CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Motivering en regels ontwerp TAM-OP Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22e, Coppelenberg 3 Merselo.30.347 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Grenswaarde toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en 07.00 - 19.00 uur aanpandige geluidgevoelige gebouwen

19.00 - 23.00 uur

23.00 - 7.00 uur

30 dB(A)

25 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

55 dB(A)

55 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

45 dB(A)

45 dB(A)

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

5.3.2

35 dB(A)

Doorvertaling planvoornemen

Wegverkeerslawaai In het kader van het planvoornemen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd om de geluidbelasting afkomstig van wegverkeer op de te realiseren woningen te bepalen. Dit onderzoek is als bijlage 1 bij de motivering gevoegd. Toetsing standaardwaarden en grenswaarden Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 51 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden. Gevelwering en woon- en leefklimaat Benodigde gevelwering Het gezamenlijke geluid bedraagt ten hoogste 51 dB ter plaatse van de noordgevel van de meest noordelijke woning. De vereiste karakteristieke geluidwering Ga;k bedraagt dan maximaal 20 dB. Een onderzoek naar de gevelwering is dan redelijkerwijs ook niet aan de orde. Woon- en leefklimaat De milieukwaliteit wordt geclassificeerd als ‘redelijk’ tot ‘zeer goed’. Het woon- en verblijfsklimaat ter plaatse van de beoogde woningen wordt als acceptabel aangemerkt. Op basis van de toelichting in subparagrafen 3.3.1 en 3.3.2 van het onderzoek kan gesteld worden dat het cumulatieve geluid een aanvaardbaar woon- en verblijfsklimaat niet in de weg staat. Railverkeerslawaai De woning in het plangebied is niet gelegen nabij een spoorlijn. Akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai is derhalve niet benodigd.

Industrielawaai (geluid door activiteiten) De woningen binnen het plangebied zijn niet gelegen binnen de zone van een geluidgezoneerd industrieterrein. Wel is het plangebied aan de zuidwestzijde gelegen in de nabijheid van een locatie voor kinderopvang. Getoetst is of de beoogde woningbouw een beperking vormt voor de (mogelijke) activiteiten bij het kindcentrum én of ter plaatse van de te realiseren woningen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit onderzoek is als bijlage 2 bij de motivering gevoegd. Omgevingsplan (tijdelijk deel) Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van alle beoordelingspunten aan de geluidwaarden uit het tijdelijk deel van het Omgevingsplan van de gemeente Venray wordt voldaan. De beoogde woningbouw zorgt niet voor een beperking in de (mogelijke) activiteiten bij het kindercentrum. Woon- en leefklimaat Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en maximale geluidsniveaus Uit de rekenresultaten blijkt dat ter plaatse van de woningen 11 t/m 16 niet aan alle richt- en/of grenswaarden uit stap 2 en/of 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan. De overschrijdingen worden voor zowel het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau als de maximale geluidsniveaus enkel veroorzaakt door stemgeluid van spelende kinderen op het buitenterrein.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

In hoofdstuk 5 van het onderzoek zijn maatregelen aan de bron, in de overdracht en bij de ontvanger beschouwd. Bronmaatregelen zijn in nader overleg met het kindercentrum niet mogelijk gebleken. Uit paragraaf 5.2 van het onderzoek blijkt dat een afschermende voorziening van circa 28 m lang en 2,0/ 2,25/ 3,0 m hoog, zoals weergegeven op afbeelding 6 van het onderzoek (zie ook navolgende afbeelding), voor een aanzienlijke geluidreductie zal zorgen.

Bij een afschermende voorziening van 3,0 m hoog wordt zelfs een dermate reductie behaald dat aan de grenswaarden uit stap 3 van de Handreiking Bedrijven en milieuzonering kan worden voldaan, uitwijken naar stap 4 is dan niet meer nodig. Bij een hoogte van respectievelijk 2,0 m of 2,25 m is dit nog wel (beperkt) nodig. De gemeente heeft aangegeven dat een afschermende voorziening van 3,0 m noodzakelijk is. Deze afschermende voorziening is daarom op de verbeelding aangegeven met een aanduiding en in de regels vastgelegd met een voorwaardelijke verplichting (zie artikel 9.3.5 van de regels). Gevelwering Wanneer een afschermende voorziening wordt gerealiseerd (minimaal 2,0 m hoog) zoals weergegeven op afbeelding 6 in het onderzoek, dan is een nader onderzoek naar de geluidwering van de gevels niet nodig. De standaard gevelwering volgend uit het Bbl (20 dB) is dan voldoende. Verkeer van en naar de activiteit Uit subparagraaf 4.2.3 van het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de beoogde woningen aan de richtwaarden wordt voldaan. Er is, in het kader van het verkeer van en naar de beoogde activiteit, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

30

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Beschouwing tuinen In paragraaf 4.2.4 van het onderzoek zijn de geluidwaarden ter plaatse van de tuinen in beeld gebracht in de situatie zonder maatregelen. Voor de tuinen behorende bij de woningen 1 t/m 13 is sprake van een classificering ‘Goed’. Voor de tuin behorende bij woning 14 is sprake van een classificering ‘Redelijk’ tot ‘Matig’. Voor de tuin behorende bij woning 15 is sprake van een classificering ‘Matig’. Voor de tuin behorende bij woning 16 is sprake van een classificering ‘Tamelijk slecht’ tot ‘Slecht’. Bij het realiseren van een afschermende voorziening kan de classificering ter plaatse van de tuinen verbeteren. De hoogst haalbare classificering (afschermende voorziening van 2,25 of 3,0 m hoog) bedraagt daarbij de classificering ‘Redelijk’. Deze classificering wordt ter plaatse van tuinen aanvaardbaar geacht. Op basis van voorgaande kan worden gesteld dat, eventueel na het treffen van maatregelen in de overdracht óf bij de ontvanger, sprake zal zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 5.3.3

Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.4

Bodem

5.4.1

Regelgeving

Uit artikel 1.2 lid 2 Ow volgt expliciet dat bodem onderdeel uitmaakt van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van de bodem (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). Daarnaast gelden er instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) die gemeenten in het omgevingsplan moeten verwerken. Het Bkl bepaalt voor bodem dat in het omgevingsplan:  regels en waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem worden opgenomen voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89i t/m 5.89m Bkl);  moet worden gewaarborgd dat sanerende en beschermende maatregelen in stand worden gehouden, worden onderhouden of worden vervangen (artikel 5.89n Bkl);  bodembeheergebieden kunnen worden aangewezen voor het met een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift afwijken van kwaliteitseisen (artikel 5.89o Bkl); en  de landbodem van het gemeentelijk grondgebied wordt ingedeeld in bodemfunctieklassen (landbouw en natuur/wonen/industrie) (artikel 5.89p Bkl). Bodemgevoelige gebouwen Een bodemgevoelig gebouw wordt in het Bkl omschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.

Onder een gebouw wordt verstaan een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m2 valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw. Bodemgevoelige locaties Een bodemgevoelige locatie is op basis van het Bkl in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw. De gemeente kan in het omgevingsplan aanvullende locaties aanwijzen als bodemgevoelige locatie, zoals kinderspeelplaatsen of moestuinen. In de gemeente zijn dergelijke locaties vooralsnog niet aangewezen. Omgevingsplan Een omgevingsplan bevat dus waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, die per gebied of per gebruiksfunctie kunnen verschillen. Het uitgangspunt voor deze waardes zijn de interventiewaardes bodemkwaliteit, uit bijlage IIA van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze waardes zijn wetenschappelijk onderbouwd en behoeven geen verdere motivering. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde bevatten dan de interventiewaardes, mits gemotiveerd en de waarden niet hoger zijn dan het humane Maximaal Toelaatbare Risiconiveau (MTR humaan, bijlage Vb Bkl). Ook mag niet leiden tot overschrijding van de toelaatbare concentraties in lucht (TCL) en geurdrempels (bijlage XIIIb Bkl). Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. Om te kunnen beoordelen of de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het omgevingsplan is overschreden, is voorafgaand onderzoek naar de gesteldheid van de bodem nodig. Ingeval van een overschrijding van de waarden, is in het omgevingsplan opgenomen welke sanerende of beschermende maatregelen nodig zijn. 5.4.2

Doorvertaling planvoornemen

Er is een verkennend en nader bodemonderzoek inclusief historisch onderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. De rapportage van dit onderzoek is als bijlage 3 bij de motivering gevoegd. Met het verkennend bodemonderzoek is vastgesteld dat op de locatie sprake is van sterk verhoogde gehalten voor koper en zink een gehalte voor nikkel dat de index van 0,5 overschrijdt in de bodemlaag van 1,2 tot 1,6 m-mv. De onverzadigde bodem is tussen de 0,5-1,0 m-mv goed doorlatend (1-10 m/dag) en tussen de 1,0 en de 1,5 m-mv eveneens goed doorlatend. Op basis van de resultaten lijkt de grond geschikt te zijn voor infiltratie middels een wadi. Voor overige infiltratie mogelijkheden (o.a. infiltratie-krat, riolering of open verharding) lijkt de locatie op basis van zowel de k-waarden als de grondwaterstand eveneens geschikt. Voor infiltratie middels ‘open verharding’ lijkt de locatie minder of niet geschikt. Zowel zintuiglijk (> 20 mm) als analytisch (< 20 mm) is geen asbest aangetroffen in de puinlaag/fundatie. In het grondwater is maximaal een licht verhoogd gehalte voor barium aangetoond. In de volledige puinlaag/-fundatie zijn indicatief geen overschrijdingen van de maximale samenstellings- en emissiewaarden aangetoond. De puinlaag/-fundatie is derhalve indicatief wel herbruikbaar als bouwstof. Verontreinigingssituatie koper, zink en nikkel inpandig in de ondergrond.

In navolgende tabel is een overzicht gegeven van de globale verontreinigingssituatie. De globale contour van de verontreiniging met koper, zink en nikkel is weergegeven op de situatieschets in bijlage 2 van het onderzoek.

Geadviseerd wordt de aanwezige verontreiniging met zware metalen tijdens de sloop van de bebouwing te saneren volgens de geldende richtlijnen. Alle sanerende maatregelen dienen plaats te vinden conform de beoordelingsrichtlijnen SIKB 6000 “Milieukundige begeleiding van (water)bodemsanering en nazorg” en SIKB 7000 “Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem”. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt geadviseerd een (deel)saneringsplan / plan van aanpak op te stellen en toe te voegen bij de melding DSO (Digitaal Stelsel Omgevingswet). Na afloop van de werkzaamheden moet een evaluatieverslag ingediend worden. De sanering wordt uitgevoerd bij het bouwrijp maken van de locatie, nadat de bestaande bebouwing in het plangebied is gesloopt.

32

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

5.4.3

Conclusie

Het aspect 'bodem' vormt, na afronding van de benodigde sanering, geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.5

Externe veiligheid

5.5.1

Regelgeving

Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De gevoelige objecten zijn opgesplitst in:  zeer kwetsbare gebouwen  kwetsbare gebouwen en locaties  beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Plaatsgebonden risico Bij het toelaten van milieubelastende activiteiten en bij het toedelen van locaties moet voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties het plaatsgebonden risico (PR-10-6contour) in acht worden genomen. Bij beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet er rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Dit betekent dat binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicobron geen zeer kwetsbare gebouwen of kwetsbare gebouwen en locaties mogen worden toegestaan en dat beperkt kwetsbare gebouwen of locaties pas na een beoordeling mogen worden toegestaan. Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden. Groepsrisico: aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden voor branden, explosies en gifwolken. Uitgangspunt is dat personen in gebouwen buiten een aandachtsgebied (brand, explosie of gifwolk) voldoende zijn beschermd. Binnen aandachtsgebieden, of voor personen die verblijven op een locatie in de buitenlucht, zal bij nieuwe initiatieven moeten worden gekeken of en welke aanvullende beschermende maatregelen nodig en te treffen zijn. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor aandachtsgebieden in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen. 5.5.2

Doorvertaling planvoornemen

Op navolgende afbeeldingen is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop zijn de PR contouren en de aandachtsgebieden weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes over weg, water en spoor en buisleidingen.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

33

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) Kwetsbaarheid De beoogde woningen betreffen kwetsbare gebouwen. Plaatsgebonden risico Het plangebied is niet gelegen binnen een plaatsgebonden risicocontour van locatiegebonden risicobronnen, transportroutes en/of buisleidingen. De meest nabij gelegen risicobronnen betreffen 2 propaantanks aan de Handrik 3A en de Pas 1. Groepsrisico: aandachtsgebieden Het plangebied is niet gelegen binnen een brand -, explosie - of gifwolk aandachtsgebied. 5.5.3

Conclusie

Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6

Bedrijven en milieuzonering

5.6.1

Regelgeving

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Bij milieuzonering gaat het specifiek om de milieuthema's die afstandsgerelateerd zijn. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.

34

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van bedrijfsmatige activiteiten worden gerealiseerd, moet worden gemotiveerd in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige bedrijfsmatige activiteiten. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat bedrijfsmatige activiteiten zich vestigen/wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. In de loop van 2024 wordt de VNG-uitgave 'Activiteiten en milieuzonering' verwacht. Er wordt in deze handreiking geen gebruik gemaakt van milieucategorieën, maar van gebruiksruimte. Onder gebruiksruimte wordt verstaan de ruimte die een bedrijf mag benutten. 5.6.2

Doorvertaling planvoornemen

Totdat de nieuwe VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' is verschenen, wordt nog uitgegaan van de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'. Voor het vaststellen van de minimum richtafstanden tussen bedrijven en milieugevoelige functies worden de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Als de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Wanneer niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing danwel onderzoek nodig. Ondanks dat het plangebied in een omgeving ligt met verschillende maatschappelijke functies (kinderopvang, jeugdhuis en kerk) en enkele kleinschalige bedrijfsmatige functies (kleinschalig bedrijf en nutsvoorziening) wordt het plangebied 'worst-case' aangemerkt als een rustig woongebied: Relevante (planologische) bedrijfsmogelijkheden in de nabijheid van het plangebied zijn: Functie

Adres

Kleinschalig bedrijf

Kleindorp 5

Kinderopvang Jeugdhuis

Milieucategorie Richtafstand Afstand tot (m) woningen (m) 1 of 2

10 of 30

0

Grootdorp 32

2

30

0

Kleindorp 1

2

30

27,5

Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het plangebied is gelegen binnen de richtafstand van de kinderopvanglocatie aan het Grootdorp 32, het kleinschalige bedrijf aan het Kleindorp 5 en het jeugdhuis aan het Kleindorp 1. Omdat voor de kinderopvang niet aan de richtafstand wordt voldaan, is er een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd, zie hiervoor in subparagraaf 5.3.2. Wat betreft de locatie Kleindorp 5 leert raadpleging van het handelsregister van de Kamer van Koophandel dat er geen bedrijf is gevestigd op dit adres en dat het perceel op dit moment dus als woonperceel gebruikt wordt. Omdat de toegang tot het bedrijfsperceel aan de zijde van de Coppelenberg is gelegen en van het plangebied is afgescheiden door een gemetselde scheidingsmuur (zie navolgende afbeeldingen) en de bijgebouwen bij de (bedrijfs)woning compleet

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

35

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

bouwkundig zijn afgescheiden van het plangebied (voorzien van dichte gevels en daken) is in de praktijk sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen in het plangebied. Bovendien liggen de hoofdgebouwen van de nieuwe woningen zelf ook op 3,5 m of meer van de perceelsgrens van het bedrijfsperceel. Dit in tegenstelling tot de bestaande maatgevende burgerwoning aan het Kleindorp 7, die aanpandig aan het bedrijf is gelegen.

Wat betreft het jeugdhuis wordt net niet aan de richtafstand voldaan. Omdat de meest nabij gelegen nieuwbouwwoningen echter met de voorgevel richting het jeugdhuis zijn gericht, en er bij nieuwbouw sprake is van een gevelwering van circa 25 dB(A), is in de praktijk sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Bovendien is het jeugdhuis op dit moment niet meer als zodanig in gebruik en ligt het hoofdgebouw van de bestaande maatgevende

36

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

burgerwoning aan het Grootdorp 24 (ten westen van het jeugdhuis) op slechts circa 5,5 m van het jeugdhuis. 5.6.3

Conclusie

Het aspect 'bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.7

Spuitzonering

5.7.1

Regelgeving

Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige functie in de nabijheid van locaties, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige locatie aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de locatiegrens. Deze 50 m is in diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS, bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand, waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.

De vaste richtafstand van 50 m is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (vanwege de beperkte hoogte van het gewas) maar ook zij- en opwaarts (integrale behandeling van de fruitbomen), waarbij toepassing buiten de volbladperiode een extra risico vormt omdat het behandelde gewas zelf dan geen afscherming biedt. Omdat bij opwaarts spuiten de vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico's. Aanvullend is het zo dat het middelengebruik in de fruitteelt aanzienlijk hoger ligt dan in de boomteelt. Ook wat betreft toxiciteit van de gebruikte middelen scoort de fruitteelt het hoogst en is die teelt als maatgevend voor de spuitzone te beschouwen. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Vanaf 1 januari 2018 is het vanuit verplicht een 75 % reducerende spuittechniek (DRT75) toe te passen binnen een boomgaard. Bij teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen geldt op basis van artikel 3.80a van het Activiteitenbesluit de verplichting tot toepassen van een 75 % reducerende spuittechniek vanaf 1 januari 2021. 5.7.2

Doorvertaling planvoornemen

Omdat alle omliggende agrarische percelen op 75 m of meer van het plangebied gelegen zijn, wordt ruimschoots aan de benodigde afstand van 50 m voldaan.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

37

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

5.7.3

Conclusie

Het aspect 'spuitzonering' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8

Geur

5.8.1

Regelgeving

Het Bkl bevat een instructieregel dat zorg gedragen moet worden dat geur veroorzaakt door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Geurgevoelige gebouwen De volgende gebouwen worden als 'geurgevoelige gebouwen' aangemerkt:  gebouwen met een woonfunctie;  gebouwen met een onderwijsfunctie;  gebouwen met een gezondheidszorgfunctie (met bedgebied);  gebouwen met een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang (met bedgebied). Geurveroorzakende activiteiten Voor 'geurveroorzakende activiteiten' wordt onderscheid gemaakt in:  het houden van landbouwhuisdieren;  andere agrarische activiteiten;  zuiveringstechnische werken;  overige bronnen van geurhinder (vaak betiteld als industriële geurhinder). 5.8.2

Doorvertaling planvoornemen

Vanwege veehouderijen in de omgeving van het plangebied is er een onderzoek geurhinder veehouderijen uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 4 bij de motivering gevoegd.  Omdat wordt aan de afstandseis van 100 m is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van afstanden.  De voorgrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt ten hoogste 2,4 ou E/m³. Deze waarde voor de komt volgens tabel 2 in paragraaf 3.4 van het onderzoek overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Het woon- en leefklimaat is vergelijkbaar met het ‘goed’ woon- en leefklimaat dat op grond van de geurnorm van 3 ouE/m³ aanvaardbaar wordt geacht.  De achtergrondbelasting op de rand van het plangebied bedraagt ten hoogste 4,5 ou E/m³. Deze waarde voor de komt volgens tabel 2 in paragraaf 3.4 van het onderzoek overeen met een ‘goed’ woon- en leefklimaat. Als vuistregel geldt dat de achtergrondbelasting maatgevend is als deze meer dan het dubbele bedraagt van de voorgrondbelasting. Dat is hier niet het geval, de voorgrondbelasting is maatgevend en aanvaardbaar. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en veehouderijen worden niet in hun belangen geschaad. 5.8.3

Conclusie

Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

38

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

5.9

Waterhuishouding

5.9.1

Regelgeving

Waterschap Limburg Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Limburg. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in de beleidsnota ‘Wateradvies 2020’ Deze beleidsnota bevat uitgangspunten waaraan het omgevingsplan aan moet voldoen. Toetsing aan deze punten vindt hieronder plaats:  Plangebied nodig voor wateropgave: het plangebied was volledig verhard en belaste het gemeentelijk (regenwater) riool. Met dit plan wordt de waterbelasting voor de omgeving en het bestaande riool vermindert. Er worden geen waterstructuren geblokkeerd;  Circa 10 % plangebied reserveren voor water: Het plan is een duidelijke verbetering ten opzichte van de oude situatie wat betreft de waterhuishouding, aangezien het gehele gebied wordt afgekoppeld. Zie paragraaf 3.8 van de waterparagraaf (zie bijlage 5);  Voorkomen van toe- en afstroming: het plangebied wordt iets hoger aangelegd dan de aansluitende straten, hierdoor vindt er geen toestroming vanuit de omgeving. Afstroming zal gescheiden naar de wadi, die van voldoende capaciteit is.  Voorkeursvolgorde waterkwaliteit: 1. Schoon en vuil water worden gescheiden gehouden; 2. Alleen het vuile water wordt via de riolering afgevoerd naar de rioolwaterzuivering; 3. Het schone hemelwater wordt binnen het plangebied opgevangen en geïnfiltreerd.

 Voorkeursvolgorde waterkwantiteit: Al het hemelwater wordt teruggevoerd naar de bodem via infiltratie door middel van de wadi.  Voorkeurstabel afkoppelen: hemelwater van woningen en verhardingen komen terecht in de wadi, door middel van oppervlakte afvoer en buizenstelsel.  Infiltratie- en bergingsvoorziening: het ontwerp voldoet aan de eis 60 mm water bergen per etmaal en 100 mm infiltreren per etmaal. Gemeente Venray Het document de ‘Toetssteen Openbare Ruimte’ (2022) is opgesteld met als doel om de kwaliteit van de openbare ruimte van de gemeente Venray te waarborgen. De Toetssteen beschrijft de uitgangspunten, randvoorwaarden, ontwerpeisen etc. waaraan bouwplannen in de openbare ruimte minimaal dienen te voldoen. De Toetssteen bevat voor diverse gelijkwaardige vakdisciplines de algemene uitgangspunten met betrekking tot de betreffende vakdiscipline. Eén van de vakdisciplines die beschreven wordt is hoofdstuk 10 ‘Riool en Water’. Vanuit de gemeente geldt voor deze discipline het vigerende beleidsdocument ‘Gemeente Rioleringsplan (GRP) 2022 t/m 2025. In het GRP staat de huidige toestand van het riool beschreven, wordt aangegeven hoe het systeem wordt beheerd, wordt een overzicht gegeven van de geplande (verbeter)maatregelen en worden financiële consequenties in beeld gebracht.

Hierbij moet expliciet ingegaan worden op de drie zorgplichten te weten afvalwater, hemelwater en grondwater. Wat betreft het (hemel)watersysteem gelden de volgende ontwerpuitgangspunten:  De ontwerpprocedure ten behoeve van een bouwplan moet geschieden volgens de (digitale)watertoetsprocedure. De uitkomst hiervan zal het vertrekpunt van ontwerpen zijn. Van dit proces zal de gemeente structureel op de hoogte moeten worden gehouden. Dat geldt in alle fases van initiatief- tot en met beheerfase.  Een gescheiden rioleringsstelsel aanleggen op nieuwbouwlocaties woningbouw en nieuwbouwlocaties industrieterreinen. Maatwerk toepassen in overleg met de gemeente.  Bij reconstructies van bestaande infrastructuur met een gemengd rioolstelsel het hemelwater afkoppelen van het bestaande stelsel.  100% van het hemelwater infiltreren binnen het plangebied. Indien direct infiltreren niet mogelijk is, dan bufferen en vertraagd afvoeren naar open water.  Ontwerp van infiltratie- en retentievoorzieningen volgens Kennisbank Stedelijk Water. De infiltratie- en retentievoorziening heeft een totale bergingscapaciteit van minimaal 60 mm (Indien de voorziening een overloop heeft richting waterschapswater, gelden de rekenwaardes van het waterschap).  De infiltratievoorziening heeft een leeglooptijd van 24 uur of minder.  Noodoverloop overstort op maaiveld.

 Afvoerpieken zoveel mogelijk terugdringen.  Voorkeur voor centrale open infiltratievoorziening. Het type infiltratie- en/of retentievoorziening

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

39

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

moet in overleg met de gemeente worden vastgesteld. De infiltratievoorzieningen dienen minimaal reinigbaar, inspecteerbaar en belastbaar voor een brandweer blusvoertuig te zijn.  Alle constructieonderdelen van het rioleringssysteem dienen gekeurd te zijn door KIWA volgens de van toepassing verklaarde normen en keuringseisen (NEN, CE, KOMO). Voor infiltratie- en retentievoorzieningen ten behoeve van regenwater gelden de volgende eisen: Infiltreren in openbaar gebied Wadi  Inpassing in de omgeving middels natuurlijke glooiingen, geen ‘harde’ knikken ter plaatse van voet en kruin taluds, oftewel komvormig afwerken.  De voorkeur gaat uit naar mogelijk meervoudig gebruik van de wadi, bijvoorbeeld in combinatie met een speelveld.  In de wadi mogen derhalve diverse bodemniveaus voorkomen. Voorkeur voor taludhelling 1:6 en daar waar mogelijk nog flauwer.  Bekleding taluds: 1. Gras, (grasmengsel Bermen/Talud 2,0 kg/are), maximale taludhelling 1:5 2. Ruw gras, maximale taludhelling 1:3. 3. Vaste planten (mengsel in overleg met gemeente), maximale taludhelling 1:1.  Het planten van waterminnende boomsoorten in wadi, in mineraalrijke teelaarde.  Eventuele overige ontwerpeisen afhankelijk van locatie wadi, overleg met gemeente is gewenst.  De bereikbaarheid ten behoeve van onderhoud moet worden gewaarborgd. 5.9.2

Doorvertaling planvoornemen

Om inzichtelijk te maken op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het planvoornemen voor de waterhuishouding, is er een waterparagraaf opgesteld die als bijlage 5 bij de motivering is gevoegd. Bodemopbouw Uit het verkennend en nader bodemonderzoek (zie bijlage 3) blijkt dat op de onderzoekslocatie een circa 3 m dikke matig doorlatende deklaag aanwezig is van de Formatie van Boxtel, die bestaat uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind. De onderliggende matig tot goede waterdoorlatende laag loopt tot minimaal 186 m-mv en bestaat hoofdzakelijk uit fijn tot grof zand met lokaal grind, schelpen of kleiig zand van de Formaties van Beegden, Kiezeloöliet en Breda. Waterdoorlatendheid Er is een infiltratieonderzoek (= onderdeel verkennend en nader bodemonderzoek, zie bijlage 3) uitgevoerd in het plangebied. Er zijn infiltratieproeven uitgevoerd met behulp van een “open-end-test”. Deze zijn in duplo uitgevoerd. De gevonden waardes zijn als volgt:

De ondergrond is dus goed doorlatend, geschikt voor de toepassing van open wadi’s of infiltratie constructies zoals een infiltratieriool of -kratten. Oppervlaktewater Uit de leggerkaart van het waterschap blijkt dat in of in de directe omgeving van het plangebied geen oppervlaktewater voorkomt. Grondwater Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).

40

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

TNO-NITG voert het databeheer van in de omgeving aanwezige grondwaterpeilputten waarin de grondwaterstandstand in het eerste watervoerende pakket wordt gemonitord. Middels de interactieve grondwatertools ‘Isohypsen’ en ‘Grondwaterdynamiek’ van de Geologische Dienst Nederland worden de historische grondwatermeetreeksen uit het archief van TNO gesimuleerd met behulp van dagelijkse metingen van neerslag en verdamping uit gegevens van het KNMI. Op basis van het infiltratieonderzoek bevindt het niveau van het grondwater zich op 2,7 m beneden het huidige maaiveld, op circa 23,4 m +NAP. Het infiltratieonderzoek vermeld een GHG van circa 1,0 m minus maaiveld, dit zou 25,4 m+ NAP zijn Het grondwaterpeil op circa 1.000 m van het plangebied, bij het meetpunt Weversven (bron: Waterschap Limburg) fluctueert met 50 cm in 1 jaar tijd. Het maximaal gemeten GHG is aldaar is 23,7 m + NAP, gemeten in januari 2024, na een extreem natte periode, dit is dus beduidend lager. Een tweede grondwatermeetpunt is gelegen bij Grootdorp te Melderslo, in beheer bij de Gemeente Venray. Deze meetgegevens zijn opgevraagd maar nog niet ontvangen. Als uitgangspunt stellen we GHG op 25,4 m + NAP. Hoogteligging Het huidige plangebied ligt redelijk vlak op een niveau van 26,1 tot 26,6 m +NAP. We stellen het niveau van de verharding voorlopig vast op 26,4 m +NAP.

De aanliggende wegen liggen op 26,3 respectievelijk 26,2 m +NAP, en zijn dus iets lager gelegen. De waterberging moet boven de vastgestelde grondwaterstand gerealiseerd worden. Er zal door de ontworpen hoogteligging geen toevoer van water plaats vinden vanuit omliggende percelen en er is tevens voldoende ruimte aanwezig zijn om de hemelwaterverwerking op eigen gebied in te passen. Er moet rekening worden gehouden met de afstroming van het hemelwater. Deze moet van de te bouwen woningen wegstromen richting verhardingen en/of centrale groen. De hoogte van de woningen (bouwpeil) zal 25 cm boven de kruin van de weg liggen, die op zijn beurt weer minimaal gelijk ligt aan het maximale verharding niveau. Hemelwater Verhard oppervlak Vrijwel het gehele gebied was verhard, met een schoolgebouw en diverse verhardingen zoals een schoolplein en toegangswegen. Het verharde oppervlak in de huidige toestand bedraagt circa 4.300 m², zijnde 83 % van het gehele oppervlak. In de plansituatie neemt het verhard oppervlak af. Berekend zijn het oppervlak van de verhardingen op basis van het vastgestelde voorlopig ontwerp (Situatietekening Anterieure Overeenkomst 27 mei 2024) en de norm dat bij rijtjeswoningen 70 % van het perceeloppervlak verhard is. In bijlage 1 van de waterparagraaf is het totale verharde oppervlakte berekend op 3.167 m², afgerond 3.200 m².

Er is dus per saldo een afname van het verhard oppervlak. Echter in de nieuwe situatie moet het hemelwater riool afgekoppeld worden en moet het hemelwater binnen het plangebied opgevangen en geïnfiltreerd worden. Berekening bergingscapaciteit Uitgangspunt is dat het plan moet voldoen aan het principe “Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen” (HNO). Met behulp van de hydrologische eisen volgens Kennisbank Stedelijk Water is de benodigde bergingscapaciteit berekend. Er is uitgegaan van afkoppeling van het regenwater voor het gehele plangebied. Hierbij gaat het over de afkoppeling van een verhard oppervlak van 3.200 m². De norm is dat er 60 mm per m² verhard oppervlak moet worden geborgen op eigen terrein. Volgens de rekenregel: verhard oppervlak * 0,06 m = omvang vereiste capaciteit [m³] volgt dat er een bergingscapaciteit van: 3200 * 0,06 = 192 m³ benodigd zal zijn. Ontwerp bergingsvoorzieningen Uitgangspunt is dat het hemelwater kan worden geborgen door middel van wadi’s. Er zijn 2 wadi’s voorzien in het plan (zie rood omkaderde delen om navolgende afbeelding:

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

41

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Een langwerpige wadi aan de zuidzijde, lengte 48 m, breedte 7 m, oppervlak 336 m² op maaiveldniveau;  Een vrijwel vierkante wadi in een hofje, lengte lopend van 16 m naar 12 m, breedte 13 m, oppervlak 161 m² op maaiveld niveau. Totaal oppervlakte op maaiveldniveau: 497 m². 

Hoogte toekomstig maaiveld ter plaatse van de wadi is 26,4 +NAP, de bodemdiepte is 90 cm, zijnde minimaal 10 cm boven de GHG. De wadi wordt voorzien van een talud, zijnde 1:3. Een flauwer talud is gewenst, maar dit lukt niet i.v.m. ruimtegebrek in relatie met de diepte van de wadi. Het bodemoppervlak wordt dan:  Langwerpige wadi: 43 * 2 = 86 m²;  Vrijwel vierkante wadi: 65 m². Om overlast te voorkomen wordt voorzien in 25 cm vrije ruimte. De bergingsdiepte wordt dan 65 cm. De bergingsinhoud wordt dan 160 + 55,8 = 215,8 m³, terwijl 192 m³ benodigd is. Het systeem voldoet aan de bergingseis en heeft geen aanvullende maatregelen nodig. Infiltratie- en ledigingstijd In het uitgevoerde infiltratieonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond goed doorlatend is, met een k-waarde van 1-10 m/ dag. De gemeten K-waarde is minimaal 5 m/dag. We nemen als veilige rekenwaarde een K waarde van 2,5 m/ dag. De wadi zal begroeid worden met ruw gras. De K-waarde van teelaarde is 5 m/ dag. Dit ligt hoger dan de rekenaanname. Met behulp van de berekende K-waarde, kan de ledigingstijd van de wadi worden berekend. Dit is de tijd die benodigd is om het water dat in de Wadi komt te staan, in de bodem kan infiltreren. Conform de norm moeten de wadi’s volledig droog zijn in 24 uur. 42

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

De hoeveelheid water die geïnfiltreerd moet worden is dus 192 m³ conform de berekening in paragraaf 3.2 van het onderzoek (zie bijlage 5). De wadi’s hebben een bodem oppervlakte van totaal 167 m². Daarnaast beschikken de wadi’s nog over 389 m² aan talud oppervlak. Het talud nemen me voor 40% mee in de berekening. De wadi’s hebben dus een totaal infiltratieoppervlakte van 322,6 m². Zoals vermeld rekenen we met een K-waarde van 2,5 m/d. De infiltratiecapaciteit van de wadi is dan gelijk aan 2,5 * 322,6 = 806,5 m³/ dag. De theoretische ledigingstijd is dus (322,6/806,5) * 24 uur is ongeveer 9,6 uur. Dit voldoet ruim aan de norm van lediging binnen de 24 uur. Geadviseerd wordt om een grasmengsel speciaal voor wadi’s toe te passen en elke 2 jaar onderhoud uit te voeren om de doorlatendheid te garanderen. Nood-overloopconstructie Er is nog geen nood-overloop constructie voorzien. Indien gewenst zou er een verbinding vanuit de langwerpige wadi naar de riolering van Kleindorp gemaakt kunnen worden, maar dit is niet noodzakelijk. Capaciteit en afvoer hemelwater Het hemelwater van de woningen zullen waar mogelijk bovengrond afvoeren naar de rijbaan. De afwateringen van de woningen verder gelegen van de wadi’s worden aangesloten op een riolering die afwaterend op de wadi’s.

Dit geld ook voor de verhardingen, daar waar mogelijk zal dit via de oppervlakte plaatsvinden, elders via een hemelwaterafvoer en kolken. De capaciteit van de HWA afvoerleidingen worden uitgerekend conform methode Colebrook White. Uitgangspunt is een regenintensiteit van 110 l/s/ha. Met deze methode zullen kleine diameters met een minimaal verhang van 1:1.000 voldoen. Riolering (droogweerafvoer) Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 150 liter per dag geproduceerd per IE. De piekbelasting bedraagt per IE 15 liter per uur. De gemiddelde woningbezetting bij woningbouw in de gemeente bedraagt 2,2 bewoners. Dit betekent dat voor elke woning 2,2 x 150 liter = 330 liter per dag wordt geloosd. De piekbelasting per woning bedraagt 33,0 liter per uur. Conform het planontwerp zullen er in totaal 16 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod van ca. 6,3 m³/dag en een piekbelasting van 0,63 m³ per uur. Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater gescheiden blijven. Het vuile afvalwater zal middels een huisaansluiting met ontstoppingsstuk en een pvc-buis Ø125 mm aangesloten worden op een DWA-riool.

Dit rioolstelsel zal op 1 punt nabij de Coppelenberg aangesloten worden op het gemeentelijk stelsel. Dit wordt afgestemd met de gemeente Venray. Het niveau van het DWA riool in de Coppelenberg is opgevraagd bij de gemeente Venray. Maar de verwachting is dat dit voldoende diep ligt, aangezien de omgeving ook onder vrij verval aangesloten is. Waterkwaliteit Overeenkomstig de norm worden geen uitlogende materialen toegepast. Conclusie Op basis van de randvoorwaarden en uitgangspunten is de ontwikkeling in zowel ruimte als tijd hydrologisch positief uit te voeren. Er worden dan ook vanuit het oogpunt van de waterhuishouding geen belemmering verwacht ten aanzien van de ruimtelijke procedure en uitvoering van het plan. 5.9.3

Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

43

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

5.10

Natuur en ecologie

5.10.1 Regelgeving Onder de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende activiteiten die de natuur betreffen. Daarbij kan bij de meest voorkomende activiteiten een tweedeling worden gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Omgevingswet introduceert daarbij nieuwe terminologie: zo wordt een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied voortaan aangeduid als een 'Natura 2000-activiteit', en een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten als een 'flora- en fauna-activiteit'. Een verdere vernieuwing onder de Omgevingswet is de vormgeving van de zorgplicht voor natuur. De provincie blijft in beginsel het bevoegd gezag voor taken op het gebied van de natuur (artikel 2.18, lid 1, onder g Ow). Zorgplicht De zorgplicht is in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht (afdeling 1.3 Ow) en de specifieke zorgplicht, waarbij de specifieke zorgplicht kan worden opgedeeld in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (artikel11.6 Bal), Specifieke zorgplicht soorten (artikel 11.27 Bal) en de Specifieke zorgplicht houtopstanden (artikel 11.116 Bal). Uit de toelichting bij het Bal volgt dat deze specifieke zorgplichten voortborduren op de algemene zorgplicht in de Omgevingswet, maar concreter zijn.

Omdat zij concreter zijn, kunnen zij volgens de toelichting niet uitsluitend bestuursrechtelijk, maar ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. De zorgplicht geldt daarbij ook voor vergunningsplichtige activiteiten. Soortenbescherming Op grond van artikel 5.1 lid 2 Ow is het verboden een flora-en-fauna-activiteit te verrichten, voor zover het gaat om een geval dat is aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Uit bijlage 1 Omgevingswet volgt dat een flora-en-fauna-activiteit een activiteit is met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (artikel 11.37 Bal), Habitatrichtlijnsoorten (artikel 11.46 Bal) en Andere soorten (artikel 11.54 Bal). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. De regels over wanneer het bevoegd gezag een omgevingsvergunning of een vrijstelling mag verlenen voor flora- en fauna-activiteiten, staan in afdeling 8.6.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Gebiedsbescherming Artikel 11.6, lid 1 van het Bal bepaalt dat degene die een activiteit verricht die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor een Natura 2000-gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied kan hebben, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van de natuurbescherming, verplicht is om:  alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;  voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en  als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Stikstofdepositie Artikel 2.15a Ow geven de (resultaatsverplichtende) omgevingswaarden voor stikstofdepositie gehandhaafd. Een activiteit die voor stikstofdepositie zorgt, wordt aangemerkt als een vergunningsplichtige Natura 2000-activiteit als significante effecten op een Natura 2000-gebied niet kunnen worden uitgesloten. De beoordelingsregels kunnen er in dat geval toe strekken dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als geregistreerde stikstofdepositieruimte aan de Natura 2000-activiteit wordt toegedeeld (artikel 5.29, lid 3 Ow).

44

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

5.10.2 Doorvertaling planvoornemen Soortenbescherming Er is een quickscan natuur uitgevoerd in het plangebied. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de motivering gevoegd. Op basis van onderhavige quickscan Wet natuurbescherming moet voorafgaand aan de werkzaamheden middels aanvullend ecologisch onderzoek duidelijkheid worden verkregen omtrent de functie van de onderzoekslocaties voor roofvogels, huismussen en vleermuizen. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kunnen worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Indien binnen het broedseizoen gewerkt wordt, kan dit enkel nadat tijdens een broedvogelinspectie is bevestigd dat er geen broedgevallen aanwezig zijn. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van de verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieve en/of gezien de aard van de ingreep niet aan de orde. Wel moet rekening worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Uit het aanvullend ecologisch onderzoek, dat als bijlage 7 bij de motivering is gevoegd, komt naar voren dat:  Tijdens het onderzoek buiten het plangebied essentiële locaties voor de huismus en een vliegroute van gewone dwergvleermuis zijn vastgesteld;  Tijdens het onderzoek binnen het plangebied één zomerverblijffunctie en twee paarterritoria van gewone dwergvleermuis zijn vastgesteld. Er is geen onderzoek uitgevoerd naar roofvogels. Er is een eksternest gelegen op afstand van het plangebied. De redenatie dat er misschien een roofvogel in het nest broed en dat deze hinder ondervindt van het initiatief is onwaarschijnlijk en daarom niet nader onderzocht. Er moet daarom een ontheffing van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis, waarbij een activiteitenplan dient als onderbouwing bij de ontheffingsaanvraag. Bij de ontheffingsaanvraag is er een wettelijk belang nodig, een alternatievenafweging én dient de staat van instandhouding niet te verslechteren door de ingreep. Het activiteitenplan voor de gewone dwergvleermuis is als bijlage 8 bij de motivering gevoegd en dient als basis voor de ontheffingsaanvraag. In februari 2024 heeft de initiatiefnemer conform het activiteitenplan 12 tijdelijke vleermuiskasten opgehangen.

Tussen 1 september en half oktober worden de bestaande nestlocaties ongeschikt gemaakt middels het plaatsen van 'exclusion flaps' op alle potentiële invliegopeningen in de te slopen bebouwing. In de nieuwe woningen worden vleermuisvoorzieningen opgenomen conform het activiteitenplan. Na realisatie van de woningen en de juiste gewenningsperiode worden de tijdelijke voorzieningen verwijderd. De provincie Limburg heeft op 1 februari 2023 de gevraagde ontheffing verleend. Deze ontheffing is als bijlage 9 bij de motivering gevoegd. Gebiedsbescherming In de quickscan natuur is over gebiedsbescherming het volgende opgenomen:

Om uit te sluiten dat er externe effecten zijn als gevolg van een toename in stikstofdepositie is er een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. Dit onderzoek is als bijlage 10 bij de motivering gevoegd. Uit de berekeningen blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar.

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

45

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden dus geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het plan is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. 5.10.3 Conclusie De aspecten 'natuur' en 'ecologie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11

Cultureel erfgoed

Het onderdeel cultureel erfgoed gaat over zowel archeologie als cultuurhistorie. 5.11.1 Regelgeving Uit artikel 1.2 lid 2 van de Ow volgt dat cultureel erfgoed en werelderfgoed onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in dat een omgevingsplan regels kan bevatten die gericht zijn op het beschermen van erfgoederen (zoals aangegeven in artikel 4.1 Ow). De essentie van het beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische en cultuurhistorische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het doel van deze wetgeving is om archeologische resten in de bodem zoveel mogelijk te behouden en cultureel erfgoed en landschap zoveel mogelijk te beschermen. Daarnaast zijn er ten aanzien van de bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd: archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

5.11.2 Doorvertaling planvoornemen Archeologie Er is zowel een archeologisch bureauonderzoek als een archeologisch booronderzoek uitgevoerd in het plangebied. Beide onderzoeken zijn in één rapportage verwerkt, die als bijlage 11 bij de motivering is gevoegd. Bureauonderzoek Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op een dekzandrug ligt, nabij een beekdal. De dekzandrug is afgedekt met een esdek. Op basis van het AHN ligt het plangebied niet op de rand van de dekzandrug (gradiëntzone), wat het een aantrekkelijke locatie voor kampementen uit de steentijd zou maken. Op de dekzandrug in de omgeving zijn vondsten uit de periode Neolithicum-Bronstijd, IJzertijd, Romeinse Tijd en Late-Middeleeuwen bekend. De vindplaatsen die zijn aangetroffen bestaan uit nederzettingen en huisplaatsen. Vuursteenvindplaatsen zijn in de omgeving niet bekend. De archeologische verwachting voor het plangebied is daarom hoog voor de periode NeolithicumLate-Middeleeuwen en laag voor de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum. Archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen worden verwacht in de top van het pleistocene dekzand, waarbij zij bewaard kunnen zijn gebleven onder een oud bouwlanddek. Bij onderzoek in de omgeving is het esdek 30 tot 80 cm dik. Voor wat betreft de Nieuwe Tijd is de archeologische verwachting laag.

Op historische kaarten vanaf 1752 is het plangebied onbebouwd, waardoor de kans op oudere bebouwing uit de Nieuwe Tijd afneemt. De bewoning concentreerde zich in bewoningskernen, waar het plangebied geen deel van uitmaakt. In hoeverre nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig zijn, is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de ondergrond. Ter plaatse van de fundering van de bebouwing is de ondergrond tot 90 cm -Mv aangetast. Of daarmee het archeologische niveau is verdwenen is niet bekend.

46

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

Veldonderzoek Tijdens het veldonderzoek is vastgesteld dat de ondergrond in het plangebied uit een oud bouwlanddek op dekzand bestaat. De top van het dekzand bevindt zich tussen 50 tot 130 cm -Mv (26,5 tot 25,7 m +NAP). In de meeste boringen zijn geen sporen van bodemvorming in de top van het dekzand aanwezig. Uitzondering hierop vormen echter boringen 1 en 6, waarin de top van het dekzand een BC-horizont herkend is. Deze boringen bevinden zich in het noordwestelijk deel van het plangebied. In de rest van het plangebied ontbreekt bodemvorming (podzolering) in het dekzand, er is uitsluitend een C(g)-horizont aanwezig. Eventuele vindplaatsen die zich kenmerken door grondsporen (uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen) kunnen aanwezig zijn in de top van het dekzand. Vindplaatsen uit de steentijd (uit de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum) worden niet verwacht. De hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek op resten uit de periode NeolithicumLate Middeleeuwen in het plangebied is bevestigd. Bovenstaande resultaten zijn opgenomen in een verwachtings- en advieskaart in bijlage 11 van het onderzoek. Op basis van het bureau- en booronderzoek geldt een hoge archeologische verwachting op vindplaatsen uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen.

Vanwege deze hoge archeologische verwachting adviseert Transect in het kader van de geplande nieuwbouw in het plangebied een vervolgonderzoek uit te voeren. Bij de toekomstige werkzaamheden is de kans dat het archeologische niveau op een diepte vanaf 50 tot 95 cm -Mv verstoord raakt namelijk groot. De voorgenomen werkzaamheden voor de woningen zal worden gegraven tot circa 100 cm -Mv en de graafwerkzaamheden voor de riolering tot 150 cm -Mv. Ter plaatse van de bebouwing is de bodem tot 90 cm -Mv verstoord. Onder de bestaande funderingen kunnen echter nog archeologische resten in de vorm van grondsporen aanwezig zijn. Daarom adviseert Transect om een vervolgonderzoek uit te voeren (inventariserend veldonderzoek / karterende / waarderende fase). Dit onderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. De bedoeling is om eerst de bestaande bebouwing te slopen tot aan maaiveld en vervolgens een proefsleuvenonderzoek uitvoeren binnen het gehele plangebied (IVO-P; zie bijlage 12 van het onderzoek). Archeologische resten, in de vorm van diepere grondsporen, kunnen onder de funderingen nog intact aanwezig zijn uit de periode Neolithicum-Late Middeleeuwen. Voor deze vorm van onderzoek is op voorhand een Programma van Eisen (PvE) nodig, waarin de randvoorwaarden en wijze van documentatie voor dit onderzoek wordt vastgesteld.

Dit PvE moet door de gemeente Venray worden beoordeeld en goedgekeurd, voordat het onderzoek daadwerkelijk kan worden uitgevoerd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Venray) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Selectiebesluit De gemeente Venray stemt in om in met het selectieadvies om een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren. Bij de sloop van de bestaande bebouwing kan het archeologische sporenniveau verstoord of blootgelegd worden. Derhalve wordt de volgende aanpak geadviseerd:  Een proefsleuvenonderzoek in de zones rondom de bebouwing, vóórdat de bebouwing wordt gesloopt. Hiervoor moet wel alle verharding, in ieder geval ter plaatse van de voorgenomen locatie van proefsleuven, al verwijderd zijn en het terrein moet volledig toegankelijk zijn voor de archeologen. Bij het proefsleuvenonderzoek wordt een beter inzicht verkregen in de intactheid en diepteligging van het archeologische sporenniveau, evenals de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats.

 Indien bij het proefsleuvenonderzoek blijkt dat er zich in het plangebied archeologische sporen en vondsten (kunnen) bevinden, moet de ondergrondse sloop (funderingen, kelders, kruipruimtes etc.) van het gebouw worden onderzocht middels een opgraving – variant archeologische begeleiding. Dit houdt in dat de civiele graafwerkzaamheden worden begeleid door een klein team archeologen. Er moet op aanwijzing van de archeologen laagsgewijs worden gegraven tot op een leesbaar vlak op het archeologisch niveau onder de bestaande fundering (circa 90-100 cm beneden maaiveld) met als doel eventuele archeologische resten te identificeren en te documenteren.  Indien bij het proefsleuvenonderzoek blijkt dat het archeologische sporenniveau is verstoord en er geen archeologische sporen en vondsten worden verwacht, kan daarmee het onderzoek worden afgerond. Indien het niet mogelijk is om voorafgaand aan de sloop een proefsleuvenonderzoek te laten uitvoeren, moet de ondergrondse sloop van de bebouwing direct worden onderzocht middels een

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo" (ontwerp)

47

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Coppelenberg 3 Merselo

opgraving – variant archeologische begeleiding. In de zones rondom de bebouwing kan het proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Cultuurhistorie Er zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten of structuren in het plangebied aanwezig. Er is geen sprake van aantasting van cultuurhistorische waarden. 5.11.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.12

Verkeer en parkeren

5.12.1 Verkeer Het parkeerbeleid van de gemeente, dat voorschrijft hoeveel parkeerplaatsen moeten worden aangelegd bij een ontwikkeling, is gebaseerd op de kencijfers van het CROW. Voor de uitgangspunten voor het berekenen van de verkeersaantrekkende werking is de ‘Beleidsnota Parkeren’ van de gemeente Venray geraadpleegd. De Beleidsnota stelt dat de hele gemeente Venray ‘matig stedelijk’ is, daarnaast is de hele gemeente behalve de kern Venray aangemerkt als normgebied ‘rest bebouwde kom’. Binnen de bandbreedte gaat de gemeente uit van het gemiddelde kencijfer. Binnen het plangebied worden maximaal 16 grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Dit leidt op basis van CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024' tot navolgende voertuigaantrekkende werking (worst-case is uitgegaan van het maximum):

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15856312/1