B1.3 - Motivering TAM-omgevingsplan HVG004 va01 - aanpassingen met arceringen
Tekst van het document
Met de realisatie van minimaal 2 4 sociale huurwoningen en minimaal 31 woningen betaalbare binnen in de vorm van een middenhuur woning of betaalbare koopwoning, wordt een belangrijke bijdrage geleverd een het terugdringen van het gemeentelijke en regionale tekort aan het betreffende type woningen.
Afbeelding 15 . Confrontatie plancapaciteit (totaal) met kwalitatieve woningbehoefteVenray (bron: Woningbehoefteonderzoek Venray, 6 mei 2025). Voor meer informatie over de onderbouwing van de behoefte wordt verwezen naar de paragrafen 3.2 en 3.3 en meer specifiek de subparagrafen daarbinnen met betrekking tot het volkshuisvestelijk beleid. Conclusie De ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de ladder voor duurzame verstedelijking. Op basis van het voorgaand e wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2
Provinciaal en regionaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Limburg Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten van de provincie Limburg de Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. De Omgevingsvisie Limburg is per 25 oktober 2021 in werking getreden. Limburgse principes Op grond van de kaart 'Limburgse principes' is het plangebied aangeduid als 'Buitengebied', zoals ook weergegeven op de navolgende afbeelding.
26
Afbeelding 16 . Uitsnede kaart 'Limburgse principes'. Het buitengebied betreft de landelijke gebieden op de Zuid -Limburgse plateaus en op de hogere zandgronden in Noord - en Midden-Limburg, samen zo’n 85.000 hectaren groot. Vergeleken met Noord - en Midden-Limburg zijn er in Zuid -Limburg minder mogelijkheden voor intensieve vormen van grondgebruik op de plateaus. Dit komt door de aard van de ondergrond en de aanwezige omgevingskwaliteiten. Op de hogere zandgronden van Noord - en Midden-Limburg is, rekening houdend met de droogtegevoeligheid en de kwaliteit van de grondwatervoorraden, een breed scala aan grondgebruiksvormen mogelijk, rekening houdend met de ruimteclaims vanuit de verschillende transitieopgaves. Visie wonen en leefomgeving De provincie Limburg streeft naar een woningaanbod/planvoorraad waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, in kwalitatief en kwantitatief opzicht. Dit betekentdat voldoende (betaalbare) woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek op het juiste moment beschikbaar moeten zijn. Alle woningbouwontwikkelingen worden als een provinciaal belang beschouwd. Verder streeft de provincie Limburg naar een gezonde en veilige leefomgeving voor iedere Limburger. Een inrichting van de leefomgeving die bewegen, ontmoeten, zelfredzaamheid, educatie en een gezonde leefstijl stimuleert.
Toetsing Hoewel het plangebied op grond van de Omgevingsvisie Limburg binnen het 'buitengebied' ligt, is sprake van een uitbreiding aan de noordwestzijde van de kern Castenray, direct grenzend aan de bestaande kern. Dit in combinatie met de beëindiging van een intensieve veehouderij, waarmee een verbetering van het woon - en leefklimaat van het omliggende gebied wordt bereikt. Verder is in het ontwerp veel aandacht voor groen en natuur, duurzaamheid, klimaatadaptatie, gezondheid en veiligheid. Met de ontwikkeling wordt ook een belangrijke bijdrage geleverd aan invulling van de actuele en urgente woningbehoefte. Van de 89 woningen betreft één woning een gemeentelijke ruimte voor ruimte-kavel in ruil voor de sloop van bebouwing ter hoogte van de Matthiasstraat 3. Voor de overige 88 woningen is het
27
uitgangspunt dat minimaal 24 woningen als sociale huurwoning wordt uitgevoerd, minimaal 7 woningen als sociale koopwoning wordt uitgevoerd en minimaal 31 woningen als middenhuur of betaalbare koopwoning wordt uitgevoerd. Het overige deel van de woningen is vrij in te vullen. De ontwikkeling is hiermee ook in lijn met de 'Woondeal Limburg', die onder meer door de Limburgse gemeenten en de provincie Limburg in maart 2023 is ondertekend. Hiermee is het plan in lijn met de provinciale omgevingsvisie voor wonen en de leefomgeving. Conclusie De ontwikkeling wordt passend geacht binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.
3.2.2
Omgevingsverordening Limburg Op 1 januari 2024 is de 'Omgevingsverordening Limburg' in werking getreden. Hierin staan de (instructie)regels die het omgevingsbeleid van de Omgevingsvisie Limburg juridische binding geven. Onderstaand wordt ingegaan op de voor het plangebied van belang z ijnde aspecten. Klimaatadaptatie In paragraaf 3.2.3, artikel 3.5 'Klimaatadaptatie' van de Omgevingsverordening Limburg zijn de volgende regels opgenomen met betrekking tot klimaatadaptatie: • De motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. • In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming; c. droogte. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstesten overstromingskaarten. In het voorliggende geval wordt in voldoende mate rekening gehouden met de risico's en gevolgen van de klimaatverandering.
Er wordt voorzien in groenvoorzieningen en voor de waterhuishouding wordt rekening gehouden met de meest actuele normen van Waterschap Limburg voor de berging van hemelwater (zie paragraaf 4.14 ). Wateroverlast is daardoor niet te verwachten. Doordat water binnen het plangebied zelf wordt opgevangen, onder meer in de vorm van diverse wadi's, wordt ook droogte tegengegaan. Er is geen sprake van direct overstromingsgevaar. Op basis van de kaart 'kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier' van de Atlas Leefomgeving, is sprake van een gebied dat niet overstroomt.
Afbeelding 17 . Uitsnede kaart 'kans op overstroming vanuit zee, meer of rivier' van de Atlas Leefomgeving.
28
Beschermingsgebieden grondwater en stiltegebieden In hoofdstuk 4 van de Omgevingsverordening Limburg zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot grondwater. Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg blijkt dat het plangebied binnen de boringsvrije zone Venloschol ligt. Binnen de Venloschol geldt dat de waterschapsverordening bepaalt dat het dieper dan vijf meter boven NAP verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren. Verder is het verboden een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen ofte hebben in de boringsvrije zone Venloschol, als deze dieper ligt dan vijf meter boven NAP. Het aanleggen of hebben van een open bodemenergiesysteem in de boringsvrije zone Venloschol wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan Gedeputeer de Staten. De genoemde activiteiten zijn vooralsnog niet voorzien. Mocht hier in de toekomst wel sprake van zijn, dan dient men zich te houden aan de regels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Limburg. Verder ligt het plangebied niet binnen een stiltegebied, waterwingebied, grondwaterbeschermingszone of overige boringsvrije zone. Natuurgebieden In hoofdstuk 8 van de Omgevingsverordening Limburg zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot natuurgebieden.
Op basis van de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg ligt het plangebied niet binnen of direct grenzend aan het Natuurnetwerk Limburg of Natura 2000 -gebieden. Evenmin ligt het plangebied binnen of direct grenzend aan de groenblauwe mantel. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen nadere instructieregels van toepassing. Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen In paragraaf 12.1.1, artikel 12.1 van de Omgevingsverordening Limburg zijn de volgende instructieregels met betrekking tot een nieuwe planvoorraad woningen opgenomen: Artikel 12.1 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zo rg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d.
het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. In het voorliggende geval: a. ligt het plan weliswaar binnen als ‘buitengebied’ aangewezen gronden, maar is sprake van een logische situering in directe aansluiting op de bestaande kern Castenray en is rekening gehouden met de aspecten wonen en leefomgeving van de provinciale omgevings visie, met onder meer woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek, dit in combinatie met de beëindiging van een intensieve veehouderij , waarmee een verbetering van het woon- en leefklimaat in de omgeving wordt bereikt. Hiermee is in voldoende mate rekening gehouden met de aspecten wonen en leefomgeving van de provinciale omgevingsvisie ; b. is sprake van een ontwikkeling waarbij invulling wordt gegeven aan een concrete behoefte, zowel in kwaliteit als kwantiteit (zie ook paragraaf 3.1.3 ); c. heeft afstemming plaatsgevonden met de regio Noord-Limburg over de behoefte en is ook sprake van overeenstemming (zie ook paragraaf 3.2.4 );
29
d. e.
is het plan opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring; wordt ernaar gestreefd om het plan binnen 5 jaar na vaststelling en onherroepelijk zijn van het TAM omgevingsplan te realiseren, één en ander is ook vastgelegd in de anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer.
Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het initiatief past binnen de beleidsuitgangspunten zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg. Vanuit dit kader wordt invulling gegeven aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
3.2.3
Woondeal Op 9 maart 2023 is door de Minister voor VRO, Provincie Limburg, Limburgse g emeenten, Waterschap Limburg en Limburgse Woningcorporaties de 'Woondeal Limburg' ondertekend. In de Woondeal staat dat er in Limburg 26.550 woningen bij komen in de periode tot en met 2030 met een ambitie voor 20.000 extra. Het grootste deel in de sociale huur, de middenhuur en de betaalbare koop. In Limburg zijn er drie woonregio’s te onderscheiden binnen de Woondeal, te weten Noord -, Midden - en ZuidLimburg. Venray maakt onderdeel uit van de regio Noord -Limburg. Noord -Limburg bouwt in de eerste termijn van 2022 tot en met 2024, 5.239 woningen, waarvan 2.654 (51%) in het betaalbare segment. In de opmaat naar én gedurende de tweede termijn van 2025 tot en met 2030 voeren de partijen, daar waar de kwaliteit in relati e tot de behoefte dat vraagt, wijzigingen door in de planvoorraad op een zodanige wijz e dat minimaal 2/3 betaalbaar wordt gerealiseerd. Deze zullen dan ook in de daadwerkelijke realisatie vanaf 2025 landen. De programmering van de tweede termijn (2025 – 2030) is structureel onderwerp van gesprek op de regionale woontafel. Voor de gemeente Venray is in de eerste termijn (2022 -2024) voorzien in een toevoeging van circa 608 woningen.
De woningbouwopgaven en -kansen worden voor de tweede termijn (2025 – 2030) nog nader geduid voor de regio Noord -Limburg middels een op te stellen ‘Toekomstvisie wonen Noord-Limburg’. Toetsing Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de Woondeal 2023. Zo wordt invulling gegeven aan de behoefte aan woningen en wordt tevens ingezet op een aanzienlijk aandeel betaalbare woningen . Van de 89 woningen betreft één woning een gemeentelijke ruimte voor ruimte-kavel. Voor de overige 88 woningen is het uitgangspunt dat minimaal 24 woningen als sociale huurwoning wordt uitgevoerd, minimaal 7 woningen als sociale koopwoning wordt uitgevoerd en minimaal 31 woningen als middenhuur of betaalbare koo pwoning wordt uitgevoerd. Het overige deel van de woningen is vrij in te vullen. Het plan is hiermee in lijn met de 'Woondeal Limburg'. Conclusie Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat het planvoornemen aansluit bij de uitgangspunten van de Woondeal 2023.
3.2.4
Regionale woonvisie -Limburg Noord 2020 -2024 Het regionale woningbouwbeleid is vastgelegd in de 'Regionale woonvisie Noord -Limburg 2020 -2024'. De regionale woonvisie geeft richting aan het woonbeleid voor de periode 2020 - 2024 voor de acht Noord Limburgse gemeenten, waaronder ook Venray. In de regionale woonvisie is onder meer aangegeven dat er sprake is van een mismatch tussen woningbehoefte en woningvoorraad. Het gaat hierbij om zowel de bestaande woningvoorraad, als nieuwbouw. Geconstateerd wordt dat de samenstelling van de bevolking verandert. We worden ouder en er is een grote toename van het aantal 1 -persoonshuishoudens. Dit brengt een andere woonvraag met zich mee. Deze vraag sluit maar deels aan op wat we in onze bestaande voorraad hebben. De opgave ligt dan ook bij het aanpassen v an de bestaande
30
voorraad. De nieuwbouw die wordt toegevoegd , dient toegespitst te worden op de toekomstige woningbehoefte. Hierbij wordt nog meer dan voorheen naar de kwalitatieve vraag en het bevorderen van de doorstroming op de regionale woningmarkt gekeken. Bij nieuwbouw is de kwalitatieve toets daarom leidend en in mindere mate de kwantitatieve toets. Daarnaast is sprake van een zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen de woningmarkt. In de regio komen verschillende doelgroepen nadrukkelijker naar voren komen. Die moeten allemaal een plek krijgen binnen de woningmarkt en maatschappij. Denk hierbij aan zorgdoelgroepen (vanuit beschermd wonen naar de reguliere woningmarkt) en internationale werknemers de zich hier voor langere tijd willen vestigen. Maar ook woonwagenbewoners. Voor een deel zijn bijzondere doelgroepen afhankelijk van de social e huursector. De druk op dit segment lijkt dan ook toe te nemen. Niet alleen qua aantallen, maar juist door een concentratie van mensen die door allerlei oorzaken hun weg maar moeilijk kunnen vinden in onze maatschappij. Dit brengt druk op de leefbaarheid met zich mee. Aangegeven is dat de huishoudensprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen wordt gehanteerd. Echter, de kwalitatieve toets is leidend.
Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, ma ar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Toetsing In het voorliggende geval is sprake van de ontwikkeling van een woongebied met een variëteit aan woningen. Er wordt invulling gegeven aan de concrete en actuele behoefte aan woningen en er wordt tevens ingezet op een aanzienlijk aandeel betaalbare woningen. Van de 89 woningen betreft één woning een gemeentelijke ruimte voor ruimte-kavel. Voor de overige 88 woningen is het uitgangspunt dat 2 4 woningen als sociale huurwoning wordt uitgevoerd, 7 woningen als sociale koopwoning en 31 woningen als middenhuur of betaalbare koopwoning. Het overige deel van de woningen is vrij in te vullen. Binnen de 88 woningen zal een deel van de woningen gericht zijn op starters en senioren en als levensloopbestendig worden uitgevoerd. Het minimale aantal woningen dat als levensloopbestendig wordt uitgevoerd bedraagt 2 4 . De beoogde ontwikkeling is tot slotafgestemd binnen de regio en akkoord bevonden. Conclusie Op basis van voorgaande kan gesteld worden dat het planvoornemen aansluit bij de uitgangspunten van de Regionale woonvisie Noord -Limburg 2020 -2024 .
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstvisie Venray 2030 Binnen de toekomstvisie voor Venray 'Venray loopt voorop' staat de vraag centraal hoe Venray eruit ziet in het jaar 2030. De toekomstvisie gaat in op: • de grote ontwikkelingen die op Venray afkomen en aangeven wat dit betekent voor de opgaven op lokaal en regionaal niveau en voor de vraagstukken of agendapunten voor het lokaal bestuur (kompas); • het opleveren van verbinding en energie door samen met de Venrayse gemeenschap – inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners – te komen tot een gezamenlijk toekomstbeeld van Venray; • het slim leggen van verbinding met andere participatietrajecten, zodat hier op voortgebouwd kan worden onder meer bij de totstandkoming van de omgevingsvisie. Ten aanzien van het thema wonen wordt het belang van een goede kwaliteit van woonomgeving en woningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid en kwalitatief goede voorzieningen onderstreept. Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venrayeffectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering.
31
De thema’s die centraal staan zijn: 1. Venray is dorp en stad; 2. Venray is kennisintensief; 3. Venray zorgt voor elkaar; 4. Venray is levendig; 5. Venray voorziet in alle woonwensen. De gemeente wil voorzien in alle woonwensen en biedt daarbij de ruimte voor een gevarieerde en boeiende maatschappelijke omgeving. Door een grote zorg voor het in stand houden en verbeteren van de bestaande woonwijken (soms in de vorm van herstructurering)beoogt de gemeente unieke woonmilieus creëren, waarin de bestaande sociale structuren en voorzieningen op een positieve wijze worden beïnvloed. Verder wordt aangegeven dat Venray streeft naar een landelijk gebied waar agrarische bedrijven vooroplopen in duurzaamheid en circulair produceren. Kringlooplandbouw wordt versterkt en er wordt ingezet op natuurinclusieve landbouw. Agrarische activiteiten die hier niet bij passen, zullen hierdoor verdwijnen. Vanwege schaalvergroting of stoppende agrariërs is de prognose dat richting 2030 7 - 19% van de oppervlakte van agrarische bebouwing vrijkomt ten opzichte van 2012. De ontwikkeling aan de Matthiasstraat 3 is in lijn hiermee. Conclusie Het voorliggende woningbouwplan en de wijziging ter hoogte van de Matthiasstraat 3 zijn in lijn met de in de toekomstvisie opgenomen beleidsuitspraken.
3.3.2
Omgevingsvisie Venray De gemeenteraad van Venray heeft op 12 december 2023 de 'Omgevingsvisie Venray' vastgesteld. De ‘Omgevingsvisie Venray ’ geeft aan wat belangrijk wordt gevonden in de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving is alles wat we buiten zien en voelen: bijvoorbeeld hoe de gemeente eruit ziet, wat de kwaliteit is van de lucht en welke bedrijven er zijn. De omgevingsvisie gaat in op de ambities en doelen voor de komende jaren en de samenhang tussen de belangrijke thema’s zoals milieu, natuur, gezondheid, wonen, recreatie en verkeer en vervoer en de belangrijke waarden zoals landschap en cultureel erfgoed. De O mgevingsvisie is de ruimtelijke vertaling van de Toekomstvisie 2030 'Venray loopt voorop'. In z'n algemeenheid is in de omgevingsvisie aangegeven dat het in Venray fijn is om te wonen en leven, er is sprake van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. De kernen bieden verschillende kwaliteiten en omgevingen om te wonen (woonmilieus). Over het algemeen is sprake van een dorps woonmilieu, ruim opgezet, met een lage woningdichtheid en veel groen. Dit wil de gemeente graag zo houden. In de O mgevingsvisie komen de verschillende opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie en woningbouw samen in vier integrale hoofdambities voor de komende 10 à 20 jaar.
Deze ambities zijn: • Groen wonen voor iedereen: toegankelijk groen in alle woongebieden om hittestress en wateroverlast te beperken; • Een gezond Venray heeft de toekomst: de gemeente zet in op een goede milieukwaliteit, duurzame energiebronnen, kringlooplandbouw en het stimuleren van innovatie in de agrarische sector; • Venray bloeit, bruist en boeit: de gemeente moet aantrekkelijk zijn en blijven voor inwoners en bedrijven om zich te vestigen en te ontwikkelen; • Natuurlijk Venray: behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteiten. Aan de hand van hoofdambities zijn de volgende actielijnen uitgewerkt: • Versnellen: gezien het urgente woningtekortworden acties benoemd om de woningbouw in Venray gericht te versnellen; • Vergroten (kwantiteit): de komende jarenwordt gestreefd naar een bouwproductie van minimaal 200 woningen per jaar, door ‘zachte’ plannen hard te maken en extra plannen te ontwikkelen. Het streven is een bouwproductie van minimaal 2.000 woningen tot 2035. Er wordt gebouwd in iedere kern ;
32
•
Veranderen (kwaliteit): woonmilieu, woningtype en-prijs moeten beter aansluiten bij de behoefte. Naast het uitvoeren van een kwalitatief woningmarktonderzoekwordt ingezet op meer betaalbare woningen, de aanpak van leegstand, de ontwikkeling van bijzondere woonconcepten en meer (tijdelijke) woningen voor specifieke doelgroepen.
Ten aanzien van wonen is in de O mgevingsvisie aangegeven dat de gemeente Venray streeft naar een aantrekkelijk en duurzaam woonklimaat. De gemeente heeft verder de ambitie om in 2030 CO 2 neutraal te zijn. Het doel voor de sector wonen is: 50% van de bestaande woningen zijn 50% energiezuiniger en 50% van de woningen voorziet in 100% van eigen energievraag. Om dit doel te bereiken, worden woningbezitters gestimuleerd om maatregelen te treff en zoals betere isolatie en het gebruik van zonnepanelen. In de woongebieden streeft de gemeente ernaar om: • de woonkwaliteit te verbeteren door het realiseren van de juiste woningen op de juiste plek en het aanpassen van de bestaande woningvoorraad; • een transitievisie warmte op te stellen; • een goede huisvesting en integratie van bijzondere doelgroepen te bevorderen; • te zorgen voor voldoende toegankelijk groen om te ontmoeten en bewegen; • aandacht te besteden aan de fysieke en sociale veiligheid. In de agrarische gebieden streeft de gemeente ernaar om het woonklimaat te verbeteren door meer scheiding tussen wonen en veehouderijen aan te brengen. Nieuwe woningen worden alleen toegestaan in de kernrandzones en bestaande woonclusters. Toetsing In het voorliggende geval is sprake van een woningbouwontwikkeling waarmee een substantiëlebijdrage wordt geleverd aan de beoogde bouwproductie voor de periode tot 2035.
Ook wordt invulling gegeven aan het streven naar meer betaalbare woningen. Het uitgangspunt is dat 2 4 woningen als sociale huurwoning wordt uitgevoerd, 7 woningen als sociale koopwoning wordt uitgevoerd en 31 woningen als middenhuur of betaalbare koopwoning wordt uitgevoerd. Verder wordt invulling gegeven aan het streven naar voldoende toegankelijk groen om te ontmoeten en bewegen, door zowel aan de randen van het woongebied als in het woongebied zelf voldoende ruimte in het stedenbouwkundig ontwerp te reserverenvoor groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. Hiermee wordt ook een bijdrage geleverd aan het beperken van hittestress en het kunnen bergen van extremere buien. Daarnaast is sprake van de beëindiging van de intensieve veehouderij op de locatie Matthiasstraat 3 en wordt ter plaatse een landbouwverwant bedrijf opgestart. De beëindiging van de intensieve veehouderij draagt bij aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat in de omgeving, waaronder zowel het beoogde woningbouwgebied als bestaande woningen behorende tot de kern Castenray. Conclusie De beoogde ontwikkeling en passen binnen de beleidskaders zoals opgenomen in de ‘Omgevingsvisie Venray ’.
3.3.3
Omgevingsprogramma Wonen Op 15 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Venray het ‘Omgevingsprogramma Wonen ’ en de Uitvoeringsagenda Wonen 2022 vastgesteld. In het Omgevingsprogramma is een aantal instrumenten benoemd die kunnen bijdragen aan het realiseren van de doelstellingen van het Omgevingsprogramma. De ‘Doelgroepenverordening Wonen Venray 2022 ’ is één van die instrumenten. In de gemeente Venray is sprake van een toenemend tekort aan huur- en koopwoningen, in alle typen en prijsklassen. Met het 'Omgevingsprogramma Wonen' wil de gemeente meer regie pakken bij woningbouwprojecten en werken aan versnelling, verandering en verduurzaming.
33
In het Omgevingsprogramma Wonen is vastgelegd dat de komende 10 jaar minimaal 50% van de te realiseren woningen in het betaalbare segment dient te vallen. Met de doelgroepenverordening kan bij nieuwe ontwikkelingen publiekrechtelijk worden geregeld dat er voldoende woningen in het sociale en betaalbare segment worden gerealiseerd. Tevens wordt geregeld dat deze woningen ook langjarig beschikbaar blijven voor de betreffende doelgroepen. Doelgroepen en de juiste woning op de juiste plek Bij elke doelgroep is er sprake van een tekort. Het is de ambitie van de gemeente om meer aan te sluiten bij de behoeften van inwoners. Daarom betrekt de gemeente ook de dorps- en de wijkraden onder het motto: de juiste woning op de juiste plek voor de jui ste doelgroep. Zo wordt ervoor gezorgd dat de juiste woningen worden gebouwd. Vijf thema's In het Omgevingsprogramma Wonen van Venray zijn de volgende 5 thema's als speerpunt opgenomen: 1. Snel voldoende woningen bouwen • Minstens 2.000 woningen vóór 2035 ; • Gemiddeld 150 woningen per jaar de komende 10 jaar ; • De eerste jaren zelfs 200 woningen per jaar ; • Woningen bouwen in iedere kern van de gemeente. 2.
Een gevarieerd aanbod • Doorstroming naar passende woningen stimuleren: levensloopbestendig voor senioren, starterswoningen voor jongeren; • Juridisch mogelijk maken om woningen langere tijd betaalbaar en bereikbaar te houden voor specifieke doelgroepen; • Verschillende soorten woningen, allemaal duurzaam en toekomstgericht gebouwd; • 50% betaalbare, 20% bereikbare en 30% dure woningen.
3.
Duurzame woningvoorraad • CO 2 neutraal met compensatie in 2030 ; • Volledig energieneutraal in 2050 ; • Circulaire werkwijze als vanzelfsprekend uitgangspunt in 2035 ; • Meer groen in kern en wijk voor meer verkoeling.
4.
Wonen, gezondheid en zorg • Zorgbehoevenden die zelfstandig willen wonen kunnen dit in onze gemeente ; • Mensen vanuit instelling bieden we een passende ondersteuning en huisvesting; • Verschillende woonvormen.
5.
Vitale wijken en dorpen • Samen wonen en elkaar helpen ; • Ruimte voor woningbouw in elke kern met behoud van ruimtelijke en cultuurhistorische waarde ; • Voldoende voorzieningen in kernen of nabijheid.
Toetsing In het voorliggende geval is sprake van een woningbouwontwikkeling waarmee een substantiële bijdrage wordt geleverd aan de versnelling van de woningbouw en beoogde bouwproductie voor de periode tot 2035. Ook wordt invulling gegeven aan het streven naar meer betaalbare woningen . Van de 89 woningen betreft één woning een gemeentelijke ruimte voor ruimte -kavel. Voor de overige 88 woningen is het uitgangspunt dat minimaal 24 woningen als sociale huurwoning wordt uitgevoerd, minimaal 7 woningen als sociale koopw oning wordt uitgevoerd en minimaal 31 woningen als middenhuur of betaalbare koopwoning wordt uitgevoerd. Het overige deel van de woningen is vrij in te vullen.
34
Er is verder sprake van verschillende soorten woningen, zowel vrijstaande, halfvrijstaande als rijwoningen. Een deel van de woningen (minimaal 24) wordt daarbij als levensloopbestendig uitgevoerd, waarmee deze woningen bij uitstek ook geschikt zijn voor senioren. Verder wordt gelet op het aandeel aan betaalbare woningen invulling gegeven aan de behoefte aan woningen voor starters. Verder is sprake van duurzame woningen. Tot slot wordt opgemerkt datde beoogde ontwikkeling in lijn is met de ‘Doelgroepenverordening Wonen Venray 2022’. Dit is geborgd in de regels van dit TAM -omgevingsplan en daarnaast zijn in de tussen de gemeente en initiatiefnemer afgesloten anterieure overeenkomst hierover nadere afs praken vastgelegd Conclusie De beoogde ontwikkeling past binnen de beleidskaders zoals opgenomen in het ‘Omgevingsprogramma Wonen’.
3.3.4
Ruimtelijk Kwaliteitskader gemeente Venray Op 31 oktober 2023 heeft de gemeenteraad van Venray het Ruimtelijk kwaliteitskader gemeente Venray (RKK) vastgesteld. Het RKK dient ter toetsing van de gebiedskwaliteiten en visueel-landschappelijke waarden bij nieuwe ontwikkelingen en uitbreidingen. Met het ruimtelijk kwaliteitskade r is vastgelegd welke waarden en kenmerken belangrijk zijn om te behouden, versterken of herstellen en welke randvoorwaarden gelden om toekomstige plannen mogelijk te maken.
3.3.4.1
Woongebied Oude ontginningsgebieden Het beoogde woongebied maakt onderdeel uit van de ‘Oude ontginningsgebieden’. Dit oude agrarische landschap wordt gekenmerkt door een onregelmatige structuur. De verkaveling is kleinschalig en op sommige plekken grillig van vorm. In de loop der tijd heeft het landschap een relatief meer open karakter gekregen. Van oorsprong komen hier veel meer landschapselementen voor zoals houtsingels en bosjes. Het gebied kent een grote afwisseling van groen en bebouwing. De boerderijen die van oudsher vrijliggend of in kleine clusterszijn gebouwd, liggen op sommige plekken nu in linten, knopen en clusters. De linten in de oude ontginningsgebieden zijn verschillend van karakter: • Perspectief agrarisch (bruin): Deze gebieden zijn overwegend agrarisch en blijven naar verwachting overwegend agrarisch. Dit betekent dat zeer terughoudend wordt omgegaan met het toevoegen van woningen en andere geurgevoelige objecten. Deze gebieden zijn over het algemeen wat verder van de dorpskernen gelegen;
• • •
Perspectief wonen (oranje): Aangeduide gebieden kennen een toekomstperspectief met overwegend wonen. Deze gebieden liggen veelal direct grenzend aan dorpskernen of bebouwingsconcentraties ; Perspectief gemengd (blauw) : Deze gebieden lenen zich voor een gemengd karakter, waarbij onder andere gedacht kan worden aan wonen, recreatie en kleinschalige bedrijvigheid ; Perspectief grootschaliger (niet-) agrarische activiteiten (rood): Deze gebieden lenen zich voor grootschalige (niet-)agrarische gebieden. Deze gebieden kenmerken zich door een goede ontsluiting waardoor grootschaligere activiteiten op deze locaties overweegbaar zijn. Deze gebieden lenen zich, onder voorwaarden, voor gr otere bedrijvigheid.
Kenmerken • Lintbeplanting aan diverse wegen en een deel van het spoor. Nog een enkele verkaveling omzoomd door singels;
• •
Oud bouwland heeft een mozaïekstructuur van diverse kavelgrootten in diverse richtingen en diverse openheid. Afwisseling in open en gesloten gebieden met een redelijk hoge bebouwingsdichtheid ; Grote diversiteit aan bedrijvigheid. De oude clusters bestaan uit agrarische bedrijvigheid en gemengd wonen.
35
W aarden
• • • •
Afwisseling tussen open en gesloten gebieden door variatie aan groenstructuren op erfranden en perceelsgrenzen; Laanbeplanting langs wegen ; Mozaïekstructuur en diversiteit in kavelgrootte ; Bebouwing veelal gelegen in linten of bebouwingsclusters.
Opgaven In de oude ontginningsgebiede n spelen de volgende opgaven:
•
Landschap, natuur, water en bodem De Europese Kaderrichtlijn Water stelt dat het watersysteem in 2027 op orde moet zijn. Dit vereist ecologisch, hydrologisch en geomorfologisch herstel van oppervlaktewateren en behoud of herstel van de fysisch-chemische toestand. De oude ontginningsgebieden lenen zich voor het toevoegen van kleine bosgebieden en landschapselementen. Hiermee wordt het leefgebied van planten en dieren van het agrarische landschap versterkt en uitgebreid en kunnen ze beter migreren tussen de grotere natuurgebieden.
•
Klimaatadaptatie Klimaatverandering vraagt om meer ruimte voor water en het vasthouden van water in droge perioden. Ook het toevoegen van groen in de vorm van laanbeplanting en erfrandbeplanting is van belang.
•
Energietransitie Realisatie van een zonneveld is mogelijk binnen een bestaand bouwvlak tot een maximum van 2 hectare. Daarbuiten is realisatie van een zonneveld mogelijk met een minimale omvang van 2 ha met inachtneming van de richtlijnen van KODE Venray. De maximale maat is afhankelijk van de maatvoering zoals in KODE Venray is vastgesteld. Landbouwtransitie In het oude ontginningsgebied zijn veel agrarische bedrijven aanwezig. De landbouwtransitie zal hier per gebied, zoals hierboven beschreven, een andere invulling hebben. Op de kaart is aangegeven welke gebieden de meeste ontwikkelmogelijkheden bieden voor agrarische ontwikkelingen en waar meer nadruk komt te liggen op functiemenging of wonen. Vrijetijdseconomie Naast de algemene opgave om voldoende recreatieve routes te hebben in het landelijk gebied, zijn er enkele linten die geschikt lijken voor kleinschalige recreatieve voorzieningen.
•
•
Uitstraling landschap • Altijd beplanting toevoegen aan het landschap ter versterking of herstel van het aaneengesloten netwerk van landschapselementen;
• • • • • •
•
Het in stand houden van de grillige verkaveling en zo mogelijk, deze zichtbaarder maken door beplanting toe te voegen op de perceelgrenzen ; Aandacht voor behoud en bescherming van cultuurhistorische structuren, zoalszandpaden en houtopstanden; Wegen die door dit gebied lopen worden aangeplant met laanbeplanting ; Kansen benutten voor bijdrage aan natuurontwikkeling, zoals akkerrandbeheer (kruidenrijke rand), bloemrijk grasland, poelen en bosjes ; De uitbreiding van bebouwing met name binnen de gesloten gebieden. Sloop van bebouwing met name binnen de open gebieden ; Opknappen van waardevolle (historische) bebouwing, eventueel d.m.v. splitsing in wooneenheden. Bij splitsing dient een extra meerwaarde gecreëerd te worden door de woning goed in te passen in relatie tot de omgeving waarin het ligt. Hiermee wordt bewerkstelligd dat de historische stedenbouwkundigeen landschapsstructuur wordt behouden, versterkt of hersteld ; Herstel van historische beplantings-, wegen - en padenstructuren.
36
Uitstraling erf en bebouwing
• •
•
• • • • • •
Bebouwing past in de kleinschalige landelijke omgeving door middel van toepassing gebiedseigen erfbeplanting, met name aan de randen van de kavel (erfrandbeplanting); Er dient altijd sprake te blijven van een goede ordening op de kavel. Dit betekent een representatieve voorzijde van het “erf” met de woonfuncties, met daarachter gelegen de eventuele bedrijfsmatige functies; De situering van de bebouwing kan variëren. Wel dient er sprake te blijven van samenhang tussen de bebouwing. Dit kan op diverse manieren tot uiting komen: een compacte uitstraling met korte onderlinge afstanden tussen de bebouwing, vormgeving van de bebou wing en het materiaal en kleurgebruik; Het voorerf/de voortuin is groen en representatief ingericht (gras, solitaire bomen, haag) en bevat geen opslagfuncties; Parkeren zo veel mogelijk op eigen terrein, ingepast met een bosje of inheemse haag ; De ontwikkelingsrichting mag nooit ten koste gaan van aaneengesloten landschapselementen, zoals houtwallen- en singels op perceelgrenzen ; Het hoofdgebouw ligt vooraan de weg ; Hoe groter de bebouwing, des te meer aaneengesloten forse landschapselementen er nodig zijn om de balans tussen het “erf” en het landschap te behouden; Welstandscriteria Buitengebied.
Toetsing Het voorliggende plan maakt het mogelijk het woningbouwplan ‘Poort van Castenray’ tot ontwikkeling te brengen. De ontwikkeling omvat de realisatie van 89 woningen aan de noordwestzijde van de kern Castenray, aan de noordzijde van de Horsterweg. Er wordt een mix aan woningtypen gerealiseerd, bestaande uit zowel rijwoningen, twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen. Van de 89 woningen betreft één woning een gemeentelijke ruimte voor ruimte -kavel. Voor de overige 88 woningen is het uitgangspunt dat m inimaal 2 4 woningen als sociale huurwoning wordt uitgevoerd, minimaal 7 woningen als sociale koopwoning wordt uitgevoerd en minimaal 31 woningen als middenhuur of betaalbare koopwoning wordt uitgevoerd. Het overige deel van de woningen is vrij in te vullen. In lijn met het RKK is met de gekozen stedenbouwkundige opzet sprake van bebouwing die past in de kleinschalige landelijke omgeving, met een variatie in de situering van bebouwing en met hoofdgebouw die vooraan de wegen komen te liggen. De samenhang in beb ouwing en binnen het openbaar gebied wordt onder meer geborgd door middel van een beeldkwaliteitsplan dat in de regels van dit TAM -omgevingsplan is geborgd.
Het geheel heeft een compacte uitstraling met korte onderlinge afstanden tussen de bebouwing, waarbij door middel van het beeldkwaliteitsplan vormgeving van de bebouwing en het materiaal - en kleurgebruik op elkaar worden afgestemd. Parkeren vindt plaats op eigen terrein bij de vrijstaande wonen en deels ook bij de twee onder een kap woningen. Voor de rijenwoningen worden voldoende parkeerplaatsen aangelegd in het openbaar gebied. Aan de zuidzijde en de noordzijde worden groenstroken gerealiseerd waarin onder meer natuurlijke wadi’s worden aangelegd om het hemelwater op te vangen en te beheren. Ook worden in ruime mate groenvoorzieningen aangelegd binnen het plangebied in de vorm van een centrale groenstrook in oostwestrichting en robuuste groenstroken langs de wegen. Hiermee wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan een klimaatadaptieve woonomgeving, waarin hittestress zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Dit in lijn met één van de opgaven voor de oude ontginningsgebieden. Verder wordt de wijk gasloos aangelegd en zal bij de toekomstige woningen gebruik worden gemaakt van duurzame energiesystemen. Er wordt gestreefd naar een duurzame, groene en toekomstbestendige wijk.
3.3.4.2
Matthiasstraat 3 De intensieve veehouderij op de locatie Matthiasstraat 3 wordt beëindigd en ter plaatse wordt een landbouwverwant bedrijf opgestart. De bestaande bedrijfswoning blijft behouden, de ruimte ten noorden van de
37
woning wordt ingericht als tuin. De beëindiging van de intensieve veehouderij draagt bij aan het verbeteren van het woon- en leefklimaat in de omgeving, waaronder zowel het beoogde woningbouwgebied als bestaande woningen behorende tot de kern Castenray. De locatie aan de Matthiasstraat 3 is deels gelegen binnen de oude ontginningsgebieden en deels binnen het als beekdalen aangeduide gebied. Vo or de betreffende locatie is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, waarvan de uitvoering is geborgd in de regels, zie ook paragraaf 2.2.2 .
3.3.4.3
Conclusie Het voorliggende plan past binnen de vastgelegde waarden en kenmerken van het Ruimtelijk kwaliteitskader gemeente Venray (RKK).
3.3.5
Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011 Algemeen De gemeente Venray heeft het vroegere provinciale Limburgs Kwaliteitsmenuuitgewerkt in de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray’, zoals vastgesteld op 20 december 2011. Deze structuurvisie is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot een verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene ) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Het stedelijke gebied is in principe de plek waar stedelijke ontwikkelingen (woningbouw, bedrijvigheid etc.) thuis horen. De gemeente Venray vindt het belangrijk dat het buitengebied van Venray waarin de landbouw, de natuur en recreatie een hoofdplaats hebben, vitaal en aantrekkelijk blijft. Het beleid moet ertoe leiden dat het buitengebied landschappelijk en ecologisch waardevoller wordt en daardoor tegelijkertijd ook meer kwaliteit te bieden heeft voor mens, plant en dier. Tegelijkertijd zit het buitengebied niet ‘op slot’: er wordt ruimte geboden aan nieuwe en/of uitbreiding van bestaande economische functies. Achterliggend doel is dat het economische draagvlak van het buitengebied wordt behouden waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de leefbaarheid.
Projectmatige woningbouw is in principe alleen toegestaan binnen de contouren van de dorpen en de grens stedelijke dynamiek, in of aansluitend aan de bestaande kernen. Pas wanneer aantoonbaar is gebleken dat er binnen de contouren onvoldoende ruimte beschikbaar is, mag ook daarbuiten worden gebouwd. Uitgangspunt daarbij is dat voor een locatie wordt gekozen die zo min mogelijk waarden aantast. Voor alle projectmatige woningbouwontwikkelingen geldt dat alleen kan worden gebouwd bij aantoonbare vraag. Het betreft hier uitbreidingsgebieden waar naast woningbouw ook nieuwe voorzieningen en infrastructuur worden gerealiseerd. Conform hetvoormalige provinciale beleidskader Limburgs Kwaliteitsmenu, wordt een bijdrage gevraagd van € 5, - per vierkante meterexploitatiegebied. De tegenprestatie vindt zo veel mogelijk ter plaatse en/of in de nabijheid van de ingreep plaats . Indien dit niet mogelijk is, komt de bijdrage ten gunste van het kwaliteitsfonds buitengebied. De ‘normale’, goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing vormt een basisonderdeel van de ontwikkeling zelf; deze kan derhalve niet worden verrekend met de bijdrage. Wel is het mogelijk om een structurele, grootschalige groene ontwikkeling (bijvoorbeeld een groene long die doorloopt van het buitengebied in de nieuwe woonwijk) in mindering te brengen.
Naast een bijdrage aan de kwaliteit van het buitengebied (groen, natuur, landschap) kan deze ook deels worden ingezet voor de verbetering van de kwaliteit van de kernen, bijvoorbeeld voor het herstel van cultuurhistorische waarden. Toetsing In het voorliggende geval is sprake van een projectmatige woningbouwlocatie en beëindiging van een intensieve veehouderij, waarbij de woningbouwlocatie aansluitend aan de bestaande kern van Castenray is geprojecteerd.
38
Binnen de grenzen van de kern Castenray is geen ruimte beschikbaar om middels het beoogde aantal woningen in de grote woningbehoefte te voorzien. Verder wordt voorzien in een ruimte landschappelijke inpassing met brede groene buffers met inbegrip van wadi’s aan zowel de noordzijde als zuidzijde van de beoogde woningbouw. Daarnaast en zijn tussen de gemeente en initiatiefnemer afspraken vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarmee wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011.
39
4
FYSIEKE LEEFOMGEVING EN MILIEU
4.1
Inleiding In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de ontwikkeling rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderzocht is wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen zi jn op het onderzochte omgevingsaspect.
4.2
Gezondheid Algemeen Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefom geving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd. Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet, bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking op de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Daarnaast zijn aspecten als de nabijheid van hoogspanningsverbindingen (i.v.m. straling), geitenhouderijen (i.v.m. endotoxinen) en percelen waarop het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan van belang. Toetsing Hoogspanningsverbindingen Voor wat betreft hoogspanningsverbindingen geldt dat deze niet in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Evenmin zijn binnen een afstand van 2 kilometer geitenhouderijen aanwezig.
Endotoxinen Voor endotoxinen geen is landelijk toetsingskader is vastgesteld, evenmin is hiervoor specifieke wet- of regelgeving van toepassing. Dit neemt niet weg dat endotoxinen, in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, kunnen worden betrokken bij de afweging om een woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Binnen een afstand van 2 kilometer vanaf het beoogde woongebied zijn geen geitenhouderijen aanwezig. Wel ligt aan de Horsterweg 39d een pluimveehouderij. In dat kader is een nader onderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt kort ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige notitie2 . In het onderzoek is de endotoxine-contour berekend en in beeld gebracht voor de locatie aan de Horsterweg 39d in Castenray. De richtafstand vanaf het gewogen emissiepunt op het bedrijf bedraagt voor de feitelijke situatie met huisvesting van vleeskuikens 21 meter. De beoogde woningbouw is gelegen op 225 meter van het gewogen emissiepunt. Hiermee wordt voldaan aan de adviesnorm van 30 EU/m³ van de Gezondheidsraad . Er is derhalve in de feitelijke situatie van Horsterweg 39 d ter hoogte van het beoogde woongeb ied geen sprake van onevenredige blootstelling aan endotoxinen. Hiermee is ten aanzien van de volksgezondheid ter plaatse van het beoogde woongebied sprake van een aanvaardbaar woon - en leefklimaat.
In de directe nabijheid van het pluimveebedrijf aan de Horsterweg 39 d zijn een aantal (bedrijfs)woningen gelegen. Een aantal van deze woningen is op een kortere afstand gelegen van het gewogen emissiepunt dan het beoogde woongebied. Deze zijn op basis van het endotoxine-toetsingskader meer beperkend bij eventuele
2 Rombou, Memo endotoxinen Horsterweg 39D Castenray
, 27 maart 2026 .
40
toekomstige ontwikkelingen van het pluimveebedrijf aan de Horsterweg 39D dan de beoogde woningbouwontwikkeling Poort van Castenray. Overige aspecten De overige genoemde aspecten worden in de hiernavolgende paragrafen nader gemotiveerd. Volledigheidshalve wordt hier dan ook verwezen naar de betreffende paragrafen. Uit de nadere motivering blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid. Er is als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van een onevenredige verslechtering van de fysieke leefomgeving. Conclusie Er is vanuit het oogpunt van gezondheid sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3
M.e.r. -beoordeling
4.3.1
Algemeen De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB -richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en p rogramma's waarvoor een plan -milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB -richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r. -procedure verplicht is. Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan -m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan -m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan -m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.
-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd. De plan -m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU -richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
4.3.2
Toetsing De beoogde ontwikkeling moet worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject en staat genoemd onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbes luit. In deze bijlage zijn voor deze activiteit geen indicatieve drempelwaarden benoemd. Dit betekent dat het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming over wijziging van het Omgevingsplan in alle gevallen dient te bepalen of het initiatief leidt tot aanzienlijke milieugevolgen en er aanleiding is tot het doorlopen van een m.e.r. -procedure. In de navolgende tabel zijn de relevante kenmerken van het plan weergegeven alsmede de belangrijkste effecten die het plan op de omgeving zal veroorzaken. Daarnaast zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling diverse (milieu)onderzoeken uitgevoerd voor de voor dit plan relevante milieuaspecten. Uit deze onderzoeken, waarvan de uitkomsten zijn verwerkt in hoofdstuk4 van deze motivering, blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten tot gevolg heeft.
41
Kenmerken van het plan De aanleg van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen' van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Omvang van het project
Cumulatie met andere projecten
Gebruik natuurlijke hulpbronnen
Productie afvalstoffen
Verontreiniging en hinder
Risico voor ongevallen
Het betreft de ontwikkeling van een woongebied met maximaal 89 woningen in combinatie met de omvorming van een intensieve veehouderij naar een landbouwverwant bedrijf. De oppervlakte van het totale plangebied bedraagt 95.962 m². De oppervlakte van het te ontwikkelen woongebied, zonder de groenzone s aan de noord- en zuidzijde van het woongebied , bedraagt 39.145 m². Er zijn geen autonome ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied bekend, die aanleiding geven tot cumulatie van milieueffecten met andere projecten. Daarmee is er voor wat betreft cumulatie met andere projecten geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen bij de realisering van de voorgenomen activiteiten zoals hiervoor beschreven. De woningen zullen allen aardgasvrij worden gerealiseerd. Er worden (bouw)materialen gebruikt zoals staal, hout, steen en beton, maar dit betreft een eenmalig gebruik en deze materialen zijn niet bijzonder schaars. Daarmee is er voor wat betreft het gebruik van natuurlijke hulpbronnen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Bouw- en sloopafval tijdens de aanlegfase zal door de betreffende aannemers worden afgevoerd en verwerkt. Tijdens de gebruiksfase is sprake van de productie van huishoudelijk afval, GFT, papier, plastic, restafval en overige stromingen zoals textiel.
Tijdens zowel de aanleg als de gebruiksfase vindt er kortom geen productie van stoffen plaats die leiden tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen of tot effecten voor de bodem- en waterkwaliteit. Daarmee is voor wat betreft de productie van afvalstoffen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt buiten de reguliere hinder gedurende de aanlegfase, die gebruikelijk is bij een dergelijke stedelijke ontwikkeling, geen onevenredige hinder die leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Één en ander blijkt ook uit para graaf 4.4 tot en met4.15 , waaruit valt af te leiden dat voor wat betreft de diverse (milieu)aspecten geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling. De ontwikkeling brengt geen significante risico's voor ongevallen met zich mee. Verkeersbewegingen van, naar en binnen het plangebied kunnen op een veilige manier plaatsvinden. Er worden daarnaast binnen het plangebied
42
geen extra gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd. Daarmee is voor wat betreft risico's voor ongevallen geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Plaats van het project Bestaand grondgebruik
Het plangebied bestaat voor wat betreft het beoogde woongebied ‘Poort van Castenray’ in de huidige situatie uit agrarische en onbebouwde gronden. Ter hoogte van de Matthiasstraat 3 is sprake van een agrarisch bedrijf met bijbehorende bebouwing, zoals stallen en een bedrijfswoning met bijbehorende tuin. Rijkdom aan en kwaliteit en regeneratievermogen Niet van toepassing. Er zijn geen bijzondere aardkundige natuurlijke hulpbronnen van het gebied waarden of andere natuurlijke hulpbronnen aanwezig. Opname vermogen milieu met aandacht voor Wetlands: niet van toepassing wetlands, kustgebieden, berg - en bosgebieden, Kustgebieden: niet van toepassing reservaten en natuurparken, H/V richtlijngebieden, Berg- en bosgebieden: niet van toepassing gebieden waar milieunormen worden overschreden, Reservaten en natuurparken: niet van toepassing gebieden met hoge bevolkingsdichtheid, Habitat/richtlijngebieden: niet van toepassing landschappelijk historisch cultureel of archeologische Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid: Nee. gebieden van belang Landschappelijk, historisch, cultureel of archeologische gebieden van belang: nee. Op basis van het onderzoek dat in het kader van de planvorming is uitgevoerd blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten veroorzaakt voor de omgeving. Er is geen sprake van aantasting van archeologische waarden.
Archeologische waarden zijn in voldoende mate geborgd middels een archeologische functie in de regels en op de verbeelding (zie paragraaf 4.4.1 ). Het plan heeft geen significant negatieve invloed op cultuurhistorische waarden in de omgeving (zie paragraaf 4.4.2 ). Op basis van de uitgevoerde flora en fauna onderzoeken blijkt dat vervolgonderzoek nodig is voor de sloop van de stallen op het perceel Matthiasstraat 3 (zie paragraaf 4.12 ). Dit vervolgonderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden. Voor zover eventuele maatregelen en/of een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn, worden deze uitgewerkt c.q. aangevraagd voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden. Voor het beoogde woongebied ‘Poort van Castenray’ in het kader van het vast te stellen TAM-omgevingsplan bestaan er vanuit het aspect soortenbescherming geen belemmeringen. Uit het nader onderzoek naar stikstofdepositie (zie paragraaf 4.12.3 is naar voren gekomen dat de
43
stikstofdepositiein de aanlegfase ten hoogste 0,01 mol N/ha/jaar bedraagt in Natura 2000 -gebieden “Maasduinen” en “Boschhuizerbergen” over een periode van 2 jaar. Significant negatieve gevolgen kunnen derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek naar stikstofdepositie iseen ecologische voortoets uitgevoerd. Op basis hiervan kunnen significant negatieve effecten worden uitgesloten. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000 -activiteit nodig en hoeft er geen Passende Beoordeling te worden opgesteld. Verdere vervolgstappen in het kader van de Omgevingsw et zijn niet nodig. Ten behoeve van verkeerslawaai is een onderzoek uitgevoerd waarbij naar voren is gekomen dat vanuit het aspect verkeerslawaai geen belemmeringen bestaan. Wel dient voor enkele woningen in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag bouwen door middel van een nader onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de geluidbelaste gevels van de geluidgevoelige gebouwen, aangetoond te worden dat wordt voldaan aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (zie paragraaf 4.11 ). Uit het onderzoek is verder gebleken dat de toename van de verkeersintensiteit op de Horsterweg ten gevolge van de beoogde ontwikkeling resulteert in een toename van ten hoogste 0,6 dB.
Hiermee wordt voldaan aan het 1,5 dB criterium zoals gesteld in Artik el 5.78af uit het Bkl en wordt de toename dus toelaatbaar geacht. Er is als gevolg van de ontwikkeling geen sprake van aanzienlijke milieueffecten. Voor de beoogde ontwikkeling is een vooronderzoek bodem conform NEN 5725 uitgevoerd (zie paragraaf 4.5 ) Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is de bodemkwaliteit voor wat betreft de procedure van het TAM-omgevingsplan in voldoende mate in beeld gebracht. Gelet op de resultaten van het bodemonderzoek en de aard van de beoogde ontwikkelingen, zijn er als gevolg van de ontwikkelingen naar verwachting geen aanzienlijke milieueffecten. Er is geen sprake van noemenswaardige landschappelijke waarden die als gevolg van de ontwikkeling worden aangetast. De voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toenemende parkeerdruk op het openbaar gebied omdat voldoende parkeerruimte gerealiseerd wordt binnen het plangebied zelf (zie paragraaf 4.13 ).
Kenmerken van het potentiële effect
44
Bereik van het effect (geografisch en grootte getroffen Niet van toepassing bevolking) Grensoverschrijdend karakter Niet van toepassing Orde van grootte en complexiteit effect Niet van toepassing Waarschijnlijkheid effect Niet van toepassing Duur, frequentie en omkeerbaarheid effect Niet van toepassing Tabel: m.e.r. -beoordeling Conclusie De ontwikkeling die middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, leidt niet tot aanzienlijke milieueffecten. Nadere analyse in een milieueffectrapportage is niet noodzakelijk.
4.4
Archeologie en cultuurhistorie In bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet is opgenomen wat wordt verstaan onder cultureel erfgoed. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van ee n evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet - en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweg ing. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van d e fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee.
Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
4.4.1
Archeologie Archeologische beleidskaart Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.Het oosten van het plangebied ligt volgens de Archeologische Beleidskaart van de gemeente Venray (2011) in de zones Categorie 2 (monumenten van zeer hoge waarde en monumenten die betrekking hebben op de historische kernen) en Categorie 3 (overige monumenten en de bufferzone rondom de bekende vindplaatsen (waarnemingen en vondstmeldingen)). Voor Categorie 2 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 250 m² en dieper dan 50 cm. Voor Categorie 3 geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 50 cm. Het overige, grootste deel van het pl angebied is gelegen in de zone Categorie 4 (droge en natte gebieden met een hoge verwachting). Voor deze verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 500 m² en dieper dan 50 cm beneden maaiveld. Archeologisch bureauonderzoek Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling, waarbij de genoemde ondergrenzen worden overschreden, is een archeologisch bureauonderzoek 3 uitgevoerd. Onderstaand wordt ingegaan op de conclusies van het onderzoek. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage.