CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 11 kwaliteitsomschrijving (200528)

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen exploitatieplan De Spurkt24.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Verkeersgegevens van de gemeente Venray zijn openbaar en in te zien via de website: www.verkeersmonitorvenray.nl

5.1.1 Wettelijke regelgeving -

Wegenverkeerswet 1994

-

Wegenwet 1930

-

Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

-

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer

5.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -

Uitgangspunten Netwerken Infrastructuur en Verkeer 2019 (vaststelling zomer 2019) Mobiliteitsvisie Trendsportal

-

Beleidslijn verkeersveilige schoolomgeving

-

Beleidslijn uniforme bediening dynamische wegafsluitingen 2014

-

Beleidsnota Parkeernormen Venray (wordt in 2019 herzien)

-

Parkeerbeleidsplan 2011-2020

-

Beleidsplan OVL Venray 2017-2021

TOR 2019

36

5.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -

Ontwerpprincipes Openbare Ruimte (OOR)

-

Alle CROW publicaties

-

CROW 165 “Hulpdiensten snel op weg”

-

NEN 2443 voor parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en garages

-

ROVL 2011

-

Bordenboek VNVF

-

Regionaal modelbeleid bluswater en bereikbaarheid, vastgesteld in B&W 16 april 2018

5.2

Wegcategorisering

De wegcategorie wordt bepaald aan de hand van de verschillende verkeersnetwerken (zie Bijlage 2) waar de betreffende weg onderdeel van uit maakt. De bijbehorende inrichting van de verschillende wegcategorieën en eventuele subcategorieën is visueel uitgewerkt in de Ontwerpprincipes Openbare Ruimte (OOR) (zie Bijlage 1). De OOR voorziet ook in een aantal algemene ontwerpelementen zoals o.a. kruispunten, civieltechnische details, parkeervoorzieningen en bushaltes. Deze vormen het uitgangspunt voor elk verkeerstechnisch ontwerp in de openbare ruimte.

5.2.1 Verkeersgebied Binnen het gemeentelijke wegennet kennen we wegen met voornamelijk een verblijfskarakter en wegen met voornamelijk een verkeerskarakter. In onderstaande tabel staan de belangrijkste eigenschappen van de verschillende wegcategorieën omschreven welke voornamelijk een verkeerskarakter kennen:

TOR 2019

37

Tabel 1 Kenmerken wegen verkeersgebied Wijkontsluitingsweg (WOW-50) WOW-50: WONEN/BEVOORRADING -

De wijkontsluitingsweg komt alleen binnen de bebouwde kom voor. De belangrijkste functie is om te zorgen voor een goede en vlotte verkeersdoorstroming maar daarnaast is de verblijfsfunctie nadrukkelijk aanwezig.

-

De weg heeft één rijbaan verdeeld in rode suggestiestroken en een rijloper voor autoverkeer. De maximumsnelheid is 50km/h.

-

Parkeren direct aan de rijbaan is alleen acceptabel in de vorm van langsparkeren

Gebiedsontsluitingsweg (GOW-50) -

Gebiedsontsluitingswegen zorgen voor de hoofdontsluiting van Venray en kennen daarom een goede en vlotte verkeersafwikkeling.

-

Vormgeving en weginrichting zijn hierop afgestemd met binnen de kom één hoofdrijbaan die met een dubbele doorgetrokken asstreep is opgedeeld in twee rijstroken.

-

Voor fietsers wordt een separaat fietspad of een parallelstructuur aangelegd en bromfietsers volgen in principe de hoofdrijbaan.

-

Parkeren aan de rijbaan, maar ook particuliere uitritten direct op de rijbaan zijn vanwege de gewenste vlotte verkeersdoorstroming in principe niet toegestaan. Hiertoe dient te worden voorzien in een parallelstructuur.

Dorpsverbindingsweg (DVW-60) -

De dorpsverbindingsweg (DVW) is een beetje een vreemde eend in de bijt. Dorpsverbindingswegen zijn wegen die de verbinding tussen kerkdorpen en Venray onderling vormen en de dorpen ontsluiten van en naar de grote doorgaande wegen. Deze wegen worden daarnaast ook vaak gebruikt door buslijnen en regionaal georiënteerd vrachtverkeer. Op deze wegen is dus sprake van bundeling van verkeerstromen voor de wat langere afstand met een hogere snelheid. Vanuit die optiek wordt deze wegfunctie gerekend tot het verkeersgebied in tegenstelling tot de overige wegen met een 60km/u snelheidsregime.

TOR 2019

38

-

Aangezien een DVW-60 in de onderlinge hiërarchie een hogere plek inneemt tov de overige wegen met een snelheidsregime van 60km/u, geniet een DVW-60 altijd de voorrang ten opzichte van een ETW-60.

-

Zo’n weg in het buitengebied kent een belangrijke functie voor fietsers. In beginsel moet gedacht worden aan vrijliggende fietspaden.

Gebiedsontsluitingsweg (GOW-80) -

Gebiedsontsluitingswegen buiten de kom zorgen voor de ontsluiting van Venray naar omliggende gebieden en kennen daarom een goede en vlotte verkeersafwikkeling waar de weginrichting op is afgestemd.

-

Dit wegtype kent buiten de kom één hoofdrijbaan voor het autoverkeer die met een dubbele doorgetrokken asstreep is verdeeld in twee rijstroken. Wanneer landbouwverkeer de hoofdrijbaan gebruikt, is de asstreep wél onderbroken.

-

Voor (brom)fietsers zijn aparte voorzieningen in de vorm van een fietspad of een parallelweg.

-

De maximumsnelheid is 80km/h.

-

Parkeren of particuliere inritten direct aan een GOW-80 zijn vanwege de vereiste goede en vlotte verkeersdoorstroming onacceptabel.

5.2.2 Verblijfsgebied Binnen het gemeentelijke wegennet kennen we wegen met voornamelijk een verblijfskarakter en wegen met voornamelijk een verkeerskarakter. Wegen met een verblijfskarakter kennen minder strenge inrichtingseisen omdat in verblijfsgebieden de stedenbouwkundige opzet bepalender is en bijvoorbeeld uniformiteit geen vereiste is. Een verblijfsgebied is juist herkenbaar aan het ontbreken van uniformiteit en menging van verkeersstromen en soorten verkeersdeelnemers, hetgeen op velerlei wijzen gerealiseerd kan worden. Onderstaand de ontwerpuitgangspunten voor de verschillende wegcategorieën met voornamelijk een verblijfskarakter. Erftoegangsweg (ETW-30) ETW-30: WONEN/ SCHOOLOMGEVING -

De erftoegangsweg, de laagste categorie binnen de wegcategorisering, is ingericht op verblijven en kent per definitie menging van verkeerssoorten.

-

Parkeren kan in parkeervakken maar ook op de rijbaan. Binnen een schoolzone is haaks parkeren in principe ongewenst vanwege de achteruitrijd beweging.

-

Maatregelen binnen een schoolzone zijn locatiespecifiek en gericht op een situatie waar met name kleine kinderen zich verkeersveilig in kunnen begeven.

ETW-30: WONEN/BEVOORRADING -

Een ETW-30 kan in de nabijheid van een winkelcentrum liggen. Vanwege de aanwezigheid van bevoorradend vrachtverkeer mag worden uitgegaan van een bredere rijloper, ruimere boogstralen en een gesloten verhardingssoort. Verder is er terughoudendheid gewenst bij het toepassen van drempels en plateaus.

-

De stedenbouwkundige opzet is zodanig dat er geen achteruitrijdbewegingen door vrachtverkeer benodigd zijn, tenzij dit volledig buiten alle andere verkeersstromen om kan geschieden.

TOR 2019

39

ETW-30: INDUSTRIE -

Vanwege de aanwezigheid van vrachtverkeer moet worden uitgegaan van een bredere rijbaan (> 6,0m < 7,0m), ruimere boogstralen (minimaal R=15,0m) tpv kruisingen en een gesloten verhardingssoort. Verder is er terughoudendheid gewenst bij het toepassen van drempels en plateaus.

-

De stedenbouwkundige opzet is zodanig dat er geen achteruitrijdbewegingen door vrachtverkeer benodigd zijn, tenzij dit volledig buiten alle andere verkeersstromen om kan geschieden.

-

Op industrieterreinen wordt niet voorzien in openbare parkeergelegenheden, parkeren en stallen van voertuigen geschiedt op eigen terrein.

-

Om de leefbaarheid op industrieterreinen te vergroten en lichamelijke beweging te stimuleren moet in alle gevallen worden overwogen “struinpaden” aan te leggen in de wegbermen/groenstroken.

Erftoegangsweg (ETW-60) Met uitzondering van de grote doorgaande wegen zijn alle wegen in het buitengebied aangewezen als verblijfsgebied. Dergelijke wegen zijn ingericht op verblijven en kennen om die reden menging van verkeerssoorten. Binnen het verblijfsgebied is er toch wel enige hiërarchie te herkennen. ETW-60: STANDAARD PROFIEL -

Het ETW60 Standaard profiel kent twee subcategorieën; Het standaard profiel met kantstroken (verhardingsbreedte 4,0 – 5,0m) en het standaardprofiel met suggestiestroken (verhardingsbreedte 5,0 – 6,0m). Het aandeel fietsers icm met de verkeersintensiteit en verkeerssamenstelling bepaald de keuze tussen de twee subcategorieën en de exacte verhardingsbreedte binnen de twee subcategorieën.

-

Als het gaat om een busroute of een route met relatief veel vrachtverkeer / agrarisch verkeer wordt als uitgangspunt het standaardprofiel met suggestiestroken gehanteerd.

ETW-60: SMAL PROFIEL -

De wegen in de haarvaten van het buitengebied hebben het ETW60 Smal profiel.

-

Dit profiel kent een maximale verhardingsbreedte van 4,0m zonder toepassing van wegmarkering. Ook onverharde en halfverharde wegen vallen binnen deze wegcategorie, waarmee de eerste ontwerpafweging is of de betreffende weg van verharding, halverharding of geen verharding dient te worden voorzien.

TOR 2019

40

5.2.3 Kruispunten De volgende tabel geeft de voorgeschreven kruispuntoplossing van de verschillende kruisingsmogelijkheden tussen de verschillende wegcategorieën weer. DVW Ongelijkwaardig

DVW

verkeersplateau of rotonde Ongelijkwaardig

GOW

verkeersplateau of rotonde

GOW

WOW

Ongelijkwaardig verkeersplateau of rotonde

nvt

ongelijkvloerse kruising, VRI of rotonde

VRI of rotonde

verkeersplateau

ongelijkwaardige kruising met terugliggende snelheidsremmer op ETW

VRI of rotonde

verkeersplateau of rotonde

Uitritconstructie of

ETW

Ongelijkwaardig

Uitritconstructie of

Ongelijkwaardig

WOW nvt

ETW

Ongelijkwaardig

ongelijkwaardige kruising

verkeersplateau

met terugliggende snelheidsremmer op ETW

Ongelijkwaardige kruising (eventueel icm verkeersplateau) of uitritconstructie

Ongelijkwaardige kruising (eventueel icm verkeersplateau) of

Visuele maatregel of verkeersplateau

uitritconstructie

Tabel 2 Ontwerpuitgangspunten kruising per wegcategorie

Bijzonderheden -

Binnen de bebouwde kom genieten fietsers en voetgangers die de rotonde volgen voorrang op de auto terwijl dit buiten de bebouwde kom net andersom is.

-

Op en nabij bedrijventerreinen maar ook in het buitengebied worden geen uitritconstructies toegepast, omdat deze voor vracht- en landbouwverkeer vaak erg oncomfortabel zijn.

-

Uitritconstructies thv kruisingen tussen ETW en GOW alleen binnen de kom toepassen als er een reële zorg of aantoonbaar sprake is van sluipverkeer door de betreffende ETW.

-

Bij toepassing ongelijkwaardige kruising GOW – ETW, hoofdrijbaan voorzien van middengeleider zodat fietsers en voetgangers in twee fase kunnen oversteken.

TOR 2019

41

5.3

Verkeerscirculatie en weginrichting

5.3.1 Uitgangspunten -

Vormgeving volgens OOR (zie bijlage 1 Ontwerpprincipes Openbare Ruimte).

-

Bij ruimtelijke ontwikkelingen als een woonwijk of industrieterrein minimaal twee externe ontsluitingen t.b.v. het plangebied. Slechts één ontsluitingsmogelijkheid is niet robuust genoeg, denk hierbij bijvoorbeeld aan een mogelijke calamiteit waardoor een hele wijk onbereikbaar kan worden bij slechts één ontsluitingsmogelijkheid.

-

Geen éénrichtingsverkeer voorstellen bij nieuwe aanleg. Eénrichtingsverkeer geeft een beperking van de bewegingsvrijheid en kent negatieve bijverschijnselen als

-

snelheidsverhogende en attentieverlagende effecten. Geen doodlopende wegen creëren en/of realiseren.

5.3.2 Verkeerscirculatie Afsluiten van wegen en éénrichtingsverkeer Er wordt regelmatig gevraagd een weg af te sluiten: voor alle verkeer, voor bepaalde verkeersdeelnemers of in één bepaalde richting. Een wegafsluiting is vanwege de gevolgen ervan vaak gecompliceerd en in slechts een klein aantal gevallen kan het zonder al te ingrijpende gevolgen. Bij de beoordeling van verzoeken wordt gekeken naar de functie van de onderhavige wegen, de verkeersdrukte, de gevolgen voor parallelle routes, de verkeerscirculatie in een groter gebied voor hulpdiensten, langzaam verkeer, openbaar vervoer en landbouwverkeer én de directe gevolgen voor de bereikbaarheid van de aanliggende percelen/woningen/bedrijven. Uitgangspunt is dat wegen niet worden afgesloten zonder een totaalplan voor de verkeerscirculatie en de weginrichting waaruit blijkt dat de problematiek substantieel verbeterd, er geen onacceptabele effecten elders zijn en er geen andere maatregelen mogelijk zijn. Dit uitgangspunt geldt ongeacht of het een wegafsluiting betreft voor alle verkeer, voor bepaalde verkeersdeelnemers of in één bepaalde richting.

In geval van voorstellen voor éénrichtingverkeer, geldt als uitgangspunt dat fietsers hier standaard van worden uitgezonderd en bromfietsers alleen als er sprake is van een onaanvaardbare omrijafstand Bewegwijzering en omleidingsroutes Bewegwijzering en omleidingsroutes, al dan niet permanent, leiden het verkeer via het verkeersgebied. Verwijzen via erftoegangswegen kan alleen wanneer acceptabele alternatieven ontbreken of als de te verwijzen bestemming in het verblijfsgebied ligt. Vrachtverkeer van en naar bedrijventerreinen wordt altijd buiten woonbebouwing om verwezen. Bij aanpassingen aan de verkeersruimte dient de bewegwijzering binnen en buiten de plangrenzen te worden bezien, opdat de continuïteit van het totale systeem gewaarborgd blijft. Denk hierbij ook aan de bedrijvennummering.

TOR 2019

42

5.3.3 Weginrichtingselementen VOP’s (VoetgangersOversteekPlaatsen of zebrapaden) VOP’s bieden voetgangers een oversteekmogelijkheid door bewust in te grijpen in de voorrang. Dit leidt helaas niet altijd tot meer veiligheid als automobilisten de regels rondom zebrapaden niet respecteren en overstekende voetgangers geen voorrang verlenen. Dergelijk gedrag is echter geen reden VOP’s niet meer toe te passen. De gemeente voert daarom een terughoudend beleid met het toepassen van VOP’s om te voorkomen dat ongebreideld toepassen ervan, de geloofwaardigheid van de maatregel aantast. -

Op gebiedsontsluitingswegen worden geen VOP’s toegepast. De stroomfunctie voor het gemotoriseerd verkeer staat voorop en ingrijpen in de voorrang met behulp van een zebrapad is daar strijdig mee. Een uitzondering hier op zijn de rotondes.

-

Op wijkontsluitingswegen kan het zinvol zijn om ten gunste van de voetganger in te grijpen in de verkeersafwikkeling, maar dan alleen nabij bushaltes, scholen en winkelcentra. Een VOP wordt dan altijd aangelegd in combinatie met een verkeersplateau

-

Op erftoegangswegen worden geen VOP’s toegepast, de verblijfsfunctie veronderstelt gelijkwaardigheid terwijl een VOP hiermee in tegenspraak is. Alleen nabij een winkelgebied, een bushalte of binnen een schoolzone is op een erftoegangsweg een VOP mogelijk.

Snelheidsremmers Fysieke snelheidsremmers worden met terughoudendheid toegepast, want wegprofiel en/of wegverloop dienen zodanig te zijn dat op een natuurlijke manier het gewenste verkeersgedrag wordt verkregen, eventueel in combinatie met attentieverhogende maatregelen. In beginsel worden verticale snelheidsremmers alleen overwogen in de volgende situaties: -

kruispunten tussen wijkontsluitingswegen, tenzij er sprake is van een rotonde of een verkeersregelinstallatie

-

veranderingen in de maximumsnelheid zoals op de overgangen tussen verkeersgebied en verblijfsgebied en bij de grenzen van de bebouwde kom

-

in de directe nabijheid van scholen, winkelcentra, voorzieningen voor ouderen, bushaltes en fietsoversteken

-

bij VOP’s op ontsluitingswegen

Wegversmallingen, asverspringingen en andere horizontale snelheidsremmers zijn alleen bespreekbaar als het gaat om; een tijdelijke maatregel, op busroutes, bij een overgang van de toegestane maximumsnelheid zoals bij een komgrens, of wanneer de bebouwing in de omgeving onevenredig veel last heeft van trillingshinder. Schoolzones Rondom een basisschool wordt een schoolzone ingesteld, aangeduid met “schoolzone” markering en bebording. De grootte van de schoolzone is zodanig dat verkeer dat zich binnen de schoolzone bevindt, het schoolgebouw en/of de schooluitgangen kan waarnemen. Binnen een schoolzone, nabij de school in- en uitgangen, mogen geen haakse parkeervakken worden aangelegd. Een zebra is afhankelijk van de situatie denkbaar. Alle andere maatregelen zijn locatiespecifiek en gericht op een situatie waar met name kleine kinderen zich verkeersveilig in kunnen begeven.

TOR 2019

43

5.4

Parkeren

5.4.1 Uitgangspunten Het benodigd aantal parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van de ‘Beleidsnota Parkeernormen Venray’. In deze beleidsnota zijn de parkeerkencijfers van het CROW vertaald naar parkeernormen voor de Gemeente Venray. De normen staan weergegeven in bijlage 3 van de Beleidsnota. In de beleidsnota staan verder de uitgangspunten en toepassingsregels mbt parkeren. Een korte samenvatting van de uitgangspunten en toepassingsregels staat hieronder weergegeven: -

De ligging van een gebied bepaalt mede de parkeernorm. De gemeente Venray is daarom ingedeeld in stedelijke zones: 1. Centrum: het gebied binnen de binnenring met uitzondering van het woongebied direct ten noorden van het centrum. 2. Schil/overloopgebied: het gebied tussen de binnenring en de buitenring inclusief het woongebied ten noorden van het centrum. 3. Rest bebouwde kom, kerkdorpen en buitengebied: alle overige niet onder 1 en 2 genoemde gebieden.

Figuur 1 Stedelijke zones parkeren

TOR 2019

44

-

Bouwplannen dienen in eigen parkeerbehoefte te voorzien.

-

Garages tellen niet mee in de parkeerbalans. Particuliere opritten dienen minimaal 5,0m diep te zijn en worden als één parkeerplaats gezien, tenzij deze minimaal 4,50 meter breed zijn. Dan mag er met twee parkeerplaatsen worden gerekend.

-

Indien parkeerplaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd, zijn ze na overdracht aan de gemeente openbaar, en hebben daarna geen formele relatie meer met het oorspronkelijke initiatief.

-

De gemeente is vrij na overdracht een parkeermaatregel zoals betaald parkeren, vergunninghoudersparkeren of parkeerschijfzone in te voeren.

5.4.2 Ontwerpeisen -

Vormgeving parkeerplaatsen volgens OOR (zie bijlage 1 Ontwerpprincipes Openbare Ruimte).

-

Vormgeving parkeer-/stallinggarages volgens NEN 2443 .

-

Situering, vormgeving, kwaliteit en gebruik moet zodanig zijn ingevuld dat het risico op toekomstige parkeerproblemen dan wel verschuiving ervan naar buiten het plangebied en/of de openbare weg, niet aanwezig is dan wel binnen het plan is te ondervangen.

TOR 2019

45

5.5

Hulpdiensten

5.5.1 Uitgangspunten Bij de aanleg van infrastructuur is het van essentieel belang dat de verschillende hulpdiensten snel ter plekke kunnen geraken en ter plekke snel en effectief kunnen handelen tbv de veiligheid en gemoedsrust van de burgers van Venray. Alle hulpdiensten zijn daar in natuurlijk even belangrijk, maar voor het ontwerp van de openbare ruimte zijn de eisen vanuit de brandweer vaak maatgevend. Voldoende bluswater en een goede bereikbaarheid bij brand zijn bijvoorbeeld belangrijk voor een goede bestrijding van de brand. Op basis van de Wet veiligheidsregio’s ligt de verantwoordelijkheid hiervoor bij gemeenten. -

Het is een vereiste, dat een industrieterrein of woonwijk vanuit ten minste twee windrichtingen bereikbaar is voor nood- en hulpdiensten. Deze aanrijroutes moeten via het plangebied met elkaar in verbinding staan.

-

Indien het instellen van éénrichtingsverkeer en/of het afsluiten van een doorgaande weg onderdeel is van de planvorming én door de gemeente als zodanig is geaccordeerd, dan dient initiatiefnemer zelf overleg te plegen met de betrokken hulpdiensten.

-

Bij de ontwikkeling van een gebied tot industrieterrein of woonwijk moet de afstand van het gebied tot de (dichtstbijzijnde) brandweerkazerne alsook de verkeersbelemmeringen in de aanrijroutes in de planvorming meegenomen worden.

-

Calamiteitenontsluitingen kunnen worden afgesloten voor gemotoriseerd verkeer middels een wegneembare paal die weg te nemen is mbv een driekantsleutel.

5.5.2 Ontwerpeisen Infrastructuur -

De wegen moeten in het belang van een goede bereikbaarheid voor brandweermaterieel worden aangelegd met een gegarandeerde doorrijdbreedte van minimaal 3,5 meter. Zie onderstaande afbeelding voor overige eisen ontwerpvoertuig brandweer.

Figuur 2 Ontwerpvoertuig brandweer

-

Op erftoegangswegen, ontsluitingswegen en calamiteitenroutes mogen wegneembare obstakels zoals klappaaltjes alleen worden aangebracht in overleg met en na goedkeuring van de hulpverlenende diensten.

TOR 2019

46

-

Indien er hemelwater in de bodem wordt geïnfiltreerd met behulp van krattensystemen, dan moeten deze voorzieningen de maximale verkeersklasse kunnen dragen of men dient het fysiek onmogelijk te maken dat er voertuigen bovenop die voorzieningen kunnen worden geplaatst.

Industrieterreinen/bedrijfscomplex -

Doodlopende wegen, geen uitrit zijnde, zijn op een industrieterrein niet aanvaardbaar. Er dient dan minimaal een keerlus met een minimale diameter van 24,0m aanwezig te zijn.

-

Het wegenplan van een bedrijfscomplex dient in principe te voldoen aan dezelfde eisen als dat van een industrieterrein of woonwijk.

-

De primaire bluswatervoorziening op de waterleiding is voor de dekking van industrieterreinen in het algemeen onvoldoende. Daarom dienen er adequate secundaire bluswatervoorzieningen te worden aangelegd. De uitvoering (zoals brandputten, bluswatervijvers en dergelijke) alsook de locaties zullen nader bepaald moeten worden in overleg met de brandweer.

-

Om de bereikbaarheid van bedrijfsgebouwen en andere objecten voor brandweervoertuigen te waarborgen is er ten minste een 3,5m vrije strook en een doorrijhoogte van 4,2m noodzakelijk.

-

Ter plaatse van objecten dient voor een reddingsvoertuig een opstelplaats een breedte van minimaal l x b = 10m. x 5m. beschikbaar te zijn, zowel op straatniveau waar zich het stempelvlak bevindt, als ook op ca. 2,5m hoogte, teneinde een vrije draaicirkel van de ladderwagen te waarborgen.

-

Voor de bereikbaarheid van de aanwezige bluswaterwinplaatsen, gezien ten opzichte van de bedrijfsobjecten, gelden dezelfde eisen als hierboven vermeld.

-

Wanneer een pand vanwege de inzetdiepte aan meerdere zijden bereikbaar moet zijn voor brandweervoertuigen, dan zullen de draaicirkels ter hoogte van de hoeken van het gebouw zodanig moeten zijn dat een brandweervoertuig (tankautospuit) de bocht kan nemen.

-

Het is van belang dat al deze bovenstaande zaken in een vroegtijdig stadium worden meegenomen. Dit omdat er sprake kan zijn van beeldbepalende factoren en anderzijds kunnen de kosten van deze voorzieningen worden meegenomen in de exploitatiekosten van het betreffende industrieterrein. Vanzelfsprekend moeten deze voorzieningen operationeel zijn op het moment dat er gebouwen in gebruik gesteld worden die op dergelijke bluswatervoorzieningen zijn aangewezen

5.5.3 Uitvoeringseisen -

Er moet ten allen tijde ten minste één vrije rijstrook voor de brandweer beschikbaar blijven. Een weg behoort tot het industrieterrein of woonwijk, wanneer vanaf die weg de percelen rechtstreeks bereikbaar zijn.

-

Een werkvak in een woonstraat mag niet langer zijn dan 80m. om de bereikbaarheid in geval van een calamiteit te kunnen garanderen. Eventuele gevoelige objecten dienen in kaart te worden gebracht om te kunnen bepalen wat in die gevallen de maximale lengte/grootte van het werkvak is.

TOR 2019

47

5.6

Openbare verlichting

5.6.1 Uitgangspunten Openbare verlichting (OVL) heeft tot doel een bijdrage te leveren aan het functioneren van de mensen in de openbare ruimte tijdens de nachtelijke uren. Het ene moment heeft dit te maken met verplaatsen van A naar B, het andere moment met sociale veiligheid, recreatie of ontspanning. Elke situatie vraagt om specifieke oplossingen. -

Bij het verlichtingsontwerp is de functie van de openbare ruimte maatgevend. Het is bijvoorbeeld niet wenselijk een verkeersweg met lage lichtmasten en een laag lichtniveau uit te rusten, maar voor een woonwijk is dit prima. Onder pararaaf ontwerpeisen zijn de vier belangrijkste functionele verschillen opgesomd met bijbehorende specificaties OVL. Op basis van de functie van de openbare ruimte bepaalt een ontwerper de vereiste lichtkleur, lichthoeveelheid en de verdeling van de verlichting over de weg. Ook stemt hij de schakeltijden en dimregimes af op wat wenselijk is.

-

Buiten de bebouwde kom wordt in beginsel geen straatverlichting toegepast om lichtvervuiling en verstoring van fauna zoveel mogelijk te voorkomen. Situaties waar buiten de bebouwde kom wel straatverlichting is vereist, is bijvoorbeeld bij clusters bebouwing, (school)fietsroutes, abrupte onderbrekingen in het wegprofiel en kruisingen van wegen. De beheerder OVL zal per situatie beoordelen wat vereist is. Indien er toch verlicht moet worden is dynamische verlichting vaak de uitkomst, dus alleen verlichten indien nodig

-

Eigen netwerken worden alleen aangelegd in uitzonderlijke gevallen

-

De openbare verlichting in de gemeente Venray wordt aangesloten op het netwerk van Enexis. Ten behoeve van de uiteindelijke realisatie dient de initiatiefnemer dan ook de aanleg- en aansluiteisen van de netbeheerder Enexis BV te volgen.

-

Aanvragen van de aansluitingen op het Enexis portaal geschied in overleg met de beheerder.

5.6.2 Ontwerpeisen Uitgangspunten -

Ontwerp volgens de landelijk gehanteerde richtlijn NPR 13201-2017.

-

De lichtadviseur/beheerder van de gemeente Venray maakt in de meeste gevallen verlichtingsplannen/berekeningen voor de gemeente Venray

-

De initiatiefnemer kan ook zelf een verlichtingsplan opstellen, dit moet in alle gevallen goedgekeurd worden door de beheerder OVL van de gemeente Venray

-

Kabeltracés alleen aanleggen in openbare ruimte.

-

Lichtmasten nabij woningen dienen voorbereid te zijn om eventueel later alsnog een afschermingsvoorziening te kunnen plaatsen.

-

Achterpaden worden niet verlicht

-

Afval verzamelplekken dienen altijd goed verlicht te zijn

-

De situering van lichtmasten nabij parkeervoorzieningen, bomen en particuliere uitritten verdient speciale aandacht

-

Voorkom lichthinder bij woningen

TOR 2019

48

-

De doelstelling van de Flora- en faunawet is de bescherming en het behoud van de ‘gunstige staat van instandhouding’ van in het wild levende planten- en diersoorten. Bij bestaande locaties met OVL is het niet (meer) nodig rekening te houden met deze wetgeving. Voor gebieden waar nog geen OVL aanwezig is, kan de wetgeving wel kader stellend zijn. Hiervoor moet in de meeste gevallen contact opgenomen worden met de gemeente

Dorps- en wijkcentra -

Keuze paaltopmast en armaturen in overleg met de Gemeente Venray

-

In de dorpskernen passen wij bij voorkeur een esthetisch iets hoogwaardiger armatuur toe. Voorbeelden van armaturen:

-

o

Lightronics – prunus

o

Schredèr – Inoa - Pilzeo

o

Signify(Philips) – Metronomis

In de wijken passen we een iets eenvoudiger armatuur toe. Voorbeelden van armaturen: o

Inolumis – Ariane

o

Sustainder – Anne

o

Signify(Philips) – Townguide - Towntune

-

Lichtbron LED

-

Lichtkleur lichtbron 3000 K

-

Lichtpunt hoogte 4 meter

-

Driver voorzien van ingebouwde dimmer volgens specificatie

-

Armatuur heeft een fabrieksmatig aangebrachte aansluitsnoer van ca. 4 m

-

Conische mast in RAL kleur, volgens materiaalspecificatie “Lichtmasten van staal”

Erftoegangswegen binnen de bebouwde kom (30km/u) -

Keuze paaltopmast en armaturen in overleg met de Gemeente Venray

-

Paaltop armatuur

-

Voorbeelden van armaturen: o

Inolumis – Ariane

o

Sustainder – Anne

o

Signify(Philips) – Townguide - Towntune

-

Lichtbron LED

-

Lichtkleur lichtbron 3000 K

-

Lichtpunt hoogte 4 meter

-

Driver voorzien van ingebouwde dimmer volgens specificatie

-

Armatuur heeft een fabrieksmatig aangebrachte aansluitsnoer van ca. 4 m

-

Conische mast in RAL kleur, volgens materiaalspecificatie “Lichtmasten van staal”

Wijkontsluitingswegen (50km/u), dorpsverbindingswegen en erftoegangswegen buiten de bebouwde kom (60km/u) en industrieterreinen -

Keuze van masten en armaturen in overleg met de Gemeente Venray

-

Opschuif armatuur Voorbeelden van armaturen: o

Schredèr – Teceo, Axia of Piano

o

Sustainder – Ariane

TOR 2019

49

o

Signify(Philips) – Digistreet

-

Lichtbron LED

-

Lichtkleur lichtbron 3000 K

-

Lichtpunt hoogte 6,5 meter

-

Driver voorzien van ingebouwde dimmer volgens specificatie

-

Armatuur heeft bij voorkeur een fabrieksmatig aangebrachte aansluitsnoer van ca. 6,5 m

-

Conische mast in RAL kleur, volgens materiaalspecificatie “Lichtmasten van staal”

-

Enkele of dubbele uithouder van 1 meter in gelijke RAL kleur als de mast

-

Lichtkleur lichtbron 3000 K.

Gebiedsontsluitingswegen binnen en buiten de bebouwde kom (50km/u en 80km/u) -

Keuze masten en armaturen in overleg met de Gemeente Venray

-

Opschuif armatuur Voorbeelden van armaturen: o

Schredèr – Teceo, Axia of Piano

o

Signify(Philips) – Digistreet

o

Lightronics - Brisa

-

Lichtbron LED

-

Lichtkleur lichtbron 4000 K

-

Lichtpunt hoogte 8 meter

-

Driver voorzien van ingebouwde dimmer volgens specificatie

-

Armatuur heeft bij voorkeur een fabrieksmatig aangebrachte aansluitsnoer van ca. 9 m

-

Verloopmast in RAL kleur, volgens materiaalspecificatie “Lichtmasten van staal”

-

Enkele of dubbele uithouder van 1,5 meter in gelijke RAL kleur als de mast

5.6.3 Materiaalspecificaties Lichtmasten -

Stalen lichtmasten en uithouders moeten zijn voorzien van een CE-markering of label. Dit label dient zichtbaar aan de binnen- of buitenkant van de mast nabij het mastdeurtje te zijn aangebracht.

-

In de mast moet aan de binnenkant nabij de montagerail een aardbout van minimaal M8 zijn aangebracht. Aan deze aardbout moet een label "aardingsteken" te zijn bevestigd.

-

Het mastdeurtje dient een perfecte pasvorm en maatvastheid hebben. De spleetruimte tussen het mastdeurtje en de mast mag in gemonteerde toestand nergens meer bedragen dan 1 mm.

-

Oppervlaktebehandeling DCC-coating: o

De materialen dienen geheel thermisch verzinkt te zijn volgens NEN-EN ISO 1461 : 1999 en gelakt met een DCC-coating zoals hieronder beschreven.

o

Het verzinkte materiaal volledig voorzien van een DCC-natlak systeem, maximaal 2-laags, waarbij de primer 40-60 micron- en de toplaag 60-80 micron moet zijn. Dit DCC-natlak systeem dient aan onderstaande specificaties van de lakproducent te voldoen, te weten:

o

ISO 2810 South Florida Exposition - Outdoor Black Box Weathering Test - met een glansbehoud van 80% na 48 maanden;

o

ISO 4624 over zinkprimer met een hechtingswaarde groter of gelijk aan 16 MPa;

o

ISO 1519 geen scheurvorming bij 2mm mandrel diameter;

o

ISO 12944 I+M klasse C5.

TOR 2019

50

-

o

ISO 1520

o

ASTM D-40460 150mg. bij 5000 cycli met Cs17 - 1 kg.

>6mm.

Masten voorzien van maaiveld- en grondstukbescherming type HMR® en aangebracht tot 25 cm. boven maaiveld. HMR® eigenschappen: o

extreme slijt- en slagvastheid

o

geen aantasting door strooizout en gangbare chemische stoffen

o

resistent tegen urine en (grond)zuren.

o

lucht- en waterdicht

o

HMR® is recyclebaar en onschuldig voor het milieu.

Grondspots -

Bij het gebruik van grondspots moet vooraf een deskundig lichtadvies opgesteld worden. Het lichtadvies moet inzicht geven in lichtkleur, lichtsterkte en lichtbundel. Het advies wordt ter beoordeling voorgelegd aan de gemeente.

-

Het te plaatsen armatuur moet een waterdichtheid hebben van ten minste IP68.

-

Bij plaatsing moet voorkomen worden dat verkeersdeelnemers verblind raken door het licht. Aanwijzingen van de gemeente dienen stipt en direct te worden opgevolgd.

-

Grondspots dienen vlak te liggen in de bestaande bestrating en mogen geen obstakel vormen in de betrating

Dimmer -

Het armatuur bevat een ingebouwde driver voorzien van dimregime 4A: o

verlichting aan = 100%

o

20.00 uur = 70%

o

23.00 uur = 50%

o

06.00 uur = 70%

o

07.00 uur = 100%

o

verlichting uit

5.6.4 Uitvoeringseisen -

De actuele veiligheidsvoorschriften voor het werken in nabijheid van hoogspanningslijnen beheerd door TenneT;

-

CROW uitgave Handboek Lichtmasten, publicatie nr. 215, augustus 2005;

-

CROW publicaties "Veilig werken aan wegen";

-

NEN 1010-2015 'De veiligheidsvoorschriften voor laagspanningsinstallaties';

-

NEN-EN 50110-1 'Bedrijfsvoering van elektrische installaties';

-

NEN-EN-40 voor lichtmasten.

-

NEN 3140+A1:2015 'Bedrijfsvoering van elektrische Installaties - Aanvullende Nederlandse bepalingen voor laagspanningsinstallaties';

Verantwoordelijkheden en bevoegdheden m.b.t. NEN 3140 -

Vanaf het moment van opdracht tot en met het moment van oplevering is de opdrachtnemer verantwoordelijk voor alle elektrotechnische werkzaamheden voortvloeiend uit het bestek, als installatieverantwoordelijke (IV-er) volgens de NEN 3140. Deze verantwoordelijkheid omvat

TOR 2019

51

tevens die van de werkverantwoordelijke (NEN 3140) en wordt verder Operationeel Installatieverantwoordelijke (OIV-er) genoemd. -

Voor de uitvoering van het werk wijst de opdrachtnemer schriftelijk de operationeel installatieverantwoordelijke (OIV-er) aan. De opdrachtnemer overhandigt een door de OIV-er ondertekend afschrift van de aanwijzing binnen 7 dagen na aanvang van het werk aan de directie. Uit deze afschriften dient onomstotelijk vast te staan dat de aangewezenpersonen de schriftelijke aanwijzing hebben geaccepteerd.

-

Alle personen die elektrotechnische werkzaamheden uitvoeren in het kader van het bestek, dienen te allen tijde te kunnen aantonen, dat zij zijn aangewezen als werkverantwoordelijke (WV-er) en/of vakbekwaam persoon (VP-er).

-

Door de OIV-er van de opdrachtnemer wordt binnen 7 dagen na aanvang van het werk aan de opdrachtgever een eenmalige verklaring overhandigd waarin wordt aangegeven dat gedurende de uitvoering van het werk de opdrachtnemer zich voor de eigen IV-bedrijfsvoering conformeert aan het gestelde in de NEN 3140.

-

Voor alle elektrotechnische handelingen, leveranties en inbedrijfstelling ontheft de OIV-er van de opdrachtnemer, de IV-er van de opdrachtgever, voor alle aansprakelijkheid voortvloeiend uit het werk.

-

De in de vorige lid genoemde verantwoordelijkheid komt pas weer bij de IV-er van de opdrachtgever te liggen wanneer aan alle onderstaande handelingen is voldaan:

-

Wanneer de gehele installatie of schriftelijk overeengekomen delen hiervan volledig zijn opgeleverd door de opdrachtnemer, inclusief een schriftelijke verklaring van de opdrachtnemer dat de binnen dit bestek geleverde installaties voldoen aan de geldende normgeving: o

De opdrachtnemer een compleet opleverdossier heeft aangeleverd met daarin opgenomen de op de installaties betrekking hebbende ontwerpgegevens, -berekeningen en nulmeting van de gehele installatie bij ingebruikname per installatie. Onder de nulmeting wordt verstaan een complete NEN1010 opleverinspectie, zoals bedoeld in hoofdstuk 6, artikel 61 van de NEN1010.

o

Alle op het werk, of de schriftelijk overeengekomen delen hiervan, betrekking hebbende revisietekeningen compleet zijn overgedragen en zijn geaccepteerd door de IV-er van de opdrachtgever;

o

Alle op het werk, of de schriftelijk overeengekomen delen hiervan, betrekking hebbende gebruiksaanwijzingen compleet zijn overgedragen volgens de eisen vermeld in dit bestek en zijn geaccepteerd door de IV-er van de opdrachtgever;

o

Schriftelijke overdracht van verantwoordelijkheid van de OIV-er van de opdrachtnemer naar de IV-er van de opdrachtgever, zodra de IV-er van de opdrachtgever het overdrachtsdocument voor akkoord heeft ondertekend.

-

De verplichting vanuit de NEN 3140 beperkt zich tot het uitvoeren van de werkzaamheden aan de lichtobjecten waartoe dit werk zich afbakent. De aannemer dient hierbij zorgvuldig en veilig te werk te gaan en dient de veiligheid van werknemers en omstanders goed te waarborgen. Hierbij dient de Arbowet nageleefd te worden, aangevuld met de privaatrechtelijk aangewezen NEN 3140 + A1 2015.

-

Bij oplevering dient de aannemer middels een aan te leveren NEN 3140-verklaring, aan te tonen dat er volgens de privaatrechtelijk aangewezen norm NEN 3140 is gewerkt en dat de lichtpunten waaraan uit oogpunt van dit werk is gewerkt, veilig achter gelaten zijn, conform het gestelde in de NEN 1010, die van toepassing was in het jaar van aanleg van de lichtpunten. In het geval van onvolkomenheden, dient de aannemer dit direct na constatering te melden.

TOR 2019

52

5.7

Wegmeubilair

5.7.1 Uitgangspunten -

Plaatsing wegmeubilair volgens ASVV 2012

-

Locatie en soort bewegwijzering wordt door de gemeente bepaald, eventueel in overleg met NBd en/of Rijkswaterstaat. Als bewegwijzering onderdeel is van een plan, dan kan initiatiefnemer op aangeven van de gemeente advies inwinnen bij de NBd.

-

Alle kosten voor het benodigde wegmeubilair (inclusief de kosten voor engineering) zijn voor rekening initiatiefnemer.

5.7.2 Ontwerpeisen Bebording -

RVV bebording: o

Reflectieklasse 3.

o

Plaatsing op flespalen met anti diefstal beugels en grondankers.

o

Flespaal 0,80m. onder maaiveld.

-

Bewegwijzering volgens specificaties NBd (Nederlandse Bewegwijzeringsdienst).

-

Bedrijvennummering industrieterreinen volgens specificaties Revis.

-

Straatnaambebording volgens specificaties gemeente Venray.

-

Objectbewegwijzering volgens specificaties Agmi en/ of gemeente Venray.

-

Recreatieve bewegwijzering volgens specificaties Routebureau Noord- en Midden Limburg

Zitelementen De volgende zitelementen worden toegepast binnen de gemeente Venray m.u.v. het kernwinkelgebied en de bosgebieden (voor afmetingen; zie bijlage 1 OOR): -

Zitbank; Velopa type BN 200.

-

Tafel; Velopa type TP 200.

Verkeerspalen De volgende verkeerspalen worden toegepast binnen de gemeente Venray m.u.v. het kernwinkelgebied: -

Afneembare paal, type MA 66 S voorzien van een driekantsleutel.

-

Vaste paal, type diamantkoppaal 150x150mm. gerecycled kunststof, kleur zwart.

-

Geleideboog, type Ø60mm. gegalvaniseerd staal, hoogte 0,9m.

Fietsstalvoorzieningen -

Fietsaanleunbeugel RVS.

TOR 2019

53

5.8

Kunstobjecten in de openbare ruimte

5.8.1 Uitgangspunten kunstinitiatieven -

De gemeente wil graag kunstinitiatieven faciliteren en ondersteunen waar dat (financieel) mogelijk is. Waar de invloed gering is, zal de ondersteuning ook minder groot zijn.

-

Bij initiatieven vanuit de bevolking of schenkingen in het kader van bouwprojecten, is de gemeente meer volgend.

-

Vanuit gemeentelijk beleid zijn drie voorkeursgebieden aangewezen waar jonge kunstenaars hun kunst (tijdelijk) kunnen exposeren, daarvoor zijn door de gemeente randvoorwaarden vastgesteld. De drie aangewezen voorkeursgebieden zijn: 1. Kunst in het kernwinkelgebied van Venray - permanente en tijdelijke kunstobjecten. 2. Kunst op vier rotondes welke de entrees Venray vormen - tijdelijke kunstobjecten. 3. Kunst aan de buitensingel van Venray - tijdelijke kunstobjecten.

5.8.2 Randvoorwaarden kunstobjecten voorkeursgebieden 1. Hedendaagse, vernieuwende kunst; Vernieuwende kunstvormen, bij voorkeur uitgevoerd door jonge kunstenaars. 2. Samenhang met de context; Het aangaan van een relatie met de aanwezige componenten van de openbare ruimte. Voorkom dat losstaande objecten zonder interactie met hun omgeving ontstaan. 3. Keuze voor kwaliteit; Kunst dient voor toekomstige generaties zijn waarde te behouden. Het kunstwerk dient een krachtige uitstraling te hebben. Deze kracht kan zich bijvoorbeeld uiten door een dienstbare functie waardoor het bestaande wordt versterkt. 4. Burgerparticipatie; Kwaliteit gaat voor populariteit. Goede kunst stemt tot nadenken en kan discussie oproepen. Het is dan ook van groot belang om tenminste over de denkbeelden die liggen achter een kunstobject goed te communiceren. Wanneer mogelijk bij het ontwerp en de plaatsing burgers betrekken en duidelijk communiceren over de kaders waarbinnen participatie plaatsvindt.

5.8.3 Uitvoeringseisen kunstobjecten -

Een kunstobject, inclusief eventuele sokkel, mag nooit (tijdelijk) verplaatst worden zonder toestemming van de betreffende kunstenaar en de afdeling Maatschappelijke Diensten van de gemeente Venray.

TOR 2019

54

5.9

Aan te leveren gegevens

5.9.1 Verkeerscirculatie en ontsluiting Verkeerskundige beschouwing plan Er wordt een beschouwing verwacht over de bestaande en toekomstige interne en externe verkeersontsluiting van het plangebied inclusief een beschrijving van de noodzakelijke voorzieningen. Waar nodig en zinvol wordt deze beschouwing onderbouwd met tekeningen, cijfermateriaal, berekeningen en verkeersprognoses. De verkeersgevolgen van de ontwikkeling dienen over een periode van 10 jaar te worden bezien Verkeersmanagementplan realisatie Er wordt voorafgaand aan realisatie van een plan een verkeersmanagementplan verwacht waar in wordt beschreven hoe de verkeerscirculatie en ontsluiting tijdens realisatie van het plan zal verlopen. Denk hierbij aan een faseringsplan, een omleidingsplan etc. E.e.a. conform ‘Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990’ en CROW-publicaties 96 en 96b.

5.9.2 Parkeren De initiatiefnemer verstrekt een voldoende uitgewerkte parkeerbalans. Hierin wordt zowel de parkeervraag gekwantificeerd (met het benoemen van functies met aantal eenheden of oppervlakte) als het aanbod van parkeergelegenheid met beschrijving van een eventuele parkeermaatregel en dubbelgebruik. Verder wordt ingegaan op de kwaliteit van de parkeervoorziening wat betreft loopafstand, ligging, bereikbaarheid, sociale veiligheid, bruikbaarheid en toegankelijkheid voor auto en voetganger. Afhankelijk van locatie en aard van het plan kan het zinvol zijn een relevant deel van de omgeving in de parkeerbalans te betrekken. Voor de volledige tekst wordt verwezen naar de Beleidsnota Parkeernormen.

5.9.3 Openbare verlichting De initiatiefnemer verstrekt een gedetailleerde tekening met daarop aangegeven de plaats van de lichtmasten en relevante technische informatie zoals lichtberekening(en), exacte omschrijving van de gebruikte materialen (fabrikaat mast-, uithouder-, armatuur en lamptype). Tekeningen en aanvullende informatie dient te voldoen aan de door de gemeente op te geven eisen en de NPR Openbare Verlichting 13201-1, opdat deze kunnen worden opgenomen in het beheersysteem van de gemeente.

5.9.4 Wegmeubilair De initiatiefnemer verstrekt een bebordingstekening welke de te plaatsen, te verwijderen en te hergebruiken bebording bevat. Aan de hand van deze tekening zal ook de eventuele behoefte en locatie van bewegwijzering en overige bebording bepaald worden door de Gemeente, eventueel in overleg met Nationale Bewegwijzeringsdienst (NBd) en Rijkswaterstaat.

TOR 2019

55

5.9.5 Overzicht aan te leveren gegevens Initiatieffase: -

Schets Ontwerp

(beeldimpressie, vlekkenplan)

Beschouwing/verkeersonderzoek mbt verkeerscirculatie en ontsluiting

Haalbaarheidsfase:

Voorlopig Ontwerp

-

Maatvast ontwerp, schaal max. 1:500

-

Parkeerbalans

Ontwerpfase:

(stedenbouwkundig plan)

Definitief Ontwerp

-

Verlichtingsplan

-

Bebordingstekening

-

Kabels- en leidingen tracé

(inrichtingsplan)

Voorbereidingsfase: Bestek en tekening(en) -

Verkeersmanagementplan

-

Bestek en verhardingstekening(en)

TOR 2019

(technische uitwerking)

56

6

Stedelijk groen

TOR 2019

57

6 Stedelijk groen

6.1

Algemene uitgangspunten

De gemeente Venray streeft naar een prettige, fraaie en gezonde leefomgeving voor haar bewoners. Stedelijk groen verbetert het milieu, zorgt voor een rijke biodiversiteit, vermindert luchtvervuiling, draagt bij aan waterberging, dempt geluid en verkoelt in warme perioden. Deze ambitie heeft onder meer vorm gekregen in het groenstructuurplan van de gemeente, hierin is vastgelegd dat voor alle bouwinitiatieven een norm van minimaal 75m2 groen per woning nagestreefd dient te worden. De groenvoorzieningen in de openbare ruimte van de gemeente Venray zijn opgedeeld in drie categorieën: Bomen, Beplanting en Gras. Elk van deze categorieën kent zijn eigen uitgangspunten en ontwerpeisen.

6.1.1

Wettelijke regelgeving

-

Wet Natuurbescherming

-

Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

6.1.2

Vigerende beleidsdocumenten

-

Groenstructuurplan 2005 t/m 2014

-

Groenbeheerplan 2011 t/m 2014 (wordt 2019 herzien)

-

Uitvoeringsnota bomen Venray (wordt 2019 herzien)

-

Leidraad Adoptie Rotondes Venray

6.1.3

Handboeken, richtlijnen en normeringen

-

Standaard RAW Bepalingen 2015

-

Handboek Bomen 2018 (norminstituut bomen)

TOR 2019

58

6.2

Bomen

6.2.1 Uitgangspunten Algemeen -

Uitgangspunt voor gezonde (monumentale en waardevolle) bomen is behoud. De gemeente Venray beschikt over een interactieve kaart waarop alle monumentale en waardevolle bomen en aandachtsgebieden staan vermeld: http://venray.flamingo4.nl/viewer/app/Monumentale%20Bomen

-

Op het rooien van een gezonde boom is een compensatieplicht van toepassing. Deze bestaat uit een herplantplicht of een eventuele financiële compensatie, dit is afhankelijk van de herplant mogelijkheden. Voor de exacte regeling zie “Uitvoeringsnota bomen Venray” Aandacht voor beperking potentiele overlast van bomen voor omwonenden door de omgeving te betrekken bij de juiste situering en soortkeuze.

-

Toepassen diversiteit door aanplant verschillende soorten ter voorkoming van monoculturen en om het risico op uitval door eventuele ziekten te spreiden.

-

Vormbomen zoals; leibomen, gekandelaberde bomen en knotbomen alleen toepassen waar een intensiever beheer verantwoord is.

-

Aanplant nieuwe bomen altijd met draadkluit. Minimale aanplant maat binnen bebouwde kom 18/20 en buitengebied 16/18. Bomen op zandgrond gekweekt

Boomgrootte Gemeente Venray hanteert drie boomgroottes voor bomen met een ovale of eironde kroonvorm (reguliere kroonvorm): 1.

Bomen van de 1e grootte: ≥20 meter, voorbeelden zijn plataan, zomereik, linde, gewone beuk, en paardenkastanje.

2.

Bomen van de 2e grootte: ≥8 en ≤20 meter, zoals haagbeuk, els en ruwe berk.

3.

Bomen van de 3e grootte: ≤8 meter, zoals sierkers, sierappel en krentenboom.

De eisen met betrekking tot afwijkende kroon- en snoeivormen worden per plan individueel bepaald door de gemeente. De toe te passen grootte is per wegcategorie (zie bijlage 1 Ontwerpprincipes Openbare Ruimte) uiteengezet in tabel 2.

Wegcategorie

Boomgrootte Buiten de bebouwde kom 1e grootte, buiten de obstakelvrije zone (zie

Gebiedsontsluitingsweg 80

bijlage 1)

Dorpsverbindingsweg 60

1e of 2e grootte

Erftoegangsweg 60

1e of 2e grootte Binnen de bebouwde kom

Gebiedsontsluitingsweg 50-70

1e grootte

Wijkontsluitingsweg 50

1e of 2e grootte

Erftoegangsweg 30

1e , 2e of 3e grootte

Tabel 3 Boomgroottes per wegcategorie

TOR 2019

59

6.2.2 Ontwerpeisen Situering -

De boom moet kunnen uitgroeien tot de soorteigen habitus (groeivorm). In de ontwerpen bomen dan ook weergeven in “volwassen” omvang.

-

Locatie bomen zodanig dat aanrijschade door verkeer wordt voorkomen.

-

Voor laanstructuren binnen en buiten de bebouwde kom dient een plantafstand van 10 meter h.o.h. te worden aangehouden. Dit geldt zowel voor bomen van de 1e als van 2e grootte.

-

Uitgangspunt om bij aanplant van bomen een duurzame groeiplaats te realiseren waar een boom zich kan ontwikkelen tot volwaardige boom. De omvang van het plantvak dient daarom voldoende groot te zijn (conform Handboek Bomen 2018). Plantvak bij voorkeur voorzien van onderbeplanting. (Op deze wijze wordt de toepassing van (dure) ondergrondse groeivoorzieningen voorkomen). Dit is niet afhankelijk van de onderbeplanting

-

Bomen in verharding (met toepassing van boomspiegels) alleen toepassen als er onvoldoende ruimte is voor een volwaardig plantvak. Dit gaat gepaard met juiste ondergrondse groeiplaatsvoorzieningen.

-

Om de gezondheid van een boom te kunnen garanderen en wortelopdruk van verharding te voorkomen/beperken dient een minimale afstand van 0,75m. tussen hart stam en kant verharding te worden aangehouden. De minimale plantvakbreedte wordt daarmee 1,5m. voor het aanplanten van bomen.

-

Aanplant solitaire bomen in talud; maximale helling 1:4. Bomen dienen verder goed toegankelijk te zijn voor een hoogwerker. Hierbij zijn de volgende eisen van toepassing 1. Taludlengte tussen ≤ 6,0m. ; aan één zijde voorzien in een obstakelvrij schouwpad van min. 2,5m. breed 2. Taludlengte tussen 6,0 - 12,0m. ; aan twee zijden voorzien in een obstakelvrij schouwpad van min. 2,5m. breed 3. Taludlengte ≥ 12,0m. ; geen bomen toepassen

Soortkeuze -

Enkele belangrijke aandachtspunten bij de soortkeuze zijn: o

Uiteindelijke grootte

o

Passend bij het landschapstype.

o

Mogelijkheid tot opkronen in stedelijk gebied.

o

Gevoeligheid voor ziekten en plagen.

o

Vruchtdracht.

o

Takbreukgevoeligheid.

o

Gevoeligheid voor strooizout langs wegen.

o

Oppervlakkige beworteling (wortelopdruk wegen/paden)

Bovengrondse voorzieningen -

Bij aanplant in beplanting of gras een gietrand van zwart HDPE toepassen, min. Ø1,0m. Deze gietrand dient tenminste 0,10m. in de grond geplaatst te worden en tenminste 0,20m. boven het maaiveld uit te steken.

-

In te beweiden graspercelen bomen voorzien van gegalvaniseerde boomkorven Ø0,4m. Specificaties: maaswijdte 4,0x9,0cm, dikte 0,03cm, hoogte 1,5m

TOR 2019

60

-

Bij aanplant van jonge bomen drie acacia boompalen toepassen, ≥0,75m onder maaiveld, waaraan de gietrand bevestigd wordt. Middels autogordelbanden boom aan palen bevestigen.

Ondergrondse voorzieningen -

Bij renovatie of reconstructiewerk waarbij bestaande bomen worden gehandhaafd dient in trottoirs gebruik te worden gemaakt van Nederlands gebroken steenslag met sortering 816mm om op te straten. Dit om worteling in de straatlaag en daardoor wortelopdruk te kunnen voorkomen. Een alternatief is bijvoorbeeld een wortelscherm.

-

Grondverbetering ten minste 1,0m. diep, tot een maximum van 2,0m. Afhankelijk van grootte boom. Plantvak volledig voorzien van humeuse teelaarde. Vrijkomende grond afvoeren.

-

-

Hoeveelheid toe te passen humeuse teelaarde (organisch stofgehalte 5%) per boomgrootte: o

1e grootte ≥ 20m3

o

2e grootte ≥ 12m3

o

3e grootte ≥ 9m3

200 liter schimmeldominante humuscompost toepassen per aan te planten boom. Schimmeldominante humuscompost dient vermengt te worden met de teelaarde rondom de kluit. Voorafgaand aan levering, certificaat toegepaste schimmeldominante humuscompost ter goedkeuring voorleggen aan gemeente.

-

Toe te passen ondergrondse groeiplaatsconstructue bij onvoldoende bovengrondse ruimte: o

Sandwichconstructie: dient ter vervanging van de funderingslaag bij verharding. Er wordt een luchtlaag gecreëerd onder de verharding waardoor wortelopdruk wordt vookomen. Onder de constructie kan teelaarde worden aangebracht om de groeiruimte van een boom te optimaliseren.

o

Boombunker: Er wordt een vrije doorwortelbare ruimte gecreëerd met de eigenschappen van een open plantspiegel. Boven op de constructie kan verharding worden aangebracht. Deze constructie kan grote verkeersbelasting aan en kan tevens bijdrage aan het bergen van regenwater.

TOR 2019

61

6.2.3 Herdenkingsbomen Spelregels Om duidelijkheid te scheppen richting initiatiefnemers over welke mogelijkheden en plichten bestaan bij het planten van een herdenkingsboom, zijn de volgende spelregels van toepassing: 

Aanplant moet passen in de openbare ruimte (soort/uiteindelijke omvang boom en visie op de openbare ruimte ter plaatse);

Gemeente wijst de locatie ter plaatse aan en geeft randvoorwaarden aan bij het planten

Initiatiefnemer levert de boom zelf aan en wordt gekeurd door de gemeente; kwaliteit van

van de boom (spitwerk, bemesting, gietrand); het plantgoed is hierbij van belang, omdat de boom door de gemeente daarna in beheer wordt genomen; 

Initiatiefnemers planten de boom zelf en geven de eerste twee jaar water aan de boom. Bij dood gaan van de boom dient initiatiefnemer te zorgen voor nieuwe aanplant;

Bij diefstal of vandalisme aan de boom of bordje is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor herstel van de schade;

Gemeente verzorgt het herdenkingsbordje, tekst met de initiatiefnemer af te stemmen.

Gemeente beheert de boom op boomtechnisch gebied i.v.m. de juridische aansprakelijkheid bij uitbreken van takken, etc.

Locaties Herdenkingsbomen planten wordt niet overal in de openbare ruimte toegestaan. Om dit te reguleren zijn de volgende locaties aangewezen als plantlocatie: 

Vlakwater (stuifzandgebied) In 2013 is op initiatief van burgemeester H. Gilissen een begin gemaakt met het aanplanten van bomen ter ere van honderdjarigen. Daarnaast is hier ook een gedeelte gereserveerd om herdenkingsbomen ter ere van gebeurtenissen een plek te geven, bijvoorbeeld waarbij het gaat om maatschappelijk betrokken stichtingen of verenigingen.

Hoogzand (nabij visvijver Wanssumseweg) Ter plaatse ligt een perceel welke bestemd is ten behoeve van natuurontwikkeling. Door her en der een boom te planten zorgt dit voor een win-win situatie. Er wordt invulling gegeven aan de natuurontwikkeling en mensen die een persoonlijke gebeurtenis zoals een geboorte willen vieren wordt ruimte geboden om een herdenkingsboom te planten.

Uitzonderingen Aanplant op andere locaties is mogelijk wanneer het gaat om zaken waarvoor landelijk grote aandacht is in de samenleving, bijvoorbeeld bij geboortes of kroningen van het koningshuis, of in een geval waarbij elke inwoner van een dorp of wijk betrokken is.

TOR 2019

62

6.3

Beplanting

6.3.1 Uitgangspunten -

De gemeente hanteert zeven categorieën beplanting: bosplantsoen, (bodembedekkende) heesters, (blok)hagen, (heester)rozen, vaste planten, bollen en wisselperken.

-

De vitaliteit van de beplanting moet kunnen worden gegarandeerd. Naast externe omstandigheden (beschadigingen bijvoorbeeld) zijn standplaats, groeiruimte, bodem, waterhuishouding en de juiste soortkeuze, essentieel voor een vitaal beplantingsvak.

-

Overlast van beplanting aan omwonenden moet zoveel mogelijk worden beperkt, ook tijdens het uitgroeien tot uiteindelijke omvang.

-

Geen snippergroen; reststrookjes welke overblijven na inpassing van de benodigde infrastructuur.

6.3.2

Ontwerpeisen

Situering -

De beplanting moet kunnen uitgroeien tot de soorteigen habitus (groeivorm). In de schetsontwerpen beplanting dan ook weergeven in “volwassen” omvang

-

Landschappelijke beplantingsvakken niet direct tegen particuliere tuinen aanleggen ofwel een harde grens tussen particulier en openbaar groen realiseren. Dit om onrechtmatig gebruik van gemeentelijk eigendom tot een minimum te kunnen beperken. Ik zou dit principe hanteren bij alle soorten beplantingsvakken

-

Hoeken in plantvakken scherper dan 60 graden vermijden

-

De afstand van bosplantsoen tot verharding en erfgrenzen minimaal 1,5m.

-

Bij aanplant bosplantsoen in talud; steilheid talud maximaal 1:2, aan één zijde voorzien in een obstakelvrij schouwpad van min. 2,5m. breed

-

Toegankelijkheid ten behoeve van onderhoudsmaterieel (trekker) waarborgen bij grote (>100m²) oppervlaktes.

-

Wisselperken alleen toepassen in centrumgebied en winkelcentra.

-

Vaste planten alleen toepassen op beeldbepalende locaties, zoals monumenten, binnenstedelijke wadi’s en zichtlocaties aan ontsluitingswegen binnen de bebouwde kom

-

Bollen alleen toepassen in (tussen) bermen gebiedsontsluitingswegen in gras.

Ondergrond -

Beplantingsvakken dienen voorzien te zijn van minerale teelaarde met 5% organisch stofgehalte en vrij te zijn van steenpuin, wortelresten, wortelonkruiden en invasieve exoten. Dit is ook van toepassing op gebiedseigen grond.

-

De minimale gronddekking bij het aanleggen van beplantingsvakken bedraagt 0,4m teelaarde.

-

De indringingsweerstand van de grond (bepaald met een standaardconus van 1 cm2) mag maximaal 3 MPa bedragen ten tijde van aanplant. Dit wordt gemeten met een penetrograaf tot een diepte van 1,20m.

-

Harde en / of slecht doorlaatbare lagen doorspitten tot op een diepte van 1,2m. Deze opmerkingen kan er wat mij betreft inderdaad uit gezien het bovenstaande.

-

Bij plantvakken het maaiveld 1,0cm lager dan de aangrenzende verharding afwerken

TOR 2019

63

Soortkeuze -

Bij de soortkeuze dient de benodigde beheerinspanning (bijvoorbeeld snoeien en onkruidbeheersing) te worden meegenomen in de afweging. Soorten die intensief onderhoud vergen moeten zoveel mogelijk vermeden worden

-

Rondom sportparken en speelplekken geen gedoornde of vruchtdragende plantsoorten aanplanten.

-

Bij het aanplanten van een struiketage vooral schaduwverdragende soorten toepassen.

-

Heesterrozen dienen bestand te zijn tegen het jaarlijks afzetten met een klepelmaaier.

-

Toe te passen soorten vaste planten, bollen en wisselperken in overleg met gemeente.

Plantruimte en plantwijze Bosplantsoen -

Bosplantsoen is op te delen in verschillende typen. Per type is de specifieke ruimtebehoefte benoemd: o

Bossingel, minimale breedte 8,0m, oppervlakte minimaal 200m2

o

Hakhout, minimale breedte 10,0m, oppervlakte minimaal 200m2

o

Parkbos, minimale breedte 20,0m, oppervlakte minimaal 5000m2

o

Struweel, minimale breedte 5,0m, oppervlakte minimaal 60m²

o

Griend, minimale breedte 10,0m, oppervlakte minimaal 200m²

-

De plantafstand van bosplantsoen tot verharding en erfgrenzen minimaal 1,5m.

-

Aanplant in driehoeksverband, waarbij de plantafstand 1,0m x 1,0m bedraagt bij bossingels, hakhout en struwelen. Hierbij dient plantmateriaal in de maten 30-50/40-60 te worden toegepast met daarbij ten minste 20% boomvormers. Bij parkbos en grienden is dit afhankelijk van het eindbeeld.

(Bodembedekkende)heesters -

Onderlinge plantafstand: 0,9 x volwassen diameter.

(Blok)hagen -

Breedte haagvoet minimaal 0,8m (tussen kantopsluiting)

-

Hoogte maximaal 1,2m, langs wegen maximaal 0,4m.

-

Plantafstand; afhankelijk van de soort.

-

Dubbele rij; 4-7 st/ m1 haag, afhankelijk van de soort.

-

Rijen aanplanten ca. 0,25m uit grens haagvoet.

(Heester)rozen -

Afstand tot verharding de halve volwassen plantmaat.

-

Plantafstand 0,4m x 0,4m.

-

Aanplanten in driehoeksverband.

Vaste planten -

Plantdichtheid afhankelijk van de soort, maar wel zo dat binnen één groeiseizoen een dichte beplanting is verkregen.

-

Groepsgewijs aanplanten

TOR 2019

64

Bollen Minimale breedte plantvak 2,0m.

-

Wisselperken -

Minimale breedte plantvak 1,0m.

-

Plantverband en dichtheid afhankelijk van de soort.

Bemesting De mest dient in alle gevallen onkruidvrij en uitgecomposteerd te zijn. Verder zijn hieronder per beplantingscategorie de specifieke eisen irt bemesting benoemd: Bosplantsoen Een laagdikte van 3 cm bestaande uit 50% champignonmest en 50% tuinturf dient vermengt

-

te worden met de teelaarde tot een diepte van 40cm. (Bodembedekkende) heesters Een laagdikte van 5 cm bestaande uit 50% champignonmest en 50% tuinturf dient vermengt

-

te worden met de teelaarde tot een diepte van 40cm. (Blok)hagen Een laagdikte van 5 cm bestaande uit 50% champignonmest en 50% tuinturf dient vermengt

-

te worden met de teelaarde tot een diepte van 40cm. Bij de aanplant van beukenhagen of haagbeuken dienen mycorrhiza schimmels toegevoegd te worden. (product en hoeveelheid i.o.m. gemeente) (Heester)rozen Een laagdikte van 5 cm bestaande uit 50% champignonmest en 50% tuinturf dient vermengt

-

te worden met de teelaarde tot een diepte van 40cm. Vaste planten Een laagdikte van 10cm Molmmest dient vermengt te worden met de teelaarde tot een diepte

-

van 30cm. Bollen -

Nvt

Wisselperken -

Aanbrengen edelcompost 2m3 per 100m2 en onderwerken in plantvak tot een bewerkingsdiepte van 0,25 cm.

TOR 2019

65

6.4

Gras

6.4.1

Uitgangspunten

De gemeente Venray kent twee grastypen, te weten:

-

1.

Recreatief gras; Grasvelden, trapveldjes, parken, wegbermen en groenstroken binnen de bebouwde

o

kom. 2.

Ruw gras; o

Schrale grasvelden; (ecologisch beheerregime; 1x of 2x/jaar maaien, maaisel wordt afgevoerd ter bevordering van de kruidenvegetatie).

o

Te beweiden grasvegetaties (ecologisch beheerregime; afhankelijk van groeidruk).

o

Heemtuin; inheemse, wilde flora en fauna tot ontwikkeling laten komen(beheerregime; 1x of 2x / jaar maaien, maaisel wordt afgevoerd ter bevordering van de diversiteit.

o

Grasbermen buiten de kom; 

Reguliere wegbermen buiten de bebouwde kom (beheerregime; 1x/jaar de eerste meter maaien, 1x/jaar de gehele berm maaien)

6.4.2

Ecologische bermen (ecologisch beheerregime)

Ontwerpeisen

Situering -

Ter plaatse van muren, schuttingen e.d. tenminste één rij tegels van 15x30x6 cm aanleggen.

-

Situering en vormgeving zodanig dat zo min mogelijk wordt uitgenodigd om te parkeren op gras. Dit om schade aan het gras te voorkomen.

-

Omsloten grasvlakken met ruw gras dienen een toegang van minimaal 2,5m breed te hebben, grasvlakken met recreatief gras 2,0m, breed. Dit ten behoeve van toegankelijkheid onderhoudsmaterieel.

-

Aanleg gras op talud; o

Recreatief gras maximale steilheid 1:5

o

Schraal gras, grasbermen of te beweiden grasvelden; maximale steilheid 1:3

Taludlengte in relatie tot bereikbaarheid;

-

o

Taludlengte tussen ≤ 6,0m. ; aan één zijde voorzien in een obstakelvrij schouwpad van min. 2,5m. breed

o

Taludlengte ≥6,0m. ; aan twee zijden voorzien in een obstakelvrij schouwpad van min. 2,5m. breed

Ondergrond -

De bovenste laag van de bodem moet tenminste 0,20m. teelaarde te bevatten met een organisch stofgehalte van tenminste 3%. Dit is niet van toepassing op grastypen met ecologisch beheerregime

-

Harde en / of slecht doorlaatbare lagen doorspitten tot op een diepte van 0,80m.

TOR 2019

66

-

De indringingsweerstand van de grond (bepaald met een standaardconus van 1 cm2) mag maximaal 3 MPa bedragen ten tijde van aanplant. Dit wordt gemeten met een penetrograaf tot een diepte van 1,20m.

-

Bij grasbermen het maaiveld 3,0cm lager dan de aangrenzende verharding afwerken

Soortkeuze -

Voorgeschreven grasmengsel per functie: o

Recreatief gras: grasmengsel SV7 of Solide(2,5kg/are).

o

Bermen flauwer dan helling 1:20: bloemenmengsel (0,2kg/are) (zie Bijlage 5 voor soortensamenstelling bloemenmengsel)

o

Bermen steiler dan helling 1:20: bloemenmengsel (0,2kg/are) icm grasmengsel B3 (1,0kg/are) (zie Bijlage 5 voor soortensamenstelling bloemenmengsel)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370398/1