b NL.IMRO.0984.TAM24004-va01 tb5 Ecologische beoordeling stikstof
Tekst van het document
Voor de effectbeoordeling op de aangewezen stikstofgevoelige leefgebieden van broedvogels met een relevante tijdelijke toename van stikstofdepositie (tabel 5.6), wordt de belangrijkste informatie samengevat in tabel 5.7. Tabel 5.7:
Basisgegevens voor de effectbeoordeling van de toename van stikstofdepositie op leefgebieden van broedvogels binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen.
Soortcode
Broedvogel
Leefgebied1
A004
Dodaars
A008
Geoorde fuut
A224
Nachtzwaluw
A236
Zwarte Specht
A246
Boomleeuwerik
A249 A276
Oeverzwaluw Roodborsttapuit
A338
Grauwe Klauwier
H3130, H3160, ZGH3160, Lg04 H3130, H3160, ZGH3160, Lg04 H4030, H7110B, H2330, H2310, ZGH7110B, Lg09, Lg13, Lg14, H9190, H4010A, H6120, Lg10 Lg13, Lg14, H9190, H9120 H4030, H2330, H2310, Lg09, Lg10, H6120 H3130 H4030, H2310, Lg09, H4010A, H6120 H3130, H4030, H3160, H7110B, ZGH3160, ZGH7110B, H2310,
Maximaal relevant effect2
Areaal met relevant effect (ha)3
Relevant t.o.v. totaal areaal (%)4
0,18
66,79
99,6%
0,18
66,79
99,6%
0,25
3095,88
99,5%
0,25
2633,3
100%
0,22
411,88
97,5%
0,16 0,22
43,45 318,95
100% 98,7%
0,22
432,23
96,6%
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
72/213
Soortcode
Leefgebied1
Broedvogel
Maximaal relevant effect2
Areaal met relevant effect (ha)3
Relevant t.o.v. totaal areaal (%)4
Lg09, H4010A, Lg06, H6120, Lg10 1. De habitat- en/of leefgebiedtypen met een toename van stikstofdepositie binnen het leefgebied van de soort volgens de relatie-leefgebied tabel (BIJ12 2020). 2. Maximale toename van stikstofdepositie in mol N/ha/jaar op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief het berekende stikstofeffect. 3. Totaal gekarteerd oppervlak met een relevante toename van stikstofdepositie op basis van de meest recente habitattypenkaart (AERIUS 2025). 4. Het percentage aan areaal met een relevante toename van stikstofdepositie ten opzichte van het totale areaal binnen het Natura 2000-gebied.
In de volgende paragrafen wordt de toename van stikstofdepositie op het leefgebied van iedere broedvogelsoort uit bovenstaande tabel beoordeeld. Zie bijlage 1 voor een algemene omschrijving per soort.
A004 - Dodaars Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de dodaars in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 50 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie Volgens het Beheerplan schommelde het aantal dodaarzen in de periode 20052024 tussen de 16 en 40 broedparen, waarmee de instandhoudingsdoelstelling niet behaald wordt. In de laatste integrale kartering in 2019 bestond de lokale dichtheid uit 23 broedparen. De trend in aantal broedparen sinds 2011 is onzeker, de trend sinds 1990 is stabiel (Sovon). De broedvogel komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide en de trend voor heel Nederland voor deze soort is positief sinds 1990 (Sovon). De trend voor omvang populatie en kwaliteit leefgebied is stabiel (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Omschrijving leefgebied Het broedbiotoop van de dodaars bestaat uit ondiepe, voedselarme tot matig voedselrijke zoete wateren met een weelderige oevervegetatie. Voedsel zoekt de dodaars in 1-2 m diep water (Natura 2000-profielendocument; A004). De dodaars heeft in Maasduinen geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Zwakgebufferde vennen (H3130) en Zure vennen (H3160) en het stikstofgevoelige leefgebiedtype Zuur ven (Lg04).
De dodaars broedt in heidevennen verspreid over het gehele Natura 2000-gebied (Gebiedsanalyse145, 2017). De kwaliteit van het leefgebied is matig (Beheerplan-145, 2020). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (67,02 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Dodaars vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,18 mol N/ha/jaar (figuur 5-19).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
73/213
Figuur 5-19:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Dodaars (A004).
Knelpunten De belangrijkste factor die het voorkomen van de dodaars in Maasduinen bepaalt, is verdroging. Door het vroegtijdig droogvallen van vennen waar vogels broeden mislukt het broedseizoen, vanwege gebrek aan voedsel. Dodaarzen kunnen alleen in open water foerageren en niet-vliegvlugge vogels kunnen bij het droogvallen van een ven niet wegkomen (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Stikstofdepositie wordt in de Gebiedsanalyse en het Beheerplan niet als knelpunt beschreven (Gebiedsanalyse-145, 2017; Beheerplan-145, 2020). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Dodaars is matig en de trend is stabiel voor zowel de omvang als de kwaliteit van het leefgebied. De recente tellingen van de Dodaars zijn lager dan de instandhoudingsdoelstelling. Op het volledige areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Stikstofdepositie vormt geen knelpunt voor de Dodaars in het Natura 2000-gebied Maasduinen. Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de Dodaars worden ook al benoemd onder H3130. Voornamelijk verdroging vormt het voornaamste knelpunt voor A004, maar stikstofdepositie vormt geen knelpunt voor de Dodaars.
In het kader van het bovenstaande, en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,18 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de Dodaars. Het is met zekerheid uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare verslechtering van de abiotische condities (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
74/213
niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van ten minste 50 broedparen) gehaald kan worden.
A008 - Geoorde fuut Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de geoorde fuut in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 7 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie De geoorde fuut komt met een gemiddelde trend van minder dan 1 broedpaar voor in Maasduinen, waarmee de instandhoudingsdoelstelling niet wordt behaald. Er is geen duidelijke aantoonbaar trend in aantal broedparen sinds 2007, de trend sinds 1990 is niet aantoonbaar (Sovon). De broedvogel komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide. Omschrijving leefgebied De geoorde fuut is een broedvogel van ondiepe wateren, die vaak broedt in heidevennen met een kokmeeuwenkolonie of in duinmeren. De plassen moeten een weelderige, maar niet te hoge oevervegetatie hebben van bijvoorbeeld pitrus of riet en een vlakke, geleidelijk aflopende oever. Het nest drijft, bestaat uit plantaardig materiaal en wordt verankerd aan omringende vegetatie (Natura 2000-profielendocument; A008). De geoorde fuut heeft in Maasduinen geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Zwakgebufferde vennen (H3130) en Zure vennen (H3160) en het stikstofgevoelige leefgebiedtype Zuur ven (Lg04). De dodaars broedt in heidevennen verspreid over het gehele Natura 2000-gebied (Gebiedsanalyse-145, 2017).
De kwaliteit van het leefgebied is matig met een positieve omvang van het leefgebied (Natuurdoelanalyse-145, 2024). De trend is stabiel voor de omvang van het leefgebied en negatief voor de kwaliteit. Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (67,02 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Geoorde fuut vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,18 mol N/ha/jaar (figuur 5-20).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
75/213
Figuur 5-20:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Geoorde fuut (A008).
Knelpunten Knelpunten voor het voorkomen van geoorde fuut als broedvogel zijn verdroging en het ontbreken van herkolonisatie. Door het vroegtijdig droogvallen van vennen waar vogels broeden mislukt het broedseizoen, vanwege gebrek aan voedsel. geoorde fuuten kunnen alleen in open water foerageren en niet-vliegvlugge vogels kunnen bij het droogvallen van een ven niet wegkomen (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Na het uitvoeren van venherstelprojecten, waarbij vennen opgeschoond zijn, is geen sprake van herkolonisatie door geoorde futen. De oorzaak hiervan is onbekend, maar zeer waarschijnlijk ligt er een verband met het verdwijnen van de kokmeeuwenpopulaties. Daarnaast wordt de aanwezigheid van Canadese ganzen ook aangeduid als een potentieel knelpunt (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Stikstofdepositie wordt in de Gebiedsanalyse en het Beheerplan niet als knelpunt beschreven (Gebiedsanalyse-145, 2017; Beheerplan-145, 2020). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de geoorde fuut is matig en de trend van de geoorde fuut is lager dan de instandhoudingsdoelstelling. De huidige omvang van het leefgebied is positief en de trend ervoor is stabiel echter de trend voor kwaliteit is negatief. Op het volledige areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,18 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie.
Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de geoorde fuut worden ook al benoemd onder H3130. Verdroging en het niet optreden van herkolonisatie vormen de voornaamste knelpunten voor de geoorde fuut, stikstofdepositie vormt echter geen of slechts een gering knelpunt voor de geoorde fuut. In het kader van het bovenstaande, en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,18 mol
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
76/213
N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de geoorde fuut. Het is met zekerheid uitgesloten dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare verslechtering van de abiotische condities (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 7 broedparen) gehaald kan worden.
A224 - Nachtzwaluw Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de nachtzwaluw in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 30 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie Bij de laatste inventarisatie in 2019 werden in heel de Maasduinen 113 broedparen waargenomen. De trend in aantal broedparen is daardoor sinds 1990 positief (Sovon). De broedvogel komt voornamelijk voor in het cluster droge zandduinen. In de huidige situatie is de omvang van de populatie positief, maar de kwaliteit van het leefgebied matig. De trend voor zowel omvang populatie als kwaliteit leefgebied is positief (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Omschrijving leefgebied De nachtzwaluw komt voor in deels dichtgegroeide maar niet-vergraste zandverstuivingen en halfopen landschappen op schrale, zandige bodems, zoals boomheiden, heidevelden met boomgroepen of vliegdennen en kap- of brandvlakten (Natura 2000-profielendocument; A224).
De nachtzwaluw heeft geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Zandverstuivingen (H2330), Vochtige heiden (hogere zandgronden) (H4010A), Stroomdalgraslanden (H6120), Actieve hoogvenen (heideveentjes) (H7110B) en Oude eikenbossen (H9190) en de stikstofgevoelige leefgebiedtypen Droog struisgrasland (Lg09), Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied (Lg10), Bos van arme zandgronden (Lg13) en Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (Lg14). Sinds de eerste vlak dekkende broedvogelkartering in 1993 is de populatie in de Maasduinen sterk toegenomen. Kerngebieden zijn de Bergerheide en Eckeltse Bergen en De Hamert met respectievelijk 39 en 21 territoria in 2013 (Beheerplan-145, 2020). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (3110,39 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Nachtzwaluw vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 99,5% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie.
Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,25 mol N/ha/jaar (figuur 5-21).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
77/213
Figuur 5-21:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Nachtzwaluw (A224).
Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor de nachtzwaluw zijn verbossing door een versnelde successie. De nachtzwaluw broedt op open plekken op de grond. Door een versnelde successie gaat openheid en daarmee broedgebied verloren, wat een negatief effect heeft op de soort. Verbossing wordt veroorzaakt door natuurlijke successie. Stikstofdepositie leidt tot een versnelde successie en daarmee tot versnelde verbossing. De trend in aantal broedparen is echter positief als gevolg van het ingezette heidebeheer en de realisatie van open kapvlaktes en heidecorridors in het bos (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Nachtzwaluw is goed en de trend van de nachtzwaluw is onbekend, maar met de meest recente telling in 2019 werden 119 paren geteld waarmee de instandhoudingsdoelstelling wordt behaald en de populatietrend en de trend voor kwaliteit ook positief is. Op 99,5% van het areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,25 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de Nachtzwaluw worden ook al benoemd onder H2310. Stikstofdepositie en verbossing vormen knelpunten voor de soort. Echter, de soort heeft een zeer goede staat van instandhouding in betrekking tot het leefgebied en de soort zelf.
In het kader van het bovenstaande, en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,25 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de Nachtzwaluw. Het is niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid),
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
78/213
soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van bovenstaande, dan ook niet in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 30 broedparen) gehaald kunnen worden.
A236 - Zwarte Specht Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de zwarte specht in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 35 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie De trend in aantal broedparen is onzeker (Sovon). In het Beheerplan is beschreven dat de zwarte specht een constant beeld laat zien, met aantallen tussen de 28 en 33 territoria in de onderzoeksjaren 1993, 2005 en 2013. In 2022 was het aantal getelde broedparen 20 (Sovon). Vanwege de grote territoria van de zwarte specht en grote afstanden die de soort kan afleggen zijn deze aantallen waarschijnlijk een overschatting van het werkelijk aantal broedparen. Vrijwel al het geschikte broedhabitat is bezet, waardoor een instandhoudingsdoelstelling van 35 broedparen te hoog is (Beheerplan-145, 2020). De broedvogel komt voornamelijk voor in het cluster Bossen. Zowel de omvang van het leefgebied als de kwaliteit is in de huidige situatie respectievelijk stabiel en positief. De trend is voor beide stabiel (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Omschrijving leefgebied De zwarte specht leeft in oude bossen van minimaal 100 ha en tevens in middeloude bossen, mits oude lanen van beuk, Amerikaanse eik en eik aanwezig zijn.
Het voedsel van de zwarte specht bestaat uit insecten en insectenlarven, die vooral uit omgevallen en aangetaste bomen worden gehakt (Natura 2000-profielendocument; A236). De zwarte specht heeft in Maasduinen geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Beuken-eikenbossen met hulst (H9120) en Oude eikenbossen (H9190) en de stikstofgevoelige leefgebiedtypen Bos van arme zandgronden (Lg13) en Eiken- en beukenbos van lemige zandgronden (Lg14). Zwarte spechten zijn te vinden over de gehele Maasduinen in de grotere boscomplexen en de verspreiding is vrij homogeen (Beheerplan-145, 2020). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (2633,36 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Zwarte Specht vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,25 mol N/ha/jaar (figuur 5.22).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
79/213
Figuur 5-22:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Zwarte Specht (A236).
Knelpunten Volgens het beheerplan is de kwaliteit van het leefgebied van de zwarte specht matig. De populatietrend is daarbij onzeker maar lijkt stabiel (Sovon). Er zijn aanwijzingen dat de leefgebieden van Zwarte specht als gevolg van overmatige stikstofdepositie in draagkracht afnemen, echter het voornaamste criterium voor de Zwarte Specht is voornamelijk de slechte buffering als gevolg van aanwezigheid van voornamelijk vaaggronden (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Onduidelijk is echter op welke manier en in welke mate dit gebeurt (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Vanwege de grote territoria van de zwarte specht en grote afstanden die de soort kan afleggen zijn deze aantallen waarschijnlijk een overschatting van het werkelijk aantal broedparen. Vrijwel al het geschikte broedhabitat is bezet, waardoor een instandhoudingsdoelstelling van 35 broedparen te hoog wordt geacht. Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Zwarte specht is in de huidige situatie respectievelijk stabiel en de kwaliteit is positief. De trend is voor beide stabiel. Op het volledige areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,25 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de Zwarte specht worden ook al benoemd onder H9120.
Stikstofdepositie kan een knelpunt vormen maar het is nog onduidelijk in hoeverre dit een effect heeft. Er is gekeken naar het dieet van de Zwarte specht maar er is niet gebleken dat deze zwaar lijdt onder stikstofdepositie, alhoewel het voedselaanbod wel lijdt onder de aanwezigheid van vaaggronden. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat er mogelijk een overschatting is van de aanwezige aantallen vanwege de grote territoria en omdat de soort in staat is om grote afstanden af te leggen. De huidige
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
80/213
knelpunten op de Zwarte specht hebben daardoor geen duidelijke negatieve gevolgen voor de soort. In het kader van het bovenstaande, en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,25 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de Zwarte specht. Het is niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare verslechtering van de abiotische condities (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van ten minste 35 broedparen) gehaald kan worden.
A246 - Boomleeuwerik Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de boomleeuwerik in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 100 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie De trend in aantal broedparen sinds 2013 is significant positief, de trend sinds 1996 is stabiel (Sovon). De populatie fluctueert sterk, met 150 territoria in 1993, 85 in 2005 en 120 in 2013 (Beheerplan-145, 2020). Bij de laatste inventarisatie in 2019 werden 125 broedparen waargenomen (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Voor heel Nederland is de trend ook positief voor de Boomleeuwerik (Sovon). De broedvogel komt voornamelijk voor in het cluster droge zandduinen. In de huidige situatie is de omvang van het leefgebied stabiel en heeft het een positieve kwaliteit. De trend voor beide is echter onbekend (Natuurdoelanalyse145, 2024). Omschrijving leefgebied De boomleeuwerik broedt op droge, zandige bodems met een schaarse begroeiing en verspreide opslag van bomen of struiken. Zulke broedplekken vindt hij vooral op heidevelden, zandverstuivingen, schrale duinen en brandvlaktes. Het voedselbiotoop kan tot 200 m van de nestplaats verwijderd zijn en bestaat uit een poreuze, schraalbegroeide bodem die snel opdroogt en opwarmt (Natura 2000-profielendocument; A246).
De boomleeuwerik heeft geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Zandverstuivingen (H2330), Droge heiden (H4030) en Stroomdalgraslanden (H6120) en de stikstofgevoelige leefgebiedtypen Droog struisgrasland (Lg09) en Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied (Lg10). Boomleeuweriken komen wijd verspreid over de Maasduinen voor. De vogels zijn vooral te vinden in de drogere delen van het gebied, op en aan de rand van heidevelden, zandverstuivingen en op grotere kapvlaktes. De populatie fluctueerde sterk (Beheerplan-145, 2020). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (422,41 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Boomleeuwerik vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 97,5% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,22 mol N/ha/jaar (figuur 5-23).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
81/213
Figuur 5-23:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Boomleeuwerik (A246).
Knelpunten De belangrijkste knelpunten voor de boomleeuwerik zijn stikstofdepositie en begrazing. Te intensieve begrazing heeft een negatief effect op boomleeuweriken. Het is van belang dat er geen integrale begrazing plaatsvindt, maar dat begrazing gefaseerd gebeurt en elk jaar een deel van het terrein aan bod komt. Begrazing kan namelijk leiden tot directe verstoring. Stikstofdepositie leidt tot versnelde successie (vergrassing en verbossing), waardoor schraalbegroeide bodem in areaal afneemt en de geschiktheid van broed- en foerageerbiotoop afneemt. Op de lange termijn leidt verbossing eveneens tot afname van het leefgebied van de Boomleeuwerik (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Boomleeuwerik is stabiel en de kwaliteit is positief. De populatietrend is eveneens onzeker, echter tijdens de laatste inventarisatie in 2019 werden 125 paren geteld waarmee de Boomleeuwerik de instandhoudingsdoelstelling haalt. De trend voor omvang leefgebied en kwaliteit leefgebied zijn onbekend. Op 97,5% van het areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,22 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de Boomleeuwerik worden ook al benoemd onder H2310.
Stikstofdepositie en te intensieve begrazing vormen knelpunten voor de boomleeuwerik. Er zijn aanwijzingen dat de begrazingsdruk een negatieve invloed heeft en dat op schapen begraasde delen er een negatief effect is op broedsucces. De effecten van stikstofdepositie ontstaan voornamelijk door verbossing wat een effect is op de lange termijn binnen het huidige leefgebied. De leefgebieden van de Boomleeuwerik liften mee met de maatregelen voor het habitat Droge heide
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
82/213
(H4030). Bijvoorbeeld extra begrazing, het verwijderen van opslag en plaggen zorgen ervoor dat het leefgebied voor deze vogelsoort voldoende groot blijft. In het kader van het bovenstaande, en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,22 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de Boomleeuwerik. Het is niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare verslechtering van de abiotische condities (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van ten minste 100 broedparen) gehaald kan worden.
A249 - Oeverzwaluw Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de oeverzwaluw in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 120 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie Oeverzwaluwen zijn soorten van pioniersituaties. De soort komt van nature voor in eroderende oevers van rivieren, mits van voldoende omvang. In het Natura 2000-gebied Maasduinen komt de soort echter als broedvogel niet meer voor. De Oeverzwaluw heeft binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied nooit natuurlijke leefgebieden kunnen bezetten omdat deze gewoonweg ontbreken. Echter in recente tellingen is hij weer aangetroffen, met een recente gemiddeld aantal van 10 broedparen waarmee de instandhoudingsdoelstelling niet wordt gehaald (Sovon). De trend in aantal broedparen is niet aantoonbaar (Sovon). De broedvogel komt voornamelijk voor in het cluster Maasdal. Deze cluster komt alleen voor in het deelgebied de Hamert in de Maasduinen, echter de oeverzwaluw kan zich nog in andere gebieden vestigen. Omschrijving leefgebied Open terreinen met zand-, leem- of kleiwanden, liefst in de omgeving van zoet water, vormen de broedbiotoop van de oeverzwaluw. Voedsel van de oeverzwaluw bestaat uit vliegende insecten die in de wijde omgeving van de broedplaats worden bejaagd (Natura 2000-profielendocument; A249).
De oeverzwaluw heeft in Maasduinen potentieel geschikt leefgebied in het stikstofgevoelige habitattype Zwakgebufferde vennen (H3130). Het voorkomen en de verspreiding van Oeverzwaluw in de broedtijd is sterk afhankelijk van het aanbod aan steile wanden in zandafgravingen of eroderende oevers langs rivieren en grotere beken. Oeverzwaluwen graven hierin hun broedholen. De nabijheid van open water is wel gewenst, maar niet noodzakelijk (Beheerplan145, 2020). De huidige omvang van het leefgebied is onduidelijk maar de kwaliteit is positief. De trend is voor beiden eveneens onbekend (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (43,45 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Oeverzwaluw vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
83/213
inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,16 mol N/ha/jaar (figuur 5-24).
Figuur 5-24:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Oeverzwaluw (A249).
Knelpunten Het knelpunt voor het niet voorkomen van de oeverzwaluw als broedvogel in Maasduinen is het verlies van nestgelegenheid. Ten tijde van de aanwijzing volgens de Vogelrichtlijn waren zand- en grindgroeves in het gebied nog in bedrijf of recent opgeleverd als natuurgebied. Het verdwijnen van open mijnbouw, zand- en grindwinning uit het Natura 2000-gebied heeft geleid tot het ontbreken van steile zandwanden, welke oeverzwaluwen gebruiken als broedlocaties. Het gebrek aan broedlocaties is dus de directe reden voor het niet voorkomen van de oeverzwaluw als broedvogel (Natuurdoelanalyse-145, 2024). De conclusie is hierbij dan ook dat de aanwijzing in het aanwijzingsbesluit dient te worden heroverwogen. In het dal van de Maas zijn daarnaast voldoende broedvogels voor een gezonde populatie net buiten Natura 2000-gebied Maasduinen. Stikstofdepositie vormt geen knelpunt. Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Oeverzwaluw is positief maar de omvang ervan is onbekend, hetzelfde geld voor de trend van beiden. Het recent gemiddelde aantal van de Oeverzwaluw is 10 broedparen waarmee het instandhoudingsdoel niet wordt behaald en de populatietrend is eveneens onzeker. Ten tijde van de aanwijzing Vogelrichtlijn broedden er veel Oeverzwaluwen in nog actieve groeves zoals Reindersmeer en groeve Driessen.
Met het verdwijnen van de graafactiviteiten werden de groeves ook minder geschikt als broedplaats door het verdwijnen van kale zandige
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
84/213
steilranden. Er zijn nog wel enkele kolonies aanwezig maar allen buiten het Natura 2000-gebied. Op het volledige areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,16 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de Oeverzwaluw worden ook al benoemd onder H6120. Het verlies van nestgelegenheid vormt het grootste knelpunt voor de Oeverzwaluw en stikstofdepositie wordt hierbij niet gezien als een knelpunt. In het kader van het bovenstaande, en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,16 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de Oeverzwaluw. Het is niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare verslechtering van de abiotische condities (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van ten minste 120 broedparen) gehaald kan worden.
A276 - Roodborsttapuit Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de roodborsttapuit in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 85 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie De trend in aantal broedparen sinds 2012 is onzeker, de trend sinds 1990 is positief (Sovon). In recente jaren (2022 en 2019) werden er tussen de 134 en 141 broedparen geteld (Sovon). Op basis van deze aantallen wordt de instandhoudingsdoelstelling behaald. Van tussenliggende en recentere jaren zijn geen betrouwbare totaalschattingen beschikbaar (Sovon). De huidige omvang van het leefgebied en de kwaliteit hiervan zijn beiden positief, hetzelfde geld voor de trend van beiden (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Omschrijving leefgebied Het broedbiotoop van de roodborsttapuit omvat heide- en hoogveengebieden en duinen. De nestplaats bevindt zich in heide- en duinbegroeiing op of net boven de grond tussen het struweel. Voedsel wordt gezocht tot op enkele honderden meters van het nest (Natura 2000-profielendocument; A276).
De roodborsttapuit heeft in Maasduinen geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Vochtige heiden (hogere zandgronden) (H4010A), Droge heiden (H4030) en Stroomdalgraslanden (H6120) en het stikstofgevoelige leefgebiedtype Droog struisgrasland (Lg09). De verspreiding van roodborsttapuiten is vrijwel volledig gekoppeld aan de open heideterreinen. In 1993 waren er twee kerngebieden, De Hamert en de Bergerheide. In 2005 was er een duidelijke toename te zien op de Bergerheide en de randen van de Eckeltse Bergen. In 2013, is een sterke toename geconstateerd in het noordelijke deel van de Maasduinen, met name bij het Quin. Kerngebieden zijn momenteel De Hamert, de Bergerheide en Gemeenteheide, de buitenrand van de Eckeltse Bergen en het Quin (Beheerplan-145, 2020). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (323,23 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Roodborsttapuit vindt, ten gevolge van de voorgenomen
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
85/213
ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 98,7% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,22 mol N/ha/jaar (figuur 5-25).
Figuur 5-25:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Roodborsttapuit (A276).
Knelpunten In de huidige situatie vormt begrazing het enige knelpunt voor de roodborsttapuit in Maasduinen. Te intensieve begrazing is nadelig voor de soort. Bij gefaseerde begrazing waarbij terreindelen om het jaar begraasd worden is gunstig voor roodborsttapuit, die voor de nestgelegenheid de voorkeur heeft voor open tot minder open terreindelen met een lage bedekking van struweel (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Stikstofdepositie leidt mogelijk tot een afname van de prooibeschikbaarheid, maar uit de Gebiedsanalyse en het Beheerplan blijkt niet dat effecten hiervan merkbaar zijn voor de roodborsttapuit in Maasduinen (Gebiedsanalyse-145, 2017; Beheerplan-145, 2020). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Roodborsttapuit is goed en de populatietrend is positief. Dit is echter wel op basis van observaties in de jaren 2019 en 2022, omdat er in de tussenliggende jaren geen betrouwbare gegevens zijn verzameld. Op 98,7% areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,22 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de Roodborsttapuit worden ook al benoemd onder H2310. Evenals de Boomleeuwerik is begrazing voor de Roodborsttapuit het voornaamste knelpunt
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
86/213
en vormt stikstofdepositie een verminderd knelpunt. Daarnaast heeft de soort een goede staat van instandhouding in betrekking tot het leefgebied en de soort zelf. Er is vastgesteld dat de soort een landelijk positieve trend heeft welke ook wordt gezien in Natura 2000-gebied Maasduinen, ondanks missende observaties. In het kader van het bovenstaande, en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,22 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de Roodborsttapuit. Het is niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare verslechtering van de abiotische condities (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van ten minste 85 broedparen) gehaald kan worden.
A338 - Grauwe Klauwier Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de grauwe klauwier in Natura 2000-gebied Maasduinen is uitbreiding van omvang en verbetering van kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor ten minste 3 broedparen. Huidig voorkomen en trend in populatie De grauwe klauwier kwam in 2019, 2020, 2021 met 3 broedparen en in 2022 met 8 broedparen voor in de Maasduinen, waarmee de instandhoudingsdoelstelling wordt behaald. De trend in aantal broedparen is onzeker (Sovon). Het recente gemiddelde aantal (getelde aantallen van 2021 t/m 2024) ligt hiermee op 6 broedparen waardoor het instandhoudingsdoelstelling wordt behaald. De huidige omvang van het leefgebied is positief maar de kwaliteit van het leefgebied is matig. De trend voor de omvang van het leefgebied is daarmee ook positief maar onbekend voor de kwaliteit (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Omschrijving leefgebied Het broedbiotoop van de grauwe klauwier bestaat uit halfopen, structuurrijke landschappen met een rijk aanbod van grote insecten en kleine gewervelden. De grauwe klauwier maakt zijn nest in doorndragende struiken zoals braam, sleedoorn, hondsroos en meidoorn. Laagblijvende, kruidenrijke vegetaties vormen het voedselbiotoop van de grauwe klauwier, waarbij hogere vegetatie dient als uitkijkpost (Natura 2000-profielendocument; A338).
De grauwe klauwier heeft geschikt leefgebied in de stikstofgevoelige habitattypen Stuifzandheiden met struikhei (H2310), Zwakgebufferde vennen (H3160), Zure vennen (H3160), Vochtige heiden (hogere zandgronden) (H4010A), Droge heiden (H4030), Stroomdalgraslanden (H6120) en Actieve hoogvenen (heideveentjes) (H7110B) en de stikstofgevoelige leefgebiedtypen Dotterbloemgrasland van beekdalen (Lg06), Droog struisgrasland (Lg09) en Kamgrasweide & Bloemrijk weidevogelgrasland van het zand- en veengebied (Lg10). Er broeden slechts onregelmatig Grauwe klauwieren in de Maasduinen. De vogels zijn elk jaar gezien, maar van bezette territoria is niet altijd sprake, al kunnen vogels in de broedtijd erg obscuur zijn en zich aan het oog onttrekken. Locaties waar geregeld Grauwe klauwieren opduiken zijn De Hamert en Bergerheide. In 1993 broedde een paartje in een grote meidoornstruik in een door paarden begraasde wei aan de rand van het Broedersbos. Grauwe klauwieren zijn voor hun voedsel afhankelijk van grote insecten die ze in warme schrale vegetaties vangen (Beheerplan-145, 2020).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
87/213
Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (447,38 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de broedvogelsoort Grauwe Klauwier vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 96,6% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,22 mol N/ha/jaar (figuur 5-26).
Figuur 5-26:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Grauwe Klauwier (A338).
Knelpunten De broedlocatie van de grauwe klauwier bestaat uit doornstruwelen. Voor voedsel is de grauwe klauwier afhankelijk van grote insecten die ze in warme schrale vegetaties vangen. De aanwezigheid van voldoende grote prooien en variatie in prooien is van groot belang voor de grauwe klauwier. Stikstofdepositie kan hierop een negatief effect hebben (Natura 2000herstelstrategie, H4030), hoewel dit niet als knelpunt is beschreven in de Gebiedsanalyse en het Beheerplan. Voor Grauwe klauwier is het probleem van de Maasduinen waarschijnlijk niet alleen dat de draagkracht van het gebied onvoldoende (als gevolg van stikstofdepositie en verdroging) is om de doelstelling te halen. Oorzaken moeten ook worden gezocht in de populatiedynamiek van de soort. Deze vestigt zich nog niet definitief omdat de aanvoer van nieuwe vogels uit bronpopulaties nog onvoldoende is. Het aantal paren dat zich weet te vestigen is onvoldoende groot om genoeg aanwas te krijgen om in minder goede jaren, zoals koude, natte zomers, te overleven (Natuurdoelanalyse-145, 2024).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
88/213
Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Grauwe klauwier is matig en het recente gemiddelde aantal van de Grauwe klauwier is met 6 broedparen hoger dan het instandhoudingsdoel. Dit wordt ondersteund in recente observaties in 2019 t/m 2022 waarin telkens meer dan 3 broedparen werden gevonden. De trend voor omvang leefgebied is positief maar negatief voor de kwaliteit. Op 96,6% van het areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,22 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Veel van de knelpunten voor het leefgebied van de Grauwe Klauwier worden ook al benoemd onder H2310. De kleine populatie van de Grauwe Klauwier is ook één van de knelpunten voor de soort. De Grauwe klauwier vestigt zich nog niet definitief omdat de aanvoer van nieuwe vogels uit bronpopulaties nog onvoldoende is. Het aantal paren dat zich weet te vestigen is onvoldoende groot om genoeg aanwas te krijgen om in minder goede jaren, zoals koude, natte zomers, te overleven. Dit is naar verwachting ook het grootste knelpunt voor de broedvogel op het moment voor de Maasduinen.
In het kader van het bovenstaande, het feit dat de Grauwe klauwier toch wel het instandhoudingsdoelstelling in recente jaren heeft behaald en de eerder beschouwde knelpunten voor het leefgebied, zal een geringe toename van 0,05 mol N/ha/jaar in dit geval niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied van de Grauwe klauwier. Het is niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare verslechtering van de abiotische condities (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van het bovenstaande, er dan ook niet aan in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud oppervlak en behoud kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van ten minste 3 broedparen) gehaald kan worden.
5.6
Beoordeling niet-broedvogels
Het Natura 2000-gebied Maasduinen is niet aangewezen voor niet-broedvogels. Er kan derhalve geen toename van stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Significant negatieve gevolgen zijn hierom op voorhand uitgesloten.
5.7
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt een tijdelijke toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,25 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen. Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, is onderzocht of de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat dit niet het geval is. De tijdelijke stikstoftoename ten gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling staat ook niet in de weg van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen leefgebied van kwalificerende soorten. Significant negatieve gevolgen door de tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het voorgenomen project zijn hierom uitgesloten.
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
89/213
6
Zeldersche Driessen
6.1
Inleiding
De Zeldersche Driessen is gelegen in een binnenbocht van het riviertje de Niers. Het gebied bestaat voor een groot deel uit bos. Het is één van de weinige plaatsen in ons land waar op rivierduinen loofbos met in hoge mate natuurlijke samenstelling wordt aangetroffen. Ook zijn een tweetal kleine heideperceeltjes aanwezig. Het zuidelijk deel van het gebied, direct grenzend aan de Niers, bestaat voornamelijk uit soortenrijk stroomdalgrasland met plantengemeenschappen die karakteristiek zijn voor rivierduinen (Zeldersche Driessen, Natura2000.nl).
Figuur 6-1:
Overzicht ligging richtlijngebieden in het gebied Zeldersche Driessen.
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
90/213
6.2
Doelstellingen
In tabel 6-1 volgt een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen op basis van het aanwijzingsbesluit. Tabel 6.1:
a)
Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen voor het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen. Habitattypen
Habitatcode
Habitattype
Status doel
Oppervlakte1
Kwaliteit1
H6120 H6430C H9120 H91F0
Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen (droge bosranden) Beuken-eikenbossen met hulst Droge hardhoutooibossen
definitief definitief definitief definitief
> > = =
> = = =
1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >.
6.3
Beoordeling habitattypen
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen sprake is van een toename van stikstofdepositie op vier stikstofgevoelige habitattypen (tabel 6.2). De overige habitattypen zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een relevante stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze overige habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 6.2:
Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen. De tabel bevat enkel habitattypen met een projecteffect ≥0,01 mol N/ha/jaar. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS-Calculator (AERIUS 2025) en worden weergegeven in mol N/ha/jaar.
Habitatcode
Habitattype
KDW1
Maximale achtergrond depositie2
Maximaal effect3
Maximaal relevant effect4
H6120 H6430C H9120 H91F0
Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen (droge bosranden) Beuken-eikenbossen met hulst Droge hardhoutooibossen
1286 1857 1071 2071
1778 1778 2170 1854
0,10 0,10 0,16 0,14
0,10 0,16 -
1. KDW van habitattype volgens Wamelink et al. (2023) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS-Calculator. kleuren betreffen: geen overschrijding en overschrijding KDW. 3. De maximale toename van stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. 4. De maximale toename van stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.
De habitattypen H91F0 en H6430C ondervinden op het moment geen (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie op hexagonen met een toename van stikstofdepositie (≥0,01 mol N/ha/jaar). Dit blijft zo, inclusief de berekende stikstofbijdrage ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significante gevolgen door een toename van stikstofdepositie op deze habitattypen zijn daarom uitgesloten. Voor de effectbeoordeling op de habitattypen met een relevante tijdelijke toename van stikstofdepositie uit tabel 6.2 wordt de belangrijkste informatie
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
91/213
samengevat in tabel 6.3. Tabel 6.3:
Basisgegevens voor de effectbeoordeling van de toename van stikstofdepositie op habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen.
Habitatcode
Maximaal relevant effect1
Areaal met relevant effect (ha)2
Relevant t.o.v. totaal areaal (%)3
0,1 0,16
1,6 7,66
100% 100%
H6120 H9120
Algemene kwaliteit habitattype in Natura 2000-gebied4
Matig Onbekend
1. Maximale toename van stikstofdepositie in mol N/ha/jaar op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief het berekende stikstofeffect. 2. Totaal gekarteerd oppervlak met een relevante toename van stikstofdepositie op basis van de meest recente habitattypenkaart (AERIUS 2025). 3. Het percentage aan areaal met een relevante toename van stikstofdepositie ten opzichte van het totale areaal binnen het Natura 2000-gebied. 4. De kwaliteit volgens de PAS-gebiedsanalyse, het Natura 2000-beheerplan en/of de Natuurdoelanalyse.
In de volgende paragrafen wordt de tijdelijke toename van stikstofdepositie op ieder habitattype uit tabel 6.3 beoordeeld. Zie bijlage 1 voor een algemene omschrijving, een overzicht van de abiotische randvoorwaarden en een algemene effectbeschrijving stikstofdepositie per habitattype.
H6120 - Stroomdalgraslanden Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H6120 heeft in het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig tot goed. Er is sprake van een achteruitgang in kwaliteit. Enkele soorten die in de jaren 50 aanwezig waren, komen nu niet meer voor. Het hoger gelegen deel is in sterke mate vervilt door rood zwenkgras. Op basis van de 5 criteriums scoort H6120, één goed, twee voldoendes en 2 onvoldoendes in respectievelijk karakteristieke soorten en vegetatietypen, structuur, landschappelijke positie en samenhang, oppervlakte behoefte en functie. Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (1,6 ha) van het aanwezig areaal met H6120 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,1 mol N/ha/jaar (figuur 6-2).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
92/213
Figuur 6-2:
De locatie in het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Stroomdalgraslanden (H6120).
Knelpunten Uit de gebiedsschouw voor de Zeldersche Driessen (Provincie Limburg 20162019), die jaarlijks hebben plaatsgevonden tussen 2016 tot en met 2019, blijkt dat er geen verslechtering heeft plaatsgevonden van de verschillende bezochte locaties van habitattypen in de Zeldersche Driessen (Natuurdoelanalyse Natura 2000 Zeldersche Driessen, 2023). Knelpunten voor het habitattype zijn inadequaat beheer in het verleden, beperkte bodemdynamiek, stikstofdepositie, ruimtelijke isolatie, beperkte inundatiefrequentie en slechte kwaliteit van het overstromingswater. Door inadequaat beheer in het verleden is vervilting van de grasmat opgetreden. Hierdoor is bodemvorming opgetreden, waardoor een te voedselrijke situatie is ontstaan, grassen verder toenemen en de voor stroomdalgraslanden kenmerkende soorten minder kansen hebben. Het proces van vergrassing wordt nog eens versneld door een te hoge stikstofdepositie (Natuurdoelanalyse Natura 2000 Zeldersche Driessen, 2023). Bij onvoldoende afvoer levert dat de opbouw van een humuslaag op waardoor pionierssoorten niet meer tot ontkieming komen. Ook is het begrazingsbeheer plaatselijk te intensief geweest voor de open delen waardoor de vegetatie niet voldoende tot ontwikkeling kon komen. In 2030 word op 60% van het oppervlakte van het stroomdalgrasland nog een overschrijding van de KDW verwacht (Natuurdoelanalyse Zeldersche Driesen, 2023).
Daarnaast zorgt ook de Niers voor een verhoogde aanvoer van voedingstoffen. Doordat het habitattype op ruimtelijke geïsoleerde plekken voorkomt is (her)kolonisatie van soorten vanuit andere gebieden niet of nauwelijks mogelijk. Tot slot is er als gevolg van de afnemende inundatie vanuit de Niers een minder frequente aanvulling van de basenvoorziening van de wortelzone van het stroomdalgrasland (Gebiedsanalyse-143, 2017).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
93/213
Er bestaat een kennisleemte ten aanzien van welke maatregelen nodig zijn voor systeemherstel om te komen tot verbetering van de kwaliteit en de uitbreiding van het habitattype. Zo is bijvoorbeeld niet bekend welke overstromingsfrequentie goed is voor het stroomdalgrasland gelet op de huidige waterkwaliteit (te voedselrijk) van de Niers (Natuurdoelanalyse-143, 2023). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H6120 heeft een matige kwaliteit met een negatieve trend. Op volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,1 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Stikstofdepositie vormt één van de knelpunten voor het habitattype, maar de verhoogde aanvoer van voedingsstoffen uit de Niers, de minder frequente aanvulling van de basenvoorziening en verminderde bodemdynamiek zijn van groter belang voor het habitattype. Het begrazingsbeheer is plaatselijk te intensief geweest voor de open delen waardoor de vegetatie niet voldoende tot ontwikkeling kon komen. Mogelijk hebben de zeer droge zomers in de periode 2018-2022 hierin ook een rol gespeeld (Natuurdoelanalyse-143, 2023).
De toename is daarnaast dermate gering (maximaal 0,1 mol N/ha/jaar over één jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval zal dit rond de 177 mol liggen) (Marra et al., 2025). De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,1 mol N/ha/jaar. Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe tijdelijke toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit) van dit habitattype.
H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H9120 heeft in het Natura 2000-gebied Zeldersche Driessen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De vegetatiekundige kwaliteit is op het moment beoordeeld als onvoldoende. Qua structuur wordt de kwaliteit beperkt door de ruime aanwezigheid van bramen in het bos. Uit karteringen van 1960 en 2000 blijkt dat vindplaatsen van bijzondere soorten zijn afgenomen. De trend van de vegetatiekundige kwaliteit in de afgelopen decennia moet als negatief worden beschouwd. Mogelijk voldoet (een deel) van het aangrenzende bos als kwalificerend habitattype (Natuurdoelanalyse-143, 2023). De huidige staat van het habitattype is matig en de kwaliteit lijkt eveneens ongunstig met lokaal goed ontwikkelde delen (Beheerplan-143, 2016). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (7,66 ha van het aanwezig areaal met H9120 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige