DEF 20251106 TAM-OP Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn Motivering
Tekst van het document
Onderhavig planvoornemen voldoet, daar waar nodig, aan bovenstaande artikelen uit de Bruidsschat zoals opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Venray. De genoemde artikelen vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. 5.1.3 Spuitzones In het kader van een evenwichtige toedeling van functies moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging is het bij voorliggend planvoornemen verplicht om een spuitvrije zone aan te houden. Een spuitvrije zone is van belang voor de (planologische) borging van een goed woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van het nieuwbouwplan alsmede de juridische houdbaarheid van voorliggend TAM-Omgevingsplan. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Binnen een afstand van 50 meter rondom het plangebied zijn meerdere agrarische percelen gelegen waarop mogelijk kan worden gespoten met gewasbeschermingsmiddelen.
Navolgende afbeelding geeft de spuitcirkel van 50 meter rondom het plangebied weer.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
29
Situatietekening plangebied met spuitcirkel van 50 meter rondom bestemming 'wonen'.
In het kader van dit voornemen is overleg gevoerd met de eigenaren van agrarische percelen die binnen een straal van 50 meter rondom het plangebied liggen. Met al deze eigenaren is, of wordt op korte termijn, een overeenkomst of verklaring ondertekend waarin is vastgelegd dat zij, ter plekke van het eigendomsperceel geen gebruik meer maken van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen. Daarnaast hebben de eigenaren middels het ondertekenen van de overeenkomst ook ingestemd met het vastleggen van een spuitbeperking voor het bedrijfsmatig toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op hun (deel van het) perceel dat een agrarische functie kent en binnen de 50 meter afstand vanaf het plangebied ligt. Deze spuitbeperking betreft een publiekrechtelijk verbod op het bedrijfsmatig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op (dat deel van) hun perceel/percelen. Meer specifiek betreft het in deze de gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen die leiden tot schadelijke effecten voor het woon- en leefklimaat en/of het verblijfsklimaat van de voor deze middelen gevoelige functies. Onder voor gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen gevoelige functies worden verstaan alle functies waar geregeld en gedurende langere perioden mensen verblijven.
Om desbetreffende spuitvrije zone planologisch goed vast te leggen is in de planregels en de bijbehorende verbeelding van het voorliggende TAM-Omgevingsplan, een 'milieuzone – spuitvrije zone' opgenomen. Hiermee wordt verzekerd dat ter plaatse van de toekomstige woningen binnen het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot het aspect 'spuitzones'. Omdat nog niet alle eigenaren van de omliggende agrarische percelen daadwerkelijk een overeenkomst of verklaring ondertekend hebben waarin is vastgelegd dat zij, ter plekke van het eigendomsperceel geen gebruik meer maken van gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen en/of andere verspuitbare middelen is er in artikel 10.6.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van woningen met bijhorende tuinen. De omgevingsvergunning voor
30
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
het bouwen van woningen met bijbehorende tuinen op de gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - spuitzone', mag pas worden verleend nadat binnen 50 m van de beoogde woningen en de bijbehorende tuinen het telen van gewassen met gebruik van gewasbeschermingsmiddelen binnen aangrenzende agrarische percelen niet meer mogelijk is. 5.1.4 Conclusie gezondheid Gelet op vorenstaande wordt in het kader van gezondheid voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect 'gezondheid' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
5.2
Geluid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. Het betreft geluid door activiteiten (wegen, spoorwegen en industrieterreinen e.d.) en specifieke activiteiten (windturbines e.d.). 5.2.1 Wettelijk kader Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het Omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). Gemeenten zijn aan zet om gedurende de overgangsperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het Omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het Omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit. Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu.
Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het Omgevingsplan, zijn instructieregels voor activiteiten van toepassing (5.59 Bkl). 5.2.2 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Onderhavig planvoornemen, het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, ziet op het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige gebouwen (42 woningen). De woonwijk ontwikkeling is niet gelegen in een zone of aandachtsgebied voor industrie- of railverkeerslawaai. Omdat er nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd is de geluidsbelasting op de gevels van de woningen berekend ten gevolge van het omliggend wegennet. Deze geluidsbelasting is getoetst aan de normstelling uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de Wet geluidhinder (daar deze wegens overgansrecht nog van toepassing is op het geluid van provinciale wegen). Tevens is bepaald wat de gezamenlijke geluidbelasting ter hoogte van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg is, dit zodat bezien kan worden of extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn.
De berekeningen van de gevelbelasting zijn uitgevoerd met behulp van de rekenmethode volgens de Aanvullingsregeling geluid Omgevingswet. Hiertoe is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu van DGMR. Het akoestisch onderzoek naar het de gevelbelasting ter plaatse van onderhavig voornemen is uitgevoerd door Aelmans Ruimte, Omgeving & Milieu BV, de rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 3 Akoestisch onderzoek berekening gevelbelasting, Aelmans ROM B.V. (d.d. 20-05-2025).
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
31
Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is gebleken dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de N270 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan overschrijdt waardoor geen hogere waarde procedure doorlopen hoeft te worden. Omdat het gezamenlijk geluid kleiner of gelijk is aan 53 dB, is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd. Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan. 5.2.3 Geluid door bedrijfsmatige activiteiten Met betrekking tot het aspect geluid kan in de fysieke leefomgeving sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van de bedrijfsmatige activiteiten die plaatsvinden op of nabij onderhavige locatie. Dit aspect is nader beoordeeld in paragraaf 5.12. 5.2.4 Conclusie geluid Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen, e.d. voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een goed woon- en leefklimaat evenals een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect 'geluid' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
5.3
Kwaliteit van de buitenlucht
Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het van belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen. Als gevolg van voorliggend plan kunnen de nieuw activiteiten invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve hiervan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. 5.3.1 Wettelijk kader Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de hoofdlijnen voor regelgeving rondom de luchtkwaliteitseisen opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om
32
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
2.
Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘Standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Met de NIBM-tool kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een project betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Hierbij zijn soms detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld: bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit; bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt; bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg. 5.3.2 Toetsing In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4.1). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Binnen de getalsmatige grenzen van de 'Standaardgevallen NIBM', zoals opgenomen in artikel 5.54 van het Bkl, draag in project altijd 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Volgens artikel 5.53 onder b.
leidt het toelaten van gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) van 1,2 µg/m³ of minder als het gaat over het toelaten van woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met: 1. 2.
één ontsluitingsweg: ten hoogste 1.500 woningen; of twee ontsluitingswegen: ten hoogste 3.000 woningen.
Bij voorliggend project is geenszins sprake van een project van dergelijke omvang. Het voornemen ziet op het toelaten van 42 nieuwe wooneenheden. Gesteld kan worden dat het voornemen binnen de 'Standaardgevallen NIBM' en zo ook het 3% criterium van de NIBM-grens blijft. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. 5.3.3 Conclusie kwaliteit van de buitenlucht Gelet op vorenstaande wordt in het kader van de kwaliteit van de buitenlucht voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect 'kwaliteit van de buitenlucht' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
33
5.4
Geur
5.4.1 Wettelijk kader In de fysieke leefomgeving kunnen (bedrijfsmatige) activiteiten voorkomen die geurhinder veroorzaken. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving'). In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw ‘aanvaardbaar’ moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun eigen Omgevingsplannen eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd. In het Omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour.
Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het Omgevingsplan. 5.4.2
Verordening geurhinder en veehouderijen gemeente Venray 2011
Vanaf 1 januari 2007 vormt de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) het toetsingskader als het gaat om geurhinder afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen. De geuremissie is afhankelijk van het aantal en soort dieren dat binnen de inrichting aanwezig is. De gemeente Venray heeft op 11 november 2011 de 'Verordening geurhinder en veehouderijen gemeente Venray 2011' vastgesteld. In deze verordening wijkt de gemeente Venray deels af van de wettelijke normen uit de Wgv. De geurverordening van de gemeente Venray stelt de volgende normen: a. b. c.
Bestaande woongebieden: 3,0 ouE/m3 ; Zoekgebieden woningbouw en bedrijventerreinen: 8,0 ouE/m3 ; Buitengebied: 14,0 ouE/m3 .
Bovenstaande normstelling heeft de gemeente Venray onderbouwd in de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij (inclusief aanvulling uit 2011). 5.4.3 Beoordeling Met betrekking tot het aspect 'geur' zijn de veehouderijen met geuremissies in de omgeving van het plangebied berekend en in kaart gebracht, de gemaakte kaarten zijn bijgevoegd als Bijlage 4. Bij het opstellen van deze kaart is gebruik gemaakt van 'default' parameters voor alle bedrijven, behalve de twee bedrijven op de Ysselsteynseweg 63 en 67 daar deze de hoogste bijdrage aan de geurbelasting op het plangebied hebben. Voor de bedrijven op de Ysselsteynseweg 63 en 67 zijn detail-parameters gebruikt op emissiepuntniveau.
34
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
Uitsnede Bijlage 4: Veehouderij en geuremissie omgeving plangebied.
Zoals zichtbaar op navolgende kaart is het plangebied hoofdzakelijk aangeduid als 'buitengebied'. Een deel van het plangebied is aangeduid als 'bestaand woongebied'.
Uitsnede kaart 'Gemeentelijke normstelling Verordening 2011' met globale aanduiding plangebied (rood omlijnd).
Voor de delen van het plangebied die zijn aangeduid als 'buitengebied' geldt een geurnorm van 14 ouE/m3 . Voor het noordelijke deel van het plangebied dat binnen de aanduiding 'bestaande woongebieden' valt geldt een geurnorm van 3 ouE/m3 . Op navolgende overzichtskaart zijn de achtergrondbelasting geur en tevens de belangrijkste geurcontouren van bedrijven (voorgrondbelasting) opgenomen. Zowel de achter- als voorgrondbelasting worden vervolgens nader toegelicht.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
35
Uitsnede Bijlage 4: Overzichtskaart voor- en achtergrondbelasting geur.
Achtergrondbelasting Voor nieuwe bouwplannen binnen het invloedsgebied van intensieve veehouderijen geldt dat, alvorens gebouwd kan worden, verzekerd dient te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Zoals zichtbaar op navolgende afbeelding blijkt dat ter plaatse van de woningen binnen het plangebied, met in achtneming van de vergunde situatie, sprake is van een achtergrondbelasting geur tussen de 14,4 ouE/m3 en 17,6 ouE/m3 . Hierdoor wordt het leefklimaat ter plaatse van het plangebied gekwalificeerd als 'matig'.
Uitsnede Bijlage 4: Achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder plangebied en omgeving.
Gelet op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij (inclusief aanvulling uit 2011) is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat daar waar de gemiddelde achtergrondbelasting onder de maximaal waarde voor de achtergrondbelasting ligt. Deze maximale waarde achtergrondbelasting waarbij nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is voor zowel het buitengebied als het bestaande woongebied 20 ouE/m3 . Verder wordt aan de vaste afstanden van 50 meter en 100 meter tot veehouderijen voldaan.
36
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
Het planvoornemen ligt op meer dan voldoende afstand ten opzichte van omliggende veehouderijen waardoor er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ondanks dat er sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en klimaat ter plaatse van het plangebied, op basis van de vergunde situatie, is alsnog middels navolgende afbeelding een doorkijk weergeven naar een mogelijke toekomstige situatie. In die situatie is de achtergrondbelasting berekend waarbij de geuremissie van bedrijven die naar verwachting/ mogelijk stoppen niet is meegerekend. In de weergegeven situatie zou de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied vrijwel halveren tot 8 ouE/m3 á 9 ouE/m3 .
Uitsnede Bijlage 4: Scenario verwachte/ mogelijke stoppers - Achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder plangebied en omgeving.
Voorgrondbelasting Voor het grootste deel van het plangebied geldt conform de Geurverordening een geurnorm van 14 ouE/m3 . Aan de noordzijde van het plangebied geldt conform de Geurverordening een geurnorm van 3 ouE/m3 . Zoals zichtbaar op navolgende afbeeldingen liggen de 3 ouE/m3 -geurcontour van de Ysselsteynseweg 63 en 67 over het plangebied heen en met name over het noordwestelijk deel waar een geurnorm van 3 ouE/m3 vigerend is.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
37
Uitsnede Bijlage 4: Geurhindercontouren en voorgrondbelasting Ysselsteynseweg 67.
Uitsnede Bijlage 4: Geurhindercontouren en voorgrondbelasting Ysselsteynseweg 63.
Gesteld wordt dat de vigerende geurnorm van 14 ouE/m3 binnen het plangebied nergens wordt overschreden. De aan de noordzijde van het plangebied vigerende geurnorm van 3 ouE/m3 wordt beperkt overschreden. Ondanks deze overschrijding van de geurnorm kan het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied, met in achtneming van de hogere achtergrondbelasting, alsnog acceptabel worden geacht. Omgekeerde werking Naast het toetsten van het woon- en klimaat ter plaatse van de beoogde woningen, is het tevens van belang dat de bestaande bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering door voorliggende ontwikkeling (de zogenaamde omgekeerde werking). Gesteld wordt dat voorliggende ontwikkeling geen invloed heeft op de reeds aanwezige bedrijfsvoering in de omgeving, aangezien er al bestaande woningen meer belemmerend zijn dat de beoogde woningen. De voorgrondbelasting op het dichtst bij de veehouderijen gelegen punt, het noordoostelijk hoekpunt van het plangebied, is in beide gevallen net iets lager dan de geurbelasting op de hoekpunten van de ten noorden van het plangebied gelegen woning Kievitsweg 15. Kievitsweg 15 ligt dichter bij de veehouderij en is daardoor altijd het eerste en meest belemmerende object t.o.v. Ysselsteynseweg 63 en Ysselsteynseweg 67. Omgekeerde werking is daardoor in voorliggende situatie niet aan de orde.
5.4.4 Conclusie geur Op basis van het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat de achtergrondbelasting voldoet aan de gemeentelijke normen zoals opgenomen in de 'Verordening geurhinder en veehouderijen gemeente Venray 2011'. Vanuit geurhinder van veehouderijen bestaan hiermee geen belemmeringen voor het beoogde bouwplan Ringweg/Kievitsweg. Bovendien worden de veehouderijen in de omgeving niet beperkt als gevolg van deze ontwikkeling, omdat andere woningen in de omgeving dichter bij de veehouderijen zijn gelegen. Gelet op vorenstaande wordt in het kader van geur voldaan aan de regels en is ter plekke sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het aspect 'geur' levert geen belemmering op voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan.
38
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
5.5
Bodemkwaliteit
Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. 5.5.1 Wettelijk kader Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies in de fysieke leefomgeving ter plekke. Ofwel dient bezien te worden of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. De regels met betrekking tot aspect bodemkwaliteit zijn opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 (Bkl). Dit besluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid i Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het plangebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal).
De gemeente kan echter in haar Omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden. 5.5.2 Toetsing Onderhavig planvoornemen, het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, ziet op het mogelijk maken van nieuwe bodemgevoelige gebouwen, zijnde 42 woningen. In dat kader is ten behoeve van het project een verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor de beoogde woonwijk. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest, Aelmans Milieu Voerendaal B.V. (d.d. 13-11-2024). Ter plaatse van het te onderzoeken perceel zijn een 21-tal boringen deels in combinatie met inspectiegaten systematisch verdeeld over het te onderzoeken perceel. De boven- en ondergrond van de alhier geplaatste boringen is analytisch onderzocht in een 5-tal grondmengmonsters. Op basis van een indicatieve toetsing kan de boven- en ondergrond als klasse 'Landbouw/natuur' worden gekwalificeerd.
Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt dat diverse licht verhoogde concentraties PFAS boven de detectielimiet zijn aangetroffen, maar deze gehaltes overschrijden niet de maximale waarde voor klasse Landbouw/natuur. Verder zijn in het grondwater verhoogde concentraties koper en molybdeen aangetroffen. Voornoemde parameters overschrijden niet het huidige toetsingscriterium. Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuigelijk geen asbestverdachte plaatmaterialen aangetoond. Geen van de onderzochte asbestconcentraties overschrijden de detectiegrenzen van 2 mg/kg ds. Het onderzoek concludeert dat met de betrekking tot het aspect 'grond en grondwater' de hypothese "onverdacht", op basis van de onderzoeksresultaten, wordt bevestigd. Met betrekking tot het aspect 'asbest' wordt tevens op basis van de bevindingen van voornoemd zintuigelijk bodemonderzoek en het analytisch asbestonderzoek de hypothese “onverdacht” bevestigd. Naar aanleiding van de bevindingen van het verkennend bodemonderzoek en een verkennend onderzoek naar het voorkomen van asbest zijn er geen belemmeringen en/of beperkingen verbonden aan de voorgenomen
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
39
herbestemming van het perceel en het beoogde gebruik ten behoeve van woondoeleinden. 5.5.3 Conclusie bodemkwaliteit Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'bodemkwaliteit' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.6
Ontplofbare oorlogsresten
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen)munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar ontplofbare oorlogsresten (OO). Met behulp een het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de planologische planprocedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter ten allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. In het kader van het vorenstaande is ter plaatse van het plangebied op 8 juli 2025 een non-realtime passieve oppervlaktedetectie uitgevoerd door Heijmans Infra B.V. Bodem. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6.
In de rapportage van het 'Verkort detectierapport Opsporing Ontplofbare Oorlogsresten' wordt geadviseerd om het plangebied van de eerste 20 tot 30 cm te ontdoen door middel van afgraven en vervolgens nieuwe passieve oppervlaktedetectie toe te passen. Na de nieuwe detectie, na benadering, identificatie en daar waar mogelijk het wegnemen van de objecten kunnen deze locaties vrijgegeven worden voor vervolgwerkzaamheden, zijnde het herinrichten van het plangebied. Dit advies zal worden opgevolgd alvorens vervolgwerkzaamheden ter realisatie van onderhavig planvoornemen worden uitgevoerd. 5.6.1 Conclusie ontplofbare oorlogsresten Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'ontplofbare oorlogsresten' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.7
Wegen, verkeer en parkeren
Bij veranderingen in de fysieke leefomgeving dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. 5.7.1 Weg en verkeer Het plangebied wordt aan de noordzijde ontsloten via de Kievitsweg en aan de oostzijde aan de Ringweg. Beide wegen zijn vervolgens verder ontsloten op de Puttenweg (N277). De Kievitsweg betreft een 30 km/uur weg. De ringweg betreft in de huidige situatie binnen de bebouwde kom een 30 km/uur weg, buiten de bebouwde kom mag op de Ringweg 60 km/uur worden gereden. Voor de Puttenweg geldt binnen de bebouwde kom een maximale snelheid van 50 km/uur, daarbuiten geldt 80 km/uur. Als gevolg van onderhavig planvoornemen, het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, zal sprake
40
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
zijn van een toename van het aantal verkeersbewegingen op en rondom het plangebied. Volgens CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024 - basis voor parkeernormering' zal het bouwplan Ringweg/Kievitsweg een verkeersgeneratie van circa 245 motorvoertuigbewegingen per etmaal tot gevolg hebben op een gemiddelde weekdag. Hierbij is uitgegaan van de volgende berekening:
Berekening gemiddeld verkeersgeneratie bouwplan Ringweg/Kievitsweg op een gemiddelde weekdag.
Wat betreft profiel en capaciteit zijn de wegen berekend op een geringe, in vergelijk met het totaal aantal verkeersbewegingen over de weg, toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de realisatie van de woningen. Het plangebied is verder ook goed ontsloten voor langzaam verkeer. 5.7.2 Parkeren De gemeente Venray hanteert met betrekking tot hun parkeerbeleid de 'Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray'. Voorliggend voornemen ziet op het mogelijk maken van 42 woningen bestaande uit verschillende categorieën. Conform de gemeentelijke beleidsregel geldt een parkeernorm van 2 parkeerplekken per woonhuis en 1,5 parkeerplek per appartement. Het voornemen voorziet, op basis van deze verdeling, in de realisatie van 24 'woonhuizen' en 18 'appartementen'. Gelet op deze uitgangspunten dient in het kader van voorliggend plan te worden voldaan aan een parkeerbehoefte van in totaal ((24 x 2,0) + (18 x 1,5)=) 75 parkeerplekken. Hierbij is uitgegaan van de volgende berekening:
Berekening parkeerbehoefte bouwplan Ringweg/Kievitsweg.
In onderhavig plan wordt in beginsel afgeweken van de Beleidsnota Parkeernormen Gemeente Venray, echter wordt wel gehandeld in lijn met de beleidsnota. In het kader van onderhavig plan kunnen niet op ieder woonperceel de benodigde parkeerplekken worden gerealiseerd. Derhalve worden een deel van de benodigde parkeerplekken opgevangen in de openbare ruimte. Bovenstaande tabel en navolgende afbeelding maakt inzichtelijk hoe de benodigde parkeerplekken worden verdeeld over de percelen/ de openbare ruimte binnen het plangebied. Gelet op het vorenstaande voorziet beoogde ontwikkeling hiermee in de parkeerbehoefte die ontstaat bij onderhavige ontwikkeling.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
41
Verkeersstructuur en parkeren bouwplan Ringweg/Kievitsweg.
5.7.3 Conclusie wegen, verkeer en parkeren Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'Wegen, verkeer en parkeren' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.8
Omgevingsveiligheid
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. 5.8.1 Wettelijk kader Het beleid in het kader van de omgevingsveiligheid is gericht op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Dit beleid kan zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer ervan. De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid opgenomen in de instructieregels afdeling 5.1.2 Bkl. In het algemeen wordt onderscheidt gemaakt tussen: 1. 2.
risicovolle activiteiten (Besluit activiteit leefomgeving). aandachtsgebieden (Besluit kwaliteit leefomgeving).
In het Bkl worden risicovolle activiteiten aangewezen als risicobronnen. Het betreft de volgende activiteiten: activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); buisleidingen met gevaarlijke stoffen (indien opgenomen in het Bal); windturbines (indien opgenomen in het Bal); Indien sprake is van een risicovolle activiteit kan daarvoor ook een 'aandachtsgebied' toegewezen zijn. Deze aandachtsgebieden zijn vastgelegd in het Register Externe Veiligheid (REV) en digitaal raadpleegbaar. Binnen deze gebieden dient rekening te worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen
42
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. De begrippen beperkt kwetsbare-, kwetsbare- en zeer kwetsbare gebouwen worden in Bijlage VI, Besluit kwaliteit leefomgeving nader gedefinieerd. Ten behoeve van voorliggend project zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. 5.8.2 Risicobronnen/ risicovolle activiteiten Voor het in beeld brengen van mogelijke veiligheidsrisico’s is het Register Externe Veiligheid (REV) online geraadpleegd. Op deze kaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen en risicovolle inrichtingen.
Uitsnede Atlas Leefomgeving - Register Externe Veiligheid, 2024.
Uit het REV blijkt dat binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied geen risicovolle activiteiten plaatsvinden waarmee in het kader van de voorliggende ontwikkeling rekening mee dient te worden gehouden. Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risiconorm of aandachtsgebied van een risicovolle activiteit. Verder kan gesteld worden dat de zelfredzaamheid in casu goed te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van het plangebied bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is het project in het kader van de omgevingsveiligheid verantwoord te noemen, er is sprake van een goed woon- en leefklimaat. In het kader van de omgevingsveiligheid is door de gemeente Venray om advies gevraagd aan de Veiligheidsregio Limburg-Noord (VRLN). De VRLN heeft middels een vooroverlegreactie per brief (d.d. 17 maart 2025) een advies uitgebracht aan de gemeente Venray, desbetreffende brief is bijgevoegd als Bijlage 15. De VRLN stelt dat de aanleg van brandkranen en andere bluswatervoorzieningen een taak is van de Waterleiding Maatschappij Limburg (WML). De VRLN kan aan de WML advies uitbrengen over de locatie en capaciteit van desbetreffende voorzieningen. Het is aan de WML om de aanleg van brandkranen en andere bluswatervoorzieningen verder op te pakken en een voorstel voor een projectering te maken dat voldoet aan het gemeentelijk beleid voor bluswater.
Dit voorstel zal het de WML vervolgens aan de gemeente voorleggen, daar waar nodig zal de gemeente haar rol nemen op dat gebied. Het aspect omgevingsveiligheid is gelet op het vorenstaande geen beperking voor onderhavig initiatief.
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
43
5.8.3 Conclusie omgevingsveiligheid Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'omgevingsveiligheid' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.9
Natuur
5.9.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een ruimtelijk plan moet rekening worden gehouden met de gevolgen van de ontwikkeling voor de natuur. Het natuurbeschermingsrecht is te vinden in verdragen, Europese en nationale regelgeving en in nationaal en provinciaal beleid. Vanuit de Europese regelgeving wordt met name nadruk gelegd op de bescherming van plant- en diersoorten (Vogelrichtlijn) en leefgebieden (Habitatrichtlijn). Ten behoeve hiervan zijn dan ook diverse beschermingsgebieden aangewezen. De belangrijkste beschermingszones zijn Natura 2000-gebieden. In het vervolg van deze paragraaf wordt specifiek ingegaan op gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. 5.9.2 Gebiedsbescherming De bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), die de implementatie vormt van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De Natura 2000-gebieden vormen samen een Europees netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, in kaart te worden gebracht en beoordeeld.
Effecten kunnen in beginsel alleen optreden door zogenaamde externe werking, waarbij veranderingen en activiteiten binnen de locatie kunnen leiden tot effecten in de natuurgebieden. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), daarnaast zijn volgens de provinciale verordening geen natuurwaarden binnen het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de Deurnsche Peel & Mariapeel. De Deurnsche Peel & Mariapeel bestaat uit meerdere deelgebieden, het gehele Natura 2000-gebied betreft zowel een Vogelrichtlijn als Habitatrichtlijn. Het meest dichtstbijzijnde deel van het gebied is gelegen op een afstand van circa 3,2 kilometer ten noordwesten van het plangebied. Het overige deel van de Deurnsche Peel & Mariapeel is gelegen op een afstand van circa 3,7 kilometer ten zuiden van het plangebied.
44
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
Ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden.
Stikstofemissie kan mogelijk een indirect effect veroorzaken op Natura 2000-gebieden. Ten behoeve van voorliggend project is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij zowel voor de realisatie- als de gebruiksfase is onderzocht of sprake is van significante stikstofdepositie op omliggende Natura2000 gebieden. De rapportage van betreffend onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7 Stikstoftoets bouwplan Ringweg/Kievitsweg, Aelmans ROM B.V. (d.d. 08-07-2025). De losse AERIUS berekeningen van de realisatie- en gebruiksfase zijn separaat opgenomen als Bijlage 8 AERIUS berekening realisatiefase en Bijlage 9 AERIUS berekening gebruiksfase. Uit de berekeningen is gebleken dat er geen sprake is van stikstofdepositie op een stikstof gevoelig natuurgebied. De depositie bedraagt 0,00 mol potentieel zuur/ha/jaar. Bij voorliggend planvoornemen is geen gebruik gemaakt van intern salderen. Negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden kunnen met zekerheid worden uitgesloten. De uitkomsten van de stikstoftoets geven, nu er geen gebruik is gemaakt van intern salderen, geen aanleiding voor het aanvragen van een vergunning voor een Natura 2000 activiteit of verklaring van geen bedenkingen vanwege mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden.
5.9.3 Soortenbescherming Behalve de mogelijke effecten op natuurgebieden moet tevens duidelijk zijn of het betreffende plan effecten heeft, en zo ja welke, op beschermde dier- en plantensoorten. Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantensoorten beschermd waardoor voor vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan moet worden of er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat dan zijn. In Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wanneer een vergunning nodig is. Het gehele kadastrale perceel waarop onderhavig plangebied is gelegen heeft een oppervlakte van 13.215 m² (1,3 hectare), hiervan zal circa 11.420 m² (1,1 hectare) deel uit maken van het plangebied. Het perceel is momenteel in gebruik als agrarische grond waarop gewassen worden geteeld. Rond om het plangebied staan verschillende bomen. Deze bomen worden allemaal behouden, een aantal bomen aan de noordzijde van het plangebied worden echter beperkt verplaats zodat deze niet voor de opritten van de beoogde woningen komen te staan. Onderhavig voornemen ziet op het realiseren van het bouwplan Ringweg/Kievitsweg, een woonwijk bestaande uit 42 woningen. Naast de realisatie van de woningen richt onderhavig plan zich ook op de bijhorende
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
45
groenvoorzieningen, verkeerskundige voorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen, zo worden verschillende groenvoorzieningen en bomen binnen het plangebied aangeplant. Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is er een quickscan met betrekking tot het voorkomen van beschermde flora en fauna ter plaatse van het plangebied aan de Kievitsweg te Ysselsteyn uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 10 Quickscan Flora en Fauna, Aelmans Milieu Oss B.V. (d.d. 09-07-2024). Uit het uitgevoerde onderzoek is gebleken dat kan worden uitgesloten dat de realisatie van onderhavig planvoornemen geen negatieve invloed heeft op beschermde soorten vanuit de Omgevingswet. De rapportage stelt dat de bomen rondom het plangebied kunnen dienen als nestgelegenheid voor diverse vogels. Ook kunnen weidevogels broeden in het grasveld. Op basis van artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is het verboden om opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Verder wordt aangeven dat werkzaamheden buiten het broedseizoen (15 maart - 1 augustus) dienen uitgevoerd te worden. Indien dit niet mogelijk is zal er voor aanvang van de werkzaamheden een broedvogelcheck uitgevoerd moeten worden.
Gezien er op de onderzoekslocatie vrijgestelde en/of algemene soorten voor kunnen komen dient men zich aan de zorgplicht te houden. Geadviseerd wordt om een ecologisch werkprotocol aan te houden. Door bijvoorbeeld één werkrichting vast te leggen kunnen dieren wegvluchten van de werkzaamheden. De vluchtrichting moet wel naar een realistisch vluchtgebied leiden. De provincie Limburg heeft per brief d.d. 27 maart 2025 (zie Bijlage 14) geadviseerd omtrent het voorontwerp plan. De provincie vraagt om een tweetal onderdelen nader toe te lichten met betrekking tot vleermuizen. Het eerste onderdeel heeft betrekking tot de te verplaatsen bomen aan de noordzijde van het plangebied. Aan de noordzijde van het plangebied worden een aantal bomen naast de Kievitsweg slechts beperkt verplaatst zodat deze niet meer voor de opritten van de nieuwe woningen, dan wel een ontsluiting van het plangebied, staan. Belangrijk voor de vleermuizen is dat de bomen onderdeel zijn en blijven van een lijnvormig element. De bomen, die slechts beperkt verplaatst worden, betreffen kleine bomen welke niet in verbinding staan met andere lijnvormige elementen. Daarbij blijft dit lijnvormige element behouden ondanks dat de bomen beperkt verplaatst worden langs de Kievitsweg. De geplande ingreep zal, gelet op het vorenstaande, geen effect hebben op vliegroutes van vleermuizen.
Met betrekking tot het tweede onderdeel merkt de provincie op dat nieuwe verlichting als gevolg van het planvoornemen mogelijk de bomenlaan/ vliegroute langs de Ringweg kan aantasten. Bij het plaatsen van aanvullende (straat)verlichting, wordt deze zodanig gericht dat deze niet op de bomenlaan schijnt. Door het richten van de aanvullende (straat)verlichting komen bestaande migratieroutes niet in de verlichting te staan. Geconcludeerd kan worden dat het onderdeel 'soortenbescherming' geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen. 5.9.4 Houtopstanden Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het Omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in Hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten.
Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij
46
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158). Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig en worden geen beschermde houtopstanden gerooid. Derhalve is geen sprake van het vellen van houtopstanden. 5.9.5 Conclusie natuur Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'natuur' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.10
Water en watersystemen
5.10.1 Wettelijk kader In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan of buitenplanse Omgevingsplanactiviteit rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijks belangen geldt aanvullende instructieregels: Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl); Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl); Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl); IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Dit geldt niet voor de diverse beleidsstukken op het gebied van water. 5.10.2 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering; Nederland moet blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte; Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe om te gaan met de uitdagingen van water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.
Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de Rijkswateren. 5.10.3 ProvinciaalWaterplan Limburg 2022-2027 Het waterbeleid in het Provinciaal Waterplan 2022-2027 omvat de strategische hoofdlijnen voor het provinciale waterhuishoudkundig beleid. Hierin geeft de provincie uitwerking aan de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen provinciale belangen op het gebied van water: Een integrale en realistische benadering van hoogwaterbescherming, wateroverlast, watertekort, verdroging en de verbetering van de waterkwaliteit in het stroomgebied van de Maas;
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
47
Het in samenhang bezien en aanpakken van de zoetwatervoorziening (voor drinkwater en andere functies), natuurherstel, watersysteemherstel, waterveiligheid, landbouw, landschap en de stikstofproblematiek; Een ecologisch gezond, veerkrachtig en adaptief watersysteem om weersextremen zoveel mogelijk op een natuurlijke wijze op te vangen. De provincie stelt in de Omgevingsvisie Limburg en in het Provinciaal Waterprogramma Limburg de beleidskaders vast voor het regionale watersysteem. Op grond van het bepaalde in artikel 3.7 van de Omgevingswet zijn de onderdelen van het Provinciaal Waterprogramma die uitvoering geven aan de diverse Europese richtlijnen over water voor het waterschap kaderstellend. Gelet op de inhoudelijke samenhang binnen het watersysteem en de hiervoor vermelde provinciale belangen is doorwerking van het volledige waterprogramma naar het waterschap noodzakelijk. Hieraan is in de Omgevingsverordening invulling gegeven. 5.10.4 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027 Elke zes jaar leggen waterschappen vast welke aanpak en welke maatregelen op hoofdlijnen nodig zijn om het watersysteem en de waterkeringen op orde te brengen en te houden. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2021-2025 is uitgezet.
Kort samengevat zijn de belangrijkste speerpunten in het Waterbeheerprogramma: Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas; Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden; Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht; Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken. Deze indeling is niet scherp, want water kent geen grenzen en is verbonden met andere thema's. Duurzamer grondgebruik in het stroomgebied van de Maas en de beken zorgt voor een gelijkmatigere afvoerdynamiek. Regenwater infiltreren in stedelijk gebied helpt daar ook bij, voorkomt dat riolen overstorten en ontlast onze zuiveringen. Een constantere aanvoer in de zomer verlaagt de kans op waterkwaliteitsproblemen door droogte en hitte. Kortom: alle uitdagingen moeten in samenhang met elkaar worden bekeken. Met de maatregelen worden het liefst meerdere problemen tegelijk opgelost: een integrale aanpak. 5.10.5 Toetssteen Openbare Ruimte De gemeente Venray beschikt over een 'Toetssteen Openbare Ruimte' (hierna: TOR). De Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de gemeente Venray. De gemeentelijke beleidsnota’s die een relatie hebben met de openbare ruimte, vormen de basis van dit document.
De ‘Toetssteen’ vormt een overzichtelijke bundeling van geconcretiseerd bestaand beleid met betrekking tot de openbare ruimte. Hoofdstuk 10 van de Toetssteen Openbare Ruimte heeft betrekking op het onderdeel 'Riool en Water'. De gemeente Venray geeft in de TOR aan dat ze het belangrijk vindt om bewust om te gaan met water. Middels de TOR maken ze zichtbaar hoe de gemeente om gaat met hemelwater door daar waar mogelijk het hemelwater ter plaatse op te vangen en te laten infiltreren in de bodem. De complete waterhuishouding binnen de gemeente Venray is er op gericht verdroging en hittestress tegen te gaan en de RWZI’s (rioolwaterzuiveringsinstallaties) verder te ontlasten. Conform de Toetssteen Openbare Ruimte van de gemeente Venray geldt als ontwerpuitgangspunt dat nieuwbouwlocaties woningbouw dienen te beschikken over een gescheiden rioolstelsel. Hemelwater moet worden geïnfiltreerd binnen het plangebied. Indien direct infiltreren niet mogelijk is, dient het hemelwater te worden gebufferd waarna het vertraag mag worden afgevoerd naar open water.
48
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
Voor zowel het vuilwaterriool (DWA riool), het hemelwater infiltratieriool (IT riool) en/ of retentievoorziening zijn ontwerpeisen opgenomen in het TOR waaraan deze systemen dienen te voldoen. 5.10.6 Afvalwater en hemelwater Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Venray en in het beheersgebied van Waterschap Limburg. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater van de nieuw te realiseren woningen zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Venray. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater (dak)verharding Conform de Toetssteen Openbare Ruimte van de gemeente Venray dienen nieuwbouwlocaties woningbouw te beschikken over een gescheiden rioolstelsel. Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een in het plangebied aan te leggen hemelwatervoorziening.
Conform de Toetssteen Openbare Ruimte van de gemeente Venray dienen bij het ontwerp van toekomstige voorzieningen binnen het bouwplan Ringweg/ Kievitsweg de volgende uitgangspunten in acht te worden gehouden: Ontwerp van infiltratie- en retentievoorzieningen volgens Kennisbank Stedelijk Water (voorheen Leidraad Riolering module B1200). De infiltratievoorziening heeft een totale bergingscapaciteit van minimaal 60 mm (het aangesloten verharde oppervlak vermenigvuldigd met 60 mm geeft de benodigde bergingscapaciteit in m3 ). Indien de voorziening een overloop heeft richting waterschapswater, gelden de rekenwaardes van het Waterschap. De infiltratievoorziening heeft een leeglooptijd van 24 uur of minder. Aan te tonen middels een berekening in combinatie met bodemonderzoek. De initiatiefnemer mag een noodoverloop maken als de noodoverloop overstort op maaiveldniveau, dus niet via een buis ondergronds naar het openbaar riool. De voorkeur gaat uit naar een centrale open infiltratievoorziening, indien wegens ruimtegebrek niet mogelijk, dan een ondergrondse voorziening. Het type infiltratie- en/of retentievoorziening dient in overleg met de gemeente te worden vastgesteld. De infiltratievoorziening moet reinigbaar en inspecteerbaar zijn. Voorzieningen die ondergronds worden aangebracht dienen aantoonbaar de belasting van een brandweer blusvoertuig te kunnen weerstaan.
Het voornemen is om binnen het plangebied wadi's aan te leggen waarin hemelwater dat valt binnen het openbare gebied kan worden opgevangen en geïnfiltreerd. Om te kunnen bepalen of infiltratie van regenwater binnen het plangebied opportuun is, is een onderzoek uitgevoerd naar de waterdoorlatendheid van ondergrond. De rapportage van dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 11 Infiltratieonderzoek, Aelmans Milieu Voerendaal B.V. (d.d. 23-07-2024). Het onderzoek concludeert dat uit de gemeten doorlatendheden blijkt, dat infiltratie van neerslagwater tot de mogelijkheden behoort ter hoogte van het plangebied. Het infiltreren zou direct in de ondiepe ondergrond moeten kunnen plaatsvinden, maar een gereguleerde voeding/afvloeiing middels bijvoorbeeld een wadi en/of grindkoffers is opportuun voor het gehele zoekgebied. Middels navolgende afbeelding worden de voorkeurlocaties van de binnen het plangebied aan te leggen
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
49
infiltratievoorziening (wadi), voor het hemelwater dat valt in openbaar gebied, inzichtelijk gemaakt.
Voorkeurlocaties wateropvang (wadi's).
Het hemelwater dat valt binnen de woonfuncties wordt op eigen terrein geïnfiltreerd. De opvangcapaciteit en soort hemelwatervoorziening wordt bepaald bij het uitwerken van het bouwplan. Vooroverlegreactie Waterschap Limburg Met betrekking tot voorliggend planvoornemen heeft de gemeente Venray advies gevraagd aan het Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg heeft middels een vooroverlegreactie per brief (d.d. 1 april 2025) een advies uitgebracht aan de gemeente Venray, desbetreffende brief is bijgevoegd als Bijlage 16. Het Waterschap Limburg adviseert bij nieuwe ontwikkeling 100 mm in 24 uur aan berging. Ze geven aan dat bij een hevige bui tot 20 cm water op het maaiveld kan komen te staan. Volgens het Waterschap Limburg ziet het plan er goed uit daar het hemelwater binnen het plangebied wordt opgevangen en geïnfiltreerd. Mocht er vertraagd geloosd worden richting de Ysselsteijnse Loop, dan is deze lozing vergunningplichtig bij het Waterschap. Van lozing op Ysselsteijnse Loop is bij onderhavig planvoornemen geen sprake. Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorzieningen dient enkel schoon hemelwater te worden opgevangen, waaraan geen verontreinigde stoffen worden toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren.
Een infiltratievoorziening kan in dat opzicht tevens dienst doen als bodempassage, waarmee gezorgd wordt dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen alvorens het infiltreert. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot rekening te houden met eventueel wateroverlast, wordt voorkomen dat water in het te realiseren gebouw kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn. 5.10.7 Conclusie water en watersystemen Gelet op voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect 'water en watersystemen' geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het Omgevingsplan, er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
50
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Woningbouw Ringweg-Kievitsweg Ysselsteyn
5.11
Cultureel erfgoed
5.11.1 Wettelijk kader In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het Omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is. De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het Omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over: ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; verplaatsing van beschermde monumenten; gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; aantasting van de omgeving van een beschermd monument; aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.