CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

motivering TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray definitief

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Hoendersveld Venray.28.589 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

berekening luchtkwaliteit o.b.v NIBM-tool

Tevens is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd om de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied vast te stellen. Hieruit blijkt dat ten aanzien van NO 2, PM10, PM2,5 en EC geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied.

5.6.3

Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

1

o.b.v verkeersgeneratiekencijfers uit de publicatie ‘Toekomstig bestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’, publicatie 744, CROW, 2024.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 52

5.7

Geur

5.7.1 Beoordelingskader Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening, hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worden meegenomen in de motivering. De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 Bkl. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op: Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen; Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven. De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar geurhinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt in haar omgevingsplan zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Industriële geurhinder Op bedrijventerreinen kunnen bedrijfsmatige activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken.

Die activiteiten zijn dan zelf een relevante geurbron. Het bevoegd gezag bepaalt echter zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. De vergunningverlener moet dus bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Agrarisch geurhinder Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan Venray zelf geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan Venray waarden waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl’.

5.7.2 Toetsing geurhinder De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen. Het plangebied is gelegen in een binnenstedelijk gebied (deel van de binnenstad van de kern Venray). Er zijn in de ruime omgeving van het plangebied geen bedrijventerreinen aanwezig waarop geur veroorzakende bedrijvigheid plaatsvindt en ook geen intensieve veehouderijen gelegen. Het aspect geurhinder vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.7.3 Conclusie Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 53

5.8

Omgevingsveiligheid

5.8.1 Beoordelingskader Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor). Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving. Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving. Het werken met aandachtsgebieden (brand en explosie) voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl).

Bij risicovolle activiteiten uit het Bal wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dergelijke aandachtsgebieden aan. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. In het deelplan moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. De norm van het plaatsgebonden risico (PR) blijft gelijk en daarmee ook het basisbeschermingsniveau. Het Bkl geeft in de bijlagen ook aan wat de PR-contouren en aandachtsgebieden zijn. In een deelplan dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het deelplan kwetsbare gebouwen zijn toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl). Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving: Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl). Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl)

5.8.2 Toetsing omgevingsveiligheid Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: risicovolle inrichtingen; transport over weg, water en spoor; hogedruk aardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen; bovengrondse hoogspanningslijnen.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 54

uitsnede risicokaart (plangebied zwart omcirkeld) (bron: www.ev-signaleringskaart.nl)

Uit de Externe Veiligheidsignaleringskaart (versie 2.6) blijkt dat enige de dichtstbijzijnde risicovolle activiteit een LPG-tankstation aan de Raadhuisstraat 30 te Venray is. Er zijn geen risicovolle buisleidingen, geen tracés voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en/of hoogspanningsleidingen in de nabijheid aanwezig. Het tankstation is op ca. 330 meter afstand van het plangebied gelegen. Het plangebied ligt ruim buiten de PR 10-6-contour en ruim buiten de brand- en explosie-aandachtsgebieden rond deze bron.

5.8.3 Conclusie Vanuit het aspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.9

Natuur

5.9.1 Beoordelingskader De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel gebiedsbescherming als soortenbescherming als geregeld. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 55

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.44 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. 2. 3.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit: bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee. Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Flora- en fauna-activiteiten Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en faunaactiviteiten.

De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: ‘Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 56

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

5.9.2

Ecologisch onderzoek en stikstof

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk (w.o. Natura 2000-gebieden) of beschermde natuurmonumenten. Het plangebied omvat geen landschapselementen of bomen met een beschermde status. Er is geen sprake van lichtvervuiling of het inbrengen van vervuil water in de bodem en het grondwater. Stikstof Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Na de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) mag het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten die stikstof uitstoten worden gebruikt. Daarom moet per activiteit duidelijk worden gemaakt dat beschermde natuurgebieden daardoor niet worden aangetast. Het beoogde project mag geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Het project kan leiden tot verhoogde emissie van stikstof. In een bijgevoegde rapportage wordt een analyse uitgevoerd van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitattypen een leefgebieden van soorten in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De uitkomsten van dit stikstofonderzoek zijn in deze paragraaf opgenomen. Het volledige rapport is als bijlage 8 bij deze motivering opgenomen.

Berekening Voor de berekening van de planbijdrage voor de depositie van NOx en NH3 in Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de AERIUS CALCULATOR (versie 2023). Uit de berekeningen van het projecteffect van de bouw- en gebruiksfase blijkt dat het projecteffect op alle rekenpunten ten hoogste 0,00 mol/ha/jaar bedraagt. Bij een dergelijke projectbijdrage treedt er geen stikstofdepositie op binnen omliggende Natura 2000-gebieden. Derhalve treden er geen significant negatieve effecten op binnen de omliggende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan flora & fauna uitgevoerd ter plekke van het plangebied. De uitkomsten van deze quickscan zijn in deze paragraaf opgenomen. De volledige rapportage is als bijlage 9 bij deze motivering opgenomen. De conclusies en aanbevelingen van de quickscan zijn als volgt: Huismus Door de vegetatie (met name verwilderd grasland) te verwijderen, verliest het plangebied tijdelijk een klein deel van het functioneel leefgebied van de huismus. In de nieuwe situatie wordt er veel openbaar groen aangelegd. Om er op de langere termijn voor te zorgen dat de foerageerhabitats van de huismus blijven bestaan, zal er bij de aanleg van het nieuwe groen zoveel mogelijk van inheemse bes-dragende struiken, bomen en ligusterhagen/haagbeuk te worden uitgegaan.

In overleg met een ter zake deskundige zal worden bepaald op welke wijze dit kan worden gerealiseerd. Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 57

Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Vleermuizen Tegen twee te kappen bomen in het plangebied hangt een vleermuizenkast. Voor het verplaatsen van een niet in gebruik zijnde vleermuizenkast is geen ontheffing nodig. Beide vleermuizenkasten kunnen daarom, voordat de bomen worden gekapt, worden verplaatst naar bomen buiten het plangebied.

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Ow zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht; deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

5.9.3 Conclusie Vanuit het aspect natuur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.10 Cultureel erfgoed 5.10.1

Beoordelingskader

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m 2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl).

De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 58

Cultuurhistorie De verplichting om ook cultuurhistorische waarden te beschermen is in de Omgevingswet meegenomen. De instructieregels uit artikel 5.130 lid 2 van het Bkl geven aan voor welke punten onder meer bescherming benodigd is (o.a. ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en aantasting van de omgeving of karakteristieke stadsgezichten, dorpsgezichten en cultuurlandschappen. In het omgevingsplan zal hiertoe een toereikend beschermingsregime moeten worden opgenomen.

5.10.2

Toetsing cultureel erfgoed

5.10.2.1 Archeologie De gemeente Venray heeft een archeologische beleidskaart (ABK) voor haar grondgebied opgesteld Deze kaart is – samen met archeologische beleidsregels - in 2013 vastgesteld. Volgens deze archeologische beleidskaart van de gemeente Venray is het plangebied voor een deel gelegen in een gebied met de status ‘droge en natte gebieden met een middelhoge archeologische verwachting’ (categorie 5) en voor een deel in een gebied met de status ‘monumenten van zeer hoge waarde en monumenten die betrekking hebben op historische kernen’ (categorie 2). Voor gronden waarvoor een middelhoge archeologische verwachting geldt, is archeologisch onderzoek alleen dan noodzakelijk indien er een bodemingreep plaatsvindt van meer dan 50 cm –mv en er vervolgens een oppervlak van meer dan 2500 m2 verstoord wordt. Voor gronden met een status van monument van zeer hoge waarde is archeologisch onderzoek noodzakelijk indien er een bodemingreep plaatsvindt van meer dan 50 cm –mv en er vervolgens een oppervlak van meer dan 250 m2 verstoord wordt.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek uitgevoerd. De uitkomsten van dit archeologisch onderzoek zijn in deze paragraaf opgenomen. De conclusies van het archeologisch vooronderzoek zijn als volgt:

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 59

In het plangebied zijn geen vindplaatsen bekend, maar binnen een straal van 500 m rondom het plangebied zijn 17 vondstlocaties aanwezig. De meeste betreffen vondsten uit de late middeleeuwen en/of de nieuwe tijd. Het gaat voornamelijk over nederzettingsresten of resten van bewoning, wat te verwachten valt binnen de historische kern van Venray. Daarnaast is er ook één vondstlocatie uit het paleolithicum (kling) en één uit het neolithicum (handgevormd aardewerk) aanwezig. Er zijn drie vondstlocaties toegeschreven aan de ijzertijd en één aan de periode bronstijd tot ijzertijd: een kokerbijl, handgevormd aardewerk, vuursteen, hutteleem en een stuk maalsteen. Verder is er een olielamp en kan aangetroffen uit de Romeinse tijd en een huisplattegrond en enkele artefacten uit de vroege middeleeuwen. Op het kadastrale minuutplan uit de periode 1811-1832 is het plangebied onbebouwd. Het plangebied is, zoals het vandaag nog doet, gelegen binnen een soort van “eiland” tussen enkele wegen. De bewoning binnen Venray concentreert zich voornamelijk direct ten zuidoosten van het plangebied. Het is pas vanaf het tweede kwartaal van de 20ste eeuw dat de (directe) omgeving van het plangebied dichter bebouwd geraakt. Vanaf de tweede helft van de 20ste eeuw worden delen van het plangebied zelf ook bebouwd.

Er geldt een lage verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars (paleolithicum - mesolithicum) en een hoge verwachting voor vindplaatsen van landbouwers (neolithicum – nieuwe tijd). Meer specifiek geldt deze hoge verwachting voor de (late) middeleeuwen t/m de nieuwe tijd. Advies Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen is vervolgonderzoek noodzakelijk. In navolging van het advies van een archeologie-beoordelaar zal dit vervolgonderzoek plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek in combinatie met een aantal machinaal gegraven profielputjes. Het volledige onderzoek met het advies van de archeologie-beoordelaar is als bijlage 10 bij deze motivering opgenomen. Proefsleuvenonderzoek Tussen 22 november en 12 december 2024 is het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd onder OOO-begeleiding. Tijdens dit onderzoek zijn drie perceleringsgreppels aangetroffen en een houtskoolhoudende kuil die mogelijk te interpreteren is als een houtskoolmeiler. Er is geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats, en daarom is het advies dan ook om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Het volledige onderzoek is als bijlage 11 bij deze motivering opgenomen.

5.10.2.2 Cultuurhistorie Binnen het plangebied zijn geen rijks -of gemeentelijke monumenten gelegen. Ook ligt het plangebied niet binnen een molenbiotoop of een beschermd stads-of dorpsgezicht.

5.10.3

Conclusie

Vanuit het aspect cultureel erfgoed is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.11 Water en watersystemen 5.11.1

Beoordelingskader

Ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water; dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Het watertoetsproces is één van de instrumenten om dit te bereiken. Het proces is er om waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Een van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is het watertoetsproces. Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 60

In het kader van de woningbouwontwikkeling is een watertoets verricht. Voor de volledige watertoets wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 12 deel uitmaakt van deze motivering. In het kader van de watertoets is over het plan ook advies gevraagd bij de betrokken waterbeheerder(- -s). Hoe met dit advies is omgegaan wordt in deze paragraaf toegelicht.

5.11.2

Watersystemen en bergingscapaciteit

De bijgevoegde watertoets bevat een beschrijving van de bestaande waterhuishoudkundige situatie alsmede van de voorwaarden van het te ontwerpen watersysteem. Bij de bepaling van de kwantitatieve bergingscapaciteit van een te realiseren waterbergende – en infiltrerendevoorziening zal uitgegaan worden van de onderstaande randvoorwaarden: een minimale K-waarde van 0,45 m/dag; een veiligheidsfactor van 0,3 m; absoluut infiltratiesysteem met een dimensionering van 60 mm berging; 100% afkoppeling van het afvoerend verhard oppervlak.

Uit de modelberekeningen blijkt: verhard oppervlak gebouwen: 2.315 m2; verhard oppervlak openbare verharding: 4.793 m2.

Bergingsvoorziening De bergingseis betreft 60 mm/m2 verhard oppervlak. In totaal is er een benodigde berging van:7.108 m2 x 0,06 m = 426 m3. De voorzieningen die - op basis van de locatie specifieke kenmerken en de beslismethodiek - geschikt zijn voor de onderhavige situatie zijn: WADI, greppel, infiltratievijver; Infiltratiekratten, -koffers, -sleuf, -riool; Infiltratie door water passerende verharding. De voorkeur van zowel de gemeente Venray als het Waterschap Limburg gaat uit naar een open bovengrondse infiltratievoorziening. In deze voorzieningen worden eventuele verontreinigingen in de bovengrond gebonden. Door de toplaag periodiek te vervangen wordt de kans op het ontstaan van een bodem- of grondwaterverontreiniging en het dichtslibben van de voorziening tot een minimum beperkt.

5.11.3

Duurzame verwerking hemelwater

Werking infiltratie systeem In dit bouwplan worden twee infiltratiesystemen toegepast: een bovengronds systeem in de vorm van WADI’s en een ondergronds systeem met infiltratieriolering. Uit de bergingsberekening – die is opgenomen in de watertoets – blijkt dat er in totaal voor 574,47 m3 aan bergingscapaciteit gerealiseerd wordt binnen het plangebied, namelijk 345 m3 in de WADI’s en 229,47 m3 in het IT-stelsel. Het te realiseren watersysteem heeft dus meer dan voldoende bergingscapaciteit (574,47 m3 -426 m3 = + 148,46 m3)

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 61

Het hemelwater van de gebouwen wordt rechtstreeks naar de WADI’s geleid. Het regenwater dat op de wegen en parkeerterreinen valt, wordt geborgen in een systeem van infiltratieriolering. Alle WADI’s en de infiltratieriolering worden met elkaar verbonden, zodat de volledige bergingscapaciteit van het plangebied benut kan worden. Daarnaast zullen er bovengrondse overstorten naar het vuilwaterriool aanwezig zijn. Overstortvoorziening De overstortvoorzieningen in het plan zijn naar verwachting niet nodig. Dit is de verwachting door de ingebouwde veiligheidsfactor van 0,30 m.

globale locatie WADI’s (blauw aangegeven) binnen plangebied

Invloed bestaande wijken Naar verwachting zal het bestaande woonwijk vrijwel geen invloed ondervinden van deze ontwikkeling. Er zal voor de bebouwing en het verhard oppervlak voldoende bergingscapaciteit aanwezig zijn. Afvalwater Al het vuilwater wordt verzameld m.b.v. een vrijvervalriool en wordt afgevoerd naar het bestaande rioolstelsel. Beheer en onderhoud Het plangebied zal worden opgenomen in het reguliere onderhoudsregiem van de gemeente Venray.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 62

5.11.4

Overleg waterschap

Het waterschap Limburg heeft het voorontwerp van het TAM-omgevingsplan Hoendersveld met alle bijbehorende planstukken ontvangen, zodat er een toetsing van het plan aan waterschapsbelangen heeft kunnen plaatsvinden. Ook kan het waterschap een advies afgeven t.a.v. een ruimtelijke ontwikkeling. Bij schrijven van 3 februari 2025 heeft het waterschap inhoudelijk gereageerd op deze planontwikkeling. Deze reactie is als bijlage 13 bij deze motivering gevoegd. Samengevat adviseert het waterschap: voor nieuwe ontwikkelingen uit te gaan van een waterberging van 100 mm in 24 uur. nieuwe ontwikkelingen klimaat adaptief neutraal bouwen; kijken of er groene daken, open verharding parkeerplaatsen en groen aangeplant kan worden tegen hittestress. Daarnaast is er de verwachting dat er bij een hevige regenbui binnen het projectgebied water komt te staan op maaiveld. Reactie gemeente Venray De gemeente heeft in haar beleid vastgelegd dat op eigen terrein een hemelwaterberging moet worden aangelegd. Deze berging is minimaal 60 mm gerelateerd aan het verhard oppervlak binnen het plangebied. Een en ander is vastgelegd in het Gemeentelijk RioleringsPlan 2022-2025. Het waterschap Limburg heeft als beleid vastgesteld dat er minimaal 100 mm berging moet worden gerealiseerd als er hemelwater op oppervlaktewater wordt geloosd.

Als er geen sprake is van oppervlaktewater adviseert het waterschap om toch een berging van 100 mm aan te houden. In het voorliggende plan is geen oppervlaktewater aanwezig. Het advies van het waterschap is daardoor niet bindend. Een dergelijke regenbui komt grof gezegd een keer in de 50 jaar voor. De bergende voorzieningen in het plan zijn dan dusdanig dat er ook bij deze regenbui nog geen water op straat staat. Als er meer neerslag valt dan staat er mogelijk tijdelijk (bijvoorbeeld een half uur) water op straat. Bij woningbouwplannen in het centrum van de stad, waar ruimte schaars en dus duur is, is het daardoor denkbaar dat wordt gekozen voor de minimaal voorschreven berging van 60 mm. Het is voor de gemeente of het waterschap niet mogelijk om een grotere berging af te dwingen.

5.11.5

Conclusie

Vanuit het aspect water en watersystemen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.12 Verkeer en parkeren 5.12.1

Beoordelingskader

De toename aan functies zorgen voor verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de 'Beleidsnota Parkeernormen Venray'. In deze beleidsnota zijn de parkeerkencijfers van het CROW vertaald naar parkeernormen voor de Gemeente Venray. De normen staan weergegeven in bijlage 3 van de Beleidsnota. In de beleidsnota staan verder de uitgangspunten en toepassingsregels m.b.t. parkeren.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 63

5.12.2

Ontsluiting en verkeersveiligheid

Het plangebied wordt voor autoverkeer ontsloten via zowel de noord-als de zuidkant (via de Langeweg-Sint Jozefstraat resp. Langeweg-Hoenderstraat). Het autoverkeer kan echter niet van noord naar zuid (en vice versa) rijden. Het parkgebied in het midden van het woongebied blijft namelijk autovrij. Daarnaast wordt voorzien in twee voetpaden die het plangebied vanuit het westen en oosten ontsluiten voor voetgangers (via de Langeweg resp. Eindstraat). Het plangebied wordt omgegeven door de Langeweg-Hoenderstraat-Bontekoestraat-Eindstraat-Sint Jozefweg. Voor de bereikbaarheid van het plangebied zijn vooral de Sint Jozefweg in het noorden en de LangewegHoenderstraat in het zuiden van belang. Via deze wegen is het centrum van Venray op loopafstand gelegen en zijn de buitensingels (noord-, oost-, zuid- en westsingel) binnen enkele minuten per auto bereikbaar. De Langeweg is een wijkontsluitingsweg, terwijl de andere wegen erftoegangswegen zijn. Op de Langeweg geldt een 50 km/u-regime, op de overige wegen 30 km/uur. De bestaande wegprofielen zijn op deze verkeerskundige functies afgestemd. Gelet op de ligging van het plangebied binnen de centrumrand (tussen de buitenring en de binnenstad/kernwinkelgebied) en de verkeerstructuur van de omringende wegen, kan er vanuit gegaan worden dat het verkeer zich gelijkmatig over deze wegen en richtingen zal verdelen.

Uitgaande van de te verwachten maximale verkeersgeneratie van 333 extra verkeersbewegingen2als etmaalgemiddelde op vooral de Langeweg-Hoenderstraat-Sint Jozefweg, leidt dit plan slechts tot een beperkte toename van de verkeersintensiteiten op deze wegen. Gelet op de verkeersfunctie van deze wegen, het bestaande wegprofiel, de bestaande verkeersintensiteiten en de autonome toename van deze verkeersintensiteiten in de periode 2024-2034, wordt geconcludeerd dat de omliggende infrastructuur geen hinder zal ondervinden ten gevolge van het relatief beperkte extra verkeer vanwege dit plan.

5.12.3 Parkeren In de huidige situatie bevindt zich een openbare parkeerterrein (aan de St. Jozefweg) binnen het plangebied. De parkeercapaciteit bedraagt hier ca. 80 parkeerplaatsen. Direct ten zuiden van het plangebied bevindt zich nog een tweede parkeerterrein (‘parkeerterrein Hoendersveld’). De parkeercapaciteit bedraagt hier ca. 78 parkeerplaatsen Dit parkeerterrein ligt buiten het plangebied en zal worden gehandhaafd alsmede worden heringericht tot een capaciteit van 48 parkeerplaatsen. Belangrijk is hier om te realiseren dat het hier twee onverharde en niet specifiek ingerichte parkeerterreinen betreft waarbij de parkeercapaciteit door het ontbreken van vakmarkeringen, wateroverlast bij slecht weer en opslag/stalling van (bouw)materialen, in de praktijk slechts zeer beperkt gehaald wordt. Op basis van de parkeerkencijfers uit de Beleidsnota Parkeernormen gemeente Venray (2013) dienen er voor het programma van 64 woningen (50 appartementen + 14 grondgebonden woningen) in het centrum in totaal 86 parkeerplaatsen (50 x 1,3 + 14 x 1,5) gerealiseerd te worden binnen het plangebied. Op een werkdag is daar maximaal 50% van bezet in de ochtend en middag.

Binnen het plangebied worden 118 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd; 62 parkeerplaatsen op parkeerterrein Oost, 48 parkeerplaatsen op parkeerterrein West en 8 parkeerplaatsen in Hof Oost + West. Dit zijn er 32 meer dan eigenlijk noodzakelijk is voor het aantal woningen dat gebouwd gaat worden.

2

o.b.v verkeersgeneratiekencijfers uit de publicatie ‘Toekomstig bestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen’, publicatie 744, CROW, 2024 zoals ook opgenomen in het verkeer- en parkeeronderzoek van bureau Goudappel (bijlage 11 van deze motivering).

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 64

Overdag zijn er dus 32 + 50% van 86 = 75 parkeerplaatsen in het plangebied beschikbaar ter compensatie van het verdwijnen van de noordelijke parkeerplaats. De capaciteit van de noordelijke parkeerplaats is ongeveer 80 parkeerplaatsen. Overdag neemt het aantal beschikbare parkeerplaatsen dus nauwelijks af. Er van uitgaande dat ’s avonds en ’s nachts 86 parkeerplaatsen binnen het plangebied bezet zijn door nieuwe bewoners, dan zijn er 32 parkeerplaatsen waar de buurt gebruik van kan maken. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat aan de Eindstraat 19 twee appartementen worden gerealiseerd (door de splitsing van een bestaande woning) en dat één van deze 33 parkeerplaatsen reeds is toegekend aan de bewoners van één van deze appartementen.

Samen met de herinrichting van het zuidelijk gelegen parkeerterrein ‘Hoendersveld’ komen er straks in het gebied 166 (118 + 48) parkeerplaatsen. Bij de herinrichting van het zuidelijke parkeerterrein is ook nog van belang dat het hier specifiek gaat om centrumparkeren, waarbij er voldoende alternatieven aanwezig zijn in en rondom het centrum (specifiek de grote parkeergarage Centrumgarage aan de Langeweg). Wijzigingen parkeersituatie Eindstraat Aanvullend aan de ontwikkeling van Hoendersveld is het voornemen om aan de oostzijde van plangebied, enkele (privé) parkeerplaatsen toe te voegen. De toe te voegen parkeerplaatsen zijn specifiek bestemd voor bewoners en bezoekers van de woningen aan de Eindstraat en zijn gesitueerd op privé terrein tussen de Eindstraat 21 en 27A-C. In de huidige situatie zijn voor deze bewoners en hun bezoekers niet of beperkt privé parkeerplaatsen beschikbaar. Opdrachtgever is voornemens om in totaal 8 privé parkeerplaatsen toe te voegen. Hiertoe komen 3 garageboxen te vervallen, waarvan 2 garageboxen gecompenseerd worden. Uit onderstaande tabel blijkt dat de verwachting is dat de parkeerbehoefte in de openbare ruimte hierdoor met circa 4 tot 8 parkeerplaatsen afneemt, afhankelijk van het moment van de dag en week. Het toevoegen van de privé parkeerplaatsen leidt daarmee tot een gunstigere parkeersituatie in de openbare ruimte in de toekomst.

De verkeerskundige consequenties van deze planontwikkeling (zowel wat betreft verkeersgeneratie als wat betreft de parkeersituatie in en om het plangebied) zijn getoetst en uitgewerkt door het verkeerskundig adviesbureau Goudappel. Hieruit blijkt dat er geen overwegende verkeerskundige bezwaren zijn tegen deze ontwikkeling. Verwezen wordt hier naar het verkeer-en parkeeronderzoek dat als bijlage 14 deel uit maakt van deze motivering.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 65

Locaties parkeerplaatsen

5.12.4 Conclusie Vanuit het aspect verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies.

5.13 Milieueffectrapportage 5.13.1

Beoordelingskader

De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa: De mer-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor projecten; De smb-richtlijn regelt de milieueffectrapportage voor plannen en programma’s.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 66

Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn. De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit. Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten: 1. Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffect-rapport (MER) worden gemaakt. 2. Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt. Of een besluit over een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob), in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V Ob heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning.

Het betreft dan overigens altijd een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit (of een ontgrondingenactiviteit, wateractiviteit e.d.) Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een merbeoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of sprake is van aanzienlijke milieueffecten, bedoeld in artikel 16.43, tweede lid, van de wet, met de bijbehorende motivering op in het besluit en, voor zover hier sprake van is, in het ontwerp van het besluit (artikel 11.11, lid 2 Omgevingsbesluit). Motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) In de motivering van de beslissing wordt in ieder geval verwezen naar: a. b.

5.13.2

de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt: - 1˚. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en - 2˚. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.

Toetsing

In categorie J11, kolom 3 bijlage V Ob is aangegeven dat een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd voor de ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Wat een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ is wordt niet nader gedefinieerd in het Omgevingsbesluit. De minimale drempelwaarden zoals die in onderdeel D categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage stonden zijn vervallen. Bij deze categorie van projecten is verder een m.e.r.-plicht niet aan de orde.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 67

Uit de (uitgebreide) jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de enkele omstandigheid dat een project relevante (negatieve) milieugevolgen heeft niet doorslaggevend is voor het oordeel of zo’n project is aan te merken als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. De concrete aard en omvang van het project zijn veel belangrijkere criteria voor deze beoordeling (zie bijvoorbeeld AbRvS 15 maart 2017 / 201601015/1/R1 ECLI:NL:RVS:2017:694 (bouwmarkt Hornbach)). Binnen het plangebied vindt een transformatie plaats - binnen bestaand stedelijk gebied - van een deels onbebouwd en onverhard binnenterrein in een aaneengesloten woongebied met 64 woningen, 118 openbare parkeerplaatsen en groen- en watervoorzieningen. Door zowel de situering als de toename van het ruimtebeslag en het functionele programma van het nieuwe woongebied, vindt er een uitbreiding plaats van stedelijke bebouwing en stedelijke functies binnen bestaand stedelijk gebied. Een m.e.r.-beoordeling van het project in het omgevingsplan is derhalve noodzakelijk.

In een bijgevoegd rapport is beoordeeld of als gevolg van de realisatie van het beoogde woongebied nadelige effecten op het milieu zijn te verwachten. De onderstaande tabel geeft een overzicht van de beoordeelde milieuaspecten en de daarbij behorende conclusies weer:

aspect Natuur (gebiedsbescherming)

beoordeling milieu-effecten Een stikstofberekening heeft plaatsgevonden. Gezien de afstand tot het dichtst nabijgelegen Natura 2000-gebied, en de aard van het plan, kan op voorhand worden gesteld dat een negatief effect niet wordt verwacht.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 68

Natuur (soortenbescherming)

De aantasting van beschermde soorten is grotendeels uitgesloten middels een quickscan flora en fauna. Huismus Door de vegetatie (met name verwilderd grasland) te verwijderen, verliest het plangebied tijdelijk een klein deel van het functioneel leefgebied van de huismus. In de nieuwe situatie wordt er veel openbaar groen aangelegd. Om er op de langere termijn voor te zorgen dat de foerageerhabitats van de huismus blijven bestaan, zal er bij de aanleg van het nieuwe groen zoveel mogelijk van inheemse bes-dragende struiken, bomen en ligusterhagen/haagbeuk te worden uitgegaan. Vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Vleermuizen Tegen twee te kappen bomen in het plangebied hangt een vleermuizenkast. Voor het verplaatsen van een niet in gebruik zijnde vleermuizenkast is geen ontheffing nodig. Beide vleermuizenkasten kunnen daarom, voordat de bomen worden gekapt, worden verplaatst naar bomen buiten het plangebied.

Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën

Verkeer

In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Ow zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud De beoogde ontwikkeling zorgt voor een verkeersaantrekkende werking met aansluitingen op de omliggende 30 km/uur- en 50 km/uurwegen.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 69

Geluid

Het plan heeft een beperkte schaal waardoor het huidige wegennet de nieuwe toename gemakkelijk kan opvangen. Er wordt geen nadelig effect verwacht voor het milieu vanwege het aspect verkeer. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal er sprake zijn van een extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie. Hiermee zou sprake kunnen zijn van een toename van geluidshinder op bestaande omringende woningen. Toename van verkeer als gevolg van bestemmingsverkeer valt onder ‘indirecte effecten van veranderend verkeer’ zoals beschreven in paragraaf 5.1.4.2a.5 Bkl. Volgens artikel 5.78af lid 1 is een toename van 1,5 dB toegestaan. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40%.

De toename van 333 verkeersbewegingen vanwege het plan zal niet leiden tot een merkbare geluidstoename voor de omwonenden. De door de ontwikkeling veroorzaakte toename bedraagt 6,6% (2034) ter plaatse van de Sint Jozefstraat en Langeweg en 11% (2034) op de Hoenderstraat en Eindstraat. Bodem

Middels een uitgevoerd voor-, verkennend- en nader bodemonderzoek (asbest/PAK) is vastgesteld dat er m.u.v. boring A17 - geen te saneren bodemverontreiniging aanwezig is. De geconstateerde verontreinigingen zullen door de eigenaar gesaneerd worden. Dit saneringsproces zal parallel lopen met de wijziging van het omgevingsplan. Uitgangspunt daarbij is dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In de regels is ook een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Archeologie Om de – in het bureau-onderzoek gespecificeerde archeologische verwachting (deels laag, deels hoog) aan te vullen en te verfijnen is vervolgonderzoek noodzakelijk. In navolging van het advies van een archeologiebeoordelaar zal dit vervolgonderzoek plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek in combinatie met een aantal machinaal gegraven profielputjes.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 70

Dit proefsleuvenonderzoek onder OOObegeleiding is uitgevoerd. Er is geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats, en daarom is het advies dan ook om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen bouwwerkzaamheden. Water

De bergingseis betreft 60 mm/m2 verhard oppervlak. In totaal is er een berging van: 7.108 m2 x 0,06 m = 426 m3 nodig. In het plan worden twee bergings-en infiltratiesystemen toegepast: een bovengronds systeem in de vorm van WADI’s en een ondergronds systeem met infiltratieriolering waarbij voor 100% binnen het plangebied in de bergingsbehoefte wordt voorzien.

Voor de volledige m.e.r.-beoordeling wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 15 deel uitmaakt van deze motivering.

5.13.3 Conclusie De uitkomst van de uitgevoerde toets is dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

5.14 Niet gesprongen explosieven 5.14.1

Beoordelingskader

Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar niet gesprongen explosieven (NGE). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de ruimtelijke (planologische) procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving.

5.14.2

Vooronderzoek OO/CE

Er is een Vooronderzoek Compleet (OO/CE) uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten binnen het plangebied. Het doel van dit onderzoek is het verkrijgen van een gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1.

Is het onderzoeksgebied of een deel hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen en potentieel verdacht (aanwijzingen/indicaties voor de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten)?

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 71

2. 3.

Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als onverdacht kan worden aangemerkt (aanwijzingen contra-indicaties)? Indien er sprake is van verdacht gebied wat is dan de hoofdsoort, subsoort, kaliber/gewichtsklasse, nationaliteit, hoeveelheid en verschijningsvorm van de vermoede Ontplofbare Oorlogsresten (en voor de hoofdsoort afwerpmunitie tevens het type ontstekingsinrichting en het verwachte aantal)?

Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar het rapport dat als bijlage 16 deel uitmaakt van deze motivering. Ad 1. Het onderzoeksgebied is betrokken geweest bij oorlogshandelingen. Vanaf begin oktober 1944 werd Venray met geallieerde artillerie bestookt. Het hoogtepunt van deze geallieerde beschietingen lag rond de bevrijding van Venray op 18 oktober 1944. Het onderzoeksgebied ligt in het centrum van Venray, dat zwaar getroffen werd. Verder werd op 14 oktober 1944 de Sint Petrus’ Bandenkerk, op zo’n 200 meter van het onderzoeksgebied gelegen, de gehele dag aangevallen door Typhoons die raketten afschoten op de toren van de kerk. Op luchtfoto’s van 15 oktober 1944 zijn kraters waargenomen binnen het onderzoeksgebied en in de directe omgeving daarvan. Ook werd een groot deel van de bebouwing in de omgeving van het onderzoeksgebied verwoest of zwaar beschadigd. Na de bevrijding kwam het dorp onder Duits artillerievuur te liggen. Eind 1944 werd in de directe omgeving van het onderzoeksgebied een raket geruimd. Omwille van voorgaande is het gehele onderzoeksgebied als verdacht op geschutmunitie en een deel van het onderzoeksgebied als verdacht op raketten geclassificeerd. Ad 2. Door de jaren heen is er binnen de contouren van het onderzoeksgebied bebouwing gerealiseerd en weer verwijderd. In het noorden en het zuiden van het gebied zijn parkeerplaatsen gerealiseerd.

Rondom het gebouw dat vandaag de dag in het onderzoeksgebied staat, is verharding aangelegd. Tevens zijn er kabels en leidingen gelegd. Maatvoering omtrent de bodemroerende werkzaamheden ontbreekt. Daardoor kan enkel worden gesteld dat de geroerde bodemlagen als ‘onverdachte laag na bodemingrepen’ worden beschouwd. Ad 3. Het gehele onderzoeksgebied is verdacht op geschutmunitie en een deel van het onderzoeksgebied is verdacht op raketten.

5.14.3 Conclusie Indien in als ‘verdacht’ aangemerkt gebied werkzaamheden gepland zijn, dient eerst het opsporingsproces voortgezet te worden. In de bodemlagen die niet als verdacht zijn aangemerkt, kunnen de geplande werkzaamheden op reguliere wijze worden uitgevoerd. Hierbij geldt wel voor iedereen die ter plaatse werkzaamheden verricht dat zij het Protocol Toevalsvondst moeten volgen.

Protocol Toevalsvondst Mochten er onverhoopt munitie(gelijkende) objecten worden aangetroffen in de als ‘onverdacht’ geclassificeerde bodemlagen, wordt geadviseerd om de werkzaamheden direct te staken en de lokale politie van deze vondst op de hoogte te stellen. Tevens wordt geadviseerd om in een dergelijke situatie contact op te nemen met een CS-OOO gecertificeerd opsporingsbureau en gezamenlijk vast te stellen of opschaling noodzakelijk is.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 72

6.

TOELICHTING OP DE REGELS

6.1

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Met het TAM-IMRO omgevingsplan ‘Hoendersveld’ wordt de realisatie van 63 woningen mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Venray is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

6.2

Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen. Toepassing TAM-IMRO De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAM’s) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAM’s is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025.

Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Werkingsgebied De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Hoendersveld, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0984.TAM24007-va01, zoals vastgelegd op https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart.nl. In hoofdstuk 1 van deze motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

6.2.1 Preambule In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

Pagina | 73

6.2.2 Inleidende bepalingen Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit: artikel 1.1 Begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. artikel 1.2 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan. artikel 1.3 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. artikel 1.4 Aanvraagvereisten: In dit artikel is aangegeven dat de aanvraagvereisten uit artikel 22.5.2 van het omgevingsplan van rechtswege ook van toepassing zijn verklaard op omgevingsvergunningaanvragen vereist op basis van het TAM-IMRO omgevingsplan. artikel 1.5 Zorgplicht: Dit artikel geeft aan dat een ieder bij de uitvoering van activiteiten als bedoeld in dit plan moet zorgdragen voor de fysieke leefomgeving en nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving moet voorkomen.

6.2.3 Functies en activiteiten In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe het bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan en welk gebruik van gronden en bouwwerken mogelijk is. In paragraaf 6.3 worden de verschillende functies en gebiedsaanduidingen toegelicht en wordt ook per functie aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze toedeling is gekozen.

6.2.4 Beschermen van waarden In hoofdstuk 3 zijn de regels opgenomen die specifieke waarden die concrete functiegebieden overstijgen binnen het plangebied beschermen. Het kan hier gaan om bijvoorbeeld archeologische waarden, beschermde stads-en dorpsgezichten, waterstaatswaarden of regelingen voor beschermingszones langs waterlopen, leidingen e.d. In paragraaf 6.3 worden de verschillende waardenregelingen toegelicht en wordt ook aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze toedeling is gekozen.

6.2.5 Algemene bepalingen Hoofdstuk 4 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: artikel 11 Anti-dubbeltelregeling: Een anti-dubbeltelregeling is op zichzelf binnen het stelsel van de Omgevingswet in het Omgevingsplan niet langer verplicht, maar mag wel opgenomen worden. Er is gekozen om deze regeling te handhaven. De anti-dubbeltelbepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens het Omgevingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. artikel 12 Algemene bouwregels: Dit artikel bevat regels ten aanzien van het bouwen van ondergrondse bouwwerken en de verplichting tot het voorzien in voldoende waterberging en parkeergelegenheid (beide op eigen terrein) in het kader van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

| motivering TAM- omgevingsplan Hoofdstuk 22a Hoendersveld Venray | status: definitief |

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15858843/1