B1.03 - Motivering TAM-omgevingsplan Vliezenweg te Venray Motivering 20260330
Tekst van het document
4.5
Gemeentelijk beleid
4.5.1
Omgevingsvisie Venray
De gemeenteraad van Venray heeft op 2 november 2021 de ‘Omgevingsvisie Venray’ vastgesteld. In deze visie geeft de gemeente aan wat zij belangrijk vindt in de fysieke leefomgeving en welke doelen en ambities zij daarin wil bereiken. De visie is gebiedsgericht en integraal opgesteld: per deelgebied wordt omschreven waar de gemeente voor staat. Door deze gebiedsgerichte benadering komt een gezamenlijke afweging tot stand en komen de kenmerken per gebied centraal te staan. De combinatie van ‘thema’s’, ‘waarden’ en ‘ambities’ per deelgebied wordt ook wel het toetsingskader genoemd voor nieuwe initiatieven. De omgevingsvisie borduurt voort op de ‘Toekomstvisie Venray 2030’ en is gericht op de periode tot 2030. Daarnaast wordt een doorkijk gegeven naar 2050. De gemeente Venray kent verschillende typen gebieden. Ieder gebied ziet er anders uit of kent andere activiteiten die er plaatsvinden. Zo wordt er in het ene gebied vooral gewoond en in het andere gebied vooral gewerkt. De activiteit die in een gebied plaatsvindt, bepaalt in grote mate wat de gemeente in een gebied belangrijk vindt en wat de gemeente met een gebied wil in de toekomst. De gemeente kent een woningtekort voor zowel jongeren als ouderen. De gemeente geeft aan te willen bouwen voor behoefte en sturen op meer kwaliteit van woningen.
Oplossingen worden gezien in het bouwen van woningen die meer aansluiten bij het toekomstperspectief. Dit toekomstperspectief bevat voldoende groen en ruimte waar Venraynaren elkaar dicht bij huis kunnen ontmoeten en er passende woningen zijn voor jong en oud.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
27
Doorwerking projectgebied Het plangebied is gelegen binnen het gebied ‘Agrarische gebieden’, dicht tegen de kern van Venray aan. Hiervoor geldt dat het verbeteren van het woonklimaat centraal staat. Dit wordt gedaan door meer scheiding te creëren tussen wonen en veehouderij; nieuwe woningen staan we alleen toe in de kernrandzones en bestaande woonclusters. Rondom het plangebied zijn reeds meerdere woningen gelegen. Men kan hier dus spreken van een bestaande wooncluster. Het is dus wenselijk om hier een nieuwe vrijstaande woning te realiseren. Gelet op het bovenstaande is het planvoornemen niet in strijd met de Omgevingsvisie Venray. 4.5.2
Ruimtelijk Kwaliteitskader
Het ruimtelijk kwaliteitskader vormt een inspiratiedocument voor initiatiefnemers en bevat aanbevelingen die helpen om een initiatief zo goed mogelijk in te passen rekening houdend met de omringende waarden. Ruimtelijke kwaliteit is het samenhangende geheel van belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde. Een omgeving die divers is, met herkenbare identiteit en aangenaam om te ervaren (belevingswaarde). Het is ook belangrijk dat er functionele samenhang is (gebruikswaarde) en dat de ruimte duurzaam, aanpasbaar en beheerbaar is ingericht (toekomstwaarde) zodat deze kan worden doorgegeven aan toekomstige generaties. Het plangebied is gelegen binnen het ‘Landelijk gebied’, waar het onder het gebied ‘Oude ontginningsgebieden’ valt. Voor dit gebied geldt dat het gekenmerkt wordt door een onregelmatige structuur. De verkaveling is kleinschalig en op sommige plekken grillig van vorm. In de loop der tijd heeft het landschap een relatief meer open karakter gekregen. Van oorsprong komen hier veel meer landschapselementen voor zoals houtsingels en bosjes. Het gebied kent een grote afwisseling van groen en bebouwing. De boerderijen die van oudsher vrijliggend of in kleine clusters gebouwd zijn, liggen op sommige plekken nu in linten, knopen en clusters. In dit gebied gelden er regels betreft de uitstraling van erf en bebouwing: •
Bebouwing past in de kleinschalige landelijke omgeving door middel van toepassing gebiedseigen erfbeplanting, met name aan de randen van het kavel (erfrandbeplanting).
•
Er dient altijd sprake te blijven van een goede ordening op de kavel. Dit betekent een representatieve voorzijde van het “erf” met de woonfuncties, met daarachter gelegen de eventuele bedrijfsmatige functies.
•
De situering van de bebouwing kan variëren. Wel dient er sprake te blijven van samenhang tussen de bebouwing. Dit kan op diverse manieren tot uiting komen: een compacte uitstraling met korte onderlinge afstanden tussen de bebouwing, vormgeving van de bebouwing en het materiaal en kleurgebruik.
•
Het voorerf/de voortuin is groen en representatief ingericht (gras, solitaire bomen, haag) en bevat geen opslagfuncties.
•
Parkeren zo veel mogelijk op eigen terrein, ingepast met een bosje of inheemse haag.
•
De ontwikkelingsrichting mag nooit ten koste gaan van aaneengesloten landschapselementen, zoals houtwallen- en singels op perceelgrenzen.
•
Het hoofdgebouw ligt vooraan de weg.
•
Hoe groter de bebouwing, des te meer aaneengesloten forse landschapselementen er nodig zijn om de balans tussen het “erf” en het landschap te behouden.
Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen binnen de ‘Oude ontginningsgebieden’, waar voor (nieuwe) bebouwing geldt dat het dient te passen in de kleinschalige landelijke omgeving. Met de realisatie van de vrijstaande woning, in
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
28
combinatie met de geplande landschappelijke inpassing, wordt hieraan voldaan. Tevens zal de situering van de beoogde woning gelijk lopen met die van de reeds bestaande naastgelegen woningen, waarmee er sprake is van samenhang tussen de bebouwing. Gelet op het bovenstaande wordt er voldaan aan het Ruimtelijk Kwaliteitskader van de gemeente Venray. 4.5.3
Omgevingsprogramma wonen
Het Omgevingsprogramma wonen van de gemeente Venray beschrijft de woningbehoefte binnen de gemeente. Hierin wordt omschreven dat de nadruk ligt op passende woningen voor senioren en starters en het hebben van een passend aanbod voor betaalbare huur- en koopwoningen voor lage- en middeninkomens. Er worden vijf thema’s beschreven: 1. Snel voldoende woningen bouwen; minstens 2.000 woningen voor 2035 en gemiddeld 150 woningen per jaar de komende 10 jaar. 2. Een gevarieerd aanbod; doorstroming naar passende woningen stimuleren, het juridisch mogelijk maken om woningen langere tijd betaalbaar en bereikbaar te houden voor specifieke doelgroepen en duurzame en toekomstgerichte woningen bouwen. 3. Duurzame woningvoorraad; volledig energieneutraal in 2050, CO2 neutraal met compensatie in 2030. Circulaire werkwijze als vanzelfsprekend uitgangspunt in 2035 en meer groen voor meer verkoeling. 4. Wonen, gezondheid en zorg; zorgbehoevenden zelfstandig laten wonen als dit mogelijk is, mensen vanuit instelling een passende ondersteuning en huisvesting bieden en verschillende woonvormen aanbieden. 5. Vitale wijken en zorg; samen wonen en elkaar helpen, ruimte voor woningbouw in elke kern met behoud van ruimtelijke en cultuurhistorische waarde en voldoende voorzieningen in kernen of nabijheid.
Doorwerking plangebied Met het planvoornemen wordt er een vrijstaande woning toegevoegd op een perceel aan de Vliezenweg te Venray. Deze woning zal duurzaam en toekomstgericht gebouwd worden. Verder vormt het Omgevingsprogramma wonen van de gemeente Venray geen belemmering. 4.5.4
Conclusie
De activiteit past binnen de gemeentelijke doelstellingen en het gemeentelijke beleid, deze aspecten vormen derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
29
5
Landschappelijke, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden
5.1
Cultuurhistorie
5.1.1
Toetsingskader
Onder de Omgevingswet wordt een samenhangende benadering van diverse belangen beoogd. Een van die belangen is cultureel erfgoed. Sinds 2016 is de regelgeving met betrekking tot het behoud en beheer van cultureel erfgoed ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Omgevingswet zorgt deze wet voor een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed. Provincies en gemeenten moeten in hun omgevingsplannen rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door een inventarisatie en analyse van het erfgoed binnen hun grenzen. Op basis daarvan wordt een passend beschermingsregime opgenomen in het omgevingsplan. Cultureel erfgoed bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten. Provincies en gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om cultureel erfgoed te beschermen via hun omgevingsplannen. De belangrijkste vraag hierbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) zich binnen hun grenzen of direct daarbuiten bevinden, en welke elementen men wil (of moet) beschermen.
Hierbij worden de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed) in acht genomen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen bevatten gezamenlijk de wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Op basis hiervan is het verplicht om de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de afweging van belangen. 5.1.2
Onderzoek
Op de Erfgoedmonitor van het Rijk6, de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Venray blijkt dat binnen het plangebied geen objecten van cultuurhistorische waarde aanwezig zijn. Er worden derhalve geen cultuurhistorische waarden geschaad met het plan. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. 5.1.3
Conclusie
Met betrekking tot het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.2
Archeologie
5.2.1
Toetsingskader
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Onderdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fysieke leefomgeving zijn overgegaan naar de Omgevingswet. De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ,
6
https://rce.webgispublisher.nl/?map=RCE%5FErfgoedmonitor
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
30
dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken. 5.2.2
Onderzoek
Ter plaatse vigeert gedeeltelijk de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’. Op basis van deze dubbelbestemming geldt dat er een onderzoeksverplichting voor archeologie is bij bouwwerkzaamheden met een verstoringsoppervlakte welke groter is dan 500 m2 en graafwerkzaamheden welke dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld. In het kader van de landschappelijke inpassing zullen de bestaande bomen, die gelegen zijn in het gebied met de dubbelbestemming, behouden blijven. Hier worden geen andere maatregelen beoogd, waardoor er geen werkzaamheden plaats zullen vinden die de archeologische waarden kunnen schaden. Een archeologisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. In onderhavig TAM- omgevingsplan worden de huidige archeologische waarde behouden. 5.2.3
Conclusie
Met betrekking tot het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
5.3
Welstand
5.3.1
Toetsingskader
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, maat, kleur of gebruikte materialen. Welstandsnota en -criteria Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. Deze zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de welstandsnota kan de gemeente ook bepaalde gebieden aangeven die welstandsvrij zijn. De welstandsnota volgt uit artikel 12a, lid 1 van de Woningwet. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn de artikelen over welstand in de Woningwet vervallen. Voor de welstandsnota geldt overgangsrecht (artikel 4.114, lid 1 van de Invoeringswet Omgevingswet). De welstandsnota is een beleidsregel, als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Onder de Omgevingswet kunnen gemeenteraden ervoor kiezen om wel of geen regels te stellen over het uiterlijk van bouwwerken (artikel 4.19 Ow). Het stellen van welstandscriteria is daarmee geen verplichting meer. Als een gemeenteraad ervoor kiest om wel welstandscriteria op te stellen, dan moet dat in het omgevingsplan worden opgenomen. Daarnaast gaan de welstandscriteria onder de Omgevingswet, anders dan onder de oude wetgeving, alleen over het uiterlijk van een bouwwerk en dus niet meer over de plaatsing. Welstandstoets Bij nieuwbouw of verbouw beoordeelt de gemeente met een welstandstoets of het bouwwerk past in de omgeving.
Dit doet de gemeente op basis van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bij de beoordeling of het uiterlijk van het bouwwerk voldoet aan de redelijke eisen van welstand gebruikt de gemeente de welstandsnota waar de beleidsregels in staan. Voor een gebied dat is aangegeven als welstandsvrij in de gemeentelijke welstandsnota, hoeft er geen welstandstoets plaats te vinden. In het geval dat de gemeente
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
31
geen welstandsnota en beleidsregels heeft voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken, gelden er geen regels. De regels voor een welstandtoets zijn opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van de bruidsschat. Daarmee maken deze regels deel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 22.7 Repressief welstand In artikel 22.7 Bruidsschat staat dat het uiterlijk van de volgende bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota: •
Een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en
•
een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.
In het tweede lid van het artikel staat dat het eerste lid niet van toepassing is als het gaat om een in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn. Dit wordt ook wel een welstandsvrij gebied genoemd. Artikel 22.7 wordt ook wel de excessenregeling genoemd. Deze regeling ziet erop toe dat de gemeente een eigenaar kan verplichten om aanpassingen aan het bouwwerk te verrichten waarmee de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand wordt opgeheven. Onder de Omgevingswet gebeurt dit middels een maatwerkvoorschrift. De excessenregeling is met name van toepassing op bestaande situaties. 5.3.2
Conclusie
De gemeente Venray heeft in het Ruimtelijk Kwaliteitskader 2018 het welstandsbeleid vastgesteld. In dit kader onderscheidt de gemeente verschillende gebieden. Voor onderhavig planvoornemen geldt het gebied ‘landelijk gebied’ en de categorie ‘Oude ontginningsgebieden’. Een toetsing aan het welstandsbeleid binnen het Ruimtelijk Kwaliteitskader is te vinden in paragraaf 4.5.2. Met betrekking tot het aspect welstand is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
32
6
Milieuaspecten in de fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de toekomstige activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal). De aspecten sluiten aan op en dekken de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 Omgevingswet.
6.1
mer-beoordeling
6.1.1
Toetsingskader
De milieueffectrapportage is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Per project dient te worden besloten of er een mer-plicht geldt, of dat er aanvankelijk slechts een mer-beoordeling wordt gevraagd. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer-beoordelingsplicht of een mer-plicht van kracht zijn. In kolom 1 zijn de categorieën van projecten aangewezen, waaronder een ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen’ (J11). Voor deze categorie project is een merplicht, zoals genoemd in artikel 16.43, eerste lid, aanhef en onder a, niet van toepassing (kolom 2). Echter, bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ geldt een mer-beoordelingsplicht (kolom 3). Dit houdt in dat de initiatiefnemer van een project mededeling dient te doen bij het bevoegd gezag. De mededeling is ook wel een aanmeldnotitie en bevat een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten. Het bevoegd gezag beslist op basis daarvan of een mer nodig is. Of daadwerkelijk een mer-beoordelingsplicht geldt, is afhankelijk van of het project onder de benaming ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ valt.
Of een project als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt beschouwd, hangt af van de specifieke omstandigheden van dat project. Aspecten zoals de aard, omvang, locatie, en omgeving van de ontwikkeling, de toename van bebouwd oppervlak, en het al dan niet plaatsvinden van een functiewijziging spelen hierbij een rol. Dit is niet uitsluitend gebaseerd op de vraag of er (netto) aanzienlijke negatieve milieueffecten kunnen optreden. Het kan variëren per regio of een beoogde ontwikkeling als een stedelijk ontwikkelingsproject wordt aangemerkt. Onder de Omgevingswet is er sprake van één mer-beoordelingsprocedure. Om te voldoen aan de voorwaarden in afdeling 16.4 Omgevingswet en hoofdstuk 11 en om de bijlage V van het Omgevingsbesluit moet een mer-aanmeldnotitie worden opgesteld bij een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’. 6.1.2
Conclusie
Gezien de aard en omvang van de locatie, kan het planvoornemen niet als een stedelijk ontwikkelingsproject worden beschouwd. Het opstellen van een mer-aanmeldnotitie is daarom niet benodigd. Vanuit het milieuaspect mer-beoordeling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
33
6.2
Gezondheid
6.2.1
Toetsingskader
In artikel 1.3 van de Omgevingswet worden de maatschappelijke doelen van de wet uiteengezet, waaronder het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving. Er bestaat landelijk de wens om gezondheid meer integraal en volwaardig te betrekken in het nationale en lokale beleid over de fysieke leefomgeving. De inrichting van de fysieke leefomgeving kan direct bijdragen aan de gezondheid van inwoners. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners namelijk als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Binnen de Omgevingswet hebben decentrale overheden de mogelijkheid om hun eigen gezondheidsambities en regels vast te leggen en uit te werken via instrumenten zoals de omgevingsvisie, omgevingsverordening en programma's. De beleidsambities met betrekking tot gezondheid kunnen sterk variëren per gemeente. Tevens hebben veel gemeenten ervoor gekozen om beleidsneutraal over te gaan naar de Omgevingswet. Dit houdt in dat voornamelijk in de beginfase na de inwerkingtreding van de Omgevingswet, gemeenten nog geen tot weinig beleid zullen hebben met betrekking tot gezondheid. In een later stadium zal het beleid sterk per gemeente verschillen.
Omgevingsplan Volgens artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet moet het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies in het omgevingsplan rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Naast het waarborgen van gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag ook het belang van gezondheidsbevordering in overweging nemen. Een fysieke leefomgeving kan positieve gezondheidseffecten hebben wanneer deze uitnodigt tot gezond gedrag, mensen aanspoort tot meer bewegen, gezonder eten en sociale interactie. Het Rijk legt ondergrenzen vast voor de bescherming van de gezondheid, bijvoorbeeld door middel van instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur, trillingen, waterkwaliteit en bodem. Het Bkl bevat specifieke instructieregels voor de bescherming van de gezondheid en het milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl). Deze randvoorwaarden worden geïntegreerd in het omgevingsplan. Gezien de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet, vereist dit aspect een brede motivering. Milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit zijn nauw verweven met gezondheid. Daarom wordt in deze paragraaf ook verwezen naar andere milieuaspecten in deze motivering. 6.2.2
Onderzoek
Aangezien het planvoornemen de realisatie van een nieuwe activiteit omvat, moet worden onderzocht en onderbouwd op welke manier dit initiatief rekening houdt met het gezondheidsaspect. De instructieregels zijn besproken in de paragrafen 6.5, 6.6, 6.10, 6.11, 6.13 en 6.14. Uit deze paragrafen blijkt dat er in de omgeving geen functies aanwezig zijn met een aanzienlijke negatieve impact op de gezondheid voor de personen binnen het plangebied. De beoogde functie wordt dan ook op een verantwoorde locatie mogelijk gemaakt. Daarnaast draagt het transformeren van agrarische gronden naar een woonperceel bij aan het bereiken van een gezond leefklimaat in de directe omgeving, omdat daarmee gepaard gaande mogelijke negatieve gezondheidseffecten (bijvoorbeeld door bemesting, gebruik van bestrijdingsmiddelen en stofhinder) verdwijnen. Het toekomstige gebruik heeft geen onevenredig negatieve effecten op de kwaliteit van de leefomgeving in de directe omgeving.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
34
Binnen een straal van 2 kilometer van de projectlocatie zijn geen bedrijven gelegen waar geiten worden gehouden. Eventuele aanwezige geitenhouderrijen worden derhalve niet belemmerd in de ontwikkelingsmogelijkheden. Voor de verderaf gelegen geitenhouderijen geldt dit vanzelfsprekend ook. Op een afstand van iets meer dan 170 meter is een veehouderij gelegen. Er bestaat geen landelijk geldend toetsingskader voor het beoordelen van het aspect volksgezondheid in relatie tot veehouderijen. In een notitie7 is door De Roever het plan beoordeeld op basis van de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’. Uit hoofdstuk 2 van de notitie blijkt dat wordt voldaan aan de stappen uit het stappenplan uit de ‘Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0’, met uitzondering van stap 3a. Uit de geurberekening volgt dat ter plaatse van de beoogde woning de voorgrondbelasting 5,8 ouE/m3 bedraagt. Er wordt daarmee niet voldaan aan de gezondheidskundige advieswaarde van 5 ouE/m3 voor de voorgrondbelasting. Er wordt echter wel voldaan aan de overige stappen. Daarnaast is een voorgrondbelasting van 5,8 ouE/m 3 niet onaanvaardbaar buiten de bebouwde kom. Er kan derhalve worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbare situatie. 6.2.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.3
Duurzaamheid
6.3.1
Toetsingskader
Duurzaamheid is een steeds belangrijker wordende kwestie voor onze samenleving. Het gaat hierbij om de manier waarop we omgaan met onze natuurlijke omgeving en hoe we ervoor zorgen dat we deze niet uitputten voor onze toekomstige generaties. Er bestaat geen vaste omschrijving of definitie voor de term duurzaamheid, dit zorgt ervoor dat iedereen zijn eigen invulling kan hebben over wat het precies betekent. Over het algemeen wordt met duurzaamheid een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de behoeften van toekomstige generaties, zowel hier als in andere delen van de wereld in gevaar te brengen bedoeld. Duurzaamheid is een aspect wat zowel op de korte termijn als lange termijn toegepast dient te worden. Er spelen diverse trends en ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid binnen nieuwbouw. Duurzaamheid bij nieuwbouw verwijst naar het ontwerpen, bouwen en onderhouden van gebouwen op een manier die zo min mogelijk impact heeft op het milieu. Tegelijkertijd ook efficiënt en gezond is voor de mensen die erin wonen of werken. Duurzaamheid is dus een breed begrip en omvat verschillende aspecten: •
Energie-efficiëntie: het verminderen van energieverbruik door gebruik te maken van duurzame energiebronnen, zoals zonne-energie of windenergie;
•
Materialen: Het gebruik van duurzame en milieuvriendelijke materialen, zoals gerecyclede of hernieuwbare materialen;
•
Gezondheid en comfort: het creëren van een gezonde binnen omgeving met goede ventilatie, natuurlijke verlichting en materialen die de binnen kwaliteit verbeteren;
•
Levensduur en Hergebruik: Het ontwerpen van gebouwen met een lange levensduur en de mogelijkheid tot aanpassing of hergebruik van materialen om de hoeveelheid afval te verminderen.
7
De Roever, Notitie Volksgezondheid I.R.T. Veehouderijen, rapportnummer: 20250345.v01, d.d. 3 maart 2026
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
35
De focus op duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen is belangrijk om de ecologische voetafdruk van de bouwsector te verminderen, een sector die historisch gezien veel grondstoffen verbruikt en bijdraagt aan vervuiling van het klimaat. De eisen met betrekking tot duurzaamheid zijn opgenomen in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Van belang zijn de BENG-normen en de MPG-waarden. BENG Normen BENG staat voor Bijna energie neutrale gebouwen, en zijn geformuleerd met het doel om de CO2-uitstoot van nieuwbouw terug te dringen. Er zijn drie verschillende manieren waarin BENG tot uitdrukking komt. Dit zijn de volgende: •
BENG 1-eis: Terugbrengen van de energiebehoefte;
•
BENG 2-eis: Beperken van het fossiele energiegebruik (Bijvoorbeeld Gas en olie);
•
BENG 3- eis: Benutten van hernieuwbare energie.
Naast deze drie eisen is er nog één aanvullende eis die van belang is met name in samenhang met klimaatadaptatie, dit is de indicator voor verlaging van het risico op oververhitting van gebouwen genaamd TOJuli). De BENG eisen gelden alleen voor nieuwbouw, bestaande bebouwing hoeft dus niet aan deze eisen te voldoen. MPG Waarden MPG staat voor Milieuprestatie gebouwen. Een MPG-berekening toont aan wat de milieu impact van een nieuw te bouwen bouwwerk is. Zo worden de waarden waaraan voldaan dient te worden bepaald aan de hand van de gebruiksfuncties van het bouwwerk. In het Bbl staat beschreven dat een woonfunctie een milieuprestatie moet hebben van maximaal 0,8 bepaald volgens de bepalingsmethode van de MPG. Voor kantoorgebouwen is de maximale milieuprestatie 1,0. Hoe lager de score is, des te beter het pand scoort op duurzaamheid. Tot slot geeft het Bbl ook regels over de laadinfrastructuur van elektrische auto. Deze regels zorgen er voor dat er voldoende leidingdoorvoeren zijn voor eventuele oplaadpunten zowel bij een woongebouw, als bij andere functies. Daarnaast is het altijd enorm van belang om te kijken in de instructieregels van de provinciale verordening en het gemeentelijk beleid te checken op regels omtrent duurzaamheid. 6.3.2
Conclusie
Aangezien het planvoornemen nieuwe activiteiten mogelijk maakt, is het essentieel om te onderzoeken op welke manier dit initiatief rekening houdt met het aspect duurzaamheid. Met het planvoornemen wordt er een nieuwe woning gerealiseerd welke voldoet aan de BENG normen. De gemeente Venray werkt momenteel aan een beleidsstuk over natuur inclusief bouwen. Gelet op de landschappelijke inpassing, zal het planvoornemen hier tevens aan voldoen. Vanuit het milieuaspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.4
Klimaatadaptatie
6.4.1
Toetsingskader
Het klimaat verandert in een hoog tempo. Om Nederland tegen de gevolgen van klimaatverandering te beschermen is het nodig om verschillende soorten maatregelen te nemen, vanuit verschillende beleidsvelden.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
36
Daarnaast is het nodig dat klimaatadaptatie op alle overheidsniveaus onderdeel is van het beleid en uitvoering. In Nederland is het beleid op de gevolgen van klimaatverandering nationaal geregeld aan de hand van twee programma’s: 1. de Nationale klimaatadaptatiestrategie; en, 2. het Deltaprogramma Nationale klimaatadaptatiestrategie (NAS) De Nationale klimaatadaptatiestrategie is de overkoepelende strategie op het gebied van klimaatadaptatie in Nederland. Het doel van de NAS is om alle risico’s en gevolgen van klimaatverandering voor Nederland te beheersen en te verkleinen. Het is de koers die wordt omgezet in plannen en acties in een uitvoeringsprogramma. De werkzaamheden uit het NAS zijn gericht op de risico’s die het meest urgent zijn, enkele voorbeelden zijn: •
meer hittestress bij mensen door extreem weer;
•
vaker uitval van delen van het vitale en kwetsbare functies door extreem weer zoals energie, telecom en IT-voorzieningen;
•
oogstschade en andere schade in de land- en tuinbouwsector;
•
verschuiving van klimaatzones in combinatie met gebrek aan internationale ruimtelijke samenhang;
•
mogelijk meer infecties en allergieën, zoals hooikoorts of andere luchtwegklachten;
•
cumulatieve effecten - Uitval in één regio of sector heeft gevolgen voor andere sectoren of locaties.
Deltaprogramma en Deltaplan Ruimtelijke adaptatie (DPRA) In het nationaal Deltaprogramma staat beschreven hoe de overheid Nederland beschermt tegen overstromingen, zorgt voor voldoende zoetwater en werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuuste inrichting. Alle verschillende overheidsniveaus werken vanuit het deltaprogramma samen aan deze opgaven. Het deltaprogramma is opgebouwd rond drie thema’s/programma’s. Dit zijn Waterveiligheid, Zoetwater, en ruimtelijke adaptatie die voor de verschillende regio’s zijn uitgewerkt. Alle drie de programma’s zijn weer opgebouwd uit een Deltabeslissing en een Deltaplan. In de Deltabeslissingen staan nationale kaders die voor heel Nederland gelden. De deltaplannen bestaan uit concrete maatregelen voor de uitvoering van het beleid en de planning van deze maatregelen. In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan bijvoorbeeld concrete acties en doelen die ervoor zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het Deltaprogramma controleert en evalueert elk jaar hoe de deltabeslissingen, voorkeursstrategieën en deltaplannen tot dan toe zijn uitgewerkt en uitgevoerd. In deze jaarlijkse monitor kunnen voorstellen staan om beleid aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen en risico’s die zijn ontstaan. 6.4.2
Conclusie
Met onderhavig planvoornemen wordt er een nieuwe woning gerealiseerd, waarbij er verhard dakoppervlak wordt toegevoegd. In de basis zal dit zorgen voor een mogelijke toename van hittestress. Echter gelet op de kleinschaligheid, de hoeveelheid groen die behouden zal blijven en de ligging van onderhavige ontwikkeling, kan er gesteld worden dat deze impact op onderhavige locatie te verwaarlozen is.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
37
Tevens worden er water compenserende maatregelen getroffen om het hemelwater te kunnen afvoeren/ opvangen bij piekbuien. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.3. Tot slot wordt de woning landschappelijk ingepast. De gemeente Venray stelt geen aanvullende eisen waaraan voldaan dient te worden op het gebied van klimaatadaptatie. Vanuit het milieuaspect klimaatadaptatie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.5
Omgevingsveiligheid
6.5.1
Toetsingskader
Het aspect omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden om een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De algemene regels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal. Kwetsbare gebouwen en locaties In het Bkl is onderscheid gemaakt in 3 categorieën ‘gebouwen en locaties’ waarvoor de regels bescherming bieden: 1. zeer kwetsbaar (alleen gebouwen); 2. kwetsbaar (gebouwen en locaties); 3. beperkt kwetsbaar (gebouwen en locaties). Bij het bepalen van de kwetsbaarheid wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de duur van hun aanwezigheid en in hoeverre zij zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. De aanwijzing van bovenstaande categorieën ‘gebouwen en locaties’ staat in bijlage VI van het Bkl. Risicobronnen Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen. Het gaat om de volgende soorten activiteiten: •
activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Bal;
•
het Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor;
•
buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal;
•
windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Bal.
Plaatsgebonden risico De risico’s voor de omgevingsveiligheid komen tot uitdrukking via het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. In theorie zou deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats moeten bevinden. Gemeenten moeten in hun omgevingsplan een grenswaarde, ook wel een basisbeschermingsniveau genoemd, voor het plaatsgebonden risico in acht nemen. Dit geldt met name voor zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. De waarden voor het plaatsgebonden risico worden ruimtelijk vertaald naar afstanden tot gebouwen en locaties. De plaatsgebonden risico's worden op kaarten weergegeven met zogeheten risicocontouren. Gebouwen en locaties die als (zeer) kwetsbaar worden beschouwd, mogen niet binnen de PR-10-6-contour van een activiteit vallen. Het respecteren van de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico betekent dat de gemeente alleen onder voorwaarden die in het Bkl
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
38
zijn vastgesteld, mag afwijken van deze grenswaarde. Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico’s is een nieuwe benadering van het groepsrisico onder de Omgevingswet. Het groepsrisico (GR) gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dit betekent dat binnen dat gebied levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen optreden, zelfs als de kans daarop klein is. Aandachtsgebieden worden vastgelegd in het ‘Register Externe Veiligheidsrisico’s’ en zijn digitaal raadpleegbaar. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Hierdoor zijn er ook drie typen aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl): 1. brandaandachtsgebied; 2. explosieaandachtsgebied; 3. gifwolkaandachtsgebied.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
39
6.5.2
Onderzoek
Bij de realisatie van plannen kunnen risicobronnen in de omgeving van het plan van invloed zijn op de gebruiksmogelijkheden van het plangebied. Mogelijke risicobronnen zijn het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen, over het water, over het spoor en over de wegen en risicovolle inrichtingen. Deze risicobronnen worden getoetst en gemeten ten opzichte van het plangebied. Onderhavig planvoornemen voorziet in het toevoegen van een kwetsbaar gebouw. Door het IPO is een risicokaart opgesteld waarin de inrichtingen, buisleidingen en gevaarlijke transportroutes zijn opgenomen. Onderstaand is een uitsnede opgenomen van het plangebied en de omliggende inrichtingen, buisleidingen en gevaarlijke transportroutes. Gelet op de ligging van het planvoornemen kan er gesteld worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Eveneens maakt het planvoornemen geen risicovolle inrichting mogelijk. Het verder toetsen aan omgevingsveiligheid is derhalve niet benodigd.
Figuur 9 Uitsnede risicokaart met plangebied blauw omcirkeld
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
40
6.5.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect omgevingsveiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.6
Bodem
6.6.1
Toetsingskader
Het omgevingsplan bevat de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie (par. 5.1.4.5 Bkl). Het gaat daarbij om een gebouw of een deel van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Ook de aangrenzende tuin of perceel maakt hier onderdeel van uit. Bij het bepalen van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit houdt de gemeente rekening houdend met de interventiewaarden voor de verschillende stoffen en neemt de gemeente de grenswaarden in acht. Bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit kan alleen gebouwd worden als de door de gemeente voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Daarnaast is in het omgevingsplan de landbodem in verband met grondverzet in de bodemfunctieklassen landbouw/natuur, wonen en industrie ingedeeld, rekening houdend met de functie van de locatie. Ook kunnen in het omgevingsplan bodembeheergebieden zijn aangewezen. 6.6.2
Onderzoek
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Uit onderzoek moet blijken dat aan deze instructieregels wordt voldaan wanneer het planvoornemen gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het aspect bodem heeft betrekking op het gehele plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde gebruikswijziging, met betrekking tot het aspect bodem, in beginsel een vergelijkbare impact zal hebben als hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. Aangetoond moet worden dat de bodem geschikt is voor het toekomstig gebruik. Aangezien de beoogde locatie momenteel de functie ‘Agrarisch’ heeft en er een woonactiviteit wordt beoogd, kan er gesteld worden dat een bodemonderzoek noodzakelijk is. Er zijn voor het gehele terrein twee separate onderzoeken uitgevoerd. De uitgevoerde bodemonderzoeken worden onderstaand samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Bodemonderzoek8 ter plaatse van de toekomstige woonfunctie Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen.
Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen overschrijding van de interventiewaarde gemeten is. In het grondmengmonster van de bovengrond (MM1) is een licht verhoogd gehalte aan koper aangetoond. Indicatief voldoet dit grondmengmonster aan bodemkwaliteitsklasse ‘landbouw/natuur’. In het grondmengmonster van de ondergrond (MM2) zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen. Ook dit grondmengmonster voldoet bij indicatieve toetsing kwaliteit aan de klasse ‘landbouw/natuur’. In het grondwater zijn geen verhogingen aangetoond.
8
Aeres, verkennend bodemonderzoek vliezenweg (ong.) te Venray, rapportnummer: AM25104, d.d. 14 april 2025.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
41
De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling op de locatie (bouwen woning). Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften bij milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing. Bodemonderzoek9 ter plaatse van het overige deel van het plangebied Tijdens de veldinspectie op de locatie zijn geen waarnemingen gedaan die wijzen op de aanwezigheid van bodemverontreiniging of bronnen van verontreiniging. In het opgeboorde bodemmateriaal zijn zintuiglijk geen bijzonderheden waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond en ondergrond geen overschrijding van de interventiewaarde gemeten is. Buiten de lichte verhoging met som PCB in grondmengmonster MM2 zijn in de overige monsters geen verhogingen aangetoond. Uit de monsterconclusie indicatieve toetsing kwaliteit blijkt dat alle grondmengmonsters voldoen aan de klasse ‘Landbouw/natuur’.
In het freatisch grondwater zijn geen overschrijdingen ten opzichte van de Bkl aangetoond. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor het planvoornemen om ter plaatse een woning te realiseren, waarvoor een TAM-Omgevingsplan in procedure is gebracht. Indien er werkzaamheden plaatsvinden, waarbij grond vrijkomt, kan de grond niet zonder meer worden afgevoerd of elders worden toegepast. Ten aanzien van hergebruik van deze grond elders is het Besluit bodemkwaliteit in combinatie met de bodemvoorschriften bij milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het omgevingsplan (met bodemkwaliteitskaart) van toepassing. 6.6.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.7
Activiteiten en milieuzonering
6.7.1
Toetsingskader
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. In 2024 is de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’ opgesteld die bovenstaande bedrijvenlijst vervangt, echter is ervoor gekozen om de oude richtlijn te blijven gebruiken. In de VNG-publicatie zijn gebiedstyperingen opgenomen, te weten omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied:
9
Aeres, Verkennend bodemonderzoek Vliezenweg (ong.) te Venray, rapportnummer: AM25492, d.d. 5 maart 2026.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
42
1. Omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied. 2. Omgevingstype gemengd gebied Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De indicatieve bedrijvenlijst in de VNG-publicatie geeft richtafstanden, gebaseerd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of gemengd gebied.
De richtafstanden in de bedrijvenlijst gelden voor een rustige woonwijk. Bij een omgevingstype gemengd gebied mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Voor een rustige woonwijk geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 45 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. Voor een gemengd gebied geldt dat de geluidsbelasting (etmaalwaarde) 50 dB(A) op de gevels van nabijgelegen geluidsgevoelige objecten mag bedragen. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die het bedrijf (of andere milieubelastende functie) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning (of andere milieugevoelige functie). Woningen zijn milieugevoelige functies. Aangezien onderhavig plan voorziet in de realisatie van woningen dient getoetst te worden of in deze woningen sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en of omliggende bedrijven niet worden gehinderd door de ontwikkeling. 6.7.2
Onderzoek
Indien woningen nabij bedrijfsactiviteiten worden beoogd of de realisatie van bedrijfsactiviteiten in de omgeving van woningen is gewenst, moet beoordeeld worden of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hierbij is milieuzonering één van de te beschouwen aspecten. Milieuzonering wordt enerzijds toegepast met het oog op de bescherming van een goed woon- en leefklimaat, en anderzijds met het oog op het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving. Het aspect milieuzonering wordt getoetst op basis van richtafstanden. Deze richtafstanden en de daadwerkelijke afstanden zullen met de beoogde gebruikswijziging een vergelijkbare impact hebben ten opzichte van hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. Het dichtstbijzijnde bedrijf is gelegen ten noorden van het plangebied, het ruitersportcentrum RSC Cadans. Dit bedrijf valt onder de categorie ‘maneges’ en heeft een milieucategorie van 3.1. Hiervoor geldt een minimale afstand van 50 meter. Aangezien het plangebied op een afstand van circa 160 meter ligt wordt aan deze richtafstand voldaan.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
43
Verder is ten noorden nog het adviesbureau Agro consultancy BV gelegen. Binnen dit bedrijf wordt er advies verleend over de varkenshouderij. Dit bedrijf valt onder de categorie ‘consultatiebureaus’ en heeft een milieucategorie van 1. Hiervoor geldt een minimale afstand van 10 meter. Aangezien het plangebied op een afstand van circa 500 meter ligt wordt aan deze richtafstand voldaan. Ten zuiden van het plangebied is de autoschoonmaakdienst TAISOL gelegen. Voor bedrijven in de categorie ‘autowasserijen’ geldt een milieucategorie van 2 en een minimale afstand van 30 meter. Gelet op de afstand van dit bedrijf ten opzichte van het plangebied, circa 260 meter, wordt aan de richtafstanden voldaan. Ten westen van het projectgebied is een varkensveehouderij gelegen op iets meer dan 170 meter afstand. Voor de veehouderij is een geuronderzoek uitgevoerd en is het aspect ‘gezondheid’ nader beschouwd in een notitie. Voor de uitwerking hiervan wordt respectievelijk verwezen naar paragraaf 6.13 en 6.2. Gelet op het bovenstaande hoeft er geen rekening gehouden te worden met de overlast die deze bedrijven op het plangebied zou kunnen toebrengen. 6.7.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.8
Weging van het waterbelang
6.8.1
Toetsingskader
Voor het omgevingsplan blijft de weging van waterbelangen verplicht en dient het milieuaspect water een integraal onderdeel van het omgevingsbeleid te vormen. Dit proces krijgt onder de naam ‘weging van waterbelangen’ een plaats bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (voorheen bekend als de watertoets). Middels de weging van waterbelangen dient inzicht te worden geboden in de effecten van het initiatief op stedelijk afvalwater, grondwater en hemelwater. De weging van het waterbelang zorgt er voor dat per initiatief de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een water robuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken (artikel 5.37 lid 1 van het Bkl). Daarbij is het van belang dat er op een gestructureerde wijze afstemming tussen waterschap en de gemeente plaatsvindt, waarbij een constructieve en doorlopende afstemming van belang is. Voor ieder ruimtelijk plan is een formele weging van het waterbelang noodzakelijk. De weging van het waterbelang is een instrument waarmee de waterhuishoudkundige belangen een doorlopende positie krijgen in het ruimtelijke beleid, niet alleen op basis van concrete ontwikkelingen. Door samenwerking met de verschillende bevoegdheden (Gemeente, Provincie, Waterschap, Rijk) wordt gestreefd naar een duurzaam watersysteem.
Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet kan door het bevoegd gezag tijdelijk gebruik worden gemaakt van de regels zoals opgenomen in de bruidsschat (onder afdeling 22.3 milieubelastende activiteiten bruidsschat omgevingsplan). De regels veranderen pas op het moment dat het bevoegd gezag voor een bepaald gebied het omgevingsplan vaststelt. 6.8.2
Onderzoek
Bij nieuwe ontwikkelingen dient water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing te worden genomen. Dit heet de weging van het waterbelang, die ervoor zorgt dat de klimaatbestendigheid van het watersysteem en een waterrobuuste inrichting van de omgeving vroegtijdig in de planvorming worden betrokken.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
44
Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe in het toekomstige plan op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in het eigen plangebied een belangrijke rol. Dit wordt onder andere berekend op basis van de hoeveelheid dakoppervlak wat er toe wordt gevoegd. Voor dit onderzoek wordt er gekeken naar de gehele projectlocatie. Grondwater Het plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied ‘Venloschol’. Het aanwezig hebben van bepaalde stoffen kan de grondwaterkwaliteit aantasten. Overeenkomstig met het provinciaal beleid geldt een vergunningsplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden, die van invloed kunnen zijn op de grondwaterstand of op de kwaliteit van het grondwater of het aanwezig hebben van bepaalde stoffen. Met de ontwikkeling van het plangebied zijn dergelijke werken en werkzaamheden en het aanwezig hebben van bepaalde stoffen niet aan de orde. Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen watergangen. De dichtstbijzijnde watergang in de omgeving ligt ten westen van het plangebied op een afstand van circa 130 meter. De onderhavige ontwikkeling zal dus geen effect hebben op deze watergang.
Figuur 10: leggerkaart Waterschap Limburg met globale ligging plangebied (rood omcirkeld)
Hemelwater De toevoeging van de nieuwe woning, inclusief bijgebouw en twee parkeerplaatsen, zal zorgen voor een toename aan verhard oppervlak binnen het plangebied. Dit verharde oppervlak zal circa 355 m2 bedragen. Gelet op het feit dat het gaat om nieuwbouw zal deze geheel afgekoppeld dienen te worden. Bij de bepaling van de capaciteit/kwantiteit van de infiltratievoorziening dient voor beide delen van het plangebied zonder meer te worden uitgegaan van een neerslaggebeurtenis van 100 mm. Gelet op de hoeveelheid verhard oppervlak wat er wordt toegevoegd ziet de benodigde waterberging er als volgt uit: 355 m2 x 0,1 m = 35,5 m3. Om te voldoen aan het gemeentelijk beleid is het toegestaan uit te gaan van een kleinere neerslaggebeurtenis dan 100 mm. Afvalwater De nieuwe vrijstaande woning zal worden aangesloten op het reeds aanwezige rioolstelsel ter plaatse van het bestaande rioolstelsel aan de Vliezenweg. Verwachting is dat deze (pers)leiding de toevoeging van één
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
45
woning in voldoende mate op kan vangen en dat er voor wat betreft de capaciteit van de leiding geen belemmeringen bestaan. 6.8.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Negatieve effecten op het waterhuishoudkundig systeem kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten.
6.9
Natuur en landschap
6.9.1
Toetsingskader
Natuur maakt onder de Omgevingswet onderdeel uit van de fysieke leefomgeving, een van de kernbegrippen van de Omgevingswet (artikel 1.2, lid 2, onder h). Onder Artikel 5.1, lid 1 (Ow) is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, tevens is onder Artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan, waterschap verordening, omgevingsverordening of ministeriele regeling. In het Bal staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bal). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht, dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit). Natura 2000 Om de natuur te beschermen heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn.
Natuurnetwerk Nederland De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Bkl. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Houtopstanden en soortenbescherming De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art.
11.116 Bal) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan. Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen:
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
46
•
Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bal);
•
Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bal);
•
Omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bal).
Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bal, schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bal en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bal. Stikstofdepositie De Omgevingswet heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden middels een voortoets. Projecten en activiteiten die een significant negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig (Natura 2000-activiteit). Indien nadelige effecten te verwachten zijn, welke niet significant zijn, geldt de specifieke zorgplicht. In dat geval moeten nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt, of ongedaan gemaakt worden. Op grond van art. 2.15a van de Ow heeft het Rijk omgevingswaarden voor stikstofdepositie vastgesteld. Deze omgevingswaarden zijn bedoeld als resultaatverplichtingen.
Het uiteindelijke doel hiervan is om de stikstofdepositie op termijn te verminderen tot het niveau dat noodzakelijk is voor een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats. Bij de bepaling van de stikstofdepositie kan een activiteit door het veroorzaken van stikstofdepositie in een Natura 2000- gebied als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt. Dit volgt uit artikel 4.15 lid 1 van de omgevingsregeling. De methode voor het berekenen van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden is de AERIUS calculator van toepassing. Mocht er aan de hand van een stikstofberekening blijken dat er geen stikstofdepositie ontstaat hoger dan 0,00 mol/ha/jaar bij omliggende Natura 2000 gebieden dan is een passende beoordeling aan de hand van het omgevingsplan niet nodig, aangezien er geen significante gevolgen verwacht zijn. 6.9.2
Onderzoek
De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Omgevingswet. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen en ingrepen geldt dat deze in overeenstemming met de nationale wetgeving en het provinciale natuurbeleid moeten worden uitgevoerd. Flora en fauna Op 7 maart 2025 is er een quickscan flora en fauna uitgevoerd 10. Met onderhavig planvoornemen worden er geen bijzonderheden verwacht met betrekking tot flora en fauna waarden. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De afstand tot het dichtstbijzijnde gelegen natuurnetwerk bedraagt meer dan 200 meter. Het plangebied ligt circa 4,8 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied (Boschhuizerbergen). Momenteel is het perceel waar de woningen gesitueerd zal worden nog volledig onbebouwd. De beoogde ontwikkeling zal zorgen voor de toevoeging van een verhard oppervlakte van circa
10
BRO, Quickscan Flora en Fauna Vliezenweg te Venray, d.d. 7 maart 2025
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
47
355 m2, verder zal het perceel onbebouwd blijven. Er dient wel rekening gehouden te worden met de volgende voorwaarden: •
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen te worden vermeden;
•
Ten aanzien van broedvogels dient, om schadelijke handelingen op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;
•
In het kader van de zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
•
Voor het kappen van de bomen voor het maken van de uitrit, geldt een meldingsplicht bij de provincie Limburg. Herplant dient plaats te vinden binnen 3 jaar en niet aangeslagen beplanting dient te worden vervangen 3 jaar na aanplant. Voor herplant op andere grond is een maat-werkvoorschrift benodigd.