CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Basisvoorziening accommodatiebeleid

Commissie Leven 22 april 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Actualisering accommodatiebeleid jeugd en sport 2021-2025.36.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Lichthinder Ter voorkoming van lichthinder wordt geadviseerd schijnwerpers toe te passen waarbij de instellingshoek ten opzichte van de mast is aangepast. Bij moderne schijnwerpers staat het lichtvenster vrijwel evenwijdig aan het maaiveld. Ook kan een aangepaste (hogere) lichtpunthoogte de lichthinder worden terug gebracht. Voor meer informatie over lichthinder wordt verwezen naar de NSVV-publicatie 'Algemene richtlijnen betreffende lichthinder'.

Voor het plaatsen van lichtmasten is toestemming van de gemeente nodig. Soms is ook een omgevingsvergunning vereist, In dit kader kunnen vanuit de milieuwetgeving aanvullende eisen worden gesteld ten aanzien van de lengte van de masten, evenals de tijden waarop de verlichting ingeschakeld mag zijn (zie Wet Milieubeheer). Om de eigendomsverhoudingen goed te regelen, kan het nodig zijn een recht van opstal te vestigen. Hoogspanningslijnen en masten voor mobiele telefonie Aanbeveling De KNVB is van mening dat onder hoogspanningsleidingen geen sportvelden behoren te liggen. Hoogspanningslijnen Bij de aanleg van velden of bij de reconstructie van een bestaand sportpark, is het verstandig om de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningsleidingen in ogenschouw te nemen. Alhoewel schadelijke gevolgen voor de gezondheid ten gevolge van de elektromagnetische velden rond de kabels nooit zijn bewezen, acht de overheid het niet gewenst nieuwe huizen en scholen onder hoogspanningslijnen te bouwen. Dit is in 2007 bevestigd door een uitspraak van de Raad van State. Deze uitspraak betekent niet zonder meer dat blootstelling aan straling het realiseren, verplaatsen of uitbreiden van een sportaccommodatie onmogelijk maakt omdat dit de volksgezondheid in het geding zou brengen.

Maar bij de planvorming dient dit aspect wel een duidelijke rol te spelen en moet er een serieuze afweging wordt gemaakt of er sprake kan zijn van blootstelling aan schadelijke straling. Daarnaast spelen er nog praktische aspecten. Zo claimt de netbeheerder van de hoogspanningsleiding vrije toegang tot de grond onder de leiding, in verband met onderhoud. Bij ijzel kunnen brokken ijs naar beneden vallen, al zal onder die omstandigheden al snel sprake zijn van afgelasting. Verder geldt bij het plaatsen van gebouwen, ballenvangers en lichtmasten in de nabijheid van hoogspanningslijnen een verplichte minimale afstand. Deze bedraagt al gauw 10 meter, afhankelijk van het voltage van de leiding. De beheerder van het leidingnetwerk of de energieleverancier kan hierover nader informeren. Masten voor mobiele telefonie De KNVB heeft geen specifieke regelgeving over hoe om te gaan met GSM- en UMTS-masten op een sportpark. In beginsel is er geen bezwaar tegen plaatsing, mits de masten te allen tijde meer dan 4 meter uit een speelveld staan. Wel moet met een aantal praktische aspecten rekening worden gehouden: Bij GSM-masten behoren veelal ook kasten met apparatuur. Het gaat dus om méér ruimte dan alleen die voor het plaatsen van een simpele mast. Zwaar transport en vaak een kraanwagen bij het plaatsen kunnen schade toebrengen aan het veld (diepe sporen) en/of de verharding.

Er is regelmatig controle en onderhoud nodig, waarvoor de eigenaar van de masten vrije toegang tot het sportpark verlangt. Voor dit doel dienen de masten met de auto bereikbaar te zijn. Een combinatie van deze masten met lichtmasten is mogelijk, afhankelijk van de sterkte van de mast en de situering ervan. Voor het plaatsen van GSM-masten is een (omgevings)vergunning nodig van de gemeente.

Stralingsgevaar Uit epidemiologische onderzoeken blijkt vooralsnog onvoldoende dat de aanwezigheid van GSM-masten stralingsgevaar en een verhoogd ziekterisico met zich meebrengen. Rond de masten is wel sprake van een elektromagnetisch veld waarvoor sommige mensen gevoelig kunnen zijn. In de VROM-notitie 'Nuchter omgaan met risico's' uit 2004 staat: “Het recente TNO-onderzoek geeft op dit moment geen aanleiding om aanvullende beperkende maatregelen ten aanzien van de activiteit (het plaatsen en gebruiken van basisstations) te nemen...”. Voor nadere informatie zie ook www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/antennes/documenten-en-publicaties. Situering Velden Aanbevelingen Situering ten opzichte van zon en wind Voor een hoofdveld is de meest gunstige situering die waarbij de lengteas globaal 15° ten westen van de noord-zuidlijn ligt. Dit in verband met de lage middagstand van de zon in de wintermaanden. Het voornemen om een tribune bij een hoofdveld te plaatsen, kan verder een belangrijke reden zijn voor de situering van het veld. In Nederland is de overheersende wind- en buienrichting westzuidwest. Een (hoofd)tribune wordt daarom bij voorkeur aan de westzuidwest-zijde van het veld gesitueerd.

Situering ten opzichte van kleedgelegenheid In het algemeen wordt aanbevolen de kleed-clubaccommodatie centraal ten opzichte van de velden te situeren, met een afstand van de kleedgelegenheid tot het hoofdveld van maximaal 50 meter. Bij topamateuraccommodaties wordt ten behoeve van de veiligheid van spelers en arbiters aanbevolen de kleedgelegenheid aan het speelveld te laten grenzen. Voor de overige speelvelden moet een maximale loopafstand van 150 meter worden aangehouden. Trainingsvelden zijn, met het oog op het dagelijks gebruik, bij voorkeur in de directe nabijheid van de kleedgelegenheid gelegen. Dit bespaart tevens op de terreinverlichting en de kabelafstand voor de veldverlichting. Situering ten opzichte van andere velden Bij velden die haaks en kort op elkaar worden gesitueerd, moet rekening worden gehouden met hinderlijke spelbeïnvloeding en mogelijke gevaarlijke situaties. Hetzelfde geldt voor twee velden in elkaars verlengde en (zeer) kort achter elkaar. Afhankelijk van de situatie moeten er dan ten minste voldoende brede ballenvangers worden geplaatst. Situering ten opzichte van hoogspanningslijnen Hoewel de meningen daarover niet eensluidend zijn, is de KNVB van mening dat mede om praktische redenen onder hoogspanningsleidingen geen sportvelden moeten worden gesitueerd.

Situering ten opzichte van woningen Het komt steeds vaker voor dat in de (zeer) directe omgeving van een sportpark woningen worden gebouwd. Om problemen met de milieunormen met betrekking tot licht, geluid en afgevoerde lucht te vermijden, wordt aanbevolen rondom een strook ter breedte van 50 meter vrij te houden van bebouwing. Dit is overeenkomstig de aanbeveling van VNG en wordt tevens door de KNVB onderschreven. Verenigingen dienen nauwlettend (herziening van) bestemmingsplanprocedures en het verlenen van bouwvergunning(en) in de gaten te houden en gebruik te maken van de mogelijkheden om in te spreken, zienswijze kenbaar te maken en bezwaar aan te tekenen, teneinde het gebruik op korte en vooral ook op lange termijn veilig te stellen. Met betrekking tot aansprakelijkheidskwesties op en rond een sportpark is de KNVB van mening dat de eigenaar/verhuurder van een sportcomplex voldoende en adequate maatregelen moet treffen om voor de huurder een veilig sportgebruik te kunnen garanderen. Het is de eigenaar/verhuurder die de locatie, situering en omgeving van een sportpark bepaalt en het complex inricht. Een voetbalvereniging/huurder heeft hierop doorgaans weinig invloed. De eigenaar/verhuurder behoort ook de omgeving (bewoners van omliggende bebouwing, enzovoort) van een sportpark te vrijwaren van hinder of gevaar mogelijk veroorzaakt door sportgebruik.

Als op een bepaalde locatie standaardoplossingen op dit vlak niet volstaan, moeten aanvullende voorzieningen worden getroffen. Wedstrijdvelden Regels Het speeloppervlak moet bestaan uit natuurgras of kunstgras. De uitloopstroken behoren tot het speelveld en moeten aan dezelfde eisen voldoen. In/op het speeloppervlak mogen zich nooit spelvreemde elementen bevinden die gevaar kunnen opleveren voor de gebruikers. Het speeloppervlak mag alleen voorzien zijn van lijnen zoals in de Spelregels zijn beschreven. In het speelveld mogen geen vaste reclame-uitingen, namen, emblemen of logo's zichtbaar zijn. Natuurgras De grasmat moet voldoende gesloten zijn en steeds voldoende kort gemaaid. De gewenste graslengte is 3 à 5 centimeter. De maaihoogte en het tijdstip van maaien dient hieraan te worden aangepast. Het speeloppervlak moet egaal (vlak) zijn en mag geen scherpe overgangen bezitten. De maximale toegestane 'egale afwijking' is 20 millimeter. In de lengterichting is, bij een volledig veld van 100 meter, een helling van maximaal 40 centimeter toegestaan. In de breedterichting is een eenzijdig afschot van 20 centimeter nog geoorloofd, of een 'dakprofiel' van maximaal 15 centimeter. Het afschot moet steeds vloeiend in één lijn of via een tonrondte verlopen. Daarnaast moet het speelveld goed zijn ontwaterd.

Na kleine neerslaghoeveelheden (tot 5 millimeter in twee uur) moet een speelveld binnen dertig minuten bespeelbaar zijn; Na grotere hoeveelheden neerslag (tot 15 millimeter in 12 uur) geldt eveneens een termijn van 30 minuten. De toplaag moet zowel onder droge als natte omstandigheden voldoende stabiel zijn. Alle eigenschappen van het speelveld behoren uniform aanwezig te zijn. Aan het einde van het seizoen dient minimaal 60 procent van het totaaloppervlak nog aan de gestelde eisen te voldoen. De KNVB onderschrijft de normen voor (wedstrijd)grasvelden zoals vastgelegd in:

NOCNSF-KNVB2 d.d. maart 2003 (grasvelden); NOCNSF-KNVB2-15.1 d.d. maart 2012 (Wetravelden). Kunstgras Het gebruik van kunstgras in het amateurvoetbal is voor alle categorieën, competities en klassen in het amateurvoetbal toegestaan. De hoofdregels zijn: Kunstgrasvelden kunnen alleen voor officiële KNVB-wedstrijden worden gebruikt als deze zijn voorzien van een geldig keuringscertificaat. Voor dit keuringscertificaat moet de totale constructie voldoen aan de norm voor voetbal, zoals aangegeven in normblad NOCNSF/KNVB2-15 (met daarin opgenomen de FIFAvereisten voor de bovenbouw en de NOC*NSFconstructie-vereisten voor de onderbouw), de 'Spelregels veldvoetbal' en relevante bepalingen uit het Reglement Wedstrijden Amateur Veldvoetbal, het Bewaarnummer en andere door de KNVB uitgegeven aanbevelingen en richtlijnen. De houder/gebruiker van een kunstgrasveld dient, na afgifte van het certificaat, periodiek te kunnen aantonen dat het behoud van de sporttechnische eigenschappen voldoende is gewaarborgd en dat er te allen tijde sprake is van een veilig en verantwoord gebruik. Dit kan worden aangetoond via een keuring op de gebruiksnorm (NOCNSFKNVB2-18).

Voor gecertificeerde kunstgrasvelden na 1 juli 2010, geldt de verplichting dat deze in het achtste speelseizoen na certificering (evenals in het tiende en het twaalfde speelseizoen, en navolgende termijnen, afhankelijk van de resultaten) gekeurd moeten worden op het voldoen de gebruiksnorm, door een NOC*NSF/KNVB geaccrediteerd keuringsinstituut. Voorwaarde om KNVB-competitiewedstrijden te kunnen blijven spelen op het betreffende veld is dat de gemeten waarden binnen de marges van de gebruiksnorm vallen. De resultaten van de betreffende keuringen moeten in de vorm van een kopie van de rapportage van de keuring aan de KNVB worden overhandigd. Aanbevolen wordt het kunstgrasveld regelmatig te monitoren en te laten keuren om voldongen feiten te voorkomen. Aandachtspunten Het blijkt niet altijd mogelijk om voor de ingebruikname van een nieuw kunstgrasveld de keuringsprocedure volledig af te ronden. Zo willen sommige leveranciers/aannemers graag dat het veld enige tijd wordt ingespeeld vóór de eindkeuring plaatsheeft. Verder zijn er regelmatig (kleine) tekortkomingen die weliswaar ingebruikname niet in de weg staan, maar wel de administratieve afhandeling ophouden. De volgende handelwijze is, daar waar van toepassing, door de KNVB verplicht gesteld: KNVB-wedstrijden kunnen op kunstgras plaatsvinden als minimaal de voorloopkeuring met goed gevolg is afgerond.

Het erkende keuringsinstituut behoort dit per e-mail of telefonisch direct na afloop van deze keuring door te geven aan de KNVB. De administratieve afhandeling mag (iets) later. De KNVB informeert vervolgens de vereniging per email, waarna de administratieve afhandeling volgt. Het initiatief en de verantwoordelijkheid om de bond over een en ander tijdig te informeren, ligt in eerste instantie bij de vereniging. Een voorloopkeuring vervangt niet de keuring op de norm voor voetbal, maar biedt slechts enige flexibiliteit bij 'nog niet volledig' gekeurde velden. Een voorloopkeuring kan tot 1 maart van het betreffende speelseizoen. Daarna dient het veld, om KNVB-competitiewedstrijden op te mogen spelen, 'volledig' te voldoen aan de norm voor voetbal. Een voorloopkeuring brengt extra kosten met zich mee. Bemiddeling

Voor eventuele problemen met de keuring wordt aanbevolen direct contact te zoeken met de KNVB, die mogelijk kan bemiddelen. Dit kan met de afdeling Ondersteuning Clubbesturen van het betreffende speeldistrict of rechtstreeks met de afdeling accommodatiezaken van de KNVB in Zeist. De keuringsprocedure voor kunstgrasvelden kan versneld plaatsvinden als de KNVB en/of het keuringsinstituut vooraf bekend is/zijn met de situatie. Onderhoud Het is verstandig om bij de keuze van het kunstgrasveld rekening te houden met het volgende. De meeste 'sport-functionele' eigenschappen van het veld lopen, ondanks goed onderhoud, in de loop van de tijd in waarde terug en zijn zelden weer op niveau te brengen. Het is daarom van groot belang om bij een nieuw veld te zorgen voor voldoende 'overwaarde' en vanaf het begin zorg te dragen voor goed en gedegen onderhoud. Aanbevolen wordt het kunstgrasveld regelmatig te keuren en dit te monitoren, om tijdig te kunnen sturen op onderhoud en levensduur. Door de KNVB worden geen beperkende bepalingen voor het gebruik van schoeisel op kunstgrasvelden opgelegd, mits wordt voldaan aan de gestelde eisen in de 'Spelregels veldvoetbal'. In de praktijk is gebleken dat de spelers het voetballen op schoenen met een rubberen zool met vaste noppen, als het meest prettig ervaren.

Trainingsvelden Aanbevelingen Afmetingen Een trainingsveld heeft bij voorkeur de afmetingen van een wedstrijdveld. Dit om: wedstrijdsituaties volledig te kunnen nabootsen; tactische en technische trainingen goed tot hun recht te kunnen laten komen; het gebruik beter te kunnen spreiden en zo kwetsbare gebieden te mijden; onderlinge wedstrijdjes en oefenwedstrijden te kunnen spelen; meerdere groepen gelijktijdig te kunnen laten trainen. Speeloppervlak De speeleigenschappen dienen zoveel mogelijk overeen te komen met die van een wedstrijdveld. Dit houdt onder andere in: een vlak, stevig en stroef oppervlak; een uitstekende ontwatering (waterberging, waterdoorlatendheid, waterafvoer); geen scherpe delen aan het oppervlak; de mogelijkheid tot intensief gebruik, óók onder minder gunstige bodem- en weersomstandigheden; het behoud van speeleigenschappen bij intensief gebruik; gemakkelijk te onderhouden; zo mogelijk begroeid met gras.

N.b.: vanwege het aanmerkelijk intensievere gebruik van trainingsvelden, zijn de eisen die aan opbouw en onderhoud van een trainingsveld worden gesteld zwaarder dan bij een wedstrijdveld. (Half)harde speeloppervlakken (gravelvelden) De KNVB acht toepassing van halfharde en harde speeloppervlakken voor trainingsdoeleinden niet wenselijk. Dit vanwege speltechnische en mogelijk medische implicaties als gevolg van het gebruik van deze speeloppervlakken. Bovendien zijn er op deze velden eerder materiaal- en onderhoudtechnische problemen, waardoor voortdurend gericht en zorgvuldig onderhoud nodig is. Wetravelden Wetravelden zijn primair wedstrijdvelden waarop slechts in gedoseerde mate trainingen mogelijk zijn, waarbij de wedstrijdwaardigheid te allen tijde gewaarborgd moet zijn. Het trainingsgebruik mag daarom niet de overhand krijgen. Overbespeling of gebruik onder ongunstige weers- en terreinomstandigheden kunnen verder leiden tot verlies van eigenschappen en aantasting van de constructie. Overigens zijn niet alle Wetra-constructies geschikt voor (specifiek) trainingsgebruik. Kunstgrasvelden Kunstrasvelden zijn in principe onbeperkt bespeelbaar en derhalve goed inzetbaar als wedstrijd- én als trainingsveld. Voorwaarde is wel dat de veiligheid en bespeelbaarheid (ofwel de sporttechnische eigenschappen) voldoende gewaarborgd zijn.

Een erkend keuringsinstituut kan voor de vereniging een meting uitvoeren op de gebruiksnorm. Inrichting De ideale inrichting van een trainingsveld bestaat uit: twee vaste doelen (op de vaste plaatsen) met ballenvangers; extra ballenvangers (aan de lange zijden) voor elke speelhelft; voldoende verplaatsbare doelen van verschillend formaat; trainingsveldverlichting; rondom het veld een lage afscheiding met gaaswerk/staafmatten als lage 'ballenvanger'. Kleedgelegenheid / Clubgebouw Regels Elke bij de KNVB aangesloten vereniging is verplicht om (een) terrein(en) met, in de onmiddellijke nabijheid, voldoende kleedgelegenheid te hebben. Deze moeten voldoen aan de door het bestuur (KNVB) gestelde eisen. Per wedstrijd moeten afzonderlijke kleed/wasruimten beschikbaar zijn.

Voor bezoekende teams moet er een afsluitbare kleed/wasruimte zijn, of een afsluitbare (kast)ruimte waarin zij kleding en waardevolle spullen kunnen opbergen. In de kleedkamer of de directe nabijheid daarvan moeten voldoende toiletvoorzieningen zijn. De scheidsrechter(s) en eventuele neutrale assistent-scheidsrechters behoren de beschikking te hebben over voldoende en afzonderlijke kleed-, was- en toiletgelegenheid. De kleedruimte moet qua inrichting, afmetingen en uitvoering voldoen aan de richtlijnen. De kleedgelegenheid moet altijd 'medisch/hygiënisch verantwoord' schoon zijn. Parkeergelegenheid Auto's, maar ook de verschillende soorten tweewielers en soms zelfs touringcars behoren op of bij de accommodatie in voldoende mate een geschikte plek te kunnen vinden. Aanbevelingen De KNVB stelt geen kwantitatieve eisen aan de parkeergelegenheid van een vereniging, maar vindt uiteraard wel dat deze moet voldoen aan de behoeften van de bezoekers. Informatie over parkeernormen zijn te vinden in de CROW-publicatie 'Parkeerkerncijfers' en bij de ASVV (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom).

De noodzaak om een auto te gebruiken is afhankelijk van de: afstand tussen woning en sportpark; bereikbaarheid per openbaar vervoer; ontsluiting voor fietsers en bromfietsers; verkeersveiligheid en sociale veiligheid van de route; aanwezigheid van goede stallingmogelijkheden. Als bij de locatiekeuze en inrichting van een sportpark met deze factoren rekening gehouden kan worden, biedt dit mogelijkheden autoverkeer en de noodzaak van parkeerruimte te beperken. Bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor een nieuw sportpark kan een goede inventarisatie een praktisch hulpmiddel zijn. Een goede inventarisatie omvat de volgende informatie. aantal parkeerplaatsen in de oude situatie (op parkeerterrein bij sportpark, in bermen, in straten, op bedrijfsterreinen en bij kantoren); frequentie knelpunten (wekelijks of twee keer per jaar); aantal toeschouwers (gemiddeld en piekbezoek); aantal eigen leden dat met de auto komt (wedstrijden en training); mogelijkheden tot medegebruik in nieuwe situatie (scholen, bedrijven, kantoren, winkelcentra, enzovoort); overlast bij piekbelasting voor omgeving in nieuwe situatie; tijdelijke parkeermogelijkheden bij piekbelasting (pleinen, grasstroken, semi-verharde terreinen);

dubbel gebruik voor andere activiteiten (andere sport, kermis, stallen vrachtauto's, enzovoort). Tweewielers Fietsen, bromfietsen en scooters moeten nabij het clubgebouw kunnen worden gestald, zodat visueel en sociaal toezicht mogelijk is. Bij voorkeur wordt de stallingruimte binnen het sportpark gesitueerd. Er moeten voldoende klemmen, rekken of beugels worden aangebracht, opdat fietsen geordend kunnen worden gestald en op slot gezet/ vastgezet. Voor bromfietsen en scooters moet rekening worden gehouden met een aparte verharde ruimte. Mindervaliden Een sportpark behoort direct nabij de hoofdingang voldoende ( minimaal twee) speciaal aangegeven parkeerplaatsen voor mindervaliden te hebben. Voor informatie over de inrichting en maatvoering van dit type parkeerplaatsen wordt verwezen naar het Handboek voor Toegankelijkheid (laatste editie). Touringcars Hoewel voor wedstrijdbezoek steeds minder vaak een touringcar wordt ingezet, kan het wenselijk zijn om bij de inrichting van een parkeerterrein hiermee toch rekening te houden. Voor een touringcar is een ruimte van 25 x 5 meter benodigd. 'Los- en laadperron' Bij veel sportparken is het op zaterdagochtend een komen en gaan van ouders die hun kinderen brengen en halen. Vaak hebben zij geen parkeerplaats nodig, maar slechts voor enkele minuten een veilige plek om de kinderen te kunnen 'lossen of laden'.

Door hiervoor een aparte voorziening op te nemen, kunnen de soms chaotische toestanden voor de poort worden voorkomen. Vrije hoogte boven speelveld Regels Boven het speelveld mogen zich geen hinderlijke of gevaarlijke obstakels bevinden. Toelichting In de Spelregels veldvoetbal wordt er vanuit gegaan dat boven het speelveld en directe omgeving (de uitloop) géén hinderlijke obstakels (zaken waarmee spelers of bal in aanraking kunnen komen of waarvan zij hinder kunnen ondervinden) aanwezig zijn. Een bepaling over de aan-/afwezigheid van een dak ontbreekt. Aanbevelingen In het amateurvoetbal is er nogal eens sprake van hinder en overlast van bomen en beplanting. Bomen en struiken staan vaak te dicht op het veld, waardoor boven de uitloop en het speelveld takken kunnen hangen. In het najaar laten bepaalde bomen hun vruchten vallen - eikels, kastanjes - waardoor voor een speler die valt een minder prettige situatie ontstaat.

Van indirecte invloed, maar veel ingrijpender, is de negatieve invloed van bomen en hoge plantstroken op de bespeelbaarheid van de velden. Door de sterke schaduwwerking droogt het veld minder goed en zijn vaak slechte speelcondities of zelfs afgelastingen het gevolg. Hoog opgaande bomen en plantstroken dienen daarom op voldoende afstand van het veld te worden geplaatst. In het ontwerp dient al rekening te worden gehouden met de uiteindelijke vorm van de soort boom en de plaats ten opzichte van de zonnestand. Beplanting aan de zuidzijde van een veld geeft meer overlast dan bomen aan de noordzijde. Er dient regelmatig en vooral tijdig te worden gesnoeid. Te vaak wordt te laat ingegrepen waardoor situaties ontstaan die lastig zijn om terug te draaien, zoals bijvoorbeeld bij het ontbreken van een kapvergunning. Met betrekking tot stadions hebben de FIFA en UEFA bepaald dat voor een uitschuifbaar dak, een geluidsinstallatie of videowall boven het speelveld, er een vrije hoogte van 30 meter moet worden aangehouden. Voor de overige accommodaties geldt dat dit soort voorzieningen buiten het speelveld moeten worden geplaatst. Voor leidingen, kabels en dergelijke geldt dat ze in de meeste gevallen in de grond worden aangebracht. Tijdelijke kabels, zoals voor een tijdelijke geluidsinstallatie, moeten buiten het speelveld om worden geleid.

Voor hoogspanningsleidingen boven een veld wordt verwezen naar het betreffende hoofdstuk

TENNIS Baanaanleg Algemeen In Nederland is gravel nog steeds de meest voorkomende baansoort. Toch is er een duidelijke ontwikkeling te zien dat verenigingen steeds vaker kiezen voor een baansoort die het speelseizoen verlengt of zelfs het hele jaar door te bespelen is. Uitgangspunt is vaak dat deze baansoort de speeleigenschappen van het gravel benadert, maar minder onderhoud vergt. Veel bedrijven zijn dan ook op zoek naar de ideale vervanger voor gravel, maar met minder onderhoud en het hele jaar door te bespelen. Belangrijk is dat verenigingen kiezen voor een baansoort die staat vermeld op de sportvloerenlijst. Dit betekent dat deze baansoort is erkend en goedgekeurd voor het spelen van competitie en toernooien onder auspiciën van de KNLTB. In geval sprake is van renovatie, ombouw of nieuwe aanleg dienen tennisbanen te worden gekeurd. Voor meer informatie over het keuren van tennisbanen verwijzen wij u naar het document ‘kwaliteitsnormen en keuringsprocedure tennisbanen ’. Baantypen Tennisbanen zijn grofweg onder te verdelen in een zestal baansoorten, gebaseerd op het type toplaag en soms ook op de fundering (gebonden of ongebonden), zie tabel E2.60.1. Elk type baan heeft globaal de volgende constructieopbouw: Toplaag: De toplaag is de bovenste laag van de tennisbaan, die de meeste speltechnische eigenschappen bepaalt.

Fundering: De fundering (het fundament) is een stabiele laag onder de toplaag. Deze laag, die ook wel de sporttechnische laag wordt genoemd, vormt de basis voor de toplaag en moet daarom niet alleen waterdoorlatend zijn, maar ook goed verdicht en vlak te maken. Onderbouw: De onderbouw is dat deel van de constructie waar fundering en toplaag op steunen. De onderbouw bestaat vaak uit waterdoorlatend genormeerd zand met een goed waterbergend vermogen. Constructiehoogte Ieder baantype heeft ook zijn eigen constructiehoogte, zie tabel E2.60.2. De ondergrond voor een standaardconstructie moet aan de onderstaande randvoorwaarden voldoen: De ondergrond moet vrij zijn van (ongelijkmatige) zetting; De grondwaterstandbeheersing van de ondergrond (de omgeving) moet minimaal 500 mm onder het maaiveld liggen; Het eventuele drainagestelsel (h.o.h. maximaal 4 meter) moet zich bij voorkeur op of direct onder de bodem van het cunet van de standaard constructie bevinden; De volledige constructie moet ongevoelig zijn voor vorst, conform de norm ISA-CONSTR2 (september 2001). Als de ondergrond niet aan bovenstaande randvoorwaarden voldoet, kan een afwijkende genormeerde constructie worden gebouwd (ongebonden, deels gebonden of gebonden) die aan bepaalde eisen moet voldoen.

Ongebonden constructie De constructiehoogte moet minimaal 400 mm zijn. De constructie moet bestaan uit alternatieve, lichtgewicht materialen die genormeerd zijn. Deels gebonden constructie De constructiehoogte moet minimaal 400 mm zijn. Een constructie kan bestaan uit een standaard toplaag, een standaard fundering en een onderbouw bestaande uit genormeerd zand met een drainage op een onderlinge afstand van 2 meter. Een constructie kan ook bestaan uit alternatieve, lichtgewicht materialen die genormeerd zijn. Gebonden constructie De constructiehoogte moet minimaal 450 mm zijn. De constructie moet bestaan uit alternatieve, lichtgewicht materialen die genormeerd zijn. In zeer specifieke situaties is het niet mogelijk om te bouwen volgens de hierboven genoemde (afwijkende) genormeerde constructieopbouw. In dat geval bestaat de mogelijkheid tot een niet genormeerde, afwijkende constructieopbouw, waarbij de gehele constructie (of een gedeelte daarvan) niet voldoet aan de materiaaltechnische en/of constructietechnische normen van NOC*NSF. Een dergelijke constructie kan alleen worden toegepast als het constructievoorstel door de afdeling Advies van ISA Sport (of een gelijkwaardige instantie) is beoordeeld en akkoord bevonden. Daarvoor is vaak wel aanvullend onderzoek nodig.

Sportvloerenlijst De sportvloeren die voldoen aan de KNLTB/NOC*NSF kwaliteitsnormen zijn opgenomen in de zogenoemde ‘Sportvloerenlijst Tennis (outdoor)’. Op deze lijst zijn ook de verschillende kwaliteitsaspecten als sportfunctionaliteit, bespeelbaarheid en duurzaamheid beoordeeld en beschreven. De lijst bestaat uit drie onderdelen: goedgekeurde vloeren , erkende en gecertificeerde vloeren en tennisvloeren in onderzoek . Bij de laatste categorie is uit laboratoriumonderzoek gebleken dat de vloeren sportfunctioneel geschikt zijn voor tennis. Andere eigenschappen van de vloeren zijn echter nog onvoldoende bekend en vragen om nader onderzoek in de praktijk voor ze een definitieve erkenning kunnen krijgen. Het gaat dan met name over de duurzaamheid. Voor de goedgekeurde vloeren geldt dat uit laboratoriumonderzoek en uit (éénmalig) onderzoek in de praktijk is gebleken dat de vloer voldoet aan de normen. Als een sportvloer het onderzoek en de goedkeuringsfase (het praktijkonderzoek) heeft doorlopen, mag hij worden aangelegd. Vervolgen keurt een keuringsinstantie de vloeren op locatie. Daarna wordt de vloer aan de lijst toegevoegd onder de noemer erkend en gecertificeerd . Alle sportvloeren die in deze brochure ‘Baansoorten in Beeld’ worden beschreven, horen thuis in deze laatste categorie. Hoe gebruikt u de sportvloerenlijst

U kunt de sportvloerenlijst vinden op de website van ISA Sport (www.isa-sport.com). Klik in het menu ‘Sportvloerenlijst’ op de ‘Sportvloeren wizard’ en vervolgens op ‘Tennis (outdoor)’. Kies één van de drie onderdelen (in onderzoek, goedgekeurd of erkend en gecertificeerd), klik op de gebruiksvorm ‘Wedstrijd en Training’ en de lijst met verschillende baantypen verschijnt. U kunt hier de gewenste sportvloer bekijken en u vindt informatie over de aannemer die de sportvloer kan aanleggen. Elke vloer wordt beschreven in een algemeen onderdeel ‘Sportvloer’ en een uitgebreider onderdeel ‘Sportvloerkarakterisering’. In Figuur E2.60.1 staat een voorbeeld van de sportvloer gravel, wanneer u de sportvloerenlijst op de website raadpleegt. Sportvloer 2 Baansoorten Tegenwoordig zijn er diverse baansoorten op de markt waaruit verenigingen kunnen kiezen. De keuze van een baansoort is van verschillende factoren afhankelijk. Een van de uitgangspunten is dat de baansoort door het merendeel van de leden wordt gedragen en dat het aansluit bij de doelstellingen van de vereniging. In de KNLTB brochure Baansoorten in Beeld wordt uitgebreid stilgestaan bij de verschillende baansoorten. Deze brochure is een belangrijk hulpmiddel om te komen tot een juiste baansoortkeuze. In het kort volgt hier van de erkende en gecertificeerde baansoorten (maart 2008) een overzicht naar type baan..

A MINERAAL (ONGEBONDEN) A1 GRAVEL Algemeen Gravel is een mengsel van gemalen baksteen en gebroken materiaal, afkomstig uit de keramische industrie. Van oudsher hebben de meeste verenigingen in Nederland gravelbanen: daardoor zijn ze de standaard geworden waar nieuw ontwikkelde banen mee worden vergeleken. Bijzonderheden: de baan vergt gedegen voor- en najaarsonderhoud; beregening is noodzakelijk; het speelseizoen loopt van 1 april tot 1 oktober.

A2 CANADA TENN Algemeen Canada Tenn is gemaakt van een hard en zeer slijtvast natuurgesteente dat oorspronkelijk in Canada werd gewonnen, maar ook in Europa voorkomt (bijvoorbeeld in Duitsland). Het ruwe basismateriaal wordt zodanig bewerkt dat een samenstelling met verschillende korrelgroottes ontstaat. Met kalk als bindmiddel is dit grijsgroene materiaal goed te gebruiken als toplaag voor tennisbanen. De eerste Canada Tennbaan is rond 1995 aangelegd. Bijzonderheden: de baan wordt eenzijdig onder afschot aangelegd;

het oppervlaktewater wordt afgevoerd door middel van goten; beregening is noodzakelijk; het speelseizoen loopt van 1 april tot 1 oktober; Canada Tenn is een seizoensverlengende baansoort (afhankelijk van de weersomstandigheden). Constructieopbouw A3 FRENCH COURT Algemeen French Courtbanen bestaan uit een combinatie van gravel en kunstgras. Ze zijn goed te vergelijken met gravelbanen, zowel in de voordelen (vooral sportfunctioneel) als in de nadelen (de baan is gevoelig voor water, sterk aan slijtage onderhevig en vergt intensief en specialistisch onderhoud). French Court komt speltechnisch sterk overeen met gravel en is dan ook gelijkgesteld met gravelbanen voor het spelen van KNLTB-wedstrijden. Sinds november 2001 staat French Court vermeld op de sportvloerenlijst van erkende baansoorten. Bijzonderheden: de kunstgrasmat moet tot de top van de vezel met zand en gravel gevuld zijn; beregening is noodzakelijk: het gravel in de mat mag niet uitdrogen; het speelseizoen loopt van 1 januari tot 31 december. Constructieopbouw B MINERAAL (GEBONDEN) B1 BETONBANEN Algemeen Betonbanen bestaan uit waterdoorlatend beton met een coating. Ze worden ook wel hardcourt-, mateco- of all weatherbanen genoemd en kunnen het hele jaar bespeeld worden. De volgende erkende en gecertificeerde sportvloeren zijn betonbanen: Eurotop; Nootenboom All Weather Beton; Poritop.

Constructieopbouw B2 TENNISFORCE Algemeen TennisForce bestaat uit een halfverharding, gebonden door polyurethaan, en is afgestrooid met gravel. De baan komt speltechnisch sterk overeen met gravel en is dan ook gelijkgesteld met gravelbanen voor het spelen van KNLTB-wedstrijden. Bijzonderheden:

de baan wordt eenzijdig onder afschot aangelegd; het oppervlaktewater wordt afgevoerd door middel van goten; beregening is noodzakelijk; het speelseizoen loopt van 1 januari tot 31 december. Constructieopbouw C KUNSTSTOF C1 RECAFLEX Algemeen Recaflexbanen zijn banen met een kunststof toplaag. In Nederland worden deze banen relatief weinig aangelegd, dus de ervaring is gering. De banen zijn het hele jaar bespeelbaar. Constructieopbouw C2 POROUS KUSHION KOURT Algemeen Porous Kushion Kourt bestaat uit een PVC-mat met allemaal kleine kussentjes (wafelstructuur) die is afgewerkt met een antislip coating. De toplaag kan op een waterdoorlatende onderbouw worden aangebracht. De baan is het hele jaar bespeelbaar. Constructieopbouw C3 EASICLAY Algemeen EasiClay komt in grote mate overeen met Porous Kushion Kourt. Het enige verschil is dat de mat bij EasiClay wordt afgestrooid met rubbergranulaat: daardoor glijdt de baan beter (spelers kunnen zelfs slidings maken). Beregening is niet nodig. De baan is het hele jaar bespeelbaar. Constructieopbouw C4 TENNISFLOOR PRO Algemeen Onder de toplaag is een waterondoorlatende cementvloer aanwezig. Dit systeem kan zowel indoor als outdoor gebruikt worden. Bijzonderheden: de baan wordt eenzijdig onder afschot aangelegd; het oppervlaktewater moet worden afgevoerd door lijngoten o.i.d.; het speelseizoen loopt van 1 januari tot 31 december.

Constructieopbouw D ZANDKUNSTGRAS D1 ZANDKUNSTGRASBANEN Algemeen De volgende erkende en gecertificeerde sportvloeren zijn zandkunstgrasbanen: SmashCourt; Advantage Red Court; Pro Vision. Bijzonderheden: het zand moet worden ingestrooid tot de top van de kunststofvezels; de vezels zijn korter en staan dichter op elkaar dan bij zandkunststof; afschot is niet toegestaan; het speelseizoen loopt van 1 januari tot 31 december. Constructieopbouw E ZANDKUNSTSTOF (OP ONGEBONDEN ONDERBOUW) E1 ZANDKUNSTSTOFBANEN (op ongebonden onderbouw) Algemeen Voor zandkunststofbanen zijn er momenteel twee vezeltypen op de markt verkrijgbaar, te weten de gefibrilleerde vezel en de monofilament vezel. Bij gefibrilleerde vezels komt het vezelmateriaal als een folie uit de machine en wordt vervolgens ingesneden. Hierdoor ontstaat een soort netwerkstructuur. Na aanleg zullen de vezels dan ook verder losscheuren (fibrilleren). Tot voor kort werd dit type vrijwel altijd toegepast bij tennisbanen. Monofilamentvezels worden niet uit een folie gesneden, maar als kant en klare vezels uit een mal gespoten (als een draad). Hierdoor zullen ze niet meer fibrilleren. Overweegt u de aanleg van een zandkunststofbaan, laat u dan voorafgaand aan uw keuze grondig voorlichten over de voor- en nadelen van de verschillende vezeltypen.

Bijzonderheden: het zand moet worden ingestrooid tot de top van de kunststofvezels; de vezels zijn langer en staan iets verder uit elkaar dan bij zandkunstgras; afschot is niet toegestaan; het speelseizoen loopt van 1 januari tot 31 december. Constructieopbouw

F ZANDKUNSTSTOF (OP GEBONDEN ONDERBOUW) F1 ZANDKUNSTSTOFBANEN (op gebonden onderbouw) Algemeen Deze baansoort is grotendeels gelijk aan zandkunststof op een ongebonden onderbouw. Het enige verschil is de aanwezigheid van een gebonden onderbouw in de vorm van asfalt of open beton (Mateco). Bijzonderheden: het zand moet worden ingestrooid tot de top van de kunststofvezels; de vezels zijn langer en staan iets verder uit elkaar dan bij zandkunstgras; afschot is niet toegestaan; het speelseizoen loopt van 1 januari tot 31 december. Constructieopbouw Reglementaire eisen tennisbanen Algemeen Op grond van het KNLTB Competitie- en Wedstrijd- en Toernooireglement dienen de banen welke worden gebruikt voor officiële KNLTB-wedstrijden en na 1 januari 1997 zijn aangelegd, gerenoveerd of omgebouwd het KNLTB/NOC*NSF-keurmerk te hebben verkregen. Naast toetsing aan criteria ten aanzien van duurzaamheid, bespeelbaarheid en aanleg in de praktijk, houdt dit onder meer in dat de banen minimaal moeten voldoen aan de onderstaande nadere eisen. Afmetingen Opmerking: Alle banen die na 1981 nieuw zijn aangelegd, dienen aan deze minimumeisen te voldoen. Voor banen die vóór 1981 zijn aangelegd, kan de KNLTB dispensatie verlenen voor het deelnemen aan de competitie en het organiseren van toernooien. Bij renovatie van de banen kan een vereniging meestal de uitlopen niet wijzigen.

Gaat een vereniging de inrichting/baanopstelling volledig wijzigen, dan zullen de uitlopen aan de hierboven genoemde eisen moeten voldoen. Hoogteligging Banen zonder afschot: De baan dient nergens een groter verschil in hoogteligging te hebben dan 1,5 cm met de gemiddelde hoogteligging. Banen onder afschot:

In een lengteraai (= hoogteligging op één lijn) van de baan dient nergens een groter verschil in hoogteligging te zijn dan ‘plus’ of ‘min’ 1,5 cm met de gemiddelde hoogteligging in de lengterichting van de raai. De gemiddelde hoogteliggingen van de lengteraaien bepalen het afschot. Het afschot dient maximaal 10 cm op 18 meter te bedragen. Het afschot mag alleen in de breedterichting van de baan liggen, zodat het afschot gericht is naar één lange zijde van de baan. Vlakheid De vlakheid behoort 5 mm onder een 3 meter rij als bovengrens te kennen. Netpalen De afstand van het speeloppervlak tot de bovenkant van de netkabel behoort 107 cm te zijn. De paal dient zo te worden geplaatst dat een net van 12,80 m hiertussen kan worden geplaatst. De netpalen staan aan weerszijden van het midden der zijlijnen.Het hart van de netpaal behoort 91,4 cm van de buitenzijde van de dubbelspelbelijning te worden geplaatst. Aanvullende eisen ten aanzien van andere baansoorten dan gravel 1. De afmetingen van het speelveld en de belijning moeten zijn zoals die te vinden zijn in de uitgave ‘Tennisregels, gespeld en gespeeld’, laatste uitgave. 2. Het oppervlak mag niet glanzend zijn (de lichtreflectie moet kleiner zijn dan 15 0/ 00 gemeten met een glansmeter). 3. Er dienen geen drempels (scherpe overgangen) in het oppervlak voor te komen. 4. Naden in constructies mogen niet breder zijn dan 5 mm. 5.

De kleur van het speelveld binnen de belijning dient gelijk te zijn. Het speelveld en de uitlopen mogen niet wit of geel zijn. 6. De belijning behoort ononderbroken wit of geel te zijn. 7. Er mag geen groter gemiddeld hoogteverschil zijn in het speeloppervlak dan 1,5 cm.

Figuur E2.60.2 Overzicht baanligging en maatvoering Voor meer informatie en een nadere detaillering zie het KNLTB document ‘Veiligheidsvoorschriften tennisbanen’.

Baaninrichting Hekwerken Algemeen a. Een hekwerk om de banen is nodig om de bal tegen te houden, het baanoppervlak tegen schade te beveiligen en het publiek te beschermen. b. Het hekwerk kan in variabele hoogten worden aangebracht. Onder normale omstandigheden voldoet een hoogte van 3 meter, waarbij de lengtezijde ledikantvormig kan verlopen naar 1 meter hoogte. Echter bij bijzondere situaties zoals grenzend aan sloten, openbare weg, en dergelijke is een hoogte van 4 meter aan te bevelen. c. De eventueel te plaatsen hekwerken rondom het gehele park blijven hier buiten beschouwing. Constructie a. Staanders buis- of profielvormig van verzinkt staal of aluminium in betonpoeren. De onderlinge afstand bedraagt ongeveer 3 meter. b. Bovenregels van staal of aluminium buis. c. Tussenregels zijn alleen noodzakelijk bij hekwerken hoger dan 3 meter.

d. Onderregels worden meestal niet toegepast in buisvorm, echter in uitvoering als spandraad. Buisvorm is een degelijker doch wat duurdere constructie, die het voordeel biedt dat het gaas hier beter aan kan worden bevestigd. e. Het gaas bestaat meestal uit groen of zwart geplastificeerd harmonicagaas met een maaswijdte van 40 mm, draaddiameter 3 mm. Ballenvangers Het is niet toegestaan om tussen de banen zogenaamde ‘ballenvangers’ te plaatsen Baantoegangshekken a. Het is aan te bevelen per baan 1 afsluitbaar toegangshek (breedte ongeveer 1 meter) op te nemen. b. Per baanblok een der toegangshekken (deuren) uit te voeren met een doorgangsbreedte van minimaal 2 meter in verband met onderhoudsmachines en eventuele rolstoeltennissers. c. Een toegangspoort dient naar buitendraaiend en afsluitbaar te zijn. Wind- of zichtafschermingsmatten a. Indien gewenst kunnen deze tegen het hekwerk worden aangebracht (uitvoering in rustgevende kleur bij voorkeur groen). b. Bij toepassing van deze matten is het noodzakelijk, dat er in verband met windbelasting schoren worden aangebracht. Dit dient in nauw overleg met de fabrikant te geschieden (in verband met garanties). Reclameborden Het gebruik van reclameborden langs tennisbanen is toegestaan, mits de borden dusdanig zijn geplaatst dat wordt voldaan aan de eisen ten aanzien van de uitlopen.

Bovendien mogen de borden niet zijn uitgevoerd in voor de spelers hinderlijke kleuren als wit, geel of fluorescerende kleuren. Indien televisieopnamen worden gemaakt zijn aanvullende eisen van toepassing. Inrichtingsmaterialen Algemeen Ter completering van een tennisbaan zijn diverse inrichtingsmaterialen vereist. Netpalen Alhoewel verschillende typen mogelijk zijn, raden wij uit praktische overwegingen aluminium geanodiseerd netpalen met ankerpoer aan en winders met afneembare handslingers. Tennisnet a. Bestaande uit een stalen (geplastificeerde) spankabel. b. Een dubbelgeweven bovenband, waaraan een nylonnet of polytheenvlechtnet is bevestigd. Adjusterband met netjuster

a. Adjusterbanden in katoen- of nylonuitvoering. b. Netadjuster ter afstelling van de juiste nethoogte, welke wordt bevestigd aan een betonnen ankerblokje met ring. Enkelspelpaaltjes a. Uitvoering in aluminium. b. Het is gewenst op deze paaltjes een merkteken aan te brengen (91,4 cm uit de voet) in verband met het meten van de juiste nethoogte. Speellijnen Vaste belijning:Tegenwoordig zijn er steeds meer baansoorten waarvan de belijning wordt ingetuft of rechtstreeks op de baan wordt aangebracht in de vorm van bijvoorbeeld een coating. Losse belijning (denk aan gravelbanen, Canada Tenn enz.), hierin onderscheiden we drie soorten: Spijkerarme belijning is gemaakt van PVC en wordt in rollen aangevoerd in breedten van 50 mm. In de lijnen zijn om de 250 mm gaten geboord. Spijkerloze U-profielbelijning heeft de vorm van een omgekeerde U en wordt geleverd in lengten van 1.400 mm en in breedten van 50 mm. De belijning is gemaakt van hard PVC en aan de bovenkant gestructureerd. Twee gedeelten worden aan elkaar vastgemaakt met een verbindingsstuk. De uitzetvoeg tussen twee delen moet minstens 10 mm bedragen. Spanbelijning wordt aangevoerd op rollen, is gemaakt van hard PVC en voorzien van sleuven. De belijning wordt gelegd met behulp van een spanapparaat: het materiaal wordt opgerekt en vastgezet met ankers.

De breedte van de speellijnen staan weergegeven in hoofdstuk E2.60.3 Baanaanleg, Reglementaire Eisen, Tabel afmetingen. Scheidsrechtersstoel a. Diverse typen zijn in de handel verkrijgbaar in verschillende uitvoeringen. b. De stoel dient zodanig te worden geplaatst, dat de scheidsrechter zo min mogelijk last van de zon heeft. In het Competitiereglement en Wedstrijd- en Toernooiregelement is vastgelegd waar de scheidsrechtersstoel op de baan mag staan. Scoreborden a. Diverse typen zijn in de handel verkrijgbaar. b. Bevestiging aan een staander of ligger van een (ledikant)hekwerk of bevestigd aan een statief. Bevestiging aan een scheidsrechtersstoel is ook een mogelijkheid. Bevestiging van het scorebord aan de netpaal is niet toegestaan. Beregeningsinstallaties Algemeen

Voor de meeste baansoorten zijn beregeningsinstallaties noodzakelijk om de baan in goede conditie te houden. In geval gebruik wordt gemaakt van een beregeningsinstallatie is een watertappunt op de baan aan te bevelen. Dit geldt ook als gebruik wordt gemaakt van een automatische beregeningsinstallatie. Wanneer sprake is van een baanblok van twee banen kan gebruik worden gemaakt van één tappunt en bij voorkeur plaatsen in het midden tussen twee netpalen van beide banen in. Met de capaciteit van de leidingen moet men rekening houden met uitbreidingsmogelijkheden.Uiteraard dienen de leidingen onder de baan voor het aanleggen van de banen te worden aangelegd. Vergeet daarbij niet dat een aftapmogelijkheid aanwezig moet zijn met het oog op bevriezing. Watervoorziening a. Te betrekken via een waterleverend bedrijf (meestal een gemeentelijke of provinciale instantie). b. In verband met de aanslag verontreinigingsheffing door de overheid wordt geadviseerd een aparte watermeter te plaatsen voor het opmeten van het watergebruik ten behoeve van was- en kleedlokalen en kantine. c. Via een bron grondwater aan te trekken. Meestal is hiervoor een toestemming vereist. Deze manier van watervoorziening zal niet altijd voordeel bieden boven de onder a genoemde methode in verband met hoge kosten voor het slaan van een bron en eventuele door de overheid toe te passen belastingen en/of toeslagen.

Informeer vooraf en laat watermonsters nemen. Een bijkomend nadeel is de noodzakelijke aanschaf van een veel duurdere vuilwaterpomp. d. Via openbaar water (vijvers/sloten) door middel van een pompinstallatie. Het nemen van watermonsters is noodzakelijk met het oog op agressiviteit van het water (ijzer, kalk of zouthoudend) en algen- of mosvorming. Handsproei-installatie a. Het watertappunt aan te brengen aan de zijkant van de baan in het midden van de baanlengte. Dit tappunt hetzij in een betonnen putje in de grond of opgevoerd op een betonnen paal ongeveer 80 cm boven de grond. De kraan te voorzien van een afneembare afsluiter en brandslangkoppeling. b. Toe te passen slangen van min. 20 meter. Uitvoering in pvc, plastic of rubber (per tappunt één slang). Aanbevolen wordt een niet daglichtdoorlatende slang in verband met algengroei. c. Sproeiers of broezen in koperen of roestvrij stalen uitvoering, waarbij het water verneveld op het baanoppervlak terecht komt. d. Voordeel handsproei-installatie: e. Een goede dosering van water waar nodig. f. Nadeel handsproei-installatie: g. Arbeidsintensief. Automatische beregeningsinstallatie a. Bij dit systeem worden op diverse plaatsen volgens richtlijnen van de KNLTB in de baan sproeikoppen aangebracht die door leidingen worden verbonden en welke tegelijk het gehele baanoppervlak bestrijken. b.

Tevens kan met dit systeem meer dan één baan tegelijk worden besproeid, waarbij de installatie met de hand in werking wordt gesteld, dan wel volautomatisch kan worden geregeld door middel van elektronische bediening (tijdstip en hoeveelheid). c. Voordelen automatische sproei-installatie: Minder arbeidsintensief; Tijdbesparend; Er kan ës nachts worden gesproeid d. Nadelen automatische sproei-installatie: Grotere investering Bij sterke wind moet men bijsproeien (met handsproeier). Verwarming Gravelbanen

Baanverwarming kan het speelseizoen van met name gravelbanen verlengen. Hierbij wordt onder de gravellaag een buissysteem aangebracht waar relatief warm grondwater doorheen wordt gepompt. Zo blijven de banen bij lichte tot matige vorst ijs- en sneeuwvrij en kunnen gravel en belijningen dus niet bevriezen. Op een bepaalde diepte heeft grondwater een temperatuur van zo’n 12°C. In de zomer wordt het water opgepompt en via een buizensysteem onder de tennisbaan geleid. Het water neemt warmte op uit de door de zon verwarmde omgeving. Het water warmt zo op tot wel 18°C en wordt vervolgens in een ondergrondse put opgeslagen, waar het op temperatuur blijft. In de winter kan dat verwarmde water door het systeem weer worden teruggepompt naar de oorspronkelijke bron en geeft dan onderweg warmte af aan de banen. Baanverlichting Tennis in de avonduren vraagt om verlichting. Voor het aanbrengen van tennisbaanverlichting zijn aanbevelingen opgesteld door de KNLTB, NOC*NSF en de NSVV. Zoals de onderstaande tabel laat zien, zijn er negen categorieën, onderverdeeld in drie klassen. De meeste tennisbaanverlichtingen vallen in klasse II. Laat u voor de aanschaf van een bepaald systeem goed adviseren over de mogelijkheden. U kunt daarvoor natuurlijk contact opnemen met een leverancier, maar ook een bezoek aan andere verenigingen kan u al veel inzicht verschaffen.

Aandachtspunten bij aanschaf zijn onder andere: de capaciteit van de bestaande elektrische voorziening (is uitbreiding nodig?); de lichthinder voor de omgeving; het beoogde gebruik (wedstrijd en/of training); de bedieningsmogelijkheden; de hoogte van de lichtmasten (voorkeur 15 meter); de fundering van de lichtmasten; de veiligheid (wie gaat het onderhoud verrichten); de aanvraag van de aanlegvergunning (let op het bestemmingsplan)

Lichtmasten a. Meestal zijn 4 masten nodig voor 1 t/m 3 banen direct naast elkaar gelegen.

b. De hoogten van deze masten bedragen dan respectievelijk 12, 15 en 18 meter. c. Er zijn systemen waarbij een lichtmasthoogte van 7 of 9 meter wordt toegepast. d. De armaturen moeten bereikbaar zijn door middel van klimsporten (vast of demontabel) voor het vervangen van lampen, afstellen van armaturen en onderhoud. Ook is het mogelijk om zogenaamde kantelbare masten te installeren. e. Plaatsing, verankering en dergelijke is geheel afhankelijk van plaatselijke omstandigheden en grondslag. Bekabeling a. De voeding vanaf de hoofdkabel van het energie leverende bedrijf dient van voldoende capaciteit te zijn. Wanneer dit niet het geval is zal dit extra hoge kosten met zich meebrengen. b. Bij de aanleg van nieuwe banen kunnen vooraf schutbuizen onder de baan worden aangebracht voor het later inbrengen van bekabeling. c. Bij bestaande banen kunnen deze kabels in naastgelegen paden of groenstroken worden aangebracht. Armaturen a. Deze worden meestal uitgevoerd in aluminium of roestvrij staal. b. De keuze van lampen en armaturen moet aan specialisten worden overgelaten in verband met eisen lichtsterkte, gebruik van de installatie, omgeving etc. Voor- en nadelen verlichting a.

Voordelen: Wanneer de verlichting brandt van 1 april - 15 oktober vanaf zonsondergang tot 23.00 of 24.00 uur heeft men respectievelijk ongeveer 280 - 455 speeluren per baan per seizoen meer beschikbaar (zomertijd en onbespeelbaar weer ingecalculeerd); Er kunnen meer leden worden toegelaten mits speeltijden per speler worden vastgesteld; Wedstrijden die door invallende duisternis zouden moeten worden gestaakt, kunnen worden afgespeeld; De kantine brengt meer op. a. Nadelen: Er is meer onderhoud aan de banen in verband met intensiever gebruik; Kunstlicht kost energie, welke kosten in de naaste toekomst nog meer zullen stijgen; Het clubhuis zal langer dienen te zijn geopend; Bij een kleine baanbezetting per baanblok zal toch de verlichting ingeschakeld moeten zijn. Zie ook: Brochure ‘Verlichting voor Sportaccommodaties, Tennis’ (uitgave van de Ned. Stichting voor Verlichtingskunde). Clubaccomedaties Algemeen

Om initiatiefnemers de helpende hand te bieden bij de realisatie van een klantvriendelijke en sporttechnisch verantwoorde clubaccommodatie voor tennis, heeft de KNLTB in samenwerking met ISA Sport een brochure met normen en richtlijnen voor clubaccommodaties voor tennis ontwikkeld. De normen en richtlijnen, zoals deze door de KNLTB en NOC*NSF zijn opgesteld, zijn van belang om een zo goed mogelijke sporttechnische kwaliteit en een zo gezond mogelijke exploitatie van de te realiseren accommodatie te kunnen waarborgen. Om tot realisatie van de accommodatie over te kunnen gaan, is het van belang op de hoogte te zijn van de vele facetten waarmee men te maken krijgt voor, tijdens en na de bouw. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de routing, afmeting, inrichting en afwerking van de diverse ruimten in de accommodatie. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen ruimten die normatief aanwezig dienen te zijn en ruimten die worden aanbevolen. Het onderscheid tussen norm en aanbeveling kan als volgt worden omschreven: Norm De minimale waarde die voor een bepaald aspect dient te worden gehanteerd teneinde namens de KNLTB goedkeuring op dit aspect te kunnen verkrijgen. Een ruimte die als norm omschreven staat dient dan ook minimaal in de accommodatie aanwezig te zijn.

Aanbeveling Een voorkeurswaarde die door de KNLTB wordt gehanteerd, waarvan toepassing er toe leidt dat de accommodatie een hoger kwalitatief niveau bereikt dan minimaal vereist. Een ruimte die als aanbeveling staat omschreven kan worden gezien als aanvulling op de normen en is derhalve niet noodzakelijk om goedkeuring van de KNLTB te verkrijgen. De tabel op de volgende pagina geeft de ruimtebehoefte van een tennisaccommodatie weer, waar in de volgende hoofdstukken verder op in wordt gegaan:

Normatieve ruimten Kleed- wasruimten Minimale normen kleed- wasruimten

Afmetingen en indeling Afhankelijk van het aantal banen dat aanwezig is neemt het minimum vloeroppervlak voor de kleed- en wasruimte toe. Houd bij de reservering van het vloeroppervlak voor kleed- wasruimten rekening met een eventuele uitbreiding van het aantal tennisbanen in de toekomst. De minimale (en tevens optimale) breedte van de kleedruimte bedraagt

3,0 meter, de minimale vrije inwendige hoogte 2,6 meter. De ideale maten voor een kleedruimte met een oppervlak van bijvoorbeeld 9 m2 zijn derhalve 3,0 x 3,0 meter. Het is niet wenselijk beneden een hoogte van 2,0 meter ramen aan te brengen. Indien er toch glas wordt verwerkt dan dient dit ondoorzichtig glas te zijn (bijvoorbeeld gem leerd, mat- of melkglas). Daarnaast dient rekening gehouden te worden met vandalisme en beschadiging door ballen. In die gevallen moet minimaal gelaagd glas, en bij voorkeur veiligheidsglas worden toegepast. Inrichting De inrichting van de kleedruimte geschiedt met banken die vrij van de vloer zijn en met minimaal twee dubbele vaste kledinghaken per persoon. Per persoon dient een banklengte van minimaal 500 mm te worden opgenomen waarvan het zitvlak voldoende diep (minimaal 400 mm) is uitgevoerd. De minimale lengte dient te worden afgestemd op het aantal aanwezige tennisbanen. Om voldoende vloeroppervlak te behouden is het van belang rekening te houden met de draairichting van de deuren. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de plaatsing van de radiatoren. Tip: Plaats radiatoren bij voorkeur hoog tegen de wand. Op deze manier wordt verbranding en vandalisme voorkomen, daarnaast is het schoonmaken eenvoudiger. Directe inkijk vanuit de gang in de kleedruimte wordt bij voorkeur voorkomen.

In iedere wasruimte moet rekening worden gehouden met enige loopruimte en ruimte voor het afdrogen. In de afdroogzone kunnen desgewenst enkele handdoekhaken geplaatst worden. Directe inkijk in de wasruimte dient te worden voorkomen. De wasruimte moet zodanig zijn ingedeeld dat de volgende voorzieningen kunnen worden ondergebracht: een toilet, bereikbaar via het droge gedeelte vanuit de kleedruimte; een wastafel met spiegel, eveneens bereikbaar via het droge gedeelte vanuit de kleedruimte; een wartelkraan, ten behoeve van schoonmaakwerkzaamheden (aansluiten van een slang). Tip: Pas bij de wastafel hoge kranen toe. Hierdoor kunnen bidons en flessen eenvoudig worden gevuld. Voor de situering van de toiletten kan ook worden gekozen voor een centrale toiletgelegenheid op de gang grenzend aan de kleedruimten. Het voordeel hiervan is dat verspreiding van onaangename luchtjes in de kleedruimten wordt voorkomen. Omdat de spelers voor een bezoek aan het toilet de kleedruimte moeten verlaten, dienen de toiletten centraal ten opzichte van de kleedruimten te worden gesitueerd. Bij zeer omvangrijke kleedaccommodaties kunnen de toiletten eventueel worden verdeeld in meerdere groepen. Wanneer de toiletten op de gang worden geplaatst, dient tenminste te worden uitgegaan van hetzelfde aantal toiletten dat benodigd zou zijn in alle kleedruimten tezamen.

Wel kan een aantal toiletten worden vervangen door urinoirs, waarvan er één eventueel lager kan worden geplaatst ten behoeve van kinderen. Daarnaast dient een onderscheid te worden gemaakt tussen dames- en herentoiletten. Afwerking Afwerking kleedruimte De afwerking van de kleedruimten dient minimaal aan de volgende normen te voldoen: minimaal één schrobput, inclusief zandvang en stankslot, per kleedruimte;

dubbelhardgebakken tegels op de vloer van de kleedruimte, afgewerkt met een sanitaire plint. Andere vloerafwerkingen zijn mogelijk, mits deze stootvast, slijtvast en hygiënisch zijn; het uitvoeren van de kleedruimten in schoonmetselwerk in een niet hygroscopische steensoort, zoals baksteen en betonsteen. Het voegwerk dient met het oog op stof (zoals gravel) platvol te worden uitgevoerd. Aanbevolen wordt de wanden te voorzien van een vuilwerende coating, waardoor ze makkelijker kunnen worden schoongemaakt; vandaalbestendige en vochtbestendige plafonds zoals bijvoorbeeld systeemplafonds (dus geen gipsplaten, kunststofschrootjes of ander kwetsbaar materiaal). Het is niet bezwaarlijk de constructie in het zicht te houden; (spat)waterdichte en vandaalbestendige armaturen en minimaal één randgeaarde wandcontactdoos; een goede afscheiding tussen de wasruimte en de kleedruimte (afschot, geen dorpel), die voorkomt dat er water vanuit de wasruimte naar de kleedruimte kan vloeien. De voorkeur hierbij gaat uit naar een roestvrijstalen (rvs) goot voorzien van een rooster van rvs of kunststof. Hierbij kan de schrobput in de kleedruimte komen te vervallen, echter niet de doucheput. De volgende aanbevelingen worden gedaan voor de afwerking van de kleedruimten: het vrijhouden van de kozijnen van de vloer, indien mogelijk door middel van een natuursteen neut.

Eventueel kunnen ook kunststof en aluminium kozijnen toegepast worden; massieve en stompe binnendeuren, eventueel voorzien van een kunststof coating of stootplaten. Afwerking gang Bij de afwerking van de gang vóór de kleedruimten moet rekening worden gehouden met de volgende normen: dubbelhardgebakken tegels op de vloer van de gang, afgewerkt met een sanitaire plint. Andere vloerafwerkingen zijn mogelijk, mits deze stootvast, slijtvast en hygiënisch zijn; er dient een schrobput inclusief zandvang en stankslot te zijn opgenomen; er dienen voorzieningen te zijn ten behoeve van de schoonmaakwerkzaamheden, zoals bijvoorbeeld een aansluitpunt voor een waterslang. De volgende aanbevelingen worden gedaan voor de afwerking van de gang naar de kleed- wasruimten: geen drempels bij overgang van de gang naar kleedkamer; eventueel vuilwerende coating op de wanden. Afwerking wasruimte De afwerking van de wasruimten dient minimaal aan de volgende normen te voldoen: minimaal één doucheput met voldoende capaciteit; voldoende capaciteit van de riolering, uitgaande van douche- en schrobputten en de afvoer van het toilet en de wastafel; dubbelhardgebakken vloertegels in een antislip uitvoering op de vloer van de wasruimte, afgewerkt met een sanitaire plint. Andere vloerafwerkingen zijn mogelijk, mits deze zijn voorzien van een antislipafwerking en stootvast, slijtvast en hygiënisch zijn.

Een antislipuitvoering geldt niet voor de vloer van het toilet; vandaalbestendige en vochtbestendige plafonds, geen gipsplaten of ander kwetsbaar materiaal. Het is niet bezwaarlijk de constructie in het zicht te houden; vandaalbestendige douchekoppen en drukknoppen, per douche een drukknop en bij voorkeur de leidingen in de wand weggewerkt in verband met vandalisme (denk hierbij aan de mantelbuizen);

tot het plafond betegelde wanden in de wasruimten. Hierbij moeten de uitwendige hoeken bij voorkeur worden voorzien van een rvs- of kunststof hoekprofiel in verband met beschadigingen. Andere wandafwerkingen zijn mogelijk, mits deze vochtwerend, stootvast en hygiënisch zijn; het voorzien van de wand achter de wastafel van tegelwerk; (spat)waterdichte en vandaalbestendige armaturen; een slangwartelkraan in de doucheruimte; het niet toepassen van ongemakkelijke constructies van voetenwasbakken of wasgoten in de wasruimten. De volgende aanbevelingen worden gedaan voor de afwerking van de wasruimten: het vrij houden van de kozijnen van de vloer, zo mogelijk door middel van een natuursteen neut. Eventueel kunnen ook kunststof en aluminium kozijnen toegepast worden; massieve en stompe binnendeuren, eventueel voorzien van een kunststof coating of stootplaten; het plaatsen van de toiletten in een afgeschermde ruimte met een apart ventilatiekanaal (dus géén schotten) om vieze geurtjes te voorkomen; het in verband met schoonmaakwerkzaamheden bij voorkeur toepassen van vrijhangende toiletten. Ontwerpcriteria Hieronder volgen kort samengevat de ontwerpcriteria van de kleed- wasruimten. Verlichting en elektra Het verlichtingsniveau in een kleed- wasruimte dient minimaal 100 lux te zijn, gemeten op vloerniveau.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9951875/2