercompensatie en het plan voorziet niet in het aanleggen van nieuw wateroppervlak. Waterkeringen Het tracé van de hoogspanningsverbinding is getoetst aan een eventuele zetting van risicovolle objecten. Uit deze toets komt naar voren dat er geen dijklichamen en/of waterkeringen zich bevinden op basis van de leggerkaart van het waterschap. Dit geldt zowel voor primaire-, regionale- en lokale waterkeringen. Peilverschuiving

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 55 van 81

In de nabijheid van de deeltracés bevinden zich enkele watergangen. Het volledige tracé valt niet binnen een peilbesluit waardoor geen vast peil gehandhaafd wordt voor het naastgelegen oppervlaktewater. Het plan voorziet niet in aanpassing van het waterpeil. Waterkwaliteit Als gevolg van de aanleg van de hoogspanningsverbinding zal de waterkwaliteit niet negatief worden beïnvloed. Er komen geen milieubelastende stoffen vrij die in het oppervlaktewater terecht kunnen komen. Watergangen Het tracé kruist enkele watergangen. Er worden geen watergangen omgelegd of permanent gedempt als gevolg van de verbinding. Bij A-watergangen die zullen worden gekruisd, wordt de aanleg middels een HDD boring uitgevoerd. Bij B-watergangen in beginsel met een open ontgraving (mede afhankelijk van breedte en diepte van de sloot). In dat geval wordt tijdelijk een deel van de watergang ingedamd. Na realisatie worden de dammen weer verwijderd en kan de watergang weer ongehinderd functioneren. Aanlegwerkzaamheden Binnen het tracé is er sprake van veel hoogteverschil in het maaiveld. Over het algemeen is het zuidelijke gedeelte hoger gelegen. De grondwaterstand volgt in zekere zin het globale hoogteprofiel. Ten behoeve van de aanleg van de kabels is voor het zuidelijk gebied zeer waarschijnlijk geen bemaling noodzakelijk.

Uit de bureaustudie blijkt dat op basis van de beschikbare informatie voor het overgrote deel bemalingswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd om den droge te kunnen werken aangezien de GHG binnen 2,1 m -mv is gesitueerd. Vanwege de kans op grind in de ondergrond voor een gedeelte van het tracé wordt aanbevolen om met de uitvoering van veldwerk vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van grind. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de grindlagen. Mogelijk kunnen de boor- en sondeerdieptes niet bereikt worden door de aanwezigheid van grind. Indien grind aanwezig is en bemaling nodig is, kan dit grote gevolgen (hoge debieten en een groot totaal waterbezwaar) hebben voor het onttrekkingsdebiet en waterbezwaar van de bemaling. Daarnaast wordt ook aanbevolen om tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden op basis van het opgeboorde materiaal een inschatting te maken van de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterstand) en GLG (gemiddeld laagste grondwaterstand). Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de grondwaterstand wordt per 250 m een boring uitgevoerd tot 5 m -mv. Voor het gebied waar grind wordt verwacht (ten oosten van Westerbeek) wordt per 100 m kruising een boring uitgevoerd. Met behulp van deze boringen kan de begrenzing van de aanwezigheid van grind nauwkeuriger gekarteerd worden.

Wanneer de GHG geschat wordt tot boven de ontgravingsdiepte (2,1 m -mv) wordt de boring afgewerkt met een peilbuis, zodat hierin de grondwaterstand gemeten kan worden. Voor aanvang van de graafwerkzaamheden wordt een bemalingsadvies opgesteld om inzicht te krijgen in het benodigde onttrekkingsdebiet, het waterbezwaar van de bemaling en eventuele nadelige effecten als gevolg van de bemaling. 4.4.3

Betekenis voor het TAM-omgevingsplan

Voor het voorliggend plan geldt dat enkel tijdens de aanlegfase mogelijk sprake kan zijn van tijdelijke demping van watergangen. Deze demping wordt zo veel mogelijk voorkomen en mogelijk negatieve effecten worden indien nodig gemitigeerd. Hierdoor worden er geen belemmeringen voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan met betrekking tot het aspect water verwacht.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 56 van 81

4.5

Mobiliteit

Met het omgevingsplan worden geen ontwikkelingen toegelaten die leiden tot een substantiële toename van verkeer. Enkel tijdens de aanleg van de hoogspanningsverbinding treden tijdelijk extra verkeersbewegingen op. Vanuit het oogpunt van verkeer zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit omgevingsplan.

4.6

Gezondheid

4.6.1

Geluid

4.6.1.1 Kader Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet). De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen: I. houd rekening met geluid; II. voorzie in aanvaardbaar geluid. 4.6.1.2 Betekenis voor het TAM-omgevingsplan Het project voorziet in de aanleg van een 150kV-hoogspanningsverbinding. De ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding is geen geluidgevoelige functie. Daarnaast veroorzaakt deze kabel in de gebruiksfase geen geluidhinder naar de omgeving. De aanleg van de 150kV-hoogspanningsverbinding heeft slechts tijdelijk akoestisch effect.

Tijdens de aanlegfase produceren verschillende bronnen geluid. De ene activiteit duurt langer dan de andere en iedere activiteit heeft een andere geluidssterkte. Het gaat hierbij om tijdelijk geluid veroorzaakt door vrachtverkeer, graven en boren. De Omgevingswet bevat geen regels voor dergelijke tijdelijke situaties. Tijdens de werkzaamheden zal geluidhinder zoveel mogelijk worden beperkt. Er is geen akoestisch onderzoek noodzakelijk. Hierdoor vormt het aspect geluid geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan. 4.6.2

Trillingen

4.6.2.1 Kader Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. Paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat gaat over trillingen. In artikel 22.88 Bruidsschat zijn waarden voor continue trillingen opgenomen.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 57 van 81

4.6.2.2 Betekenis voor het TAM-omgevingsplan Tijdens de civieltechnische uitwerking wordt er rekening gehouden met mogelijke trillingen in de aanlegfase en worden deze zo veel mogelijk gemitigeerd. De verwachting is daarom dat er geen negatief effect van trillingen zal plaatsvinden op omliggende functies. Hierdoor vormt het aspect trillingen geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan. 4.6.3

Lichthinder

4.6.3.1 Kader In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen. 4.6.3.2 Betekenis voor het TAM-omgevingsplan Voor het voorliggend plan geldt dat enkel tijdens de aanlegfase mogelijk sprake kan zijn van tijdelijke lichthinder op de omgeving. Deze lichthinder wordt zo veel mogelijk voorkomen en mogelijk negatieve effecten worden indien nodig gemitigeerd. Hierdoor worden er geen belemmeringen voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan met betrekking tot het aspect lichthinder verwacht. 4.6.4

Luchtkwaliteit

4.6.4.1 Kader Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen. De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren: I. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. II. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.

In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:  woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg;  woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen;  kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.6.4.2 Betekenis voor het TAM-omgevingsplan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 58 van 81

Een ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding veroorzaakt geen luchtemissies. In de uitvoeringsfase is er wel sprake van luchtemissies ten gevolge van de voertuigbewegingen en de inzet van materieel om de werkzaamheden uit te voeren. Deze bijdrage is van tijdelijke aard en zodanig beperkt van karakter dat een nadere toetsing van dit aspect niet aan de orde is. 4.6.5

Bodemkwaliteit

4.6.5.1 Kader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in de paragraaf Bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5) van het Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:  de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;  functies evenwichtig toe te delen aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;  de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage Vb van het Bkl.

De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw. 4.6.5.2 Betekenis voor het TAM-omgevingsplan Er is een verkennend bodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Ter plaatse van deeltracé Q, perceel U33 is sprake van een milieubelastende activiteit gezien de kwaliteit van de bodem boven de interventiewaarde ligt. Er is op dit tracé sprake is van meer dan 25 m 3 grondverzet. Daarom dient hier een vergunning te worden aangevraagd. Daarnaast kan ter plaatse van het in- en uittredepunt van de HDD ter plaatse van peilbuis mb-39 mogelijk met VOCI verontreingd grondwater naar boven komen. Hiervoor dienen er aanvullende veiligheidsmaatregelen te worden toegepast. Er zijn daarnaast geen overige belemmeringen voor de werkzaamheden. Indien het bovengenoemde in acht wordt genomen,vormt het aspect bodem geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan. 4.6.6

Elektromagnetische velden

De spanning op de draden van een hoogspanningsverbinding veroorzaakt onder andere een magnetisch veld. De sterkte van het magnetische veld in de buurt van een hoogspanningsverbinding hangt af van de stroom door de draden, de afstand tot de draden en de fasevolgorde van de draden. De magnetische veldsterkte wordt uitgedrukt in tesla of microtesla (één miljoenste deel van een tesla).

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 59 van 81

4.6.6.1 Kader Uit internationaal onderzoek is naar voren gekomen dat er in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbinding een geringe verhoging van het aantal gevallen van leukemie voorkomt. Eerst leek het alleen om kinderen te gaan. In 2022 stelde de Gezondheidsraad vast dat dit ook voor volwassen geldt. De Gezondheidsraad concludeert (in rapporten uit 2018 en 2022) dat er aanwijzingen zijn voor een oorzakelijk verband tussen magneetvelden en leukemie. Het wetenschappelijk bewijs is echter onvoldoende om te spreken over een waarschijnlijk of bewezen oorzakelijk verband, aldus de Gezondheidsraad. Het is dus niet zeker dat magneetvelden de oorzaak zijn van de verhoging van het aantal gevallen van leukemie nabij bovengrondse hoogspanningsverbinding. De verhoging kan ook andere oorzaken hebben (die onbekend zijn) of toeval zijn. Door de Europese commissie worden daarom grenswaarden aanbevolen voor de blootstelling van burgers aan elektrische en magnetische velden. Deze grenswaarden gelden ook als aanbeveling in Nederland. Voor 50 Hz magnetische velden bedraagt deze 100 microtesla. Deze grenswaarde is ook van toepassing op kortstondige blootstelling van burgers.

De Minister voor Klimaat en Energie stelt samen met de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening (VRO) en de staatssecretaris voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) vast dat het wonen in de nabijheid van een bovengrondse hoogspanningslijn, een hoogspanningsstation, ondergrondse kabel of een transformatorhuisje verantwoord is, aangezien de gezondheidsrisico's onzeker en laag zijn. Tegelijkertijd past het binnen het overkoepelende beleid voor het verantwoord omgaan met veiligheid en gezondheid in de energietransitie om de blootstelling aan magneetvelden, waar mogelijk en proportioneel, beperkt te houden. Daarom geldt er sinds 2005 in Nederland voor bovengrondse hoogspanningsverbinding een voorzorgbeleid. Dit beleid is op 21 april 2023 herijkt. Het herijkte voorzorgbeleid Het herijkte voorzorgbeleid is erop gericht om uit voorzorg maatregelen te treffen waardoor het aantal mensen dat langdurig aan magneetvelden wordt blootgesteld, wordt beperkt. Onder langdurig verblijf wordt verstaan "een dagelijks verblijf gedurende minimaal een jaar met een verblijftijd van minimaal 14-18 uur per dag". Er moet zo veel als mogelijk worden voorkomen dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij gevoelige functies binnen een magneetveldzone hoger dan 0,4 microtesla komen te liggen.

Gevoelige functies zijn woningen of andere woonvormen waar mensen lang verblijven, zoals verpleeghuizen, scholen of kinderdagverblijven. Het herijkte voorzorgbeleid voorziet in twee soorten maatregelen: bron- en afstandsmaatregelen. Ten eerste wordt het treffen van bronmaatregelen structureel onderdeel van de reguliere taken en werkzaamheden van de netbeheerders. De netbeheerder dient bronmaatregelen te treffen bij alle onderdelen van het elektriciteitsnet. Denk aan bovengrondse hoogspanningsverbinding, ondergrondse hoogspanningskabels, hoogspanningsstations en transformatorhuisjes. Deze maatregelen zorgen voor een verlaging van de magneetveldsterkte. De maatregelen worden getroffen bij het bouwen van nieuwe onderdelen van het net. En ook bij het aanpassen van bestaande onderdelen. Daarnaast staat in het herijkte beleid nog steeds het advies om (alleen) bij bovengrondse hoogspanningsverbinding afstand te houden. De magneetveldzone, met een grenswaarde van 0,4 microtesla, bepaalt die afstand. De RIVM-handreiking geeft aan hoe je de magneetveldzone kunt berekenen. Het RIVM heeft de handreiking in overeenstemming gebracht met het nieuwe beleid. Voor de andere onderdelen van het elektriciteitsnet, zoals ondergrondse hoogspanningsverbindingen of hoogspanningsstations, adviseert het nieuwe voorzorgbeleid geen afstandsmaatregelen.

Situatie De blootstellingslimiet van 100 microtesla wordt op voor het publiek toegankelijke plaatsen bij de hoogspanningsverbinding nergens overschreden. Daarmee voldoet het initiatief aan de Europese grenswaarde. Het herijkte voorzorgbeleid (2023) geeft enkel bij bovengrondse hoogspanningsverbindingen het advies om afstand te houden van gevoelige functies. Dit advies is niet van toepassing op ondergrondse hoogspanningsverbindingen, hoogspanningsstations en opstijgpunten en daarmee ook niet op het initiatief.

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 60 van 81

De gemeenten Land van Cuijk en Venray hebben gevraagd aan TenneT onderzoek te doen voor de magneetvelden van de nieuwe ondergrondse 150kV-hoogspanningsverbinding om inzicht te geven in de ligging van de contour van 0,4 microTesla. TenneT heeft daarom bij diverse hoogspanningsverbindingen onderzoek uitgevoerd naar magneetvelden. Daarbij wordt de magneetveldsterkte als gevolg van de hoogspanningsverbinding berekend op 1 meter boven maaiveld. Uit de berekeningen blijkt dat aangenomen mag worden dat de contour van 0,4 microTesla (jaargemiddeld) voor deze verbinding binnen 15 meter van het hart van een hoogspanningsverbinding is gelegen. Bij de ondergrondse 150kV- hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venray bevinden zich binnen 15 meter van het hart van de hoogspanningsverbinding geen gevoelige functie. 4.6.6.2 Betekenis voor het TAM-omgevingsplan Het initiatief voldoet aan de aanbevelingen op Europees en nationaal niveau voor wat betreft magneetvelden. Het aspect elektromagnetische velden vormt geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

4.7

Omgevingsveiligheid

4.7.1

Kader

De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:  Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.  Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).  Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.  Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. De gemeente stelt in het omgevingsplan regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:  de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit, en  het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving in bredere zin (schade aan gebouwen en het milieu) bij een ongeval bij een risicovolle activiteit.

Gemeenten moeten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen. 4.7.2

Betekenis voor het TAM-omgevingsplan

Het aanleggen of transporteren van elektriciteit is geen activiteit met gevaarlijke stoffen die risico's voor de omgeving met zich mee brengt. Het onderhavige omgevingsplan ziet ook niet op de toevoeging van een kwetsbaar object dat van invloed is op activiteiten met gevaarlijke stoffen in het initiatiefgebied of de omgeving. Voor het tracé is een onderzoek uitgevoerd naar de ruimtelijke beïnvloeding. Op dit moment is duidelijk dat er een BRZO inrichting in de nabijheid van het tracé aanwezig is. De kabels liggen buiten de PR10-6 contour van deze inrichting.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

4.8.1

Kader

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venr Pagina 61 van 81

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG. De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen. 4.8.2

Betekenis voor het TAM-omgevingsplan

De brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG) uit het jaar 2022 geeft een advies over richtafstanden. In deze brochure zijn elektriciteitsdistributiebedrijven met een transformatorvermogen opgenomen, waarbij een onderscheid is gemaakt naar vermogen. De bestaande hoogspanningsstations zijn echter geen onderdeel van dit omgevingsplan. Het aspect Bedrijven en milieuzonering vormt hiermee geen belemmering voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

4.9

Ongesprongen Oorlogsresten

4.9.1

Kader

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het initiatiefgebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar Ongesprongen Oorlogsresten (OO). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit (te) laten voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de omgevingsplanprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijde de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16192468/1