b NL.IMRO.0984.TAM24004-va01 tb5 Ecologische beoordeling stikstof
Tekst van het document
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
23/213
Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H2330 Zandverstuivingen met struikhei heeft een matige kwaliteit. De trends in oppervlakte is onbekend en de kwaliteit is stabiel. Op 100% van het totale areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is er sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie van maximaal 0,45 mol N/ha/jaar. Stikstofdepositie is een knelpunt, samen met andere knelpunten zoals versnippering (isolatie van gebieden en het ontbreken van winddynamiek) en de snelle groei van het Grijs kronkelsteeltje. Echter moet ook benoemd worden dat Stuifzandheiden in het stuifzandheide systeem een momentopname zijn in de natuurlijke successie. Ze zullen van nature niet lang voorkomen en hebben op het moment, dankzij een gebrek aan natuurlijke dynamiek van de zandverstuiving, regulier beheer nodig om stuifzandheiden in stand te houden. Een groter knelpunt zal voor dit habitattype dan ook de natuurlijke situatie en het beheer zijn. De toename is daarnaast dermate gering (maximaal 0,45 mol N/ha/jaar over één jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval zal dit rond de 71 mol liggen) (Marra et al., 2025).
De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,45 mol N/ha/jaar. In andere woorden: de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beïnvloed door de geringe tijdelijke toename van deze depositie met maximaal 0,45 mol N/ha/jaar. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10 – 20 jaar (zie paragraaf 3.4). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype en de relatieve toename ten opzichte van de KDW (in dit geval <0,007%) en de ADW (in dit geval <0,003%). Het is, in het kader van het bovenstaande, met wetenschappelijke zekerheid niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe tijdelijke toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering oppervlak en kwaliteit) van dit H2330 in Boschhuizerbergen.
H3130 - Zwakgebufferde vennen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H3130 heeft in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De trend voor het habitattype is stabiel als gevolg van herstelmaatregelen die in 1999 zijn genomen. Door de herstelmaatregelen is het waterregime en de waterkwaliteit weer geschikt gemaakt voor het habitattype en zijn kenmerkende soorten teruggekeerd. Hieruit kan worden opgemaakt dat de trend van dit habitattype stabiel is (Natuurdoelanalyse-144, 2022). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (1,43 ha) van het aanwezig areaal met H3130 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename van stikstofdepositie,
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
24/213
ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename van stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie van 0,17 mol N/ha/jaar (figuur 4-4).
Figuur 4-4:
De locatie in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Zwakgebufferde vennen (H3130).
Knelpunten Knelpunten worden gevormd door vermesting, verzuring en verdroging. De hoge atmosferische stikstofdepositie leidt tot een verrijking van de vennen met ammonium en/of nitraat. Het gevolg is een ophoping van organisch materiaal. Lokaal kan een ophoping van organisch materiaal, bijvoorbeeld in de vorm van slib op de venbodem lijden tot het verdwijnen van kenmerkende vegetaties. Verzuring en vermesting leiden tot soortenarme vegetaties. Uiteindelijk kunnen de voedselarme vegetaties worden verdrongen. Vanwege de geringe buffering van de vennen kan stikstofdepositie indirect en direct leiden tot verzuring. In de sterk verzuurde wateren (pH beneden 4,5) zullen de zuur-intolerante zachtwaterplanten verdwijnen ten gunste meer zuurtolerante soorten. Op den duur zullen alle waterplanten verdwijnen. De grondwaterkwaliteit lijkt de laatste jaren achteruit te gaan. Vooral de nitraat gehalten zijn hoog. De pH-waarde zakt regelmatig weg onder de 5,5. Er is sprake van licht verzuurde omstandigheden, dit wordt ondersteund door de veelal erg lage alkaliniteit. Het ven ondervindt mogelijk gevolgen van verdroging waardoor het grondwater daalt en daarmee de invloed van gebufferde kwel in het vensysteem. Het gevolg hiervan is dat het ven te veel verzuurt. Op de droogvallende venoevers vindt verruiging plaats waardoor karakteristieke soorten verdwijnen.
Vennen zijn in principe wel berekend op schommelende waterstanden als de winter- en voorjaarstanden
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
25/213
maar hoog zijn, kan het geen kwaad als in de zomer het water wat wegzakt. ondanks dat er een flinke verdroging is van het habitattype is de hydrologische situatie in een gemiddeld jaar goed op orde. Wel dient opgemerkt te worden dat het ven licht verzuurd is, de buffercapaciteit beperkt is en de nitraatwaarden zijn erg aan de hoge kant (Natuurdoelanalyse-144, 2022). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H3130 Zwakgebufferde vennen heeft een matige kwaliteit. De trends in oppervlakte is onbekend en de kwaliteit is stabiel. Op 100% van het totale areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is er sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie van maximaal 0,17 mol N/ha/jaar. Stikstofdepositie is een knelpunt, samen met andere knelpunten zoals versnippering en verdroging. Voornamelijk verdroging speelt een grote rol voor dit habitattype, uit recente metingen blijkt een tegenstrijdig beeld van scherpe verdroging of wellicht gemiddeld op orde. Mogelijk ondervindt het ven gevolgen van verdroging waardoor het grondwater daalt en daarmee ook de invloed van gebufferde kwel in het vensysteem van Zwakgebufferde vennen. Als waterstanden te laag komen dan kan er verruiging plaatsvinden en kan het ven verzuren.
De toename is daarnaast dermate gering (maximaal 0,17 mol N/ha/jaar over één jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval zal dit rond de 50 mol liggen) (Marra et al., 2025). De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,17 mol N/ha/jaar. In andere woorden: de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beïnvloed door de geringe tijdelijke toename van deze depositie met maximaal 0,17 mol N/ha/jaar. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10 – 20 jaar (zie paragraaf 3.4). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype en de relatieve toename ten opzichte van de KDW (in dit geval <0,007%) en de ADW (in dit geval <0,003%). Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe tijdelijke toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden.
Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering oppervlak en kwaliteit) van dit H3130 in Boschhuizerbergen.
H5130 - Jeneverbesstruwelen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H5130 heeft in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen een behouds- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend Dit habitattype bevindt zich in het hart van het Natura 2000 gebied ten oosten van de spoorlijn Nijmegen-Venlo. Een groot deel bevind zich in het mozaïek met Stuifzandheiden met struikhei en Zandverstuivingen. Hiernaast komen er in de directe omgeving van dit kerngebied her en der struwelen met jeneverbessen voor, die echter niet formeel als habitattype kwalificeren. Jeneverbesstruwelen komen alleen voor op droge, kalkarme en voedselarme
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
26/213
zandgronden. De kwaliteit van het habitattype is op dit moment matig. De trend is stabiel, al gaat het wel hoofdzakelijk om een sterk verouderd jeneverbesstruweel (Beheerplan-144, 2020; Natuurdoelanalyse-144, 2022). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (7,62 ha) van het aanwezig areaal met H5130 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een toename van stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een toename van stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende toename van stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale toename van stikstofdepositie van 0,32 mol N/ha/jaar (figuur 4-5).
Figuur 4-5:
De locatie in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Jeneverbesstruwelen (H5130).
Knelpunten Knelpunten worden gevormd door onvoldoende verjonging, stikstofdepositie en een te klein areaal. Jeneverbestruwelen kennen een lange levensduur. Desondanks is het om de struwelen ook op de langere termijn te kunnen behouden noodzakelijk dat voldoende verjonging plaatsvindt. Ook voor verbetering van de kwaliteit van het habitattype is dit noodzakelijk (Gebiedsanalyse-144, 2017). Verjonging vindt momenteel in de Boschhuizerbergen in beperkte mate plaats. Het is aangetoond dat de bodem in gebieden zonder verjonging in sterke mate verzuurd zijn door een verhoogde stikstofdepositie. Een verhoogde stikstofdepositie zorgt daarnaast voor vermesting en bevordert daarmee de sluiting van de struwelen. Dit heeft tot gevolg dat specifieke micromilieus verloren gaan ten koste van de typische levermossen en korstmossen. Daarnaast bevordert een verhoogde stikstoftoevoer de bodemvorming en daarmee de successie. Dit heeft negatieve
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
27/213
effecten op de aan pionierstadia gebonden paddenstoelen- en mosflora. Vergrassing als gevolg van vermesting kan de kwaliteit van het jeneverbesstruweel doen afnemen en daarmee de verjonging doen verminderen. Voor de verjonging is het van belang dat tijdelijke enige dynamiek aanwezig. Zo is het van belang dat er gestabiliseerd stuifzand aanwezig is waar al enige successie heeft plaatsgevonden en de bodem niet te sterk verzuurd is. Het is dan ook niet zo verwonderlijk dat dit habitattype zich bevindt in een complex met de habitattypen H2310 en H2330. Zij vormen immers noodzakelijke stadia in de successiereeks. Voor beide habitattypen speelt het knelpunt dat momenteel onvoldoende areaal aanwezig is op de Boschhuizerbergen, waardoor de noodzakelijk dynamiek sterk beperkt wordt (Natuurdoelanalyse-144, 2022). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H5130 Jeneverbesstruwelen heeft een matige kwaliteit. De trends in oppervlakte is onbekend en de kwaliteit is stabiel. Op het totale areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is er sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie van maximaal 0,32 mol N/ha/jaar. Stikstofdepositie is een knelpunt, samen met andere knelpunten zoals versnippering (isolatie van gebieden en het ontbreken van winddynamiek) en de snelle groei van het Grijs kronkelsteeltje.
Voornamelijk het herstel van de winddynamiek wordt aangeduid als een noodzakelijke actie (Natuurdoelanalyse-144, 2022). Meer recent bleek dat na herstelbeheer en herstellen van de begrazing opnieuw vestiging van jeneverbes plaatsvond op de uitgestoven laagten, maar nauwelijks op stuifzandgronden. Dit toont aan dat verstuiving op landschapsschaal eveneens mogelijkheden kan bieden voor nieuwe vestiging van jeneverbes (Beheerplan-144, 2020). De habitattypen worden daarnaast omgeven door naaldbossen. Zandverstuivingen zijn in areaal afgenomen met als gevolg dat er nauwelijks nog sprake is van een natuurlijke winddynamiek. Hierdoor stagneert het proces van erosie en sedimentatie van stuifzand en vindt er geen natuurlijk terugzetten van de successie meer plaats. Dit heeft tot gevolg dat opslag van berken en dennen de overhand krijgt. Spontane bebossing leidt tot habitatverlies en draagt er toe bij dat de restanten te klein zijn geworden om natuurlijke winddynamiek nog toe te laten (Natuurdoelanalyse-144, 2022). De toename is daarnaast dermate gering (maximaal 0,32 mol N/ha/jaar over één jaar) dat het volledig weg valt binnen de natuurlijke variatie in depositie door variatie in meteorologische omstandigheden (gemiddeld 10% van de achtergronddepositie, in dit geval zal dit rond de 107 mol liggen) (Marra et al., 2025).
De negatieve effecten door de reeds bestaande overmaat aan stikstofdepositie worden niet groter door een geringe tijdelijke verhoging van deze depositie met 0,32 mol N/ha/jaar. In andere woorden: de haalbaarheid van de instandhoudingsdoelstellingen wordt niet beïnvloed door de geringe tijdelijke toename van deze depositie met maximaal 0,32 mol N/ha/jaar. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk in verlies in areaal duurt jaren en speelt zich af in 10 – 20 jaar (zie paragraaf 3.4). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype en de relatieve toename ten opzichte van de KDW (in dit geval <0,007%) en de ADW (in dit geval <0,003%). Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een dergelijke geringe tijdelijke toename in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (behoud en
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
28/213
verbetering oppervlak en kwaliteit) van dit H5130 in Boschhuizerbergen.
H91D0 - Hoogveenbossen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H91D0 heeft in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen een behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De huidige kwaliteit is matig. Er zijn nog geen specifieke maatregels uitgevoerd ten behoeve van dit habitattype. De trend voor het habitattype in betrekking tot oppervlakte en kwaliteit is stabiel (Natuurdoelanalyse-144, 2022). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (11,18 ha) van het aanwezig areaal met H91D0 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename van stikstofdepositie, ondervindt 89,9% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename van stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie van 0,28 mol N/ha/jaar (figuur 4-6).
Figuur 4-6:
De locatie in het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Hoogveenbossen (H91D0).
Knelpunten Knelpunten worden gevormd door vermesting, verzuring en verdroging. Stikstofdepositie heeft vooral effect op vermesting en verzuring. Een deel van
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
29/213
het bos is doorplant met naaldbomen, er is sprake van een aantasting van de oude bosgroeiplaats. Het hoogveenbos heeft sterk te leiden van de periode met droge zomers (2018-2022). Dankzij vermesting zal er verruiging en vergrassing in de struik- en kruidlaag kunnen optreden, daardoor verdwijnen veenmossen uit het systeem met als gevolg dat het huidige areaal afneemt. Danzij de extra verdamping door verruiging en vergrassing kunnen de aanwezige veenmossen afgebroken worden. Verzuring zal vooral voor een kwaliteitsafname zorgen, maar geen direct verlies van areaal. Verdroging leidt ook tot een verruiging van de struiklaag en kruidlaag, waarbij de dominante vegetaties de bodemflora verdringen. Uiteindelijk kan door verdroging ook een verandering in de boomlaag plaatsvinden. Het habitat is in de westelijke meander zeer sterk gerabatteerd, de rabatten hebben hier een negatief effect op het soort bossen die onder natte omstandigheden opgroeien zoals de hoogveenbossen van dit habitattype. De aanwezige veenmoslaag kan hierdoor uitdrogen en zal door afbraak een vermestende werking hebben op vegetatie (Natuurdoelanalyse 144, 2022). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H91D0 Stuifzandheiden met struikhei heeft een matige kwaliteit. De trends in oppervlakte en kwaliteit zijn stabiel.
Op 89,9% van het totale stikstofgevoelige areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied is er sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie van maximaal 0,28 mol N/ha/jaar. Stikstof vormt een knelpunt voor het habitattype maar het heeft sterker te leiden onder de slecht geregelde hydrologie in het gebied en de droge zomers van 2018 tot 2020. Het habitattype beslaat daarnaast maar een kleine oppervlakte en is regelmatig doorregen met naaldbomen. Ten slotte is er niet de juiste structuur in betrekking tot het habitattype dankzij de aanwezigheid van rabatten en lage grondwaterstanden dankzij aanliggend agrarisch gebied. Het is, in het kader van de andere drukfactoren die hier zijn beschreven, met wetenschappelijke zekerheid niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,28 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (behoudsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit H91D0 in Boschhuizerbergen.
4.4
Beoordeling habitatsoorten
Het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen is niet aangewezen voor habitatsoorten. Er kan derhalve geen toename van stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Significant negatieve gevolgen zijn hierom op voorhand uitgesloten.
4.5
Beoordeling broedvogels
Het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen is niet aangewezen voor broedvogels. Er kan derhalve geen toename van stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Significant negatieve gevolgen zijn hierom op voorhand uitgesloten.
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
30/213
4.6
Beoordeling niet-broedvogels
Het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen is niet aangewezen voor nietbroedvogels. Er kan derhalve geen toename van stikstofdepositie plaatsvinden op stikstofgevoelig leefgebied. Significant negatieve gevolgen zijn hierom op voorhand uitgesloten.
4.7
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling veroorzaakt een tijdelijke toename aan stikstofdepositie van maximaal 0,45 mol N/ha/jaar op stikstofgevoelige natuur binnen het Natura 2000-gebied Boschhuizerbergen. Voor de habitattypen en/of leefgebieden van kwalificerende soorten waarvoor geldt dat de KDW wordt overschreden, is onderzocht of de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een in ecologische zin aantoonbare aantasting van de kwaliteit of oppervlakte verlies van het stikstofgevoelige areaal. Op basis van een gebiedsspecifieke analyse kan worden geconcludeerd dat dit niet het geval is. De tijdelijke stikstoftoename ten gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling staat ook niet in de weg van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen leefgebied van kwalificerende soorten. Significant negatieve gevolgen door de tijdelijke geringe toename aan stikstofdepositie ten gevolge van het voorgenomen project zijn hierom niet aannemelijk.
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
31/213
5
Maasduinen
5.1
Inleiding
Door de werking van de Maas en de Rijn zijn er terrassen ontstaan, die nu nog zichtbaar zijn in het landschap. Extra reliëf is ontstaan door de werking van de wind. In de laag gelegen delen heeft zich veen gevormd, al dan niet bedekt met een dunne laag dekzand. Vennen zijn ontstaan in de laagtes boven ondoorlatende leemlagen. De paraboolduinen, ontstaan uit stuifzand uit de rivierdalen, vormen het karakteristieke landschap van de Hamert en de rest van de Maasduinen. In het begin van deze eeuw zijn er op grote delen van deze 'Looierheide' eenvormige bossen aangelegd die mijnhout moesten leveren. Door de geïsoleerde ligging van de Maasduinen tussen de Maas en de Duitse grens is het gebied niet intensief ontwikkeld. Mede hierdoor is de ecologisch belangrijke overgang van hoog- naar laagterras in het stroomdal in stand gebleven. Her en der bleven grotere en kleine stukken heide en stuifzand gespaard, waarvan de Berger Heide en de Hamert de grootste gebieden zijn. In de open heide liggen veel vennen, waarin deels hoogveenvegetaties aanwezig zijn. De overgangen van vennen naar natte heide zijn geleidelijk. Langs de Eckelsche Beek liggen hoge steilranden. Ten zuiden van Nieuw-Bergen ligt een restant van een oud kampenlandschap. In de Hamert ligt tevens een hoogveenrestant, het Pikmeeuwenwater.
Het zandgebied grensde aan de oostkant in het verleden aan een uitgestrekt veengebied, delen hiervan worden nu hersteld in het natuurontwikkelingsplan Heerenveen. Aan de westkant van de Hamert is in het Maasdal stroomdalgrasland aanwezig. Het meest zuidelijke deelgebied herbergt een Maasmeander met berkenbroekbos (Maasduinen, Natura2000.nl).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
32/213
Figuur 5-1:
Overzicht ligging richtlijngebieden in het gebied Maasduinen.
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
33/213
5.2
Doelstellingen
In tabel 5.1 volgt een overzicht van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Maasduinen op basis van het aanwijzingsbesluit.
Tabel 5.1:
b)
Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen voor het Natura 2000-gebied Maasduinen. Habitattypen
Habitatcode
Habitattype
Status doel
Oppervlakte1
Kwaliteit1
H2310 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H6120 H6430A H6430C H7110B H7150 H9120 H9190 H91D0 H91E0C H91F0
Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen (moerasspirea) Ruigten en zomen (droge bosranden) Actieve hoogvenen (heideveentjes) Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Hoogveenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Droge hardhoutooibossen
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief
> > > > > > = = = > = = = = = =
> > > > > > = = = > = = = > = =
1: doelstelling voor oppervlakte en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding: >. c)
Habitatsoorten
Soortcode
Habitatsoort
Status doel
H1163 H1337 H1831 H1042 H1166 H1149
Beek/Rivierdonderpad Bever Drijvende waterweegbree Gevlekte witsnuitlibel Kamsalamander Kleine modderkruiper
definitief definitief definitief definitief definitief definitief
Populatie
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
= > = > > =
= = = > > =
= = = > > =
Omvang leefgebied1
Kwaliteit leefgebied1
= = = > = = = =
= = = > = = = =
1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >. d)
Broedvogels
Soortcode
Broedvogel
Status doel
A246 A004 A008 A338 A224 A249 A276 A236
Boomleeuwerik Dodaars Geoorde fuut Grauwe klauwier Nachtzwaluw Oeverzwaluw Roodborsttapuit Zwarte specht
definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief definitief
Aantal broedparen 100 50 7 3 30 120 85 35
1: doelstelling voor omvang en/of kwaliteit behoud: =, uitbreiding/verbetering: >.
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
34/213
5.3
Beoordeling habitattypen
Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen sprake is van een toename van stikstofdepositie op 15 stikstofgevoelige habitattypen (tabel 5.2). De overige habitattypen zijn niet gevoelig voor stikstofdepositie, of er is geen sprake van een relevante stikstoftoename ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significant negatieve gevolgen voor deze overige habitattypen zijn daarom op voorhand uitgesloten. Tabel 5.2:
Berekende stikstofdepositiewaarden in mol N/ha/jaar op de habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen. De tabel bevat enkel habitattypen met een projecteffect ≥0,01 mol N/ha/jaar. Depositiewaarden zijn gebaseerd op de resultaten uit de meest recente versie van AERIUS-Calculator (AERIUS 2025) en worden weergegeven in mol N/ha/jaar.
Habitatcode
Habitattype
KDW1
Maximale achtergrond depositie2
Maximaal effect3
Maximaal relevant effect4
H2310 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H6120 H6430C H7110B H7150 H9120 H9190 H91D0 H91E0C
Stuifzandheiden met struikhei Zandverstuivingen Zwakgebufferde vennen Zure vennen Vochtige heiden (hogere zandgronden) Droge heiden Stroomdalgraslanden Ruigten en zomen (droge bosranden) Actieve hoogvenen (heideveentjes) Pioniervegetaties met snavelbiezen Beuken-eikenbossen met hulst Oude eikenbossen Hoogveenbossen Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen) Droge hardhoutooibossen
714 714 500 714 1071 714 1286 1857 714 1071 1071 1071 1786 1857
2448 2367 2069 1952 2220 2159 1558 1534 1613 1940 2146 2160 2107 2217
0,19 0,20 0,16 0,18 0,19 0,22 0,03 0,03 0,13 0,16 0,18 0,11 0,13 0,17
0,19 0,20 0,16 0,18 0,19 0,22 0,03 0,13 0,16 0,18 0,11 0,13 0,17
2071
2092
0,05
0,05
H91F0
1. KDW van habitattype volgens Wamelink et al. (2023) 2. Achtergronddepositie volgens de meest recente versie van AERIUS-Calculator. kleuren betreffen: geen overschrijding en overschrijding KDW. 3. De maximale toename van stikstofdepositie ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. 4. De maximale toename van stikstofdepositie op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief de berekende toename.
Het habitattype H6430C ondervindt op het moment geen (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie op hexagonen met een toename van stikstofdepositie (≥0,01 mol N/ha/jaar). Dit blijft zo, inclusief de berekende stikstofbijdrage ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Significante gevolgen door een toename van stikstofdepositie op deze habitattypen zijn daarom uitgesloten. Voor de effectbeoordeling op de habitattypen met een relevante toename van stikstofdepositie uit tabel 5.2 wordt de belangrijkste informatie samengevat in tabel 5.3.
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
35/213
Tabel 5.3:
Basisgegevens voor de effectbeoordeling van de toename van stikstofdepositie op habitattypen binnen het Natura 2000-gebied Maasduinen.
Habitatcode
Maximaal relevant effect1
Areaal met relevant effect (ha)2
Relevant t.o.v. totaal areaal (%)3
0,19 0,2 0,16 0,18 0,19 0,22 0,03 0,13 0,16 0,18 0,11 0,13 0,17 0,05
23,94 95,62 55,44 20,15 55,54 252,77 0,5 7,03 16,5 4,46 37,18 13,25 18,7 1,16
100% 100% 100% 100% 93,4% 100% 57,3% 100% 99,2% 100% 100% 40,6% 52,5% 13,4%
H2310 H2330 H3130 H3160 H4010A H4030 H6120 H7110B H7150 H9120 H9190 H91D0 H91E0C H91F0
Algemene kwaliteit habitattype in Natura 2000-gebied4
Matig Matig Matig Matig Matig Matig Matig Slecht Matig Matig Matig Matig Matig Matig
1. Maximale toename van stikstofdepositie in mol N/ha/jaar op hexagonen met een (naderende) overschrijding van de KDW door achtergronddepositie inclusief het berekende stikstofeffect. 2. Totaal gekarteerd oppervlak met een relevante toename van stikstofdepositie op basis van de meest recente habitattypenkaart (AERIUS 2025). 3. Het percentage aan areaal met een relevante toename van stikstofdepositie ten opzichte van het totale areaal binnen het Natura 2000-gebied. 4. De kwaliteit volgens de PAS-gebiedsanalyse, het Natura 2000-beheerplan en/of de Natuurdoelanalyse.
In de volgende paragrafen wordt de toename van stikstofdepositie op ieder habitattype uit tabel 5.3 beoordeeld. Zie bijlage 1 voor een algemene omschrijving, een overzicht van de abiotische randvoorwaarden en een algemene effectbeschrijving stikstofdepositie per habitattype.
H2310 - Stuifzandheiden met struikhei Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H2310 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig tot slecht en de trend in kwaliteit is positief. Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster droge zandduinen samen met H2330 en H4020 en verscheidene vogelsoorten. Vooral het habitat H2330 komt vaak langs H2310 voor. Het habitattype komt verspreid over de vier deelgebieden in de Maasduinen voor (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (23,94 ha) van het aanwezig areaal met H2310 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,19 mol N/ha/jaar (figuur 5.2).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
36/213
Figuur 5-2:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Stuifzandheiden met struikhei (H2310).
Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen zullen veel van de hier genoemde knelpunten ook terugkomen bij H2330. Knelpunten voor het habitattype zijn hoge stikstofdepositie, het ontbreken van voldoende winddynamiek, gefragmenteerd voorkomen van het habitattype en begroeiing met grijs kronkelsteeltje. Verder heeft intensieve betreding van het gebied een negatieve invloed op de aanwezige fauna binnen het habitattype (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022). Als gevolg van de te hoge stikstofdepositie is de vegetatiebedekking toegenomen. Ten gevolge van vermesting is er sprake van vergrassing (met bochtige smele), opslag van bomen en dominante ontwikkeling van tapijten met grijs kronkelsteeltje. De schaduwwerking die hier van uit gaat zorgt voor een extra afname in korstmossen en mossen (Beheerplan-145, 2020). Ook verzuring door stikstofdepositie, met name in de vorm van ammonium, draagt hier aan bij (Gebiedsanalyse-145, 2017). Door het gefragmenteerde voorkomen van het habitattype is nauwelijks nog sprake van een natuurlijke winddynamiek. Hierdoor stagneert het proces van erosie en sedimentatie van stuifzand en vind er geen natuurlijk terugzetten van de successie meer plaats. Door het verdwijnen van de konijnenpopulatie worden deze processen nog sneller in gang gezet (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022).
In combinatie met hoge stikstofdepositie heeft dit tot gevolg dat opslag van berken en dennen optreedt (Beheerplan-145, 2020). De knelpunten van onvoldoende winddynamiek en hoge stikstofdepositie versterken elkaar. Stikstofdepositie is echter het voornaamste knelpunt voor het habitattype H2310 Stuifzandheiden met struikhei (Natuurdoelanalyse-145, 2024).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
37/213
Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H2310 heeft een matig tot slechte kwaliteit met een mogelijk positieve trend. Op het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Stikstofdepositie is een knelpunt voor het habitattype, maar wordt vergezeld van een aantal andere knelpunten met een vergelijkbare of grotere invloed op het habitattype. Van grote invloed is de versnippering wat verschillende gevolgen heeft. Zo is er nauwelijks nog sprake is van een natuurlijke winddynamiek. Hierdoor stagneert het proces van erosie en sedimentatie van stuifzand en vindt er geen natuurlijk terugzetten van de successie meer plaats. Dit heeft ook geleid en veroorzaakt isolatie van het habitattype. Ook is er een dominante ontwikkeling van het Grijs kronkelsteeltje. Dit komt ook gedeeltelijk dankzij stikstofdepositie, echter vestigt de soort zich ook zeer snel na herstelmaatregelen. De mogelijkheden voor de beheerder om de soort kwijt te raken en korstmossenrijke vegetaties terug te krijgen lijken daarmee beperkt. Nog andere voorbeelden van het grote aandeel aan knelpunten is de begrazing (te intensieve begrazing van terreinen heeft een nadelig effect), de afname van het konijnenbestand en intensieve betreding.
Het is, in het kader van de andere knelpunten en de zwaartepunten bij deze knelpunten, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,19 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering oppervlak en kwaliteit) van dit H2310 in Maasduinen.
H2330 - Zandverstuivingen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H2330 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig tot slecht. De trend in kwaliteit is negatief ten gevolge van de hoge bedekking van grijs kronkelsteeltje. Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster droge zandduinen samen met H2130 en H4020 en verscheidene vogelsoorten. Vooral het habitat H2130 komt vaak langs H2330 voor. Het habitattype komt verspreid over de vier deelgebieden in de Maasduinen voor (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (95,62 ha) van het aanwezig areaal met H2330 vindt ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,2 mol N/ha/jaar (figuur 5-3).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
38/213
Figuur 5-3:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Zandverstuivingen (H2330).
Knelpunten Veel van de knelpunten welke hier worden benoemd komen overeen met H2310. Knelpunten voor het habitattype zijn hoge stikstofdepositie, het ontbreken van voldoende winddynamiek, gefragmenteerd voorkomen van het habitattype en begroeiing met grijs kronkelsteeltje. Verder heeft intensieve betreding van het gebied een negatieve invloed op de aanwezige fauna binnen het habitattype (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022). Als gevolg van de te hoge stikstofdepositie is de vegetatiebedekking toegenomen. Ten gevolge van vermesting is er sprake van vergrassing, opslag van bomen en dominante ontwikkeling van tapijten met grijs kronkelsteeltje (Beheerplan-145, 2020). Met name aan de randen van de zandverstuiving is er sprake van (versnelde) successie (Gebiedsanalyse-145, 2017). Door het gefragmenteerde voorkomen van het habitattype is nauwelijks nog sprake van een natuurlijke winddynamiek. Hierdoor stagneert het proces van erosie en sedimentatie van stuifzand en vindt er geen natuurlijk terugzetten van de successie meer plaats. Door het verdwijnen van de konijnenpopulatie worden deze processen nog sneller in gang gezet (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022). Dit heeft tot gevolg dat opslag van berken en dennen de overhand krijgt (Beheerplan-145, 2020). Hoge stikstofdepositie is een belangrijk knelpunt voor het habitattype H2330 Zandverstuivingen.
Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H2330 heeft een matige tot slechte kwaliteit met een negatieve trend. Op het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Omdat het habitattype regelmatig zeer dicht in de buurt van H2310 voorkomt en omdat dat habitattype
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
39/213
de volgende succesiestap is kunnen veel van de genoemde conclusies ook voor H2330 worden getrokken. Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,20 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering oppervlak en kwaliteit) van dit H2310 in Maasduinen.
H3130 - Zwakgebufferde vennen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H3130 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is positief. Het habitatype komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide samen met H3160, H4010A, H7110 en H7150. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over de 4 deelgebieden voor (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (55,44 ha) van het aanwezig areaal met H3130 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,16 mol N/ha/jaar (figuur 5-4).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
40/213
Figuur 5-4:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Zwakgebufferde vennen (H3130).
Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Knelpunten voor het habitattype zijn stikstofdepositie, verzuring, vermesting en verdroging. Stikstofdepositie kan zowel tot verzuring als tot vermesting leiden. Hoge depositie leidt tot aanrijking van de vennen met ammonium en/of nitraat. Hierdoor vindt er ophoping van organisch materiaal plaats, wat lokaal leidt tot het verdwijnen van kenmerkende vegetaties. Vanwege de geringe buffering van de vennen kan depositie daarnaast leiden tot verzuring. Bij sterke verzuring (pH beneden 4,5) verdwijnen de zachtwaterplanten ten gunste van meer zuurtolerante soorten. Verzuring en vermesting leiden daarmee tot het soortenarmer worden van vegetaties. Het tweede knelpunt voor het habitattype is verdroging. Verdroging wordt met name veroorzaakt door een verlaging van de grondwaterstand buiten het Natura 2000-gebied zoals in het Reindersmeer, wat zorgt voor de verzuring van het ven. Op de droogvallende venoevers vindt verruiging plaats waardoor karakteristieke soorten verdwijnen (Natuurdoelanalys-145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H3130 heeft een matige kwaliteit met een positieve trend.
Op het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Ook hier zien we het terugkerende effect van de samenhang tussen stikstofdepositie en andere knelpunten. Een groot knelpunt is verdroging, uit OGOR meetgegevens tot en met 2021 blijkt dat met name in droge jaren de waterstand onvoldoende is. Als gevolg van droogleggingen daalt het grondwater en daarmee ook de invloed
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
41/213
van gebufferde kwel in het vensysteem van Zwakgebufferde vennen. Het gevolg hiervan is dat het ven te veel verzuurt. Zuurtolerante soorten als Knolrus kunnen hierdoor het vensysteem gaan domineren. Langdurige droogval kan leiden tot afname van de groeiplaatsen van de Drijvende waterweegbree. Het Reindersmeer heeft een drainerende werking op de omliggende vennen waardoor de stijghoogte bij de Zwakgebufferde vennen niet meer tot boven de venbodem komt. Hierdoor treed verdroging van delen van het habitattype Zwakgebufferde vennen op en een verandering naar zure vennen (H3160). Daarnaast zijn er nog andere knelpunten zoals betreding, de toestroming van voedseslrijk water, schaduwwerking door aangrenzende bosontwikkeling en versnippering. Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,16 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering oppervlak en kwaliteit) van dit H3130 in Maasduinen.
H3160 - Zure vennen Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H3160 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig, de trend in kwaliteit is positief (Beheerplan-145, 2020). Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide samen met H3160, H4010A, H7110B en H7150. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over de 4 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (20,15 ha) van het aanwezig areaal met H3160 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename aan stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename aan stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename aan stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename aan stikstofdepositie van 0,18 mol N/ha/jaar (figuur 5-5).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
42/213
Figuur 5-5:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Zure vennen (H3160).
Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Knelpunten voor het habitattype zijn stikstofdepositie, verzuring, vermesting, verdroging en aanwezigheid van bos. Vanwege de zeer geringe buffercapaciteit en voedselrijkdom is het habitattype Zure vennen bijzonder gevoelig voor verzuring en daarmee gepaard gaande eutrofiëring als gevolg van stikstofverrijking (Natuurdoelanalyse Maasduinen, 2022). In de waterlaag bevordert stikstofdepositie de algengroei, met name in fosfaatrijke vennen. Door de algengroei wordt de aquatische veenmosontwikkeling geremd. Wanneer veenmossen het teveel aan stikstof niet kunnen opnemen, hoopt stikstof op en neemt het aandeel algen en hogere planten toe. Hiertoe behoren onder andere pijpenstrootje, pitrus en berk (Gebiedsanalyse-145, 2017; Beheerplan-145, 2020). Het belangrijkste knelpunt voor het habitattype zijn lokale, diepe ontwatering en sterke verdroging (Gebiedsanalyse-145, 2017). De grondwaterstand in Maasduinen is verlaagd door zandwinningen, ontwatering binnen het Natura 2000-gebied en het doorgraven van slecht doorlatende lagen. Door de aanplant van naaldbos is ook de verdamping toegenomen. Ten gevolge van de verdroging treedt verzuring op, waardoor zuurtolerante soorten kunnen gaan domineren.
Ook treedt eutrofiëring op, als gevolg van toestroming van nutriënten- en sulfaatrijk grondwater. Een laatste knelpunt voor het habitattype is aangrenzende bosontwikkeling. Dit kan leiden tot een teveel aan schaduw en bladval en heeft het verdwijnen van soorten door verdroging, eutrofiëring en een gebrek aan zonlicht tot gevolg (Natuurdoelanalys-145, 2024).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
43/213
Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H3160 heeft een matige kwaliteit met een positieve trend. Op 71% van het areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Dit habitattype komt vaak in dichte nabijheid van de andere habitattypen binnen zijn cluster ‘Vennen en vochtige heiden’ voor, daardoor zijn veel van de knelpunten benoemd onder H3130 vergelijkbaar voor dit habitattype. Wat nog extra benoemd kan worden is de invloed van het Maaspeil. In de huidige tijd is het waterpeil verhoogd en gestabiliseerd als gevolg van stuwing en normalisatie van de Maas. Dit heeft ongeveer 80 jaar geleden plaatsgevonden. Wat hiervan de hydrologische effecten zijn op de Maasduinen is nog niet bekend. Het is, in het kader van het knelpunten al eerder benoemd onder H3130, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,18 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriëntenbeschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreiding en verbetering oppervlak en kwaliteit) van dit H3130 in Maasduinen.
H4010A - Vochtige heiden (hogere zandgronden) Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H4010A heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig. Er werd eerder een positieve trend gezien, maar deze werd verwacht te zijn van tijdelijke van aard, aangezien vegetaties als gevolg van hoge stikstofdepositie dreigen te degraderen naar soortenarme vegetaties (Beheerplan-145, 2020). De Natuurdoelanalyse (-145, 2024) onderbouwd dit met een negatieve trend in kwaliteit. Het habitatype komt voornamelijk voor in het cluster vennen en vochtige heide samen met H3160, H4010A, H7110B en H7150. Hiertoe behoren ook een aantal habitatsoorten en vogelsoorten. Het komt in dit cluster verspreid over de 4 deelgebieden voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (59,45 ha) van het aanwezig areaal met H4010A vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename van stikstofdepositie, ondervindt 93,4% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename van stikstofdepositie.
Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie van 0,19 mol N/ha/jaar (figuur 5-6).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
44/213
Figuur 5-6:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Vochtige heiden (hogere zandgronden) (H4010A).
Knelpunten Vanwege de samenhang tussen de habitattypen in hetzelfde cluster, zullen veel van de knelpunten en gevolgen daarvan vaker benoemd worden onder de andere habitattypen in het cluster. Knelpunten voor het habitattype zijn hoge stikstofdepositie, vermesting, verzuring, verdroging en het ontbreken van dynamiek. Als gevolg van de hoge stikstofdepositie treedt vermesting en verzuring op. Door vermesting ontwikkelt pijpenstrootje sterk, wat ten koste gaat van gewone dopheide en de kwaliteit van het habitattype. Verzuring kan er toe leiden dat sommige kenmerkende vegetaties binnen de grenzen van het habitattype in het gedrang komen. Dit leidt tot kwaliteitsvermindering (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Het habitattype heeft te maken met verdroging en sterk schommelende waterstanden. In combinatie met de overmatige stikstofdepositie leidt dit tot struweelvorming en verbossing. Er vindt met name een toename plaats van berkenopslag en bramenstruwelen (Beheerplan-145, 2020). Omdat het habitattype voor een belangrijk deel versnipperd en in kleine oppervlakten voorkomt, zijn de effecten van verbossing en ontwatering uit de omgeving extra groot (Gebiedsanalyse-145, 2017). Verder zijn vochtige heiden zeer gevoelig voor betreding van het gebied. Dit zou vooral effect hebben wanneer grote grazers het gebied betreden (Natuurdoelanalyse-145, 2024).
Stikstofdepositie en verdroging vormen beide belangrijke knelpunten voor het habitattype H4010A Vochtige heiden, welke elkaar versterken. Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H4010A heeft een matige kwaliteit met een negatieve trend. Op 93,4% van het areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Dit habitattype komt
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
45/213
vaak in dichte nabijheid van de andere habitattypen binnen zijn cluster ‘Vennen en vochtige heiden’ voor, daardoor zijn veel van de knelpunten benoemd onder H3130 vergelijkbaar voor dit habitattype. Veel van de versnippering binnen de habitattypen voor de vennen (H3130, H3160, H7110B en H7150) leidt tot een afname in dynamiek wat zorgt voor een voortschrijdende successie naar dit habitattype H4010A. Echter, dynamiek wordt tegenwoordig nagebootst door kleine stukken natte heide te plagen. Daarnaast vormt met name het zwavelrijke oppervlakte en grondwater een bedreiging. Dit leidt vaak tot verslibbing en het binnendringen van voedingstoffen. Deze indringing van voedingsstoffen is niet te wijden aan atmosferische stikstofdepositie maar meer aan het periodiek binnendringen van zwavelrijk grond- en landbouwwater vanuit oostelijke richting. Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,19 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden.
Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling in relatie tot het oppervlak en de kwaliteit van het habitattype) van dit habitattype.
H4030 - Droge heiden Instandhoudingsdoelstelling Het habitattype H4030 heeft in het Natura 2000-gebied Maasduinen een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling voor oppervlak en kwaliteit. Huidige situatie en trend De kwaliteit van het habitattype is matig en de trend in kwaliteit is stabiel (Natuurdoelanalys-145, 2024). Het habitattype komt voornamelijk voor in het cluster droge zandduinen samen met H2130 en H2330 en verscheidene vogelsoorten. Het habitattype komt verspreid over de vier deelgebieden in de Maasduinen voor (Natuurdoelanalys-145, 2024). Berekende toename van stikstofdepositie Op 100% (252,77 ha) van het aanwezig areaal met H4030 vindt, ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling, een tijdelijke toename van stikstofdepositie plaats. Van dit areaal met een tijdelijke toename van stikstofdepositie, ondervindt 100% een (naderende) overschrijding van de KDW door de huidige achtergronddepositie inclusief de berekende tijdelijke toename van stikstofdepositie. Het areaal met een (naderende) overschrijding van de KDW ondervindt een maximale tijdelijke toename van stikstofdepositie van 0,22 mol N/ha/jaar (figuur 5-7).
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
46/213
Figuur 5-7:
De locatie in het Natura 2000-gebied Maasduinen met de maximale relevante toename van stikstofdepositie op Droge heiden (H4030).
Knelpunten Veel van de knelpunten welke hier worden benoemd komen overeen met H2310. Knelpunten voor het habitattype zijn stikstofdepositie, vermesting, verzuring en versnelde successie. Als gevolg van de te hoge stikstofdepositie is de vegetatiebedekking toegenomen. Door de verzurende invloed van stikstofdepositie kan er sprake zijn van achteruitgang van typische soorten. De meeste typische soorten vaatplanten komen voor op de relatief iets beter gebufferde plekken in droge heiden. Deze soorten zijn gevoelig voor verzuring en/of voor het hoge gehalte van ammonium en/of aluminium als gevolg van de depositie (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Een algemene soort zoals struikheide is veel minder gevoelig voor ammonium (Gebiedsanalyse-145, 2017). Ten gevolge van vermesting is er sprake van vergrassing (met bochtige smele) en opslag van bomen. Een te sterke dominantie van grove den en berk kan het behoud van de heide in gevaar brengen. Achterstallig onderhoud uit het verleden versterkt het opkomen van met name jonge berken. Plaggen van oude heide om verjonging te stimuleren ging doorgaans vergezeld met het afvoeren van de strooisellaag. Doordat dit langdurig en op grote schaal is toegepast, is (plaatselijk) kale grond aanwezig.
Op de kale grond blijkt de heide zich niet goed te ontwikkelen, in tegenstelling tot de jonge berken (en in mindere mate grove dennen) Natuurdoelanalyse-145, 2024). Beoordeling toename aan stikstofdepositie Het habitattype H4030 heeft een matige kwaliteit met een stabiele trend. Op het volledige areaal van het habitattype is sprake van een relevante projectgebonden tijdelijke toename van stikstofdepositie. Dit habitattype komt vaak in dichte nabijheid van de andere habitattypen binnen zijn cluster ‘Droge
Sweco | Ecologische Beoordeling kabeltracé Boxmeer-Venray - Een onderzoek in het kader van de Omgevingswet Projectnummer 51006816 Datum 19-12-2025
Versie C03
Document referentie NL25-648800269-158892
47/213
zandduinen’ voor, daardoor zijn veel van de knelpunten benoemd onder H2310 vergelijkbaar voor dit habitattype. Daarnaast hebben grote delen van het habitattype te lijden onder effecten veroorzaakt door de grootschalige plagmethodes die in het verleden zijn toegepast. Plaggen van oude heide om verjonging te stimuleren ging doorgaans vergezeld met het afvoeren van de strooisellaag. Hierdoor werd echter niet alleen de biomassa afgevoerd, maar feitelijk ook het kiembed voor de jonge vegetatie. Op de kale grond blijkt de heide zich niet goed te ontwikkelen in tegenstelling tot de jonge berken. Hierdoor lijken er vaak meer overlast en het voorbestaan voor het habitattype te stammen uit gecreëerde kansen door beheer dan eventuele stikstofdepositie (Natuurdoelanalyse-145, 2024). Het is, in het kader van het bovenstaande, niet aannemelijk dat in deze situatie een geringe tijdelijke toename van 0,22 mol N/ha/jaar in depositie tot meetbare veranderingen in de abiotische randvoorwaarden (bodem pH, nutriënten beschikbaarheid), soortensamenstelling of structuur van het habitattype zal leiden. Het voorgenomen project zal daarom geen significant negatieve gevolgen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen (een uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling voor oppervlak en kwaliteit) van dit habitattype.