CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 Motivering

Gemeenteraad 26 mei 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Ysselsteynseweg-Ringweg26.921 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

8

Fijnstofberekening herontwikkeling Houbensteyn, Farmconsult

43

Geconcludeerd wordt dat het aspect fijnstof geen belemmering vormt voor zowel de voortzetting van de veehouderijactiviteiten op de genoemde locaties als de realisatie van de nieuwe woningen. Vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.6

Geur

Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. Rijksregels zouden zorgen voor het relatief vaak moeten vaststellen van maatwerkvoorschriften. Daarom is uitgangspunt dat geurhinder vooral in decentrale instrumenten zoals in het omgevingsplan wordt geborgd. Artikel 5.92 Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Een omgevingsplan voorziet erin dat geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Aan die aanvaardbaarheid wordt voldaan door in het omgevingsplan toepassing te geven aan de in deze paragraaf opgenomen standaardwaarden op een geurgevoelig gebouw. Onder bepaalde omstandigheden kan een hogere of lagere grenswaarde aanvaardbaar zijn. Bij zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen kan een hogere waarde worden toegestaan dan de grenswaarden. Artikel 5.91 geeft aan dat geurgevoelige gebouwen in ieder geval gebouwen met een woon-, onderwijs-, of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang betreffen.

Ondanks dat geur vooral een lokaal aspect is, is het voorkomen of beperken van geurhinder één van de oogmerken van de rijksregels artikel 2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over het verplicht binnen uitvoeren van activiteiten en beperkingen van emissies naar lucht die indirect ook een positief effect hebben op geuremmissies. De regels over geur in paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn een voortzetting van het Activiteitenbesluit milieubeheer en voor zover het gaat om de geurregels voor het houden van landbouwhuisdieren zijn deze regels ook een voortzetting van de Wet geurhinder en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij. De geurregels beogen eenzelfde beschermingsniveau te bieden en voorzien in een beleidsneutrale omzetting. Gemeenten leggen in het omgevingsplan waarden en/of afstanden vast ten aanzien van geur door een activiteit op een geurgevoelig object. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijke omgevingsplan dan gelden, indien van toepassing de gemeentelijke geurverordening, of op grond van artikel 22.1 en 22.2 Ow de geurregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Wet geurhinder en veehouderij, als onderdeel van de Bruidsschat en maken deze deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege.

In de gemeentelijke geurverordening (geurgebiedsvisie Venray) is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied valt onder het buitengebied. In de verordening is bepaald dat voor deze gebieden een maximale waarde geldt van 14,0 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 20,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting).

44

Ontwikkellocaties Huidige situatie In het kader van onderhavige ontwikkeling is sprake van een aanzienlijke verbetering op het gebied van geur. De intensieve veehouderijen worden gesaneerd waarmee de geuremissie komt te vervallen. Locatie

Geur (OU/s) totaal 88,236 317,9 37.988,68 104.458,5 231.001,08

Ysselsteynseweg 63 Ysselsteynseweg 65 Ysselsteynseweg 67a Ysselsteynseweg 78 Totaal

Voorgrondbelasting In het kader van het conceptverzoek zijn reeds geurberekeningen uitgevoerd. In de huidige situatie is er vanuit de locaties (Ysselsteynseweg 67a, 63 en 78) op 27 gevoelige objecten sprake van een overschrijding van de norm. Met name de op de woningen Ringweg 35, 37, 39, 41 en 41a is de overschrijding fors. Met het saneren van de vier bedrijfslocaties komt de gehele overbelaste situatie, afkomstig van deze locaties, te vervallen. Binnen de kern Ysselsteyn is er voor wat betreft de voorgrondbelasting dan geen énkele overbelaste situatie meer, zie ook bijlage 14a.9. Achtergrondbelasting Voor wat betreft de achtergrondbelasting is er in de huidige situatie op 25 gevoelige objecten een overschrijding van de norm. Met name de overschrijding op de woningen Ringweg 39 en 41 en Ysselsteynseweg 82a, 82b en 84a is fors. Met het saneren van de vier bedrijfslocaties komt de gehele overbelaste situatie, afkomstig van deze locaties, te vervallen. Binnen de kern Ysselsteyn is er voor wat betreft de achtergrondbelasting dan geen énkele overbelaste situatie meer, zie ook bijlage 14b10. Nieuwe situatie In de nieuwe situatie worden op de ontwikkellocaties een museum met ondergeschikte opslag en een opslaglocatie gerealiseerd. Beide opslaglocaties betreffen geen geurgevoelig objecten conform Bkl omdat er geen sprake is van langdurig verblijf van mensen (artikel 5.91).

Op grond van artikel 5.91 van het Bkl is een geurgevoelig gebouw in ieder geval een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een: a. Woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. Onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. Gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. Bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Dergelijke functies worden niet toegestaan ter plaatse van de opslaglocaties of het museum. Op grond van artikel 5.91 lid 5 Bkl dient voor de kwalificatie als geurgevoelig object sprake te zijn van een hoofdzakelijk verblijf van mensen. In de opslaglocaties worden goederen opgeslagen, waardoor het verblijf van mensen kortstondig en van ondergeschikt belang is. De opslag is daarom niet te bestempelen als geurgevoelig. In het museum kunnen wel mensen enige tijd verblijven. De effecten van geur op het museum is daarom bepaald.

9

Geurberekening voorgrond kern Ysselsteyn met en zonder Houbensteyn Geurberekening achtergrond kern Ysselsteyn met en zonder Houbensteyn

10

45

Museum

Nr. Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

X

Y

190847 190862 190800 190788

389445 389411 389389 389424

Ysselsteynseweg 59 7,6 8,6 5,6 4,3

Ysselsteynseweg 70 2,9 2,8 2,3 2,4

Ysselsteynseweg 80 13,9 11,3 7,4 8,4

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 13,9 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het museum voor wat betreft voorgrondbelasting. Woonlocaties Ook de nieuwe woonlocaties dienen te worden onderzocht, ondanks dat de vier locaties gesaneerd worden blijven er in de omgeving nog diverse veehouderijen aanwezig. Deze veehouderijen kunnen mogelijk een belemmering vormen voor de nieuwe woningen. De geurbelasting op een geurgevoelig object kan uitsluitend berekend worden bij een veehouderij waar dieren met geuremissiefactoren worden gehouden (dit betreffen doorgaans de intensieve veehouderijen). Bij een veehouderij waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden geldt een minimale vaste van 50 meter (gevel stal) en 100 meter (emissiepunt stal). De beoogde nieuwe woningen kunnen geurhinder ondervinden van (intensieve) veehouderijen in de omgeving.

Binnen een straal van 500 meter rondom de woonlocaties bevinden zich de volgende (intensieve) veehouderijen: ▪ Een pluimveehouderij aan de Ysselsteynseweg 80, afstand tot woningen 190 meter; ▪ Een pluimveehouderij aan de Ysselsteynseweg 59, afstand tot woningen 220 meter; ▪ Een paardenhouderij aan de Pottevenweg 12, afstand tot woningen 380 meter; ▪ Een pluimveehouderij aan de Ysselsteynseweg 70, afstand tot woningen 490 meter. De afstand van de veehouderijen waar dieren zonder geuremissiefactoren worden gehouden (paarden en melkvee), tot het plangebied, bedraagt ruimschoots meer dan 50 meter. Aan de geureisen uit de Bkl voor wat betreft deze inrichtingen wordt ruimschoots voldaan. De overige veehouderijen, betreffende de pluimveehouderij aan de Ysselsteynseweg 59, 70 en 80 betreffen veehouderijen waar dieren met geuremissiefactoren gehouden worden. Voor deze veehouderijen is de geurbelasting op het plangebied berekend middels het programma “V-stacks vergunning”. Hierbij is uitgegaan van de maximaal planologische mogelijkheden, derhalve is de gehele uitstoot geprojecteerd op de meest nabijgelegen hoek van het bouwvlak.

Ringweg III

Ringweg I en II

Nr.

X

Y 389361 389375 389318 389309

Ysselsteynseweg 59 4,5 5,3 7,2 5,7

Ysselsteynseweg 70 1,9 2,1 2,0 1,8

Ysselsteynseweg 80 5,3 6,3 5,0 4,2

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

190749 190782 190806 190770

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

190835 190893 190902 190843

389108 389130 389103 389083

3,0 3,7 3,2 2,7

1,5 1,8 1,6 1,5

2,0 2,0 1,9 1,7

46

Ringweg 20

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

190770 190817 190839 190789

389302 389317 389257 389240

5,5 7,6 6,2 4,6

1,8 2,1 2,0 1,7

4,1 5,2 4,0 3,3

Ysselsteyns eweg 67

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

190724 190760 190780 190748

389427 389440 389374 389636

2,8 3,6 5,2 4,0

2,1 2,3 2,1 2,3

6,3 7,9 6,3 5,9

De hoogste voorgrondbelasting bedraagt 7,9 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan voor wat betreft voorgrondbelasting. Achtergrondbelasting Middels het programma “V-stacks gebied” is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen (KRD juli 2025).

X 190749 190782 190806 190770

Y 389361 389375 389318 389309

Berekende waarde 11,6 13,2 12,6 11,9

Ringweg III

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

190835 190893 190902 190843

389108 389130 389103 389083

11,2 11,6 11,5 11,3

Ringweg 20

Nr.

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

190770 190817 190839 190789

389302 389317 389257 389240

11,8 12,6 11,6 11,0

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

190724 190760 190780 190748

389427 389440 389374 389636

12,3 14,0 13,1 17,0

Ringweg I en II

Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4

Ysselsteyns eweg 67

In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven.

De hoogste cumulatieve geurbelasting binnen het plangebied bedraagt 13,2 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale cumulatieve geurbelasting toegestaan van 20,0 OU/m3. Er wordt daarmee aan de norm voldaan, waardoor gesteld kan worden dat de betreffende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft achtergrondbelasting. Daarnaast geldt dat bestaande geurgevoelige objecten (in dit geval de woning Ysselsteynseweg 82) welke in de directe omgeving van de intensieve veehouderijen zijn gelegen, de bepalende objecten zijn voor wat betreft eventuele toekomstige

47

uitbreidingsmogelijkheden van deze veehouderijen. De nieuwe woningen, welke verder van de intensieve veehouderijen zijn gepositioneerd dan bestaande woningen, hebben derhalve geen beperkende invloed voor wat betreft de uitbreidingsmogelijkheden van de intensieve veehouderijen. Het aspect geur vormt derhalve geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.7

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid, ofwel omgevingsveiligheid. Regels omtrent externe veiligheid zijn gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico die op een locatie is toegestaan. In het Bkl (bijlage VII) is een lijst opgenomen met activiteiten die aangewezen zijn als risicobron. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels omtrent het plaatsgebonden risico (PR) en aandachtgebieden. Het betreft de volgende activiteiten: ▪ Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; ▪ Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor); ▪ Buisleidingen met gevaarlijke stoffen; ▪ Windturbines. Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico (GR) Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk.

Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied 48

aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart is er één risicovolle inrichting aanwezig binnen het plangebied. Dit betreft de een propaantank op de locatie Ysselsteynseweg 78. Deze propaantank is reeds gesaneerd en vormt deze dan ook geen belemmering meer. Het plangebied is dan ook niet gelegen binnen een beschermingszone van mogelijke omliggende risicovolle activiteiten.

Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het initiatief.

49

Afbeelding 16 Uitsnede risicokaart (rood; plangebied)

5.8

Trillingen

Trillingen kunnen optreden als gevolg van met name spoorwegverkeer. In sommige gevallen kunnen trillingen leiden tot hinder of schade aan gebouwen. Om trillinghinder en schade te voorkomen dient dit aspect onderzocht te worden bij ontwikkelingen binnen 100 meter van een spoorweg. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl is op hoofdlijnen van toepassing op het toelaten op een locatie van een activiteit, anders dan het wonen, die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaakt in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan. En op het toelaten van een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit, anders dan het wonen, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan. Onder andere binnen gebouwen toegelaten woonruimten zijn trillinggevoelig. Conclusie Het plangebied is niet gelegen binnen gebied waarbij trillingen aan de orde zijn. Derhalve vormt het aspect trillingen geen belemmeringen in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

50

5.9

Water

Bij het realiseren van nieuwe bebouwing en/of het toestaan van nieuwe activiteiten kan er sprake zijn van wijzigingen in de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap. Daarnaast zijn instructieregels opgenomen in het Bkl. Artikel 5.37 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Deze paragraaf geeft verder specifieke instructieregels over onderdelen van watersystemen in het omgevingsplan, waaronder primaire waterkeringen, grote rivieren en het IJsselmeergebied, waarbij onder andere het rivierbed en reserveringsgebieden worden aangewezen. 5.9.1 Waterbeleid Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, de Omgevingsvisie Limburg, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden.

De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de provinciale omgevingsvisie sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Limburg.

In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Concreet betekent dit dat er sprake moet zijn van gescheiden schoon- en vuilwaterstromen die afzonderlijk worden verwerkt. Vanuit de gemeente Venray en Waterschap Limburg gelden daarbij de volgende uitgangspunten: 1. afkoppelen van 100% van het verhard oppervlak, waarbij de beslisboom verantwoord afkoppelen van toepassing is; 2. de trits vasthouden-bergen-afvoeren is van toepassing, waarbij hergebruik dan wel infiltratie van schoon hemelwater de voorkeur heeft; 3. verontreiniging van het water dient door bronmaatregelen voorkomen te worden; 4. grondwateroverlast dient voorkomen te worden; 5. een gelimiteerde afvoer naar het oppervlaktewater is toegestaan. 5.9.2

Waterhuishoudkundige situatie plangebied (huidige situatie)

Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het projectgebied aangeduid als veldpolzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand.

51

Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt de omgeving van het plangebied een goede bodemdoorlatendheid te hebben van 0,75-1,5 m/dag. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg. Wel is het de locatie Ysselsteynseweg 78 gelegen binnen een gebied aangemerkt bufferzone grondwaterafhankelijke natuur. Conform beleid is bepaald dat in deze het verboden is zonder vergunning grondwater te onttrekken. Het onttrekken van grondwater is niet aan de orde in het kader van onderhavige ontwikkeling. Oppervlaktewater Op de leggerkaarten van Waterschap Limburg is te zien dat binnen het plangebied of directe omgeving geen oppervlaktewater van betekenis ligt. Wel is er een watergang gelegen aan de voorzijde van de locatie Ysselsteynseweg 78, er vinden geen werkzaamheden plaats in en/of binnen de beschermingszone plaats. Afvalwater Voor de afvoer van het huishoudelijk afvalwater zal de nieuwe bebouwing aangesloten worden op de reeds aanwezige riolering. 5.9.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Onderhavige planvoornemen voorziet in het saneren van enkele veehouderijen locaties en hiervoor in de plaats enkele woningen te realiseren alsook een museum met opslag en bedrijfslocatie.

Met het initiatief is sprake van zowel een toename als afname aan verhard oppervlak, afhankelijk van de deellocaties. Iedere toename aan verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename aan verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologische neutraal ontwikkeling houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en/of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan het water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van het initiatief, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand. Conform richtlijnen van het waterschap dient de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op een bui die eens in de 10 jaar voorkomt en waarbij 60 mm neerslag valt (Toetssteen Openbare Ruimte 2022). De gemeente Venray streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen.

Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Ontwikkellocaties Ysselsteynseweg 63-65 Op de locatie 63-65 is sprake van een aanzienlijke afname van het verhard oppervlak. Hier wordt alle aanwezige bebouwing gesaneerd en geen nieuwe bebouwing toegevoegd. Ysselsteynseweg 67a Op de locatie 67a is eveneens sprake van een afname van het verhard oppervlak. De bestaande bebouwing wordt gesaneerd, hiervoor in de plaats wordt een museum met ondergeschikt opslag gerealiseerd. Er is thans circa 7.000 m² aan

52

bebouwing aanwezig, hiervoor in de plaats wordt (2.400-1.800) 4.200 m² teruggebouwd. Er is dan ook sprake van een aanzienlijk afname aan verhard oppervlakte. Ysselsteynseweg 78 Op de locatie 78 is eveneens sprake van een afname van het verhard oppervlak. De bestaande bebouwing heeft een oppervlakte van circa 11.000 m². De nieuw te realiseren bebouwing heeft een oppervlakte van 2.100 m². Er is dan ook sprake van een aanzienlijk afname aan verhard oppervlakte. Woonlocaties Ringweg I en II Voor wat betreft de woonlocaties Ringweg I en II is sprake van een afname aan verhard oppervlakte, daar deze woningen gerealiseerd worden op grond waar voorheen een deel van de bebouwing locatie Ysselsteynseweg 67a is gelegen. Er is in dit stadium nog niets bekend over de toe te voegen oppervlaktes ten behoeve van de woningen. Ringweg III Op de locatie Ringweg III is sprake van een toename aan verhard oppervlakte daar deze gronden thans onbebouwd zijn. Er is in dit stadium nog niets bekend over de toe te voegen oppervlaktes ten behoeve van de woning. De wijze van hemelwaterinfiltratie zal bij aanvraag bouwvergunning nader uitgewerkt dienen te worden. Daarbij dient wel benoemd te worden dat de gronden opgehoogd worden in het kader van de ontwikkeling. Concluderend kan gesteld worden dat door het initiatief geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.

5.10 Kabels, leidingen en straalpaden Grotere kabels en leidingen worden middels een planologische beschermingszone vastgelegd. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Conclusie Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen. Wel loopt er een rioolleiding op de locatie Ysselsteynseweg 78, deze loopt aan de achterzijde van het perceel. De voorschriften die hier gelden zijn geborgd in de regels.

5.11 Natuur De Europese natuurwetgeving was in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. De Wnb gaat in het kader van de Omgevingswet op in het Aanvullingsbesluit natuur en Aanvullingsregeling Natuur. Deze overgang is beleidsneutraal, de thans geldende normenkaders, instrumenten en bevoegdheidsverdeling blijven dan ook ongewijzigd. 5.11.1 Flora en fauna Om het (mogelijk) voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de ontwikkelingen hierop te onderzoeken zijn voor de diverse locaties quickscans flora & fauna uitgevoerd.

53

Ontwikkellocaties Ysselsteynseweg 63 Op basis van de uitgevoerde quickscan11 kan concluderend gesteld worden dat: Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Ysselsteynseweg 65 Op basis van de uitgevoerde quickscan12 kan concluderend gesteld worden dat: Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed.

Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. De voormalige bedrijfsgebouwen dienen bij voorkeur gesloopt te worden buiten het broedseizoen. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Ysselsteynseweg 67a + woningbouw Ringweg I en II Op basis van de uitgevoerde quickscan13 kan concluderend gesteld worden dat: Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Alle sloop- en kapwerkzaamheden dienen bij voorkeur verricht te worden buiten het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli).

Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Ysselsteynseweg 78 Op basis van de uitgevoerde quickscan14 kan concluderend gesteld worden dat: Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. 11

Quickscan flora en fauna nr 63, Agrifirm (kenmerk: E.00006508) Quickscan flora en fauna nr 65, Agrifirm (kenmerk: E.00006507) 13 Quickscan flora en fauna nr 67a, Agrifirm (kenmerk: E.00006506) 14 Quickscan flora en fauna nr 78, Agrifirm (kenmerk: E.00006509) 12

54

Woonlocaties Ringweg III Op basis van de uitgevoerde quickscan15 kan concluderend gesteld worden dat: Algemene in het plangebied broedende vogels In het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de werkzaamheden buiten de periode 15 maart - 15 juli uit te voeren (buiten het broedseizoen van de meeste vogels). Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Buizerd Op 27 meter afstand van het plangebied bevindt zich een buizerdnest (zie figuren 4.4.1 en 4.4.3). Buizerdnesten zijn in Limburg niet jaarrond beschermd, maar wel strenger beschermd (categorie 4).

Om verstoring van het nest te voorkomen, dienen het rooien van bomen en andere bouwwerkzaamheden buiten de periode 1 februari – 1 september (de kwetsbare periode van de buizerd) plaats te vinden. In dat geval leiden de werkzaamheden niet tot een noemenswaardige verstoring van het nest. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van de buizerd geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere soorten), waarvoor in Limburg een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen (deze zijn opgenomen in Bijlage X van de Omgevingsverordening Limburg; Provinciale Staten van Limburg, 2025). Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Om het verwonden of doden van (jonge) wezels te voorkomen dient de vegetatie buiten de voortplantingsperiode van de soort (1 maart – 31 augustus) te worden verwijderd. Houtopstanden Er wordt een nog onbekend aantal bomen gekapt. Indien het minder dan 20 niet-fruitbomen betreft, hoeft er geen provinciale kapmelding te worden gedaan en is er geen herplantingsplicht van toepassing vanuit de Omgevingswet. Indien dit wel het geval is, dient er een kapmelding bij de provincie te worden gedaan. Ook geldt dan herplantplicht. 5.11.2 Natura2000 Regels omtrent stikstofdepositie zijn geregeld in artikel 22.20 Ow. Hierin staat vermeld dat de regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven geleden tot bij een koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is, mits uitgesloten kan worden dat een project geen merkbaar c.q. negatief effect heeft voor 15

Quickscan flora en fauna Ringweg III, Faunaconsult (datum: 5 november 2025)

55

wat betreft de stikstofdepositie ter plaatse van omliggende Natura2000-gebieden. Een mogelijk negatief effect komt voort door verzuring en/of vermesting, van het initiatief, op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOX of NH3 ), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Conclusie In het kader van onderhavige ontwikkeling zijn stikstof berekeningen16 uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op enig stikstofgevoelig habitat binnen een Natura 2000-gebied. Er is door het saneren van de intensieve veehouderijen juist sprake van een aanzienlijke afname. De ontwikkeling betreft onder andere het beëindiging van de voormalige intensieve veehouderijactiviteiten. Door het saneren van deze veehouderijen verdwijnt een substantieel deel van de stikstofemissie die in de voormalige situatie structureel aanwezig was. Daarmee neemt de structurele stikstofuitstoot vanuit het projectgebied aanzienlijk af. Hierdoor ontstaat per saldo een duidelijke afname van stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit betekent dat het project niet alleen geen verslechtering veroorzaakt van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden, maar juist bijdraagt aan een verbetering hiervan.

Het project is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura2000-activiteit. 5.11.3 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en landbouwgebieden met natuurwaarden van (inter)nationaal belang. Het doel van het NNN-beleid is het veiligstellen van ecosystemen en het realiseren van leefgebieden met goede condities voor de biodiversiteit. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Het Natuurnetwerk Nederland is veelal weer opgedeeld in provinciale natuurgebieden. Conclusie Het plangebied is niet gelegen op gronden die onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie De wet- en regelgeving rondom cultureel erfgoed en archeologie is vastgelegd in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het fundament voor de bescherming van rijksmonumenten, oftewel het culture erfgoed. In de Erfgoedwet staan de regels met betrekking op het roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten en in de Omgevingswet staan de regels met betrekking tot het aanwijzen van ruimtelijke cultureel erfgoed, zoals stads- en dorpsgezichten en de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl geeft aan dat in het omgevingsplan rekening dient te worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed worden in een

16

Motivering Stikstof, Bureau Leefomgeving (datum: 18 juni 2025)

56

omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening moet worden gehouden met de in artikel 5.130 Bkl genoemde beginselen. 5.12.1 Archeologie De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Dit kan de gemeente doen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven. Gedurende de overgangsfase zijn de regels omtrent het aspect archeologie nog niet opgenomen in het Omgevingsplan. Deze zijn opgenomen in het gemeentelijke archeologiebeleid, op termijn worden deze regels opgenomen in het Omgevingsplan. Ook zijn er in de bruidsschat enkele bepalingen opgenomen over de aanvraagvereisten bij het slopen van bouwwerken in een gemeentelijke of rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. Conform de gemeentelijke archeologische beleidskaart zijn slechts kleine delen van het plangebied van archeologisch waarden. Op deze gronden vinden geen wijzigingen plaats, of wijzigingen welke de ondergrenzen niet overschrijden. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. 5.12.2 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen.

In het Bkl zijn instructieregels opgenomen omtrent het beschermen en behouden van cultureel erfgoed. Deze gaan over: ▪ Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten; ▪ Verplaatsing van beschermde monumenten; ▪ Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand; ▪ Aantasting van de omgeving van een beschermd document; ▪ Aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen; ▪ Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten. De gemeente Limburg heeft de cultuurhistorisch waardevolle objecten opgenomen in de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’. Het is van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen geen negatieve invloed hebben op omliggende of nabijgelegen cultuurhistorisch waardevolle objecten. Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart zijn er in en nabij het plangebied geen waardevolle objecten gelegen. Het aspect cultuurhistorisch vormt dan ook geen belemmering in het kader onderhavige ontwikkeling.

5.13 Verkeer en parkeren Het realiseren of toevoegen van functies zal zorgen voor een verandering in de verkeersstromen. Er dient daarom te worden aangetoond dat met het initiatief de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt en er voldaan wordt aan voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein.

57

5.13.1

Verkeer

Ontwikkellocaties Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie. ▪ Functie: o Bestaande situatie: Bedrijfs arbeidsextensief/bezoekersextensief; o Museum: Museum o Opslag: Bedrijfs arbeidsextensief/bezoekersextensief; o Woningen: Koop, huis, vrijstaand ▪ Gebiedstype: rest bebouwde kom in weinig stedelijk gebied. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat de theoretische verkeersgeneratie aanzienlijk hoger ligt dan deze in de praktijk werkelijk bedraagt. Er wordt uitgegaan van een worst-case scenario, derhalve worden de maximale normen aangehouden. Ysselsteynseweg 63-65 Voor wat betreft de locatie Ysselsteynseweg 63-65 is geen sprake van het toevoegen van nieuwe functies. De thans aanwezige bebouwing wordt gesaneerd en de gronden worden in gebruik genomen als cultuurgrond. In de beoogde situatie is er dan ook geen sprake van enige verkeersbewegingen. Ysselsteynseweg 67a + woningen Ringweg I en II De thans aanwezige bedrijfsbebouwing (circa 7.000 m²) wordt gesaneerd, hiervoor in de plaats komt een museum met ondergeschikte opslag. Daarnaast worden er twee nieuwe woningen gerealiseerd. De om te zetten bedrijfswoningen zijn reeds bestaand, derhalve worden deze niet meegerekend. De bedrijfsmatige verkeersbewegingen komen allen te vervallen. Wel brengt het museum en de opslag nieuwe verkeersbewegingen met zich mee.

De verkeersgeneratie neemt aanzienlijk af ten opzichte van de bestaande situatie. Nr. 63-65

Bestaand Norm/100 m² 5,7 -

Bedrijf Museum Opslag Woningen

m² 7.000

Totaal

Generatie 399 399

Beoogd Norm/100 m² 1,2 5,7 8,6

m²/st 2.400 1.800 2

Generatie 28,8 102,6 17,2 148,6

Ysselsteynseweg 78 Op de locatie Ysselsteynseweg 78 worden alle bestaande gebouwen (circa 11.000 m²) gesaneerd, hiervoor in de plaats wordt een nieuw bedrijfsgebouw opgericht ten behoeve van opslag. De bedrijfsmatige verkeersbewegingen komen dan ook te vervallen. Wel brengt de opslag nieuwe verkeersbewegingen met zich mee. De verkeersgeneratie neemt aanzienlijk af ten opzichte van de bestaande situatie. Nr. 78

Bestaand Norm/100 m² 5,7 -

Bedrijf Opslag Totaal

m² 7.000

Generatie 627 627

Beoogd Norm/100 m² 5,7

m² 2.100

Generatie 119,7 119,7

Woonlocaties Ringweg III Aan de Ringweg III wordt een nieuwe woning gerealiseerd. De gronden ter plaatse zijn thans onbebouwd, er is derhalve sprake van een toename van het aantal verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 8,6 verkeersbewegingen, Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s).

58

Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat er sprake is van een aanzienlijke afname van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Dit zorgt voor een aantoonbare verbetering van de verkeersveiligheid en leefbaarheid in de directe omgeving. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering. 5.13.2 Parkeren Om de nieuw parkeerbehoefte te berekenen is gebruik gemaakt van de parkeernormen van Venray. De gemeente heeft haar parkeerbeleid vastgelegd in de ‘Beleidsnota Parkeernormen’. Hierbij wordt uitgegaan van gebiedstype: rest bebouwde kom. Ontwikkellocaties Ysselsteynseweg 63-65 Voor wat betreft de locatie Ysselsteynseweg 63-65 is geen sprake van het toevoegen van nieuwe functies. Er is dan ook geen parkeerbehoefte. Ysselsteynseweg 67a De om te zetten bedrijfswoningen zijn reeds bestaand, derhalve worden deze niet meegerekend. Type

Aantal

Museum Opslag

2.400 m² 1.800 m²

Ysselsteynseweg 78 Type

Aantal

Opslag

2.100 m²

Norm

Totaal

1,1 1,1

26,4 19,8 Totaal 46,2 In dit stadium van de procedure zijn er nog geen tekeningen bekend. Gezien de oppervlakte van de locatie is het aannemelijk dat er voldoende ruimte beschikbaar is om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte.

Norm

Totaal

1,1

23,1 Totaal 23,1 In dit stadium van de procedure zijn er nog geen tekeningen bekend. Gezien de oppervlakte van de locatie is het aannemelijk dat er voldoende ruimte beschikbaar is om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte. Woonlocaties Ringweg I, II en III Conform de gemeentelijke parkeernormen geldt per woning (gelegen in rest bebouwde kom/buiten de bebouwde kom) een parkeerbehoefte van 2 parkeerplaatsen. Bij de nieuw te realiseren woningen is voldoende ruimte om twee parkeerplaatsen te realiseren.

5.14 Duurzaamheid Conform artikel 1.3 sub a Ow is het bereiken en in stand houden van een veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Het gaat daarbij om het beschermen van de gezondheid maar ook het bevorderen van de gezondheid (sport, beweging, positieve gezondheid).

59

In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en; b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 Ow geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 Ow geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd.

Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen. In onderhavige motivering wordt onderbouwd waarom er in het kader van onderhavige ontwikkeling sprake is van een goede fysieke leefomgeving. Daarnaast worden de volgende duurzaamheidsmaatregelen voorzien c.q. daar waar een afweging mogelijk is, worden overwogen: ▪ De nieuw te realiseren bebouwing zal zelf een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen, bestaande en nieuw; ▪ De bebouwing zal zeer goed worden geïsoleerd en heeft daardoor een zeer lage warmtevraag; ▪ Bij de bouw zullen duurzame materialen worden gebruikt zoals FSC-keurmerk hout; ▪ De woningen beschikken over een (klimaatadaptieve) tuin waarin groen kan worden gerealiseerd, met zo min mogelijk verharding zodat hemelwater hier kan infiltreren. ▪ Op de locaties nr. 67a en 78 worden warmtekrachtkoppelingen en batterijen geplaatst.

5.15 Gezondheid Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds gemotiveerd. 5.15.1 Endotoxinen Het RIVM doet onderzoeken naar de effecten van veehouderijen op de gezondheid van omwonenden, veehouders, de gezinnen van veehouders en mensen die op de veehouderij werken. Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ziek van kunnen worden zoals Q-koorts of Salmonella. Daarnaast kunnen fijnstof en endotoxinen (celwandbestanddelen van bepaalde bacteriën) gezondheidsproblemen veroorzaken.

Ook kan het voorkomen dat mensen hinder ondervinden van de stank die afkomstig is van de mest uit de veehouderijen. 60

In 2016 zijn de resultaten gepubliceerd van het onderzoek Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). In dit onderzoek is gekeken naar de gezondheidseffecten bij omwonenden van ziekteverwekkers en luchtverontreiniging afkomstig van veehouderijen. In 2017 is er een tweede rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden – aanvullende studies’ gepubliceerd. Daarin zijn nieuwe analyses gedaan om de eerdere resultaten nog eens extra bevestigd te krijgen. Uit onderzoeken is aangetoond dat omwonenden rondom veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. Endotoxine is voor luchtwegklachten een relevante component in de (fijn)stof emissie afkomstig van veehouderijen. Aan de hand van het ‘Endotoxinen toetsingskader 1.0’ kan een afstandscontour worden berekend rondom veehouderijen, waarbinnen sprake is van een overschrijding van de norm van de Gezondheidsraad (30 EU/m3) en dus sprake kan zijn van verhoogde gezondheidsrisico’s. In de Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 van 30 april 2018 is een stappenplan opgenomen om te beoordelen of er knelpunten worden gevonden voor een bestemmingsplan en of nadere advisering vanuit de GGD wenselijk is. Dit stappenplan is voor het te realiseren plan doorlopen. 1.

Edotoxine (varkens- / pluimveehouderijen) Op basis van het ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ kan worden beoordeeld of sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Het is van belang dat ter plaatse van de ontwikkeling sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden. ▪ De dichtstbijzijnde varkenshouderij die te berekenen is, is gelegen aan de Deurneseweg 138. De fijnstofemissie voor dit bedrijf bedraagt PM10: 7,2 kg/jaar. Derhalve dient een afstand te worden aangehouden van 105 meter, de huidige afstand (hemelsbreed) is 730 meter. ▪ In de omgeving van het plangebied liggen enkele pluimveehouderijen (leghennen). In onderstaande tabel is gekeken naar de endotoxine richtafstand van deze pluimveehouderijen. Adres Fijn stof emissie Benodigde afstand Feitelijke afstand Ysselsteynseweg 80 9756 kg 255 meter 190 meter Ysselsteynseweg 59 2293 kg 162 meter 315 meter Ysselsteynseweg 70 1587 kg 144 meter 475 meter Ysselsteynseweg 66 120 kg 64 meter 670 meter Ysselsteynseweg 49 1840 kg 151 meter 765 meter Rouwkuilenweg 14 2597 kg 168 meter 770 meter Enkel aan de endotoxine richtafstand van de pluimveehouderij een de Ysselsteynseweg 80 wordt niet voldaan.

De afstand tot de om te zetten woning Ysselsteynseweg 67 is 190 meter, echter is hier reeds sprake van een woning. Er is en blijft sprake van één woning die door een huishouden kan worden bewoond. Hierdoor is er géén toename van het aantal mensen dat blootgesteld wordt aan de risico’s, omdat het aantal huishoudens niet toeneemt. De afstand tot de nieuw te realiseren woningen (Ringweg I, dichtbijgelegen) bedraagt 240 meter. Hier wordt wel voldaan aan de afstand van 225 meter. Derhalve wordt voldaan aan de gestelde afstanden. 2. Emissies Uit het VGO onderzoek komt naar voren dat diverse gezondheidseffecten gerelateerd lijken te zijn aan de blootstelling van omwonenden aan de emissie van fijnstof, micro-organismen en ammoniak (via de bijdrage aan secundair fijnstof) afkomstig van veehouderijen. Gekeken dient te worden of sprake is van een toename van deze emissies. Onderhavig plan voorziet in het saneren van vier intensieve veehouderij locatie en het hiervoor in de plaats onder andere omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning, alsook het realiseren van nieuwe woningen. Het initiatief leidt niet tot een toename van emissies van geur en/of fijnstof en/of ammoniak, maar juist tot een aanzienlijke afname van dergelijke emissies.

61

3.

Wijze waarop met overbelasting geur wordt omgegaan 3a. Wettelijke uitgangspunten Op grond van de Wet geurhinder veehouderij kan bij een ontwikkeling sprake zijn en blijven van een overbelaste geursituatie. Het uitgangspunt hierbij is dat er geen sprake is of blijft van een overbelaste situatie voor geur (voorgrond of achtergrond). De ontwikkeling vindt plaats in een gebied met een overbelaste geursituatie. Met het initiatief is daarnaast geen sprake van een toename van geuremissie, maar juist een aanzienlijke afname. Door het saneren de veehouderij locaties komt de overbelaste situatie afkomstige van de onderhavige veehouderij locaties te vervallen. 3b. Gezondheidskundige uitgangspunten Naast een toets op de wettelijke aspecten kan ook gekozen worden voor een gezondheidskundige beoordeling ten aanzien van het aspect geur. Toetsing vindt dan plaats aan de door de GGD gehanteerde gezondheidskundige advieswaarde. De GGD hanteert het standpunt dat het onderzoek van Geelen et al. (2015). De op grond van het onderzoek van Geelen hierbij behorende geurbelasting is weliswaar niet juridisch houdbaar aangezien dit niet is opgekomen binnen het gemeentelijk beleid. Op basis van de voorgrond- en achtergrondbelasting zoals aangegeven in paragraaf 5.6, is er voor de gezondheidskundige advieswaarde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dient er geen GGD-advies te worden aangevraagd. 4.

De aanwezige diersoort(en) binnen een veehouderij De soort landbouwhuisdieren dat wordt gehouden en ook de combinatie van te houden dieren kan van invloed zijn op het eventuele risico voor de volksgezondheid. Dit heeft te maken met een mogelijk verhoogde infectiedruk en het risico van vermenging bacteriën of virussen. Indien er sprake is van het gecombineerd houden van varkens en pluimvee, of rundvee en kleine herkauwers (schapen/geiten) of kleine herkauwers onderling dan is advisering vanuit de GGD wenselijk in hoeverre dit voor wat betreft volksgezondheid verantwoord is. Er zijn geen veehouderijen in de buurt waar bovenstaande combinaties worden gehouden. Daarnaast zijn er geen varkensen/ of pluimveebedrijven in de buurt waarvan de afstand tussen de inrichtingsgrenzen minder dan 100 meter bedraagt. 5.

Veehouderijen 5a. Geitenbedrijven Uit recente bevindingen van het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er in een straal van 2 kilometer rondom geitenhouderijen een verhoogde incidentie op longontstekingen wordt gevonden. Hierom bedraagt de minimale afstand tussen geitenhouderijen en gevoelige bestemmingen 2 kilometer. Binnen 2 kilometer van het plangebied zijn geen geitenhouderijen gelegen. Binnen het plangebied is dan ook geen sprake van een verhoogde incidentie op longontstekingen; ter plaatse kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd ten aanzien van geitenhouderijen in de omgeving. 5b. Pluimveebedrijven Uit het VGO-2 rapport (2017) blijkt dat er binnen een straal van 1 kilometer rondom één pluimveehouderij omwonenden een verhoogd risico op longontsteking hebben. Ten aanzien van de beoordeling op basis van de ‘Endotoxine toetsingskader 1.0’ (zie stap 1) kan worden gesteld dat het een deel van het plangebied is gelegen binnen de richtafstanden die aangehouden moeten worden rondom pluimveehouderijen in de omgeving. In stap 1 is beschreven dat de afstand voldoende is. 5c. Overige veehouderijen Indien een overige veehouderij op kortere afstand ligt dan 250 meter van een bebouwde kom is het advies om een aanvullend risicobeoordeling uit te voeren. Binnen 250 meter van het plangebied zijn geen kalkoenenhouderij en vleesveehouderij aanwezig.

Echter deze veehouderijen vormen geen belemmeringen tegen de voorgenomen ontwikkeling. 6. De aanwezigheid van mestbe- of verwerking Bij een veehouderij kan mestbewerking als nevenactiviteit bij het houden van de dieren aan de orde zijn. Maar het kan ook een op zichzelf staande activiteit betreffen, waar mest van meerdere veehouderijen wordt bewerkt. Er is in de nabijheid van het plangebied geen mestbewerkings- of mestverwerkingsbedrijf aanwezig.

62

7. Ongerustheid bij omwonenden Indien er rond een veehouderij veel ongerustheid bestaat over het aspect volksgezondheid (gerelateerd aan de betreffende veehouderij of meerdere veehouderijen in de omgeving), dan is een advies vanuit de GGD wenselijk. Er is in de omgeving geen ongerustheid over de volksgezondheid bij omwonenden. Uit het stappenplan blijkt dat sprake is van een gezond woon- en leefklimaat en dat advies van de GGD niet nodig wordt geacht. 5.15.2 Geitenhouderij Uit het rapport Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO) komt naar voren dat omwonenden van intensieve veehouderijen gezondheidsrisico’s lopen. Zo lopen omwonenden van voornamelijk pluimveehouderijen en geitenhouderijen meer risico op het krijgen van longontstekingen. Naar aanleiding van het rapport VGO adviseert de GGD aan gemeenten geen nieuwe gevoelige objecten planologisch mogelijk te maken binnen een afstand van 2 kilometer tot een geitenhouderij. Uit het VGO-2 onderzoek is gebleken dat binnen een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogd aantal gevallen longontsteking voordoet. Binnen een afstand van 2 km van het plangebied is geen sprake van de aanwezigheid van geitenhouderijen. Er is derhalve geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico.

5.15.3 Spuitzones Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige functie in de nabijheid van functies, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluitend, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Voor wat betreft het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen zijn geen wettelijke voorschriften over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt, en nabijgelegen gevoelige objecten. Het ontbreken van dergelijke voorschriften laat echter onverlet dat in het kader van eftal (een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen dient plaats te vinden, waarbij de aan te houden afstand tussen akkerbouwgronden en gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar leefklimaat kan worden gegarandeerd. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is (uitspraak van 27 mei 2015 in zaak nr. 201410309/1/R6).

Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor het merendeel van de dag (langdurig), mensen verblijven en samenkomen. In het kader van onderhavige ontwikkeling worden derhalve enkel de woningen (inclusief tuin) aangemerkt als gevoelige objecten. De overige functies betreffen allen functies welke niet als gevoelig zijn aan te merken. Een museum wordt niet aangemerkt als een gevoelige functie omdat het verblijf van personen incidenteel en kortdurend is, en niet het merendeel van de dag beslaat. Bezoekersstromen zijn bovendien verspreid en vormen geen langdurig en/of regelmatig verblijf. Opslagloodsen kwalificeren evenmin als gevoelige functies omdat er geen continu of langdurig verblijf van personen plaatsvindt en bijeenkomsten van mensen hier uitblijven. Beoordeling Rondom het plangebied bevinden zich geen (fruitboom)gaarden. Wel bevinden zich rondom het plangebied diverse landbouwpercelen. Zoals gezegd wordt op deze landbouwpercelen geen (fruit)boomgaard geëxploiteerd. Het is ook niet waarschijnlijk dat in de directe omgeving (fruit)boomgaarden worden opgericht. De omliggende landbouwpercelen hebben allen eenzelfde functie, te weten ‘Agrarisch’ en worden gebruikt voor het telen van gewassen ofwel als tuin bij een woning. Bij de teelt van gewassen kunnen ook gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Er dient uitgegaan te worden van het maximaal planologisch gebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16859809/1