CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.1 Motivering

Gemeenteraad 26 mei 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22g Ysselsteynseweg-Ringweg26.921 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Samen met hun partners wil de provincie een voortreffelijk woon- en leefomgeving realiseren; een leefomgeving waar mensen zich prettig voelen. Het is belangrijk dat mensen kunnen wonen in een zelfgekozen woning en woonomgeving (die past bij hun mogelijkheden en levensfase) waar ze zich thuis voelen. Dit doet de provincie door toe te werken naar een toekomstbestendige Limburgse woningmarkt met voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, die waar mogelijk op het juiste moment beschikbaar én betaalbaar zijn.

De provincie faciliteert daarbij flexibiliteit op de woningmarkt en stimuleert flexibele woonvormen waardoor aan de veranderde woonwensen en -behoeften van een diverse groep mensen tegemoetgekomen kan worden. Conclusie Met het beëindigen van de intensieve veehouderij locaties wordt bijgedragen aan het verminderen van milieudruk (zoals geur, stikstof en fijnstof) en het verbeteren van de leefomgevingskwaliteit in en rond de dorpskern van Ysselsteyn. Dit draagt bij aan een duurzamer en gezonder woon- en leefklimaat, conform de doelstellingen van de POVI. De herontwikkeling naar o.a. museum en opslag betreffen kleinschalige, lokale, economie functies die passen binnen het streven naar meer gemengde, toekomstbestendige werklocaties, zoals genoemd in de provinciale visie. Daarbij draagt het museum ook bij aan cultuurbehoud en toeristisch-recreatieve versterking van het gebied. Daarnaast wordt voorzien in een kwalitatieve toevoeging van woningen nabij de dorpskern. Dit sluit aan bij zorgvuldig ruimtegebruik en herstructurering, om zo bij te dragen aan een vitale gemeenschap. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen het POVI. 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte.

Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor eenieder gelden of voor specifieke doelgroepen. De volgende regels uit de Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Bufferzone grondwaterafhankelijke natuur; ▪ Wonen, werken en recreëren. Bufferzones grondwaterafhankelijke natuur Conform beleid is bepaald dat in deze het verboden is zonder vergunning grondwater te onttrekken. Het onttrekken van grondwater is niet aan de orde in het kader van onderhavige ontwikkeling.

26

Wonen, werken en recreëren In de Omgevingsverordening Limburg is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Conclusie De herontwikkeling draagt bij aan het terugdringen van de milieubelasting, versterkt de leefomgeving en levert een aantoonbare bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied alsook de kern.

De woningbouw sluit aan bij de bestaande kern en draagt bij aan de vitaliteit van de gemeenschap. Daarnaast past de realisatie van kleinschalige werklocaties en maatschappelijke voorzieningen binnen de ruimte die de verordening biedt voor functieverandering van vrijkomende agrarische bebouwing, mits ruimtelijk zorgvuldig ingepast. Onderhavig initiatief is hierboven getoetst aan het rijksbeleid en het provinciaal beleid en wordt hieronder getoetst aan het regionale en gemeentelijk beleid (zie paragrafen 4.3.1 en 4.4.3 voor een nadere motivering) en is hierin passende bevonden. Gelet op bovenstaande blijkt dan ook dat de voorgenomen ontwikkeling passend is.

4.3

Regionaal beleid

4.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De gemeente Venray heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld. Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Venray gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Venray de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten.

Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; 27

▪ ▪

De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen.

Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Conclusie Middels onderhavig planvoornemen worden twee bestaande bedrijfswoningen omgezet tot burgerwoningen. Daarnaast worden drie nieuwe woningen voorzien. De nieuwe woningen zijn beoogd in het bestaande lint van de Ringweg, alwaar deze voorzien een passende toevoeging c.q. afronding van dit lint. Gezien de aard van het initiatief en de vraag naar woningen binnen de dorpen sluiten de nieuwe woningen aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie.

4.4

Gemeentelijk beleid

4.4.1 Toekomstvisie Venray 2030 ‘Venray loopt voorop’ In 2009 heeft de gemeente Venray een strategische visie vastgesteld met als tijdzone 2020. In 2013 is de Strategische visie ‘Venray, stad in de Peel (2025)’ als een aanvulling op en herijking van de strategische visie 2020, ‘Venray Dorp en Stad’ opgesteld met een doorkijk naar 2025. De nieuwe toekomstvisie Venray 2030, ‘Venray loopt voorop’ is tot stand gekomen in 2019 en geeft een doorkijk naar 2030. De toekomstvisie gaat in op: ▪ De grote ontwikkelingen die op Venray afkomen en aangeven wat dit betekent voor de opgaven op lokaal en regionaal niveau en voor de vraagstukken of agendapunten voor het lokaal bestuur (kompas); ▪ Verbinding en energie opleveren door samen met de Venrayse gemeenschap – inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners – te komen tot een gezamenlijk toekomstbeeld van Venray; ▪ Slim verbinding leggen met andere participatietrajecten, zodat hier op voortgebouwd kan worden onder meer bij de totstandkoming van de omgevingsvisie. Ten aanzien van het thema wonen zijn wat betreft het voorliggend project geen nieuwe of afwijkende uitgangspunten geformuleerd. Het belang van een goede kwaliteit van woonomgeving en woningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid en kwalitatief goede voorzieningen, wordt andermaal benadrukt.

Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. De thema’s die centraal staan zijn: 1. Venray is dorp en stad; 2. Venray is kennisintensief; 3. Venray zorgt voor elkaar; 4. Venray is levendig; 5. Venray voorziet in alle woonwensen.

28

Economie De gemeente streeft naar een innovatieve en duurzame economische regio, waarin ondernemerschap hand in hand gaat met maatschappelijke verantwoordelijkheid. Sectoren zoals agrofood, zorg, maakindustrie en logistiek zijn belangrijke pijlers van de lokale economie en genereren werkgelegenheid voor uiteenlopende opleidingsniveaus. Er wordt sterk ingezet op verduurzaming, technologische vernieuwing en samenwerking met kennisinstellingen, waardoor Venray zich ontwikkelt als proeftuin voor innovatieve projecten. Scholing, integratie van arbeidsmigranten, en het stimuleren van levenslang leren zorgen ervoor dat ook mensen met afstand tot de arbeidsmarkt kunnen meedoen. Hiermee blijft Venray economisch veerkrachtig en sociaal inclusief. Er wordt gestreefd naar actief tegen gaan van leegstand creatieve (startende) ondernemers en initiatieven een kans te geven. Dit duidt op hergebruik van bestaande panden en ruimte voor kleinschalige bedrijvigheid. Recreatie en toerisme Venray wil voorzien in een aantrekkelijk recreatief landschap waarin natuur, landbouw en beleving naadloos samenkomen. Zowel inwoners als bezoekers kunnen er volop genieten van wandel- en fietsroutes door het groen, waarbij de agrarische sector een actieve bijdrage levert aan het recreatief aanbod, bijvoorbeeld met excursies bij de boer of terrassen op het platteland.

In zowel de bebouwde omgeving als het buitengebied is veel ruimte voor ontspanning. Daarnaast bruist het centrum van Venray met een gevarieerd aanbod aan evenementen, cultuur, horeca en voorzieningen, die bijdragen aan toerisme als sociale samenhang. Wonen De gemeente wil voorzien in alle woonwensen en biedt daarbij de ruimte voor een gevarieerde en boeiende maatschappelijke omgeving. Door een grote zorg voor het in stand houden en verbeteren van de bestaande woonwijken (soms in de vorm van herstructurering) beoogt de gemeente unieke woonmilieus creëren, waarin de bestaande sociale structuren en voorzieningen op een positieve wijze worden beïnvloed. Conclusie Middels onderhavig initiatief worden diverse ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De gemeente zet in op een vitale en toekomstbestendige leefomgeving, waarbij ruimtelijke kwaliteit, gezondheid, duurzaamheid en leefbaarheid centraal staan. De sanering van de intensieve veehouderijlocaties draagt bij aan een verbetering van de omgevingskwaliteit. De herinvulling met functies als opslag (bedrijfsmatig), een museum (maatschappelijk/cultureel) en nieuwe woningen (woonfunctie) vormt een goede balans tussen economische ontwikkeling en sociale cohesie.

Daarnaast sluit de ontwikkeling aan bij de ambities voor het landelijk gebied, zoals het stimuleren van functieverandering, het versterken van de leefbaarheid van dorpen en het hergebruiken van bestaande bebouwing. Door het toevoegen van een culturele voorziening en nieuwe woningen wordt bijgedragen aan de leefbaarheid van de kern. 4.4.2 Omgevingsvisie Venray / Ruimtelijke KwaliteitsKader De gemeente Venray heeft, in het kader van de Omgevingswet en door gewijzigde inzichten, op 2 november 2021 een nieuwe omgevingsvisie voor het grondgebied van de gemeente opgesteld. Daarin heeft de gemeente de nieuwe beleidsuitgangspunten voor ontwikkelingen in de gemeente opgenomen. De nieuwe omgevingsvisie biedt de basis van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en dient als ruimtelijk toetsingskader. In de omgevingsvisie wil de gemeente laten zien voor welke uitdagingen de gemeente staat en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: de Toekomstvisie 2030 "Venray loopt voorop". De omgevingsvisie is samen met de input van inwoners, ondernemers en verenigingen tot stand gebracht. De gemeente wil de belangrijke waarden van Venray beschermen en versterken.

Daarbij wordt aan de hand van ambities rekening gehouden met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om

29

het woningtekort op te lossen. Belangrijk vraagstuk daarbij is hoe de gemeente er over 10 jaar uit zal zien. De ambities spelen een rol in ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden. Agrarisch gebied Het plangebied is gelegen binnen de zogenaamde ‘agrarisch gebied’. Het agrarische gebied is volop in ontwikkeling. Er spelen diverse onderwerpen in het agrarische gebied zoals grootschalige agrarische bedrijvigheid, leegstand en ruimteclaims vanuit de energietransitie en klimaatverandering ook spelen maatschappelijke discussies over voedselproductie, grondgebruik en biodiversiteit. Er wordt ingezet op het toekomstbestendig maken van het agrarische landschap. Veiligheid en gezondheid zijn belangrijke pijlers hierin. Een gezonder woonklimaat realiseren we door het wonen beter te scheiden van veehouderijen. Voor een agrarisch gebied in evenwicht, waar toekomstige generaties in schone lucht. In het agrarisch gebied verwachten we ook veel bedrijven die stoppen omdat ze bijvoorbeeld geen opvolger hebben. Dit zorgt voor lege gebouwen (vrijkomende agrarische bebouwing, VAB’s), waar een andere invulling voor nodig is, of sloop. Ondermijning is hierbij een belangrijk aandachtspunt. De gemeente streeft naar een aantrekkelijk werkklimaat voor ondernemers om zich te vestigen en te (blijven) ontwikkelen in Venray.

Dit wordt gedaan door het bieden van gevarieerde werkgelegenheid en de beschikbaarheid, bereikbaarheid, verduurzaming en aantrekkelijkheid van werklocaties. Voor het behoud van economische activiteiten in het agrarisch gebied wordt ingezet op hergebruik door kleinschalige niet-agrarische bedrijvigheid. Op locaties waar hergebruik niet wenselijk is, wordt ingezet op sloop. Daarnaast is het belangrijk dat de bedrijven passen binnen de kwaliteiten van het landschap. Voor de agrarische sector wil de gemeente toewerken richting een kringlooplandbouw. Over het landelijk gebied staat in het Ruimtelijk KwaliteitsKader (RKK) het volgende vermeld: het landelijk gebied is in transitie. De energietransitie en klimaatverandering vragen om ruimte. Maatschappelijk spelen er discussies over voedselproductie, grondgebruik en biodiversiteit. De transitie van de landbouw heeft ook ruimtelijk een impact. De Ysselsteynseweg is hierbij aangemerkt als perspectief gemengd. Deze gebieden lenen zich voor een gemengd karakter, waarbij onder andere gedacht kan worden aan wonen, recreatie en kleinschalige bedrijvigheid. De agrarische sector is al jarenlang in beweging. De toenemende aandacht voor duurzaamheid, gezondheid, klimaatverandering, natuur en biodiversiteit zal leiden tot verdergaande wijzigingen van de sector.

Hoewel dit proces al in gang is gezet, staat niet vast hoe de ontwikkelingen in de sector gaan verlopen. De verwachting is dat in toekomst naast grootschalige en kleinschalige landbouw ook technologische en biologische landbouwbedrijven zullen voorkomen. Ook het agrarisch grondgebruik zal door bovenstaande opgaven veranderen, waarbij naast extensieve ook intensieve vormen (met teeltondersteunende voorzieningen) blijven bestaan. Het aantal agrarische bedrijven zal afnemen waardoor er leegstand binnen het agrarisch vastgoed ontstaat. Dit brengt ontwikkelingen zoals hergebruik of sloop van voormalige agrarische bedrijfsgebouwen met zich mee. Met als doel het behoud van economische bedrijvigheid en voorkomen van verrommeling en ondermijning. Voor enkele gebieden is een toekomstperspectief geschetst, waaronder de Ysselsteynseweg. Dit lint leent zich voor een gemengd karakter, waarbij onder andere gedacht kan worden aan wonen, recreatie en kleinschalige bedrijvigheid. De beoogde ontwikkeling sluit aan bij deze doelstelling. Het landelijk gebied wordt in het RKK onderverdeeld in deelgebieden op basis van landschapstypen. Het plangebied is gelegen in het deelgebied ‘jonge ontginningsgebieden’. Dit landschap is het meest recent ontgonnen.

Doordat landbouwtechnieken op het moment van ontginnen moderner waren dan ten tijde van het ontstaan van de bouwlanden, is dit grootschalig agrarisch cultuurlandschap ontstaan. Er zijn enkele zeer waardevolle open gebieden waar ook geen/ weinig bebouwing aanwezig is. Structurerend in het landschap zijn de wegen die begeleid worden door bomenlanen.

30

In dit landschapstype is het behouden van het open en wijds karakter van belang, waarbij de rechtlijnige en geordende verkaveling in stand worden gehouden. Waardevolle cultuurhistorische structuren, zoals ontginningsassen en zandpaden dienen waar mogelijk beschermd en versterkt te worden. Laanbeplanting langs wegen en bosmantel- en zoomvegetatie langs akkers draagt bij aan de landschappelijke structuur. Tegelijkertijd dient ingezet te worden ingezet op natuurontwikkeling via akkerranden, bloemrijk grasland, bermen en poelen. Tot slot moet ingezet worden op verfraaiing van het landschap door sloop van vervallen bebouwing en het verminderen van verharding. Conclusie Onderhavige ontwikkeling voorziet in een dergelijke stoppende veehouderij, de locaties worden gesaneerd en voorzien van een passende herontwikkeling. Een van deze passende nieuwe functies betreft het realiseren van kleinschalige bedrijvigheid in de vorm van bedrijfsverzamelgebouw en opslaglocaties voor derden. Daarnaast worden ook 3 nieuwe woningen gerealiseerd, deze woningen vormen een toevoeging aan het reeds bestaande lint. Hiermee wordt voorzien in het realiseren van passende woningen waar thans veel vraag naar is. Het initiatief sluit aan bij de omgevingsvisie. In het Ruimtelijke KwaliteitsKader (RKK) tevens aangeduid als gebied waarin het toekomstperspectief gemengd betreft.

Het initiatief voorziet in een passende, kwalitatieve toevoeging hieraan. Middels onderhavige ontwikkeling worden zowel woningen, bedrijven alsook een museum toegevoegd. Het realiseren van de nieuwe woningen voorziet tevens in het realiseren van nieuwe woonmogelijkheden. Ten slotte draagt het initiatief bij aan een duurzaam Venray. De uitgangspunten en opgaves van het RKK zijn tevens opgenomen in het landschapsplan en waar mogelijk toegepast. De locaties worden ingepast in het landschap en voldoen daarmee aan de omgevingsvisie en het RKK. 4.4.3 Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 Op 15 februari 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Venray het Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 vastgesteld. In het Omgevingsprogramma Wonen staat hoe Venray zich wil blijven ontwikkelen als een fijne gemeente om te wonen. Op hoofdlijnen wordt richting gegeven aan de verschillende belangrijke vraagstukken rondom het wonen. Venray staat voor grote opgaven op het gebied van het wonen. De druk op de woningmarkt is groot, wachttijden voor sociale huurwoningen lopen op. En door prijsstijgingen in de koopsector is een koopwoning voor mensen met een lager en middeninkomen steeds minder bereikbaar. Volgens recente prognoses zal de bevolking en het aantal huishoudens in Venray in de komende jaren blijven toenemen. De veronderstelde krimp van de bevolking verschuift naar later.

Daarnaast verandert de samenstelling van de bevolking: ook in de gemeente Venray is sprake van vergrijzing. Maar de opgave is diverser. De gemeente Venray zit midden in een ingrijpende transitie op het gebied van verduurzaming, energie en warmte, met de nodige consequenties voor het bouwen en verbouwen van woningen. En veranderingen in het zorglandschap zorgen eveneens voor een opgave voor andere woonvormen voor mensen die zorg en begeleiding nodig hebben, zoveel mogelijk in de eigen thuissituatie. Vitaliteit en leefbaarheid van de wijken en kernen staat soms onder druk en vraagt dan ook aandacht. De opgave waar de gemeente voor staat, is dan ook bijzonder complex en veelzijdig. Deze worden samengevat aan de hand van vijf inhoudelijke thema’s, die in het omgevingsprogramma verder zijn uitgewerkt in zo concreet mogelijke aanpak, acties en maatregelen: 1. Snel voldoende woningen bouwen 2. Gevarieerd aanbod 3. Duurzame woningvoorraad 4. Wonen en zorg 5. Vitale wijken en kernen De gemeente zet in op differentiatie van de nieuwbouw. Hierbij ligt een sterke focus op betaalbare woningen in koop en huur. De primaire voorkeur voor een grondgebonden woning is in alle kernen binnen de gemeente dominant aanwezig.

31

Conclusie Het initiatief voldoet aan deze inhoudelijke thema’s. Het initiatief voorziet in de realisatie van 3 woningen, er is een dringend tekort aan woningen. Gezien het feit dat er slechts 3 woningen worden gerealiseerd hoeven deze niet conform de verdeelsleutel uit de gemeentelijke doelgroepenverordening verdeelt te worden. 4.4.4 Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011 In de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Woningbouw dient in principe plaats te vinden binnen de contouren van de dorpen en de grens stedelijke dynamiek. Daarnaast kan het in bepaalde gevallen toch wenselijk zijn om ook in het buitengebied op beperkte schaal incidentele woningbouw toe te staan. In dit geval is het plangebied gelegen in de bebouwde kom van Venray, derhalve binnen de contour. Voor alle woningbouwontwikkelingen geldt dat alleen kan worden gebouwd bij aantoonbare vraag.

Daarnaast is levensloopbestendig en flexibel bouwen het uitgangspunt voor elk nieuw woningbouwplan. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3.2 en 4.3.3 is binnen de gemeente Venray vraag naar seniorenwoningen. Het toevoegen van één levensloopbestendige woning die geschikt is voor bewoning door ouderen voldoet derhalve aan de vraag. Voor het bepalen van de hoogte van de bijdrage in het stedelijk gebied wordt aangesloten bij de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling zoals vastgelegd in de nota grondbeleid 2011. De tegenprestatie vindt zo veel mogelijk ter plaatse en/of in de nabijheid van de ingreep plaats. Indien dit niet mogelijk is, komt de bijdrage ten goede van het kwaliteitsfonds stedelijk gebied. Conclusie Het beëindigen van de varkenshouderijen en het slopen van de bijbehorende stallen en bedrijfsgebouwen nabij de kern van Ysselsteyn levert een aanzienlijke maatschappelijke en milieukundige meerwaarde op, met name door directe vermindering van geurhinder en verbetering van de leefomgeving. Omdat enkele gebouwen en bouwwerken geen vergoeding vanuit de LBV+ regeling ontvangen, kiest de gemeente in dit specifieke geval voor maatwerk door een deel van de kosten te compenseren via woningbouwtitels. Dit maakt het financieel haalbaar voor de initiatiefnemer om de gewenste ruimtelijke en maatschappelijke verbetering door te voeren.

De afwijking van het Ruimte-voor-Ruimtebeleid is zorgvuldig afgewogen en geldt alleen voor deze unieke situatie. De maatschappelijke baten zijn locatie-specifiek, waardoor dit geen precedent schept voor andere initiatieven of locaties. Door deze maatwerkafweging wordt het gebied beter ontsloten voor toekomstige woningbouw, ontstaat ruimtelijke en milieukundige meerwaarde, en worden de gemeentelijke doelen op het gebied van leefbaarheid, geurhinder en duurzaamheid gerealiseerd, zonder dat structureel wordt afgeweken van het bredere beleid. Ondanks dat hierbij woningen in het buitengebied zijn gebouwd, is er geen sprake van inkomsten voor het fonds buitengebied omdat hier de kwalitatieve tegenprestatie wordt geleverd door middel van het beëindigen van een veehouderijbedrijf in de kernrandzone en de sloop van de stallen. 4.4.5 Energiestrategie 2030 Gemeente Venray In het Kader voor Opwekking Duurzame Energie (KODE) van de gemeente Venray is de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2-neutraal te zijn met compensatie. Deze ambitie vormt de basis voor het KODE welke de gemeente d.d. 29 oktober 2019 heeft vastgesteld en in 2021 is geëvalueerd. Het kader richt zich op het lokaal hernieuwbaar opwekken van elektriciteit. De gemeente wil daarmee meer balans aanbrengen in de ruimtelijke en maatschappelijke afwegingen die samenhangen met zonneweides.

Het ruimtelijke aspect blijft belangrijk, evenals de kwaliteitscriteria die zorgdragen voor

32

een goede landschappelijke inpassing en beoogde kwaliteitsverbetering. Het maatschappelijk effect is even zo belangrijk, waarbij gedacht wordt aan het voeren van een omgevingsdialoog en het verdelen van lasten en lusten. Met de vaststelling van de Energiestrategie 2030 Gemeente Venray op 12 december 2023 is het KODE opgenomen in de energiestrategie. KODE onderscheidt vijf pijlers die vertaald zijn naar vijf doelen waaraan initiatieven worden getoetst: ▪ Ruimte: zuinig en zorgvuldig gebruik van de ruimte Onderscheid maken tussen gebieden waar zonneprojecten toegestaan of uitgesloten worden. ▪ Integraal: koppeling met andere opgaves Waar mogelijk uitgaan van dubbel ruimtegebruik, waar dit niet kan wordt gekeken of gebiedsontwikkeling door inzet van energieopwekking een impuls kan worden gegeven (denk aan agrarische ontwikkeling of natuurontwikkeling op den duur). ▪ Omgeving: samenwerken aan een acceptabel plan Een robuuste omgevingsdialoog gedurende de planperiode en daarna. ▪ Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie Werken aan projecten die de kwaliteit van de omgeving verbeteren. ▪ Eigenaarschap: eerlijk verdelen van lusten en lasten Borgen dat de economische voordelen in aanleg en exploitatie voor een deel in de regio en gemeente blijven.

De pijlers zijn hierna nader uitgewerkt: Pijler 1 Ruimte, inzetten op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik De Limburgse Zonneladder wordt gevolgd en is als volgt: 1. Op daken en gevels van gebouwen 2. Onbenutte terreinen in bebouwd gebied 3. Gronden in het buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur 4. Gronden in gebruik voor landbouw en gronden gelegen binnen de groenblauwe mantel 5. Uitsluitingsgebieden Essentie van deze lijn is om bij de duurzame opwek van zonne-energie landbouwgronden en natuurgebieden zoveel mogelijk te ontzien. De gemeente richt haar beleid primair op zon op dak en op gevels én het benutten van andere mogelijkheden in bebouwd en onbebouwd gebied. Zonneparken worden uitgesloten in natuurgebieden, beekdalen, essen en nabij dorpen en wijken. Zonneparken groter dan 5 ha dienen minimaal 500 meter van de rand van een dorp of wijk te liggen, tenzij omwonenden akkoord gaan als de zonneweide dichterbij ligt. De zonneweide in dit geval is niet groter dan 5 ha (maximaal 3.000 m2) en kan daarom toch in de nabijheid van een dorp, in dit geval Ysselsteyn, worden gerealiseerd. De zonneweide ligt verder niet in een natuurgebied, beekdal of es, maar komt op de plek waar nu de intensieve veehouderij is gelegen van de locatie Ysselsteynseweg 78.

Venray heeft de Limburgse zonneladder vertaald in een Venrayse zonneladder met ‘meersporenbeleid’, waarbij de gemeente gelijktijdig inzet op zonne-energie op daken, reststroken, bouwvlakken en cultuurgronden. Voor zonneparken heeft de gemeente gekozen om twee gebieden te onderscheiden: oude en jonge ontginningen. Aanleiding is de ruimtelijke opbouw en schaal. Elk gebied kent zijn eigen kwaliteit en daaraan koppelen we schaalgroottes, totaal omvang en inpassingcriteria. De vijf sporen van de Venrayse zonneladder zijn: ▪ Spoor 1: Daken van panden ▪ Spoor 2: Stroken langs snel- en spoorwegen, plassen, oude stortplaatsen e.d. 33

▪ ▪ ▪

Spoor 3: Bouwvlakgerelateerde zonneparken, waaronder begrepen voormalige bouwvlakken Spoor 4: Oude ontginningen Spoor 5: Jonge ontginningen

De zonnepanelen liggen nu nog op de daken van de intensieve veehouderij en worden na sloop van de stallen op het maaiveld geplaatst. Totale omvang van de zonnepanelen op de daken bedraagt thans 3.000 m2. Deze oppervlakte blijft gehandhaafd in de nieuwe situatie. De zonnepanelen worden geplaatst op gronden die thans nog zijn aangemerkt als bouwvlak en vallen zodoende onder spoor 3. Randvoorwaarden onder spoor 3 zijn: ▪ Het beleggen van in totaal maximaal 40 ha op (voormalige) bouwvlakken die verspreid over de gemeente zijn gelegen. ▪ Voor agrarische bedrijven die volledig stoppen en waar het agrarisch bouwvlak is wegbestemd, gelden de volgende aanvullende voorwaarden: de oppervlakte van een zonnepark inclusief landschappelijke inpassing en alle bijbehorende voorzieningen is niet groter dan de grootte van het bouwvlak zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 of het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 herziening locaties met een maximum van 6 ha. ▪ Voor (bestaande) agrarische bedrijven die alleen stoppen met hun intensieve veehouderij en waar op de locatie een agrarisch bouwvlak blijft gelden de volgende aanvullende voorwaarden: zonnepanelen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd, mits eerst de daken voor zonnepanelen maximaal benut worden voor zover de constructie dit toelaat. Buiten het bouwvlak zijn geen mogelijkheden.

▪ Voor stoppende of gestopte bedrijven: panelen mogen binnen het totale voormalige bouwvlak met een maximum (bruto)maat van 6 ha onder de voorwaarde dat de sloop van de leegstaande bebouwing is gerealiseerd. ▪ Er wordt voldaan aan de pijlers ‘Locatie’ en ‘Omgeving’. Aan de pijlers ‘Integraal’ en ‘Eigenaarschap’ hoeft niet te worden voldaan omdat het om ontwikkelingen binnen de perceelsgrenzen gaat. Aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. De zonnepanelen worden geplaatst binnen de begrenzing van het voormalige bouwvlak na sanering van het bedrijf en de maximum oppervlakte van 40 ha wordt niet overschreden. Pijler 2 Integraal, koppeling met andere opgaves Hier hoeft niet aan te worden voldaan omdat het om een zonneweide gaat binnen de eigen perceelsgrenzen. Pijler 3 Omgeving: samenwerken aan een acceptabel plan De initiatiefnemer verplicht zich tot het doen van aanzienlijke inspanningen om het maximale resultaat te bereiken in het betrekken van de directe omgeving in de fase van planvorming. De initiatiefnemer volgt hiervoor de Handleiding Omgevingsdialoog Venray. In het kader van onderhavig planvoornemen heeft initiatiefnemer de buurtbewoners uitgenodigd voor een omgevingsdialoog. Voor deze dialoog zijn alle directe buren rondom de locaties uitgenodigd. Een lijst van genodigde, aanwezige en een verslag van de dialoog is bijgevoegd als bijlage.

Aan deze voorwaarde wordt zodoende voldaan. Pijler 4 Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie Een goede landschappelijke inpassing heeft te maken met de wijze waarop een zonnepark ruimtelijk logisch aansluiting vindt bij de kenmerken van de plek waar deze beoogd wordt. Dit vraagt telkens om andere oplossingen en een voor die plek passend plan. Iedere plek heeft daarbij zijn eigen verhaal en kenmerken zoals bebouwingsstructuren, verkavelingspatronen en landschapselementen. Voor alle grondgebonden zonneparken moet het landschap leidend zijn voor de inrichting en vormgeving. Hiervoor zijn op verschillende schaalniveaus ontwerpprincipes voor een landschappelijke inpassing, te weten: het landschap, de kavel en het object. Nieuwe ingrepen mogen het landschap wel veranderen maar niet overheersen omdat andere belangen zoals toerisme, leefbaarheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol moeten blijven spelen. 34

De zonnepanelen worden geplaatst achter de nieuw op te richten bebouwing voor opslag, welke aan de wegkant is beoogd. Vanuit de Ysselsteynseweg zijn de zonnepanelen gelegen achter de bebouwing en dus nauwelijks zichtbaar. Verder wordt de zonneweide voorzien van een gedegen landschappelijke inpassing, zie hoofdstuk 3. Pijler 5 Eigenaarschap: eerlijk verdelen van lusten en lasten Hier hoeft niet aan te worden voldaan omdat het om een zonneweide gaat binnen de eigen perceelsgrenzen. Ten slotte geeft het KODE aan dat vergunningen voor zonneprojecten in beginsel voor een termijn van 25 jaar worden verleend. Onderhavig initiatief is derhalve een tijdelijk initiatief waarbij vergunning wordt aangevraagd voor een termijn van 25 jaar.

35

5 FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU Met de voorgenomen ontwikkeling dient rekening gehouden te worden met de invloed op de diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en er dient sprake te zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.1

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project m.e.r.-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Om te bepalen of m.e.r. noodzakelijk is dient bepaald te worden of de activiteit voor komt in de tabel in bijlage V Ob. Bijlage V heeft als ingang (1e kolom) de omschrijving van een project. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaan dan om besluiten waarmee toestemming voor een project wordt verleend. Of voor een besluit een mer-plicht of mer-beoordelingsplicht geldt volgt uit de tweede en derde kolom als het project voldoet aan de voorwaarde uit kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in klom 3 nog voorwaarden staan. Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen: 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een planmer-beoordeling te worden uitgevoerd. 2.

Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien: a. Het plan een kleine wijziging van een plan of programma betreft; b. Het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is. Beoordeling Op grond van categorie J11 geldt een m.e.r-beoordelingsplicht voor een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen. Onder deze categorie vallen ook onder andere woningbouw, de bouw van kantoren, universiteiten, bioscopen, theaters, woonboulevards, ziekenhuizen en scholen. Ook dergelijke stedelijke projecten in “dorpen” vallen eronder. Hiertoe moeten ook alle voorzieningen worden gerekend die moeten worden getroffen voor dat project, zoals de aanleg van infrastructuur. Opgemerkt wordt dat het begrip verschilt van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’, zoals dat wordt gehanteerd bij de Ladder van duurzame verstedelijking. Conclusie Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 4 Ow volgt dat een besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder J11, maar niet voldoet aan de waarden zoals vastgelegd in kolom 2.

Er wordt derhalve volstaan met een plan-mer-beoordeling. Er kan derhalve worden volstaan met een plan-mer-beoordeling indien voldaan wordt aan de onderdelen a en b van lid 2 zoals hierboven beschreven. Onderhavige planvoornemen voorziet in het saneren van enkele veehouderijen locaties en hiervoor in de plaats enkele woningen te realiseren alsook een museum met opslag en bedrijfslocatie. Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel betreft het plan een klein gebied op lokaal niveau waarvoor gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling. 36

In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 5 van deze ruimtelijke motivering. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde plan-merbeoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 3 en 4 Ow. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze ruimtelijke motivering een besluit nemen over de uitkomst van de plan-m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor dit wijzigingsbesluit.

5.2

Bodem- en grondwaterkwaliteit

Uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is voor de beoogde activiteiten en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels opgenomen in het Bkl. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem opgenomen in paragraaf 5.1.4.5. Hierin wordt bepaald voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. Conclusie In het kader van onderhavig planvoornemen zijn bodemonderzoeken uitgevoerd. Ontwikkellocaties Ysselsteynseweg 67 + Ringweg I en II Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek2 kan concluderend gesteld worden er bij twee proefgaten asbest is gevonden, deze vormen een belemmering voor de geplande ontwikkelingen. Geadviseerd wordt om voor de beide spots nader onderzoek uit te voeren.

Bij werkzaamheden in de asbesthoudende grond (proefgat A20 en A28) is er sprake van een “saneringssituatie” omdat gewerkt wordt in/met verontreinigd materiaal. Hiervoor dienen de nodige meldingen te worden gedaan en veiligheidsmaatregelen genomen te worden. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit op het overige deel van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de aanvraag van een omgevingsvergunning.

2

Bodemonderzoek, HMB (kenmerk: 25238701A)

37

Ysselsteynseweg 78 Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek3 volgt: Het asbest ter plekke van proefgat A02 vormt mogelijk een belemmering. Volgens het Besluit asbestwegen is het bezit van een asbesthoudende weg (inclusief fundering), waaronder ook erfverhardingen vallen, verboden. Het in bezit hebben van een asbestweg c.q. asbesthoudende erfverharding dient gemeld te worden bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILenT) en de eigenaar moet zorgen dat de betreffende verharding wordt verwijderd en/of dat gebruikers niet worden blootgesteld aan asbest. Bij werkzaamheden in het asbesthoudend recyclinggranulaat (proefgat A02) is er sprake van een “saneringssituatie” omdat gewerkt wordt in/met verontreinigd materiaal. Hiervoor dienen de nodige meldingen te worden gedaan en veiligheidsmaatregelen genomen te worden. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit op het overige deel van de onderzoekslocatie is in voldoende mate vastgesteld. De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om nader (bodem)onderzoek (asbest) te adviseren. Woonlocaties Ringweg III Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek4 kan concluderend gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is.

Ringweg 20 (om te zetten bedrijfswoning) Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek5 kan concluderend gesteld worden dat de onderzoekslocatie als onverdacht ten aanzien van bodemverontreiniging te beschouwen is.

5.3

Bedrijven en milieuzoneringen

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Met ingang van de Omgevingswet worden het ruimtelijke en fysieke spoor verder geïntegreerd. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. De uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet’ (2024). Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De Lijst van bedrijfsactiviteiten biedt goede aanknopingspunten voor een indicatie van de inpasbaarheid van activiteiten, aan de hand van de SBI-codes (2008). Deze lijst is geactualiseerd in de publicatie ten behoeve van het functiemenging en het mogelijk maken van maatwerk. Daarnaast zijn de toetsbare aspecten geur en geluid. Ook is er de categorie ‘FM’ opgenomen, FM staat voor functiemening. Functiemenging is mogelijk in gebieden waar naast wonen ook andere functies aanwezig zijn.

Dit zijn functies die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor de ligging in een gebied met functiemengingen inclusief wonen. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die 3 4 5

Bodemonderzoek, HMB (kenmerk: 25238801A) Vooronderzoek bodem, HMB (kenmerk: 25238901H) Vooronderzoek bodem, HMB (kenmerk: 25238601H)

38

zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’, daar er in de omgeving een diversiteit van functies aanwezig is zoals (burger)woningen, niet-agrarische bedrijven en agrarische bedrijven. Derhalve kunnen de afstanden met één zone verkleind worden. Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling worden enkele milieubelastende functies gesaneerd, dit levert een aanzienlijke positieve milieu impact voor de omgeving. Twee locaties worden omgezet tot een bedrijfslocatie en museum met opslag, deze locaties kunnen mogelijk milieubelastend zijn voor de omgeving. Anderzijds worden er enkele milieugevoelige functies toegevoegd, zoals de woningen. Op basis van de VNG publicatie wordt gekeken naar de afstanden omtrent geur en geluid. Een woonfunctie betreft een functie welke zowel geur- als geluidgevoelig is. Een museum en bedrijfsverzamelgebouw/opslag betreffen geen geur- en geluidsgevoelig object conform Bkl (art. 5.91 en 3.21). Ysselsteynseweg 67a Op deze locatie is een museum met ondergeschikte opslag beoogd. Daarnaast bestaat het voornemen een mini WKK (500kW) inpandig te plaatsen alsook 2 batterijen (400kW). Conform de VNG bedrijvenlijst geldt voor musea (SBI: 9101, 9102) een richtafstand van 0 meter (FM).

Voor de opslagfunctie (SBI: 52109) geldt een afstand van 10 meter voor geluid en 0 meter voor geur. Het betreft echter een ondergeschikte opslag functie, welke kleinschaliger is dan conform de VNG wordt aangehouden. Aannemelijk is dat de afstand dan ook verkleind kan worden tot 0 meter. De dichtbijgelegen woningen betreffen de nieuw te realiseren woningen aan de Ringweg. De afstand tussen de functievlakken bedraagt 0 meter. Aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan. Een mini-WKK van 500 kW is niet als zodanig opgenomen in de VNG, gezien het maximale vermogen van ≤ 0,5 MW wordt deze doorgaans ingedeeld in categorie 2, waarvoor een afstand van 10 meter geldt. De mini WKK is inpandig beoogd. Bij de vergunningsaanvraag dient te worden aangetoond dat de WKK buiten de gestelde afstand tot gevoelige gebouwen wordt geplaatst. Batterijen zijn eveneens niet opgenomen op de VNG-lijst. Ook hier geldt dat bij vergunningsaanvraag dient te worden aangetoond dat de batterijen buiten de gestelde afstand tot gevoelige gebouwen worden geplaatst. Ysselsteynseweg 78 Op deze locatie is een bedrijfsruimte ten behoeve van opslag voor derden en een zonneweide beoogd. Daarnaast bestaat het voornemen een mini WKK (500kW) inpandig te plaatsen alsook 3 batterijen (400kW). Voor de opslagfunctie (SBI: 52109) geldt een afstand van 10 meter voor geluid en 0 meter voor geur.

Een zonneweide is niet als zodanig in de VNG opgenomen, maar kan gezien worden als een ‘elektriciteitsdistributiebedrijf < 10 MVA’ (SBI 35) wat ingedeeld wordt in categorie 2, waarvoor eveneens 10 meter geldt. Voor wat betreft een mini WKK en de batterijen geldt: Een mini-WKK van 500 kW is eveneens niet als zodanig opgenomen in de VNG, gezien het maximale vermogen van ≤ 0,5 MW wordt deze doorgaans ingedeeld in categorie 2. Batterijen zijn eveneens niet opgenomen op de VNG-lijst.Bij de vergunningsaanvraag dient te worden aangetoond dat de WKK en batterijen buiten de gestelde afstand tot gevoelige gebouwen worden geplaatst. Binnen deze afstanden zijn geen gevoelige objecten gelegen. Aan de gestelde richtafstanden wordt voldaan. Woonlocaties De milieuruimte van de milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende zone voor geur en geluid. In de directe omgeving (straal van 150 meter) bevinden zich de volgende milieubelastende functies (op basis van het planologische toegestane gebruik). 39

Soort bedrijf Mengvoederbedrijf Grondgebonden agrarisch*

SBI2008

Adres

Aan te houden afstanden

Ysselsteynseweg 69 Ringweg 41a

Grootste afstand: 100 meter Geluid: 0/10 meter Geur: 0 meter Grootste afstand: 10 meter

Bedrijf (max. cat. 2.)

011, 012, 0,13 -

Sportveld

931

Ysselsteynseweg 88

Intensieve veehouderij (pluimvee)

0147

Ysselsteynseweg 80 Ysselsteynseweg 59

Ysselsteynseweg 86 Ysselsteynseweg 84 Ysselsteynseweg 82

Geluid: Geur: Geluid: Geur:

10 meter 0 meter 30 meter 50 meter

Afstand tot dichtstbijzijnde woning 15 meter 15 meter 18 meter 60 meter 115 meter 45 meter 190 meter 220 meter

* Een grondgebonden agrarisch bedrijf, niet zijnde intensieve veehouderij of glastuinbouw. Een grondgebonden agrarisch bedrijf heeft betrekking op een akkerbouwbedrijf, melkveehouderij of een paardenhouderij. Onderhavige locatie is niet in bezit van een milieuvergunning voor het houden van dieren, derhalve is er gekeken naar de richtafstand voor een akkerbouwbedrijf.

Conclusie Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Er is één hindercontour die het plangebied overlapt. De hindercontour afkomstig van het mengvoerderbedrijf. Binnen deze contour liggen de twee om te zetten bedrijfswoningen alsook woningen Ringweg I en II. Deze hinder is onderzocht in het akoestisch onderzoek. Uit de berekeningen blijkt dat voor L Ar,LT overal voldaan wordt aan de geluideisen uit stap 2. Voor piekgeluiden worden de eisen uit stap 2 bij één (bestaande) woning overschreden als gevolg van vrachtbewegingen in de nachtperiode, maar wordt wel voldaan aan de eisen uit stap 3. In de vigerende vergunning was daarvan bij bestaande omliggende woningen van derden ook al sprake, en is deze overschrijding in de vergunning toegelaten. Een aanvaardbaar geluidniveau bij de woningen is daarmee gewaarborgd, en het bedrijf wordt niet in haar geluidruimte beperkt. Uitgaande van een goed onderhouden woning (gevelgeluidwering ≥ 20 dB) is ook een aanvaardbare binnenwaarde gewaarborgd. Er blijft derhalve sprake van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Omliggende bedrijven vormen dan ook geen belemmering voor de ontwikkeling. Daarnaast worden de omliggende bedrijven niet belemmerd door de voorgenomen ontwikkeling, ook zijn er de reeds omliggende woningen al dichterbij gelegen.

5.4

Geluid

Vele functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere objecten. Het Bkl bevat geluidsregels die zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden instructieregels. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Het bevoegd gezag houdt bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied rekening met het belang van het beschermen van gezondheid en milieu. Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid op een geluidgevoelig object gelegen binnen het aandachtsgebied van een geluidbronsoort. Als het geluid op een geluidgevoelig gebouw voldoet aan de standaardwaarde, dan is het geluid in ieder geval aanvaardbaar (hoofdregel Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde

40

als aanvaardbaar toelaten. Bij geluid tussen de standaardwaarde en de grenswaarde vindt een bestuurlijke afweging plaats. Geluid boven de grenswaarde is, behoudens enkele uitzonderingen, niet toegestaan. De eisen uit het Bkl zijn van toepassing op het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Artikel 5.78r van het Bkl stelt dat de eisen niet van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen voor zover die al rechtmatig op een locatie zijn toegestaan. Geluid door activiteiten Artikel 5.1.4.2 kent een splitsing tussen geluid door activiteiten en geluid door specifieke activiteiten, dit artikel is dan ook van toepassing op alle denkbare activiteiten, met uitzondering van geluid van woonactiviteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. Het staat echter de gemeenteraad vrij om hier geluidwaarden aan te stellen. Wegverkeerslawaai Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. De Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) bevat de geluidsgegevens van heel Nederland. Aan de hand van de CVGG kan worden afgelezen of een bepaalde locatie binnen een geluidsaandachtsgebied is gelegen. Momenteel is de CVGG nog niet volledig en ontbreken er nog gegevens.

Op grond van het overgangsrecht (art. 17.5 Or) geldt in dat geval aan weerszijde van de weg een geluidsaandachtsgebied op basis van richtafstanden. Beschrijving

Aandachtsgebied

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid van ≤ 30 km/u

100 meter

Een weg, bestaande uit 1 of 2 rijstroken met een rijsnelheid > 30 km/u, of;

200 meter

Een spoorweg bestaand uit 1 of 2 sporen Een weg bestaande uit 3 of meer rijstroken, of;

350 meter

Een spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen

Conclusie In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn twee akoestische onderzoeken uitgevoerd. Een voor het toelaten van de geluidgevoelige gebouwen6 en een voor het toelaten van twee bedrijven c.q. museum7. Ontwikkellocaties Uit het onderzoek voor het wat betreft de ontwikkellocaties volgt dat de ontwikkeling vanuit akoestisch oogpunt alleszins inpasbaar is in de lokale omgeving. Aanvullende geluidreducerende maatregelen zijn (buiten het genoemde geluidscherm) niet noodzakelijk. Voor wat betreft de WKK’s en batterijen geldt dat het geluid afkomstig van deze voorzieningen afhankelijk is van diverse factoren, zoals de plaatsing, manier van isoleren e.d. Bij de vergunningsaanvraag dient te worden aangetoond dat de WKK en batterijen buiten de gestelde afstand tot gevoelige gebouwen worden geplaatst. Woonlocaties Uit het onderzoek voor het wat betreft de woonlocaties volgt: ▪ dat voor elke relevante geluidbronsoort voldaan wordt aan de standaardwaarde; ▪ dat geen aanvullende maatregelen nodig zijn om te voldoen aan de eisen aangaande de gevelgeluidwering; ▪ dat de plannen geen inbreuk doen op de geluidruimte van omliggende bedrijven/inrichtingen; ▪ dat sprake blijft van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 6 7

Akoestisch onderzoek, HMB (kenmerk: 25239301N1) Akoestisch onderzoek, HMB (kenmerk: 25239301N2)

41

Het aspect geluid vormt dan ook geen belemmering in het kader van de voorgenomen ontwikkeling.

5.5

Luchtkwaliteit

Het gebruik van de fysieke leefomgeving kan ongewenste bijwerkingen met zich meebrengen op het gebied van luchtkwaliteit. De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels zoals opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Hier worden de grenswaarden beschreven voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Achtergrondwaarden De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het toestaan van de activiteit: a. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 9,4 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 17,3 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 13,4 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende. Het Besluit NIBM Een aantal veelvoorkomende activiteiten dragen niet in betekenende mate (NIBM) aan de concentratie van een bepaalde stof.

Voor deze activiteiten is dan ook geen toetsing noodzakelijk De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (artikel 5.53 en 5.54 Bkl) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Een project is in NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. 42

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case scenario is er sprake van 276,9 verkeersbewegingen per etmaal. (nadere toelichting aantal verkeersbewegingen paragraaf 5.13.1). Met behulp van de NIBM-tool 2022 is bepaald of dit extra verkeer in betekende mate invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit de berekening blijkt dat de toename van het verkeer ruimschoots onder NIBM valt.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie

2025

Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

276,9

Aandeel vrachtverkeer

0,0%

NO2 in μg/m

3

0,09

PM10 in μg/m

3

0,02

Extra verkeer als gevolg van het plan

Maximale bijdrage extra verkeer 3

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig

Conclusie Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen conform Ow en Bkl en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. Effect omliggende agrarische bedrijven Indien een inrichting PM10 en/of NO2 emitteert, is het noodzakelijk dat de bijdrage van deze inrichting aan de achtergrondniveaus inzichtelijk wordt gemaakt om aan te tonen of ter plaatse sprake is van een goed woon- en leefklimaat. In de directe omgeving van het plangebied liggen diverse agrarische bedrijven die van invloed zijn op de luchtkwaliteit: 1. Ysselsteynseweg 80 2. Ysselsteynseweg 59 3. Ysselsteynseweg 70 4. Ysselsteynseweg 66 5. Ysselsteynseweg 49 6. Rouwkuilenweg 14 7. Rouwkuilenweg 16 Om het effect van deze agrarische bedrijven op het plangebied te onderzoeken is een fijnstofberekening8 uitgevoerd. Uit de berekende jaargemiddelde fijnstofconcentraties PM10, variërend tussen 19,5 en 20,25 μg/m3, blijkt dat ruim wordt voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 μg/m3 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16859809/1