CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

4. Eindrapport zienswijzen bp mer Spurkt

Gemeenteraad 30 maart 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan en MER De Spurkt40.352 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

k. De onderbouwing van de locatiekeuze voor bedrijventerrein De Spurkt is nader toegelicht in hoofdstuk 3 van de toelichting van het bestemmingsplan. Mede naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r. en zienswijze van reclamant is een aantal aspecten uitgebreider toegelicht, waaronder verkeer en woon- en leefmilieu.

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

Zoals reclamant aangeeft klopt het dat locatie 2 hemelsbreed dichter bij A73 ligt dan locatie De Spurkt. Bij de beoordeling van alternatieven is echter gekeken naar bestaande weginfrastructuren voor de ontsluiting. Het realiseren van een nieuwe op- en afrit op de A73 is daarbij niet beschouwd. Het realiseren van een nieuwe afslag is daarbij ook een complexe en en kostbare ingreep (voor zover al haalbaar), waardoor het niet meegenomen is in de locatieafweging. Eerder is bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van bedrijventerrein de Blakt een nieuwe aansluiting op de A73 door Rijkswaterstaat resoluut afgewezen. De huidige weginfrastructuur bij locatie 2 voorziet, in tegenstelling tot de andere alternatieven, niet in een goede ontsluiting en afwikkeling op de A73. Afwikkeling zou dan plaats moeten vinden via de Stationsweg. De gemeente streeft naar het verkeersluwer maken van de Stationsweg tussen de A73 en de woonbebouwing van Oostrum vanwege de verkeersleefbaarheid en de aanwezige drukke fietsroute tussen de kern Venray en het treinstation. Op deze ontsluitingsweg is het als gevolg van de beperkte ruimte namelijk niet mogelijk dit fietsverkeer adequaat te scheiden van het gemotoriseerde verkeer. Daarnaast loopt deze weg als verbindingsweg door de woonkernen Oostrum en Venray, waarbij het fietsverkeer niet gescheiden is van gemotoriseerd verkeer.

Dit maakt Alternatief 2 verkeerskundig gezien minder aantrekkelijk dan de overige locatiealternatieven. Ten aanzien van woon- en leefmilieu zijn in hoofdstuk 3 van de toelichting verduidelijkende kaarten bijgevoegd om de relatie van bestaand bedrijventerreinen, zoekgebieden en aanwezige woonkernen te weergeven. Hierin is te zien dat Locatie 2 op relatief korte afstand van de kernen Oostrum, Antoniusveld en Landweert ligt. De dichtstbijzijnde woonkern bij locatie 3 is wijk Brabander. Deze ligt circa tweemaal zo ver weg als de woonkernen nabij Locatie 2. Voor alle locatiealternatieven geldt dat er individuele woningen binnen de potentiële invloedsferen van het bedrijventerrein ligt. Het aantal (individuele) woningen dat binnen de potentiële invloedsferen van het bedrijventerrein bij alternatief 3 ligt is echter het kleinst. Gezien de afstand van woonkernen en individuele woningen rondom de alternatieven is de kans op hinder op gevoelige objecten het kleinst is bij alternatief 3. l.

Dit onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Voor een standpunt wordt verwezen naar het eindrapport zienswijzen behorende bij het exploitatieplan.

De zienswijze geeft wel aanleiding tot aanpassing van de regels of verbeelding van het bestemmingsplan.

Zienswijze reclamant 11 Ontvankelijkheid 

Schriftelijke zienswijze ingekomen 5 augustus 2020

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

De zienswijze is derhalve ontvankelijk.

Reclamant heeft zowel tegen het ontwerp bestemmingsplan als tegen het ontwerp exploitatieplan een zienswijze ingediend. In dit eindrapport wordt alleen ingegaan op de zienswijzen gericht tegen het ontwerp bestemmingsplan. De beantwoording van de zienswijzen tegen het ontwerp exploitatieplan zal plaatsvinden in het bij die procedure behorende eindrapport zienswijzen. Zienswijze Reclamanten zijn eigenaar (samen en apart) van een tweetal percelen gelegen binnen het plangebied. De gemeente is voornemens om een bedrijventerrein te realiseren op o.a. de gronden van de reclamanten. Dat betekent dat het bedrijf, dat is gevestigd op deze locatie niet zou kunnen worden voortgezet en hun gronden niet meer verpacht zouden kunnen worden door reclamanten ten behoeve van een kwekerij. Voor reclamant sub 3 geldt dat hij het bedrijf niet langer kan exploiteren. Verder vrezen reclamanten dat hun eigendommen verloren zullen gaan. Reclamanten zullen zich dan ook verzetten tegen de bestemmingsplanwijziging en de daaropvolgende onteigeningsprocedure, totdat in der minne overeenstemming is bereikt over de aankoop van het bedrijf. Uitgangspunt voor reclamanten is dat het bedrijventerrein op een andere plek wordt uitgebreid. Verder willen reclamanten zich met hun zienswijze richten op de volgende punten: a.

Goede ruimtelijke ordening: Ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moeten bestemmingen in het bestemmingplan op basis van een goede ruimtelijke ordening worden aangewezen. Hierbij moet de vraag worden gesteld in hoeverre bestemmingen naast elkaar kunnen bestaan. Een goede belangenafweging van de verschillende met de bestemming gemoeide belangen is noodzakelijk. Volgens reclamanten ontbeert het ontwerpplan een deugdelijke motivering en daarmee ook een goede ruimtelijke ordening. Dit is in strijd met artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van het in artikel 3:2 van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit alle nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, te vergaren. Reclamanten zijn van mening dat in het ontwerpbestemmingplan onvoldoende blijk is gegeven van een deugdelijke belangenafweging. De belangen van reclamanten zijn onvoldoende onderkend en meegewogen in de besluitvorming. b. Strijd met de landschapswaarden: In het voorliggende plan was een gedeelte van de gronden in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 voorzien met een aanduiding "waarde -ontwikkelingszone groen". De gronden op de verbeelding met deze aanduiding waren mede bestemd voor de bescherming en ontwikkeling van potentiele

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

natuur- en landschapswaarden. In het voorliggende plan is op geen enkele wijze inzicht gegeven waarom de uitbreiding van het bedrijventerrein passend is binnen deze bestemming. c.

Afwijkingsbevoegdheid: Reclamanten zijn van mening dat de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.6, in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, aangezien een afwijkingsbevoegdheid niet onbeperkt en ongelimiteerd mag zijn. Voorwaarde voor een duidelijke en toetsbare afwijkingsbevoegdheid is dat er ruimtelijk relevante voorwaarden aan gekoppeld moeten worden. In het plan zijn geen voorwaarden gekoppeld aan de afwijkingsbevoegdheid en dat betekent dat de afwijkingsbevoegdheid in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.

d. Daarnaast zijn reclamanten van mening dat de afwijkingsbevoegdheden binnen de bestemming "Bedrijf' zodanig zwaar zijn dat ten onrechte wordt gekozen voor een afwijkingsbevoegdheid. Het gaat niet om kleine wijzigingen (die normaliter met een afwijking gerealiseerd kunnen worden). Het gaat om forse afwijkingen die geregeld moeten worden via een wijzigingsplan. Op die manier biedt het plan alsnog de mogelijkheid om het bestemmingsplan te wijzigen maar dient uitvoeriger naar de gewenste uitbreidingen te worden gekeken. e. Maximale mogelijkheden: Reclamanten zijn van mening dat in het plan ten onrechte niet is gekeken naar de maximale mogelijkheden van het plan. Aldus gaat het concreet om de beoordeling van het plan inclusief de mogelijkheden tot afwijking. Het plan en de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken zijn niet uitgegaan van deze maximale mogelijkheden waardoor in het kader van de onderzoeken sprake is van een onderschatting. Bij de beoordeling van het plan dienen de maximale mogelijkheden in ogenschouw genomen te worden en dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de omgeving. f.

Gemeentelijk beleid: In de toelichting wordt verwezen naar de Economische Visie Venray 2008-2020. Uit deze visie zou de noodzaak voor de uitbreiding van het bedrijventerrein volgen. Reclamanten volgen die visie niet. Uit de Economische Visie volgt namelijk ook dat eerst beoordeeld moet worden of de bestaande bedrijventerreinen gerevitaliseerd moeten worden. Met het voorliggend plan is sprake van nieuwvestiging van een bedrijventerrein en is niet gekeken naar de revitalisering. Reclamanten komen tot de conclusie dat het plan in strijd is met de vereiste motivering en zorgvuldigheid.

g. Provinciaal beleid: In de toelichting op het bestemmingsplan wordt het provinciaal beleid door de gemeente beschreven. In de toelichting wordt op geen enkele wijze getoetst aan het provinciaal beleid. Sterker nog, het blijft bij een beschrijving maar een conclusie ontbreekt volledig. Dat klemt te meer nu uit de toelichting volgt dat er zelfs sprake is van te veel bedrijventerreinen in Limburg. Het kan immers niet zo zijn dat in de provinciale visie wordt gewezen op een overschot aan bedrijventerreinen in Limburg en dat de gemeente Venray een nieuw bedrijventerrein wil ontwikkelen. Het plan is in zoverre in strijd met de vereiste motivering en zorgvuldigheid.

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

h. Daar komt bij dat uit de visie bedrijventerreinen Noord-Limburg volgt dat de beschikbare oppervlakte in Horst aan de Maas nog meer dan voldoende is om bedrijven te huisvesten op bestaande bedrijventerreinen. Ook hiervoor geldt dat slechts sprake is van een beschrijving zonder dat een inhoudelijke toets is uitgevoerd door het college. Reclamanten zijn van mening dat er geen sprake is van noodzaak omdat uit de visie bedrijventerreinen Limburg volgt dat er op bestaande bedrijventerreinen nog voldoende ruimte beschikbaar is. Er is dan ook geen enkele ruimtelijk relevante reden om de uitbreiding van het bedrijventerrein in Venray mogelijk te maken op de gronden van reclamanten. i.

Ladder duurzame verstedelijking: Reclamanten zijn van mening dat het plan is uitgegaan van een onjuist verzorgingsgebied en dat de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en beschikbaarheid onjuist in beeld zijn gebracht. Volgens reclamanten voldoet het plan niet aan de juiste toepassing van de ladder van duurzame verstedelijking, omdat voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Awb, onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. De uitkomsten van deze beoordeling dienen te worden opgenomen in de toelichting van het plan. 

Verzorgingsgebied: Bij de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan heeft het college Noord-Limburg als verzorgingsgebied gekozen terwijl in de toelichting op het plan is vastgelegd dat het gaat om uitbreidingsruimte van bedrijven uit Venray. Daarmee lijkt de indruk gewekt te worden dat gekeken wordt naar een zeer beperkt verzorgingsgebied. Overigens zijn reclamanten van mening dat met de regio Noord-Limburg (niet gedefinieerd wat er onder valt) nog steeds sprake is van een summier verzorgingsgebied. De bedrijven die mogelijk gemaakt worden in het voorliggende bestemmingsplan zijn dusdanig groot dat zij niet gebonden zijn aan een locatie en overal in Nederland en meer specifiek Limburg kunnen ontwikkelen. In dat verband is het vreemd dat in het STEC rapport niet wordt ingegaan op de notitie Visie bedrijventerreinen Noord-Limburg waar juist te zien is dat in de gemeente Horst aan de Maas sprake is van veel beschikbare kavels. Daarnaast zou ook verder naar het zuiden gekeken moeten worden. Bedrijven met een dergelijke categorie kunnen namelijk overal dichtbij een snelweg zich vestigen. Uit het onderzoek volgt niet dat onderzocht is of deze bedrijven gebonden zijn aan de gemeente Venray.

Kwantitatieve en kwalitatieve behoefte: Reclamanten zijn van mening dat het verzorgingsgebied uit de laddertoets te summier is en daarmee de behoefteonderzoeken direct raakt. Alleen al om die reden dient de conclusie getrokken te worden dat het ladderonderzoek onvoldoende en onvolledig is.

j.

Stikstof: In de plantoelichting wordt terecht gewezen op het feit dat, vanwege de zogenaamde PAS-uitspraak, geen sprake meer kan zijn van emissie op Natura 2000 gebieden. Vast staat echter dat bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein emissie op Natura 2000 gebieden ontstaat. Dat betekent dat een passende beoordeling gemaakt

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

dient te worden. In de passende beoordeling is vastgesteld dat het plan zal leiden tot een vermindering van stikstofemissie. Reclamanten kunnen zich hiermee niet verenigen en zijn van mening dat de uitgangspunten niet juist zijn gehanteerd, omdat ten aanzien van de referentiesituatie door het college wordt gesteld dat er voor die periode onvoldoende gegevens beschikbaar zijn en dat wordt uitgegaan van aannames. Dat is echter tekort door de bocht. Daarnaast wordt de beoogde situatie te rooskleurig ingeschat. Het plan maakt het mogelijk om bedrijven tot en met categorie 4.2 mogelijk te maken. Dat betekent niet alleen veel activiteiten op het perceel, maar betekent ook een grote verkeersaantrekkende werking. Bij de beoordeling van stikstof is onvoldoende rekening gehouden met deze uitbreiding van bedrijfsmogelijkheden, inclusief bijbehorende vervoersbewegingen. k. Alternatieven: Primair stellen reclamanten dat er in het geheel geen behoefte is aan een nieuw bedrijventerrein aangezien bestaande bedrijventerreinen kunnen worden ingevuld voor behoefte. Indien de raad, ondanks de gemotiveerde zienswijzen van reclamanten toch meent dat er sprake is van behoefte, stellen reclamanten dat het plan op deze locatie niet gerealiseerd kan worden. Uit het alternatievenonderzoek volgt namelijk dat locatie 2 een betere uitgangspositie heeft. Alternatieven 2 en 3 zijn nagenoeg gelijkwaardig.

Alternatief 2 scoort alleen op het gebied van verkeer en woon- en leefklimaat een mindere score. Op basis daarvan concludeert het college dat bedrijventerrein De Spurkt gekozen moet worden. Het college mist hierbij echter volledig dat de ontsluiting van het bestaande bedrijventerrein Smakterheide alleen is gericht op de ontsluiting van dat bedrijventerrein en bij de ontsluiting geen rekening gehouden is met de ontsluiting van een nieuw bedrijventerrein. Dat betekent dat er weliswaar een weg ligt maar de ontsluiting van het bedrijventerrein niet op deze manier ontsloten kan worden. Daar komt bij dat het bedrijventerrein bij alternatief 2 juist wel kan voorzien in een zelfstandige op- en afrit richting de A73 zo kan de locatie via de zuid- en noordzijde worden ontsloten. Voor locatie 2 en 3 heeft te gelden dat ze allebei ongeveer 2 kilometer van de A73 zijn gelegen en dat locatie 2 zelfs een zichtlocatie is terwijl locatie 3 geen zichtlocatie is. Ten aanzien van het woon- en leefklimaat stelt het college dat er sprake is van een kortere afstand van het bedrijventerrein op de woonkern bij locatie 3. Reclamanten kunnen die conclusie niet volgen. Weliswaar is er een woonkern op korte afstand van locatie 2 zichtbaar maar bij locatie 3 ligt op ca 300 meter ook een woonbestemming.

In het kader van de goede ruimtelijke ordening maakt het geen verschil of er een of meerdere wooneenheden zijn gelegen. Uiteindelijk dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. l.

Dit onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Voor een standpunt wordt verwezen naar het eindrapport zienswijzen behorende bij het exploitatieplan.

Standpunt gemeente

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

a. Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein, waarbij de huidige functies zullen verdwijnen. Dat verklaart dat de opgenomen bestemmingen niet meer overeen komen met het huidig gebruik c.q. de huidige bestemming. Dat verklaart eveneens dat in de ten behoeve van dit bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken niet het handhaven van de huidige functies binnen het plangebied is betrokken. Om over de gronden te kunnen beschikken wordt met alle betreffende eigenaren overleg gevoerd over een minnelijke verwerving van gronden en opstallen. Indien partijen er niet minnelijk uitkomen zal het onteigeningstraject worden ingezet. Wat betreft de zorgvuldige onderbouwing van het bestemmingsplan wordt – naar aanleiding van de kanttekeningen die reclamant plaatst bij de onderbouwing van het bestemmingsplan – opgemerkt dat verschillende rapporten c.q. onderzoeken aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd waarin de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn beoordeeld. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid dan wel een deugdelijke belangenafweging mist. b. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend.

De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De herziening van het geldende planologische regime is mede ingegeven vanuit de actuele regionale behoefte aan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijventerreinen. Verwezen wordt naar de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken en hetgeen in de plantoelichting daarover wordt opgemerkt. De behoefte aan bedrijventerreinen leidt ertoe dat de geldende bestemming wordt gewijzigd, met als doel om het bedrijventerrein De Spurkt mogelijk te maken. De aanduiding ‘Waarde – ontwikkelingszone groen’ was op een deel van het huidige plangebied opgenomen vanwege de ligging in een beekdal. Er vinden naast het bedrijventerrein nog andere ontwikkelingen plaats in het dal van de Loobeek. Door invulling te geven aan het inrichtingsplan Loobeekdal – deelgebieden Venrays Broek en Spurkt wordt het beekdal Kaderrichtlijn water-waardig ingericht. Hiermee wordt invulling gegeven aan landschappelijke en ecologische waarden die behoren bij een beekdal. Daarnaast maken robuuste groenstructuren onderdeel uit van het plan voor het bedrijventerrein, waarmee ook invulling wordt gegeven aan versterking van de biodiversiteit. c.

De afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.6, is niet onbeperkt en ongelimiteerd, aangezien er voorwaarden zijn opgenomen dat het bedrijf dat wordt toegestaan qua aard en omvang van de milieuhinder gelijk kan worden gesteld met een bedrijf in de genoemde milieucategorie, dat wel of niet is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De in artikel 4.6 van de planregels vastgelegde planregeling komt in de praktijk vaker voor.

d. Een afwijkingsbevoegdheid mag inderdaad niet leiden tot een bestemmingswijziging. Dat is in dit geval ook niet het geval, er is alleen sprake van het afwijken op het gebied van de milieucategorie. Dit is een zeer veel voorkomende en geaccepteerde

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

afwijkingsbevoegdheid in bestemmingsplannen. Voor extra borging zijn er een aantal extra voorwaarden opgenomen zodat een eventuele afwijking van de bestemming geen nadelige gevolgen heeft voor de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem en waterhuishoudkundige alsmede milieuhygiënische waarden. Naar aanleiding van deze zienswijzen zijn de overige afwijkingsbevoegdheden in de andere bestemmingen conform dezelfde strekking aangepast, namelijk artikelen 4.4, 5.4.1, 15.1, 15.2 en 16.1. e. De onderzoeken zijn gebaseerd op de uitgangspunten die voor het plan gelden, vermeld onder 7.4 in de toelichting. Zoals aangegeven in de vorige (sub)antwoorden, mag een afwijkingsbevoegdheid niet onbeperkt en ongelimiteerd zijn. Zo geldt de voorwaarde dat de afwijkingsbevoegdheid geen invloed mag hebben op de landschappelijke en milieukundige waarden. f.

Revitalisering van bestaande terreinen en uitbreiding met een nieuw terrein zijn twee verschillende zaken. Er wordt doorlopend gekeken naar mogelijkheden voor revitalisering. De ruimtevraag is hierbij ook van belang. Niet alle nieuwe/geïnteresseerde bedrijven kunnen in de bestaande voorraad ingepast worden (in dit verband wordt ook verwezen naar de door adviesbureau Stec opgestelde laddertoets). Uitbreidingsruimte is sowieso zeer beperkt momenteel. Hierdoor is het moeilijk om bedrijven te accommoderen die zich graag in Venray willen vestigen. Het gebrek aan uitgeefbaar bedrijventerrein leidt ook tot het vertrek van in Venray gevestigde bedrijven die binnen Venray geen gelegenheid zien om hun wens tot uitbreiding te realiseren. Met het vertrek van deze bedrijven gaat voor Venray flink wat werkgelegenheid verloren. In de Laddertoets (bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan, Stec groep 'LDV De Spurkt' d.d. 28 oktober 2020, met kenmerk 20.176) wordt overigens ook ingegaan op het aanbod van bestaand vastgoed in Venlo/Venray. Uit een rondgang van verschillende vastgoedaanbieders blijkt dat er in heel Noord-Limburg slechts zes (>2 hectare kavel) objecten vergelijkbaar zijn voor de beoogde doelgroep. Dit aanbod laat zich overigens nog niet 1 op 1 vertalen naar mogelijkheden in het bestaand stedelijk gebied. Immers het vastgoed is divers qua omvang en functionaliteit.

Een groot deel van het aanbod wordt aangeboden voor deelverhuur en gezien de ligging, leeftijd en vraaghuurprijs moet worden geconcludeerd dat dit aanbod nauwelijks het stempel courant, modern vastgoed kan dragen. De toelichting zal met bovenstaande worden verduidelijkt.

g. Provinciaal is er weliswaar sprake van een overschot maar specifiek voor Venray geldt dat de restruimte zeer beperkt is. Verwezen wordt naar de bevindingen van adviesbureau Stec, zoals nader toegelicht in de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde laddertoets. Daarnaast wordt voldaan aan het principe van dynamisch voorraadbeheer ruit het POL2014. In relatie tot de POL-uitwerking bedrijventerreinen Noord-Limburg is saldering van de plancapaciteit van belang. Duidelijk moet zijn dat de nieuw te bestemmen hectares bedrijventerrein passen in de daarvoor geldende regionale afspraken inzake dynamisch voorraadbeheer en de POL-uitwerking. Artikel 17

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

van de op 1 februari 2017 door de provincie Limburg en de gemeenten Horst aan deMaas, Venlo en Venray getekende Samenwerkings- en aandeelhoudersovereenkomst (SOK) biedt expliciet ruimte voor de ontwikkeling van 30 hectare bedrijventerrein door het Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo op grondgebied van de gemeente Venray. Venray is ook mede-aandeelhouder in het Ontwikkelbedrijf. Voor 20 van de 30 hectare van De Spurkt is in 2017 al in regionaal verband compensatie overeengekomen. Voor de saldering van de overige 10 hectare van De Spurkt wordt de volgende onderbouwing gegeven: in de POL-uitwerking Visie Bedrijventerreinen Noord Limburg uit 2017 is voor de klavers 1 t/m 8 en 11 van het Klavertje-4 gebied in totaliteit een plancapaciteit opgenomen van bruto 610,00 hectare en netto 459,12 hectare. In het Regionaal Economisch Bedrijventerrein Informatie Systeem (REBIS) van de provincie Limburg staat de actuele situatie met betrekking tot de uitgifte en ontwikkeling van bedrijventerreinen. Voor de eerdergenoemde klavers 1 t/m 8 en 11 is de stand per heden dat het totaal van reeds uitgegeven, terstond uitgeefbaar, opties en op termijn uitgeefbaar bedrijventerrein 449,14 hectare bedraagt.

De aldus beschikbare restruimte van 10 hectare in de plancapaciteit van Greenport Venlo wordt door het Ontwikkelbedrijf ingezet om te voldoen aan de opgave tot saldering van de laatste 10 hectare voor de ontwikkeling van De Spurkt. h. In de regio Venlo wordt gewerkt aan economische ontwikkeling en een complementariteit van vestigingslocaties. Op Greenport Venlo is ruimte voor de heel grote bedrijven van 10 ha. en groter. In Venray was op de bestaande bedrijventerreinen ruimte van enkele duizenden m² tot enkele hectaren. De ruimte op de bestaande bedrijventerreinen is inmiddels nagenoeg volledig vergeven. In Venray geldt in het algemeen, hoe groter de ruimtebehoefte, hoe kleiner het aantal vestigingsmogelijkheden en voor bedrijven met een grote ruimtebehoefte is er zelfs geen ruimte meer beschikbaar. Met de ontwikkeling van de Spurkt wordt in deze behoefte voorzien. Daarbij is een duidelijk voordeel van deze ontwikkeling dat Venrayse bedrijven bij het doormaken van groei langer in deze gemeente gevestigd kunnen blijven. Ten tijde van de vaststelling van de regionale visie bedrijventerreinen NoordLimburg (in 2017) was er regionaal bezien weliswaar nog voldoende ruimte beschikbaar, inmiddels is de economie sterk aangetrokken. Als gevolg van de hoge uitgiftes in 2018 en 2019 is het aanbod sterk afgenomen.

Was er in de in 2018 nog circa 140 hectare kwalitatief geschikt aanbod, dit aanbod is per 1 januari 2020 opgedroogd tot circa 95 hectare. Binnen dit aanbod zijn ook opties en reserveringen zijn planologisch meegerekend, deze zijn planologisch nog beschikbaar en maken momenteel nog onderdeel uit van het aanbod. i.

De Laddertoets gaat uit van dezelfde definitie van de regio ‘Noord-Limburg’ als welke wordt gebruikt in het POL2014. Bovendien is deze regio gelijk aan de COROP regio. De regio Noord-Limburg omvat de 8 gemeenten in het noordelijk deel van de provincie Limburg (grofweg van Beesel tot Mook en Middelaar). In de Laddertoets is op pagina 8 uiteengezet waarom het verzorgingsgebied is afgebakend tot de regio Noord-Limburg.

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

Kort en goed weergegeven is deze keuze gebaseerd op de volgende uitgangspunten. Op de eerste plaats is de bedrijfsruimtemarkt honkvast. Uit onderzoek van het PBL blijkt dat bijna 95% van de bedrijven verhuist binnen de eigen (COROP-)regio. Slechts enkele tientallen bedrijven verhuizen jaarlijks over de regiogrens. Op de tweede plaats blijven ook grote maakbedrijven (het bedrijfstype waar de Spurkt zich hoofdzakelijk op richt) ‘trouw’ aan de vestigingsregio, gelet op de gedane investeringen, netwerk van toeleveranciers en personeel. Op de derde plaats is de regio Noord-Limburg voor logistieke bedrijven (het bedrijfstype waar de Spurkt zich hoofdzakelijk op richt) de meest aantrekkelijk regio is om in te vestigen. In de Laddertoets is tevens een analyse uitgevoerd van het secundaire verzorgingsgebied om aan te geven dat ook buiten de regio Noord-Limburg aanbod is. Dit verzorgingsgebied is echter niet als primaire verzorgingsgebied meegenomen in het onderzoek omdat dit gebied voorziet in een ‘eigen’ behoefte in de regio. In het Ladderonderzoek wordt dit op p. 17 onderbouwd voor de regio ‘Land van Cuijk’. Gelet op de argumenten die zojuist zijn opgesomd is enkel gekeken naar de regio Noord-Limburg. Het betoog van reclamant dat het verzorgingsgebied ten onrechte is afgebakend tot de regio Noord-Limburg treft dan ook geen doel.

Gelet op het uitgebreide ladderrapport van Stec concluderen wij dat er wel degelijk behoefte is aan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. j.

In de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde passende beoordeling is – geheel in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling – uitgegaan van de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan als referentiesituatie. De stikstofdepositie neemt – als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen – niet toe ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is ook onderbouwd en aan de hand van stikstofberekeningen inzichtelijk gemaakt door adviesbureau Econsultancy. In dit verband wordt dan ook verwezen naar de passende beoordeling die aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt. Hierin zijn alle gehanteerde uitgangspunten nader toegelicht (Econsultancy, Passende beoordeling De Spurkt te Venray, Rapport 5584.006, versie D3, d.d. 28-102020). Voor de verkeersaantrekkende werking is aangesloten bij het verkeersonderzoek (Arcadis (2019), De Spurkt Verkeersonderzoek Ontwikkelbedrijf greenport Venlo, referentie 083979333 A, 29 november 2019). Tevens geldt dat bedrijven met een hogere milieucategorie (categorie 4.2) niet persé voor een hogere verkeersaantrekkende werking zullen zorgen. Reclamant heeft niet gespecificeerd op welke punten de stikstofberekeningen dan wel het verkeersonderzoek niet deugt dan wel welke uitgangspunten niet reëel of niet aannemelijk zijn.

k. De onderbouwing van de locatiekeuze voor bedrijventerrein De Spurkt is nader toegelicht in hoofdstuk 3 van de toelichting van het bestemmingsplan. Mede naar aanleiding van het advies van de Commissie m.e.r. en zienswijze van reclamant is een aantal aspecten uitgebreider toegelicht, waaronder verkeer en woon- en leefmilieu. Zoals reclamant aangeeft klopt het dat locatie 2 hemelsbreed dichter bij A73 ligt dan

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

locatie De Spurkt. Bij de beoordeling van alternatieven is echter gekeken naar bestaande weginfrastructuren voor de ontsluiting. Het realiseren van een nieuwe op- en afrit op de A73 is daarbij niet beschouwd. Het realiseren van een nieuwe afslag is daarbij ook een complexe en en kostbare ingreep (voor zover al haalbaar), waardoor het niet meegenomen is in de locatieafweging. Eerder is bijvoorbeeld bij de ontwikkeling van bedrijventerrein de Blakt een nieuwe aansluiting op de A73 door Rijkswaterstaat resoluut afgewezen. De huidige weginfrastructuur bij locatie 2 voorziet, in tegenstelling tot de andere alternatieven, niet in een goede ontsluiting en afwikkeling op de A73. Afwikkeling zou dan plaats moeten vinden via de Stationsweg. De gemeente streeft naar het verkeersluwer maken van de Stationsweg tussen de A73 en de woonbebouwing van Oostrum vanwege de verkeersleefbaarheid en de aanwezige drukke fietsroute tussen de kern Venray en het treinstation. Op deze ontsluitingsweg is het als gevolg van de beperkte ruimte namelijk niet mogelijk dit fietsverkeer adequaat te scheiden van het gemotoriseerde verkeer. Daarnaast loopt deze weg als verbindingsweg door de woonkernen Oostrum en Venray, waarbij het fietsverkeer niet gescheiden is van gemotoriseerd verkeer. Dit maakt Alternatief 2 verkeerskundig gezien minder aantrekkelijk dan de overige locatiealternatieven.

Ten aanzien van woon- en leefmilieu zijn in hoofdstuk 3 van de toelichting verduidelijkende kaarten bijgevoegd om de relatie van bestaand bedrijventerreinen, zoekgebieden en aanwezige woonkernen te weergeven. Hierin is te zien dat Locatie 2 op relatief korte afstand van de kernen Oostrum, Antoniusveld en Landweert ligt. De dichtstbijzijnde woonkern bij locatie 3 is wijk Brabander. Deze ligt circa tweemaal zo ver weg als de woonkernen nabij Locatie 2. Voor alle locatiealternatieven geldt dat er individuele woningen binnen de potentiële invloedsferen van het bedrijventerrein ligt. Het aantal (individuele) woningen dat binnen de potentiële invloedsferen van het bedrijventerrein bij alternatief 3 ligt is echter het kleinst. Gezien de afstand van woonkernen en individuele woningen rondom de alternatieven is de kans op hinder op gevoelige objecten het kleinst is bij alternatief 3. l.

Dit onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Voor een standpunt wordt verwezen naar het eindrapport zienswijzen behorende bij het exploitatieplan.

De zienswijze geeft wel aanleiding tot aanpassing van de regels of verbeelding van het bestemmingsplan. Zienswijze reclamant 12, Coöperatie Mobilisation for the Environment (MOB), Ontvankelijkheid 

Schriftelijke zienswijze ingekomen 5 augustus 2020

De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.

De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

De zienswijze is derhalve ontvankelijk.

Zienswijze De zienswijze van Coöperatie Mobilisation for the Environment (MOB), hierna reclamant, gaat in op de volgende punten: a. Aantastingen kwaliteiten van het Loobeekdal vanuit het POL: het plangebied ligt voor een groot deel in Bronsgroen welke buffert tegen aantasting van Goudgroene natuurzone. De Omgevingsverordening Limburg beschrijft de kwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone. Reclamant geeft vervolgens aan dat in bijlage 10 van bet Ontwerpbestemmingsplan ‘Hoofdstuk 8. Onderzoek milieuaspecten' [Arcadis 2020) wordt beschreven dat de realisatie van bet bedrijventerrein een negatief effect heeft op al deze kernkwaliteiten, behalve op aardkundige waarden en reliëf omdat de percelen ten behoeve van de landbouw al zijn geëgaliseerd. Uit de schetsontwerpen van de voorgenomen plannen is te zien dat er heel weinig groenstructuren overblijven. b. Onjuistheden in stikstofberekeningen in de Passende Beoordeling (bijlage 6): de conclusie van de Passende Beoordeling is dat de aanleg en het gebruik van De Spurkt leidt tot een afname van de stikstofdepositie in 13 Natura 2000-gebieden. De afname ontstaat als gevolg van het stopzetten van agrarische activiteiten, namelijk het beëindigen van een paardenhouderij aan de Spurkt 5c. Reclamant is echter van mening dat deze conclusie is gebaseerd op een aantal onjuistheden, namelijk: 

In de berekeningen zou geen rekening worden gehouden met verschil tussen NOx [stikstofoxiden) en NH3 [ammoniak): door het uit bedrijf nemen van de paardenweides en de paardenstal, zal met name de emissie van NH3 uit meststoffen afnemen. Daarnaast vallen er ook NOx emissies weg door het uit bedrijf nemen van de paardenhouderij. Bij de realisatie van industrieterrein De Spurkt gaat het met name om uitstoot van NOx. NH3 verspreidt zich lang niet zo ver als NOx: het blijft maar een paar uur in de lucht en komt meestal binnen een paar kilometer weer op de grond terecht. In de lucht reageert NOx met andere deeltjes en vormt dan fijnstof Deze deeltjes kunnen honderden kilometers met de wind meewaaien voordat ze ergens neerslaan. Vanwege dit verschillende gedrag en het verschillende effect kun je dus niet zomaar NOx tegen NH3 wegstrepen.

Voor wat betreft de verkeersafwikkeling is in de toelichting van het ontwerpplan, en dan meer specifiek in Hoofdstuk 8, Onderzoek Milieuaspecten De Spurkt onder 8.4.1, opgenomen dat deze voornamelijk plaats zal vinden over de Spurkt en Metaalweg. Daarmee zal de verkeersdrukte in de omgeving van de Natura2000 gebied Boschuizerbergen toenemen. Onder 8.6 van Hoofdstuk 8 van de toelichting is omschreven dat de afrit van de A73 met de Metaalweg overbelast raakt en dat gemonitord zal worden of een verkeersregelinstallatie nodig is. Alternatieve aanvoerroutes, het extra vrachtverkeer op de A73 en de uitstoot van wachtende vrachtwagens op zo'n 400 meter van Natura2000 gebied zouden niet zijn meegenomen in de berekening.

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

Methode SRM2 is volgens commissie Hordijk geen goede methode om de stikstof te berekenen bij verkeersaspecten mede vanwege de afkapgrens van 5 km.

In de Passende Beoordeling wordt als referentiedatum voor de Natura 2000gebieden uitgegaan van het moment van plaatsing op de communautaire lijst [december 2004 voor Habitatrichtlijnen). Volgens het Papenburgarrest - uitspraak van het Europese Hof - geldt echter de beschermingsplicht al vanaf de aanmelding.

Volgens reclamant wordt uitgegaan van een verkeerde hoeveelheid kg stikstof per ton mest, er wordt voor de paardenhouderij aan de Spurkt 5c uitgegaan dat er in een ton mest 4,4 kg stikstof zit; volgens het RVO wordt in paardenmest echter uitgegaan van 4,8 kg stikstof per ton. Tevens wordt geen rekening gehouden met de extensieve begrazing door schapen in de aan te leggen weide met fruitbomen.

Wanneer er voor het realiseren van een nieuwe of bestaande activiteit stikstofemissie nodig is, kan dit niet altijd binnen het project of op de locatie worden opgelost [intern salderen). Er kan dan ook extern gesaldeerd worden: een bedrijf dat [deels) stopt kan stikstofactiviteit overdragen aan een ander. In de Passende Beoordeling wordt gebruik gemaakt van extern salderen. Volgens BIJ12 is extern salderen met agrarische bedrijven nog niet mogelijk en feitelijk nog niet is toegestaan.

Aan de voorkant is nog niet duidelijk welke soorten bedrijven die zich op het bedrijventerrein zullen vestigen. Het is niet uitgesloten dat bepaalde bedrijfstypen met de bedrijfsvoering wel degelijk een emissie zullen hebben van fijnstof en/of stikstofoxiden. Ook is het niet uitgesloten dat het interne verkeer op het bedrijventerrein een emissie zal hebben. In de regels van het ontwerpplan is onder artikel 4.5.2 opgenomen dat gebruik van gronden en bebouwing, inclusief de interne vervoersbewegingen, niet mag leiden tot een toename van de emissie van stikstof. Echter voor fijnstof is echter nergens geborgd dat de emissie niet mag toenemen. Er is daarmee onvoldoende in beeld gebracht wat de effecten zijn op de luchtkwaliteit en er is onvoldoende geborgd dat er geen toename van de emissie van fijnstof zal plaatsvinden. Voor wat betreft geur is in het ontwerpplan nergens een bepaling opgenomen die de vestiging van een bedrijf met een emissie van geur uitsluit. Dit heeft mogelijk aanzienlijke gevolgen op de geurbelasting in de omgeving. Dit is niet meegenomen in de afweging van alternatieven noch is geborgd dat de situatie aan de noordoostzijde van het plangebied niet verslechterd.

c.

Cumulatieve geluidsbronnen zorgen voor een verslechtering van de woon-en leefomgeving/ stiltegebied: Er is niet inzichtelijk gemaakt wat het effect is van de cumulatieve geluidsbronnen. Ook worden de sterke aanbevelingen van het WHO uit 2018 t.a.v. verkeersgeluid niet opgevolgd, nu het huidige geluidsniveau al boven deze adviesnorm uit komt en door deze uitbreiding verslechtert. Reclamant geeft hierbij aan dat de verharding van 42 ha [netto 30 ha) van industrieterrein De Spurkt en de aangrenzende plannen voor industriële zonneparken [50 ha) leiden tot minder fijnstofopname voor de aangrenzende leefomgeving en natuur. In het kader van het

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

robuust maken van het aangrenzende Natura2000 gebied Boschuizerbergen en de Overloonse Duinen en het tegengaan van de opwarming van de aarde zou het beter zijn deze oppervlakte van 92 ha aan te planten met bomen uit het Limburgse bomenplan in plaats van verstening en verglazing van dit grote oppervlak grenzend aan het Loobeekdal. d. (Zeer) ernstige aantasting/verlies leefgebieden van zwaar beschermde soorten: In de bijlage Onderzoek milieuaspecten staat dat voor enkele soorten de benodigde maatregelen omschreven dienen te worden in een activiteitenplan ten behoeve van een ontheffingsaanvraag op de Wet natuurbescherming en dat dit activiteitenplan is bijgevoegd bij de ontheffingsaanvraag in bet kader van bet onderdeel soortbescherming van de Wet natuurbescherming. Dit activiteitenplan zit echter niet bij de bijlagen van bet ontwerpbestemmingsplan. Als conclusie wordt in de bijlage Onderzoek milieuaspecten in ieder geval gesteld dat er sprake is van [zeer] ernstige aantasting of verlies van leefgebieden van zwaar beschermde [Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn] soorten. Dit is onacceptabel. e.

Bodemgesteldheid en het onderzoek daarvan onvoldoende geborgd: Voor wat betreft bodem is in de toelichting van het ontwerpplan, en dan meer specifiek in Hoofdstuk 8, Onderzoek Milieuaspecten De Spurkt onder 2.7, opgenomen dat in het kader van een goede fysieke leefomgeving bij een planologische functiewijziging onderzocht dient te worden of de milieu-hygiënische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Verder wordt daarin gesteld dat op grond van het ontwerpplan een meldingsplicht geldt bij nieuwvestiging van bedrijvigheid, waarbij aangetoond dient te worden dat voldaan wordt aan de in de regels gestelde randvoorwaarden voor de milieu-omgevingskwaliteit. Echter is in de regels behorende bij het plan nergens een meldingsplicht opgenomen bij nieuwvestiging van een bedrijf en/of uitbreiding van de bestaande bedrijvigheid. Er zijn daarmee geen aanvullende regels van toepassing met betrekking tot de bodemkwaliteit, waarmee de bodemgesteldheid en het onderzoeken daarvan onvoldoende geborgd is in het ontwerpplan. f.

Verplichting waterbuffering niet in de regels geborgd: Voor wat betreft water is in de toelichting van het ontwerpplan, en dan meer specifiek in Hoofdstuk 8, Onderzoek Milieuaspecten De Spurkt onder 3.8, opgenomen dat in het ontwerpplan een verplichting voor bedrijven is opgenomen om een waterbuffering van 100 mm, zijnde 1000 m³ per hectare, op het eigen terrein te realiseren. Deze verplichting is echter niet in de regels geborgd. In de regels is, onder artikel 12.4.1, wel een verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te infiltreren, maar hierbij is de buffer van 100 mm nergens geborgd. Daarmee is in het ontwerpplan onvoldoende geborgd dat bij een vestiging van een bedrijf voldoende waterberging wordt gerealiseerd.

g. Biodiversiteit gaat achteruit: Wij vinden het een goede zaak dat de verplichting geldt voor de te vestigen bedrijven dat de daken geschikt zijn voor de installatie van zonnepanelen, maar het is een gemiste kans dat de gemeente niet als voorwaarde stelt dat deze zonnepanelen op daken en gevels ook daadwerkelijk direct bij de bouw worden

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

aangebracht. Dit kan via een maatwerkvoorschrift als verplichting worden opgelegd. Een ander aspect van duurzaamheid is de bevordering van de biodiversiteit. De initiatiefnemer wil aan de oostzijde van het plangebied een natuurzone van 3,4 ha inrichten voor de doelsoorten boerenzwaluw, huismus, steenuil, vleermuizen en das. Door de inrichting van de natuurzone tot extensief begraasde weide met fruitbomen wordt gesteld dat het in de toekomstige situatie mogelijk een geschikt leefgebied vormt voor de desbetreffende soorten. Voor het mitigeren van het verlies van nestlocaties en verblijfplaatsen, zal een opstal gebouwd worden waar de doelsoorten gebruik van kunnen maken. Het is hierbij de intentie om de biodiversiteit in ieder geval in stand te houden en mogelijk zelfs te bevorderen. Het is voor reclamant duidelijk dat de biodiversiteit hier achteruit gaat; een extensief begraasde weide met fruitbomen vormt geen leefgebied voor alle hierboven genoemde en daarbij duurt het ook even voordat fruitbomen vrucht dragen. Bovendien is hiermee de compensatie voor verloren gegaan leefgebied veel te klein. h. Cumulatief effect van meerdere ontwikkelingen op het kernleefgebied van de das in het Loobeekdal: Het plangebied is voornamelijk in gebruik als grasland en bouwland. In een driehoekig stuk bos aan de oostzijde van het plangebied bevindt zich een dassenburcht.

De dassen van deze burcht foerageren in het plangebied. In het kennisdocument Das wordt aangegeven dat verlies aan secundair foerageergebied voor 50% moet worden gecompenseerd met primair foerageergebied en dat verlies aan primair foerageergebied voor 120% moet worden gecompenseerd met primair foerageergebied. Het is onduidelijk hoe deze compensatie gaat plaatsvinden. Daarnaast komt de gunstige staat van instandhouding van de dassenpopulatie in dassenkernleefgebied Loobeekdal in gevaar, vanwege het cumulatief effect van meerdere voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in de regio. Overigens geldt dit niet alleen voor de das, maar ook voor andere soorten, zoals de ree en de vos. In het ontwerpbestemmingsplan wordt nu steeds geschreven voor diverse soorten dat er nog voldoende foerageergebied/leefgebied overblijf in de nabijheid van het plangebied, maar om daar een juiste uitspraak over te kunnen doen, moeten andere ruimtelijke ontwikkelingen wel worden meegenomen. Voor zover ons nu bekend gaat het om nieuwbouwwijk De Buitenkamers, nieuwbouwwijk St. Annapark, met 2 meter hoog hekwerk omheinde zonneparken, waaronder zonnepark Smakt van Kronos Solar ten oosten van de A73, zonnepark Venrays Broek en een zonnepark van TE ten oosten van de A73, grenzend aan het plangebied van De Spurkt. i.

Wet BIBOB inzake grondtransacties: Naast vergunningen vallen ook privaatrechtelijke vastgoedtransacties met de overheid onder de werking van de Wet Bibob. In het kader van Wet Bibob dient een gemeente bij grondtransacties gevaarsbeoordeling en diepgaande screening te verrichten. Volgens het exploitatieplan zijn de financiële belangen voor de grondeigenaar vanwege de drie [samenhangende] grondtransacties groot. De vraag rijst in hoeverre er samenhang is in de drie grondtransacties van deze eigenaar met de gemeente. Met andere woorden, hangt de verkrijging van het

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

eigendom van de gronden ten behoeve van het industrieterrein af van het verkrijgen van de vergunning voor de zonneparken? Is er een diepgaande screening in het kader van Wet Bibob verricht en zo ja, hoe is de gemeente tot het oordeel gekomen dat de grondtransactie geen "gevaar" voor de gemeente Venray oplevert? Hoe diepgaand is deze screening geweest, gezien de hoogte van het bedrag aan gemeenschapsgeld? j.

Er is geen rekening gehouden met de gevolgen van verwachte crisis als gevolg van corona: Vanwege de corona-pandemie verwacht men een zware economische crisis. Gezien de verwachte recessie lijkt het ons goed om te laten berekenen of de realisatie van een nieuw bedrijventerrein economisch wel haalbaar is.

Standpunt gemeente a. Het plangebied valt inderdaad grotendeels binnen de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (het POL2014) onder de beschermingszone Bronsgroene landschapszone (zie ook paragraaf 6.2 van de plantoelichting). Artikel 2.7.2 lid 1 van het POL schrijft voor dat in de plantoelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in de Bronsgroene landschapszone een beschrijving bevat van de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten, de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan en hoe (bij een niet te vermijden aantasting) de negatieve effecten zijn gecompenseerd. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn, kort samengevat, het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf (artikel 2.7.2 lid 2 van het POL). In het bestemmingsplan is rekening gehouden met de kenmerken en de omgevingswaarden van het gebied. Vanuit de kenmerken en omgevingswaarden in het gebied zijn onder andere de volgende uitgangspunten gehanteerd (zie o.a. paragraaf 5.1 van de plantoelichting): het bedrijventerrein moet zorgvuldig in de bronsgroene landschapszone worden ingepast. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het groene karakter, het visueel ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf (aardkundige waarden).

Het terrein wordt aan de hand van deze uitgangspunten zorgvuldig ingepast. De Bronsgroene landschapszone omvat beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden. De kernkwaliteiten van de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Voor de Bronsgroene landschapszone is behoud, beheer, ontwikkeling en beleving van de landschappelijke kernkwaliteiten in samenhang met versterking van natuurkwaliteiten het hoofddoel. In het MER zijn de gevolgen voor de Bronsgroene landschapszone onderzocht. Het bedrijventerrein heeft effect op het groene karakter en het visueel-ruimtelijke karakter. Om dit effect te verminderen worden bij de inrichting van het bedrijventerrein de huidige landschappelijke dragers (bestaande bomenrijen) zoveel mogelijk gerespecteerd en gebruikt voor de compartimentering van het nieuwe bedrijventerrein. Het bestaande groen wordt daarnaast versterkt met gebiedseigen beplanting en het plan voorziet in een groene inpassing van de bedrijfspercelen aan alle zijden. De

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

belangrijkste structuren langs de weg De Spurkt en de kavelgrenzen wordt zoveel mogelijk behouden en waar mogelijk versterkt. b. Reclamant geeft aan dat er een aantal onjuistheden zitten in de stikstofberekeningen, namelijk: 

Er wordt geen rekening gehouden met verschil in NOx en NH3. AERIUS houdt rekening met de verschillen tussen beide stoffen. Derhalve dienen ook voor beide stoffen invoergegevens te worden aangeleverd. De indieners stellen dat NOx tegen NH3 wordt weggestreept. Dit is niet hoe de AERIUS rekentool werkt. Verder is recent nog bevestigd door de minister dat AERIUS momenteel het best beschikbare instrument is voor het doorrekenen van projecten op hun effecten op stikstofdepositie. Dit wordt in de jurisprudentie ook onderkend.

Het niet meerekenen van het extra (vracht)verkeer op de A73 en de andere aanvoerroutes Het verkeer dient te worden meegenomen totdat het opgenomen is in het heersende verkeersbeeld. In de Passende Beoordeling (Econsultancy, Passende beoordeling De Spurkt te Venray, Rapport 5584.006, versie D3, d.d. 28-102020) is een argumentatie opgenomen waarmee de ontsluiting van het verkeer wordt verklaard. Daarnaast is het verkeer ingevoerd als ‘binnen bebouwde kom’. Hierbij wordt reeds rekening gehouden met een aantal stopbewegingen t.b.v. stoplichten en kruispunten welke stilstaand verkeer zouden kunnen veroorzaken.

De stikstofberekening is gemaakt met AERIUS-SRM2 Naar aanleiding van het advies van de Commissie Hordijk heeft de minister recent (meer specifiek: bij kamerbrief van 13 oktober 2020, kenmerk BPZ/20257109) de Eerste Kamer medegedeeld dat er goede argumenten zijn voor het voortzetten van de huidige systematiek (namelijk rekenen met SRM2). AERIUS rekent voor het wegverkeer met SRM2 omdat deze rekenmethode het beste geschikt is voor berekeningen van wegverkeer. Het gaat hierbij niet alleen om wegenprojecten, maar ook om berekening van uitstoot van wegverkeer in plannen en projecten in het kader van industrie, woningbouw en landbouw, aldus de minister. De minister wijst er verder op dat de modellering in SRM2 specifiek voor wegverkeer is ontwikkeld en daarmee ook rekening houdt met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. Andere rekenmethoden (zoals OPS) houden met die specifieke kenmerken geen rekening en is niet toegespitst op het wegverkeer, maar is ontwikkeld voor stilstaande bronnen met een verticale uitstoot zoals schoorstenen. Wat betreft de afkapgrens van 5 kilometer, wordt opgemerkt dat dit nu eenmaal een systeemkeuze is in AERIUS. Hierover merkt de minister in eerder genoemde kamerbrief van 13 oktober op dat de keuze voor de grens van 5 kilometer is

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

gelegen in de omstandigheid dat – citaat – “de berekende bijdragen van extra verkeer door een individueel project op enkele kilometers van de weg niet meer betekenisvol te herleiden zijn tot dit project”. Dit inzicht is, zo merkt de minister op, gebaseerd op de kennis en inzichten die ten grondslag liggen aan de huidige modellering

van

depositiebijdragen

door

wegverkeer.

Verder

wordt

nog

opgemerkt dat bijdragen op meer dan 5 kilometer jaarlijks gemonitord worden door het Rijk. Verder wordt ook nog gewezen op de inhoud van de brief aan de Tweede Kamer (eveneens van 13 oktober 2020, kenmerk DGS/20221912). Tot slot wordt opgemerkt dat het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied op minder dan 1 kilometer van het plangebied is gelegen. Hierdoor zullen de resultaten op het desbetreffende gebied niet veranderen. 

Verkeerde referentiedata In de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde passende beoordeling is – geheel in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling – uitgegaan van de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie als referentiesituatie. De door reclamant aangehaalde referentiedata gelden voor het projectspoor en niet voor het bestemmingsplanspoor.

Verkeerde hoeveelheid kg stikstof per ton mest De hoeveelheden stikstof per ton mest kunnen verschillen per locatie, voeding, etc. Er zijn daarnaast verschillende manieren om de hoeveelheid vrijgekomen stikstof te berekenen. Bovendien zullen de emissies tijdens de referentiefase toenemen wanneer uitgegaan wordt van 4,8 kg per ton in plaats van 4,4 kg. De conclusie van het onderzoek zal hiermee niet veranderen. Verder wordt opgemerkt dat er geen uitgekristalliseerde methodiek is voor het bepalen van de emissies van landbouwgrond. AERIUS geeft hiervoor ook geen richtlijnen. Er zijn vele variabelen (grondsoort, gewas, bemestingstechniek, regio) met allen relevante gevolgen voor de ammoniakemissie per perceel. Door gebruik te maken van kengetallen wordt uitgegaan van representatieve emissies.

Extern salderen met agrarische bedrijven mag nog niet Er vindt geen externe saldering plaats. In de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde passende beoordeling is de stikstoftoename als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen afgezet tegen de referentiesituatie (dat is de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie). Uit de passende beoordeling blijkt – gelet op de stikstofberekeningen – de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie. Ten overvloede wordt nog opgemerkt dat het verdwijnen van de bestaande activiteiten (stallen, bemesting, bewoning, etc.) een rechtstreeks en onlosmakelijk gevolg is van de komst van het bestemmingsplan (zie ook AbRS 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:784). Om die reden mag de beëindiging van de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie betrokken worden in de passende beoordeling.

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

Toename fijnstof en normstelling geur Het aspect fijnstof is beoordeeld door adviesbureau Arcadis (zie hoofdstuk 8 ‘Onderzoek milieuaspecten’). Arcadis concludeert – kort samengevat – dat de normen van het Besluit Niet in Betekenende Mate niet worden overschreden. Arcadis heeft bij het beoordelen van de luchtkwaliteit ook rekening gehouden met door reclamant genoemde interne vervoersbewegingen. Voor zover reclamant stelt dat nergens in het bestemmingsplan een normstelling voor geur is opgenomen, wordt opgemerkt dat inmiddels in artikel 13.3 van de planregels een normstelling voor geur is opgenomen.

c.

In tegenstelling tot wat reclamant aangeeft is er door de gemeente nog geen formeel besluit genomen tot het realiseren van een zonnepark in de omgeving van het bedrijventerrein. Reclamant stelt dat er niet inzichtelijk is gemaakt wat het effect is van de cumulatieve geluidsbronnen. In het MER wordt uitgebreid ingegaan op geluid en de cumulatie van verschillende geluidsbronnen. In dit geluidsonderzoek is ook de autosnelweg A73 meegenomen, waarvan moet worden gezegd dat het een dominante bron is in het plangebied. Het aangepaste geluidsonderzoek (incl. de invloed van de A73) is opgenomen in bijlage 10 ‘Hoofdstuk 8 Milieuaspecten' onder paragraaf 10.3.2 en 10.4.2.Voor wat betreft de gecumuleerde geluidsbelasting blijft deze gelijk aan de hoogst berekende afzonderlijke geluidsbelasting. Er treedt vanwege onderliggend plan geen verschil op.

d. Voor de beschermde soorten binnen het plangebied zijn maatregelen vastgelegd in het activiteitenplan ten behoeve van de ontheffingsaanvraag (5584.008, d.d. 28 november 2019). Dit activiteitenplan maakt onderdeel uit van de ontheffingsaanvraag en het is niet noodzakelijk dit plan als bijlage bij de toelichting op te nemen. Op 21 juli 2020 heeft de provincie Limburg de ontheffing verleend en de beoogde maatregelen als voldoende beoordeeld om negatieve effecten te voorkomen (2019-208082, d.d. 21 juli 2020). In het activiteitenplan zijn tevens voorwaarden gesteld aan de groeninrichting en het beheer. e. Het bestemmingsplan maakt nieuwvestiging van (en/of uitbreiding van bestaande) bedrijvigheid mogelijk in het plangebied. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om grond-, baggerspecie of bouwstoffen toe te passen voor de realisatie van deze bedrijvigheid. Zoals vastgesteld in het Besluit bodemkwaliteit dient in dat geval een melding gemaakt te worden via het Meldpunt bodemkwaliteit. Het Meldpunt bodemkwaliteit stuurt meldingen door naar het bevoegd gezag. Deze verduidelijking zal verwerkt worden in Hoofdstuk 8, Onderzoek Milieuaspecten De Spurkt onder 2.7. f.

De bergingscapaciteit welke genoemd wordt in de toelichting is inderdaad niet opgenomen in de regels. In de regels (artikel 12.4.1) is de volgende bepaling opgenomen: ‘Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater.’ Hier is niet expliciet vermeld dat het de infiltratie betreft van al het hemelwater, hetgeen wel de bedoeling is. Om duidelijkheid te verschaffen zal het artikel hierop worden aangepast, met de toevoeging dat het al het hemelwater betreft. Hiermee wordt de regel in ieder geval in overeenstemming gebracht met hetgeen het doel van de zienswijze van reclamant is. g. Vooraf wordt opgemerkt dat er uitvoerig onderzoek heeft plaatsgevonden naar de aanwezigheid van flora en fauna en op welke manier ze het gebied gebruiken. Aan de hand daarvan is de compensatie berekend. De maatregelen zijn vastgelegd in het bij de ontheffing behorende activiteitenplan. Op basis hiervan heeft de provincie als bevoegd gezag ontheffing verleend voor het aantasten van het leefgebied (5584.008, d.d. 28 november 2019). Het is vaste jurisprudentie van de Raad van State dat de vraag of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wet natuurbescherming nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, pas aan de orde komt in de uitvoeringsfase van het bestemmingsplan (AbRS 25 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2003, r.o. 25.1 e.v.).

Immers, de Wet natuurbescherming kent een eigen juridisch regime waaraan concrete bouwplannen en gebruiksveranderingen aan moeten voldoen. Inmiddels is er – zoals hierboven is opgemerkt – een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming verleend. Daarmee staat vast dat de Wet natuurbescherming (en het daarin vastgelegde soortenbeschermingsregime) niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de wet staat (AbRS 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2081, r.o. 20.5). Ook anderszins is niet gebleken – gelet op de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde ecologische rapporten – dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen niet uitvoerbaar zijn. h. De ecologische onderzoeken zijn uitgevoerd voor dit specifieke plan. Indien er andere plannen in de omgeving zijn dienen de initiatiefnemers van deze plannen ook de Wet natuurbescherming in acht te nemen en indien effecten op beschermde soorten te verwachten zijn de bijbehorende maatregelen te treffen. Ten tijde van de ecologische onderzoeken zijn geen andere concrete plannen in de directe omgeving bekend. Eveneens zijn er geen formele besluiten genomen door de gemeente voor het vestigen van een zonnepark in de nabijheid van het bedrijventerrein.

Voor dit specifieke plan is op 21 juli 2020 door de provincie Limburg de ontheffing verleend en de beoogde maatregelen als voldoende beoordeeld om negatieve effecten te voorkomen (2019208082, d.d. 21 juli 2020). i.

Wat betreft het bestemmingsplan wordt nog opgemerkt dat het bestemmingsplan algemeen verbindende voorschriften bevat die voor een ieder gelden. Het Bibobinstrumentarium ziet niet op bestemmingsplannen. In het kader van concrete bouwplannen kan – als daartoe aanleiding bestaat – een Bibob-toets worden uitgevoerd.

Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen

j.

Op dit moment is er nog te veel onzekerheid over de vraag of en zo ja, tot welke structurele effecten de coronacrisis leidt. Uit rechtspraak vloeit voort dat gevolgen van een crisis pas kunnen en hoeven te worden meegenomen in een behoefte onderzoek als de mogelijk structurele gevolgen voldoende duidelijk zijn (zie bijvoorbeeld AbRS 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1666).Gelet op het gegeven dat de planperiode zich uitstrekt over een zeer lange periode (ten minste 10 jaar) doen de mogelijke gevolgen van de coronacrisis niets af aan de conclusie uit het behoefteonderzoek uitgevoerd door Stec groep 'LDV De Spurkt' d.d. 28 oktober 2020, met kenmerk 20.176. Momenteel is – zo heeft adviesbureau Stec in haar laddertoets vastgesteld – er nog te veel onzekerheid over de diepte van de crisis en de gevolgen op de langere termijn. Mogelijk zal de impact van de coronacrisis de uitgifte de komende jaren enigszins drukken. Echter prognoses kijken over conjunctuurgolven heen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9370710/1