bijlage 11 kwaliteitsomschrijving (200528)
Tekst van het document
Bijlage 11 Kwaliteitsomschrijving
2019 Gemeente Venray mei 2019
[TOETSSTEEN OPENBARE RUIMTE] Venray, focus op mensen
WOORD VOORAF
Voor u ligt de ‘Toetsteen Openbare Ruimte’. Dit document is tot stand gekomen met de gezamenlijke inzet van de afdeling Stad Dorp en Wijken van de gemeente Venray, vertegenwoordigers van de in Venray actief zijnde nuts- en telecombedrijven en vertegenwoordigers van verschillende hulpdiensten. De gemeentelijke beleidsnota’s die een relatie hebben met de openbare ruimte, vormen de basis van dit document. De ‘Toetssteen’ vormt een overzichtelijke bundeling van geconcretiseerd bestaand beleid met betrekking tot de openbare ruimte. Het werken met dit document zal enige gewenning behoeven en mogelijk tot reacties leiden. Suggesties voor verbeteringen zijn altijd welkom.
INHOUD
INLEIDING
1
DOELSTELLING
8
PROCEDURE
8
TOETSSTEEN OPENBARE RUIMTE VERSUS GRONDEXPLOITATIEWET
9
LEESWIJZER
9
STEDENBOUW 1.1
UITGANGSPUNTEN
11
Wettelijke regelgeving
11
1.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
11
ENERGIE EN KLIMAAT
12
1.2.1
Uitgangspunten
12
1.2.2
Gasloos bouwen
12
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
12
1.3
CULTUREEL ERFGOED 2.1
14
UITGANGSPUNTEN
14
2.1.1
Wettelijke regelgeving
14
2.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
14
2.1.3
Protocollen, handreikingen en modellen
14
2.2
ARCHEOLOGIE
15
2.2.1
Onderzoeksplicht
15
2.2.2
Aan te leveren onderzoeken
15
2.3
3
11
1.1.1 1.2
2
7
MONUMENTEN
16
2.3.1
Vergunningplicht
16
2.3.2
Aanvraagprocedure omgevingsvergunning reguliere procedure
17
2.3.3
Aanvraagprocedure omgevingsvergunning uitgebreide procedure
18
2.4
CULTUURHISTORIE
18
2.5
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
18
MILIEU 3.1
20
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
20
3.1.1
Wettelijke regelgeving
20
3.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
20
3.1.3
Handboeken, richtlijnen en normeringen
20
3.2
EXTERNE VEILIGHEID
3.2.1
Uitgangspunten
3.2.2
Ontwerpeisen
3.3
21 21 22
GEUR
22
3.3.1
Uitgangspunten
22
3.3.2
Ontwerpeisen
22
3.4
GELUID
3.4.1
23
Uitgangspunten
23
TOR 2019
1
3.4.2 3.5
3.5.1 3.6
Uitgangspunten
23
BODEM- EN (GROND)WATERKWALITEIT
24
Uitgangspunten
24
3.6.2
Ontwerpeisen
24
LUCHTKWALITEIT
3.7.1 3.8
25
Uitgangspunten
25
UITVOERINGSEISEN
26
3.8.1
Externe veiligheid
26
3.8.2
Geluid
26
3.8.3
Bodem- en (grond)waterkwaliteit
26
3.9
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
3.9.1
28
Bodem- en (grond)waterkwaliteit
ECOLOGIE 4.1
5
23 23
3.6.1 3.7
4
Ontwerpeisen
LICHT
28
30
UITGANGSPUNTEN
30
4.1.1
Wettelijke regelgeving
30
4.1.2
Planologische bescherming
30
4.1.3
Compensatieregeling
30
4.1.4
Handreikingen
31
4.2
VOORWAARDEN
31
4.3
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
34
MOBILITEIT 5.1
36
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
36
5.1.1
Wettelijke regelgeving
36
5.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
36
5.1.3
Handboeken, richtlijnen en normeringen
37
5.2
WEGCATEGORISERING
37
5.2.1
Verkeersgebied
37
5.2.2
Verblijfsgebied
39
5.2.3
Kruispunten
41
5.3
VERKEERSCIRCULATIE EN WEGINRICHTING
42
5.3.1
Uitgangspunten
42
5.3.2
Verkeerscirculatie
42
5.3.3
Weginrichtingselementen
43
5.4
PARKEREN
44
5.4.1
Uitgangspunten
44
5.4.2
Ontwerpeisen
45
5.5
HULPDIENSTEN
46
5.5.1
Uitgangspunten
46
5.5.2
Ontwerpeisen
46
5.5.3
Uitvoeringseisen
47
OPENBARE VERLICHTING
48
5.6
5.6.1
Uitgangspunten
48
5.6.2
Ontwerpeisen
48
TOR 2019
2
5.6.3
Materiaalspecificaties
50
5.6.4
Uitvoeringseisen
51
5.7
5.7.1
Uitgangspunten
5.7.2
Ontwerpeisen
5.8
53 53
KUNSTOBJECTEN IN DE OPENBARE RUIMTE
54
Uitgangspunten kunstinitiatieven
54
5.8.2
Randvoorwaarden kunstobjecten voorkeursgebieden
54
5.8.3
Uitvoeringseisen kunstobjecten
54
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
55
5.9.1
Verkeerscirculatie en ontsluiting
55
5.9.2
Parkeren
55
5.9.3
Openbare verlichting
55
5.9.4
Wegmeubilair
55
5.9.5
Overzicht aan te leveren gegevens
56
STEDELIJK GROEN 6.1
58
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
58
6.1.1
Wettelijke regelgeving
58
6.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
58
6.1.3
Handboeken, richtlijnen en normeringen
58
6.2
BOMEN
59
6.2.1
Uitgangspunten
59
6.2.2
Ontwerpeisen
60
6.2.3
Herdenkingsbomen
62
6.3
BEPLANTING
63
6.3.1
Uitgangspunten
63
6.3.2
Ontwerpeisen
63
6.4
GRAS
66
6.4.1
Uitgangspunten
66
6.4.2
Ontwerpeisen
66
UITVOERINGSEISEN
68
6.5
6.5.1
Algemeen
68
6.5.2
Bomen
68
6.5.3
Beplanting
68
6.5.4
Gras
68
6.6
7
53
5.8.1
5.9
6
WEGMEUBILAIR
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
69
WEGEN 7.1
71
UITGANGSPUNTEN
71
7.1.1
Wettelijke regelgeving
71
7.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
71
7.1.3
Handboeken, richtlijnen en normeringen
7.2
ONTWERPEISEN
71 72
7.2.1
Wegverhardingen
72
7.2.2
Wegfunderingen
72
7.2.3
Wegmarkering
73
TOR 2019
3
7.3
73
7.3.2
Asfalt
73
7.3.3
Fundering
74
7.3.4
Ophogingen en aanvullingen
74
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
75
CIVIELTECHNISCHE KUNSTWERKEN 8.1
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
77 77
8.1.1
Wettelijke regelgeving
77
8.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
77
8.1.3
Handboeken, richtlijnen en normeringen
77
8.2
9
73
Elementenverharding
7.4
8
UITVOERINGSEISEN
7.3.1
ONTWERPEISEN
78
8.2.1
Ontwerpuitgangspunten
78
8.2.2
Materialisering
78
8.2.3
Bruggen
79
8.2.4
Tunnels
80
8.2.5
Duikers
80
8.3
UITVOERINGSEISEN
80
8.4
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
81
RIOOL EN WATER 9.1
83
ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
83
9.1.1
Wettelijke regelgeving
83
9.1.2
Vigerende beleidsdocumenten
83
9.1.3
Handboeken, richtlijnen en normeringen
83
9.2
ONTWERPUITGANGSPUNTEN
84
9.3
ONTWERPEISEN RIOLERINGSSYSTEEM
85
9.3.1
Vuilwaterriool (DWA riool)
85
9.3.2
Hemelwater infiltratieriool (IT riool) en/of retentievoorziening
85
9.3.3
Persriool
9.4
85
ONTWERPEISEN CONSTRUCTIEONDERDELEN
86
9.4.1
Rioolbuizen
86
9.4.2
Persleidingen
87
9.4.3
Duikers
87
9.4.4
Gemalen
87
9.4.5
Inspectieputten
89
9.4.6
Kolken
90
9.4.7
Riool spindelschuiven en terugslagkleppen
90
9.4.8
Randvoorzieningen
91
9.4.9
Infiltratie- en retentievoorzieningen t.b.v. regenwater
91
9.5
UITVOERINGSEISEN
92
9.5.1
Grondwateronttrekkingen
92
9.5.2
Lozingen
92
9.5.3
Controleren riolering op waterdichtheid
92
9.5.4
Camera-inspectie riolering
92
9.6
AAN TE LEVEREN GEGEVENS
94
TOR 2019
4
10 KABELS EN LEIDINGEN
97
10.1 UITGANGSPUNTEN
97
10.1.1 Wettelijke regelgeving
98
10.1.2 Vigerende beleidsdocumenten
98
10.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen
98
10.2 ONTWERPEISEN
99
10.2.1 Kabels en Leidingen
99
10.2.2 Gasstations
99
10.2.3 Traforuimtes
99
10.2.4 Verdeelkasten
99
10.3 UITVOERINGSEISEN
100
10.4 AAN TE LEVEREN GEGEVENS
100
11 AFVAL EN REINIGING
102
11.1 UITGANGSPUNTEN
102
11.1.1 Wettelijke regelgeving
102
11.1.2 Vigerende beleidsdocumenten
102
11.2 ONTWERPEISEN
103
11.2.1 Minicontainers (grondgebonden woningen)
103
11.2.2 Ondergrondse verzamelcontainers (gestapelde bouwvorm)
103
11.2.3 Openbare afvalbakken
103
11.2.4 Reiniging
103
11.3 UITVOERINGSEISEN
104
11.4 AAN TE LEVEREN GEGEVENS
104
12 SPEELVOORZIENINGEN
106
12.1 UITGANGSPUNTEN
106
12.1.1 Wettelijke regelgeving
107
12.1.2 Vigerende beleidsdocumenten
107
12.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen
107
12.2 ONTWERPEISEN
108
12.2.1 Ontwerpuitgangspunten
108
12.2.2 Situering
108
12.2.3 Omheining speelplek
108
12.2.4 Ondergrond
109
12.2.5 Speeltoestellen
110
12.3 AAN TE LEVEREN GEGEVENS
110
TOR 2019
5
BIJLAGEN Bijlage 1
Ontwerpprincipes Openbare Ruimte (OOR)
Bijlage 2
Netwerkkaarten Gemeente Venray
Bijlage 3
Aan te leveren gegevens nuts- en telecombedrijven
Bijlage 4
Sweco-rapport ‘Standaard asfaltverhardingen gemeente Venray’
Bijlage 5
Soorten samenstelling bloemenmengsel
LIJST VAN TABELLEN Tabel 1 Kenmerken wegen verkeersgebied ............................................................................ 38 Tabel 2 Ontwerpuitgangspunten kruising per wegcategorie ...................................................... 41 Tabel 3 Boomgroottes per wegcategorie ................................................................................ 59 Tabel 4 Randvoorwaarden speelplek per doelgroep (bron: NUSO) ........................................... 106 LIJST VAN FIGUREN Figuur 1 Stedelijke zones parkeren ....................................................................................... 44 Figuur 2 Ontwerpvoertuig brandweer .................................................................................... 46
TOR 2019
6
Inleiding De definitie van de openbare ruimte kan worden omschreven als; “De ruimte die voor iedereen toegankelijk is”. Dit document, de Toetssteen Openbare Ruimte, heeft betrekking op de (toekomstige) openbare ruimte, geen gebouw zijnde, welke beheerd wordt door de beheerders van de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Venray. Initiatiefnemers Bouwplannen die invulling geven aan het uiterlijk van de openbare ruimte binnen de gemeente Venray worden door verschillende partijen geïnitieerd. Initiatiefnemers van bouwplannen in de (toekomstige) openbare ruimte zijn te verdelen in drie hoofdgroepen, te weten: 1. Projectontwikkelaars 2. Particulieren 3. Overheid Bouwplanfasering Alle bouwplannen doorlopen de volgende bouwfasen: 1. Initiatief
vaststellen; wat wil men
2. Haalbaarheid
vaststellen; kan dat wat men wil
3. Ontwerp
komen tot een goedgekeurd ontwerp/beeld van wat men wil
4. Voorbereiding
contractdocumenten t.b.v. de uitvoering opstellen
5. Realisatie
het bouwplan realiseren
6. Beheer
ingebruikname
Vakdisciplines gemeente Venray Bouwobjecten binnen een bouwplan in de (toekomstige) openbare ruimte dienen aan het einde van de realisatiefase overgedragen te worden aan de vakbeheerders van de gemeente Venray. Een bouwplan in de (toekomstige) openbare ruimte dient daarom te voldoen aan de kwaliteitseisen die zijn vastgesteld door deze vakbeheerders. De vakbeheerders van de openbare ruimte zijn onder te verdelen in de volgende vakdisciplines : Stedelijk groen
Riool en Water
Speelvoorzieningen
Wegen
Verkeer
Kabels en Leidingen
Afval en Reiniging
Civieltechnische Kunstwerken
Verder zijn er nog een aantal beleidsterreinen binnen het ruimtelijke domein die in belangrijke mate bijdragen aan de kwaliteit van de openbare ruimte. Deze vakdisciplines zijn achtereenvolgens: Stedenbouw
Milieu
Ecologie
Cultureel Erfgoed
Mobiliteit
TOR 2019
7
Doelstelling Dit document (de Toetssteen Openbare Ruimte) heeft als doel het waarborgen van de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray. Het begrip kwaliteit kan worden opgedeeld in: 1. Technisch-functionele kwaliteit 2. Sociaal-maatschappelijke kwaliteit De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen etc. waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen. Verder verschaft de Toetssteen inzicht in de toetsingsprocedure van de gemeente. Integraal ontwerp Het meenemen van de uitgangspunten, randvoorwaarden en ontwerpeisen van al de betrokken vakdisciplines in een vroeg stadium zal resulteren in een meer integraal ontwerp. Met deze werkwijze kan op de lange termijn integraal ontworpen openbare ruimte kostenefficiënter worden beheerd en kan deze door keuzes als flexibiliteit en aanpasbaarheid blijven voorzien in de behoeften van de maatschappij. Ook zal het beoordelingstraject van een bouwplan efficiënter verlopen.
Procedure Het waarborgen dat wordt voldaan aan de verschillende kwaliteitseisen van de gemeente bestaat uit twee stappen, te weten: 1. Aanleveren Toetssteen 2. Controle op toepassing Toetssteen in de plannen In het geval aan een willekeurige kwaliteitseis niet wordt voldaan is het altijd mogelijk in overleg met de gemeente een alternatief te bespreken. Het is namelijk nooit de bedoeling creativiteit en nieuwe (technische) ontwikkelingen tegen te houden.
TOR 2019
8
Toetssteen Openbare Ruimte versus Grondexploitatiewet Een particulier initiatief kan onder de Grondexploitatiewet vallen indien zijn bouwplan wordt gekwalificeerd als een bouwplan in de zin van de Grondexploitatiewet. Is dat het geval, dan bestaat er voor de gemeente een verplichting om haar kosten, die samenhangen met het bouwplan, te verhalen op de exploitant. Onder kosten kan o.a. worden verstaan: de ambtelijke kosten. Daarnaast heeft de gemeenteraad op 29 maart 2011 een structuurvisie vastgesteld waarin is bepaald dat er per woning dan wel per m2 uitgeefbaar bouwvlak (agrarisch dan wel bedrijventerrein) een bijdrage in de ruimtelijke ontwikkeling en in de bovenwijkse voorzieningen gedaan moet worden door de exploitant. Voordat de ruimtelijke procedure ten behoeve van het bouwplan kan worden gestart zal een anterieure overeenkomst dienen te worden gesloten waarin het kostenverhaal en de eventuele bijdragen zijn opgenomen. Ten aanzien van een bouwplan kan overeen gekomen worden dat het openbaar gebied door de ontwikkelaar wordt aangelegd en vervolgens wordt terug overgedragen naar de gemeente. De onderhavige Toetssteen dient hier als beleidskader te fungeren voor de kwaliteitseisen die gesteld worden in het kader van de inrichting van het openbaar gebied van een nieuw bouwplan. Deze eisen kunnen voorts worden opgenomen in de anterieure overeenkomst of het exploitatieplan.
Leeswijzer De Toetssteen bevat 12 gelijkwaardige vakdisciplines met elk een individuele toetssteen. Alle 12 vakdisciplines dienen gelijkwaardig te worden meegenomen in het opstellen van een bouwplan. Elke afzonderlijke toetssteen beschrijft eerst de algemene uitgangspunten met betrekking tot de betreffende vakdiscipline. De navolgende paragrafen behandelen de eventueel van toepassing zijnde ontwerpeisen, uitvoeringseisen etc. ten behoeve van het uitwerken van een plan. Elke toetssteen sluit af met de paragraaf ‘Aan te leveren gegevens’ , welke een beknopt overzicht weergeeft van de door de initiatiefnemer aan te leveren gegevens. Ook wordt globaal aangegeven wanneer deze gegevens aangeleverd dienen te worden binnen de bouwplanfasering.
TOR 2019
9
1
Stedenbouw
TOR 2019
10
1 Stedenbouw
1.1
Uitgangspunten
Vanuit stedenbouw wordt in algemene zin gekeken naar de gebouwde omgeving in relatie tot de (openbare) ruimte. Maat, schaal en beeldkwaliteit dienen passend te zijn voor de omgeving, met de functionele gebruiksaspecten als kader. In die zin is het lastig om harde kaders mee te geven van te voren, aangezien elke situatie anders is. Wat dan ook vooral belangrijk is, is het proces waarmee een plan tot stand komt. De vakafdeling stedenbouw hanteert een werkwijze waarbij de stedenbouwkundige in een vroeg stadium wordt betrokken bij de plannen. De stedenbouwer toetst niet alleen plannen, maar denkt en tekent ook graag mee. In sommige gevallen kan het ook zijn dat een plan wordt voorgelegd aan de ARK (Adviesbureau Ruimtelijke Kwaliteit) voor een nadere uitwerking. De gebieden en plannen waarvoor dit geldt staan beschreven in onze welstandnota (Nota Wederzijds Vertrouwen). Nieuwe initiatieven van enige omvang (die niet passend zijn binnen het bestemmingsplan) en (cultuurhistorische) waardevolle gebouwen/gebieden worden ook aan ARK voorgelegd, ook wanneer deze in een welstandvrij gebied zijn gesitueerd. Voor een aantal gebieden binnen de gemeente Venray is een beeldkwaliteitsplan van toepassing, waarin kaders worden geschetst of wordt geïnspireerd ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit. Binnen de gemeente Venray zijn de volgende beeldkwaliteitsplannen van kracht: Buitengebied
Groeneweg (Heide)
De Brabander en Cluster 4 (Venray)
Heiveld II (Geijsteren)
Achter de Jera (Ysselsteyn)
Kerkhoek (Oirlo)
Ysselsteyn Zuid (Ysselsteyn)
Annapark (Venray medio 2019)
Lollebeekweg (Castenray)
1.1.1 Wettelijke regelgeving -
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
-
Woningwet
-
Wet ruimtelijke ordening
-
Besluit ruimtelijke ordening
1.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -
Bestemmingsplannen
-
Structuurvisies (DOP’s en WOP’s)
-
Nota wederzijds vertrouwen (1e herziening 2015)
-
Beeldkwaliteitplannen
-
Ruimte voor kunst
-
De kunst van Cultuurbeleid
TOR 2019
11
1.2
Energie en klimaat
1.2.1 Uitgangspunten In het kader van het gemeentelijk energie- en klimaatbeleid ‘Bron van energie’ worden aspecten als energiebesparing en toepassing van oneindige energiebronnen (duurzame energie) betrokken bij de beoordeling van nieuwe initiatieven. Van initiatiefnemers wordt verwacht in hun (bouw)plan aandacht te besteden aan deze aspecten door middel van een zogeheten ‘energie- en klimaat paragraaf’.
1.2.2 Gasloos bouwen In het kader van de energietransitie wordt tbv woningbouw het principe van “gasloos bouwen” gehanteerd. Per 1 juli 2018 is de verplichting voor nutsbedrijven om gebouwen op gas aan te sluiten vervallen. Gasloos bouwen is een voorwaarde bij een aanvraag voor een Omgevingsvergunning. Ook al ligt er al een bestaande gasleiding, dan nog is men verplicht gasloos te bouwen. Voor bestaande woningen geldt de opgave om voor 2030, resp. 2050, van het aardgas af te zijn. De gemeente beschikt over een energiecoördinator. Deze heeft als taak het informeren, begeleiden en adviseren van initiatiefnemers van bouwplannen met betrekking tot energiebesparing en gebruik van oneindige (duurzame) energie. Voor inspiratie mbt duurzaam bouwen is een overzichtelijke folder beschikbaar.
1.3
Aan te leveren gegevens
Initiatieffase
Schets Ontwerp en ruimtelijke analyse
Haalbaarheidsfase
Voorlopig Ontwerp
(vlekkenplan) (stedenbouwkundig plan)
Energie- en klimaatparagraaf Energie- en klimaatparagraaf dient minimaal te bevatten: o
Huidig of verwacht energieverbruik (gas, elektra, warm water).
o
Inventarisatie van de mogelijkheden voor energiebesparing en de toepassing van duurzame energie bij betreffend (bouw)plan.
o
Inventarisatie van de financieringsmogelijkheden (zoals subsidie, groene (duurzaamheids)lening).
o
Doorrekening financiële consequenties van de energiebesparende maatregelen in bouw- én exploitatiefase (energiekosten, onderhoudskosten, waarde pand, comfort).
o
Motivatie waarom wel of geen gebruik wordt gemaakt van de geïnventariseerde mogelijkheden (zoals terugverdientijd).
Ontwerpfase
Definitief Ontwerp
(inrichtingsplan)
Voorbereidingsfase
Uitvoerings Ontwerp
(bestek en tekening(en))
TOR 2019
12
2
Cultureel erfgoed
TOR 2019
13
2 Cultureel erfgoed
2.1
Uitgangspunten
Elke fysieke ingreep heeft gevolgen voor de omgeving. Als hiervoor gebouwen of bebouwing (mogelijk monumenten) moet wijken is dit duidelijk waarneembaar. Het is algemeen bekend dat hiervoor dan een vergunning moet worden aangevraagd. Er kan echter ook sprake zijn van archeologische waarden of cultuurhistorische waarden die in de bodem of in het landschap (verweven) zitten. Deze waarden worden ook beschermd. In verordeningen, bestemmingsplannen en bij ontheffingsprocedures is archeologie onderdeel van het afwegingskader waarbij de gemeente als bevoegd gezag optreedt. Archeologisch onderzoek maar ook de beoordeling ervan is geregeld in de ‘Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie’ (KNA). Binnen de gemeente Venray zijn enkele archeologische monumenten aangewezen. Dit zijn rijksmonumenten met een bescherming op basis van de Monumentenwet. Binnen de gemeente zijn gebouwen en bouwwerken aanwezig met een beschermde status, dit zijn de rijks- en gemeentelijke monumenten. Wijzigingen aan deze objecten zijn gekoppeld aan een vergunningstelsel. Uitgangspunt bij vergunningverlening is het behoud van de monumentale waarden. Monumentale waarden is een breed begrip. Het is meer dan alleen het aanzicht van het gebouw. Ook historische materialen, constructieve technieken, erfindeling, erfinrichting en geografische ligging kunnen bijdragen aan de monumentale waarde.
2.1.1 Wettelijke regelgeving -
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
-
Erfgoedwet
-
Erfgoedverordening Venray
-
Wet ruimtelijke ordening
2.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -
“Begrensd Verleden, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en de cultuurhistorische waardenkaart voor de gemeente Venray” 2013
2.1.3 Protocollen, handreikingen en modellen -
KNA versie 4.2 Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
TOR 2019
14
2.2
Archeologie
2.2.1 Onderzoeksplicht Alle bestemmingsplannen hebben bepalingen welke verplichtingen inhouden voor nader onderzoek bij een bepaalde verstoring vanaf een bepaalde oppervlakte en een bepaalde diepte. Omdat nog niet alle bestemmingsplannen zijn aangepast is er een overgangsfase. Daar waar de bestemmingsplannen nog niet zijn geactualiseerd is de Erfgoedverordening van toepassing als het gaat om het verstoren van de bodem. Bepalingen in een actueel bestemmingsplan gaan boven de algemene bepalingen in de Erfgoedverordening. Onderzoek is alleen nodig als er een verwachting is dat er ook daadwerkelijk archeologische sporen in de bodem aanwezig zijn. Op basis van bodemgegevens, historische informatie en vindplaatsen van vondsten heeft de gemeente Venray een archeologische beleidskaart opgesteld. Hierop is van de gehele voormalige gemeente Venray de archeologische waarde vastgesteld. -
Archeologische beleidskaart raadplegen De archeologische beleidskaart is te vinden op de gemeentelijke website. Indien de archeologische waarde bepaald is, geeft de Erfgoedverordening aan of er een onderzoeksplicht bestaat.
-
Erfgoedverordening Op het moment dat u de archeologische waarde van de locatie kent en de omvang van de fysieke ingreep kunt u op basis van de Erfgoedverordening Venray bepalen of er een archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. De bepalingen staan in de artikelen 16, 17 en 18. De verordening kunt u vinden via bijgaande link: Erfgoedverordening Venray 2010
-
Bestemmingsplan Archeologische bescherming is in alle bestemmingsplannen terug te vinden. Landelijk zijn alle bestemmingsplannen digitaal te raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl Per perceel kunt u dan kijken welke voorschriften van toepassing zijn. In het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010, die al digitaal gepubliceerd is, komt deze archeologische bestemming voor. In de voorschriften staat aangegeven wanneer onderzoek noodzakelijk is.
2.2.2 Aan te leveren onderzoeken Op basis van alle aanwezige gegevens is de archeologische verwachting bepaald en aangegeven. Het blijft echter gaan om een verwachting. Verder onderzoek kan noodzakelijk zijn. Om dure onderzoeken te voorkomen wordt in de archeologie gewerkt met verschillende vooronderzoeken om de verwachting en mogelijke locatie nader te specificeren. -
Bureauonderzoek BO In een bureauonderzoek wordt vooraf, op basis van alle te raadplegen bronnen de informatie verzameld en op papier gezet, hierdoor treedt een verfijning op van de archeologische verwachting.
TOR 2019
15
-
Inventariserend vooronderzoek IVO Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel in het bureauonderzoek. Het IVO gebeurt in het veld en kent een verkennende -, karterende - en waarderende fase. Doel is kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor een volgende fase van onderzoek. Veel gebruikt zijn booronderzoeken om mogelijke verstoringen in de bodemopbouw waar te nemen, karterend veldonderzoek en karterende boringen om vondsten en sporen te vinden. Ook het graven van proefputje (max. 1 m2) wordt gerekend tot vooronderzoek.
-
Proefsleuvenonderzoek Het BO + IVO wordt door de gemeente beoordeeld. Indien het BO + IVO daartoe aanleiding kan het noodzakelijk zijn dat verder onderzoek plaatsvindt in de kansrijke zones van het te verstoren gebied. Hiervoor wordt dan gekozen voor een destructieve methode in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Hierbij wordt onder begeleiding van een gecertificeerd archeologisch bureau 5 – 10% van het terrein onderzocht door met een kraan sleuven te graven tot op de archeologische laag. Aan dit proefsleuvenonderzoek ligt een Programma van Eisen (PvE) ten grondslag dat is goedgekeurd door de gemeente.
-
Opgraving Het proefsleuvenonderzoek wordt weer beoordeeld door de gemeente. Indien hiertoe aanleiding is kan het noodzakelijk zijn verder onderzoek uit te voeren. Dit is in de meeste gevallen een opgraving van het terrein op het meest kansrijke gedeelte van het terrein. Ook voor de opgraving moet weer een PvE worden opgesteld dat moet worden goedgekeurd door de gemeente.
Van alle archeologische onderzoeken worden wetenschappelijke rapporten opgesteld die ter goedkeuring worden aangeboden aan het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Venray.
2.3
Monumenten
2.3.1 Vergunningplicht Het is verboden een monument, te beschadigen of te vernielen en zonder vergunning van het bevoegd gezag af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Dit geldt voor rijks- en gemeentelijke monumenten. Onder de bescherming valt niet alleen het gebouw maar het hele kadastrale perceel. Omgevingsvergunning Het vergunningstelsel voor monumenten valt onder de Wabo. De vergunningsplichtige activiteit in relatie tot het monument komt altijd voor in combinatie met een andere Wabo-activiteit. Bijvoorbeeld voor het verbouwen van een monument, is een omgevingsvergunning nodig voor het bouwen en voor het wijzigen van een monument. Voor het slopen van een monument, is een omgevingsvergunning nodig voor het slopen en voor het wijzigen/slopen van een monument. De activiteit met betrekking tot een monument is onlosmakelijk verbonden aan de andere activiteit in het kader van de Wabo.
TOR 2019
16
Vergunningcheck Om te controleren of u een omgevingsvergunning of watervergunning nodig hebt of een melding moet doen kunt u de vergunningcheck doen via .www.omgevingsloket.nl In te dienen gegevens bij een vergunningaanvraag Er zijn landelijk afspraken gemaakt over de manier waarop een omgevingsvergunning moet worden ingediend, welke tekeningen erbij moeten, welke berekeningen, op welke schaal getekend moet worden etcetera. Iedere activiteit heeft eigen “indieningvereisten”. In de Regeling omgevingsrecht (Mor) staat dit precies omschreven. Deze kunt u vinden op de website: www.overheid.nl. Per hoofdstuk staat beschreven wat moet worden ingediend voor het onderdeel dat wordt aanvraagd. Bouwen staat in hoofdstuk 2, aanleg en/of gebruiksactiviteiten in hoofdstuk 3, activiteiten met betrekking tot monumenten in hoofdstuk 5, slopen in hoofdstuk 6 etc. Compleetheid aanvraag Alleen complete aanvragen worden in behandeling genomen. Is een aanvraag niet compleet dan krijgt de aanvrager de gelegenheid de aanvraag aan te vullen. Hiervoor geldt een redelijke termijn. Worden de stukken niet binnen de gestelde termijn aangeleverd, dan wordt de aanvraag niet in behandeling genomen. Komen de stukken niet, niet compleet of te laat, dan wordt de aanvraag ook buiten behandeling gesteld. Wel kan dan weer een nieuwe aanvraag indienen worden.
De tijd die de gemeente heeft moeten wachten op het compleet maken van de aanvraag, verlengt de behandeltermijn. Procedures Er zijn twee soorten procedures voor het verlenen van een omgevingsvergunning, namelijk een reguliere procedure en een uitgebreide procedure. De reguliere procedure duurt maximaal acht weken en kan, indien nodig, met zes weken worden verlengd. De uitgebreide procedure mag maximaal 26 weken duren.
2.3.2 Aanvraagprocedure omgevingsvergunning reguliere procedure Voor rijks- en gemeentelijke monumenten is de reguliere procedure van toepassing. Dit betekent: -
Besluitvorming binnen 8 weken; max. zes weken verlenging beslistermijn bij ingewikkelde of omstreden onderwerpen.
-
Bekendmaking van de ingediende aanvraag op de voor de gemeente gebruikelijke wijze in dag- of weekblad.
-
Fatale beslistermijn, dus vergunningverlening van rechtswege als de beslistermijn wordt overschreden.
-
Inwerkingtreding vergunning daags na afloop termijn voor indienen bezwaarschrift
-
Bezwaar schort werking vergunning niet op; opschorting alleen te bewerkstelligen via verzoek om voorlopige voorziening.
-
Rechtsbeschermingsmogelijkheden: bezwaar; beroep bij de rechtbank; hoger beroep bij de Raad van State.
TOR 2019
17
2.3.3 Aanvraagprocedure omgevingsvergunning uitgebreide procedure Een omgevingsvergunning voor rijksmonumenten wordt voorbereid volgens de uitgebreide voorbereidingsprocedure, als het gaat om sloop, herbestemming, reconstructie en ingrijpende wijziging van een rijksmonument, dit betekent: -
Besluitvorming binnen 26 weken, maximaal zes weken verlenging beslistermijn bij ingewikkelde of omstreden onderwerpen.
-
Ter inzagenlegging ontwerpbesluit gedurende zes weken.
-
Geen fatale beslistermijn, dus geen vergunningverlening van rechtswege als de beslistermijn wordt overschreden (wel risico op dwangsom bij niet tijdig beslissen)
-
Inwerkingtreding vergunning daags na afloop termijn voor indienen beroepschrift. Beroep schort werking vergunning niet op, opschorting alleen te bewerkstelligen via verzoek om voorlopige voorziening.
-
Rechtsbeschermingsmogelijkheden: zienswijze op de ontwerpvergunning, beroep bij de rechtbank, hoger beroep bij de Raad van State.
-
Indien er sprake is van sloop, gedeeltelijke sloop van ingrijpende aard of daarmee in impact vergelijkbare wijziging van het rijksmonument, functiewijziging van het rijksmonument of reconstructie, dan dient de rijksdienst voor het cultureel erfgoed, namens de minister advies uit te brengen aan het bevoegd gezag. De adviestermijn bedraagt maximaal 8 weken. Gedeputeerde staten hebben een adviesbevoegdheid voor rijksmonumenten die buiten de bebouwde kom zijn gelegen. De adviestermijn bedraagt 8 weken.
2.4
Cultuurhistorie
Cultuurhistorie is een beleidsveld dat volop in ontwikkeling is. In het kader van de modernisering van de monumentenzorg is het de bedoeling cultuurhistorie te gaan verankeren in de regelgeving. Net als bij archeologie zal cultuurhistorie een plaats krijgen in de bestemmingsplannen. Zover is het echter nog niet. Wel bevat een bestemmingsplan en de toelichting een schat aan informatie. Ook qua voorschriften regelt een bestemmingsplan op welke wijze gronden gebruikt mogen worden en of- en wat er gebouwd mag worden.
2.5
Aan te leveren gegevens
Tijdens de haalbaarheidsfase van het bouwplan dienen afhankelijk van de inhoud van het bouwplan verschillende gegevens te worden overlegt. Deze gegevens kunnen o.a. bestaan uit wetenschappelijke rapporten van alle benodigde archeologische onderzoeken en/of de benodigde gegevens bij een vergunningaanvraag Het tijdpad voor de archeologie/monumenten en cultuurhistorie toets hangt af van de onderzoeksen juridische eisen die van toepassing zijn. Er kan pas gestart worden met de realisatie van het bouwplan, project of ruimtelijke ontwikkeling als alle documenten akkoord zijn bevonden.
TOR 2019
18
3
Milieu
TOR 2019
19
3 Milieu
3.1
Algemene uitgangspunten
Binnen het streven naar een prettig woon- en leefklimaat voor onze inwoners, spelen de verschillende milieuaspecten een hele belangrijke rol. De gemeente Venray toetst ruimtelijke initiatieven in de (toekomstige) openbare ruimte op zeven milieuaspecten , te weten: 1. Energie en klimaat 2. Externe veiligheid 3. Geur 4. Geluid 5. Licht 6. Bodem- en (grond)waterkwaliteit 7. Luchtkwaliteit
3.1.1 Wettelijke regelgeving -
Wet milieubeheer
-
Wet geluidhinder
-
Wet geurhinder en veehouderij
-
Besluit bodemkwaliteit
-
Wet bodembescherming
-
Wet ruimtelijke ordening
-
Regeling uniforme saneringen
-
Regeling bodemkwaliteit
-
Besluit uniforme saneringen (BUS)
-
Circulaire bedemsanering
3.1.2 Vigerende beleidsdocumenten -
Energiestrategie 2030
-
Bodemkwaliteitskaart gemeente Venray
-
Nota bodembeheer 2011
-
Milieubeleidsplan 2003-2007
-
Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray
-
Bouwverordening van de gemeente Venray
-
Provinciale milieuverordening Limburg
-
Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder gemeente Venray (Versie 2016)
3.1.3 Handboeken, richtlijnen en normeringen -
Bodem:
NEN5707, NEN5720, NEN5725, NEN 5740, NEN5897, NTA 5755 CROW publicatie 400: Werken in en met verontreinigde bodem
TOR 2019
20
3.2
Externe veiligheid
3.2.1 Uitgangspunten De mate van externe veiligheid hangt samen met de kans om te overlijden als gevolg van gevaarlijke stoffen zoals ammoniak, chloor, LPG etcetera. Externe veiligheid heeft daarmee betrekking op het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen bij bedrijven en bij transport over weg, water, spoor en door buisleidingen. Ook de risico's die zijn verbonden aan het gebruik van luchthavens vallen onder externe veiligheid. Externe veiligheid heeft geen relatie met verkeersveiligheid, openbare orde en overstromingsrisico's. Belangrijk uitgangspunt is de vraag of sprake is van een (beperkt) kwetsbaar object; Definitie (beperkt) kwetsbaar object Deze begrippen zijn gedefinieerd in onder meer het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi). Hoewel het merendeel van de functies die onder deze definitie vallen niet van toepassing zijn op de openbare ruimte (omdat het veelal bouwwerken en functies in gebouwen betreft) zijn speeltuinen en activiteiten die; “qua aard en omvang gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval", (beperkt) kwetsbaar.
Vrij vertaald dienen functies waar grotere groepen mensen gedurende langere tijd en met een mogelijk verminderde zelfredzaamheid aanwezig kunnen zijn, dus mogelijk als (beperkt) kwetsbaar object te worden beschouwd. In geval van twijfel wordt verzocht om afstemming te zoeken met de gemeente Venray. In het kader van ruimtelijke planvorming dienen twee afzonderlijke basisvragen te worden beantwoord: 1. Is het initiatief een (beperkt) kwetsbaar object? -
Indien nee: geen belemmeringen.
-
Indien ja: zijn er activiteiten in de omgeving van het initiatief die een risicocontour hebben over het initiatief? o
Indien ja: inzichtelijk maken Plaatsgebonden risico en Groepsrisico en nadere afweging maken.
o
Indien nee: geen belemmeringen.
2. Betreft het initiatief de oprichting van infrastructuur waarover risicovolle activiteiten plaatsvinden? -
Indien nee: geen belemmeringen.
-
Indien ja: zijn er (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving? o
Indien ja: inzichtelijk maken Plaatsgebonden risico en Groepsrisico en nadere afweging maken.
o
Indien nee: zijn er toekomstige ontwikkelingen / wensen die worden beperkt door het beoogde initiatief?
TOR 2019
21
Indien ja: inzichtelijk maken Plaatsgebonden risico en Groepsrisico en nadere afweging maken.
Indien nee: geen belemmeringen.
3.2.2 Ontwerpeisen -
Risicobronnen en (beperkt) kwetsbare objecten dienen optimaal van elkaar gescheiden te worden gehouden.
-
In sommige situaties is de gemeente verplicht om advies te vragen bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord. De Veiligheidsregio kan adviseren om maatregelen te treffen die een doorwerking hebben voor het ontwerp van het plan of initiatief.
3.3
Geur
3.3.1 Uitgangspunten Op een initiatieflocatie (gebouw) waar mensen gaan verblijven dient sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat gelet op geurhinder van veehouderijen. Voor de beoordeling van de geurhinder dient rekening te worden gehouden met de voorgrond- en achtergrondbelasting. Geurverordening Ten behoeve van veehouderijen zijn door de gemeente Venray in de ‘verordening Geurhinder en veehouderijen’ de locale geurnormen vastgesteld. Op de kaart behorende bij de gemeentelijke geurverordening zijn de geurnormen weergegeven die van toepassing zijn in het grondgebied van de gemeente Venray. De geurnormen betreffen de zogenaamde voorgrondbelasting (is geurbelasting op basis van individueel bedrijf) en is uitgedrukt in OU/m3 (Odour Unit/ kubieke meter) Bij het opstellen van de gemeentelijke geurverordening is tevens de achtergrondbelasting in beeld gebracht. De achtergrondbelasting wordt gevormd door de totale geurbelasting van de individuele bedrijven. Verder mag een nieuw geurgevoelig object (gebouw) gelet op de omgekeerde werking geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen ten behoeve van wonen, werken en recreëren moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Gelet op geurhinder van veehouderijen is in de aanvullende notitie op de geurverordening (d.d. 16 juni 2011) vastgesteld wat als een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt beschouwd in de gemeente Venray. 3.3.2 Ontwerpeisen o
Er moet sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor zijn de notitie “Aanvulling op de Gebiedsvisie geurhinder en veehouderij gemeente Venray Aanvaardbaar woon- en leefklimaat” en de kaarten van de voorgrond- en achtergrondbelasting te raadplegen op de website van de gemeente Venray (www.venray.nl
-
Een te ontwikkelen locatie mag geen belemmering opleveren voor de ontwikkeling van veehouderijen.
TOR 2019
22
3.4
Geluid
3.4.1 Uitgangspunten De Wet geluidhinder (Wgh) vormt het juridische kader voor het Nederlandse geluidbeleid. In de wet is een stelsel van bepalingen opgenomen ter voorkoming en bestrijding van geluidhinder bij geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen. De wet kent voor industrie, wegverkeer en spoorwegverkeer voorkeursgrenswaarden en maximale ontheffingswaarden . Het uitgangspunt is dat in eerste instantie gestreefd wordt naar een situatie waarin voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. In situaties dat de voorkeursgrenswaarde toch wordt overschreden, biedt de Wet geluidhinder de mogelijkheid om -onder voorwaarden- van de voorkeursgrenswaarde af te wijken en een hogere geluidbelasting op de geluidgevoelige bestemming toe te staan via een hogere waarde procedure Wet geluidhinder. Een hogere waarde is mogelijk tot de maximale ontheffingswaarde. In uitzonderlijke gevallen zijn er ook mogelijkheden om geluidniveaus boven de maximale ontheffingswaarde aanvaardbaar te achten. Zowel in geval van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde als van overschrijding van de maximale ontheffingswaarde gelden specifieke eisen en voorwaarden. Voor een nadere uitwerking hiervan wordt verwezen naar het document ‘Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder gemeente Venray’.
Voor wat betreft wegverkeerslawaai zijn de bovengenoemde uitgangspunten van toepassing op wegen waar een maximum snelheid geldt die hoger is dan 30 kilometer per uur. Ook wegen met een lagere maximum snelheid kunnen echter tot overlast leiden. Ter voorkoming hiervan is het noodzakelijk om ook bij deze wegen reeds in de ontwerpfase aandacht te besteden aan wegverkeerslawaai. Hiermee wordt geborgd dat ook voor deze wegen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
3.4.2 Ontwerpeisen -
Verwezen wordt naar het ‘Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder gemeente Venray’.
3.5
Licht
3.5.1 Uitgangspunten In de ontwerpfase dient reeds rekening gehouden te worden met het voorkomen dan wel beperken van de kans op het ontstaan van lichthinder in de breedste zin. Dit kan worden bereikt door onder andere lichthinder van wegverkeer, openbare verlichting en sportaccommodaties te beperken door de vormgeving van infrastructuur af te stemmen op de bebouwing.
TOR 2019
23
3.6
Bodem- en (grond)waterkwaliteit
3.6.1 Uitgangspunten Bij een wijziging van het gebruik van de bodem dient de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in overeenstemming te zijn met het beoogde gebruik. Bij bouwaanvragen en bestemmingsplanwijzigingen is dit geborgd in de procedure. Bij herinrichting van openbare ruimte is dit vaak minder duidelijk geregeld. Indien een terrein een gevoeligere functie krijgt (bijvoorbeeld: een weg wordt groenvoorziening of een groenvoorziening wordt speelplaats / trapveldje) is een toets op de bodemkwaliteit echter eveneens aan de orde. Voor het toepassen van steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de bodem of in het oppervlaktewater zijn de voorwaarden uit het Besluit bodemkwaliteit, nader uitgewerkt in de nota bodembeheer, van toepassing. Via onderstaande link is nadere informatie beschikbaar m.b.t. het Besluit Bodemkwaliteit, o.a. een praktische handleiding genaamd; de handreiking Besluit Bodemkwaliteit: handreiking Besluit Bodemkwaliteit Zorgplicht Wie steenachtige bouwstoffen, grond, en bagger toepast, heeft onder alle omstandigheden een wettelijke zorgplicht. De toepasser is verantwoordelijk als in het toegepaste materiaal zichtbare, of ruikbare verontreinigingen aanwezig zijn, zoals ijzeroer, olie, asbest of ander materialen die ter plaatse niet in de bodem thuishoren. Bij twijfel moet het bevoegd gezag ingeschakeld worden.
De uitvoerder van de werkzaamheden dient maatregelen te nemen om aantasting van de bodem te voorkomen (zorgplicht art. 13 Wbb) indien er bij een werk grondverzet plaatsvindt, hetzij door tijdelijke uitplaatsing en herschikking binnen het werk, danwel door afvoer en/of aanvoer van zand of grond. De opdrachtgever voor de uitvoering van de werkzaamheden dient de uitvoeringspartijen in het kader van de Wm, Wbb en / of ARBO-wetgeving te informeren over handelingen die de bodem mogelijk nadelig kunnen beïnvloeden (bijvoorbeeld de aanwezigheid van een verontreinigde verhardingslaag of de aanwezigheid van een bodemverontreiniging). Werken in en met sterk verontreinigde grond is enkel toegestaan met toestemming van het bevoegd gezag Wbb en/of Wm. Afvalstoffen Voor de afvoer van afvalstoffen, die vrijkomen bij de werkzaamheden (grond, funderingsmateriaal, cunetzand, freesasfalt), is de ontdoener (meestal de beheerder van het terrein) verantwoordelijk. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient in het kader van de Wet milieubeheer (hoofdstuk 10) voor elk van de vrijkomende materialen te worden vastgesteld of er sprake is van een afvalstof.
3.6.2 Ontwerpeisen -
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en toe te passen materialen moet in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik.
-
De vrijkomende materialen moeten bij voorkeur zoveel mogelijk worden hergebruikt binnen het werk.
-
Het (her)ontwikkelen van locaties in relatie met de sanering van een aanwezige bodemverontreiniging (indien aanwezig) heeft de voorkeur.
TOR 2019
24
3.7
Luchtkwaliteit
3.7.1 Uitgangspunten Sinds 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in AMvB's en ministeriële regelingen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De 3% grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor het vaststellen of sprake is van een “niet in betekenende mate” bijdrage is een rekentool beschikbaar. Zie hiervoor: https://www.infomil.nl/onderwerpen/luchtwater/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/ Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet luchtkwaliteit geen belemmering voor een bouwplan als: -
geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde
-
een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt
-
een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging
-
een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat in werking treedt nadat de EU derogatie heeft verleend
Het bovenstaande betekent dat voor initiatieven in Venray veelal geldt dat deze geen gevolgen zullen hebben voor de luchtkwaliteit.
TOR 2019
25
3.8
Uitvoeringseisen
3.8.1 Externe veiligheid -
Met regelmaat wordt bij bouwprojecten gebruik gemaakt van propaantanks voor verwarming en bij betonuitharding. Bij zowel de opslag in als bij het vullen van propaantanks speelt externe veiligheid een rol. Het gestelde in het Activiteitenbesluit Wet milieubeheer is daarom onverkort van toepassing.
3.8.2 Geluid -
Geluid- en trillinghinder dient zoveel als mogelijk te worden voorkomen. De gemeente Venray kan -indien hiertoe aanleiding bestaat- eisen stellen ter voorkoming of beperking van overlast. Dit onderwerp speelt onder meer bij sloopwerkzaamheden waarbij de eisen uit het Bouwbesluit 2012 van toepassing zijn en waarbij de gemeente de mogelijkheid om van de initiatiefnemer / veroorzaker een akoestisch onderzoek te verlangen.
3.8.3 Bodem- en (grond)waterkwaliteit Bodemonderzoek bij een aanvraag van een bouwvergunning, bestemmingsplanwijziging, of als een terrein een gevoeligere functie krijgt Er dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden in het kader van een aanvraag van een bouwvergunning of een bestemmingsplanwijziging, of als een terrein een gevoeligere functie krijgt. In dit laatste geval is een bodemonderzoek niet in de vergunningsprocedure ingebed, maar is de initiatiefnemer ervoor verantwoordelijk te bepalen of er geen ongewenste situatie ontstaat, waarbij sprake is van actuele risico’s voor mens en milieu. In eerste instantie kan een vooronderzoek conform NEN5725 worden uitgevoerd teneinde te bepalen of de locatie verdacht of onverdacht is. Op basis van dit vooronderzoek kan worden overwogen of feitelijk onderzoek noodzakelijk is. De aanwezigheid van puin of funderingsmateriaal van onbekende herkomst dient hierbij te worden beschouwd als (asbest)verdachte activiteit en derhalve is (asbest)onderzoek noodzakelijk. Het onderzoek dient te voldoen aan de NEN 5740 en/of de NEN5707/NEN5897. Bodemonderzoeken en partijkeuringen moeten worden uitgevoerd door een erkend onderzoeksbureau. De exacte voorwaarden, waaraan een bodemonderzoek moet voldoen ten behoeve van een bestemmingsplanwijzing zijn vastgelegd in de ‘Handreiking Ruimtelijke Ontwikkeling Limburg en het Beleidskader bodem 2010’.
De voorwaarden, waaraan een bodemonderzoek moet voldoen ten behoeve van een bouwaanvraag, zijn vastgelegd in de bouwverordening van de gemeente Venray. Het bodemonderzoek kan enkel afgegeven worden door Kwalibo erkende intermediairs Milieuhygienische verklaring bij toepassen en/of in depot zetten van steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie Het toepassen en / of in depot zetten van steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie valt onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit. Onder het Besluit vallen steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie die buiten een gebouw worden toegepast. Partijen steenachtige bouwstoffen, grond en baggerspecie mogen alleen volgens de regels van het Besluit
TOR 2019
26
worden toegepast als sprake is van een nuttige toepassing. Is dit niet het geval, dan wordt de toepassing gezien als een middel om zich te ontdoen van afvalstoffen en gelden op grond van de Europese Kaderrichtlijn afvalstoffen strengere regels. De toepasser moet met een milieuhygiënische verklaring aantonen dat de bouwstoffen, grond en baggerspecie voldoen aan bepaalde samenstellings- en/of emissiewaarden. De eisen zijn afhankelijk van de plek en functie van het gebied waar de steenachtige bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast. De toepasser van een bouwstof moet de verklaring tenminste vijf jaar kunnen tonen. Een milieuhygiënische verklaring kan enkel afgegeven worden door Kwalibo erkende intermediairs. De activiteiten binnen het Besluit bodemkwaliteit waarvoor een erkenning is vereist staan vermeld in de regeling bodemkwaliteit Het tijdelijk uitplaatsen van grond (zoals bij een wegreconstructie) valt ook onder de regels van het Besluit bodemkwaliteit. In dit geval moet onderbouwd worden dat er niet met (sterk) verontreinigd materiaal wordt gewerkt. Tevens wordt het tijdelijk ontgraven materiaal vaak niet op exact dezelfde locatie teruggebracht waardoor verspreiding van verontreiniging plaats zou kunnen vinden. Dit kan worden onderbouwd door middel van een vooronderzoek conform NEN 5725 aangevuld met maatwerkonderzoek.
Het is hierbij niet altijd vereist om het onderzoek uit te voeren conform de NEN5740/NEN5707/NEN5897 en het besluit bodemkwaliteit. Melden van toepassing Het voornemen van het toepassen van een bouwstof dient minstens vijf dagen voor de toepassing gedaan te worden. Melden van toepassingen van grond en baggerspecie, of steenachtige bouwstoffen kan via meldpunt bodemkwaliteit. Bij de melding moeten alle benodigde kwaliteitsgegevens toegevoegd zijn. In uitzonderingsgevallen, welke staan vermeld in het besluit bodemkwaliteit, is geen melding vereist.
TOR 2019
27
3.9
Aan te leveren gegevens
3.9.1 Bodem- en (grond)waterkwaliteit Haalbaarheidsfase Aanvraag bouwvergunning/bestemmingsplanwijziging: -
Milieuhygiënische verklaring van de bodem (minimaal niveau: actueel bodemonderzoek conform NEN5740/NEN5707, niet ouder dan 5 jaar).
Herinrichting openbare ruimte: -
Bouwstoffenbalans: Welke partijen worden hergebruikt en waar worden deze toegepast. Welke partijen worden afgevoerd? Zijn deze partijen herbruikbaar of dienen deze te worden gereinigd.
-
Milieuhygiënische verklaring van de bodem (minimaal niveau: actueel bodemonderzoek conform NEN5740/NEN5707, niet ouder dan 5 jaar).
-
Productcertificaat of asfaltonderzoek conform CROW 210 ‘Richtlijn omgaan met vrijkomend asfalt’ (indien er sprake is van het (tijdelijk) verwijderen van asfalt).
Realisatiefase Het toepassen van bouwstoffen (geen grond of bagger): -
Milieuhygiënische verklaring bouwstof (indien van toepassing).
Het toepassen van bouwstoffen (grond of bagger): -
Milieuhygiënische verklaring bouwstof (indien van toepassing).
-
Milieuhygiënische verklaring ontvangende bodem indien van toepassing: (minimaal niveau: bodemkwaliteitskaart of actueel bodemonderzoek conform NEN5740/NEN5707, niet ouder dan 5 jaar).
TOR 2019
28
4
Ecologie
TOR 2019
29
4
Ecologie
4.1
Uitgangspunten
De gemeente Venray heeft de ambitie om de biodiversiteit te vergroten en te versterken. Veel leefgebied is door ons intensieve gebruik van het land verloren gegaan. Onbedoeld heeft dit ook geleid tot een toename aan plaagdieren omdat natuurlijke vijanden er niet meer zijn en problemen met groente- en fruitteelt vanwege de afwezigheid aan natuurlijke bestuivers. Om het tij te keren willen we actief, waar mogelijk, leefgebied creëren bij allerlei ruimtelijke initiatieven, groot en klein. Een voorbeeld waarbij aandacht voor ecologie vereist is, is bij de aanleg en reconstructie van wegen in het buitengebied. De wegbermen van deze wegen kunnen worden ingericht en beheerd als ecologische wegberm, e.e.a. afhankelijk van de beschikbare ruimte en het gebruik van aangrenzende percelen. Ruimtelijke initiatieven zoals slopen en bouwen van gebouwen, wegen en waterlopen kunnen ook te maken krijgen met beschermde natuurwaarden. Het is verboden om beschermde natuurwaarden te vernietigen. Daarom is het aan te raden om voorafgaand aan het initiatief een natuurscan uit te voeren naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden en de effecten van het initiatief op de beschermde natuurwaarden. Deze toetssteen ecologie geeft handvatten wat er in zo’n natuurscan onderzocht moet worden. In de toetssteen zijn verwijzingen verwerkt naar relevante achtergrondinformatie.
4.1.1 Wettelijke regelgeving Natuurwaarden worden door middel van de Wet natuurbescherming beschermd. De wet kent drie beschermingsonderdelen: 1. bescherming Flora en Fauna 2. bescherming Natura 2000-gebieden 3. bescherming houtopstanden
4.1.2 Planologische bescherming Natuurwaarden worden ook via een planologisch spoor beschermd. 1. POL2014 2. Bestemmingsplan 3. Gemeentelijke bomenkaart en bomenlijst
4.1.3 Compensatieregeling Indien beschermde natuurwaarden negatieve effecten kunnen ondervinden van een ruimtelijk initiatief, dient deze te worden gemitigeerd of gecompenseerd. 1. Omgevingsverordening Limburg 2014 2. Beleidsregel natuurcompensatie 3. Gemeentelijke natuurcompensatieregeling
TOR 2019
30
4.1.4 Handreikingen Er zijn tal van handreikingen, protocollen en stroomschema’s opgesteld die kunnen helpen bij het maken van de juiste keuzes om te voorkomen dat er overtredingen op beschermde natuurwaarden kunnen ontstaan. Deze opsomming is niet volledig. 1. Spelregels EHS 2. Handreiking bij Ruimtelijke ingrepen van RVO 3. Handreiking ‘Buiten aan het werk? Houd tijdig rekening met beschermde dieren en planten’. 4. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen
4.2
Voorwaarden
Door middel van een quickscan natuurwaarden kan worden aangetoond of het ruimtelijke initiatief negatieve effecten kan veroorzaken op beschermde natuurwaarden. De quickscan moet worden uitgevoerd door een aantoonbaar deskundige op het gebied van ecologie. Ecologische adviesbureaus, aangesloten bij het netwerk Groene Bureaus, heeft deze kennis. Uiteindelijk zal uit de quickscan moeten blijken of 1. er beschermde soorten voor komen of voor kunnen komen 2. er kans is op negatieve effecten op deze beschermde soorten in de vorm van een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming 3. er negatieve effecten zijn te verwachten op instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied 4. er sprake is van kap van een areaal beschermde houtopstanden 5. er sprake is van een activiteit die niet past binnen de Goudgroene-, Zilvergroene natuurzone of Bronsgroene landschapszone 6. er sprake is van een activiteit die niet past binnen de ter plaatse geldende bestemming in het bestemmingsplan. 7. een eventuele kap van een of meerdere bomen plaatsvindt binnen een gemeentelijk aandachtsgebied of sprake is van monumentale bomen. ad1 en 2 In een aantal gevallen is een vervolgonderzoek nodig omdat via een quickscan niet kan worden bepaald of er daadwerkelijk beschermde soorten voorkomen.
In dit geval kan het een jaar duren na het uitvoeren van de quickscan voordat duidelijk is of er negatieve effecten op kunnen treden op beschermde soorten. Dit is bijvoorbeeld het geval indien er verblijfplaatsen van vleermuizen worden aangetast. Voor de meeste beschermde soorten die kunnen worden aangetroffen heeft de overheid in samenwerking met soortspecialisten soortenstandaards opgesteld. Hierin staat beschreven de levenswijze van de soort, de bedreigingen en mogelijk te nemen maatregelen. Ook zijner voor bepaalde, lastig te onderzoeken soorten protocollen opgesteld waaraan een onderzoek moet voldoen. Indien uit het onderzoek blijkt dat er beschermde soorten voor kunnen komen èn er een kans is op een negatief effect op deze soort(en) moet duidelijk worden of deze negatieve effecten via een mitigatie (verzachten, reduceren van negatieve effecten) dan wel compensatie (vervangen van de vernietigde waarden) kan worden voorkomen. In deze gevallen is een ontheffing nodig van het
TOR 2019
31
bevoegd gezag de provincie Limburg. Een aanvraag heeft een tijdsduur van 13 weken met een maximale verlening van nog eens 7 weken. De provincie Limburg heeft hiervoor een Module soortenbescherming opgesteld. Voor een aantal reguliere werkzaamheden zijn door partijen gedragscodes opgesteld die door de minister zijn goedgekeurd. Dergelijke handelingen kunnen dan zonder ontheffing worden uitgevoerd, mist wordt voldaan aan de randvoorwaarden uit de gedragscode. ad3 Natura 2000-gebieden zijn gebieden die een netwerk vormen binnen de Europese Unie waarin de Europese natuur wordt beschermd. De EU heeft daarvoor richtlijnen opgesteld die de lidstaten hebben vertaald naar landelijke wetgeving. In Nederland ligt deze vertaling verankerd in de Wet natuurbescherming. Voor de Natura 2000-gebieden zijn zeer specifieke doelstellingen geformuleerd. De bescherming van deze instandhoudingsdoelstellingen staat centraal. Initiatieven die zowel binnen een Natura 2000-gebied gaan plaatsvinden als buiten (externe werking) een Natura 2000-gebied worden getoetst. Indien niet op voorhand kan worden uitgesloten dat er geen negatieve effecten op kunnen treden op de instandhoudingsdoelen waarvoor een Natura 2000-gebied (of meerdere gebieden) is aangewezen, dient een voortoets te worden opgesteld. Deze toets gaat verder dan een quickscan en legt de focus alleen bij de Natura 2000-doelen.
In het geval dat uit de voortoets nog niet blijkt dat er geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen kunnen optreden wordt een verslechteringstoets of een passende beoordeling opgeteld. In de passende beoordeling wordt nauwkeurig uitgezocht welke negatieve effecten te verwachten zijn op een of meerdere instandhoudingsdoelstellingen en welke mitigerende en/of compenserende maatregelen nodig zijn. Ook is een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig. De provincie Limburg is hiervoor het bevoegd gezag. De termijn waarop de provincie een besluit op de aanvraag moet afgeven is maximaal 20 weken. ad4 In geval er een kap van minimaal 10 are of een rij van meer dan 20 bomen in het initiatief zitten kan er sprake zijn van een aantasting van beschermde houtopstanden. Hiervoor dient een kapmelding te worden gedaan waaraan een herplantplicht is gekoppeld. De provincie Limburg is bevoegd gezag. ad5 Planologische bescherming van natuurgebieden vindt op provinciale schaal plaats via het POL2014. Hier zijn de natuurgebieden onderverdeeld in een Goudgroene natuurzone, een Zilvergroene natuurzone en een Bronsgroene landschapszone. Initiatieven die binnen deze zones plaats gaan vinden mogen geen negatieve effecten op de natuurwaarden in deze gebieden. De natuurzones uit het POL2014 kennen geen externe werking.
In de provinciale omgevingsverordening is aangegeven wat wel en wat niet mag in de Goudgroene en Zilvergroene natuurzone en de Bronsgroene landschapszone en op welke manier eventuele compensatie moet plaatsvinden. De provincie Limburg is bevoegd gezag. De provincie Limburg hanteert voor deze gebieden het nee, tenzij principe.
TOR 2019
32
ad6 Planologische bescherming van natuurgebieden vindt ook op gemeentelijke schaal plaats. De bescherming is verankerd in het bestemmingsplan. Er bestaat veel overlap in de gebieden die via het POL2014 en via het bestemmingsplan zijn beschermd. Het bestemmingsplan kent een systeem van regels. Hierin is vastgelegd wat het doel van de bestemming is, welke activiteiten mogen plaatsvinden en voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Indien een activiteit niet staat vermeld is deze verboden en kan hier ook geen omgevingsvergunning voor worden verleend. De gemeente Venray is bevoegd gezag. Indien na overleg met het bevoegd gezag wordt afgeweken van de regels kan er sprake zijn van een compensatieplicht. Dit vindt plaats in nauw overleg met het bevoegd gezag. ad7 De gemeente Venray heeft onderscheid gemaakt tussen monumentale bomen, aandachtsgebieden en overige bomen. De monumentale bomen zijn stuk voor stuk bekend en terug te vinden op een kaart. Voor het kappen van deze bomen is een omgevingsvergunning nodig. Daarnaast zijn er op deze kaart aandachtsgebieden aangewezen. Ook voor het kappen van bomen die in het bestemmingsplan zijn opgenomen als bos, natuur of waardevolle houtopstand is een omgevingsvergunning nodig. Alle andere bomen zijn vergunningsvrij.
TOR 2019
33
4.3
Aan te leveren gegevens
Indien bekend is op welke wijze en locatie een ruimtelijk initiatief gaat plaatsvinden wordt gestart met de verschillende onderzoeken. Omdat een quickscan natuur en mogelijk vervolgonderzoek vele maanden in beslag kunnen nemen en de daaruit vloeiende noodzaak tot het verkrijgen van een ontheffing of vergunningen ook veel tijd in beslag neemt wordt geadviseerd om ze snel mogelijk met het uitvoeren van de noodzakelijke onderzoeken te starten. Onderzoek zijn gebonden aan nationaal bepaalde protocollen zoals het protocol voor vleermuisonderzoek. Deze dient zowel in het voorjaar als in het najaar te worden uitgevoerd. Een adviesbureau dat behoort tot het netwerk groene bureaus weet precies op welke wijze onderzoek moet worden uitgevoerd en hoeveel tijd dit (kan) vergen. Voor een vloeiende procedure zijn, indien relevant, de volgende documenten noodzakelijk: 1. Rapport natuurwaarden / quickscan natuurwaarden Soortenbescherming 2. Vervolgonderzoek natuurwaarden 3. Ontheffingsaanvraag 4. Ontheffing van de provincie of verklaring van geen bedenkingen van de provincie 5. Bij de ontheffing behorende ecologisch werkprotocol 6. Bij de ontheffing behorende mitigatie en/of compensatieplan Gebiedenbescherming Natura 2000 7. Voortoets 8. Verslechteringstoets 9. Passende beoordeling 10. Aanvraag vergunning Wet natuurbescherming 11.
Mitigatie en compensatieplan bij vergunning Wet natuurbescherming Beschermde houtopstanden 12. Indienen kapmelding Kapvergunning gemeente Venray 13. Omgevingsvergunning
TOR 2019
34
5
Mobiliteit
TOR 2019
35
5 Mobiliteit
5.1
Algemene Uitgangspunten
Mobiliteit is niet een geïsoleerd beleidsterrein, maar speelt zich af binnen een dynamische maatschappij. Mobiliteit moet bijdragen aan een goede, maatschappelijk aanvaardbare balans tussen alle functies en activiteiten die in de maatschappij plaats vinden. Deze houding laat zich leiden vanuit de kernwaarden; Verkeersveiligheid, Bereikbaarheid, Verkeersleefbaarheid en Duurzaamheid. -
Het Venrayse verkeerssysteem is opgebouwd en ingericht vanuit vijf centrale principes van Duurzaam Veilig.
-
Alle wegen binnen de gemeente Venray zijn ingedeeld in een wegcategorie volgens de door de gemeente vastgestelde wegcategorisering (zie par.5.2). Deze wegcategorieën zijn een afgeleide van de verschillende verkeersnetwerken die Venray kent:
-
-
Fiets
-
Voetganger
-
Personenauto
-
Vrachtverkeer
-
Landbouwverkeer
-
Georganiseerd verkeer