CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 11 kwaliteitsomschrijving (200528)

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen exploitatieplan De Spurkt24.679 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

-

o

Wadi: grasmengsel Bermen/Talud (1,5kg/are)

o

Te beweiden grasvegetaties: grasmengsel in overleg te bepalen.

o

Heemtuin: Bloemenmengsel i.o.m. gemeente op basis van ondergrond en wens.

Bij aanleg gras onder bomen met dichte kroon schaduwbestand grasmengsel selecteren en ter goedkeuring voorleggen aan gemeente.

Plantruimte en plantwijze -

Grasstroken van gazon of recreatief gras minimaal 1,0m breed en een minimaal oppervlak van 10m²

-

Vakbreedte ruw gras minimaal 3,0m en een minimale oppervlakte van 100m².

-

Vakbreedte grasberm minimaal 3,0m en een minimale oppervlakte van 100m².

TOR 2019

67

6.5

Uitvoeringseisen

6.5.1 Algemeen -

Tenzij anders overeengekomen zijn op de uitvoering de technische bepalingen van de Standaard RAW Bepalingen 2015 van toepassing.

-

In openbare groenvoorzieningen sleuven zodanig graven, dat de bovengrond, gescheiden van de kwalitatief mindere ondergrond, wordt opgeslagen en dat bij het dichten van de sleuf weer bovenin wordt verwerkt.

6.5.2 Bomen -

Bij werken rondom bomen gelden de eisen uit het handboek bomen 2018.

-

Ophoging en afgraving in de wortelzone is niet toegestaan zonder boomtechnisch advies en overleg met de beheerder.

-

Bij werkzaamheden nabij een monumentale en/of waardevolle boom (of aandachtsgebieden) dient de Bomenwacht Nederland (https://www.bomenwacht.nl/ ) een advies uit te brengen. De kosten hiervan zijn voor rekening initiatiefnemer.

-

Bestaande wortels met een diameter ≥ 5cm mogen alleen in overleg met de gemeentelijke toezichthouder worden verwijderd.

6.5.3 Beplanting -

Bij werken rondom bestaande beplanting dient beplanting die tijdelijk verwijderd wordt direct opgekuilt te worden.

-

Beplanting uitzetten op plantvak alvorens te starten met aanplantwerkzaamheden

6.5.4 Gras -

Bij het maken van sleuven of gaten in gazons of grasstroken de graszoden vakkundig verwijderen (sleuftracé van tevoren lossteken) en tijdelijk opstapelen. Na de werkzaamheden de zoden goed aansluitend leggen, met kruimelaarde afdekken en zo nodig enige tijd nat houden zodat gras ook aanslaat.

-

Bij bermen buiten de kom staan we het herzaaien van de kabelsleuf toe.

TOR 2019

68

6.6

Aan te leveren gegevens

Ontwerpfase Een separaat groenplan op een bruikbare schaal, maximaal 1:500, welke minimaal de volgende onderdelen bevat: -

Eindbeelden van het toe te passen groen.

-

Beplantingsmaten bij aanplant.

-

De toe te passen soorten.

-

Dwarsprofielen/details ondergrondse (groei)voorzieningen

Voorbereidingsfase -

Certificaten/keurmerken toe te passen groenvoorzieningen

-

Eventuele adviezen Bomenwacht Nederland

Beheerfase As built tekeningen conform NLCS tekenstandaard in .pdf en .dwg formaat. Deze dienen tenminste te bevatten: -

Toe te passen soorten

-

Aantallen beplanting

-

Dwarsprofielen/details ondergrondse (groei)voorzieningen

-

Milieuhygienische verklaringen toegepaste en verwijderde grond

TOR 2019

69

7

Wegen

TOR 2019

70

7 Wegen

7.1

Uitgangspunten

Wegbeheerders zoals de gemeente Venray hebben vanuit de Wegenwet de zorgplicht over de gemeentelijke wegverhardingen. Dit betekent dat de gemeente als wegbeheerder, te allen tijde, verantwoordelijk is voor de kwaliteit (onderhoudstoestand) van de verhardingen die de gemeente in beheer heeft. Deze zorgplicht moet er aan bijdragen dat het gebruik van de wegen veilig plaats kan vinden en schades/ongevallen ten gevolge van gebreken aan de weg zoveel mogelijk worden voorkomen. -

Vormgeving wegverharding, wegfundering, wegmarkering, kantopsluitingen etc. volgens OOR (zie bijlage 1 Ontwerpprincipes Openbare Ruimte).

-

Voor wegen met overwegend een verblijfsfunctie (30 km/u wegen) is meer keuzevrijheid mogelijk in bijvoorbeeld materiaalkeuze en wegbreedte dan bij wegen met overwegend een ontsluitingsfunctie (50, 60, 70 en 80 km/u wegen).

-

Op alle civieltechnische werkzaamheden, toe te passen bouwstoffen en producten zijn de Standaard RAW Bepalingen 2015 (CROW) van toepassing.

-

Alle nieuw toe te passen bouwstoffen dienen gekeurd te zijn volgens de van toepassing verklaarde normen en keuringseisen (NEN, CE, KOMO). Een afschrift van deze certificaten c.q. attesten c.q. keuringsresultaten dient naar de afdeling SDW van de gemeente Venray te worden toegezonden alvorens deze bouwstoffen worden toegepast.

-

In de bouwrijp fase dient de eventuele bouwweg voorzien te worden van 5cm bouwasfalt, niet van een elementenverharding op de kop of een halfverharding.

-

Het woonrijp maken van een bouwlocatie dient de bouw te volgen en in overleg met de gemeente plaats te vinden. Het woonrijp maken kan pas starten als de gemeente daar goedkeuring voor gegeven heeft.

7.1.1 Wettelijke regelgeving -

Wegenwet

-

Wegenverkeerswet 1994

-

Arbeidsomstandighedenwet (Arbo wet)

-

Besluit bodemkwaliteit

7.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -

Beleidsplan Onderhoud Wegen 2017 t/m 2020 (incl. aanvullingen uit jaarlijkse monitoring)

-

Visie wegenstructuur en wegcategorisering

-

Ontwerpprincipes Openbare Ruimte (OOR)

7.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -

CROW richtlijnen

-

Standaard RAW-Bepalingen 2015 (CROW)

-

NEN-EN normen

TOR 2019

71

7.2

Ontwerpeisen

7.2.1 Wegverhardingen Beton -

Op rammelstroken, middengeleiders, rijbaansplitsingen en vluchtheuvels beton C45/55 met Cobblestone print toepassen. (rammelstroken wapenen).

-

In het werk gestorte banden toepassen t.b.v. overrijdbaar gedeelte middeneiland rotondes.

Elementenverharding -

Toegestane formaten elementenverharding: o

BSS betonstraatsteen en SBS straatbaksteen; kei,- dik,- en waalformaat.

o

Alle betonnen elementenverharding dient te zijn voorzien van een kleurechte deklaag met minimaal 80% natuurlijke toeslag materialen en splintervrije kop.

-

Gebakken straatstenen van minimale hardheidsklasse A4-12.

-

Ontwerp afstemmen op machinaal straatwerk volgens CROW-publicatie 282 ‘Mechanisch aanbrengen elementenverharding’.

Asfaltverharding -

De toe te passen asfaltverhardingen staan vermeld in de verschillende standaard OOR profielen (zie Bijlage 1). De technische grondslag hiervan is terug te vinden in het Swecorapport ‘Standaard asfaltverhardingen gemeente Venray’ (zie Bijlage 4).

-

Toepassing van de verhardingsconstructies uit de standaard OOR profielen, zoals weergegeven in tabel 4-1 van het Sweco rapport is alleen mogelijk indien er sprake is van een goed draagkrachtige ondergrond (zie hoofdstuk 4 van het Sweco-rapport). Indien dit niet wordt aangetoond, of er sprake is van een minder draagkrachtige ondergrond, dan dient de verhardingsconstructie te worden ontleend aan tabel 4-2 van het Sweco-rapport. Alternatieve asfaltverhardingen kunnen worden aangeboden, mits deze met behulp van berekeningen zijn onderbouwd. De berekeningen dienen te worden uitgevoerd met behulp van OIA (Ontwerp Instrumentarium Asfalt), waarbij dezelfde uitgangspunten worden gehanteerd zoals omschreven in hoofdstuk 2 van het Sweco-rapport.

7.2.2 Wegfunderingen -

Wegfunderingen van reguliere rijbanen, parkeervoorzieningen en fietspaden dienen te worden voorzien van menggranulaat 0/31,5.

-

Wegfunderingen van rijbanen, parkeervoorzieningen en fietspaden gelegen in gebieden met een kans op een voorkomende grondwaterstand hoger dan 30 cm –mv of water op maaiveld gedurende periode van 1 dag of meer in het jaar, dienen te worden voorzien van een fundering bestaande uit hydraulisch gebonden menggranulaat (e.e.a. om pompwerking te voorkomen).

TOR 2019

72

7.2.3 Wegmarkering -

Soort/vormgeving markering volgens OOR en CROW-publicatie 207 ‘Richtlijnen voor de bebakening en markering van wegen’.

-

Aanbrengen markering: o

Markering op asfalt:

Thermoplast.

o

Markering op beton:

Sprayplast.

o

Markering op elementenverharding:

o

Thermoplast markering op fiets(suggestie)stroken op langsnaad aanbrengen.

o

Rode fietsoversteken dienen uitgevoerd te worden in thermoflex en niet in rood

Wegenverf/prefab elementen.

asfalt dit om naden in het asfalt van de rijbaan te voorkomen/beperken. -

Verwijderen markering: o

Permanente verwijdering van markering op asfaltverharding volgens methode waterstralen en nabehandelen met sealant en afstrooien met mineraal om kleurverschil en verschraling asfalt tegen te gaan.

o

Tijdelijke verwijdering van markering door middel van demarkeren met zwarte wegenverf en nastrooien met zand 200gr/m² t.b.v. stroefheid.

7.3

Uitvoeringseisen

7.3.1 Elementenverharding -

Machinaal straten volgens CROW-publicatie 324 ‘Verantwoord aanbrengen elementenverharding’.

7.3.2 Asfalt -

Bij toepassing van verschillende soorten deklagen in het horizontale vlak, bijvoorbeeld bij toepassing van rode fietsstroken, deze gelijktijdig in één gang warm verwerken (warm tegen warm).

-

Rode fietsoversteken dienen uitgevoerd te worden in thermoflex en niet in rood asfalt dit om naden in het asfalt van de rijbaan te voorkomen/beperken.

-

Ter plaatse van een aansluiting van een nieuwe asfaltconstructie op een bestaande asfaltconstructie, deze middels getrapt frezen (per asfaltlaag één trap) op elkaar aansluiten.

-

De afwijking in hoogteligging van de bovenkant van de verharding ten opzichte van het voorgeschreven profiel mag ten hoogste 10 mm bedragen.

-

In afwijking van lid 07 van artikel 81.26.02 van de Standaard mag geen asfaltgranulaat worden verwerkt in de bovenste twee lagen van een asfaltconstructie van een rijweg. Tevens mag het gedeelte asfaltgranulaat in de overige asfaltlagen maximaal 50% zijn.

-

De afwijkingen ten opzichte van het voorgeschreven dwarsprofiel worden gemeten door middel van waterpassing. De meting van de afwijkingen geschiedt ten minste eenmaal per 5 m weglengte.

-

De afwijkingen ten opzichte van het voorgeschreven lengteprofiel worden gemeten door middel van waterpassing. De meting van de afwijkingen geschiedt ten minste eenmaal per 5 m weglengte.

-

In aanvulling op het bepaalde in lid 06 van artikel 81.22.06 van de Standaard dient bij steenmastiekasfalt, indien volgens bestek moet worden afgestrooid met steenslag of

TOR 2019

73

brekerzand, het afstrooimateriaal in ten minste twee strooigangen mechanisch gelijkmatig over het gehele oppervlak aangebracht te worden en moet dit vervolgens per werkgang worden vastgedrukt. In afwijking van lid 06 van artikel 81.22.06 van de Standaard moet het vastdrukken per werkgang gebeuren bij een temperatuur van het oppervlak van ten minste 110 °C. -

Het asfalt dient bij het aanbrengen warm tegen warm te worden aangebracht zodat er een goede homogene en goed verdichte asfaltnaad ontstaat. Dit dient middels het aanbrengen door 2 asfaltspreidmachines te gebeuren. Ter plaatse van kruisingen en naden dient het asfalt middels een naadverwarmer opgewarmd te worden, zodat er een goede homogenen en goed verdichte asfaltnaad ontstaat. De werkwijze ter keuze van de aannemer.

7.3.3 Fundering -

Steenmengsels niet aanbrengen op een ondergrond waarvan de temperatuur 0 °C of lager is.

-

De afwijking in hoogteligging ten opzichte van het voorgeschreven profiel mag ten hoogste 10 mm bedragen.

7.3.4 Ophogingen en aanvullingen -

Voor zand dat in ophogingen of aanvullingen wordt verwerkt dient tot een diepte van maximaal 0,8 m onder bovenkant ophoging c.q. aanvulling de indringingsweerstand ten minste met 0,20 MPa per 10 mm diepte toe te nemen dan wel de volgende waarde te hebben: a.

Onder trottoirs: min. 2.0 N/mm2.

b.

Onder elementenverhardingen van rijwegen: min. 4.0 N/mm2.

c.

Onder asfaltverhardingen: min. 4.0 N/mm2.

d.

Onder fiets- en voetpaden: min. 2.0 N/mm2.

e.

In boomputten (trottoirs en parkeerstroken): min. 1.5 N/mm2 en max. 2.0 N/mm2.

Het bepalen van de indringingsweerstand dient door de aannemer te worden uitgevoerd met behulp van een door hem beschikbaar te stellen en door de directie goed te keuren handsondeerapparaat. Het kalibratierapport van het sondeerapparaat mag niet ouder zijn dan 1 jaar.

TOR 2019

74

7.4

Aan te leveren gegevens

Ontwerpfase

-

Verhardingstekening(en) welke tenminste bevat(ten):

-

Toe te passen verhardingsmaterialen

Dwarsdoorsnede(n) verhardingsconstructie(s)

Maatvoering verhardingsbreedtes, bochtstralen, etc.

Vooronderzoeken (bijv. teerhoudendheid asfalt conform CROWpublicatie 210 en verkort verslag toe te passen asfaltmengsels conform lid 01 van artikel 81.23.02 van de Standaard)

Voorbereidingsfase -

Bestek en tekening(en)

Realisatiefase

-

Omleidingstekening

Beheerfase

-

As built tekening(en) in pdf en dwg formaat, conform NLCS tekenstandaard welke ten minste bevatten: o

de toegepaste verhardingsmaterialen/ kantopsluitingen/

o

de toegepaste funderingsmaterialen/ grondverbetering

o

de locaties van de kolken/ inspectieputten

o

de gerealiseerde en verwijderde ondergrondse infra

o

de locaties en uitvoering van het wegmeubilair/ wegbebakening

wegmarkeringen

TOR 2019

75

8

Civieltechnische kunstwerken

TOR 2019

76

8 Civieltechnische kunstwerken 8.1

Algemene uitgangspunten

Civieltechnische kunstwerken zijn vaak beeldbepalende elementen in de buitenruimte. De gemeente Venray hecht er dan ook veel waarde aan dat deze voorzieningen op een fraaie wijze onderdeel uitmaken van het omliggende landschap. De volgende typen kunstwerken zijn gedefinieerd in deze Toetssteen: -

Bruggen

-

Duikers (kleine duikers, zie H9.4.3 Riool en Water)

-

Tunnels

8.1.1 Wettelijke regelgeving -

Bouwbesluit 2012

-

Keur Waterschap Limburg

-

De Wegenwet

-

Wegenverkeerswet

-

Wet Geluidhinder

-

Besluit Bodemkwaliteit

-

WARVW 2013

-

RARVW 2013

8.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -

nvt

8.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -

Standaard RAW-bepalingen 2015

-

CROW 342 “Ontwerpwijzer bruggen voor langzaam verkeer”

-

CROW 202 “Handboek veilige inrichting van bermen”

-

CROW publicatie 328 “Handboek wegontwerp basiscriteria”

-

Bruggen: NEN-EN serie 1990 t/m 1995 en NEN-EN 1997-1

-

Tunnels: NEN-1010, NEN-2535, NEN-2575

-

Richtlijn ontwerp Kunstwerken 1.4 (ROK)

-

CUR aanbeveling 100 (schoon beton)

-

CUR aanbeveling 213 (duurzame detaillering hout)

TOR 2019

77

8.2

Ontwerpeisen

8.2.1 Ontwerpuitgangspunten -

Ontwerp qua vormgeving en kwaliteitsniveau afstemmen op omgeving waarin het kunstwerk is geplaatst.

-

Kunstwerken met een openbare gebruiksfunctie dienen toegankelijk te zijn voor mindervaliden

-

Onderhoudsbewust ontwerpen, onderdelen moeten goed en eenvoudig bereikbaar zijn voor inspectie en onderhoud.

-

Ontwerplevensduur 80 jaar voor betonnen kunstwerken, 25 jaar voor houten kunstwerken

-

Technische levensduur bevestigingen moet minimaal gelijk zijn aan de technische levensduur van de te bevestigen/verankeren en/of te fixeren onderdelen en/of constructies.

-

Geen kieren, richels of sparingen toepassen waar zand en/of bladeren in achterblijven, streven naar een “schoon” ontwerp.

-

Maatregelen nemen ter voorkoming van graffiti, bijvoorbeeld anti-graffiticoating (min. levensduur 3 jaar) of keramische materialen.

-

In ontwerpproces rekening houden met mantelbuizen (sparingen voor kabels/leidingen)

-

Beweegbare kunstwerken voorzien van bliksemafleiding en aarding.

-

Maatregelen tegen buitengewone belastingen conform NEN-EN-1991-1-7

8.2.2 Materialisering Beton -

Ontwerp en berekening constructie conform NEN-EN 1992-2+C1:2011 (nl) + NB (nationale bijlage)

-

In het zicht komende betonoppervlakken uitvoeren in schoon beton conform CURAanbeveling 100

-

In het beton van het dek en de schampranden een hulpstof toevoegen/oppervlaktebehandeling aanbrengen ter voorkoming van schade door dooizouten

-

Gebruik beton conform NEN-EN 206 + NEN 8005:2017 (nl)

Hout -

Hout moet voldoen aan: de Dutch Procurement Criteria for Timber, waarbij geldt dat het voldoet aan ten minste zeven van de negen principes voor duurzaam bosbeheer (sustainable forest management)

-

Ontwerp en berekening constructie conform NEN-EN 1995-2:2005 (nl) + NB (nationale bijlage)

-

Duurzame detaillering conform CUR-aanbeveling 213

Staal -

Ontwerp en berekening constructie conform NEN-EN 1993-2+C1:2011 (nl) + NB (nationale bijlage)

TOR 2019

78

-

Onderdelen thermisch verzinken volgens NEN-EN-ISO 1461:2009 (nl)

-

Vervaardigen van onderdelen/constructies conform NEN-EN 1090-2

-

Leveren onderdelen/constructies conform NEN-EN 1090-1

-

Scherpe randen moeten worden afgerond

-

Laswerk strak en egaal uitvoeren

-

Conservering:

8.2.3

o

Aanbrengen duplexsysteem conform NEN 5254:2003 (nl).

o

Aanbrengen van natlaksysteem volgens NEN-EN-ISO 12944-5:2018

o

Coating moet goed kunnen worden bijgewerkt

Bruggen

Algemeen -

Verkeersklasse bruggen conform meest recente versies van VOSB (stalen bruggen) of VBB (betonnen bruggen) en bouwbesluit.

-

Classificatie van de weg is tevens classificatie van het kunstwerk. Hierbij rekening houden met eventuele extra eisen voor strooiroutes voor gladheidbestrijding en bereikbaarheid van hulpdiensten.

-

Voorzien in ecologisch vriendelijke bruggen ; bruggen met een droge doorgang voor fauna

-

Bevaarbaarheidsklasse (CEMT klasse) vaststellen in overleg met de vaarwegbeheerder

-

Verkeersbrug toetsen conform NEN–EN 1991-2+C1:2011 (art. 4.3.2, 4.3.3, 4.3.4, en 4.3.5)

-

Voetganger/fietsbrug, die ook toegankelijk dient te zijn voor dienstverkeer toetsen conform NEN–EN 1991-2+C1:2011 (art. 5.3.2.3)

-

Voetgangers/fietsbrug toetsen met: een gelijkmatige belasting van 500 kg/m2 en een puntbelasting van 700 kg. Indien een onderhoudswagen de brug moet kunnen gebruiken een belasting van 12.000 kg

Voegovergangen en opleggingen -

Aandacht voor de geluidsproductie van voegovergangen in binnenstedelijk gebied en/of nabij geluidsgevoelige objecten

-

Onderlegringen van oplegconstructie zijn bij voorkeur van kunststof

Brugleuningen -

Aandacht voor overklauterbaarheid brugleuningen. Op alle bruggen waar redelijkerwijs voetgangers en-/of fietsers verwacht kunnen worden dienen de brugleuningen te voldoen aan de minimale eisen voor overklauterbaarheid (CROW 342: Ontwerpwijzer bruggen voor langzaam verkeer)

-

Indien een voertuigkering noodzakelijk is (bij een snelheidsregime van boven de 30km/u) de brugleuning als voertuigkering uitvoeren

-

Sparingen in brugdekken ten behoeve van bevestiging leuningen en voertuiggeleiders vullen met bitumineus gietproduct of gelijkwaardig.

-

Leuningen ontwerpen conform NEN–EN 1991-2+C1:2011 en CROW 342

-

Bij stalen leuningen altijd RVS-dopmoeren toepassen, dit ter voorkoming van contactcorrosie.

TOR 2019

79

Brugdek -

Het wegprofiel, met de daarbij horende obstakelvrije ruimte, over of onder het kunstwerk doorzetten in dezelfde maatvoering.

-

Brugdekken voorzien van antisliplaag met gegarandeerde levensduur van minimaal 5 jaar.

-

Geen open brugdek toepassen bij een ongelijkvloerse kruising van wegen

-

Aandacht voor gladheidbestrijding en veegonderhoud.

-

Afwatering zodanig ontwerpen dat plasvorming op dekconstructie en uitspoeling van de taluds wordt voorkomen .

-

Rekening houden met eventueel aan te brengen gladheidsmeetpunten in brugdek.

Brughoofden en pijlers -

Viaducten en bruggen beschermen tegen beschadigingen ten gevolge aanrijdingen en/of aanvaringen.

-

Taluds onder brugdekken bekleden met een gesloten verharding.

-

Taluds, constructie en materialen vandalismebestendig construeren.

-

Ter hoogte van brughoofden openbare verlichting aanbrengen

-

Stootplaten toepassen tpv overgang naar brughoofd en voldoende lang maken

8.2.4 Tunnels -

Sociale veiligheid waarborgen.

-

Geen bochten in tunnels, wijkende wanden toepassen in fiets- en voetgangerstunnels.

-

Ontwerp laagspanningsinstallaties in tunnels conform NEN 1010

-

Ontwerp brandmeldsystemen in tunnels conform NEN 2535

-

Ontwerp ontruimingsinstallaties in tunnels conform NEN 2575

8.2.5 Duikers -

Doorvaarbare duikers toepassen in de hoofdwatergangen voor maaiboten e.d. in verband

-

Tenminste 30% van de duiker boven water uitvoeren

-

Voorzien in ecologisch vriendelijke duikers ; duikers met een droge doorgang voor fauna

-

Nagaan of voorzieningen noodzakelijk zijn t.a.v. onder-/achterloopsheid

met beheer vanaf het water

8.3 -

Uitvoeringseisen Voldoende aandacht besteden aan aanvullingen en verdichting van grondwerk rondom landhoofden

TOR 2019

80

8.4

Aan te leveren gegevens

Ontwerpfase -

Inpassingsplan kunstwerk

-

Technische tekeningen verschillende constructieonderdelen conform NLCS tekenstandaard in .pdf en .dwg formaat

Voorbereidingsfase -

Constructieberekeningen en geotechnische berekeningen verschillende onderdelen

-

Technische tekeningen verschillende constructieonderdelen conform NLCS tekenstandaard in .pdf en .dwg formaat

Beheerfase -

Technische detailtekeningen verschillende constructieonderdelen conform NLCS tekenstandaard in .pdf en .dwg formaat

-

As built tekeningen 3D in .dwg formaat conform NLCS, geografisch bepaald in RD stelsel.

TOR 2019

81

9

Riool & water

TOR 2019

82

9 Riool en Water

9.1

Algemene uitgangspunten

De gemeente Venray vindt het belangrijk bewust om te gaan met water. Wij maken dan ook zichtbaar hoe we met ons hemelwater omgaan door daar waar mogelijk het hemelwater ter plaatse op te vangen en te laten infiltreren in de bodem. De complete waterhuishouding binnen de gemeente Venray is er op gericht verdroging en hittestress tegen te gaan en de RWZI’s (rioolwaterzuiveringsinstallaties) verder te ontlasten. -

Bij werkzaamheden nabij de beschermingszone van een waterkering dient contact opgenomen te worden met waterschap Limburg.(zie legger waterkeringen www.waterschaplimburg.nl ).

-

De initiatiefnemer draagt zorg voor het aanvragen en verkrijgen van de benodigde vergunningen, ontheffingen en goedkeuringen.

-

Bij aanvragen voor een nieuwe duiker in een bestaande gemeentelijke watergang buiten de bebouwde kom, is de aanvrager/vergunninghouder verantwoordelijk voor de (kosten van de) aanleg van de complete voorziening inclusief het beheer en onderhoud van de duiker.

-

Bij aanvragen voor een nieuwe duiker in een bestaande gemeentelijke watergang binnen de bebouwde kom, is de aanvrager/vergunninghouder verantwoordelijk voor de kosten van de aanleg van de complete voorziening. Aanleg en beheer en onderhoud is de verantwoordelijkheid van de gemeente.

9.1.1 Wettelijke regelgeving -

Kaderrichtlijn Water

-

Waterwet

-

Wet bodembescherming

-

Lozingenbesluit bodembescherming

-

Water Verordening Provincie

-

Keur Waterschap Limburg

-

Wet beheer rijkswaterstaatwerken

9.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -

Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) 2018 t/m 2021

9.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -

NPR 3218 “buitenriolering onder vrij verval - Aanleg en onderhoud”

-

Standaard RAW Bepalingen 2015

-

Kennisbank Stedelijk Water(voorheen Leidraad Riolering)– Stichting Rioned https://www.riool.net/home

TOR 2019

83

9.2 -

Ontwerpuitgangspunten De ontwerpprocedure ten behoeve van een bouwplan dient te geschieden volgens de Watertoetsprocedure. De uitkomst hiervan zal het vertrekpunt van ontwerpen zijn. Van dit proces zal de gemeente structureel op de hoogte moeten worden gehouden. Dat geldt in alle fases van initiatief- tot en met beheerfase (voor meer informatie betreffende watertoetsproces, zie http://www.dewatertoets.nl/ ).

-

Een gescheiden rioleringsstelsel aanleggen op nieuwbouwlocaties woningbouw en

-

100% van het hemelwater infiltreren binnen het plangebied. Indien direct infiltreren niet

nieuwbouwlocaties industrieterreinen. Maatwerk toepassen in overleg met de gemeente. mogelijk is, dan bufferen en vertraagd afvoeren naar open water. -

Bij reconstructies van bestaande infrastructuur met een gemengd rioolstelsel het

-

Persriolering en gemalen mogen alleen worden toegepast als vrijvervalriool niet mogelijk is

-

Voorzien in een vermaasd rioolstelsel (geen vertakt stelsel).

-

Afvoerpieken zoveel mogelijk terugdringen.

-

Alle constructieonderdelen van het rioleringssysteem dienen gekeurd te zijn door KIWA

hemelwater afkoppelen van het bestaande stelsel.

volgens de van toepassing verklaarde normen en keuringseisen (NEN, CE, KOMO).

TOR 2019

84

9.3

Ontwerpeisen rioleringssysteem

9.3.1 Vuilwaterriool (DWA riool) -

Het afschot in de eerste 150 meter bedraagt 4‰, het afschot tussen 150 meter en 300 meter bedraagt 3‰ en het afschot na 300 meter bedraagt 2‰ of indien de buizen vanwege benodigde capaciteit groter worden het bijbehorende afschot.

-

Het heeft altijd de voorkeur om de riolering onder vrij verval te laten afwateren, dus geen of zo weinig mogelijk gemalen in nieuwbouwwijken.

-

Te hanteren ontwerpparameters: o

De gemiddelde woningbezetting bij woningbouw is 2,7 inwoners.

o

Het gemiddeld waterverbruik is 150 l/inw./dag.

o

De piekbelasting is 15 l/inw./uur.

9.3.2 Hemelwater infiltratieriool (IT riool) en/of retentievoorziening -

Ontwerp van infiltratie- en retentievoorzieningen volgens Kennisbank Stedelijk Water (voorheen Leidraad Riolering module B1200).

-

De infiltratievoorziening heeft een totale bergingscapaciteit van minimaal 40 mm (het aangesloten verharde oppervlak vermenigvuldigd met 40 mm geeft de benodigde bergingscapaciteit in m3). Indien de voorziening een overloop heeft richting waterschapswater, gelden de rekenwaardes van het waterschap. Zie in dit geval www.waterschaplimburg.nl .

-

De infiltratievoorziening heeft een leeglooptijd van 24 uur of minder. Aan te tonen middels een berekening in combinatie met bodemonderzoek.

-

De initiatiefnemer mag een noodoverloop maken als de noodoverloop overstort op maaiveldniveau, dus niet via een buis ondergronds naar het openbaar riool.

-

De voorkeur gaat uit naar een centrale open infiltratievoorziening, indien wegens ruimtegebrek niet mogelijk, dan een ondergrondse voorziening.

-

Het type infiltratie- en/of retentievoorziening dient in overleg met de gemeente te worden vastgesteld.De infiltratievoorziening moet reinigbaar en inspecteerbaar zijn. Voorzieningen die ondergronds worden aangebracht dienen aantoonbaar de belasting van een brandweer blusvoertuig te kunnen weerstaan.

9.3.3 Persriool -

Ontwerp volgens Kennisbank Stedelijk Water (voorheen Leidraad Riolering modules B2000 en B3000)

-

Ontwerp van de pompput en installatie (elektrisch zowel als mechanisch) behoeft de goedkeuring van de gemeente.

-

De aansluiting van een persleiding op het vrijvervalstelsel dient in overleg en ter goedkeuring van de gemeente plaats te vinden.

-

De persleiding moet in de ontvangstput d.m.v. een T-stuk(om hevelen tegen te gaan) aangesloten worden en de lozings buis moet onder water uitkomen.

-

De functie van het vrijverval rioolstelsel mag niet verstoord worden.

-

De voorziening moet zodanig worden gekozen dat er geen stankoverlast zal optreden bij aanwonenden.

-

De verblijftijd in de persleiding van het te verpompen afvalwater dient zo kort mogelijk te zijn, met een maximum van 12 uur.

TOR 2019

85

9.4

Ontwerpeisen constructieonderdelen

9.4.1 Rioolbuizen Hoofdriolering Beton -

≥ Ø 300mm inwendig.

-

Maximale strenglengte 100m

-

Positionering hoofdriolering onder wegverharding.

-

De gronddekking op aansluitleidingen dient minimaal 0,80m te bedragen. De gronddekking op hoofdriolering dient minimaal 1,20m te bedragen.

-

Verbindingen betonbuizen met spie en mof-eind met glijringverbinding.

-

Buislengte ≥ 2000mm. ≤ 3600mm.

-

Afhankelijk van de berekende kruindruk dienen gewapende of ongewapende buizen te worden toegepast.

-

Maximaal één inlaat per buislengte.

-

Inlaten altijd op 12 uur. Als hier van afgeweken moet worden, uitsluitend in overleg.

-

Het is niet toegestaan een inlaat “in te hakken”, inlaten moeten of prefab aanwezig zijn of geboord worden.

-

Inlaten dusdanig vormgeven dat doorsteken van de inlaat uitgesloten is, bijvoorbeeld door het toepassen van een knevel, of keil-inlaat.

Kunststof -

≥ Ø 250 mm inwendig volwandig kunststof.

-

Maximale strenglengte 100m

-

Gronddekking op de aansluitleiding dient minimaal 0,80 m te bedragen. De gronddekking op de hoofdriolering dient minimaal 1,20 m te bedragen.

-

Sterkteklasse SN8 .

-

Met aangevormde mof.

-

KOMOkeur en NEN 1852.

-

Inlaat maken middels een knevel, of keil-inlaat of een in te bouwen T-stuk in betreffende leiding.

-

Inlaten altijd op 12 uur. Als hier van afgeweken moet worden, uitsluitend in overleg.

-

Inlaten minimaal 1,0m h.o.h. en minimaal op 1,0m afstand van het buiseinde.

-

Inlaten dusdanig vormgeven dat doorsteken van de inlaat uitgesloten is.

Kolkaansluitleidingen -

Toepassen volwandige kunststof rioolbuizen.

-

Ø 125mm (indien meerdere kolken op een leiding dan Ø 160mm).

-

Sterkteklasse SN8 .

-

Met aangevormde mof.

-

Met KOMO-keur, volgens NEN 1852.

-

HWA-buis kleur grijs.

-

Buisverbindingen en/of buis-hulpstukverbindingen met een rubber manchet uitvoeren.

-

Kolken die aansluiten op een infiltratievoorziening voorzien van een Gully Strainer.

TOR 2019

86

Huisaansluitleidingen -

Toepassen volwandige kunststof rioolbuizen.

-

Ø 125 mm bij gescheiden stelsel en Ø 125mm bij gemengd stelsel.

-

Sterkteklasse SN8.

-

Met aangevormde mof.

-

Met KOMO-keur, volgens NEN 1852.

-

Toe te passen kleuren: o

HWA grijs

o

DWA rood/bruin

-

Buisverbindingen en/of buis-hulpstukverbindingen met een rubber manchet uitvoeren.

-

Geen huisaansluitingen via kolkaansluiting.

-

Ter plaatse van de erfscheiding, op particulier terrein, dient een ontstoppingspunt te worden gemaakt . Dit geldt zowel voor een DWA als voor een HWA huisaansluiting.

-

Bij aansluiten van bedrijfsgebouwen en woongebouwen voor meer dan één huisgezin dient middels berekening te worden aangetoond hoe groot de diameter van de aansluitleiding moet zijn. Deze afmeting is minimaal Ø125mm.

9.4.2 Persleidingen -

≥ Ø 63mm inwendig.

-

Materiaal HDPE SDR 17

-

Buisverbindingen moeten trekvast worden uitgevoerd.

-

Doorspuitpunt in de persleiding voorzien van kogelkraan met volle doorlaat.

9.4.3 Duikers -

Minimale diameter van een duiker is 300 mm.

-

De duiker is gemaakt van beton of pvc (min. sterkteklasse SN8).

-

De BOB van de duiker moet gelijk zijn aan de slootbodem.

-

In een duiker inspectieput(ten) toepassen indien: o

de duiker een lengte heeft, groter dan 50 meter.

o

twee duikers onder een hoek op elkaar aansluiten.

o

er sprake is van een overgang tussen eigenaren/beheerders.

o

er sprake is van een overgang in materiaalsoort.

9.4.4 Gemalen Algemeen -

De gemeente maakt zelf de berekening voor de benodigde afvoercapaciteit van het gemaal en deze wordt samen met de aanvraag ter controle naar de leverancier opgestuurd. Maaiveldhoogtes en de bob’s worden ook meegestuurd.

-

De gemeente geeft aan wat de statische opvoerhoogte is waar rekening mee gehouden moet worden.

-

Putbodem op 0,5 meter onder uitslagpeil. Inslagpeil is gelijk aan of lager dan de BOB van de laagste inkomende leiding. Pendelberging dusdanig dimensioneren dat een pomp maximaal 10 start per uur heeft. Dit op basis van het debiet in de eindsituatie.

-

Leverancier ontwerpt de put, het mechanische gedeelte en het elektrische gedeelte. De puttenstaat en standaard putafmeting worden door de leverancier met de gemeente

TOR 2019

87

gecorrespondeerd. In de offerte wordt een post opgenomen voor de engineering en het tekenen van de put en mechanische installatie. Gemaalput -

Gemaalputten moeten goed bereikbaar zijn voor zwaar materieel, hiertoe dient, indien nodig, een toegangspad te worden aangelegd.

-

Materiaalsoort: De pompput moet zodanig behandeld worden dat deze bestand is tegen H2S, de pompput moet daarom, bijvoorbeeld, voorzien zijn van een PE coating, welke naadloos aangebracht is. Ook de doorvoeren moeten afgedicht zijn.

-

Gemaalputten mogen niet in de weg gesitueerd zijn

-

In de gemaalput mogen geen dode hoeken in het stroomprofiel zitten.

-

Instroomstuk toepassen indien injectie van andere persleiding in put van toepassing is.

Mechanisch deel -

De luiken die toegepast worden zijn van standaard fabrikaat Staka (of gelijkwaardig) met gasgeveerd aluminium luik en dubbele valroosters

-

Alle bevestigingsmaterialen en gasveer dienen RVS 316 te zijn

-

De afsluiters voor de inkomende leidingen worden geleverd en gemonteerd door de betonleveranciers. De afsluiters moeten vervaardigd zijn van RVS/ HDPE en met een bedieningssleutel geleverd worden. De afsluiters moeten bij voorkeur dubbelkerend zijn

-

Balkeerkleppen moeten onder in de put worden gemonteerd.

-

Alle, bij voorkeur nodulair gietijzeren, onderdelen moeten voorzien zijn van een epoxy coating

-

De voetbocht en balkeerklep moeten van gietijzer zijn

-

Twee stuks rioolwaterpompen plaatsen, inclusief benodigd leidingwerk; functionerend als elkaars reserve

-

Per pomp dient op iedere persleiding afzonderlijk een gietijzeren schuifafsluiter te worden gemonteerd, de bedieningssleutel moet meegeleverd worden.

-

De leidingen in de put moeten van HDPE vervaardigt zijn

-

In het leidingwerk in de put dient een doorspuitvoorziening te worden ingebouwd. Deze mag het lichten van de pomp niet bemoeilijken

-

Het leidingwerk in de put moet worden voorzien van beugels welke aan het beton worden gemonteerd ter versteviging

-

In het leidingwerk moeten bochten r = 1 - 1/2 d gebruikt worden in plaats van knieën

-

Hijsketting moet gekeurd zijn volgens de NEN en van RVS 316 vervaardigt zijn

-

De muurdoorvoer moet afgedicht worden door middel van DG schakels

Elektrisch deel -

De standaard modem voor de gemeente is GSM / GPRS Type DTU 204

-

De antenne moet geschikt zijn voor GPRS / GSM communicatie

-

De gemeente levert de simkaart aan

-

De standaard besturing voor de gemeente is de gemaalcomputer type APP 900 van Xylem

-

De schakelkast moet worden voorzien van kastverwarming en een thermohygrostaat

-

Niveaumeting via druksensor Vegawell 4-20mA

-

Het gemaal moet worden voorzien van een hoogwatervlotter

-

Kastkleur van de buiten opstellingkast is RAL6009

TOR 2019

88

-

De kast voorzien van een espagnolet sluiting, met profielcilinder Ronis N34265

-

De gemaalkast voorzien van een 230V aansluiting

-

De gemaalkast voorzien van verlichting bediend door een deurschakelaar.

-

Per pomp een terugverende keuzeschakelaar O – H - A monteren.

-

Elke buitenopstellingkast moet op een losse betonvoet gemonteerd worden, welke maximaal één meter van het putluik af staat. De kast en het putluik moeten tegelijkertijd open kunnen.

-

Mantelbuizen tussen kast en put moeten worden afgedicht door middel van AMP

Regenmeter In het geval dat er een regenmeter geplaatst moet worden is dat voor rekening gemeente en gelden de volgende specificaties: -

De regenmeter moet op een kantelmast van 4 meter hoog geplaatst worden. De mast moet worden voorzien van een inklimbeveiliging.

-

De regenmeter is zonder verwarming, fabricaat Lambrecht, type 15188.

-

De regenmeter moet worden aangesloten op de gemaalcomputer

-

De locatie van de regenmeter moet zodanig zijn dat er zich geen obstakels bevinden binnen een afstand van 1 à 1,5 keer de hoogte van het obstakel waar het bij in de buurt staat. De bovenrand van het instrument mag maximaal 40 cm boven de grond uitsteken.

9.4.5 Inspectieputten Algemene ontwerpeisen -

Ontwerp van inspectieputten conform Kennisbank Stedelijk Water (voorheen Leidraad Riolering module B3000) en NPR 3218.

-

Inspectieputten dienen vervaardigd te zijn van geprefabriceerde elementen. Indien prefab elementen geen optie zijn mag, in overleg met de gemeente, een inspectieput van metselwerk of een in het werk gestorte inspectieput worden toegepast.

-

Bij strengen met buisdiameter ≥ Ø250mm ≤ Ø800mm is de maximale putafstand 100m.

-

Bij strengen met buisafmetingen vanaf Ø 800 is de maximale putafstand 80m.

-

Inspectieputten zoveel mogelijk uit het hart van de rijbaan, indien niet mogelijk moeten ze in ieder geval vanaf de openbare weg goed bereikbaar zijn voor zwaar materieel.

-

Bij hoekverdraaiingen ronde inspectieput toepassen van minimaal Ø 1000mm inwendig.

-

Speciale putten (denk aan: opstellingen van wervelventielen, schuiven, kleppen, overstortputten incl overstortmes etc..) mogen niet in de openbare weg worden gesitueerd.

-

Putranden op hoogte brengen met stellagen, stellen in metselspecie, berapen aan binnenen buitenzijde. Laatste hoogteverschil tot aan maaiveld opvangen met krimpvrije mortel.

-

Alle inspectieputten van HWA riool voorzien van een zandvang van 300mm.

Beton -

Inwendige putafmeting minimaal 1,0m x 1,0m.

-

Glijringverbinding tussen put en buis welke is ingestort in de putwand.

-

In geval van een kunststof leiding dient een schuifmof te worden ingemetseld, of worden ingestort.

TOR 2019

89

Metselwerk -

Wanddikte: o

Tot 2,5m beneden maaiveld: minimale wanddikte = 220mm.

o

Van 2,5m tot 3,5m beneden maaiveld: minimale wanddikte = 320mm.

o

Van 3,5m tot 5,0m beneden maaiveld: minimale wanddikte = 420mm.

o

Bij putdieptes ≥ 5 m beneden maaiveld dient middels een berekening te worden aangetoond wat de minimale wanddikte behoort te zijn.

-

Metselwerk aan binnen-en buitenzijde berapen.

-

Aansluiting strengen middels metselwerksparingen in, minimaal, steens metselwerk.

Kunststof -

Inwendige putdiameter minimaal Ø 800mm.

Stroomprofiel -

Stroomprofiel aanbrengen tot halve hoogte van de buis.

-

Onderbak put is voorzien van een zelfreinigend, stroomprofiel van stampbeton .

Putdeksel -

Inspectieputdeksel toepassen bestand tegen zwaar verkeer, met gietijzeren rand en betonvoet en bijbehorend rammelvrij deksel, conform onderstaande uitgangspunten. o

Putrand in asfalt: P SOLO Selflevel S 600/19.

o

Putrand in bestrating: P SOLO S AME 600 .

o

Opschrift putrand aanbrengen t.b.v. HWA put; “RW”.

o

Putdeksels van HWA of IT inspectieput altijd roosterdeksel.

o

Putdeksels van DWA inspectieput uitvoeren met gemeentelogo zoals bekent bij Struyk Verwo Aqua

-

Bij noodzaak van kneveldeksels dient middels een berekening te worden aangetoond dat de gekozen rand met deksel op voorgestelde manier van toepassen (al of niet verankerd) niet zal gaan opdrijven als gevolg van de optredende waterdruk.

9.4.6 Kolken -

H.o.h. afstand kolken maximaal 25,0m.

-

Afwaterend oppervlak per kolk maximaal 300m².

-

Ter plaatse van een aansluiting op andere wegen dient er voor de aanvang van de aansluitende bochten aan beide zijden een kolk te worden geplaatst.

-

Bij verkeersdrempels en andere verhogingen dient aan beide zijden, voor en achter de drempel een kolk geplaatst te worden.

-

Indien er een middengoot in het straatprofiel wordt toegepast dan dient de kolk S 3050/84 GBI van Struyk Verwo Aqua gebruikt worden.

-

Bij HWA riool Gully Strainer en zandvang toepassen.

9.4.7 Riool spindelschuiven en terugslagkleppen -

De te kiezen constructie dient een onderhoudsarm karakter te hebben. Dus vervaardigd van bijvoorbeeld roestvast staal 316 of polyethyleen (PE).

-

Materiaal en fabrikaat behoeven de goedkeuring van de gemeente.

-

Schuiven bij voorkeur dubbelkerend

TOR 2019

90

9.4.8 Randvoorzieningen -

Bergbezinkvoorzieningen dienen te worden ontworpen conform Kennisbank Stedelijk Water (voorheen Leidraad Riolering modules B2000 en B3000)

-

Toe te passen spoelsysteem bergbezinkvoorziening: Hydroself spoelklep, leverancier Morselt Watertechniek BV .

9.4.9 Infiltratie- en retentievoorzieningen t.b.v. regenwater Infiltreren in openbaar gebied Wadi -

Inpassing in de omgeving middels natuurlijke glooiingen, geen ‘harde’ knikken ter plaatse van voet en kruin taluds, oftewel komvormig afwerken.

-

De voorkeur gaat uit naar mogelijk meervoudig gebruik van de wadi, bijvoorbeeld in combinatie met een speelveld. In de wadi mogen derhalve diverse bodemniveaus voorkomen.

-

Voorkeur voor taludhelling 1:6 en daar waar mogelijk nog flauwer.

-

Bekleding taluds:

-

o

Gras, (grasmengsel Bermen/Talud 2,0 kg/are), maximale taludhelling 1:5.

o

Ruw gras, maximale taludhelling 1:3.

o

Vaste planten (mengsel in overleg met gemeente), maximale taludhelling 1:1.

Het planten van waterminnende boomsoorten in wadi, in mineraalrijke teelaarde (hoeveelheden volgens paragraaf 11.2 Bomen). Eventuele overige ontwerpeisen afhankelijk van locatie wadi, overleg met gemeente is gewenst.

-

De bereikbaarheid ten behoeve van onderhoud moet worden gewaarborgd.

IT riool -

Buisdiameter IT-riolering van poreuze beton minimaal Ø 400mm. (bv. de “Drainbuis” van de firma Kijlstra, de “Medina” van de firma Martens of de “Permeo” van de firma De Hamer).

-

Geen geotextiel toepassen i.c.m. poreuze betonbuizen.

-

De te graven rioolsleuf aanvullen met minimaal 1 m3/m1 permanent drainzand conform RAW bepalingen. Aanvullend aan de eisen in de standaard RAW bepalingen dient het drainzand een poriëngehalte te hebben van minimaal 23%.

-

B.o.b. ondergrondse IT riool in overleg met de gemeente te bepalen.

-

Geen afschot.

-

De gronddekking op aansluitleidingen dient minimaal 0,80m te bedragen. De gronddekking op hoofdriolering dient minimaal 1,20m te bedragen.

-

De voorziening dient zodanig te worden uitgevoerd dat deze kan worden gereinigd met gebruikelijke rioolreinigingsvoertuigen en kan worden geïnspecteerd met gebruikelijke rioolinspectievoertuigen.

Infiltreren in particulier eigendom -

Aangesloten hemelwaterafvoeren op maaiveldniveau voorzien van een bladafscheider.

-

De noodoverloop stort over op maaiveldniveau, dus niet via een buis ondergronds naar het riool.

TOR 2019

91

9.5

Uitvoeringseisen

9.5.1 Grondwateronttrekkingen Bij eventueel benodigde grondwaterspiegelverlagingen ten gunste van rioolaanleg moet de hoeveelheid onttrokken water worden geregistreerd. Het bemalingdebiet en de hoeveelheid onttrokken grondwater moet dagelijks bijgehouden worden. Deze gegevens dienen in een ordelijk en overzichtelijk Excel bestand (.xlsx) digitaal te worden aangeleverd bij de gemeente. Over de hoeveelheid onttrokken grondwater kan grondwaterbelasting en grondwaterheffing worden geheven, deze kosten komen voor rekening van de opdrachtgever. Het aanmelden en het aanvragen c.q. verkrijgen van benodigde vergunningen voor dergelijke zaken horen tot de verantwoording van de exploitant. Nadere informatie omtrent grondwaterbelasting kan worden verkregen bij de belastingdienst, zie; www.belastingdienst.nl, nadere informatie omtrent grondwaterheffing kan verkregen worden bij de Provincie Limburg, zie; www.limburg.nl

9.5.2 Lozingen Lozing van bronneringswater bij voorkeur middels retourbemaling of lozing op oppervlaktewater. Indien niet mogelijk (aantonen) kan, in overleg met de gemeente Venray, worden bezien of lozing op het riool mogelijk is. Uitgangspunten hiervoor zijn het te lozen debiet, duur lozing, plaatsing adequate zandvanginrichting. Indien wordt voorzien in afvoer van bronneringswater via riolering dan dient een aanvraag te worden ingediend bij de gemeente voor een tijdelijke rioolaansluiting. Voortvloeiende kosten als gevolg van de hierboven omschreven zaken alsmede de kosten voor het lozen van water zijn voor rekening van de aanvrager. Aan het lozen van water op de riolering zijn conform de vigerende ‘verordening op de heffing en invordering van rioolaansluitrecht’ kosten verbonden.

9.5.3 Controleren riolering op waterdichtheid -

Alle vrijverval-hoofdriolering (inclusief de putten) dient te worden gecontroleerd op waterdichtheid middels inwendige waterdruk, uitgezonderd IT riolering.

-

Persriool dient , eveneens aansluitend na aanleg, te worden gecontroleerd op waterdichtheid middels een schrijvende manometer.

-

Beproeving leiding reinigen, middels “foam pig” techniek.

-

Bevindingen van de beproevingen dienen op schrift te worden overhandigd aan de gemeente.

-

Controle op de waterdichtheid van de rioleringen dient direct na aanleg, volgens de voorschriften van de Standaard RAW bepalingen 2015 en de betreffende praktijkrichtlijnen van het Nederland Normalisatie Instituut, voor rekening van en door de exploitant plaats te vinden, waarna de controlerapporten binnen twee weken na uitvoering ter goedkeuring overlegd dienen te worden bij gemeente Venray.

9.5.4 Camera-inspectie riolering -

Camera-inspectie riolering volgens de classificatie van het normblad EN 13508-2.

-

Binnen vier weken na aanleg van de riolering van de betreffende fase dient de camerainspectie, inclusief de verhangmeting uitgevoerd te worden, waarbij de camera-inspectie het riool schoon en droog dient weer te geven zonder schadebeelden.

TOR 2019

92

-

De rapportage als bedoeld in artikel 25.42.01 van de Standaard 2015 dient te zijn opgesteld in de meest recente versie van het Standaard Uitwisselings Formaat voor Riool Inspectiebestanden en dient alle aangelegde leidingen weer te geven.

-

De rapportage dient een duidelijke inhoudsopgave te bevatten waarmee geïnspecteerde leidingen snel en eenvoudig in de rapportage en op de inspectiebeelden zijn terug te vinden. In deze inhoudsopgave dienen per leiding minimaal de pagina nummers, DVDnummers, tellerstanden en riool/strenggegevens en riool ID nummers vermeld te worden.

-

Voor de eindoverdracht van het openbaar gebied aan de gemeente Venray dient de gehele procedure van de camera-inspectie van de riolering nogmaals uitgevoerd te worden.

-

De gegevens moeten digitaal en mógen analoog aangeleverd te worden aan de gemeente.

-

Inspectiegegevens aanleveren in RIBx formaat

TOR 2019

93

9.6

Aan te leveren gegevens

Haalbaarheidsfase Waterparagraaf -

In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan zijn gemaakt ten aanzien van water. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant.

-

In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming.

-

De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies.

-

Voor een verdere toelichting van de waterparagraaf zie website helpdeskwater

Ontwerpfase/Voorbereidingsfase Rioleringstekeningen -

Tekeningen analoog en digitaal aanleveren, bestanden in .dwg formaat.

-

Situatie bestaande riolering met alle relevante onderdelen van de bestaande waterketen ter plaatse, schaal 1:500.

-

Situatie aan te leggen riolering met alle relevante onderdelen van de nieuwe waterketen ter plaatse, schaal 1:500.

-

Verder moet de stroomrichting, vloeivlakhoogtes bij putten, materiaal en afmeting worden aangegeven van elke streng. Controleputten moeten worden genummerd in overleg met afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray.

-

Lengteprofielen van de aan te leggen riolering, schaal 1:500/1:50. Per streng dient het bodemverhang, onderlinge putafstanden c.q. strenglengte en dwarsdoorsnede c.q. afmeting van de buizen te worden aangegeven. Duidelijk onderscheid dient gemaakt te worden tussen RWA, DWA en IT(infiltratie) leidingen. Verder dient bij de putten de putdekselhoogte en de (ontwerp)druklijnhoogte te worden aangegeven in m+NAP.

-

Detailtekeningen inzake bijzondere putten, pompstations, overstorten, retentie- en/of infiltratievoorzieningen dienen op een voldoende grote schaal te worden getekend.

-

Er dient bijzondere aandacht te worden geschonken aan het kruisen van leidingen en de bereikbaarheid en veiligheid m.b.t. onderhoudswerkzaamheden van bijzondere voorzieningen (denk aan pompinstallaties, kleppen, schuiven etc..). De veiligheidseisen van de ARBO zijn hier van toepassing.

-

Situatietekening omtrent de te nemen tijdelijke verkeersmaatregelen inzake de uit te voeren werkzaamheden. Een en ander in overleg met de verkeerskundige van de gemeente Venray.

TOR 2019

94

Realisatiefase Kwaliteitscertificaten -

Een afschrift van KIWA certificaten c.q. attesten c.q. keuringsresultaten dient te worden overhandigt aan de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray voorafgaand aan de toepassing van de betreffende materialen.

Revisietekeningen van de aangelegde riolering -

De revisietekeningen van het aangelegde riool met de uitleggers, alsmede aparte tekeningen per perceel van de rioolaansluiting met het ontstoppingsstuk, dienen binnen een termijn van vier weken na aanleg aan de gemeente Venray overhandigd te worden.

-

De revisietekeningen van de hoofdrioleringen en huisaansluitingen dienen de rioolsituatie weer te geven met een aanmeting in het horizontale en verticale vlak (N.A.P. maten) en dienen aangeleverd te worden op de gemeentelijke standaardformulieren; verkrijgbaar bij sectie beheer afdeling Openbare Ruimte gemeente Venray.

-

De inmeting ter goedkeuring van rioolbeheerder gemeente Venray.

-

Revisie gegevens digitaal en analoog aanleveren. Digitaal in .dwg en .pdf formaat.

-

De revisie dient minimaal de volgende gegevens te bevatten: o

Maaiveldhoogte putdeksel in m. t.o.v. NAP.

o

Putnummer (conform putnummering gemeente Venray).

o

Putbodem in m t.o.v. NAP.

o

Inwendige afmetingen put in meters.

o

BOB bij begin en eind van elke streng in m t.o.v. NAP.

o

Strenglengte in m. en strengdiameter in mm.

o

Materiaal put en streng. Bij kunststof leidingen tevens sterkteklasse aangeven

o

Eventueel toegepaste fundering.

o

Indien bemaling toegepast, aangeven waar en welk type.

o

Apart aanleveren inspectie gegevens volgens paragraaf 9.5.4

TOR 2019

95

10

Kabels & Leidingen

TOR 2019

96

10

Kabels en Leidingen

10.1 Uitgangspunten De gemeente Venray streeft naar een veilige, kwalitatieve en functionele openbare ruimte waarbij overlast en schade zoveel mogelijk wordt voorkomen. -

De gemeente is geen eigenaar van de nuts- en telecomnetwerken. Zodra een voorstel voor een aanpassing en/of nieuwe aanleg van een netwerk is overeengekomen tussen initiatiefnemer en nuts- en/of telecompartij, wordt door nuts- en/of telecompartij een aanvraag ingediend bij de gemeente via het geautomatiseerde systeem MOOR. Met een instemmingsbesluit kan de gemeente vervolgens toestemming verlenen om op haar gronden deze voorzieningen te realiseren.

-

De gemeente is eigenaar van kabelnetwerken tbv slagboominstallaties bij openbare gebouwen/terreinen, cameratoezicht openbare ruimte, BFA’s (Beweegbare Fysieke Afsluitingen) en VRI’s (VerkeersRegelInstallaties)

-

Uitvoeringseisen, procesafspraken en ontwerpuitgangspunten mbt nutsnetwerken (m.u.v. datanetwerken) zijn vastgelegd in de Overeenkomst Gemeenten en Nutsbedrijven in de provincie Limburg (OGN 2011): https://synfra.nl/ogn/

-

Het aantal en de situering van brandkranen dient door initiatiefnemer met de Veiligheidsregio Limburg-Noord en waterleidingmaatschappij WML worden overeengekomen.

-

De initiatiefnemer betaalt alle kosten die voortvloeien uit de vergunde werkzaamheden en bijbehorende voorschriften.

Gedurende de bouwfasering van een nieuwbouwproject zijn er twee momenten waarop het van cruciaal belang is de nuts- en telecombedrijven te betrekken bij het plan. Te weten: 1. Haalbaarheidsfase, op het moment dat bekend is hoeveel en wat voor soort bebouwing gerealiseerd gaat worden. Dit om vast te stellen wat de energie/telecommunicatie behoeften zijn binnen het plan en wat de consequenties daarvan zijn. 2. Ontwerpfase, op het moment dat een definitief ontwerp vastgesteld is. Dit is voor de nuts- en telecombedrijven het startsein om te beginnen aan ontwerp/engineering van het benodigde kabels- en leidingennet. Bij reconstructies van bestaande infrastructuur zijn er ook twee momenten waarop het van cruciaal belang is de nuts- en telecombedrijven te betrekken bij het plan. Te weten: 1. Tijdens de haalbaarheidsfase, zodra bekend is wat de reconstructie in gaat houden. Op dat moment kunnen de nuts- en telecombedrijven aangeven of zij zelf nog werkzaamheden gepland hebben op de betreffende locatie en/of de reconstructie consequenties heeft voor het bestaande kabels- en leidingennet. 2. Tijdens de ontwerpfase, op het moment dat een definitief ontwerp vastgesteld is. Dit is voor de nuts- en telecombedrijven het startsein om te beginnen aan ontwerp/engineering van de eventuele werkzaamheden aan het bestaande kabelsen leidingennet.

TOR 2019

97

10.1.1 Wettelijke regelgeving -

Telecommunicatiewet

-

Legesverordening Venray 2018

-

Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netwerken (Wion)

-

Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

-

Telecommunicatieverordening Venray 2010

10.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -

OGN 2011

10.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -

Standaard RAW-bepalingen 2015

-

NEN 7171-1:2009 nl

-

NPR 7171-2:2009 nl

TOR 2019

98

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370398/1