CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

B1.3 - Motivering TAM-omgevingsplan HVG004 va01 - aanpassingen met arceringen

Gemeenteraad 30 juni 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Poort van Castenray33.213 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

3 Aeres Milieu,

Archeologisch bureauonderzoek Horsterweg (ong.) te Castenray (Gemeente Venray), Projectnummer AM24634 25 september 2025.

,

45

Op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek kan worden gesteld dat er een (middel)hoge verwachting geldt voor alle archeologische periodes. De ligging op de relatief hoog gelegen dekzandrug en dekzandwelvingen maakt het een goede vestigingslocatie voor zowel jager -verzamelaars als latere landbouwende samenlevingen. Daarnaast is het plangebied gelegen in de historische kern van Castenray en bevat het bebouwing die teruggaat tot in ieder geval begin 19e eeuw. Voor het plangebied wordt om bovenstaande redenen een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Dit kan het beste in de vorm van een verkennend booronderzoek. Middels een dergelijk onderzoek wordt onderzocht in hoeverre de bodem intact is en wordt de gespecificeerde archeologische verwachtingsmodel uit dit bureauonderzoek getoetst. Conclusie In dit TAM-omgevingsplan zijn de archeologische dubbelbestemmingen uit het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan overgenomen als dubbelfunctie. Hiermee zijn mogelijk aanwezige archeologische waarden in voldoende mate beschermd en vormt het aspect archeologie geen planologische belemmering voor het TAM-omgevingsplan en is vanuit het oogpunt van archeologische belangen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4.2

Cultuurhistorie Het plangebied is grotendeels in agrarisch gebruik. Binnen het plangebied en de directe omgeving is op basis van de Erfgoedkaart Limburg en de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburggeen sprake van elementen, panden of objecten gelegen met een hoge cultuurhistorische waarde, waarop met de voorgenomen ontwikkeling een negatieve invloed zou kunnen worden uitgeoefend. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan er geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling. Er is vanuit het oogpunt van cultuurhistorie sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5

Bodem Algemeen Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:  beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;  evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;  duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en-aantastingen. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de m odule Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw.

46

Toetsing Ten behoeve van het beoogde woongebied is een vooronderzoek bodem conform NEN5725 4 uitgevoerd. Onderstaand zijn de voornaamste conclusies opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Voor de locatie aan de Matthiasstraat is in het kader van de wijziging van het omgevingsplan geen bodemonderzoek uitgevoerd. Ter plaatse is immers geen sprake van een functiewijziging, de agrarische hoofdfunctie blijft gehandhaafd. Gebaseerd op de verzamelde gegevens uit het vooronderzoek kan de onderzoekslocatie als “onverdacht” worden beschouwd op het voorkomen van bodemverontreiniging. Er bestaat geen aanleiding te vermoeden dat ter plaatse van de planlocatie sprake is van een bod emverontreiniging. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem wordt niet verwacht (onverdacht). De verwachte bodemkwaliteit (landbouw/natuur) vormt geen belemmering voor het beoogde planvoornemen in het kader van nieuwbouw van woningen . Als de bodem van de locatie op basis van de verkregen informatie uit het vooronderzoek “onverdacht” lijkt, dan kan in principe een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 achterwege blijven. In plaats van een bodemonderzoek uit te moeten voeren kan d an gebruik worden gemaakt van de gegevens zoals vastgelegd in de bodemkwaliteitskaart van de gemeente.

Het is nadrukkelijk de keuze van de initiatiefnemer of hij gebruik maakt van de bodemkwaliteitskaart of dat hij toch een bodemonderzoek laat uitvoeren. Voordat hij deze keuze maakt zal hij zich moeten vergewissen van de voor - en nadelen en de eventuele risico’s. Conclusie Vanuit het oogpunt van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, bestaan er geen bezwaren voor de beoogde ontwikkeling en is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6

Activiteiten en milieuzonering Algemeen De Omgevingswet bevat meer mogelijkheden om een lokale afweging op maat te maken, per locatie en per activiteit dan de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Daarbij wordt getoetst aan milieuwaarden in het omgevingsplan. In het voorliggende geval heeft de gemeente Venray een omgevingsplan waarin van rechtswege nog de voorheen geldende bestemmingsplannen zijn opgenomen. In deze bestemmingsplannen is over het algemeen wel nog uitgegaan van de eerder genoemde milieucategorieën en richtafstanden. De bestaande rechten van activiteiten in de omgeving zijn daarop ook veelal gebaseerd. Onder de Omgevingswet wordt het begrip 'milieubelastende activiteit' (mba) gehanteerd. Dit is in de bijlage bij artikel 1 van de Omgevingswet als volgt gedefinieerd: "activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozings activiteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit". Het gaat dus in feite om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van 'directe lozingen' en wateronttrekkingsactiviteiten). Het gaat hierbij om de aspecten geur, geluid en trilling.

Het is een breed begrip; er vallen namelijk ook niet-bedrijfsmatige activiteiten, ook niet-plaatsgebonden activiteiten en tijdelijke activiteiten onder het mbabegrip. Toetsing Woningbouw Poort van Castenray Activiteiten die in het kader van wonen worden uitgevoerd zijn over het algemeen uitgezonderd van toetsing aan geluid- en geurnormen. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een menging van verschillende functies. Het plangebied wordt de zuidwestzijde begrensd door het woonperceel aan de Horsterweg 41, met ten noorden daarvan onbebouwde agrarische gronden. Aan de noordzijde en 4 Aeres Milieu,

Vooronderzoek NEN 5725 Matthiasstraat 3 Castenray (gemeente Venray), projectnummer AM24634

, 28

februari 2025.

47

noordoostzijde wordt het beoogde woongebied eveneens begrensd door onbebouwde agrarische percelen. Aan de oostzijde ligt de locatie aan de Matthiasstraat 3, waar ter plaatse een transformatie plaatsvindt van een intensieve veehouderij naar een agrarisch verwant bedrijf. Ten zuiden daarvan, liggen aan de Horsterweg nog enkele woningen. Voor zover het beoogde woongebied grenst aan de onbebouwde agrarische gronden, wordt voorzien in een spuitvrije zone van 50 meter tussen de woonpercelen en gronden waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de huidige situatie zou kunnen plaatsvinden. Vanuit aspecten geur, geluid en trillingen, bestaan er geen belemmeringen in relatie tot de ligging van de woonpercelen nabij de onbebouwde agrarische gronden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat zowel aan de noord - als de zuidzijde een bufferzone is opgenomen met de functie ‘Groen’, waardoor ter plaatse middels deze groene buffer een afstand van 50 meter geborgd is tussen de woonpercelen en agrarische percelen. Op de locatie aan de Matthiasstraat 3 worden binnen een afstand van 50 meter vanaf de woonpercelen milieubelastende activiteiten uitgesloten, evenals het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

Op deze wijze is duurzaam verankerd dat de bedrijfsmatige activiteiten niet worden beperkt en anderzijds ter hoogte van de woonpercelen sprake is van een goed woon - en leefklimaat in relatie tot de activiteiten ter hoogte van de Matthiasstraat 3.

Afbeelding 18 . Weergave functies in de directe omgeving van het beoogde woongebied, met de globale begrenzing van het beoogde woongebied rood omlijnd weergegeven en het als ‘intensieve veehouderij’ aangeduide gebied blauw omlijnd weergegeven. Verder is aan de Horsterweg 26A, op meer dan 75 meter afstand ten zuidwesten van de beoogde woonpercelen, sprake van een bedrijfsbestemming waarbinnen uitsluitend kleinschalige bedrijvigheid van milieucategorie 1 en 2 is toegestaan. Voor dergelijke bedrijv igheid geldt een maximale richtafstand tot woonpercelen van 30 meter. Hieraan wordt ruimschoots voldaan, waardoor de woningen de bedrijfsvoering niet

48

belemmeren en ter hoogte van de woonpercelen sprake is van een goed woon - en leefklimaat in relatie tot de activiteiten ter hoogte van de Horsterweg 26A. Tot slot is aan de Horsterweg 39 D een pluimveehouderij gelegen. De afstand van het bouwvlak van de pluimveehouderij tot aan de grens van de gronden binnen het plangebied met een woonfunctie, bedraagt circa 119 meter. Voor wat betreft aspect geur wordt verwezen naar paragraaf 4.9 . Samengevat wordt voor wat betreft het aspect geur geconcludeerd dat de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de voor de veehouderij Horsterweg 39D vigerende milieurechten en planologische rechten voor het aspect geur. De woningen binnen het plangebied zijn dan ook niet maatgevend voor de planologische geurrechten van de veehouderij aan de Horsterweg 39D. Voor wat betreft de geluidproductie van de pluimveehouderij geldt dat de verkeersbewegingen als gevolg van de pluimveehouderij op de openbare weg onderdeel uitmaken van de bestaande verkeersintensiteiten die zijn gehanteerd als uitgangspunt voor het onderzoek. Dit betekent dat de verkeersgeneratie als gevolg van de pluimveehouderij is meegewogen in het akoestisch onderzoek zoals beschreven in paragraaf 4.11 . Voor activiteiten op de bedrijfslocatie van de pluimveehouderij zelf gelden andere normen, waaraan de pluimveehouderij zich ook dient te houden.

Voor wat betreft geluid als gevolg van bedrijfsactiviteiten op het perceel van reclamant, geldt op basis van he t onderliggende bestemmingsplan en de VNG -brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ een richtafstand van 50 meter voor geluid voor het fokken en houden van pluimvee. Gelet op de afstand van het bouwvlak (waarmee de maximale planologische mogelijkheden zijn be grensd) van het perceel van reclamant van circa 119 meter tot aan de dichtstbij gelegen woonpercelen binnen het plangebied, wordt ruimschoots aan deze afstand voldaan. Reclamant wordt dan ook niet in zijn huidige bedrijfsactiviteiten belemmerd en ook niet in de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden. Hierbij dient volledigheidshalve te worden opgemerkt dat ook bij een eventuele wijziging naar een andere type agrarische bedrijvigheid over het algemeen 50 meter als maximale richtafstand voor geluid geldt. Ook geldt dat voor een deel van het agrarisch bedrijfsperceel van reclamant voor wat betreft het aspect geluid de woning aan de Horsterweg 41 maatgevend is aangezien deze dichterbij is gelegen dan een groot deel van de woningen binnen het plangebied. Gelet op de tussenliggende afstand tussen de beoogde woningen en de pluimveehouderij, wordt ter hoogte van de beoogde woningen binnen het plangebied op basis van het voorgaande geen onevenredige hinder verwacht.

Verder wordt opgemerkt dat in de voorschriften behorende bij de omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.6 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) inzake de activiteit milieu van de pluimveehouderij geluidnormen zijn opgenomen. Zoals blijkt uit de betreffendevoorschriften, zijn zowel voor het langtijdgemiddelde geluidsniveau als het maximale geluidsniveau normen opgenomen op enig punt op 50 meter van de grens van de inrichting. Daarmee zijn de geluidrechten begrensd op 50 meter afstand van de grens va n de inrichting. De grens van de inrichting is daarbij overigens ruimer aangegeven dan het huidige bouwvlak en de aanduiding intensieve veehouderij zoals opgenomen in het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ en wa armee de maximale planologische mogelijkheden zijn begrensd. De beoogde woonpercelen liggen buiten deze 50 meter, waaruit geconcludeerd kan worden dat de veehouderij zowel vanuit de mogelijkheden op grond van het van rechtswege van toepassing zijnde bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010’ als de milieuvergunning, niet wordt belemmerd in zijn huidige en toekomstige mogelijkheden als gevolg van de beoogde woningbouwontwikkeling. Matthiasstraat 3 Voor de locatie aan de Matthiasstraat 3 geldt dat sprake is van een transformatie van een intensieve veehouderij naar een landbouwverwant bedrijf.

Door deze transformatie vindt een forse verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving plaats. Enerzijds vanwege het vervallen van de geurcontouren en anderzijds ook vanwege de beperking van overlast als gevolg van verkeersbewegingen, aa ngezien het aantal voertuigbewegingen afneemt ten opzichte van het gebruik ten behoeve van een intensieve veehouderij. De hoeveelheid vierkante meters bedrijfsbebouwing neemt ook af.

49

Gelet op de wijziging van een agrarische functie naar een bedrijfsfunctie, is volledigheidshalve een akoestisch onderzoek5 uitgevoerd. Onderstaand worden de conclusies van het onderzoek weergegeven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van 45 dB(A) etmaalwaarde met de representatieve bedrijfssituatie niet wordt overschreden ter hoogte van omliggende woningen én ter hoogte van toetspunten op 50 meter afstand van de grens van de bedrijfsfunctie. Het maximale beoordelingsniveau van 65 dB(A) etmaalwaarde wordt met de representatieve bedrijfssituatie niet overschreden ter hoogte van de woningen. Ter hoogte van de 50 meter toetspunten vinden er wel kleine overschrijdingen plaats van stap 2 uit de publicatie bedrijven en milieuzonering, echter wordt wel voldaan aan stap 3 uit de publicatie. De maximale geluidnormen uit het omgevingsplan van de gemeente Venray worden niet overschreden. De indirecte hinder voldoet ten tijde van de reguliere bedrijfsvoering aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Ten tijde van de representatieve bedrijfssituatie ligt de geluidbelasting beneden de 50 dB(A) ter hoogte van de omliggende woningen.

Hierdoor i s een goed woon - en Leefklimaat geborgd bij de reeds bestaande omliggende woningen en de beoogde woningen binnen het plangebied ten westen van de locatie aan de Matthiasstraat 3. O ok de transformatie van de locatie aan de Matthiasstraat 3 wordt vanuit het oogpunt van activiteiten en milieuzonering inpasbaar geacht. Er is sprake van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat bij de omliggende woningen en het beoogde bedrijf wordt niet in haar mogelijkheden belemmerd. Tot slot wordt voor wat betreft het aspect geur verwezen naar paragraaf 4.9 . Conclusie Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.7

Omgevingsveiligheid Beleid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 'waarborgen van de veiligheid' van het B kl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij de realisatie van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen in de nabijheid van risicovolle activiteiten moet rekening worden gehouden met het plaatsgebonden risico. Daarnaast kunnen één of meerdere aandachtsgebieden (brandaandachtsgebied , gifwolkaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied) van toepassing zijn. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen en over het water, het spoor en wegen en risicovolle inrichtingen.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans op overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht, als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties betreft de kans van 1 op de 1.000.000 (PR 10 -6 ) een grenswaarde, met uitzondering van kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen op een locatie die parallel

5 G&O Consult,

5963ao0225

Akoestisch onderzoek voor de locatie gelegen aan de Matthiasstraat 3, 5811 AN Castenray, rapportnummer , 15 oktober 2025.

50

aan een tunnel is gelegen of boven een tunnel waardoor het vervoer van brandbare gassen in bulkhoeveelheden en ontplofbare stoffen niet is toegestaan. Voor de afstanden wordt verwezen naar bijlage VII behorende bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In artikel 5.9 van het Bkl wordt aangegeven tot waar deze afstanden gelden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activitei t met externe veiligheidsrisico's. Er zijn drie typen aandachtgebieden die onderscheid maken tussen drie gevaren: • Brandaandachtsgebied (BAG) , waarbij de locatie begrensd is door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m² is • Explosieaandachtsgebied (EAG) , waarbij de locatie begrensd is door de afstand als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: o een kokende vloeistof-gasexpansie -explosie (BLEVE), waarbij de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m² is o een explosie, anders dan onder a, waarbij de overdruk ten hoogste 10 kPa is.

• Gifwolkaandachtsgebied (GAG) , waarbij de locatie begrensd is door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste bij ministeriële regeling vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof gedurende een daarbij aan gegeven periode. Voor wegen, spoorwegen en binnenwateren zijn bij ministeriële regeling de navolgende afstanden aangewezen voor het aandachtsgebied: Brandaandachtsgebied: 30 meter Explosieaandachtsgebied: 200 meter Gifwolkaandachtsgebied: 300 meter Voor een overzicht van de aan te houden afstanden voor de overige activiteiten met vastgestelde afstanden wordt verwezen naar bijlage VII van het Bkl. Binnen het aandachtsgebied moet rekening gehouden worden met het groepsrisico. Hierbij gaat het om de kans dat 10 personen of meer per jaar overlijden als rechtstreeks gevolg van een incident binnen een aandachtsgebied. Gewaarborgd dient te worden dat maat regelen getroffen zijn ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die personen aanwezig zijn , beperkt is. Voorschriftengebieden Binnen een aandachtsgebied kunnen door gemeenten voorschriftengebieden aangewezen worden.

In dit deel van het aandachtgebied gelden aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Locaties voor zeer kwetsbare gebouwen in een brand - of explosieaandachtsgebied moeten altijd aangewezen worden als voorschriftengebied. De aanvullende bouweisen gelden niet voor bestaande gebouwen die binnen een voorschriftengebied liggen. De maatregelen voor brand - en explosievoorschriftengebieden zijn opgenomen in paragraaf 4.2.14 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

51

Belemmeringengebied buisleidingen gevaarlijke stoffen Een belemmeringengebied buisleiding is het gebied aan weerszijden van een buisleiding, gemeten vanuit het hart van de buisleiding, tot een afstand van: • 5 meter • 4 meter, als door de buisleiding aardgas vervoerd wordt, met een druk van 1.600 tot en met 4.000 kPa. Binnen deze afstand is het niet toegestaan kwetsbare gebouwen, tenzij die een functionele binding hebben met de buisleiding, of zeer kwetsbare gebouwen toe te staan. Beschouwing externe veiligheid beoogde ontwikkeling In het kader van de beoogde ontwikkeling is een beschouwing externe veiligheid 6 uitgevoerd. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Aandachtsgebieden Het plangebied ligt op korte afstand van de rijksweg A73. Deze rijksweg kent een PR10 -6 risicocontour, waardoor dit aspect een aandachtspunt vormt voor de planvorming. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling is het aannemelijk dat de personendichtheid zal toenemen. Dit betekent dat ook dat het aannemelijk is dat de hoogte van het groepsrisico zal toenemen. Het plangebied ligt deels binnen het gifwolkaandachtsgebied en voor een klein deel binnen het explosieaandachtsgebied van de A73. De bebouwing binnen het plangebied ligt echter enkel in het gifwolkaandachtsgebied.

Het plangebied ligt buiten het brandaandachtsgebied van de A73 waardoor dit verder beschouwing wordt gelaten. Ook het explosieaandachtsgebied wordt niet nader beschouwd, aangezien de bebouwing buiten dit aandachtsgebied is geprojecteerd. Onderstaand worden de aspecten beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid nader beschouwd in verband met de ligging binnen het gifwolkaandachtsgebied. Bestrijding calamiteit Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen op de weg kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobronnen, in dit geval de weg, maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Zelfredzaamheid Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof.

Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3). Indien minder zelfredzame personen aanwezig zij n, is het uitgangspunt dat zij met hulp van de aanwezige BHV -organisatie en valide personen in veiligheid gebracht worden. Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident bij de A73 is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Omdat het gaat om nieuwbouwwoningen, kan worden aangenomen dat de luchtdichtheid van de ze woningen voldoet aan de gestelde eisen. Gezien de ligging binnen het gifwolkaandachtsgebied dient op grond van artikel 4.124 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een mechanisch ventilatiesysteem toegepast te worden dat handmatig uitgeschakeld kan worden.

6 Kragten, Beschouwing externe veiligheid Poort van Castenray

, 15 september 2025 .

52

Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af geric ht zijn. Een mogelijke vluchtroute is naar de Lollebeekweg, via de Horsterweg, in zuidwestelijke richting. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings - en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op het eerder genoemde scenario). In geva l van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. Afweging De voorgaande elementen kan de gemeenteraad gebruiken bij de oordeelsvorming inzake de omgevingsveiligheid voor het aspect externe veiligheid ten aanzien van de beoogde ontwikkeling. De gemeente Venray heeft in het kader van de ruimtelijke procedure advies ingewonnen bij de Veiligheidsregio Limburg-Noord .

Per brief van 18 juli 2025 met kenmerk Z2025 -00002232 is een reactie ontvangen van de Veiligheidsregio Limburg-Noord. In het advies is ingegaan op aspecten als bluswater, bereikbaarheid en energietransitie . De Veiligheidsregio Limburg-Noord heeft de volgende adviezen afgegeven: Benoem in de “Beschouwing externe veiligheid” het beëindigen van de intensieve veehouderij en transformatie tot eenlandbouwverwant bedrijf; Voorzie in een primaire bluswatervoorziening van 60 m³/uur bij het landbouwverwant bedrijf, bijvoorbeeld een geboorde put; Leg bij fase 1 reeds beide ontsluitingen + rondweg aan; Indien er zaken als zonnepanelen, EOS of andere alternatieve en energiebronnen worden toegepast, dan in een zo vroeg mogelijk stadium in overleg te treden met de VRLN om nadere eisen/uitganspunten te bespreken. Het beëindigen van de intensieve veehouderij en transformatie tot een landbouwverwant bedrijf is opgenomen in de rapportage ‘Beschouwing externe veiligheid Poort van Castenray’. De overige adviezen van de Veiligheidsregio Limburg-Noord worden meegenomen bij de verdere uitwerking van de plannen. Bij de vaststelling van dit plan dient de gemeente een standpunt in te nemen aangaande de omgevingsveiligheid. Tot slot wordt opgemerkt dat in de rapportage bestaande risicobronnen in de omgeving in beeld zijn gebracht en zijn beoordeeld.

De wijze waarop de nieuwe kwetsbare gebouwen tegen activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden beschermd, is geregeld vi a het Besluit activiteiten leefomgeving. Conclusie Vanuit het kader van omgevingsveiligheid, is met inachtname van de adviezen zoals opgenomen in deze paragraaf, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8

Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2 ) en fijnstof (PM10 ). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

53

• • •

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen. De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO 2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM -grens blijft: • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl . Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3% -grens niet wordt overschreden. • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3% -grens niet overschrijdt.

Toetsing NIBM In artikel 5.54 'standaardgevallen niet in betekenende mate luchtkwaliteit' is voor woningen aangegeven dat ontwikkelingen met ten hoogte 1.500 woningen met één ontsluitingsweg, niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van maximaal 89 woningen, waarmee ruimschoots binnen de genoemde grens van 1 .500 woningen wordt gebleven. Voor de locatie aan de Matthiasstraat 3 geldt dat sprake is van de beëindiging van een intensieve veehouderijen de oprichting van een agrarisch verwant bedrijf. Deze wijziging leidt tot een afname van het aantal verkeersbewegingen. Ook voor deze deelontwikkeling geldt dat deze niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Achtergrondconcentraties De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2 ) of fijnstof (PM10 ). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effec t op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied mo et de overheid de omgevingswaarden in acht nemen.

Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorweg en (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In een aantal gemeenten zijn de fijnstofconcentraties (PM10 ) relatief hoog door veehouderijen. Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving valt Venray binnen de aandachtsgebieden fijnstof (artikel 5.51, lid 3). De aandachtsgebieden PM 10 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit. Uit zowel de Grootschalige Concentratie - en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) als het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit, dat de achtergrondconcentraties ter hoogte van het plangebied en de omgeving, voldoen aan de daarvoor geldende normen. H ierbij dient te worden opgemerkt dat bij het Centraal

54

Instrument Monitoring Luchtkwaliteit veehouderijen zijn meegenomen in monitoring van de luchtkwaliteit, zoals ook is te zien op de navolgende afbeelding.

Afbeelding 19 . Uitsnede kaart achtergrondconcentraties van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. Conclusie Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9

Geur (veehouderijen) Algemeen Het Rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels aan geurbelasting. Een onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan is ook de gemeentelijke geurverordening. Hierin kan worden afgeweken van de standaardnorm. Indien van toepassing dient deze te worde n meegenomen in de motivering. In artikel 5.91 Bkl worden de geurgevoelige gebouwen aangewezen die in ieder geval beschermd moeten worden. Hieronder vallen ook gebouwen met een woonfunctie, gebouwen voor onderwijs, gezondheidszorg en kinderopvang. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl. Toetsing Veehouderij Matthiasstraat 3 Op basis van de ‘geurkaarten veehouderij’ van de gemeente Venray, blijkt dat de woningbouwlocatie binnen de individuele geurcontouren van de intensieve veehouderij aan de Matthiasstraat 3 Castenray ligt. Deze geurcontouren komen echter te vervallen aangezien de betreffende intensieve veehouderij deelneemt aan de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (LBV). Middels het voorliggende TAM -omgevingsplan wordt juridisch-planologisch verankerd dat ter plaatse van het perceel aan de Matthiasstraat 3 de mogelijkheden tot het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten in de vorm

55

van een intensieve veehouderij komen te vervallen. De vergunning wordt uiterlijk ten tijde van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan ingetrokken. Veehouderij Horsterweg 41 Op het perceel aan de Horsterweg 41 in Castenray is de voormalige intensieve veehouderij reeds beëindigd. De voormalige geurcontouren van de voormalige veehouderij zijn dan ook niet meer als zodanig opgenomen op de actuele geurkaarten van de gemeente Venray. Voor de betreffende locatie is het bestemmingsplan ‘Horsterweg 41 Castenray’ vastgesteld waarmee de intensieve veehouderij is wegbestemd en voor de locatie deels een woonbestemming en deels een agrarische bestemming is opgenomen. Veehouderij Horsterweg 39D Tussen de veehouderij aan de Horsterweg 39D zijn geen bestaande geurgevoelige objecten met dezelfde geurnormering dan de woningen binnen het plangebied gelegen. Wel zijn op korte afstand van de veehouderij bestaande woningen met een strengere geurnorm gelegen (Horsterweg 28 , 30 , 30 E, 32 en 43). In navolgende afbeelding zijn deze woningen op de geurnormenkaart uit de geurverordening van de gemeente Venray weergegeven.

Afbeelding 20 . ‘Kaart Gebiedsvisie gemeente Venray Wet geurhinder en veehouderij’, situering veehouderij Horsterweg 39D, bestaande woningen Horsterweg 26, 26A, 28, 30 , 30E, 32 e n 43 en globale situering plangebied (grijze vlak) . In navolgende afbeelding is de situering van het plangebied en de rekenpunten ter plaatse van de woningen binnen het plan, de veehouderij Horsterweg 39D en de rekenpunten ter plaatse van de bestaande woningen aan de Horsterweg 26, 26A, 28 , 30 , 30E , 32 en 43 weergegeven.

56

Afbeelding 21 . Veehouderij Horsterweg 39D, rekenpunten woningen binnen plangebied en rekenpunten bestaande woningen. In navolgende afbeelding is de aan te houden vaste afstand van 100 meter rondom het planologische bouwvlak van de veehouderij aan de Horsterweg 39D weergegeven.

Afbeelding 22 Vaste afstand geurcirkel van 100 meter rondom het planologische bouwvlak van de veehouderij aan de Horsterweg 39D [zwarte lijn].

57

Uit voorgaande afbeelding blijkt dat de afstand tussen het planologische bouwvlak van de veehouderij aan de Horsterweg 39D en de nieuwe woningen (bouwvlak) binnen het plangebied circa 130 meter of meer bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de aan te houden v aste afstand van 100 meter. Om een uitspraak te kunnen doen of de nieuwe woningen binnen het plangebied maatgevend zijn en in hoeverre de vergunde geurcontour en planologische geurcontour van de landbouwhuisdieren met geuremissie (OU-dieren) over het plangebied heen reikt, dient voor de veehouderij aan de Horsterweg 39D de voorgrondgeurbelasting te worden berekend. De voorgrondgeurbelasting is berekend ter plaatse van de woningen binnen het plangebied met behulp van het computerprogramma ‘V-Stacks vergunning, versie 2020’. Voor de berekening is gebruik gemaakt van de online beschikbare informatie op het Kernregistratie dierenverblijven en de vigerende vergunde milieurechten (03-08 2018) . Uit de berekening van de geuremissie vanaf bestaande stallen blijkt dat de hoogst berekende voorgrondgeurbelasting ter plaatse van de woningen binnen het plangebied 3,4 OU E/m 3 bedraag t. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende geurnorm van 14 OU E/m 3 en wordt ook voldaan aan de norm van 8 OU E/m 3 zoals die normaal gezien van toepassing is op zoekgebieden voor woningbouw.

Gesteld wordt dat de vigerende vergunde geurrechten van de veehouderij aan de Horsterweg 39D niet worden ingeperkt door de nieuwe woningen binnen het plangebied. De planologische gebruiksmogelijkheden zijn middels de ‘omgekeerde werking’ ter beoordeling van mogelijkheid planschade inzichtelijk gemaakt. Hierbij dient enerzijds de geurbelasting inzichtelijk te worden gemaakt waarbij de vergunde geuremissie op de rand van het bouwvlak is gesitueerd met de kortste afstand tot het plangebied en daarnaast dient ook de planologische groeiruimte inzichtelijk te worden gemaakt. De berekeningen zijn uitgevoerd met behulp van ‘V-Stacks vergunning, versie 2020’. Hierbij is gebr uik gemaakt van de online beschikbare informatie op het Kernregistratie dierenverblijvendierenverblijven en de vigerende vergunde milieurechten (03-08 -2018). Hierbij zijn vier varianten van de situering van het emissiepunt op de rand van het bouwvlak van de veehouderij inzichtelijk gemaakt. Dit betekent dat de berekening ‘omgekeerde werking’ en ‘omgekeerde werking, maximale groei’ voor vier verschillende emissiepunten is berekend. De uitkomsten van de maatgevende berekening is als resultaat in navolgende a linea’s opgenomen. De geurberekeningen en de situering van de emissiepunten zijn als separate bijlage bij deze motivering te raadplegen.

Uit de berekening van de ‘omgekeerde werking’ waarbij is uitgegaan van de vergunde geuremissie en het emissiepunt op de rand van het bouwvlak volgt dat de berekende voorgrondgeurbelasting ten hoogste 9 ,0 OU E/m 3 bedraagt ter plaatse van de woningen binnen het plangebied. Hiermee wordt eveneens ruimschoots voldaan aan de geldende geurnorm van 14 OU E/m 3 . Voor het beschouwen van de planologische groeimogelijkheden voor het aspect geur is een berekening van de ‘omgekeerde werking, maximale groei ’ uitgevoerd. Hierbij is uitgegaan van het emissiepunt op de rand van het bouwvlak van de veehouderij Horsterweg 39D (vier varianten situering emissiepunt)en een geuremissie waarmee ter plaatse van de bestaande woningen (Horsterweg 26, 26A, 28 , 30 , 30E , 32 en 43) nog net voldaan wordt aan de daarvoor geldende geurnorm 7 . In navolgende tabel zijn de uitkomsten per emissiepunt weergegeven. Emissiepunt EP01 EP02 EP03 EP04

Totale geuremissie Vigerende vergunning Maximale groei* 25.987 OU E 29.187 OU E 19.503 OU E 31.185 OU E 39.981 OU E

Voorgrondgeurbelasting ter plaatse van woningen binnen plan 11,4 OU E/m 3 13,5 OU E/m 3 13,7 OU E/m 3 12,5 OU E/m 3

* De totale geuremissie waarbij ter plaatse van de bestaande geurgevoelige objecten nog net voldaan wordt aan de daarvoor geldende geurnormen.

Op basis van de berekeningen (zie voorgaande tabel) wordt g esteld dat de planologische geurruimte voor de veehouderij beperkt wordt door de bestaande woningen aan de Horsterweg. 7 De geurnorm voor de bestaande woningen aan de Horsterweg 26, 26A, 28, 30, 30

de ligging van de bestaande woning 3, 8 of 14

E, 32 en 43 bedraagt afhankelijk van

OU E/m 3 (zie afbeelding 19).

58

Samengevat, o p basis van de uitgevoerde berekeningen kan worden geconcludeerd dat de planontwikkeling geen inbreuk maakt op de voor de veehouderij Horsterweg 39D vigerende milieurechten en planologische rechten voor het aspect geur. De woningen binnen het plangebied zijn dan ook niet maatgevend voor de planologische geurrechten van de veehouderij aan de Horsterweg 39D. Voor de overige veehouderijen in de omgeving van het plangebied geldt dat deze op een zodanige afstand zijn gelegen dat de woningen binnen het plangebied buiten de indicatieve geurcontour 8 OU E/m 3 en 14 OU E/m 3 zijn gelegen en buiten de vaste afstand van 100 meter. Verder zijn bestaande geurgevoelige objecten (waaronder woningen) op kortere afstand tot de omringende veehouderijen gelegen, waardoor de veehouderijen niet in hun milieu- en/of planologische (geur)rec hten worden beperkt. Woon - en leefklimaat Om een uitspraak te kunnen doen over het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied als gevolg van de geuremissie van de intensieve veehouderijen (landbouwdieren met geuremissiefactor / OU-dieren) is de achtergrondgeurbelasting inzichtelijk gemaakt. Voor de achtergrondgeurbelasting is aangesloten bij de online beschikbare gegevens op Kernregistratie dierenverblijven (KRD)8 . De achtergrondgeurbelasting is berekend met behulp van het computerprogramma ‘V-Stacks Gebied’.

In navolgende afbeelding zijn de geurcontouren van de achtergrondgeurbelasting ter hoogte van en rondom het plangebied weergegeven. De berekende achtergrondgeurbelasting bedraagt tussen de 8,6 OU E/m 3 en 12,3 OU E/m 3 ter plaatse van de randen van het plangebied. Hiermee is het woon - en leefklimaat op basis van de achtergrondgeurbelasting te classificeren als ‘redelijk goed’. Daarnaast is voor de beoordeling van het woon - en leefklimaat op basis van de voorgrondgeurbelasting de berekende voorgrondgeurbelasting van de veehouderij aan de Horsterweg 39D (‘omgekeerde werking EP02’) beschouwd (worstcase). De berekende voorgrondgeurbelasting ten gevolge van de veehouderij aan de Horsterweg 39D bedraagt tussen de 3,6 en 12, 9 OU E/m 3 ter plaatse van de randen van het plangebied en tussen de 3,7 OU E/m 3 en 9,0 OU E/m 3 ter plaatse van de woningen binnen het plangebied. Hiermee is het woon- en leefklimaat op basis van de voorgrondgeurbelasting te classificeren als ‘goed’ tot ‘tamelijk slecht’ ter plaatse van de randen van het plangebied en ‘redelijk goed’ tot ‘matig’ ter plaatse van de woningen binnen het plangebied. De geurberekeningen zijn als separate bijlage bij deze motivering te raadplegen.

8 Voor de invoergegevens is gebruik gemaakt van de gegevens op het KRD

-tabblad ‘V -Stacks gebied’. Deze gegevens zijn ongewijzigd overgenomen voor de berekening van de achtergrondgeurbelasting. Enkel voor de veehouderij aan Horsterweg 39D zijn de rekenparameters aangepast o.b.v. de vigerende vergunning.

59

Afbeelding 23 . Geurcontouren achtergrondgeurbelasting (plangebied blauw omlijnd kader, het woongebied globaal rood omlijnd ). Conclusie Vanuit het aspect geur als gevolg van veehouderijen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Trillingen Algemeen Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locat ie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in a rtikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

60

Toetsing Binnen het plangebied en de omgeving is geen sprake van activiteiten die leiden tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. De ontwikkeling zelf leidt evenmin tot onevenredige hinder in de vorm van trillingen zoals bedoeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Conclusie Vanuit het aspect trillingen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11

Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen Algemeen Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en indust rieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid. De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon - en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid, het Aanvullingsbesluit geluid en de Aanvullingsregeling geluid regels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven.

Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van (spoor)wegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebou wen en locaties nabij een geluidsbron. Onder de Omgevingswet wordt gewerkt met geluidaandachtsgebieden. De geluidaandachtsgebieden worden rekenkundig afgeleid van geluidproductieplafonds en basisgeluidemissies. De geluidaandachtsgebieden moeten op termijn digitaal op kaart worden ontsloten in de Centrale Voorziening Geluidgegevens. De geluidnormen zijn opgenomen in het Bkl. Er moet ook rekening worden gehouden met cumulatie van alle relevante geluidbronnen. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw of locatie binnen een geluidaandachtsgebied moet het aspect geluid beoordeeld worden. Overigens moet ook waar geen sprake is van een geluidaandachtsgebied in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties het aspect geluid afgewogen worden. Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek 9 naar verkeerslawaai uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Voor wat betreft geluid als gevolg industrielawaai of overige activiteiten, wordt verwezen naar paragraaf 4.6 .

Wegverkeer en beoordeling geluid Gemeentewegen Uit het onderzoek is gebleken dat het geluid door verkeer op gemeentewegen ten hoogste 54 dB bedraagt, ter plaatse van de voorgevels van de eerstelijns bebouwing aan de zuidzijde van het plangebied. Hiermee wordt de standaardwaarde van 53 dB overschreden, maar wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 70 dB. Rijkswegen Uit het onderzoek is gebleken dat het geluid door verkeer op rijkswegen ten hoogste 56 dB bedraagt. Hiermee wordt de standaardwaarde van 50 dB overschreden, maar wordt wel voldaan aan de grenswaarde van 60 dB. 9 Kragten, Poort van Castenray, onderzoek geluid door wegen, projectnummer HVG004

, 15 oktober 2025.

61

Maatregelen teneinde het geluid te reduceren tot aan of onder de respectievelijk geldende standaardwaarden voor gemeente- en rijkswegen zijn beschouwd maar stuiten op overwegende bezwaren van verkeerskundige , stedenbouwkundige, landschappelijke, technische en financiële aard. Indirecte akoestische effecten Uit het onderzoek is gebleken dat de toename van de verkeersintensiteit op de Horsterweg ten gevolge van de beoogde ontwikkeling resulteert in een toename van ten hoogste 0,6 dB. Hiermee wordt voldaan aan het 1,5 dB criterium zoals gesteld in Artikel 5.78a f uit het Bkl en wordt de toename toelaatbaar geacht. Gecumuleerd en gezamenlijk geluid Het gecumuleerd geluid is in de voorliggende situatie gelijk aan het gezamenlijk geluid en bedraagt voor alle woningen binnen het plangebied ten hoogste 57 dB. Middels een nader uit te voeren onderzoek dient aangetoond te worden dat de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelig gebouwen voldoet aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Een dergelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd in het kade r van de toekomstige omgevingsvergunningaanvragen. Gemeentelijk geluidbeleid Het gemeentelijk geluidbeleid is meegenomen in de beoordeling van het geluid. Hieruit blijkt dat voor alle woningen voldaan kan worden aan de eis met betrekking tot geluidluwe gevels.

Voor de woningen met nummers 11,12,13,18 en 19 dient de slaapkamer aan d e geluidluwe gevel gesitueerd te worden. Ten aanzien van de geluidluwe buitenruimten wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. Matthiasstraat 3 Voor wat betreft de Matthiasstraat 3 geldt dat de transformatie van een intensieve veehouderij naar een landbouwverwant bedrijf leidt tot een afname van het aantal verkeersbewegingen. In hetakoestisch onderzoek naar industrielawaai10 is de indirecte hinder als gevolg van de verkeersgeneratie inzichtelijk gemaakt op de maatgevende woningen aan de Matthiasstraat 1A en de Matthiasstraat 5 , direct langs de ontsluitingsweg van het perceel aan de Matthiasstraat 3 . Uit het onderzoek blijkt dat de indirecte hinder ten tijde van de reguliere bedrijfsvoering voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Voor meer informatie wordt verwezen naar paragraaf 4.6 . Conclusie Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling van het plan. Aan de voorwaarden voor bestuurlijke afweging en het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. Vanuit het aspect geluid als gevolg van wegen, spoorwegen en industrieterreinen, is met inachtneming van de genoemde voorwaarden, sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12

Natuur

4.12.1

Algemeen Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000 -g ebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds - en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

10

G&O Consult, Akoestisch onderzoek voor de locatie gelegen aan de Matthiasstraat 3, 5811 AN Castenray, rapportnummer 5963ao0225 , 15 oktober 2025.

62

Gebiedsbescherming De Europese Vogel - en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000 -gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000 -gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevings plan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000 -gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000 -gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000 -netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000 is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

-activiteiten. Dit

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier - en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel - en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vi ndt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f O mgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikteformulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: • er soorten aanwezig zijn; en • welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.12.2

Soortenbescherming Verkennend flora- en faunaonderzoek Om een indruk te verkrijgen van de (mogelijk) aanwezige beschermde planten - en diersoorten binnen het onderzoeksgebied is een verkennend flora- en faunaonderzoek11 uitgevoerd. Onderstaand worden de conclusies van het onderzoek beschreven. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Vogels – rekening houden met het broedseizoen De sloopwerkzaamheden ter hoogte van de locatie aan de Matthiasstraat 3 hebben een verstorend effect op broedvogels die in bomen op het boerenerf nestelen. Het kunnen omgevingsscansoorten zijn, zoals de buizerd , die overigens ten tijde van het onderzoek niet aanwezig was, maar het zal merendeels gaan om algemene broedvogels. Daarbij is sprake van strijdigheid met de O mgevingswet (art. 11.37, lid 1, onder d, Besluit activiteiten leefomgeving). In gebruik zijnde nesten zijn streng beschermd en mogen daarom niet worden vernield of verstoord ten behoeve van ruimtelijke ontwikkeling en. Hiervoor is geen omgevingsvergunning voor een flora - en fauna-activiteit mogelijk. Er dient daarom voorkomen te worden dat broedende vogels worden verstoord bij de werkzaamheden binnen het onderzoeksgebied. Werkzaamheden met een grote geluidsimpact dienen derhalve

11

Kragten, Verkennend natuuronderzoek, woningbouw Castenray, projectnummer HVG004

, 9 mei 2025.

63

plaats te vinden buiten het broedseizoen. Het broedseizoen duurt globaal van half maart tot half juli, afhankelijk van de weersomstandigheden en de betreffende vogelsoort. Indien het niet mogelijk is om te werken buiten het broedseizoen, kan middels een broedvogelschouw onderzocht worden of er nesten aanwezig zijn in de buurt van de werkzaamheden. In dat geval bepaalt de ecoloog welke werkzaamheden wel en niet kunnen worden uitgevoerd en in het laatste geval moeten deze worden uitgesteld tot buiten de kwetsbare periode. Zoogdieren, steenmarter – nader onderzoek of rekening houden met zorgplicht Het is niet bekend of de steenmarter een verblijfplaats heeft in de te slopen stallenter hoogte van de locatie aan de Matthiasstraat 3. De soort is alleen vrijgesteld in de periode 15 augustus tot en met februari. Als buiten deze periode sloopactiviteiten plaatsvinden, dient voorafgaand eraan onderzoek te worden uitgevoerd naar het voorkomen van de soort. Indien de soort voorkomt, moetende activiteiten worden uitgesteld tot de genoemde periode of er moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor een flora- en fauna-activiteit. De verblijfplaats dient vervolgens ontoegankelijk te worden gemaakt.

Indien de sloop binnen de genoemde periode kan worden uitgevoerd, geldt alleen de zorgplicht, waarbij werkzaamheden zodanig zorgvuldig worden uitgevoerd dat het verwonden of doden van een aanwezige steenmarter wordt voorkomen. Algemeen voorkomende zoogdiersoorten – rekening houden met de zorgplicht Bij het bouwrijp maken van thans in gebruik zijnde landbouwgronden kunnen algemeen voorkomende zoogdieren van de Vrijstellingslijst worden verwond of gedood, het gaat met name om muizensoorten als de veldmuis of de rosse woelmuis. Bij het verwijderen van de toplaag dient de zorgplicht in acht te worden genomen door werkzaamheden zodanig uit te voeren, dat dieren de gelegenheid hebben te ontsnappen. Zoogdieren, vleermuizen - nader onderzoek Omdat nog niet te bepalen is welke de effecten zijn van het voornemen op de functie verblijfplaats van de te slopen stallen binnen het onderzoeksgebied ter hoogte van de locatie aan de Matthiasstraat 3 , dient een nader onderzoek te worden uitgevoerd, conform het vigerende Vleermuisprotocol (thans versie 2021). Indien verblijfplaatsen aanwezig zijn in de te slopen gebouwen, is een omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit nodig. Bescherming van houtopstanden Voor de omvorming van akkers tot woongebied in het onderzoeksgebied is geen kap van bomen nodig.

Conclusie soortenbescherming Voor het beoogde woongebied ‘Poort van Castenray’ bestaan er vanuit het aspect soortenbescherming geen belemmeringen. Voor de locatie aan de Matthiasstraat 3 geldt dat nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is en indien werkzaamheden niet buiten de vrijgestelde periodes plaatsv inden, mogelijk ook onderzoek naar de aanwezigheid van steenmarter en broedvogels nodig is. Met inachtneming van deze voorwaarden is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.12.3

Gebiedsbescherming Natura 2000 -gebieden en Na tuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde Natura 2000 -gebieden zijn Boschhuizerbergen en Maasduinen, op respectievelijk 5,4 en 8,2 km afstand van het plang ebied. Gezien de afstand tot de Natura 2000 -gebieden en de aard van de ingreep, kan dit redelijkerwijs niet tot negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen leiden, zoals verstoring door licht en geluid van soorten. Gevolgen voor grondwaterstromen en daarmee voor verdrogingsgevoelige habitattypen zijn er niet, er vindt geen bemaling plaats. Een uitzondering geldt de mogeli jke stikstofdepositie op beide gebieden, veroorzaakt door de inzet van materieel in de aanlegfase en transportbewegingen van vrachtauto’s en werkverkeer. In de gebruiksfase zal bovendien sprake zijn van een toename van verkeersbewegingen ten opzichte van d e huidige situatie vanwege de omvorming van landbouw - naar

64

woongebied. Beide gebieden bevatten stikstofgevoelige habitattypen. Een en ander zal aan de hand van AERIUS-berekeningen moeten worden uitgezocht. Er is geen sprake van overlap van het plangebied met het Natuurnetwerk Limburg (NNL), het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), dat sinds 2013 de voortzetting is van de EHS (ecologische hoofdstructuur). Het NNL ligt op ruim 300 meter ten zuiden en de Groenblauwe mantel, de provinciale aanvulling op het NNN, ligt op circa 250 meter naar het zuiden. Er geldt, net als voor de Natura 2000 -gebieden Boschhuizerbergen en Maasduinen, dat verstoring redelijkerwijs uit te sluiten is en van fysieke aantasting is in het geheel geen sprake. Daarom kunnen negatieve gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNL worden uitgesloten Stikstofdepositie Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan met name om stikstofdepositie. Om de effecten van het plan op de omliggende Natura 2000 -gebieden te bepalen is een stikstofdepositieonderzoek12 uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de resultaten van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16974237/1