CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

b NL.IMRO.0984.TAM24004-va01 tb5 Ecologische beoordeling stikstof

Gemeenteraad 24 februari 2026, gemeente VenrayBij agendapunt: TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22b 150 kV-hoogspanningsverbinding Boxmeer-Venray34.604 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

H6120 - Stroomdalgraslanden Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H6120 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is negatief (Natuurdoelanalys-145, 2024). Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster Maasdal samen met H6430A, H6430C, H3430A en H3430C. Het habitattype komt alleen voor in het deelgebied de Hamert in de Maasduinen. Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (0,86 ha) van het aanwezig areaal met H6120 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename van stikstofdepositie, ondervindt 57,3% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename van stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie van 0,03 mol N/ha/jaar (figuur 5-8).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

48/213

Figuur 5-8:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Stroomdalgraslanden (H6120).

Knelpunten De knelpunten welke hier worden benoemd komen ook terug bij de andere habitattypen in hetzelfde cluster. Knelpunten voor het habitattype zijn stikstofdepositie, verzuring, vermesting, verdroging, aanleg van natuurvriendelijke oevers en de geringe omvang van het habitattype. Hoge stikstofdepositie leidt tot vermesting en verzuring. Stroomdalgraslanden zijn systemen die zonder bufferende processen van nature verzuren. Verhoogde stikstofdepositie leidt tot een verhoogde verzuringsnelheid van deze systemen (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Door vermesting ontstaat een afname in kwaliteit, door een toename van stikstofindicerende soorten en een verschuiving naar voedselrijkere associaties. De vegetatie verruigt door vergrassing en struweelvorming (Gebiedsanalyse-145, 2017). Als gevolg van een gestuwd Maaspeil in combinatie met rivier verruimende maatregelen worden hoge piekafvoeren afgevlakt. Dit kan grote gevolgen hebben voor de inundatiefrequentie van het grasland (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Een knelpunt van andere aard is de aanleg van natuurvriendelijke oevers langs de Maas. Het verwijderen van oeverbestening kan leiden tot erosie, wat effect kan hebben op een gedeelte van het habitattype.

Daarnaast kan de aanleg van natuurvriendelijke oevers leiden tot sterke uitbreiding van de struweelzone met sleedoorn, wat nadelig kan zijn voor diverse stroomdalsoorten (Beheerplan-145, 2020). Uit het Beheerplan blijkt dat deze knelpunten vooral spelen in de (nabije) toekomst en niet zozeer op dit moment. Ten slotte is het areaal stroomdalgrasland beperkt (0,86 ha), wat het habitattype kwetsbaar maakt (Beheerplan-145, 2020). Stikstofdepositie lijkt een beperkt knelpunt te vormen voor H6120, aangezien de invloed van het rivierwater door middel van inundatie

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

49/213

en erosie van groter belang is voor de kwaliteit en oppervlakte van het habitattype, maar stikstofdepositie kan als knelpunt niet uitgesloten worden. Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H6120 heeft een matige kwaliteit met een negatieve trend. Op 57,3% areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Stikstofdepositie is een knelpunt voor dit habitattype omdat het systeem van nature verzuurt zonder bufferende processen. Er zijn echter een aantal andere processen/knelpunten aanwezig welke een groter effect kunnen hebben op het habitattype. Zo worden als gevolg van een gestuwd Maaspeil en in combinatie met rivier verruimende maatregelen, hoge piekafvoeren afgevlakt (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Dit kan grote gevolgen hebben voor de inundatiefrequentie van het grasland. Daarnaast is de aanleg van natuurvriendelijke oevers een gevaar voor het voortbestaan van de stroomdalgraslanden. Door het verwijderen van de oever bestening ontstaan er meer natuurlijke erosie- en sedimentatieprocessen, wat als gevolg kan hebben dat oevers snel afkalven waarmee het habitattype snel kan veranderen in een steilrand (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Daarnaast kan in natuurvriendelijke oevers een sterke uitbreiding van de struweelzone met sleedoorn nadelig zijn voor diverse stroomdalsoorten.

Ook wordt benoemd dat het al aanwezige habitattype erg klein is in omvang en daarmee bijzonder kwetsbaar (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,03 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling voor oppervlak en kwaliteit) van dit habitattype.

H7110B - Actieve hoogvenen (heideveentjes) Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H7110B heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Het betreft een prioritair habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is lichtelijk negatief en lokaal soms positief. Zo is er sprake van een stabiele of positieve verspreidingstrend voor alle karakteristieke soorten (Natuurdoelanalys-145, 2024). Het habitatype komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide samen met H3130, H3160, H4010A en H7150. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over de 4 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (7,03 ha) van het aanwezig areaal met H7110B vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

50/213

ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,13 mol N/ha/jaar (figuur 5-9).

Figuur 5-9:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Actieve hoogvenen (heideveentjes) (H7110B).

Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Knelpunten voor het habitattype zijn stikstofdepositie, vermesting en verdroging (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Als gevolg van een te hoge stikstofdepositie treedt in H7110B vermesting op. Op de licht uitdrogende acrotelm kan in het voorjaar en de zomer massaal berk kiemen en uitgroeien. Daarnaast is sprake van dominantie van pijpenstrootje, waardoor veelal sprake is van een verarmde vegetatie. Lokaal zijn er verrijkte delen met veel pitrus (Gebiedsanalyse-145, 2017). De effecten van stikstofdepositie en verdroging versterken elkaar, maar verdroging lijkt het voornaamste knelpunt. Sterke waterstandwisselingen en droogval zijn funest voor H7110B en vormen een sterke bedreiging voor het voortbestaan van het habitattype (Beheerplan-145, 2020). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H7110B heeft een matige kwaliteit met een lichtelijk negatieve trend. Op het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Het habitat komt vaak voor in gradiënt met H4010A.

Dit habitattype komt vaak in dichte nabijheid van de andere habitattypen binnen zijn cluster ‘Vennen en vochtige heiden’ voor, daardoor zijn veel van de knelpunten benoemd onder H3130 vergelijkbaar voor dit habitattype. Specifiek moet er nog wel benoemd worden dat sterke waterstandswisselingen en droogval voor dit habitattype zeer veel impact kan

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

51/213

hebben en ook een sterke bedreiging voor het voortbestaan van dit habitattype is. Het is, gezien het feit dat hydrologische invloeden op het habitattype de overhand hebben in de knelpunten en de andere zaken zoals hierboven beschreven, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,13 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.

H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H7150 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is positief (Natuurdoelanalys-145, 2024). Het habitatype komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide samen met H3130, H3160, H4010A en H7110B. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over de 4 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (16,64 ha) van het aanwezig areaal met H7150 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 99,2% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,16 mol N/ha/jaar (figuur 5-10).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

52/213

Figuur 5-10:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Pioniervegetaties met snavelbiezen (H7150).

Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster (namelijk H3130, H3160, H4010A en H7110B), zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Knelpunten voor H7150 zijn stikstofdepositie, verzuring, vermesting en verdroging. Verzuring als gevolg van te hoge stikstofdepositie veroorzaakt suboptimale omstandigheden voor het voorkomen van kenmerkende vegetatietypen. Op soortniveau gaan plantensoorten van zwak gebufferde standplaatsen achteruit door verzuring, omdat verzuring de vestiging, kieming en groei verslechtert. Vermesting door een te hoge stikstofdepositie zorgt eveneens voor een afname in kenmerkende vegetatietypen, aangezien deze alleen onder zeer voedselarme omstandigheden voorkomen (Gebiedsanalyse145, 2017). Als gevolg van de hoge stikstofdepositie verloopt de successie dermate snel dat het habitattype Pioniervegetaties met snavelbiezen momenteel nauwelijks een natuurlijk voorkomen kent. Een versnelde successie als gevolg van de hoge stikstofdepositie zorgt voor een voortschrijdende successie van Pioniervegetaties met snavelbiezen naar natte heide met veenmossen en pitrus. Bij verdergaande eutrofiëring ontstaan er eutrofe moerasvegetaties (Natuurdoelanalyse-145, 2024).

Het voorkomen is sterk afhankelijk van menselijk ingrijpen (plaggen, waterstanden opzetten en betreding), maar bij voortzetting van het huidig beheer is het perspectief goed (Gebiedsanalyse-145, 2017). Verdroging versterkt de effecten van met name vermesting en maakt het habitattype kwetsbaar, omdat kenmerkende soorten zich goed ontwikkelen op vochtige open bodems (Gebiedsanalyse-145, 2020).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

53/213

Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H7150 heeft een matige kwaliteit met een positieve trend. Op 99,2% van het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Het habitat komt vaak voor in gradiënt met H4010A. Dit habitattype komt vaak in dichte nabijheid van de andere habitattypen binnen zijn cluster ‘Vennen en vochtige heiden’ voor, daardoor zijn veel van de knelpunten benoemd onder H3130 vergelijkbaar voor dit habitattype. Door eerder menselijk ingrijpen is het habitattype nog in goede stand gehouden. Daarnaast zijn er een paar criteriums te benoemen zoals een zeer beperkte omvang waardoor er geen afwisseling is tussen slenken en bulten hoogveen, een oprukkende bosrand groeit naar de vennen toe en te grote fluctuaties in de waterstand als gevolg van enkele zeer droge zomers. Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,16 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden.

Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.

H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H9120 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is negatief. Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster bossen samen met H9190, H91D0, H91E0C en H91F0. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over 2 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (4,46 ha) van het aanwezig areaal met H9120 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,18 mol N/ha/jaar (figuur 5-11).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

54/213

Figuur 5-11:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Beuken-eikenbossen met hulst (H9120).

Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Het habitattype H9120 leidt onder verzuring als gevolg van de stikstofdepositie. De nutriënten voorraad in de bodem wordt op natuurlijke wijze aangevuld als gevolg van verwering van de bodem. Verzuring door menselijke activiteiten zorgt echter voor een versneld mobiel raken van kationen en daarmee ook de uitspoeling ervan. Omdat de bodem in de Maasduinen al nauwelijks tot geen buffering heeft, is het effect van de verzuring enorm. Verder speelt vermesting een knelpunt voor het habitattype. Het beekwater bevat tegenwoordig meststoffen afkomstig uit het stroomopwaarts liggende landbouwgebieden. Via oppervlakkige afspoeling en uitspoeling komen de meststoffen in de waterloop terecht (Natuurdoelanalyse145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H9120 heeft een matige kwaliteit met een negatieve trend. Op het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie van 0,18 mol N/ha/jaar. Het habitat komt vaak in gradiënt met andere habitattypen bos (H9190, H9160AB, H91E0AB) voor.

Stikstofdepositie is een knelpunt omdat het voor de habitattypen in het cluster ‘Bossen’ zorgt voor een afname in bufferend vermogen. De nutriënten voorraad in de bodem wordt op natuurlijke wijze aangevuld als gevolg van verwering van de bodem. Gevolg is dat de bodem uiteindelijk haar voedingsstoffen verliest, maar dit is een proces van tienduizenden jaren. De motor achter dit proces is zuur. Onder natuurlijke

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

55/213

omstandigheden kent het zuur hoofdzakelijk een biologische en geologische oorsprong waarbij de mineralen voldoende kationen leverden om het zuur te neutraliseren en de pH van de bodem te stabiliseren. Verzuring door menselijke activiteiten zorgt echter voor een versneld mobiel raken van kationen en daarmee ook de uitspoeling ervan. Verdroging speelt ook hier een grote rol voor vrijwel alle habitattypen binnen het cluster ‘Bossen’. Verdroging van de habitattypen leidt tot een verruiging van de struiklaag en kruidlaag. Een deel van verdroging wordt veroorzaakt door een bypass van de Eckeltse Beek ter hoogte van H9120 in het Natura 2000-gebied. Hierdoor stroomt er veel minder water door de beek die dwars door het gebied heen loopt. Daarnaast bevat het beekwater vaak meststoffen afkomstig uit de stroomopwaarts liggende landbouwgebieden. Via oppervlakkige afspoeling en uitspoeling komen de meststoffen in het water en de habitattypen terecht. Deze habitattypen zijn van nature niet voedselarm, maar de toename van fosfaat uit het water leidt in veel gevallen tot brandnetelgroei. Ten slotte is er ook de invloed van invasieve exoten. De dominantie van Reuzenbalsemien langs het GeldernschNierskanaal zorgt in de zomer voor een eenzijdige kruidenvegetatie van ca 1,5 tot 2 meter hoge balsemienen. De plant groeit snel en vormt hoge, dichte, sterk vertakte bestanden.

De soort concurreert daarmee met de inheemse plantensoorten om ruimte, licht en voedingsstoffen. Onder invloed van deze knelpunten kan er, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten worden dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,18 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.

H9190 - Oude eikenbossen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H9190 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is negatief. Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster bossen samen met H9120, H91D0, H91E0C en H91F0. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over 3 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (37,18 ha) van het aanwezig areaal met H9190 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,11 mol N/ha/jaar (figuur 5-12).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

56/213

Figuur 5-12:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Oude eikenbossen (H9190).

Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Het habitattype H9190 leidt onder verzuring als gevolg van de stikstofdepositie. De nutriënten voorraad in de bodem wordt op natuurlijke wijze aangevuld als gevolg van verwering van de bodem. Verzuring door menselijke activiteiten zorgt echter voor een versneld mobiel raken van kationen en daarmee ook de uitspoeling ervan. Omdat de bodem in de Maasduinen al nauwelijks tot geen buffering heeft, is het effect van de verzuring enorm. Verder speelt vermesting een knelpunt voor het habitattype. Het beekwater bevat tegenwoordig meststoffen afkomstig uit het stroomopwaarts liggende landbouwgebieden. Via oppervlakkige afspoeling en uitspoeling komen de meststoffen in de waterloop terecht (Natuurdoelanalyse145, 2024). In de lange termijn zijn er wel mogelijke perspectieven voor het habitattype. Binnen het Natura 2000-gebied zijn de bostypen binnen het cluster zeer beperkt in omvang. De habitattypen H91E0C, H91D0 en H9190 komen meer verspreid voor en betreffen een minder klein areaal dan de habitattypen H9120 en H91F0. Voor H9190 liggen de grootste kansen voor een voldoende oppervlakte in deelgebied de Hamert. Op daar gelegen oude bosgroeiplaatsen groeit nu loofbos en naaldbos.

Omvormen van deze bossen kan leiden tot een voldoende voor het criterium oppervlaktebehoefte voor dit habitattype (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H9190 heeft een matige kwaliteit met een negatieve trend. Op het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

57/213

projectgebonden tijdelijke toename van 0,11 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Het habitat komt vaak in gradiënt met andere habitattypen bos (H9120, H9160AB, H91E0AB) voor. De effecten van aanwezige knelpunten en de invloed ervan op het habitattype onder H9120 zijn daardoor ook toepasbaar voor H9190. Daarnaast is er binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen ook nog ruimte mogelijk voor de groei van het habitattype wat kan meedragen aan het halen van de instandhoudingsdoelsteling voor dit habitattype. Op basis van de eerder genoemde knelpunten en de mogelijkheid tot uitbreiding kan er, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten worden dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,11 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.

H91D0 - Hoogveenbossen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H91D0 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een behouds- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is onbekend. Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster bossen samen met H9120, H9190, H91E0C en H91F0. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over 3 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (32,59 ha) van het aanwezig areaal met H91D0 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 40,6% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,13 mol N/ha/jaar (figuur 5-13).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

58/213

Figuur 5-13:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Hoogveenbossen (H91D0).

Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Knelpunten voor het habitattype zijn vermesting en verdroging. Vermesting treedt in beperkte mate op. Wanneer niet alle beschikbare stikstof wordt opgenomen door het veenmospakket, komt stikstof beschikbaar voor hogere planten. Hierdoor neemt de groei van bomen en grassen toe, waardoor ook de beschaduwing toeneemt (Gebiedsanalyse145, 2017). Verdroging vormt het voornaamste knelpunt voor het habitattype. Als gevolg van tegenstrijdige belangen vanuit de aangrenzende gebieden zoals landbouw, maar ook afvoer van bebouwd gebied (Lommerbroek), is de hydrologische situatie niet optimaal. De hoogveenbossen maken feitelijk onderdeel uit van natte laagten met vochtige heiden en vennen in de vorm van Berkenbroek met Zachte berk. Hierdoor zijn ze erg gevoelig voor verdroging (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Verdroging leidt tot degradatie van de vegetaties van H91D0, als eerst herkenbaar door het uitdrogen en verdwijnen van de veenmosvegetaties (Beheerplan-145, 2020). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H91D0 heeft een matige kwaliteit met een onbekende trend.

Op 40,6% van het totale areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,13 mol N/ha/jaar stikstofdepositie. Het habitat komt vaak in gradiënt met andere habitattypen bos (H9120, H9160AB, H91E0AB) voor. De effecten van aanwezige knelpunten en de invloed ervan op het habitattype onder H9120 zijn daardoor ook toepasbaar voor H91D0. Stikstofdepositie vormt een knelpunt voor het habitattype, maar vermesting door

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

59/213

stikstofdepositie treedt in beperkte mate op en verdroging vormt ook hier het voornaamste knelpunt. Op basis van de eerder genoemde knelpunten met een groter effect dan stikstofdepositie en de geringe hoeveelheid van het areaal dat een depositietoename heeft kan er, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten worden dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,13 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een behouds- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.

H91E0C - Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H91E0C heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is stabiel. Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster bossen samen met H9120, H9190, H91D0 en H91F0. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over 3 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (35,65 ha) van het aanwezig areaal met H91E0C vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 52,5% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,17 mol N/ha/jaar (figuur 5-14).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

60/213

Figuur 5-14:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) (H91E0C).

Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Knelpunten voor het habitattype zijn stikstofdepositie, vermesting en verdroging. Vermesting en verdroging hangen sterk met elkaar samen. Als gevolg van tegenstrijdige belangen vanuit de aangrenzende gebieden zoals landbouw, maar ook afvoer van bebouwd gebied (Lommerbroek), is de hydrologische situatie niet optimaal. Verdroging van H91E0C leidt tot een verruiging van de struik- en kruidlaag en dominante vegetaties verdringen de bodemflora. Uiteindelijk kan door verdroging ook een verandering in de boomlaag plaatsvinden (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Vermesting treedt op door atmosferische stikstofdepositie en meststoffen in het beekwater. Het beekwater bevat meststoffen afkomstig uit het stroomopwaarts liggende landbouwgebied. Via oppervlakkige afspoeling en uitspoeling komen de meststoffen in de beek terecht. Vochtige alluviale bossen zijn van nature niet voedselarm, maar de toename van stikstof door atmosferische stikstofdepositie, in combinatie met een toename van fosfaat (beekwater) leidt in veel gevallen tot weelderige brandnetelgroei. Als er water in het bos blijft staan, verdwijnt dat vaak onder een 100% kroosdek (Beheerplan-145, 2020).

Verdroging versterkt de effecten van vermesting en leidt daarnaast tot verzuring, waardoor basenminnende vegetatietypen worden verdrongen (Gebiedsanalyse-145, 2017). Hoge stikstofdepositie vormt één van de knelpunten, maar verdroging lijkt het voornaamste knelpunt te zijn voor H91E0C. Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H91E0C heeft een matige kwaliteit met een stabiele trend. Op

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

61/213

52,5% van het totale areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. De effecten van aanwezige knelpunten en de invloed ervan op het habitattype onder H9120 zijn ook toepasbaar voor H91E0C. Stikstofdepositie vormt één van de knelpunten voor het habitattype, maar verdroging lijkt het voornaamste knelpunt te zijn en ook aanvoer van meststoffen vormt een belangrijk knelpunt. Op basis van de eerder genoemde knelpunten met een groter effect dan stikstofdepositie en de geringe hoeveelheid van het areaal dat een depositietoename heeft kan er, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten worden dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,17 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een behouds- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.

H91F0 - Droge hardhoutooibossen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H91F0 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is stabiel. Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster bossen samen met H9120, H9190, H91D0 en H91E0C. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over 3 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (8,64 ha) van het aanwezig areaal met H91F0 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 13,4% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar (figuur 5-15).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

62/213

Figuur 5-15:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Droge hardhoutooibossen (H91F0).

Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Het habitattype H91F0 leidt onder verzuring als gevolg van de stikstofdepositie. De nutriënten voorraad in de bodem wordt op natuurlijke wijze aangevuld als gevolg van verwering van de bodem. Verzuring door menselijke activiteiten zorgt echter voor een versneld mobiel raken van kationen en daarmee ook de uitspoeling ervan. Omdat de bodem in de Maasduinen al nauwelijks tot geen buffering heeft, is het effect van de verzuring enorm. Verder speelt vermesting een knelpunt voor het habitattype. Het beekwater bevat tegenwoordig meststoffen afkomstig uit het stroomopwaarts liggende landbouwgebieden. Via oppervlakkige afspoeling en uitspoeling komen de meststoffen in de waterloop terecht (Natuurdoelanalyse145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H91F0 heeft een matige kwaliteit met een stabiele trend. Op 13,4% van het totale areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,05 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. De effecten van aanwezige knelpunten en de invloed ervan op het habitattype onder H9120 zijn ook toepasbaar voor H91F0.

Stikstofdepositie vormt een knelpunt voor het habitattype, maar vermesting door stikstofdepositie treedt in beperkte mate op en verdroging vormt ook hier het voornaamste knelpunt. Op basis van de eerder genoemde knelpunten met een groter effect dan stikstofdepositie en de geringe hoeveelheid van het areaal dat een depositietoename heeft kan er, in het kader van het bovenstaande, uitgesloten

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

63/213

worden dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,05 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een behouds- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.

5.4

Beoordeling habitatsoorten

Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen sprake is van een toename van stikstofdepositie op het stikstofgevoelige leefgebied van drie stikstofgevoelige habitatsoorten (tabel 5.4). De leefgebieden van de niet in de onderstaande tabel opgenomen soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen relevante toename van stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze overige habitatsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.4:

Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen. De tabel bevat enkel soorten met een projecteffect op het leefgebied ≥0,01 mol N/ha/jaar. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS-Calculator (AERIUS 2025) en worden weergegeven in mol N/ha/jaar.

Soortcode

Habitatsoort

Leefgebied1

H1042 H1166 H1831

Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Drijvende waterweegbree

H3130 H3130 L3130, H3130, Lg03

KDW2

Maximale achtergrond depositie3

Maximaal effect4

Maximaal relevant effect5

500 500 500

2069 2069 2069

0,16 0,16 0,16

0,16 0,16 0,16

1. De habitat- en/of leefgebiedtypen met een toename van stikstofdepositie binnen het leefgebied van de soort volgens de relatie-leefgebied tabel (BIJ12 2020) 2. KDW van het meest gevoelige habitat- of leefgebiedtype binnen het leefgebied van de kwalificerende soort volgens Wamelink et al. (2023) 3. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS-Calculator. kleuren betreft: een overschrijding KDW. 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied van de betreffende soort op basis van de meest recente versie van AERIUS-Calculator. 5. De maximale toename van stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

Voor de effectbeoordeling op de aangewezen stikstofgevoelige leefgebieden van habitatsoorten met een relevante tijdelijke toename van stikstofdepositie (tabel 5.4), wordt de belangrijkste informatie samengevat in tabel 5.5.

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

64/213

Tabel 5.5:

Basisgegevens voor de effectbeoordeling van de toename van stikstofdepositie op leefgebieden van habitatsoorten binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen.

Soortcode

Habitatsoort

Leefgebied1

H1042 H1166 H1831

Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Drijvende waterweegbree

H3130 H3130 L3130, H3130, Lg03

Maximaal relevant effect2

Areaal met relevant effect (ha)3

Relevant t.o.v. totaal areaal (%)4

0,16 0,16 0,16

55,44 55,44 55,66

100% 100% 100%

1. De habitat- en/of leefgebiedtypen met een toename van stikstofdepositie binnen het leefgebied van de soort volgens de relatie-leefgebied tabel (BIJ12 2020). 2. Maximale toename van stikstofdepositie in mol N/ha/jaar op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief het berekende stikstofeffect. 3. Totaal gekarteerd oppervlak met een relevante toename van stikstofdepositie op basis van de meest recente habitattypenkaart (AERIUS 2025). 4. Het percentage aan areaal met een relevante toename van stikstofdepositie ten opzichte van het totale areaal binnen het Natura 2000-gebied.

In de volgende paragrafen wordt de tijdelijke toename van stikstofdepositie op het leefgebied van iedere habitatsoort uit tabel 5.5 beoordeeld. Zie bijlage 1 voor een algemene omschrijving per soort.

H1042 - Gevlekte witsnuitlibel Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de gevlekte witsnuitlibel in Natura 2000gebied Maasduinen is uitbreiding en verbetering van omvang en kwaliteit van het leefgebied en uitbreiding van de populatie. Huidig voorkomen en trend in populatie Gevlekte witsnuitlibel komt voor in alle deelgebieden, maar de aantallen zijn op alle vindplaatsen laag. De habitatsoort komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide, maar komt over het algemeen voor in alle deelgebieden. De huidige kwaliteit van de soort is matig en de trend is stabiel Beheerplan-145, 2022). Daarnaast is de trend voor de populatie negatief en de trend voor het leefgebied oppervlakte positief (Natuurdoelanalys-145, 2024). Omschrijving leefgebied Het leefgebied van de Gevlekte witsnuitlibel heeft een grote overlap met verlandingsstadia binnen het habitattype Zwakgebufferde vennen en deels ook Zure vennen. Gevlekte witsnuitlibellen zijn bekend van de Ravenvennen, enkele vennen op De Hamert, met name het Pikmeeuwenwater, het Rondven op de Bergerheide en van de Duivelskuil en het Quin. Hiermee komt de soort voor in alle heidegebieden met begroeide vennen, al is de dichtheid doorgaans laag en gaat het om enkele exemplaren per vlieglocatie. Behalve in de Ravenvennen waar de dichtheid hoger is.

In 2018 zijn meer dan gemiddeld verspreid over de Maasduinen exemplaren waargenomen. Ook wateren net buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied worden bevolkt zoals de Dorperheide (Beheerplan145, 2022). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (55,44 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de habitatsoort Gevlekte witsnuitlibel vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

65/213

een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,16 mol N/ha/jaar (figuur 5-16).

Figuur 5-16:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Gevlekte witsnuitlibel (H1042).

Knelpunten De Gevlekte witsnuitlibellen hebben hun leefgebied in vennen die zich kwalificeren als habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen en H3160 Zure vennen. Voor het doorlopen van de levenscyclus van de libellen zijn ze dan ook afhankelijk van deze habitattypen. De knelpunten die zich voordoen bij deze habitattypen gelden daarom ook voor het leefgebied van de Gevlekte witsnuitlibellen. Bovendien heeft de soort erg te leiden onder een te kleine populatie. Voor duurzame levensvatbare populaties van Gevlekte witsnuitlibel wordt een aantal van ca. 1000 individuen per jaar aangehouden. Op geen van de locaties waar de soort wordt aangetroffen is hiervan sprake, sterker nog, behoudens de Ravenvennen worden op de andere locaties jaarlijks slechts enkele exemplaren aangetroffen en in sommige jaren lijkt de soort zelfs te ontbreken als imago (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van de populatie is matig maar er is een positieve trend voor de omvang en een stabiele trend voor de kwaliteit van het leefgebied. Op het volledige areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,16 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. Veel van de knelpunten benoemd onder H3130 zijn ook te benoemen als knelpunten voor deze habitatsoorten vanwege de overlap in leefgebied. Verdroging en

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

66/213

versnippering vormen de voornaamste knelpunten voor de H1042. Daarnaast zijn er op het moment zeer weinig levensvatbare populaties van H1042 en ondervindt de soort druk dankzij predatie door exotische vissen. Op basis van de eerder genoemde knelpunten met een groter effect dan stikstofdepositie en de druk vanuit knelpunten specifiek op de Gevlekte witsnuitlibel kan het worden niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe toename van 0,16 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van bovenstaande, dan ook niet in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering van omvang en kwaliteit van het leefgebied en uitbreiding van de populatie) gehaald kunnen worden. Significant negatieve gevolgen door de projectgebonden toename aan stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten.

H1166 - Kamsalamander Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de kamsalamander in Natura 2000-gebied Maasduinen is uitbreiding en verbetering van omvang en kwaliteit van het leefgebied en uitbreiding van de populatie. Huidig voorkomen en trend in populatie Een goed beeld van de verspreiding is niet bekend. Van het deelgebied de Ravenvennen zijn de meeste waarnemingen bekend. Verder zijn er enkele waarnemingen bekend van gevangen exemplaren in vennen. De voedselarme vennen vormen echter marginaal leefgebied. De habitatsoort komt voornamelijk voor in het cluster bossen. Het is onbekend in hoeveel deelgebieden het voorkomt (Natuurdoelanalys-145, 2024). De kwaliteit van de huidige populatie is matig en de trend voor omvang leefgebied is stabiel en kwaliteit leefgebied is onbekend (Natuurdoelanalys-145, 2024). Omschrijving leefgebied Het voortplantingsleefgebied van de Kamsalamander bestaat uit wat voedselrijke poelen in cultuurgebied. Dergelijk leefgebied is slechts beperkt beschikbaar in de Maasduinen. Leefgebieden worden vooralsnog aangewezen in de vorm van vennen. Kamsalamanders zijn aangetroffen in het Lommerbroek, op diverse plekken in de Valkenbergvennen, het Rondven op de Bergerheide en in de poelen langs de Ceresweg, zei het zeer marginaal. Ook rondom het Heerenven zijn de afgelopen 10 jaar Kamsalamanders aangetroffen.

Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (55,44 ha) van het totale stikstofgevoelige van de habitatsoort Kamsalamander vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,16 mol N/ha/jaar (figuur 5-17).

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

67/213

Figuur 5-17:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Kamsalamander (H1166).

Knelpunten Migratie barrières vormen een knelpunt voor de kamsalamander. Migratie door kamsalamanders vindt doorgaans plaats tot een afstand van maximaal 700 meter. Barrières bestaan uit verharde wegen, brede wateren, bebouwde terreinen intensief gebruikte graslanden en -akkers. Verder vormt introductie van vis in de voortplantingswateren een bedreiging voor de Kamsalamander. Vissen prederen op de eitjes en de larven, waardoor er onvoldoende jonge aanwas overleeft om de populatie op peil te houden. In veel gevallen kunnen populaties zelfs als gevolg hiervan verdwijnen. De waterbiotopen waar Kamsalamanders binnen de begrenzing van het N2000-gebied Maasduinen voorkomen betreffen een aantal wateren waar habitattypen van de groep van Vochtige heiden voorkomt (vooral H3130 en H3160). Het beheer van deze vennen is gericht op het handhaven van zure of zwakgebufferde voedselarme situaties. Dit is niet conform met de optimale biotoopeisen van de Kamsalamander die de voorkeur geeft aan voedselrijke poelen met een dichte waterbegroeiing (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Kamsalamander is matig voor de populatie, stabiel voor de omvang van het plangebied en onbekend voor de kwaliteit van het leefgebied.

Op het volledige areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,16 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. De grote van de aanwezige populatie is onbekend, er is alleen bekend dat er exemplaren aanwezig zijn in het deelgebied Ravenvennen. Veel van de knelpunten benoemd onder H9120 zijn ook te benoemen als knelpunten voor deze habitatsoorten vanwege de overlap in leefgebied. Verdroging, stikstofdepositie en versnippering vormen de

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

68/213

voornaamste knelpunten voor de H1166. Daarnaast ondervind de soort druk vanwege predatie door vissen in de voortplantingswateren en vindt er op het moment tegenstrijdig beheer plaats van de waterbiotoop. Het beheer op het moment is voornamelijk gericht op het handhaven van zure of zwakgebufferde voedselarme situaties en dit is niet conform de optimale biotoopeisen voor H1166. Op basis van de eerder genoemde knelpunten met een groter effect dan stikstofdepositie en de druk vanuit knelpunten specifiek op de Kamsalamander kan het worden aangenomen dat in deze situatie een dergelijke geringe toename van 0,16 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van bovenstaande, dan ook niet in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering van omvang en kwaliteit van het leefgebied en uitbreiding van de populatie) gehaald kunnen worden.

H1831 - Drijvende waterweegbree Instandhoudingsdoelstelling De instandhoudingsdoelstelling voor de drijvende waterweegbree in Natura 2000-gebied Maasduinen is behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied en behoud van de populatie. Huidig voorkomen en trend in populatie De staat van instandhouding van de drijvende waterweegbree in Maasduinen is ongunstig. Het aantal groeiplaatsen is afgenomen (Beheerplan-145, 2020). De instandhoudingsdoelstelling wordt niet behaald. De habitatsoort komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide. Het komt in dit cluster verspreid over 2 deelgebieden voor. Er zijn buiten het Natura 2000gebied 2 grote groeiplaatsen aanwezig voor de soort (Natuurdoelanalys-145, 2024). Omschrijving leefgebied Drijvende waterweegbree groeit in uiteenlopende stilstaande of zwak stromende wateren, zoals heide- en veenplassen, duinplassen, meren, afgesloten rivierarmen, laaglandbeken, kanalen, sloten en vijvers. Het best gedijt deze waterplant in water dat helder, voedselarm of hooguit matig voedselrijk, fosfaatarm en kalkarm is. Op sommige plaatsen bevat het water daarbij veel ijzer. In voedselrijkere omgeving staat de soort het meest op plaatsen met menging van regenwater met kwelwater.

In specifieke omstandigheden, namelijk bij een lage beschikbaarheid van fosfaat, kan de drijvende waterweegbree nitraat- en ammoniakrijk water verdragen (Natura 2000-profielendocument; H1831). In Maasduinen heeft de drijvende waterweegbree geschikt leefgebied in het stikstofgevoelige habitattype Zwakgebufferde vennen (H313) en de stikstofgevoelige leefgebiedtypen Zwakgebufferde sloot (Lg03) en Zwakgebufferde vennen (L3130). De kwaliteit van het leefgebied is slecht (Beheerplan-145, 2020). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (55,67 ha) van het totale stikstofgevoelige leefgebied van de habitatsoort Drijvende waterweegbree vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

69/213

inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,16 mol N/ha/jaar (figuur 5-18).

Figuur 5-18:

De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op het leefgebied van Drijvende waterweegbree (H1831).

Knelpunten Knelpunten voor het voorkomen van de drijvende waterweegbree zijn stikstofdepositie, verdroging en fosfaatbelasting. De drijvende waterweegbree gedijt het best in helder water dat voedselarm of hooguit matig voedselrijk, fosfaatarm en kalkarm is (Natura 2000-profieldocument, H1831). De drijvende waterweegbree is bestand tegen incidentele droogval, maar langdurige droogval van vennen en/of oevers kan negatieve gevolgen hebben voor de soort (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022). Stikstofdepositie leidt tot vermesting en verzuring van de groeiplaatsen. De optimale groeiomstandigheden nemen hierdoor af en de groeisnelheid van snelgroeiende waterplanten neemt ten gevolge van overbelasting door stikstofdepositie toe, waardoor de drijvende waterweegbree verdrongen wordt. Hetzelfde gebeurt als gevolg van een te hoge fosfaatbelasting. Door bemesting van het oppervlaktewater met fosfaat vanuit nabije landbouwgronden zijn fosfaatconcentraties te hoog. De achteruitgang van de drijvende waterweegbree wordt hier voor een belangrijk deel aan toegeschreven (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022). Beoordeling toename aan stikstofdepositie De kwaliteit van het leefgebied van de Drijvende waterweegbree is ongunstig.

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

70/213

Op het volledige areaal aan leefgebied is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van 0,16 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie. De populatie Drijvende waterweegbree binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen komt vooral voor in deelgebied Ravenvennen. Veel van de knelpunten benoemd onder H3130 zijn ook te benoemen als knelpunten voor deze habitatsoorten vanwege de overlap in leefgebied. Verdroging, stikstofdepositie en een te hoge fosfaatbelasting vormen de voornaamste knelpunten voor de drijvende waterweegbree. De achteruitgang van Drijvende waterweegbree wordt voor een belangrijk deel toegeschreven aan de bemesting van het oppervlaktewater met fosfaat vanuit nabije landbouwgronden. Op basis van de eerder genoemde knelpunten met een groter effect dan stikstofdepositie en de druk vanuit knelpunten specifiek op de Drijvende waterweegbree kan er worden aangemoen dat in deze situatie een dergelijke geringe toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het leefgebied zal leiden en daarmee de voedselbeschikbaarheid zal beïnvloeden. Het voorgenomen project staat, in het kader van bovenstaande, dan ook niet in de weg dat de instandhoudingsdoelstellingen (behoud van omvang en kwaliteit van het leefgebied en behoud van de populatie) gehaald kunnen worden.

Significant negatieve gevolgen door de projectgebonden toename van 0,16 mol N/ha/jaar aan stikstofdepositie kunnen worden uitgesloten.

5.5

Beoordeling broedvogels

Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen sprake is van een toename van stikstofdepositie op het stikstofgevoelige leefgebied van acht stikstofgevoelige broedvogels (tabel 5.6). De leefgebieden van de niet tabel 5.6 opgenomen soorten met een instandhoudingsdoelstelling binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen, zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er vindt geen relevante toename van stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelig leefgebied van deze soorten. Significant negatieve gevolgen voor deze overige broedvogelsoorten zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.6:

Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de leefgebieden van aangewezen soorten binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen. De tabel bevat enkel soorten met een projecteffect op het leefgebied ≥0,01 mol N/ha/jaar. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS-Calculator (AERIUS 2025) en worden weergegeven in mol N/ha/jaar.

Soortcode

Broedvogel

Leefgebied1

A004

Dodaars

A008

Geoorde fuut

A224

Nachtzwaluw

H3130, H3160, ZGH3160, Lg04 H3130, H3160, ZGH3160, Lg04 H4030, H7110B, H2330, H2310, ZGH7110B, Lg09, Lg13, Lg14, H9190, H4010A, H6120, Lg10

KDW2

Maximale achtergrond depositie3

Maximaal effect4

Maximaal relevant effect5

500

2069

0,18

0,18

500

2069

0,18

0,18

714

2687

0,25

0,25

Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025

Versie C03

Document referentie NL25-648800269-158892

71/213

Soortcode

Broedvogel

Leefgebied1

KDW2

Maximale achtergrond depositie3

Maximaal effect4

Maximaal relevant effect5

A236

Zwarte Specht

1071

2687

0,25

0,25

A246

Boomleeuwerik

714

2448

0,22

0,22

A249 A276

Oeverzwaluw Roodborsttapuit

500 714

2069 2448

0,16 0,22

0,16 0,22

A338

Grauwe Klauwier

Lg13, Lg14, H9190, H9120 H4030, H2330, H2310, Lg09, Lg10, H6120 H3130 H4030, H2310, Lg09, H4010A, H6120 H3130, H4030, H3160, H7110B, ZGH3160, ZGH7110B, H2310, Lg09, H4010A, Lg06, H6120, Lg10

500

2448

0,22

0,22

1. De habitat- en/of leefgebiedtypen met een toename van stikstofdepositie binnen het leefgebied van de soort volgens de relatie-leefgebied tabel (BIJ12 2020). 2. KDW van het meest gevoelige habitat- of leefgebiedtype binnen het leefgebied van de kwalificerende soort volgens Wamelink et al. (2023) 3. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS-Calculator. kleuren betreft: een overschrijding KDW. 4. De maximale stikstofbijdrage op het leefgebied van de betreffende soort op basis van de meest recente versie van AERIUS-Calculator. 5. De maximale toename van stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16479592/1