B1.03 - Motivering TAM-omgevingsplan Vliezenweg te Venray Motivering 20260330
Tekst van het document
Stikstof Met behulp van de vigerende Aerius Calculator 2025, is de stikstofdepositie11 bepaald op de nabij gelegen natuurgebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is het gebied ‘Boschhuizerbergen’ op circa 4,8 km van het plangebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Uit de resultaten blijkt dat de stikstofdepositie op de natuurgebieden 0,00 mol/ha/jr bedraagt voor het planjaar 2025. Daarmee zijn er uit oogpunt van stikstofdepositie geen belemmeringen voor de realisatie van de plannen. 6.9.3
Conclusie
Gelet op bovenstaande onderzoeksresultaten, kan worden gesteld dat de aspecten Natuur en landschap geen belemmering vormen voor het planvoornemen. Zolang wordt voldaan aan de gesteld voorwaarden uit de uitgevoerde quickscan flora en fauna. Met betrekking tot het aspect natuur en landschap is er sprak van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.10
Luchtkwaliteit
6.10.1
Toetsingskader
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen ter bescherming van de gezondheid staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl (paragraaf 5.1.4.1). Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). CIMLK Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet komen te vervallen. Sinds 1 januari 2023 vervangt het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het NSL. Middels dit nieuwe instrument kan de luchtkwaliteit berekend en gemonitord worden onder de Omgevingswet.
11
BRO, Stikstofnotitie Woningbouw Vliezenweg ong. te Venray, d.d. 20 oktober 2025
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
48
NIBM De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO 2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool. Aandachtsgebieden De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM 10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl). Een rijksomgevingswaarde bestaat uit grenswaarden en streefwaarden voor stoffen die de kwaliteit van de buitenlucht beïnvloeden. 6.10.2
Onderzoek
Het plangebied valt niet in een van de aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10. Het gebied ligt echter wel in een aandachtsgebied voor alleen PM 10. De eisen waaraan de luchtkwaliteit dient te voldoen zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving, § 5.1.4.1 “Kwaliteit van de buitenlucht”. Uit artikel 5.53 volgt dat een plan als “niet in betekenende mate luchtkwaliteit” kan worden aangemerkt en in beginsel is vrijgesteld van toetsing aan de wettelijke omgevingswaarden als sprake is van een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie stikstofdioxide en PM10 van 1,2 μg/m3 of minder. Artikel 5.54 stelt vervolgens dat gebouwen met ten hoogste 1.500 woningen als niet in betekenende mate kunnen worden gezien. Onderhavig planvoornemen maakt planologisch 1 reguliere woning mogelijk waarbij de stikstofdepostitie niet hoger is dan 1,2 μg/m3, waardoor het planvoornemen als niet in betekenende mate kan worden aangeduid. Nader onderzoek is daarom niet benodigd. 6.10.3 Conclusie Vanuit het milieuaspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.11
Geluid
6.11.1
Toetsingskader
Het planvoornemen betreft een functiewijziging van ‘Agrarisch’ naar ‘Wonen’, voor een deel van het perceel. Er is daarmee sprake van de toevoeging van een geluidsgevoelige functie. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen De aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting onder de Omgevingswet is vooral een decentrale afweging. Gemeenten geven met het omgevingsplan voor elke locatie in de gemeente de gewenste geluidskwaliteit
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
49
vorm. Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Bkl bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron. Geluid door activiteiten In Bijlage XXII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 bruidsschat).
Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: •
activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
•
geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
•
geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).
6.11.2
Onderzoek
Het Bkl bevat instructieregels voor geluid van (spoor)wegverkeer op geluidgevoelige gebouwen. Wanneer het plangebied ligt in een geluidaandachtsgebied moet onderzocht worden of afwijkende geluidwaarden en/ of maatregelen genomen moeten worden voor een aanvaardbaar geluidniveau ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen. Het geluid wordt voor alle relevante locaties berekend conform de standaard rekenmethode uit de meet- en rekenmethode geluid wegen (bijlage Ive Omgevingsregeling). De rekenresultaten worden getoetst aan het stelsel van standaardwaarden en grenswaarden uit het omgevingsplan of uit het Bkl. Deze resultaten worden berekend op basis van de gehele ontwikkeling. Hiervoor zullen er met de beoogde gebruikswijziging vergelijkbare resultaten zijn als wanneer er getoetst wordt op basis van hetgeen dat is toegestaan op basis van het vigerende omgevingsplan. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is er een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 12 uitgevoerd. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. De gemeente heeft informatie kunnen delen over de verkeersgegevens van relevante gemeentewegen. Deze informatie heeft betrekking tot de Kiekweg (wegvak tussen Vliezenweg en Janslust).
Uit de gedeelde informatie blijkt dat de intensiteit 572 voertuigen per etmaal (weekdag) betreft in het jaar 2019. Conform opgave van de gemeente Venray dient een ophogingspercentage van 1,1% per jaar toegepast te worden om te komen tot het maatgevende jaar 2035. Daarmee betreft de te hanteren intensiteit 681 motorvoertuigen/etmaal. Voor de Vliezenweg, Hardeweg en Hoopweg zijn geen gegevens voor handen. Gezien de ligging van
12
K+, Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Vliezenweg Venray, rapportnummer Nm250111aaA0, d.d. 24 maart 2025
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
50
deze wegen, is het aannemelijk dat de etmaalintensiteit lager zal zijn dan de Kiekweg. In Artikel 5.78 van het Bkl staat opgenomen dat het berekenen van de optredende geluidbelasting ten gevolge van gemeentewegen enkel betrekking heeft op wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 voertuigen per etmaal. Derhalve zijn de genoemde wegen niet van akoestisch belang en hoeft er voor deze locatie geen nader onderzoek plaats te vinden naar de optredende geluidbelasting ten aanzien van wegverkeerslawaai. 6.11.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.12
Verkeer en parkeren
6.12.1
Toetsingskader
Een toevoeging of wijziging van functies op locaties zorgt vaak voor een verandering van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie van een gebied. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s en fietsen en wat het effect is op de bereikbaarheid en de verkeersafwikkeling. Er mag geen onaanvaardbaar effect op de omgeving optreden. Dit geldt ook bij omgevingsvergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Om te bepalen wat de effecten van de activiteit op de verkeersaantrekkende werking van het plangebied zijn, kan gebruik worden gemaakt van de kengetallen van het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (CROW) (publicatie 744 ‘Parkeerkencijfers, basis voor parkeernormering’). Deze kengetallen zijn algemeen erkend en geven een indicatie van de ontwikkeling gepaard gaande extra verkeersgeneratie. Ook bieden ze richtlijnen voor het aantal te realiseren parkeerplaatsen. De CROW-kengetallen zijn richtlijnen waarvan afgeweken kan worden. Gemeenten kunnen ervoor kiezen om zelf parkeerbeleid met parkeernormen vast te stellen waar nieuwe ontwikkelingen aan moeten voldoen. De activiteit dient in dit geval aan het gemeentelijk beleid te worden getoetst. Verder bevatten omgevingsvisies van gemeenten een visie op verkeer op gemeentelijk niveau.
Daarin worden vaak mobiliteit, bereikbaarheid en verkeersveiligheid als belangrijk geacht. Planinitiatieven dienen daaraan te worden getoetst. 6.12.2
Onderzoek
Parkeren In december 2013 heeft de gemeenteraad van Venray de Beleidsnota Parkeernormen Venray vastgesteld. In deze Nota zijn de richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers van het CROW. Op basis van de Beleidsnota Parkeernormen Venray hoort bij een woonhuis in de 'rest bebouwde kom' een parkeernorm van 2 per woning. Ten oosten van de beoogde vrijstaande woning zijn 2 parkeerplaatsen ingetekend en worden op eigen terrein gefaciliteerd. Verkeersgeneratie Onderhavig planvoornemen zorgt voor het toevoegen van een reguliere vrijstaande woningen in de categorie rest bebouwde kom, van een matig stedelijke gemeente. Op basis van de CROW cijfers resulteert dit in een verkeersgeneratie van maximaal 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Gelet op de ontsluitingsmogelijkheden en de bestaande situatie ter plaatse, kan er gesteld worden dat deze toename voldoende kan worden opgevangen.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
51
Ontsluiting Het plangebied zal worden ontsloten op de Vliezenweg, dit is een ontsluitingsweg in het buitengebied van Venray die aansluit op de Hardeweg richting het centrum van Venray. Om deze ontsluiting mogelijk te maken dienen er enkele bomen aan de zuidzijde van het plangebied te worden gekapt. 6.12.3
Conclusie
Gelet op de bovenstaande berekeningen, kan er worden geconcludeerd dat de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering vormen voor onderhavig planvoornemen. Met betrekking tot de aspecten verkeer en parkeren is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.13
Geur
6.13.1
Toetsingskader
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl ‘Geur’, onderdeel van paragraaf 5.1.4 ‘Beschermen van de gezondheid en van het milieu’. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties. Voor een evenwichtige toedeling van geurhinder dient het aspect geur onderzocht te worden; •
indien geurveroorzakende activiteiten in de buurt van bestaande geurgevoelige gebouwen en/of locaties worden toegelaten;
•
indien geurgevoelige gebouwen en/of locaties in de buurt van bestaande geurveroorzakende activiteiten worden toegelaten.
Geurveroorzakende activiteiten Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht: •
zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
•
houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
•
enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend, enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het tijdelijk omgevingsplan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: •
geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
•
geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
•
geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
•
geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
52
Geurgevoelige gebouwen en locaties Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt: a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; c. gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw, dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd. 6.13.2
Onderzoek
Voor onderhavig project wordt op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl een geurgevoelig gebouw gerealiseerd. Ten westen van het projectgebied is een veehouderij gelegen waarvan de afstand tussen de stallen en de nieuwe woning circa 200 meter omvat. Hiermee kan er sprake zijn van een belemmering voor de belangen van de geurveroorzakende activiteiten in de omgeving en de omliggende geurgevoelige bestemmingen. Derhalve is er door De Roever een onderzoek naar geurhinder uitgevoerd 13. De resultaten hiervan worden hieronder kort benoemd. Het volledige rapport is te zien in de bijlagen. Voor dieren waarvoor in de Omgevingswet geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld geldt een afstand van 50 meter tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Uit het onderzoek blijkt dat er geen bouwvlakken van veehouderijen binnen 50 meter van het plangebied zijn gelegen. Daarom is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en worden de belangen van veehouderijen niet geschaad. Hierbij is rekening gehouden met de maximale planologische mogelijkheden. Gelet op de geuremissie van de omliggende veehouderijen in relatie tot de afstand tot het plangebied is de veehouderij aan de Kiekweg 21 maatgevend voor de voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied.
Overige veehouderijen met een geuremissie liggen verder weg van het plangebied én hebben een lagere geuremissie. Voor de veehouderij aan Kiekweg 21 is een berekening van de voorgrondbelasting uitgevoerd, rekening houdend met de maximale planologische mogelijkheden (omgekeerde werking). Daarbij is uitgegaan van één emissiepunt op de rand van het (voor dierenverblijven) te benutten bouwvlak, zo dicht mogelijk bij het plangebied. De hoogst berekende voorgrondbelasting ter plaatse van zowel de rand van het plangebied als de locatie waar de woning wordt beoogd, bedraagt respectievelijk 14,6 ouE/m3 en 9,1 ouE/m3. Dit betekent dat ter plaatse van de beoogde woning wordt voldaan aan de geurnorm van 14 ouE/m3, hoewel er sprake is van een overschrijding in het noordwestelijke deel van het perceel. De belangen van de veehouderij worden echter niet geschaad, omdat:
13
De Roever, Onderzoek geurhinder veehouderijen Vliezenweg Venray, 20250345.v01, d.d. 17 april 2025
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
53
1. De maximaal planologisch toegestane mogelijkheden niet realistisch zijn, gelet op de bestaande belemmeringen door geurgevoelige objecten, zoals de woningen aan de Vliezenweg 1 en Kiekweg 24; 2. Ter plaatse van de beoogde woning wordt voldaan aan de geurnorm van 14 ouE/m3. 6.13.3
Conclusie
Uit het onderzoek is gebleken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat veehouderijen niet in de belangen worden geschaad. Vanuit het milieuaspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.14
Trilling
6.14.1
Toetsingskader
Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het kan effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties. Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen: •
continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer);
•
herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer).
Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren. In beginsel moet binnen een afstand van 100 meter van een treinspoor het risico op trillinghinder worden beoordeeld. In sommige gevallen is het nodig om het onderzoeksgebied uit te breiden tot 250 meter aan weerszijden van het spoor. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer er reeds klachten door trillinghinder van het spoor op een grotere afstand dan 100 meter bestaan 14. 6.14.2
Onderzoek
Het planvoornemen maakt een trilling gevoelig gebouw mogelijk. Er zijn geen spoorlijn in de omgeving van de nieuwe bebouwing gelegen15. Gezien het plangebied buiten het onderzoeksgebied van 100 meter en 250 meter valt, kan hinder door trillingen van het treinverkeer worden uitgesloten en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zoverre worden geborgd. Geconcludeerd kan worden dat onderhavig planvoornemen passend is binnen de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke omgevingsplan, en de ambities uit de gemeentelijke omgevingsvisie. Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
14 15
https://iplo.nl/thema/trillingen/trillingen-instrumenten/omgevingsplan/nieuwbouw-langs-spoor/ https://spoorkaart.mwnn.nl/
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
54
6.14.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect trilling is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.15
Spuitzones
6.15.1
Toetsingskader
Bij een ruimtelijk plan dient te worden beoordeeld of sprake is van een goede ruimtelijk ordening. Eén van de aspecten waar rekening mee gehouden moet worden is de spuitzone ten behoeve van het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, dat bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Er gelden in Nederland geen wettelijke bepalingen over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en nabijgelegen, voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige objecten, zoals woningen met tuinen. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor bebouwing aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.
De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van belang voor boomkwekerijen en boomgaarden, omdat gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Vooral het opwaarts spuiten veroorzaakt de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Bij de afstand van 50 meter wordt ervan uitgegaan dat enerzijds de bedrijfsvoering van de agrariër niet wordt belemmerd en anderzijds dat er geen nadelige effecten optreden voor de gezondheid van de bewoners van de woning. De 50 meter afstand is echter een indicatieve afstand. Voor het betrokken bestuursorgaan bestaat zowel bij toepassing als afwijking van deze afstand een onderzoeksplicht. Een kortere afstand is mogelijk, mits voorzien van een deugdelijke motivering. 6.15.2
Onderzoek
De functie binnen het plangebied betreft ‘agrarisch’. Op basis van het tijdelijk omgevingsplan van de gemeente Venray is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen toegestaan. In dit Tam-omgevingsplan is ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – spuitzone’ het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgesloten. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere spuitzones gelegen, echter ligt de beoogde woonbestemming op minimaal 50 meter van deze gronden. Derhalve vormt het aspect ‘spuitzones’ geen belemmering voor het planvoornemen. 6.15.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect spuitzones is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
6.16
Ontplofbare oorlogsresten
6.16.1
Toetsingskader
Op vele locaties in Nederland bevinden zich nog ontplofbare oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog in de ondergrond, zoals niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers, granaten, mijnen en (handwapen) munitie. Het gehele grondgebied van de gemeente Venray heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Bij eventuele grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dient er uit het
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
55
oogpunt van veiligheid en zorgvuldigheid gezocht te worden naar ontplofbare oorlogsresten (OO). Met behulp van het explosievenonderzoek worden de aanwezigheid en risico’s van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. De gemeente Venray adviseert bij grondwerkzaamheden en nieuwe ontwikkelingen een detectieonderzoek uit te (laten) voeren. Dit onderzoek dient plaats te vinden in het kader van de Arbowetgeving en is in het kader van de procedure niet juridisch afdwingbaar. Het is echter te allen tijden de verantwoordelijkheid van de eigenaar van de grond om bij grondwerkzaamheden te zorgen voor een gezonde en veilige werkomgeving. 6.16.2
Onderzoek
In het kader van voorliggend planvoornemen is er door Euroradar een onderzoek naar ontplofbare oorlogsresten16 uitgevoerd. Onderstaand worden de belangrijkste resultaten samengevat weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Het opsporingsgebied is onderzocht op de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Het gebied heeft een totaaloppervlak van 7600m² waarvan 5.390m² non-realtime is ingemeten. 215m² is niet onderzocht i.v.m. nog aanwezige bebouwing en bosschages en zijn daarom niet vrijgegeven. Er zijn 33 verdachte objecten benaderd die voldoen aan de gestelde criteria. Eén object kon niet benaderd worden door de aanwezigheid van 3 stroomkabels. Op deze locatie zijn geen werkzaamheden gepland. Bij het benaderen zijn geen (restanten van) ontplofbare oorlogsresten aangetroffen. Met de door Euroradar gebruikte zoekmethodiek zijn na het verwijderen van de objecten geen overige significante objecten welke overeenkomen met (volgens gesteld zoekdoel) ontplofbare oorlogsresten meer aangetroffen. Het gebied is vrijgegeven om toekomstige werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Het gehele opsporingsgebied is vrijgegeven tot een diepte van 1,75m -mv, met uitzondering van punt 8. Deze delen zijn vrijgegeven tot de diepte van de kabels, 0,30m -mv (24,20m +NAP). De hoogte van het maaiveld lag, ten tijde van het onderzoek, (gemiddeld) op 24,50m +NAP1.
6.16.3
Conclusie
Vanuit het milieuaspect ontplofbare oorlogsresten is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
16
Euroradar, Proces-verbaal van oplevering TAM-Omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray te Venray, kenmerk: EU25-519-PVO-01, d.d. 1 december 2025
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
56
7
Financiële en maatschappelijke verantwoording
7.1
Financieel-economische haalbaarheid
7.1.1
Kostenverhaal
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit. De gemeente Venray heeft een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Het kostenverhaal is hiermee gedekt. 7.1.2
Nadeelcompensatie
Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen: •
Die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
•
Die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.
De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn: •
Het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
•
Een omgevingsvergunning,
•
Een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
•
Rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.
Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet: •
Het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
•
Het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
•
De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.
Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen. In dit kader is door de gemeente met de initiatiefnemer dan ook een anterieure overeenkomst gesloten waarin afspraken over nadeelcompensatie zijn gemaakt.
7.2
Maatschappelijke verantwoording
7.2.1
Advies en instemming
De wijziging van het omgevingsplan zal door de gemeente aan de vaste overlegpartners worden voorgelegd. Eventuele reacties worden beantwoord en waar nodig in het plan verwerkt.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
57
7.2.2
Resultaten proces met derden
Initiatiefnemers hebben op 15 februari 2024 de bewoners van de woningen aan Hardeweg 4 en Vliezenweg 1, 2, 4, 6 en 8, tijdens een afzonderlijke bijeenkomst geïnformeerd over de plannen om op het perceel, kadastraal bekend gemeente Venray, nummer 4749, een woonkavel te realiseren. Deze bijeenkomst vond plaats in de woning Vliezenweg 6. De omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het voornemen. Op 7 september 2025 is de bewoner Vliezenweg 4a nog eens afzonderlijk geïnformeerd over de stand van zaken, dit vanwege het gegeven dat deze bezig was en is met verbouwingswerkzaamheden en niet aanwezig kon zijn tijdens de eerdere bijeenkomst. Tijdens deze gesprekken hebben de betreffende omwonenden aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de plannen. Verder zijn de omwonenden persoonlijk door initiatiefnemers op de hoogte gehouden van de voortgang. Zij hebben hun daarover per brief van 7 september 2025 geïnformeerd. Verder is gesproken met de eigenaren van het agrarisch bedrijf aan de Kiekweg 21. Deze gaven aan mogelijk bezwaar aan te tekenen vanwege de mogelijke belemmeringen voor hun bedrijfsvoering. Zij hadden nog geen definitief standpunt ingenomen. Nadien is een geuronderzoek verricht op basis waarvan is gebleken dat kan worden voldaan aan de geurnormering en dat de bedrijfsvoering van het bedrijf aan de Kiekweg 21 niet zal worden belemmerd.
De betreffende eigenaren zijn op 3 november 2025 per brief geïnformeerd over dit rapport. 7.2.3
Zienswijzen
Het ontwerpbesluit van onderhavige wijziging van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Venray in de vorm van dit TAM-omgevingsplan heeft van 21 december 2025 tot en met 22 januari 2026 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is één zienswijze ingediend. Deze zienswijze is in een nota van zienswijzen (bijlage 11) samengevat en voorzien van een gemeentelijk standpunt, waarbij aangegeven is of de zienswijze leidt tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan. Naar aanleiding van de zienswijze is paragraaf 6.2 aangevuld naar het uitvoeren van een endotoxine onderzoek. Dit onderzoek is als bijlage 10 aan deze motivering toegevoegd. Op basis hiervan is het TAM-omgevingsplan in de raadsvergadering van 26 mei 2026 gewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad van Venray.
TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
58
Amsterdam Nachtwachtlaan 20 1058 EA Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
‘s-Hertogenbosch Willemsplein 2 5211 AK ’s-Hertogenbosch +31 (0)73 208 91 55
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 Info.bro@movares.nl www.movares.coml TAM-omgevingsplan Vliezenweg ong. te Venray
60