4. Eindrapport zienswijzen bp mer Spurkt
Tekst van het document
onderzocht en onderbouwd in de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde (geactualiseerde) ladderrapport dat is opgesteld door adviesbureau Stec. Samenvattend concludeert Stec dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijventerrein voorziet in een aanwezige vraag die niet elders in de (markt)regio kan worden opgevangen. Daarbij is het bestaande aanbod veelal niet geschikt voor de combinatie van middelgrote en grootschalige bedrijvigheid waarop de gemeente Venray inzet met voorliggende ontwikkeling. De gemeente Venray zal door de ontwikkeling van nieuw werklandschap aantrekkelijk zijn voor zowel middelgrote als grote bedrijven. Wij wegen hierbij mee dat – zowel uit de laddertoets als het MER – niet blijk van alternatieve locaties waarop de gewenste ontwikkeling akn worden gerealiseerd. Wij betrekken in de belangenafweging tevens het gegeven dat de grondeigenaar schadeloos zal worden gesteld. Met alle betreffende eigenaren – wiens gronden verworven moeten woorden voor de realisatie van het bedrijventerrein – wordt overleg gevoerd over een minnelijke verwerving van gronden en opstallen. Indien partijen er niet minnelijk uitkomen zal het onteigeningstraject worden ingezet, waarbij de eigenaar van de betrokken gronden en opstallen schadeloos wordt gesteld. b.
Ten aanzien van het meewegen van de belangen van reclamant wordt verwezen naar het standpunt geformuleerd onder a van deze zienswijze. Vervolgens klopt het dat de berekeningen van mestaanwending zijn gebaseerd op kengetallen. De emissies zijn gebaseerd op de gemiddelde vermestende depositie in Nederland. De getallen zijn verkregen uit het Compendium voor de Leefomgeving welke in beheer is door de Rijksoverheid. (CBS, PBL, RIVM, WUR (2019). Vermestende depositie, 1990-2017 (indicator 0189, versie 17, 4 juni 2019, www.clo.nl). c.
Er wordt hier verwezen naar het standpunt zoals geformuleerd onder 6a.
d. Er wordt hier verwezen naar het standpunt zoals geformuleerd onder 6a en b. e. Dit onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Voor een standpunt wordt verwezen naar het eindrapport zienswijzen behorende bij het exploitatieplan. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de regels of verbeelding van het bestemmingsplan. Zienswijze reclamant 7 Ontvankelijkheid
Schriftelijke zienswijze ingekomen 4 augustus 2020
De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.
De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.
De zienswijze is derhalve ontvankelijk.
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
Reclamant heeft zowel tegen het ontwerp bestemmingsplan als tegen het ontwerp exploitatieplan een zienswijze ingediend. In dit eindrapport wordt alleen ingegaan op de zienswijzen gericht tegen het ontwerp bestemmingsplan. De beantwoording van de zienswijzen tegen het ontwerp exploitatieplan zal plaatsvinden in het bij die procedure behorende eindrapport zienswijzen. Zienswijze Reclamant is eigenaar van meerdere percelen welke zijn gelegen binnen het plangebied van het ontwerp bestemmingsplan De Spurkt. Tevens woont reclamant in het plangebied en is er sprake van een bedrijfslocatie en landbouwgronden waar tevens agrarisch (aanverwante) bedrijvigheid plaatsvindt. De zienswijze gaat in op de volgende onderdelen: a. De eigendommen van reclamant hebben ingevolge het vigerende bestemmingplan Buitengebied Venray 2010, deels de bestemming Bedrijf met bouwvlak en bedrijfswoning, alsmede deels bestemd als Agrarisch danwel Agrarisch met waarden. Reclamant gebruikt de eigendommen conform de vigerende bestemmingen. In het thans voorliggende ontwerp bestemmingsplan wordt het eigendom van reclamant bestemd als Bedrijf en Groen. De gevolgen van deze voorgenomen wijziging zijn groot voor reclamant. Er is namelijk geen garantie meer dat het reeds jarenlange gebruik in de toekomst kan worden voortgezet. Daarnaast kan er geen goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.
In de milieuonderzoeken behorende bij het ontwerp bestemmingsplan is niet onderzocht welke belasting de voorgestane ontwikkelingen opleveren op zijn woning. Er wordt enkel gesteld dat de locatie van reclamant een te amoveren locatie betreft. Er is echter nog geen sprake van overeenstemming tot verkoop van de eigendom. b. In het milieueffectrapport, alsook de passende beoordeling, wordt eveneens uitgegaan van stopzetting van agrarische activiteiten van reclamant in het plangebied. Los van deze aanname, heeft reclamant twijfels of de conclusie, dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden voor de aanlegfase en gebruiksfase kleiner is dan de referentiesituatie, klopt. Daarbij worden vraagtekens gezet bij de gehanteerde uitgangspunten wat betreft stikstofemissies behorende bij het huidige gebruik. De belangen van reclamant zijn geheel niet meegewogen in de planvorming. Derhalve is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming en planvorming, hetgeen als conclusie heeft dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. c.
Reclamant verzoekt dan ook om het bestemmingsplan niet eerder vast te stellen dan het moment waarop voornoemde aspecten deugdelijk zijn onderzocht. Ook wenst reclamant voor vaststelling tot overeenstemming te komen ten aanzien van een volledige compensatie/schadeloosstelling welke recht doet aan deze specifieke situatie.
d. Reclamant dient bij deze eveneens een zelfstandige zienswijze in tegen het milieueffectrapport. Wederom benadrukt hij dat de milieueffecten voor wat betreft zijn
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
locatie en eigendommen niet zorgvuldig in beeld zijn gebracht, onder meer de effecten op het gebied van geluid, geur, luchtkwaliteit, trilling, water, enz. Reclamant herhaald hier de zienswijze welke onder b. van deze opsomming uiteen is gezet. e. Het volgende onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Standpunt gemeente a. In het algemeen geldt dat een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Uiteraard dient bij het vaststellen van andere bestemmingen en regels voor gronden de gemeenteraad oog te hebben voor de verschillende belangen, waaronder de belangen van de grondeigenaar. In dit geval moet de wens om de met het bestemmingsplan beoogde ontwikkelingen (waaronder de realisatie van het bedrijventerrein De Spurkt) zwaarder wegen dan het belang van reclamant die belang heeft bij een ongewijzigde voortzetting van de planologische mogelijkheden op zijn perceel. Zoals uit de plantoelichting blijkt, bestaat er een aantoonbare behoefte aan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijventerrein.
Dit is ook verder onderzocht en onderbouwd in de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde (geactualiseerde) ladderrapport dat is opgesteld door adviesbureau Stec. Samenvattend concludeert Stec dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijventerrein voorziet in een aanwezige vraag die niet elders in de (markt)regio kan worden opgevangen. Daarbij is het bestaande aanbod veelal niet geschikt voor de combinatie van middelgrote en grootschalige bedrijvigheid waarop de gemeente Venray inzet met voorliggende ontwikkeling. De gemeente Venray zal door de ontwikkeling van nieuw werklandschap aantrekkelijk zijn voor zowel middelgrote als grote bedrijven. Wij wegen hierbij mee dat – zowel uit de laddertoets als het MER – niet blijk van alternatieve locaties waarop de gewenste ontwikkeling akn worden gerealiseerd. Wij betrekken in de belangenafweging tevens het gegeven dat de grondeigenaar schadeloos zal worden gesteld. Met alle betreffende eigenaren – wiens gronden verworven moeten woorden voor de realisatie van het bedrijventerrein – wordt overleg gevoerd over een minnelijke verwerving van gronden en opstallen. Indien partijen er niet minnelijk uitkomen zal het onteigeningstraject worden ingezet, waarbij de eigenaar van de betrokken gronden en opstallen schadeloos wordt gesteld. b.
Ten aanzien van het meewegen van de belangen van reclamant wordt verwezen naar het standpunt geformuleerd onder a van deze zienswijze. Vervolgens klopt het dat de berekeningen van mestaanwending zijn gebaseerd op kengetallen. De emissies zijn gebaseerd op de gemiddelde vermestende depositie in Nederland. De getallen zijn verkregen uit het Compendium voor de Leefomgeving welke in beheer is door de Rijksoverheid. (CBS, PBL, RIVM, WUR (2019). Vermestende depositie, 1990-2017 (indicator 0189, versie 17, 4 juni 2019, www.clo.nl).
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
c.
Er wordt hier verwezen naar het standpunt zoals geformuleerd onder 7a.
d. Er wordt hier verwezen naar het standpunt zoals geformuleerd onder 7a en b. e. Dit onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Voor een standpunt wordt verwezen naar het eindrapport zienswijzen behorende bij het exploitatieplan. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de regels of verbeelding van het bestemmingsplan. Zienswijze reclamant 8 Ontvankelijkheid
Schriftelijke zienswijze ingekomen 4 augustus 2020
De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.
De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.
De zienswijze is derhalve ontvankelijk.
Reclamant heeft zowel tegen het ontwerp bestemmingsplan als tegen het ontwerp exploitatieplan een zienswijze ingediend. In dit eindrapport wordt alleen ingegaan op de zienswijzen gericht tegen het ontwerp bestemmingsplan. De beantwoording van de zienswijzen tegen het ontwerp exploitatieplan zal plaatsvinden in het bij die procedure behorende eindrapport zienswijzen. Zienswijze Reclamant is eigenaar van een perceel welke ligt binnen het plangebied van het ontwerp bestemmingsplan De Spurkt. Dit perceel wordt gebruikt ten behoeve van melkveehouderij Maatschap van Duuren-Bastiaansen. De zienswijze gaat in op de volgende onderdelen: a. Het eigendom van reclamant heeft ingevolge het vigerende bestemmingplan Buitengebied Venray 2010, de bestemming Agrarisch. Reclamant gebruikt zijn eigendom conform de vigerende bestemming. In het thans voorliggende ontwerp bestemmingsplan wordt het eigendom van reclamant bestemd als Bedrijf en Groen. De gevolgen van deze voorgenomen wijziging zijn groot voor reclamant. Er is namelijk geen garantie meer dat het reeds jarenlange gebruik in de toekomst kan worden voortgezet. Er is echter nog geen sprake van overeenstemming tot verkoop van de eigendom. b. In het milieueffectrapport, alsook de passende beoordeling, wordt eveneens uitgegaan van stopzetting van agrarische activiteiten van reclamant in het plangebied.
Los van deze aanname, heeft reclamant twijfels of de conclusie, dat het projecteffect op de Natura 2000-gebieden voor de aanlegfase en gebruiksfase kleiner is dan de
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
referentiesituatie, klopt. Daarbij worden vraagtekens gezet bij de gehanteerde uitgangspunten wat betreft stikstofemissies behorende bij het huidige gebruik. De belangen van reclamant zijn geheel niet meegewogen in de planvorming. Derhalve is er sprake van een onzorgvuldige voorbereiding van de besluitvorming en planvorming, hetgeen als conclusie heeft dat er geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. c.
Reclamant verzoekt dan ook om het bestemmingsplan niet eerder vast te stellen dan het moment waarop voornoemde aspecten deugdelijk zijn onderzocht. Ook wenst reclamant voor vaststelling tot overeenstemming te komen ten aanzien van een volledige compensatie/schadeloosstelling welke recht doet aan deze specifieke situatie.
d. Reclamant dient bij deze eveneens een zelfstandige zienswijze in tegen het milieueffectrapport. Wederom benadrukt hij dat de milieueffecten voor wat betreft zijn locatie en eigendommen niet zorgvuldig in beeld zijn gebracht, onder meer de effecten op het gebied van geluid, geur, luchtkwaliteit, trilling, water, enz. Reclamant herhaald hier de zienswijze welke onder b. van deze opsomming uiteen is gezet. e. Het volgende onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Standpunt gemeente a. In het algemeen geldt dat een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Uiteraard dient bij het vaststellen van andere bestemmingen en regels voor gronden de gemeenteraad oog te hebben voor de verschillende belangen, waaronder de belangen van de grondeigenaar. In dit geval moet de wens om de met het bestemmingsplan beoogde ontwikkelingen (waaronder de realisatie van het bedrijventerrein De Spurkt) zwaarder wegen dan het belang van reclamant die belang heeft bij een ongewijzigde voortzetting van de planologische mogelijkheden op zijn perceel.
Zoals uit de plantoelichting blijkt, bestaat er een aantoonbare behoefte aan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijventerrein. Dit is ook verder onderzocht en onderbouwd in de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde (geactualiseerde) ladderrapport dat is opgesteld door adviesbureau Stec. Samenvattend concludeert Stec dat de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijventerrein voorziet in een aanwezige vraag die niet elders in de (markt)regio kan worden opgevangen. Daarbij is het bestaande aanbod veelal niet geschikt voor de combinatie van middelgrote en grootschalige bedrijvigheid waarop de gemeente Venray inzet met voorliggende ontwikkeling. De gemeente Venray zal door de ontwikkeling van nieuw werklandschap aantrekkelijk zijn voor zowel middelgrote als grote bedrijven. Wij wegen hierbij mee dat – zowel uit de laddertoets als het MER – niet blijk van alternatieve locaties waarop de gewenste ontwikkeling akn worden gerealiseerd. Wij betrekken in de belangenafweging tevens het gegeven dat de grondeigenaar schadeloos zal worden gesteld. Met alle betreffende eigenaren – wiens gronden verworven moeten woorden
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
voor de realisatie van het bedrijventerrein – wordt overleg gevoerd over een minnelijke verwerving van gronden en opstallen. Indien partijen er niet minnelijk uitkomen zal het onteigeningstraject worden ingezet, waarbij de eigenaar van de betrokken gronden en opstallen schadeloos wordt gesteld. b. Ten aanzien van het meewegen van de belangen van reclamant wordt verwezen naar het standpunt geformuleerd onder a van deze zienswijze. Vervolgens klopt het dat de berekeningen van mestaanwending zijn gebaseerd op kengetallen. De emissies zijn gebaseerd op de gemiddelde vermestende depositie in Nederland. De getallen zijn verkregen uit het Compendium voor de Leefomgeving welke in beheer is door de Rijksoverheid. (CBS, PBL, RIVM, WUR (2019). Vermestende depositie, 1990-2017 (indicator 0189, versie 17, 4 juni 2019, www.clo.nl). c.
Er wordt hier verwezen naar het standpunt zoals geformuleerd onder 8a.
d. Er wordt hier verwezen naar het standpunt zoals geformuleerd onder 8a en b. e. Dit onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Voor een standpunt wordt verwezen naar het eindrapport zienswijzen behorende bij het exploitatieplan. De zienswijze geeft geen aanleiding tot aanpassing van de regels of verbeelding van het bestemmingsplan. Zienswijze reclamant 9 Ontvankelijkheid
Schriftelijke zienswijze ingekomen 4 augustus 2020
De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.
De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.
De zienswijze is derhalve ontvankelijk.
Reclamant heeft zowel tegen het ontwerp bestemmingsplan als tegen het ontwerp exploitatieplan een zienswijze ingediend. In dit eindrapport wordt alleen ingegaan op de zienswijzen gericht tegen het ontwerp bestemmingsplan. De beantwoording van de zienswijzen tegen het ontwerp exploitatieplan zal plaatsvinden in het bij die procedure behorende eindrapport zienswijzen. Zienswijze Reclamant exploiteert een agrarisch bedrijf, zijnde een intensieve veehouderij, in directe nabijheid van het plangebied. Reclamant heeft zijn zorgen reeds geuit bij middels een zienswijze tegen de Notitie Reikwijdte en Detailniveau. De zienswijze gaat in op de volgende onderdelen:
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
a. Geluid: in de toelichting van het ontwerpplan, meer specifiek in hoofdstuk 8 onder 10.4, is opgenomen dat de geluidbelasting op de gevel van de woning van reclamant onder de wettelijke norm blijft. Hierbij is echter, volgens reclamant, geen rekening gehouden met de cumulatie van het geluid van de nabij gelegen A73. De geluidbelasting op de gevel van de woning van reclamant bedraagt in de huidige situatie (inclusief de geluidbelasting van de A73) al op ongeveer 65 decibel. Dit is al boven de voorkeursgrenswaarde. Gelet op het feit dat het bedrijventerrein niet zal worden aangelegd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (waarin geluid cumulatief beoordeeld zal moeten worden), is het onzorgvuldig aan dit feit voorbij te gaan. Het bedrijventerrein zal leiden tot een verhoogde geluidbelasting op de woning van reclamant. b. Luchtkwaliteit: in de toelichting van het ontwerpplan, meer specifiek in hoofdstuk 8 onder 9.4, is opgenomen dat de gebruiksfase van het bedrijventerrein emissieneutraal zal zijn voor zowel fijnstof als voor stikstof. Alleen het verkeer van en naar het bedrijventerrein, alsmede het extra verkeer van de A73, zal niet emissieneutraal zijn en is dus niet meegenomen in de afweging van de luchtkwaliteit. Daarbij is er uitgegaan van de huidige achtergrondconcentraties.
Er is geen rekening gehouden met soorten bedrijven die zich op het bedrijventerrein zullen vestigen. In tegenstelling tot stikstof is er in de regels nergens geborgd dat emissie van fijnstof niet mag toenemen. Aangezien het bedrijf nabij de A73 ligt en binnen de invloedssfeer van Martens Eco (waarbij reeds grote voorgrondbelasting wordt veroorzaakt) ligt, zal de realisatie van het bedrijventerrein gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit op de locatie van reclamant. Reclamant ziet daarom graag een regeling opgenomen in het bestemmingsplan die ook toename van de emissie van fijnstof uitsluit van zowel bedrijven als verkeer. c.
CO2: reclamant wenst dat de nieuwe activiteiten en verkeersbewegingen tevens emissieneutraal op het gebied van CO2 blijven en dat dit als voorwaarde in het bestemmingsplan te worden opgenomen.
d. Stikstof: in de toelichting van het ontwerpplan, meer specifiek in hoofdstuk 8 onder 9.4, is opgenomen dat de gebruiksfase van het bedrijventerrein emissieneutraal zal zijn voor stikstof. In de regels is geborgd dat emissie van stikstof niet mag toenemen. Er is nergens omschreven op welke wijze dit dient te worden nageleefd. Daarnaast is er geen rekening gehouden met de extra emissie die gepaard gaat met extra vrachtverkeer op de A73 als gevolg van het project, noch is rekening gehouden met alternatieve aanvoer routes buiten de A73. AERIUS is daarnaast onvoldoende geschikt om de effecten voor stikstof in beeld te brengen. Ook is het onvoldoende duidelijk op welke wijze bedrijven emissieneutraal dienen te worden ingericht. Conclusie van reclamant is dat onvoldoende gewaarborgd is dat er geen sprake zal zijn van een toenemende depositie van stikstof op Natura2000 gebieden. e. Verkeersafwikkeling: in de toelichting van het ontwerpplan, meer specifiek in hoofdstuk 8 onder 8.4.1, wordt het verkeersaspect behandeld.
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
1.
de toenemende verkeersdrukte op de route Spurkt-Metaalweg zorgt voor belemmering voor de verkeersafwikkeling van het bedrijf van reclamant;
2.
overbelasting van de situatie bij de toe- en afrit van de A73 naar de Metaalweg zorgt voor belemmering voor de verkeersafwikkeling van het bedrijf van reclamant;
3.
als genoemde overbelasting leidt tot opstoppingen, zal verkeer een alternatieve route kiezen langs de woning en het bedrijf van reclamant;
4.
verkeer dat een route kiest langs woning en bedrijf van indiener leidt tot verkeersoverlast op de locatie van reclamant;
5.
reclamant ziet graag geborgd dat de geplande verkeersafwikkeling niet leidt tot de beschreven verkeersoverlast.
f.
Geur: in het ontwerpplan is nergens een bepaling opgenomen die de vestiging van een bedrijf met een emissie van geur uitsluit. Door het eventueel vestigen van een bedrijf op het terrein met een hoge geurbelasting, kan er sprake zijn van cumulatie in geurbelasting, waardoor een mogelijk overbelaste situatie ontstaat. Dit kan als gevolg hebben dat het bedrijf van reclamant op grond van de geurnormen beperkt wordt in uitbreidingsmogelijkheden. Reclamant wenst dat er een bepaling in de regels wordt opgenomen die vestiging van bedrijven met een emissie van geur uitsluit.
g. Bodem: in de toelichting van het ontwerpplan, meer specifiek in hoofdstuk 8 onder 2.7, is opgenomen dat in het kader van een goede fysieke leefomgeving bij een planologische functiewijziging onderzocht moet worden of de milieuhygienische kwaliteit van de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. In de regels is deze meldingsplicht echter niet opgenomen. Het aspect bodemkwaliteit is daarmee onvoldoende geborgd in dit bestemmingsplan. h. Water: in de toelichting van het ontwerpplan, meer specifiek in hoofdstuk 8 onder 3.8, is een verplichting opgenomen dat bedrijven een waterbuffering van 100 mm op het eigen terrein moeten realiseren. In de regels is wel een verplichting opgenomen om hemelwater op eigen terrein te infiltreren maar hierbij is de buffer van 100 mm nergens geborgd. i.
Planschaderisicoanalyse: in de planschaderisicoanalyse welke als bijlage bij het Exploitatieplan is gevoegd, is de woning van reclamant niet meegenomen, terwijl deze wel in de invloedsfeer van het bedrijventerrein ligt. Gezien de mogelijke beperkingen die het nieuwe bedrijventerrein voor de bedrijfsvoering van reclamant tot gevolg heeft is de kans dat reclamant planschade lijdt reëel.
j.
Zonnepanelen: volgens reclamant worden er diverse kansen gemist, nu er niet aangesloten wordt bij de code Venray door het opnemen van de verplichting tot het plaatsen van zonnepanelen op de daken en wanden.
Standpunt gemeente a. Reclamant stelt dat voor wat betreft geluid, meer specifiek de geluidsbelasting op de gevel van de woning van reclamant, geen rekening is gehouden met de cumulatie van het geluid vanuit de autosnelweg A73. De A73 is meegenomen in het geluidsonderzoek
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
verkeerslawaai waaruit blijkt dat de A73 een dominante bron in is het plangebied. Uit het geluidsonderzoek komt voorts naar voren dat de situatie waarin de plansituatie plaatsvindt, gelijk is aan de referentiesituatie. Hier treedt vanwege onderliggend plan geen verschil op. Het aangepaste geluidsonderzoek (incl. de invloed van de A73) is opgenomen in bijlage 10 ‘Hoofdstuk 8 Milieuaspecten' onder paragraaf 10.3.2 en 10.4.2. b. Het aspect fijnstof is beoordeeld door adviesbureau Arcadis (zie hoofdstuk 8 ‘Onderzoek milieuaspecten’). Arcadis concludeert – kort samengevat – dat de normen van het Besluit Niet in Betekenende Mate niet worden overschreden. Arcadis heeft bij het beoordelen van de luchtkwaliteit ook rekening gehouden met door reclamant genoemde interne vervoersbewegingen. c.
Met het ontwikkelen van het bedrijventerrein zal de energievraag in het gebied stijgen. Daarentegen wordt de bestaande bebouwing gesloopt en om plaats te maken voor nieuwe bedrijfsgebouwen. Doordat er een vermindering van de CO2-uitstoot plaatsvindt en duurzame energie wordt opgewekt, scoort de ontwikkeling een plus voor wat betreft duurzaamheid (zie Hoofdstuk 8 'Milieuaspecten').
d. De in het bestemmingsplan opgenomen stikstofregeling wordt vaker toegepast bij bestemmingsplannen in de regio. Niet is gebleken – gelet op de duidelijke redactie van de regel – dat handhaving niet mogelijk is. De stikstofberekening is inderdaad gemaakt met AERIUS. Naar aanleiding van het advies van de Commissie Hordijk heeft de minister recent (meer specifiek: bij kamerbrief van 13 oktober 2020, kenmerk BPZ/20257109) de Eerste Kamer medegedeeld dat er goede argumenten zijn voor het voortzetten van de huidige systematiek (namelijk rekenen met SRM2). AERIUS rekent voor het wegverkeer met SRM2 omdat deze rekenmethode het beste geschikt is voor berekeningen van wegverkeer. Het gaat hierbij niet alleen om wegenprojecten, maar ook om berekening van uitstoot van wegverkeer in plannen en projecten in het kader van industrie, woningbouw en landbouw, aldus de minister. De minister wijst er verder op dat de modellering in SRM2 specifiek voor wegverkeer is ontwikkeld en daarmee ook rekening houdt met de invloed van specifieke wegkenmerken op de verspreiding, zoals de hoogte en diepteligging van de weg en de aanwezigheid van geluidsschermen. Andere rekenmethoden (zoals OPS) houden met die specifieke kenmerken geen rekening en is niet toegespitst op het wegverkeer, maar is ontwikkeld voor stilstaande bronnen met een verticale uitstoot zoals schoorstenen.
Wat betreft de afkapgrens van 5 kilometer, wordt opgemerkt dat dit nu eenmaal een systeemkeuze is in AERIUS. Hierover merkt de minister in eerder genoemde kamerbrief van 13 oktober op dat de keuze voor de grens van 5 kilometer is gelegen in de omstandigheid dat – citaat – “de berekende bijdragen van extra verkeer door een individueel project op enkele kilometers van de weg niet meer betekenisvol te herleiden zijn tot dit project”. Dit inzicht is, zo merkt de minister op, gebaseerd op de kennis en inzichten die ten grondslag liggen aan de huidige modellering van depositiebijdragen door wegverkeer. Verder wordt nog opgemerkt dat bijdragen op meer dan 5 kilometer jaarlijks
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
gemonitord worden door het Rijk. Verder wordt ook nog gewezen op de inhoud van de brief aan de Tweede Kamer (eveneens van 13 oktober 2020, kenmerk DGS/20221912. e. Verkeersafwikkeling: 1.
Op de route Spurkt-Metaalweg is inderdaad sprake van een toename van de verkeersdrukte. Om deze reden is ten behoeve van de MER in een verkeersstudie een doorrekening gemaakt van de toekomstige verkeersafwikkeling op die route. Belangrijkste locatie die mogelijk een knelpunt gaat vormen is de T-splitsing Spurkt/Metaalweg. De te verwachten wachttijd blijft in de spits onder de 10 seconden hetgeen als “zeer goed “kan worden aangemerkt. Van een belemmering voor de verkeersafwikkeling van het bedrijf van reclamant is dan ook geen sprake.
2.
In de verkeersstudie als onderdeel van de MER is een doorrekening gemaakt van de toekomstige verkeersafwikkeling op de aansluiting van de Afrit A73 (vanuit de richting Nijmegen) op de Metaalweg. Geconstateerd is dat de wachttijd bij deze aansluiting op basis van de bestaande voorrangsregeling ruimschoots kan uitkomen boven de verkeerskundig geaccepteerde waarde van 15 seconden1. Met het plaatsen van een VRI (VerkeersRegelInstallatie) kan de wachttijd worden teruggebracht naar verkeerskundig aanvaardbare waarden. Omdat niet bekend is met welk tempo het bedrijventerrein zich gaat vullen, is ook niet expliciet een moment aan te geven wanneer zich het aangegeven moment gaat voordoen. Om deze reden zal deze situatie gemonitord worden. Het adres Spurkt 12 is echter dusdanig ver verwijderd van genoemde locatie dat de hier verwachte hoge wachttijd niet zal leiden tot een belemmering voor de verkeersafwikkeling van het bedrijf van reclamant.
3.
Als bij het vorengenoemde kruispunt sprake is van een slechte verkeersafwikkeling kan dat inderdaad leiden tot het zoeken van een alternatieve route. Het verkeer dat de hoge wachttijd ondervindt, is het verkeer op de afrit A73 vanuit de richting Nijmegen. Een alternatieve route door Smakt ligt dan wellicht voor de hand. Op basis van Google Maps is een dergelijke route (over wegen met een maximumsnelheid van 30km/h en 60km/h) bijna 4km en 6minuten langer. Het ligt dus niet voor de hand dat dit verkeer over de Spurkt gaat rijden. Zelfs voor verkeer afkomstig van Boxmeer, voor wie het gebruik van lokale wegen eerder in de lijn der verwachting ligt, is de route over het Spurkt weliswaar in afstand 3 km korter, echter wel 3 minuten langer in tijd. Op basis van de cijfers ligt een route over het Spurkt niet voor de hand. Op basis van emotie (wachttijd bij een afrit wordt als vervelender ervaren dan dóór kunnen rijden over lokale wegen) is een sluiproute over het Spurkt langs de woning en het bedrijf van reclamant ook niet geheel uit te sluiten.
4.
Als verkeer gaat sluipen over het Spurkt, dan is het niet reëel te verwachten dat dat in grote aantallen van honderden auto’s per uur gaat. Vanuit die verwachting is het
1
De toets heeft plaats gevonden op een waarde voor de wachttijd van maximaal 15sec. Bij een hogere wachttijd komt de verkeersveiligheid in het geding. Men zal dan naar verwachting onverantwoorde risico’s gaan nemen om de kruising over te steken.
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
niet reëel te veronderstellen dat er bij de woning en het bedrijf van reclamant verkeersoverlast gaat ontstaan. 5.
Door de monitoring van de ontwikkeling van de verkeersstromen op de Metaalweg nabij de Afrit A73 en door in de opzet van het plan rekening te houden met plaatsing van een VRI, is voldoende geborgd dat hier in de toekomst geen sprake gaat zijn van een onacceptabele verkeersafwikkeling.
f.
Reclamant stelt dat voor wat betreft geur er nergens een bepaling is opgenomen die de vestiging van een bedrijf met emissie van geur uitsluit. Volgens reclamant zouden zich op het bedrijventerrein bedrijven kunnen vestigen met een hoge geurbelasting. Het is juist dat geuremissies ook mogelijk kunnen optreden door de komst van nieuwe bedrijven op het bedrijventerrein. Om deze eventuele geurbelasting te borgen, is er nader onderzoek, 'vervolg geuronderzoek De Spurkt', (projectnummer: P199107.001) uitgevoerd op 30 september 2020 door Pouderoyen Tonnaer. Dit nader onderzoek is toegevoegd aan het geuronderzoek als Bijlage 7 aan de plantoelichting. Het geuronderzoek is hierin uitgebreid door onderzoek te doen naar de mogelijke geurhinder op omliggende woningen door geprojecteerde activiteiten in het plangebied (de vestiging van bedrijven die geur emitteren). Vanwege het ontbreken van landelijke, provinciale of gemeentelijke normen met betrekking tot geur uit industriële activiteiten zijn de planologische mogelijkheden, de aard en de omvang van de bedrijven en de activiteiten maatgevend beschouwd voor de mogelijke geurbelasting op de omgeving.
Vanwege het ontbreken van landelijke, provinciale en geurnomen ter zake is bij het onderzoek aangesloten bij de richtafstanden en milieu categorieën uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG, de gemeentelijke geurnormen voor veehouderijen en de beleidsregel industriële geur van de provincie Noord-Brabant van 26 april 2018. In het onderzoek worden verschillende mogelijkheden aangedragen om extra bescherming tegen geurhinder te borgen. Eén van deze mogelijkheden is het opnemen van geurnormen in het bestemmingsplan. Daarbij heeft Pouderoyen een voorbeeldregeling aangedragen. Om uitvoering te geven aan dit aanvullend onderzoek, zijn de aangedragen geurnormen overgenomen in het bestemmingsplan. Er zijn zo aanvullende regels opgenomen onder artikel 13.3 van de 'algemene gebruiksregels'.. Deze aanvullende regels borgen een maximaal toelaatbare industriële geur.
g. Het bestemmingsplan maakt nieuwvestiging van (en/of uitbreiding van bestaande) bedrijvigheid mogelijk in het plangebied. Hierdoor ontstaat de mogelijkheid om grond-, baggerspecie of bouwstoffen toe te passen voor de realisatie van deze bedrijvigheid. Zoals vastgesteld in het Besluit bodemkwaliteit dient in dat geval een melding gemaakt te worden via het Meldpunt bodemkwaliteit. Het Meldpunt bodemkwaliteit stuurt meldingen door naar het bevoegd gezag. Deze verduidelijking zal verwerkt worden in Hoofdstuk 8, Onderzoek Milieuaspecten De Spurkt onder 2.7. h. De bergingscapaciteit welke genoemd wordt in de toelichting is inderdaad niet opgenomen in de regels. In de regels (artikel 12.4.1) van het ontwerpplan is de volgende bepaling opgenomen:
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
‘Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw gebouw, de uitbreiding van een bestaand gebouw of de verbouw van een bestaand gebouw, wordt uitsluitend verleend indien voor de aanwezige functie op eigen terrein wordt voorzien in infiltratie van hemelwater.’ Hier is niet expliciet vermeld dat het de infiltratie betreft van al het hemelwater, hetgeen wel de bedoeling is. Om duidelijkheid te verschaffen zal het artikel hierop worden aangepast, met de toevoeging dat het al het hemelwater betreft. Hiermee wordt de regel in ieder geval in overeenstemming gebracht met hetgeen het doel van de zienswijze van reclamant is. i.
Aangezien het niet geheel duidelijk is of deze zienswijze gericht is tegen het ontwerp bestemmingsplan of exploitatieplan, zal hier eveneens een standpunt worden ingenomen. Reclamant stelt dat de woning van reclamant eveneens binnen de invloedssfeer van het nieuwe bedrijventerrein is gelegen en deze in de planschaderisicoanalyse meegenomen had moeten worden. De woning van reclamant betreft een bedrijfswoning. Voor de woning van reclamant geldt dat de waarde veel minder beïnvloed wordt door de hier in geding zijnde factoren, maar juist gekoppeld is aan de (exploitatie)mogelijkheden van het gekoppelde bedrijfsonroerend goed. De woning mag daarom niet los van de bedrijfsdoeleinden worden bewoond of verkocht. Het bedrijfsmatige karakter van de woning moet worden betrokken bij de beoordeling van de invloed van schadefactoren op de waarde van de woning. De invloed van de schadefactoren uitzicht, geluid en privacy op de waarde van een bedrijfswoning is kleiner dan op de waarde van een burgerwoning. Het woongenot is bij een bedrijfswoning niet onbelangrijk, maar is ondergeschikt aan de bedrijfsfunctie waar het pand bij hoort. De planschadeanalyse zijn alleen burgerwoningen geanalyseerd. Reclamant kan een planschadeverzoek indienen zodra het bestemmingsplan onherroepelijk is.
j.
De verplichting tot het plaatsen van zonnepanelen, is nu nog niet mogelijk in een bestemmingsplan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet behoort dit wel tot de mogelijkheden in het Omgevingsplan. In deze situatie wordt de verplichting tot het geschikt maken van de daken tot plaatsen van zonnepanelen wel opgenomen in de koopovereenkomst van de grond.
De zienswijze geeft wel aanleiding tot aanpassing van de regels of verbeelding van het bestemmingsplan. Zienswijze reclamant 10, Moorrees Kwekerijen VOF Ontvankelijkheid
Schriftelijke zienswijze ingekomen 5 augustus 2020
De zienswijze is binnen de gestelde termijn ingediend.
De zienswijze is inhoudelijk onderbouwd.
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
De zienswijze is derhalve ontvankelijk.
Reclamant heeft zowel tegen het ontwerp bestemmingsplan als tegen het ontwerp exploitatieplan een zienswijze ingediend. In dit eindrapport wordt alleen ingegaan op de zienswijzen gericht tegen het ontwerp bestemmingsplan. De beantwoording van de zienswijzen tegen het ontwerp exploitatieplan zal plaatsvinden in het bij die procedure behorende eindrapport zienswijzen. Zienswijze Reclamanten zijn eigenaar van het bedrijf Moorrees Kwekerijen VOF, dat wordt geëxploiteerd aan de Spurkt 8 te Venray. Deze zienswijze wordt ingediend namens Moorrrees Kwekerijen VOF en een tweetal privé personen. De gemeente is voornemens om een bedrijventerrein te realiseren op o.a. de gronden van de reclamanten. Dat betekent dat reclamanten hun bedrijf op de locatie moeten staken en elders hun bedrijf moeten voortzetten. Het is volgens reclamanten onmogelijk om een zodanige locatie te vinden die gelijkwaardig is aan de huidige locatie. Reclamanten zullen zich dan ook verzetten tegen de bestemmingsplanwijziging en de daaropvolgende onteigeningsprocedure, totdat in der minne overeenstemming is bereikt over de aankoop van het bedrijf. Uitgangspunt voor reclamanten is dat het bedrijventerrein op een andere plek wordt uitgebreid. Verder willen reclamanten zich met hun zienswijze richten op de volgende punten: a.
Goede ruimtelijke ordening: Ingevolge artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moeten bestemmingen in het bestemmingplan op basis van een goede ruimtelijke ordening worden aangewezen. Hierbij moet de vraag worden gesteld in hoeverre bestemmingen naast elkaar kunnen bestaan. Een goede belangenafweging van de verschillende met de bestemming gemoeide belangen is noodzakelijk. Volgens reclamanten ontbeert het ontwerpplan een deugdelijke motivering en daarmee ook een goede ruimtelijke ordening. Dit is in strijd met artikelen 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van het in artikel 3:2 van de Awb opgenomen zorgvuldigheidsbeginsel dient het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit alle nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen, te vergaren. Reclamanten zijn van mening dat in het ontwerpbestemmingplan onvoldoende blijk is gegeven van een deugdelijke belangenafweging. De belangen van reclamanten zijn onvoldoende onderkend en meegewogen in de besluitvorming. b. Strijd met de landschapswaarden: In het voorliggende plan was een gedeelte van de gronden in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 voorzien met een aanduiding "waarde -ontwikkelingszone groen". De gronden op de verbeelding met deze aanduiding waren mede bestemd voor de bescherming en ontwikkeling van potentiele natuur- en landschapswaarden.
In het voorliggende plan is op geen enkele wijze inzicht
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
gegeven waarom de uitbreiding van het bedrijventerrein passend is binnen deze bestemming. c.
Afwijkingsbevoegdheid: Reclamanten zijn van mening dat de afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.6, in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, aangezien een afwijkingsbevoegdheid niet onbeperkt en ongelimiteerd mag zijn. Voorwaarde voor een duidelijke en toetsbare afwijkingsbevoegdheid is dat er ruimtelijk relevante voorwaarden aan gekoppeld moeten worden. In het plan zijn geen voorwaarden gekoppeld aan de afwijkingsbevoegdheid en dat betekent dat de afwijkingsbevoegdheid in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak.
d. Daarnaast zijn reclamanten van mening dat de afwijkingsbevoegdheden binnen de bestemming "Bedrijf' zodanig zwaar zijn dat ten onrechte wordt gekozen voor een afwijkingsbevoegdheid. Het gaat niet om kleine wijzigingen (die normaliter met een afwijking gerealiseerd kunnen worden). Het gaat om forse afwijkingen die geregeld moeten worden via een wijzigingsplan. Op die manier biedt het plan alsnog de mogelijkheid om het bestemmingsplan te wijzigen maar dient uitvoeriger naar de gewenste uitbreidingen te worden gekeken. e. Maximale mogelijkheden: Reclamanten zijn van mening dat in het plan ten onrechte niet is gekeken naar de maximale mogelijkheden van het plan. Aldus gaat het concreet om de beoordeling van het plan inclusief de mogelijkheden tot afwijking. Het plan en de aan het plan ten grondslag liggende onderzoeken zijn niet uitgegaan van deze maximale mogelijkheden waardoor in het kader van de onderzoeken sprake is van een onderschatting. Bij de beoordeling van het plan dienen de maximale mogelijkheden in ogenschouw genomen te worden en dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de omgeving. f.
Gemeentelijk beleid: In de toelichting wordt verwezen naar de Economische Visie Venray 2008-2020. Uit deze visie zou de noodzaak voor de uitbreiding van het bedrijventerrein volgen. Reclamanten volgen die visie niet. Uit de Economische Visie volgt namelijk ook dat eerst beoordeeld moet worden of de bestaande bedrijventerreinen gerevitaliseerd moeten worden. Met het voorliggend plan is sprake van nieuwvestiging van een bedrijventerrein en is niet gekeken naar de revitalisering. Reclamanten komen tot de conclusie dat het plan in strijd is met de vereiste motivering en zorgvuldigheid.
g. Provinciaal beleid: In de toelichting op het bestemmingsplan wordt het provinciaal beleid door de gemeente beschreven. In de toelichting wordt op geen enkele wijze getoetst aan het provinciaal beleid. Sterker nog, het blijft bij een beschrijving maar een conclusie ontbreekt volledig. Dat klemt te meer nu uit de toelichting volgt dat er zelfs sprake is van te veel bedrijventerreinen in Limburg. Het kan immers niet zo zijn dat in de provinciale visie wordt gewezen op een overschot aan bedrijventerreinen in Limburg en dat de gemeente Venray een nieuw bedrijventerrein wil ontwikkelen. Het plan is in zoverre in strijd met de vereiste motivering en zorgvuldigheid.
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
h. Daar komt bij dat uit de visie bedrijventerreinen Noord-Limburg volgt dat de beschikbare oppervlakte in Horst aan de Maas nog meer dan voldoende is om bedrijven te huisvesten op bestaande bedrijventerreinen. Ook hiervoor geldt dat slechts sprake is van een beschrijving zonder dat een inhoudelijke toets is uitgevoerd door het college. Reclamanten zijn van mening dat er geen sprake is van noodzaak omdat uit de visie bedrijventerreinen Limburg volgt dat er op bestaande bedrijventerreinen nog voldoende ruimte beschikbaar is. Er is dan ook geen enkele ruimtelijk relevante reden om de uitbreiding van het bedrijventerrein in Venray mogelijk te maken op de gronden van reclamanten. i.
Ladder duurzame verstedelijking: Reclamanten zijn van mening dat het plan is uitgegaan van een onjuist verzorgingsgebied en dat de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en beschikbaarheid onjuist in beeld zijn gebracht. Volgens reclamanten voldoet het plan niet aan de juiste toepassing van de ladder van duurzame verstedelijking, omdat voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 van de Awb, onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. De uitkomsten van deze beoordeling dienen te worden opgenomen in de toelichting van het plan.
Verzorgingsgebied: Bij de voorbereiding van het voorliggende bestemmingsplan heeft het college Noord-Limburg als verzorgingsgebied gekozen terwijl in de toelichting op het plan is vastgelegd dat het gaat om uitbreidingsruimte van bedrijven uit Venray. Daarmee lijkt de indruk gewekt te worden dat gekeken wordt naar een zeer beperkt verzorgingsgebied. Overigens zijn reclamanten van mening dat met de regio Noord-Limburg (niet gedefinieerd wat er onder valt) nog steeds sprake is van een summier verzorgingsgebied. De bedrijven die mogelijk gemaakt worden in het voorliggende bestemmingsplan zijn dusdanig groot dat zij niet gebonden zijn aan een locatie en overal in Nederland en meer specifiek Limburg kunnen ontwikkelen. In dat verband is het vreemd dat in het STEC rapport niet wordt ingegaan op de notitie Visie bedrijventerreinen Noord-Limburg waar juist te zien is dat in de gemeente Horst aan de Maas sprake is van veel beschikbare kavels. Daarnaast zou ook verder naar het zuiden gekeken moeten worden. Bedrijven met een dergelijke categorie kunnen namelijk overal dichtbij een snelweg zich vestigen. Uit het onderzoek volgt niet dat onderzocht is of deze bedrijven gebonden zijn aan de gemeente Venray.
Kwantitatieve en kwalitatieve behoefte: Reclamanten zijn van mening dat het verzorgingsgebied uit de laddertoets te summier is en daarmee de behoefteonderzoeken direct raakt. Alleen al om die reden dient de conclusie getrokken te worden dat het ladderonderzoek onvoldoende en onvolledig is.
j.
Stikstof: In de plantoelichting wordt terecht gewezen op het feit dat, vanwege de zogenaamde PAS-uitspraak, geen sprake meer kan zijn van emissie op Natura 2000 gebieden. Vast staat echter dat bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein emissie op Natura 2000 gebieden ontstaat. Dat betekent dat een passende beoordeling gemaakt
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
dient te worden. In de passende beoordeling is vastgesteld dat het plan zal leiden tot een vermindering van stikstofemissie. Reclamanten kunnen zich hiermee niet verenigen en zijn van mening dat de uitgangspunten niet juist zijn gehanteerd, omdat ten aanzien van de referentiesituatie door het college wordt gesteld dat er voor die periode onvoldoende gegevens beschikbaar zijn en dat wordt uitgegaan van aannames. Dat is echter tekort door de bocht. Daarnaast wordt de beoogde situatie te rooskleurig ingeschat. Het plan maakt het mogelijk om bedrijven tot en met categorie 4.2 mogelijk te maken. Dat betekent niet alleen veel activiteiten op het perceel, maar betekent ook een grote verkeersaantrekkende werking. Bij de beoordeling van stikstof is onvoldoende rekening gehouden met deze uitbreiding van bedrijfsmogelijkheden, inclusief bijbehorende vervoersbewegingen. k. Alternatieven: Primair stellen reclamanten dat er in het geheel geen behoefte is aan een nieuw bedrijventerrein aangezien bestaande bedrijventerreinen kunnen worden ingevuld voor behoefte. Indien de raad, ondanks de gemotiveerde zienswijzen van reclamanten toch meent dat er sprake is van behoefte, stellen reclamanten dat het plan op deze locatie niet gerealiseerd kan worden. Uit het alternatievenonderzoek volgt namelijk dat locatie 2 een betere uitgangspositie heeft. Alternatieven 2 en 3 zijn nagenoeg gelijkwaardig.
Alternatief 2 scoort alleen op het gebied van verkeer en woon- en leefklimaat een mindere score. Op basis daarvan concludeert het college dat bedrijventerrein De Spurkt gekozen moet worden. Het college mist hierbij echter volledig dat de ontsluiting van het bestaande bedrijventerrein Smakterheide alleen is gericht op de ontsluiting van dat bedrijventerrein en bij de ontsluiting geen rekening gehouden is met de ontsluiting van een nieuw bedrijventerrein. Dat betekent dat er weliswaar een weg ligt maar de ontsluiting van het bedrijventerrein niet op deze manier ontsloten kan worden. Daar komt bij dat het bedrijventerrein bij alternatief 2 juist wel kan voorzien in een zelfstandige op- en afrit richting de A73 zo kan de locatie via de zuid- en noordzijde worden ontsloten. Voor locatie 2 en 3 heeft te gelden dat ze allebei ongeveer 2 kilometer van de A73 zijn gelegen en dat locatie 2 zelfs een zichtlocatie is terwijl locatie 3 geen zichtlocatie is. Ten aanzien van het woon- en leefklimaat stelt het college dat er sprake is van een kortere afstand van het bedrijventerrein op de woonkern bij locatie 3. Reclamanten kunnen die conclusie niet volgen. Weliswaar is er een woonkern op korte afstand van locatie 2 zichtbaar maar bij locatie 3 ligt op ca 300 meter ook een woonbestemming.
In het kader van de goede ruimtelijke ordening maakt het geen verschil of er een of meerdere wooneenheden zijn gelegen. Uiteindelijk dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld te worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. l.
Dit onderdeel van de zienswijze betreft een zienswijze tegen het ontwerp exploitatieplan. Daar zal in dit rapport niet op worden ingegaan. Voor een standpunt wordt verwezen naar het eindrapport zienswijzen behorende bij het exploitatieplan.
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
Standpunt gemeente a. Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein, waarbij de huidige functies zullen verdwijnen. Dat verklaart dat de opgenomen bestemmingen niet meer overeen komen met het huidig gebruik c.q. de huidige bestemming. Dat verklaart eveneens dat in de ten behoeve van dit bestemmingsplan uitgevoerde onderzoeken niet het handhaven van de huidige functies binnen het plangebied is betrokken. Om over de gronden te kunnen beschikken wordt met alle betreffende eigenaren overleg gevoerd over een minnelijke verwerving van gronden en opstallen. Indien partijen er niet minnelijk uitkomen zal het onteigeningstraject worden ingezet. Wat betreft de zorgvuldige onderbouwing van het bestemmingsplan wordt – naar aanleiding van de kanttekeningen die reclamant plaatst bij de onderbouwing van het bestemmingsplan – opgemerkt dat verschillende rapporten c.q. onderzoeken aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd waarin de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen zijn beoordeeld. Gelet hierop valt niet in te zien waarom het bestemmingsplan onzorgvuldig is voorbereid dan wel een deugdelijke belangenafweging mist. b. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend.
De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De herziening van het geldende planologische regime is mede ingegeven vanuit de actuele regionale behoefte aan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte bedrijventerreinen. Verwezen wordt naar de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde onderzoeken en hetgeen in de plantoelichting daarover wordt opgemerkt. De behoefte aan bedrijventerreinen leidt ertoe dat de geldende bestemming wordt gewijzigd, met als doel om het bedrijventerrein De Spurkt mogelijk te maken. De aanduiding ‘Waarde – ontwikkelingszone groen’ was op een deel van het huidige plangebied opgenomen vanwege de ligging in een beekdal. Er vinden naast het bedrijventerrein nog andere ontwikkelingen plaats in het dal van de Loobeek. Door invulling te geven aan het inrichtingsplan Loobeekdal – deelgebieden Venrays Broek en Spurkt wordt het beekdal Kaderrichtlijn water-waardig ingericht. Hiermee wordt invulling gegeven aan landschappelijke en ecologische waarden die behoren bij een beekdal. Daarnaast maken robuuste groenstructuren onderdeel uit van het plan voor het bedrijventerrein, waarmee ook invulling wordt gegeven aan versterking van de biodiversiteit. c.
De afwijkingsbevoegdheid uit artikel 4.6, is niet onbeperkt en ongelimiteerd, aangezien er voorwaarden zijn opgenomen dat het bedrijf dat wordt toegestaan qua aard en omvang van de milieuhinder gelijk kan worden gesteld met een bedrijf in de genoemde milieucategorie, dat wel of niet is opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. De in artikel 4.6 van de planregels vastgelegde planregeling komt in de praktijk vaker voor.
d. Een afwijkingsbevoegdheid mag inderdaad niet leiden tot een bestemmingswijziging. Dat is in dit geval ook niet het geval, er is alleen sprake van het afwijken op het gebied
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
van de milieucategorie. Dit is een zeer veel voorkomende en geaccepteerde afwijkingsbevoegdheid in bestemmingsplannen. Voor extra borging zijn er een aantal extra voorwaarden opgenomen zodat een eventuele afwijking van de bestemming geen nadelige gevolgen heeft voor de in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, cultuurhistorische, bodem en waterhuishoudkundige alsmede milieuhygiënische waarden. Naar aanleiding van deze zienswijzen zijn de overige afwijkingsbevoegdheden in de andere bestemmingen conform dezelfde strekking aangepast, namelijk artikelen 4.4, 5.4.1, 15.1, 15.2 en 16.1. e. De onderzoeken zijn gebaseerd op de uitgangspunten die voor het plan gelden, vermeld onder 7.4 in de toelichting. Zoals aangegeven in de vorige (sub)antwoorden, mag een afwijkingsbevoegdheid niet onbeperkt en ongelimiteerd zijn. Zo geldt de voorwaarde dat de afwijkingsbevoegdheid geen invloed mag hebben op de landschappelijke en milieukundige waarden. f.
Revitalisering van bestaande terreinen en uitbreiding met een nieuw terrein zijn twee verschillende zaken. Er wordt doorlopend gekeken naar mogelijkheden voor revitalisering. De ruimtevraag is hierbij ook van belang. Niet alle nieuwe/geïnteresseerde bedrijven kunnen in de bestaande voorraad ingepast worden (in dit verband wordt ook verwezen naar de door adviesbureau Stec opgestelde laddertoets). Uitbreidingsruimte is sowieso zeer beperkt momenteel. Hierdoor is het moeilijk om bedrijven te accommoderen die zich graag in Venray willen vestigen. Het gebrek aan uitgeefbaar bedrijventerrein leidt ook tot het vertrek van in Venray gevestigde bedrijven die binnen Venray geen gelegenheid zien om hun wens tot uitbreiding te realiseren. Met het vertrek van deze bedrijven gaat voor Venray flink wat werkgelegenheid verloren. In de Laddertoets (bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan, Stec groep 'LDV De Spurkt' d.d. 28 oktober 2020, met kenmerk 20.176) wordt overigens ook ingegaan op het aanbod van bestaand vastgoed in Venlo/Venray. Uit een rondgang van verschillende vastgoedaanbieders blijkt dat er in heel Noord-Limburg slechts zes (>2 hectare kavel) objecten vergelijkbaar zijn voor de beoogde doelgroep. Dit aanbod laat zich overigens nog niet 1 op 1 vertalen naar mogelijkheden in het bestaand stedelijk gebied. Immers het vastgoed is divers qua omvang en functionaliteit.
Een groot deel van het aanbod wordt aangeboden voor deelverhuur en gezien de ligging, leeftijd en vraaghuurprijs moet worden geconcludeerd dat dit aanbod nauwelijks het stempel courant, modern vastgoed kan dragen. De toelichting zal met bovenstaande worden verduidelijkt.
g. Provinciaal is er weliswaar sprake van een overschot maar specifiek voor Venray geldt dat de restruimte zeer beperkt is. Verwezen wordt naar de bevindingen van adviesbureau Stec, zoals nader toegelicht in de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde laddertoets. Daarnaast wordt voldaan aan het principe van dynamisch voorraadbeheer ruit het POL2014. In relatie tot de POL-uitwerking bedrijventerreinen Noord-Limburg is saldering van de plancapaciteit van belang. Duidelijk moet zijn dat de nieuw te bestemmen hectares bedrijventerrein passen in de daarvoor geldende
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
regionale afspraken inzake dynamisch voorraadbeheer en de POL-uitwerking. Artikel 17 van de op 1 februari 2017 door de provincie Limburg en de gemeenten Horst aan deMaas, Venlo en Venray getekende Samenwerkings- en aandeelhoudersovereenkomst (SOK) biedt expliciet ruimte voor de ontwikkeling van 30 hectare bedrijventerrein door het Ontwikkelbedrijf Greenport Venlo op grondgebied van de gemeente Venray. Venray is ook mede-aandeelhouder in het Ontwikkelbedrijf. Voor 20 van de 30 hectare van De Spurkt is in 2017 al in regionaal verband compensatie overeengekomen. Voor de saldering van de overige 10 hectare van De Spurkt wordt de volgende onderbouwing gegeven: in de POL-uitwerking Visie Bedrijventerreinen Noord Limburg uit 2017 is voor de klavers 1 t/m 8 en 11 van het Klavertje-4 gebied in totaliteit een plancapaciteit opgenomen van bruto 610,00 hectare en netto 459,12 hectare. In het Regionaal Economisch Bedrijventerrein Informatie Systeem (REBIS) van de provincie Limburg staat de actuele situatie met betrekking tot de uitgifte en ontwikkeling van bedrijventerreinen. Voor de eerdergenoemde klavers 1 t/m 8 en 11 is de stand per heden dat het totaal van reeds uitgegeven, terstond uitgeefbaar, opties en op termijn uitgeefbaar bedrijventerrein 449,14 hectare bedraagt.
De aldus beschikbare restruimte van 10 hectare in de plancapaciteit van Greenport Venlo wordt door het Ontwikkelbedrijf ingezet om te voldoen aan de opgave tot saldering van de laatste 10 hectare voor de ontwikkeling van De Spurkt. h. In de regio Venlo wordt gewerkt aan economische ontwikkeling en een complementariteit van vestigingslocaties. Op Greenport Venlo is ruimte voor de heel grote bedrijven van 10 ha. en groter. In Venray was op de bestaande bedrijventerreinen ruimte van enkele duizenden m² tot enkele hectaren. De ruimte op de bestaande bedrijventerreinen is inmiddels nagenoeg volledig vergeven. In Venray geldt in het algemeen, hoe groter de ruimtebehoefte, hoe kleiner het aantal vestigingsmogelijkheden en voor bedrijven met een grote ruimtebehoefte is er zelfs geen ruimte meer beschikbaar. Met de ontwikkeling van de Spurkt wordt in deze behoefte voorzien. Daarbij is een duidelijk voordeel van deze ontwikkeling dat Venrayse bedrijven bij het doormaken van groei langer in deze gemeente gevestigd kunnen blijven. Ten tijde van de vaststelling van de regionale visie bedrijventerreinen NoordLimburg (in 2017) was er regionaal bezien weliswaar nog voldoende ruimte beschikbaar, inmiddels is de economie sterk aangetrokken. Als gevolg van de hoge uitgiftes in 2018 en 2019 is het aanbod sterk afgenomen.
Was er in de in 2018 nog circa 140 hectare kwalitatief geschikt aanbod, dit aanbod is per 1 januari 2020 opgedroogd tot circa 95 hectare. Binnen dit aanbod zijn ook opties en reserveringen zijn planologisch meegerekend, deze zijn planologisch nog beschikbaar en maken momenteel nog onderdeel uit van het aanbod. i.
De Laddertoets gaat uit van dezelfde definitie van de regio ‘Noord-Limburg’ als welke wordt gebruikt in het POL2014. Bovendien is deze regio gelijk aan de COROP regio. De regio Noord-Limburg omvat de 8 gemeenten in het noordelijk deel van de provincie Limburg (grofweg van Beesel tot Mook en Middelaar). In de Laddertoets is op pagina 8
Bestemmingsplan De Spurkt Eindrapport zienswijzen
uiteengezet waarom het verzorgingsgebied is afgebakend tot de regio Noord-Limburg. Kort en goed weergegeven is deze keuze gebaseerd op de volgende uitgangspunten. Op de eerste plaats is de bedrijfsruimtemarkt honkvast. Uit onderzoek van het PBL blijkt dat bijna 95% van de bedrijven verhuist binnen de eigen (COROP-)regio. Slechts enkele tientallen bedrijven verhuizen jaarlijks over de regiogrens. Op de tweede plaats blijven ook grote maakbedrijven (het bedrijfstype waar de Spurkt zich hoofdzakelijk op richt) ‘trouw’ aan de vestigingsregio, gelet op de gedane investeringen, netwerk van toeleveranciers en personeel. Op de derde plaats is de regio Noord-Limburg voor logistieke bedrijven (het bedrijfstype waar de Spurkt zich hoofdzakelijk op richt) de meest aantrekkelijk regio is om in te vestigen. In de Laddertoets is tevens een analyse uitgevoerd van het secundaire verzorgingsgebied om aan te geven dat ook buiten de regio Noord-Limburg aanbod is. Dit verzorgingsgebied is echter niet als primaire verzorgingsgebied meegenomen in het onderzoek omdat dit gebied voorziet in een ‘eigen’ behoefte in de regio. In het Ladderonderzoek wordt dit op p. 17 onderbouwd voor de regio ‘Land van Cuijk’. Gelet op de argumenten die zojuist zijn opgesomd is enkel gekeken naar de regio Noord-Limburg.
Het betoog van reclamant dat het verzorgingsgebied ten onrechte is afgebakend tot de regio Noord-Limburg treft dan ook geen doel. Gelet op het uitgebreide ladderrapport van Stec concluderen wij dat er wel degelijk behoefte is aan de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen. j.
In de aan het bestemmingsplan ten grondslag gelegde passende beoordeling is – geheel in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling – uitgegaan van de feitelijk bestaande en planologisch legaal aanwezige situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan als referentiesituatie. De stikstofdepositie neemt – als gevolg van de met het bestemmingsplan mogelijk gemaakte ontwikkelingen – niet toe ten opzichte van de referentiesituatie. Dit is ook onderbouwd en aan de hand van stikstofberekeningen inzichtelijk gemaakt door adviesbureau Econsultancy. In dit verband wordt dan ook verwezen naar de passende beoordeling die aan het bestemmingsplan ten grondslag ligt. Hierin zijn alle gehanteerde uitgangspunten nader toegelicht (Econsultancy, Passende beoordeling De Spurkt te Venray, Rapport 5584.006, versie D3, d.d. 28-102020). Voor de verkeersaantrekkende werking is aangesloten bij het verkeersonderzoek (Arcadis (2019), De Spurkt Verkeersonderzoek Ontwikkelbedrijf greenport Venlo, referentie 083979333 A, 29 november 2019). Tevens geldt dat bedrijven met een hogere milieucategorie (categorie 4.2) niet persé voor een hogere verkeersaantrekkende werking zullen zorgen. Reclamant heeft niet gespecificeerd op welke punten de stikstofberekeningen dan wel het verkeersonderzoek niet deugt dan wel welke uitgangspunten niet reëel of niet aannemelijk zijn.