05 Basisvoorziening accommodatiebeleid
Tekst van het document
Om te voorkomen dat de verlichtingssterkte aan het einde van de gehanteerde onderhoudsperiode (dus wanneer lampen vervangen en armaturen gereinigd worden) beneden de minimale eisen daalt dient de verlichtingssterkte bij oplevering van de nieuwe installatie hoger te zijn dan de minimale norm van 100 lux. De verlichtingsarmaturen moeten vandaalbestendig en spatwaterdicht zijn uitgevoerd, waarbij gedacht kan worden aan inbouwarmaturen. Een voorziening voor noodverlichting is verplicht. Deze dient te voldoen aan NEN 1010. Desgewenst kan een spatwaterdichte, geaarde wandcontactdoos nabij de spiegel in de kleedruimte worden opgenomen. Verwarming De kleed- wasruimten worden bij voorkeur verwarmd door middel van radiatoren. In verband met vandalisme en schoonmaakwerkzaamheden verdient het de voorkeur deze radiatoren hoog te plaatsen. Andere mogelijkheden zijn luchtverwarming of vloerverwarming. Het nadeel van luchtverwarming zijn de nogal eens voorkomende tochtverschijnselen; het nadeel van vloerverwarming is een hoger energieverbruik, omdat deze constant warmte afgeeft. In kleed- wasruimten moet van een minimaal te behalen ruimtetemperatuur van 18°C worden uitgegaan. Ventilatie In de praktijk is gebleken dat een afdoende ventilatie alleen met een installatie kan worden bewerkstelligd.
De capaciteit van deze installatie moet voldoende zijn om de ruimte-inhoud van de kleedruimten zes maal per uur en de wasruimten minimaal tien maal per uur te verversen. Deze eisen zijn zwaarder dan in het Bouwbesluit voor gebouwen wordt vermeld. De ventilatievoud in toiletten dient minimaal 25 m3 per uur te bedragen. Om stankoverlast in het kleed- en wasgedeelte te vermijden moet hiervoor een zelfstandig afvoerkanaal in de toiletruimte worden opgenomen.
Door het ventileren mogen geen hinderlijke luchtstromingen ontstaan. De maximaal toelaatbare luchtsnelheid bedraagt 0,2 m/s. Om iedere vorm van tocht te vermijden zijn klapraampjes ongewenst. Mechanische afzuiging verdient de uitdrukkelijke voorkeur. Om onnodig gebruik van de mechanische ventilatie te voorkomen wordt het systeem bij voorkeur voorzien van bewegingsdetectie voorzien van een tijdschakeling. Bij toevoer van koudere (buiten)lucht moet deze, alvorens in de ruimte te worden toegelaten, worden voorverwarmd. Dit kan bij verwarming door radiatoren opgelost worden door de toevoerroosters te plaatsen achter de radiatoren. Naast ventilatie tijdens het gebruik van de kleedlokalen dient er ook rekening te worden gehouden met ventilatie buiten de gebruiksuren om. Aanbevolen wordt om de (mechanische) ventilatie tot minimaal één uur ná gebruik door te laten draaien. Tevens is een natuurlijke ventilatie buiten de gebruiksuren om van belang. Hierbij kan gedacht worden aan ruime kieren onder de deuren. Warmwatervoorziening De capaciteit van de warmwatervoorziening moet worden afgestemd op het gebruik. De capaciteit per kleedruimte kan bepaald worden door de volgende berekening, 6 liter/min (per douchekop) x 5 minuten douchetijd x eenmaal per uur.
Wanneer het warme water in tennisaccommodaties uit een grote warmwaterinstallatie (bijvoorbeeld een boiler) afkomstig is, moet de temperatuur daarvan op het tappunt boven de 60OC zijn. Anders bestaat de kans dat de warmwaterinstallatie legionellabacteriën gaat bevatten, die de veteranenziekte kan veroorzaken. Mede hierdoor is het van belang, na een periode dat de clubaccommodatie niet is gebruikt, de leidingen door te spoelen met water van meer dan 80°C. Ook dienen dode einden in leidingen te worden voorkomen. Ter voorkoming van de veteranenziekte kan een volautomatisch leidingspoelsysteem worden aangelegd dat wordt aangesloten op het gebouwenbeheersysteem. Verplichte maatregelen om Legionella te voorkomen zijn opgenomen in de Waterleidingwet. De temperatuurregeling moet zodanig worden ontworpen, dat alleen de beheerder of onderhoudsfunctionaris van de accommodatie de installatie kan bedienen. Met andere woorden: thermostaten, temperatuurregelaars (thermostatische mengkranen ten behoeve van de douches) en dergelijke moeten in afsluitbare ruimten worden geplaatst. Het gebruik van geisers voor de warmwatervoorziening wordt ontraden in verband met het hoge energieverbruik van deze apparaten. Centrale toiletgroep In de centrale hal of in de kantine dient een toiletgroep te worden opgenomen met voldoende toiletten voor dames- en heren.
Deze bestaat uit: een privaat met voorportaal voor een fontein en de herentoiletten en urinoirs; een privaat met voorportaal voor een fontein en de damestoiletten; een toilet voor mindervaliden met de minimale afmeting van 1,65 x 2,20 meter, uitgevoerd volgens het “Handboek Toegankelijkheid”. Indien het bouwbesluit hogere eisen stelt aan het aantal benodigde toiletten/urinoirs dan hier omschreven, dan dient te worden uitgegaan van de eisen die het Bouwbesluit hieraan stelt. Minimaal moeten één mindervalidentoilet, één herentoilet en één damestoilet aanwezig zijn. Tip: Aanbevolen wordt om het mindervalidentoilet te combineren met een damestoilet (dubbelgebruik!) en uit te voeren zonder drempels. Het voordeel van deze combinatie is dat hiermee wordt voorkomen dat het mindervalidentoilet ongebruikt blijft en uiteindelijk als opslagruimte gaat fungeren. Per urinoir moet worden uitgegaan van een ruimtebeslag van minimaal 0,6 x 1,2 meter (inclusief loopruimte) en per toilet van minimaal 1,0 x 2,4 meter (inclusief 1,2 meter voorportaal). Daarnaast moet rekening gehouden worden met de ruimte voor de wastafels (0,8 x 0,8 meter exclusief loopruimte).
Tip: Breng ook een urinoir lager aan dan gebruikelijk zodat deze door kinderen gebruikt kan worden. De vloer van de toiletruimte dient te zijn afgewerkt met een materiaal dat eenvoudig kan worden gereinigd. De voorkeur gaat daarbij uit naar een steenachtig materiaal afgewerkt met vloertegels of een coating. Vanuit hygiënisch oogpunt is het beter de tegels niet van een antislip afwerking te voorzien. De wanden worden bij voorkeur voorzien van wandtegels tot aan het plafond. Het schoonmaken kan worden vereenvoudigd door het toepassen van vrijhangende toiletten en het voorzien van de vloer met een schrobputje. Ook het weglaten van de dorpels onder de deuren vereenvoudigt het schoonhouden van de ruimte. Tip: Gebruik ter plaatse van de urinoirs geen zachte en/of poreuze wandtegels. Dit bemoeilijkt het schoonmaken. Kantine Algemeen De kantine is een sociale ontmoetingsplaats voor de tennisser en de tennisliefhebber, waarbij de sfeer in deze ruimte in belangrijke mate bijdraagt tot gezelligheid en sociaal contact hetgeen voor een vereniging onontbeerlijk is. De grootte van deze ruimte dient, los van de minimale eis uit de Drank- en Horecawet, afgestemd te zijn op het aantal leden, de bezoekers van eventuele wedstrijden, alsmede de overige activiteiten die in de kantine plaatsvinden.
Het kantinegedeelte dient te bestaan uit een ontmoetingsruimte met keuken, toiletten en een opslagruimte/magazijn. Het wordt aanbevolen om een containerruimte op te nemen. Ontmoetingsruimte Als vuistregel kan worden uitgegaan van een oppervlak van 1 m2 per persoon, bij aanwezigheid van tafeltjes van 1,25 m2 per persoon. Vertrekpunt voor de bepaling van het aantal personen is het aantal personen dat op een reguliere speeldag gemiddeld tijdens de piektijdstippen in de ontmoetingsruimte aanwezig is. Een goede benadering is ook het uitgaan van de bestaande situatie en bepalen in hoeverre die situatie wel of niet toereikend is. Aanbevolen wordt de volgende minimale maatstaven te hanteren: 1 tot en met 4 banen: 35 m2 vloeroppervlak 5 tot en met 10 banen: 45 m2 vloeroppervlak 11 banen en meer: 55 m2 vloeroppervlak Een goed uitzicht vanuit de ontmoetingsruimte op de banen is aanbevelingswaardig. De aan de tennisbaan/tennisbanen grenzende ramen moeten bestaan uit gelaagd glas (balvast). De garderobe moet zodanig in de directe nabijheid van de ontmoetingsruimte worden gesitueerd dat er voldoende toezicht op deze garderobe mogelijk is. Hierbij wordt geadviseerd de garderobe niet in een looproute te situeren.
De ontmoetingsruimte en bijbehorende ruimten dienen te voldoen aan de plaatselijke eisen van de brandpreventie en de bijzondere wetten (Drank- en Horecawet, de Hygiënecode en AMvB voor de Horeca- en Recreatie-inrichtingen, etc.). De Drank- en Horecawet eist onder meer: een minimum oppervlakte van 35 m2; een minimum hoogte van 2,60 meter over tenminste 5/6 deel van de vloeroppervlakte; een mechanisch ventilatiesysteem met een minimum capaciteit van zesmaal de luchtinhoud van het vertrek per uur; voldoende verlichting (50 lux op
1,0 meter hoogte boven de vloer); noodverlichting (volgens NEN 1010); voldoende in- en uitgangen (per 50 bezoekers 1 Eenheid Uitgangs Breedte = 0,55 m); afzonderlijke groepen toiletten voor mannen en vrouwen, die niet rechtstreeks in de ontmoetingsruimte uitkomen (dus minimaal zijn uitgevoerd met een voorportaal). Voor de overige ontwerpgegevens dient er rekening mee te worden gehouden dat er een minimale ruimtetemperatuur moet kunnen worden behaald van 18 - 20°C. De vloer van de ontmoetingsruimte dient te zijn afgewerkt met een materiaal dat eenvoudig kan worden gereinigd. De voorkeur gaat daarbij uit naar een steenachtig materiaal afgewerkt met vloertegels of een coating. Bij de afwerking van het plafond gaat de voorkeur uit naar een systeemplafond in verband met mogelijke werkzaamheden in de toekomst aan bijvoorbeeld het leidingwerk. De bar moet zodanig worden gesitueerd dat er voldoende overzicht is op de kantine. Houd tevens rekening met de loopwegen in de kantine en opstoppingen voor de bar. Plaats de bar dan ook bij voorkeur niet in een looproute. Tip: Een gedeelte van de bar kan lager uitgevoerd worden voor bestellingen door rolstoelgebruikers en kinderen. Houd ook rekening met voldoende loopruimte achter de bar en eventueel met ruimte voor een apart uitgiftebuffet voor etenswaren terzijde van de bar of in de centrale hal.
Bij situering van de kantineruimte op de verdieping dient de ruimte eveneens toegankelijk te zijn voor mensen met een functiebeperking. Bovendien moet een telefoonaansluiting in de onmiddellijke nabijheid van de bar aanwezig zijn. Keuken De grootte van de keuken is sterk afhankelijk van het voorzieningenniveau dat men de bezoeker wil kunnen bieden en de omvang van de totale kantine. Uit hygiënisch oogpunt is het onder andere noodzakelijk de vloeren en wanden van tegelwerk te voorzien. Daarnaast dient de vloer te zijn voorzien van een schrobputje. Voor een eenvoudige keuken kan worden uitgegaan van een oppervlak van ca. 6 m2. Uit praktisch oogpunt is het wenselijk een rechtstreekse open verbinding (zonder deur) te maken tussen keuken en bargedeelte. Gewezen wordt nog op de mogelijkheid direct vanuit de keuken een apart uitgiftepunt voor etenswaren te realiseren. Met zo’n uitgiftepunt wordt voorkomen dat etenswaren aan de bar worden verstrekt hetgeen vaak leidt tot opstoppingen in de kantine. De inrichting van de keuken is afhankelijk van het serviceniveau wat u uw leden wilt bieden. Het is aan te raden om vooraf informatie in te winnen bij enkele keukenleveranciers. De Warenwet vereist dat elke sportvereniging met een kantine in eigen beheer beschikt over de NOC*NSF-Hygiënecode voor Sportkantines.
Medewerkers of barvrijwilligers in kantines waar belegde broodjes, snacks en dergelijke verkocht worden, zijn wettelijk verplicht te werken volgens een hygiëne controle systeem, het zogenaamde HACCP-systeem. De NOC*NSF-Hygiënecode voor Sportkantines is opgenomen in dit Handboek Sportaccommodaties (hoofdstuk C6). Deze code is voorzien van invullijsten en registratieformulieren. Wie de lijsten eerlijk en volledig invult, heeft daar later veel plezier van. Actieve inzet en een hoge score zijn niet zeldzaam in de sportwereld. Magazijn Om de kantine van de tennisaccommodatie te kunnen laten functioneren dient er een magazijn aanwezig te zijn van voldoende grootte. Aangezien deze ruimte, door zijn eenvoudige afwerking in vergelijking met de overige ruimten, relatief goedkoop kan worden gerealiseerd en opslagruimte zeer belangrijk is, wordt geadviseerd hierop niet te besparen. Uit praktische overweging dient de ruimte te grenzen aan de keuken. Ten behoeve van de aan- en afvoer van materialen dient een ‘vandaalbestendige’ brede buitendeur toegang te geven tot de ruimte.
In eerste instantie kan worden uitgegaan van een minimum oppervlakte van ca. 6 m2. De afwerking van deze ruimte kan geschieden door middel van een vlak afgewerkte betonvloer, al dan niet afgewerkt met vloertegels of een coating, schoon metselwerk wanden en een plafond waarbij de constructie in het zicht blijft. De warmte van de eventuele koelingmotoren dient te kunnen worden afgevoerd. Hierbij kan natuurlijke ventilatie al voldoende zijn. De ruimte moet vorstvrij kunnen blijven. Werkkast In elk clubgebouw dient een werkkast van minimaal 4 m2 aanwezig te zijn met daarin een laag geplaatste uitstortgootsteen, voorzien van warm en koud water. De vloer van de werkkast moet worden uitgevoerd in vloertegels. De wand achter de uitstortgootsteen moet gedeeltelijk worden voorzien van wandtegels. Deze werkkast dient onder meer voor het opbergen van schoonmaakmaterialen. De kast moet bij voorkeur zodanig zijn gesitueerd, dat van hieruit gemakkelijk het hele gebouw bereikt kan worden. Eventueel kunnen ook twee werkkasten opgenomen worden: één nabij de kleedruimten en één nabij de kantine en keuken. Installatieruimte en meterkast Aan de buitenzijde van de accommodatie dient een installatieruimte van minimaal 8 m2 te worden opgenomen, die via een deur van buitenaf toegankelijk is. Hierin bevindt zich een centraal distributiesysteem voor warm tapwater, verwarming en elektra.
Voor het warm tapwater voor onder meer het douchewater kan gebruik worden gemaakt van een boilersysteem. Geisers worden uit veiligheidsoverwegingen afgeraden. In deze ruimte kan voor de verbruiksmetingen van gas-, water- en elektriciteit, alsmede de diverse beveiligingen, een centrale meterkast aanwezig zijn die voldoet aan alle daartoe geldende wettelijke eisen en richtlijnen van de nutsbedrijven. Ook de schakeling van de baan-verlichting kan in de installatieruimte worden opgenomen. Houd er bij plaatsing van de schakeling in een andere ruimte van de accommodatie rekening mee dat onbevoegden niet aan de schakeling mogen komen. Voor de ruimteverwarming kan gebruik worden gemaakt van HR-ketels (Hoog Rendement) in cascade (dat wil zeggen dat er meerdere kleinere ketels worden geplaatst die aangaan als er vraag is naar warmte). Eén ketel wordt hierbij vrijwel continu gebruikt voor de dekking van de basisbehoefte in het stookseizoen, de overige ketel(s) is/zijn be-stemd voor de dekking van de extra vraag naar warmte. Deze overige ketel(s) mag/mogen eventueel in VR-uitvoering (Verbeterd Rendement) zijn. Voor de gehele accommodatie kunnen radiatoren dienst doen voor de verwarming. De verlichting buiten en binnen dient in energie-efficiënte uitvoeringen te worden aangebracht.
De verlichting dient, waar dit rendabel is, te worden voorzien van aanwezigheidsdetectie (bij voorkeur in de kleedruimten). In de installatieruimte kan tevens het bedieningspaneel voor de beregeningsinstallatie worden aangebracht. Het is conform de Wet Milieubeheer niet toegestaan om de installatieruimte te combineren met overige functies zoals het gebruik als werkkast of opslagruimte. Er dient op te worden toegezien dat ongewenst dubbelgebruik wordt voorkomen. Aanbevolen ruimten EHBO-ruimte In de clubaccommodatie dient minimaal een EHBO-koffer aanwezig te zijn om eerste hulp te kunnen bieden aan geblesseerde tennissers. Voor iedere bezoeker van de tennisaccommodatie dient de EHBO-koffer eenvoudig te vinden te zijn. Derhalve dient duidelijk te zijn aangegeven waar de koffer is geplaatst. Om te voorkomen dat het EHBO-materiaal onjuist wordt gebruikt gaat de voorkeur uit naar een opbergplaats waarop toezicht mogelijk is.
Het wordt aanbevolen om in de clubaccommodatie een EHBO-ruimte aanwezig te laten zijn. Een EHBO-ruimte dient een vloeroppervlak van minimaal 6 m2 te hebben. Indien tevens behoefte bestaat aan een massageruimte dan kan deze ruimte worden gecombineerd met de EHBO-ruimte en dient het vloeroppervlak minimaal 15 m2 te bedragen. Bij een keuze voor twee afzonderlijke ruimten dient het oppervlak van de massageruimte minimaal 10 m2 te bedragen. Een EHBO- en massageruimte dient een goede relatie te hebben met één van de kleedruimten. Daarnaast dient er een directe relatie te zijn met het buitenterrein in verband met de bereikbaarheid van ambulances en/of personenauto’s voor het eventueel wegvoeren van geblesseerde tennissers. Binnen een EHBO-ruimte dienen de volgende voorzieningen aanwezig te zijn: een telefoon; een wastafel met warm en koud water en een doktersmengkraan; een kast voor het opbergen van EHBO-materiaal; een stretcher; een tafel met enige stoelen; een behandeltafel. De afwerking van de vloeren en wanden in de EHBO-ruimte dient zodanig te zijn dat deze in hygiënische zin niet tot problemen leidt. Dit houdt in dat deze goed schoon te houden moet zijn, een slechte voedingsbodem voor schimmels e.d. is en uit weinig tot geen vochtabsorberend materiaal bestaat, bijvoorbeeld linoleum of tegels.
De wanden van de kleedruimte dienen te zijn uitgevoerd in een niet hygroscopische steensoort, zoals betonsteen en baksteen. De wand achter de wastafel dient te worden voorzien van tegelwerk. Entree en hal De entree van de accommodatie dient duidelijk zichtbaar te zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een uitspringende entree. De hal moet groot genoeg zijn om zijn centrale functie goed te kunnen vervullen, waarbij het van belang is rekening te houden met voldoende oppervlak voor loopwegen en eventueel een tassenberging (met voldoende toezicht). Het aanbrengen van een tochtportaal of tochtsluis kan wenselijk zijn voor het tegengaan van tochtverschijnselen in de hal. Bestuurskamer In de clubaccommodatie kan een bestuurskamer annex commissiekamer/ruimte voor de wedstrijdleiding worden opgenomen. De bestuurskamer moet een oppervlakte van tenminste 15 m2 hebben. Wanneer deze ruimte tijdens wedstrijddagen fungeert als ruimte voor de wedstrijdleiding van bijvoorbeeld een open toernooi of een clubkampioenschap moet van een grotere oppervlakte worden uitgegaan (20 m2 of meer). Bij voorkeur is er vanuit de ruimte voor de wedstrijdleiding uitzicht op de banen. In de bestuurskamer dienen voldoende afsluitbare kasten te zijn opgenomen.
Daarnaast is de ruimte voorzien van een telefoonaansluiting en eventueel van een omroepinstallatie en een pantry (koelkast, spoelbak, etc.), waarvoor wel extra ruimte dient te worden opgenomen. Indien een omroepinstallatie in de bestuurskamer wordt geplaatst dan dienen, indien mogelijk, zoveel mogelijk banen vanuit de bestuurskamer te kunnen worden overzien.
De verwarming geschiedt bij voorkeur door middel van radiatoren. Hierbij dient uitgegaan te worden van een te behalen minimale ruimtetemperatuur van 20 °C. Het verlichtingsniveau dient minimaal 100 lux te bedragen, gemeten op vloerniveau. Materiaalopslag Ten behoeve van de opslag van trainings- en wedstrijdmaterialen en het materieel voor het reguliere onderhoud dienen voldoende opslagmogelijkheden aanwezig te zijn. Voor het klein materiaal kan, afhankelijk van het aantal tennissers en het daarmee samenhangende materiaal, een opslagruimte van minimaal 10 m2 te worden gereserveerd. Deze ruimte wordt bij voorkeur gekoppeld aan de clubaccommodatie en dient van buitenaf toegankelijk te zijn via een ‘vandaal-bestendige’ deur. De vrije doorgang in de deuropening bedraagt minimaal 2,0 meter breedte bij een hoogte van 2,5 meter. Afhankelijk van de grootte en hoeveelheid van het te stallen materieel (zoals bijvoorbeeld een tractor) dient extra ruimte te worden gereserveerd. Indien de ruimte toegang dient te bieden aan een tractor dan dient de ruimte goed bereikbaar te zijn via een verhard wegdek en is een kanteldeur (met loopdeur) het overwegen waard. Deze ruimte moet vorstvrij gehouden kunnen worden en dient te worden voorzien van radiatoren om het opgeslagen materiaal droog te houden. De ruimte dient (natuurlijk) te worden geventileerd.
Containerruimte Behalve de goederen, zal ook het afval (tijdelijk) moeten kunnen worden opgeslagen. Hiervoor worden veelal containers gebruikt. De mogelijkheden verschillen per gemeente. Gedacht kan worden aan een gescheiden systeem (grijs/groencontainers), gescheiden afvoer horeca-afval, etc. Om stankoverlast te voorkomen wordt geadviseerd een aparte ruimte te reserveren waar deze containers kunnen worden geplaatst. Dit kan onder een afdak/luifel zijn of eventueel binnen. Om vandalisme te voorkomen wordt aanbevolen de opslagruimte afsluitbaar te maken. Bij een overkapping kan dit door middel van een hekwerk. Werkplaats Naast de opslag van materialen en materieel kan het gewenst zijn (bijvoorbeeld in verband met privatisering) een werkplaats op te nemen voor het uitvoeren van onderhoud aan bijvoorbeeld machines en de opslag van gereedschappen. Wanneer deze ruimte tevens als verblijfsruimte voor vrijwilligers dienst doet is een verwarming wenselijk en kan de ruimte worden voorzien van een eigen toiletruimte. Archief Voor de archivering van verenigingsstukken kan een aantal kasten worden opgenomen. Deze kasten kunnen in de bestuursruimte worden geplaatst, maar het is ook mogelijk ze in een aparte ruimte te plaatsen. Het belangrijkste is dat de ruimte droog is, dat er een goede verlichting aanwezig is en dat de ruimte goed afsluitbaar is.
De ruimte en/of de kasten dienen voldoende brandwerend te zijn. Aan de afwerking van deze ruimte worden geen nadere eisen gesteld. Additionele ruimten Indien er behoefte is aan extra ruimten dan valt er te denken aan een jeugdhonk, een vergader-instructieruimte en eventueel een fitnessruimte. In een jeugdhonk kunnen bijvoorbeeld enkele speeltoestellen staan (tafelvoetbal, tafeltennistafel, biljart, etc.) en eventueel een bar. Eventueel kan deze ruimte ook een verlengstuk van de kantine zijn die op wedstrijddagen van de senioren bij de kantine kan worden getrokken. De vergader-instructieruimte kan naast het houden van vergaderingen en wedstrijdbesprekingen worden benut voor het geven van cursussen.
HOCKEY Richtlijnen veldhockey Speltechnische eisen voor een hockeyveld Afmetingen De afmeting van een hockeyveld is 91,40 x 55,00 meter. Afmetingen 6E-veld en 8E- en 8D-veld Voor de jongste jeugd wordt veelal gebruik gemaakt van bestaande velden. Voor 6E-wedstrijden wordt gebruik gemaakt van een kwart veld. Het veld zelf is gesitueerd tussen de middenlijn en de 23-meterlijn of de 23-meterlijn en de achterlijn, waarbij de zijlijnen als achterlijn fungeren. Voor 8E en 8D-wedstrijden wordt gebruik gemaakt van een half veld. Het veld zelf is gesitueerd tussen de middenlijn en de achterlijn, waarbij de zijlijnen als achterlijn fungeren. Een tweede mogelijkheid is het uitzetten van een specifiek miniveld. Uitloop Rondom de velden dient een uitloopruimte aanwezig te zijn: achter de achterlijn min. 4,00 meter breed; naast de zijlijn 2,00 meter breed. De uitloopruimte dient obstakelvrij te zijn. Voorts dient geen enkel uitsteeksel/obstakel (bijvoorbeeld voorzijde dug-out, hekwerken, poorten) zich binnen de uitloopruimte te bevinden. De uitloopstroken dienen uit hetzelfde materiaal te bestaan als het speelveld zelf. Het aanbrengen van een verharding aan de buitenzijde van de uitloopstroken ter breedte van maximaal 0,50 meter (inclusief de opsluitbanden) is toegestaan. Speeloppervlak Waterkunstgras, (water)-zandkunstgras of zandkunststof.
Bespeling op natuurgras sportvelden is toegestaan maar wedstrijden vinden hier steeds minder op plaats. Wedstrijden van standaardteams dienen op kunstgras te worden gespeeld. Helling Kunstgrashockeyvelden worden in de lengterichting vlak aangelegd. In de breedterichting is middels een vloeiend verlopend dakprofiel een afschot van 20 tot 100 millimeter toegestaan. Speelveldinrichting Doelen In het midden van elke achterlijn staat een doel, dat bestaat uit twee verticale palen, 3,66 meter van elkaar, verbonden door een horizontale lat op 2.14 meter van de grond (binnenwerks gemeten). De voorkant van de doelpalen staat tegen de buitenkant van de achterlijn. De palen mogen niet boven de lat uitsteken en de lat niet buiten de palen. De palen en de lat zijn rechthoekig, 5 cm breed, niet meer dan 7,5 cm diep. Ze moeten wit van kleur zijn. Netten zijn stevig aan de palen en de lat bevestigd, met tussenruimten van niet meer dan 15 cm, en moeten bovendien stevig aan de grond achter het doel zijn vastgemaakt. Een achterplank, 46 cm hoog en 3,66 meter lang moet op de grond worden geplaatst, binnen de doelnetten. Zijplanken, 46 cm hoog en tenminste 1,20 meter lang, moeten worden geplaatst in een rechte hoek met de achterlijn. De zijplanken moeten worden vastgemaakt aan de achterkant van de doelpalen, opdat de breedte van de doelpalen niet wordt vergroot.
Aan de binnenzijde van het doel mogen geen klampen worden aangebracht om de planken te steunen.
Hoekvlaggen Hoekvlaggen moeten zijn gemaakt van hout of andere goedgekeurde materialen. In de grond geplaatst moet de top tenminste 1,20 meter en maximaal 1,50 meter boven het veld uitsteken. Het verdient aanbeveling een stok te nemen met een afgerond boveneind, ter dikte van circa 3 cm. Het aanbrengen van het vlaggetje dient zonder hinderlijke haakjes te geschieden. De grootte van het vlaggetje is bij voorkeur 30 x 40 cm. Speelveldafzetting Kunstgrasvelden dienen voorzien te zijn van een afzetting die toeschouwers op afstand houdt van de zijlijnen en de achterlijnen. Deze afzetting dient geplaatst te worden op 2.00 meter van een zijlijn en 4.00 meter van een achterlijn. In de ruimte tussen speelveld en veldafzetting mag zich geen enkel uitsteeksel of obstakel bevinden. De veldafzetting dient zodanig te zijn geconstrueerd dat blessurerisico's voor wedstrijddeelnemers en publiek zoveel mogelijk worden verkleind. Deze veldafzetting dient minimaal 90 cm hoog te zijn, maar geadviseerd wordt een hoogte van 1,10 meter. De veldafzetting dient vlak te zijn aan de binnenzijde van het speelveld, toepassen van een slagplank is toegestaan. Ballenvangers Er is een groot aantal situaties denkbaar waarin het noodzakelijk is een ballenvanger te plaatsen.
Bijvoorbeeld ter bescherming van het publiek, ter bescherming van ramen en gebouwen of ter voorkoming dat veel ballen in de sloten of het plantsoen verdwijnen. Daarnaast kan het van nut zijn een ballenvanger te plaatsen tussen twee in elkaars verlengde c.q. haaks op elkaar gelegen velden. Een ballenvanger dient bij voorkeur achter de doelen te zijn geplaatst en daarbij minimaal 4 meter uit de achterlijn te zijn verwijderd. De minimum afmetingen zijn 4 meter hoog en 20 meter breed. Het verdient aanbeveling een ballenvanger te voorzien van harmonicagaas of nylonnet met kleine maaswijdte. Dug-outs Binnen de afzetting maar buiten de uitloopruimte mogen 2 banken worden geplaatst voor maximaal 9 personen per team. Deze banken dienen minimaal 2.00 meter uit de zijlijn te worden geplaatst en op ten hoogste 10 meter ter weerszijden van de middellijn. Dug-outs, al of niet verplaatsbaar, dienen eveneens minimaal 2,00 meter uit de zijlijn en maximaal 10 meter ter weerszijden van de middenlijn te zijn opgesteld. De daken van de dug-outs mogen niet uitsteken binnen de afmetingen van de uitlopen. Belijning Belijning en tekens op het speelveld moeten zijn aangebracht zoals aangegeven in het laatst geldende spelreglement en vastgelegd in de norm ISA-KNHB2-Bl.1, zie ook figuur E2.24.1.
Voor het aanbrengen van een extra belijning naast de bestaande hockeybelijning is dispensatie van het bondsbestuur vereist. Bij internationale wedstrijden onder auspiciën van de overkoepelende organisaties F.I.H. en F.E.H. gelden aanvullende regels met betrekking tot de belijning en mag in principe alleen gespeeld worden op een veld met hockeybelijning. De kleur van de belijning dient zowel ten opzichte van het veld als onderling (voetbal, hockey) contrasterend te zijn. Bij voorkeur in de kleuren geel en wit. Figuur E2.24.1. Hockeyveld
Belijning op hockeyveld (Afmetingen 91,40 x 55,00 meter) Hockeybelijning (hoofdgebruik) geheel conform spelreglement; kleur: geel of wit. Oefencirkels Aan de langszijde van het veld kunnen oefencirkels worden aangebracht. De oefencirkel wordt uitgevoerd als een onderbroken lijn met een lijndikte van 0,05 meter in de kleur wit of geel en afwijkend van de kleur van de hoofdbelijning. Voetbalbelijning (nevengebruik) doel- en strafschopgebied + middencirkel, conform spelreglement; doel en zijlijnen van hockey gebruiken; kleur: geel of wit; breedte: 10 cm. Bij kruisingen de hockeybelijning over de voetbalbelijning. Belijning op een hockeyveld (Voetbalafmetingen 100 x 64 meter) Hockeybelijning (hoofdgebruik) geheel conform spelreglement; kleur: geel of wit. Voetbalbelijning (nevengebruik) geheel conform spelreglement, aanpassing: cirkeldeel op kop van strafschopgebied onderbroken lijn; kleur: geel of wit; breedte: 10 cm. Bij kruisingen de hockeybelijning over de voetbalbelijning aanbrengen. De voetbaldoelen mogen geen gevaar opleveren voor de hockeyspelers. Plattegronden speelvelden De voorzijde van de doelpalen moet de buitenzijde van de achterlijn raken. Alle lijnen moeten 7,5 cm breed zijn. Een witte stip, 15 cm in diameter, moet worden aangebracht 6,40 m voor het midden van ieder doel.
Alle korte indicatielijnen dienen uitsluitend buiten het speelveld te zijn aangebracht en moeten 30 cm lang zijn. Reclameborden
Veelal kan voor het ophangen van reclameborden de speelveldafzetting worden gebruikt. Door middel van speciale beugels worden de borden stevig bevestigd. Aan de uitvoering van de reclameborden worden door de KNHB geen speciale eisen gesteld, wel dient de kans op blessures te worden beperkt en zijn uitstekende delen aan de borden niet acceptabel. Ook kunnen er plaatselijk gemeentelijke regelingen gelden. Indien er sprake is van televisieopnamen gelden hiervoor bepaalde voorschriften die worden gehanteerd door het ministerie van VWS. In de praktijk wordt ervaren dat borden die rondom zijn voorzien van een beschermende metalen lijst, beter bestand zijn tegen het zogenaamde. inwateren. Uiteraard dient het materiaal waarvan de borden worden gemaakt rotvrij en waterbestendig te zijn. Vaak is het wel nodig de borden jaarlijks bij te schilderen, aangezien een slecht onderhouden reclamebord een negatieve waarde heeft en aanleiding kan zijn voor esthetische bezwaren. Kunstgras Inleiding Toen de Internationale Hockey Federatie na sterk aandringen van Canada besloot het Olympisch Hockey Toernooi in 1976 te Montreal te laten spelen op kunstgras, werden in Nederland, mede door een aantal bijzondere omstandigheden, activiteiten ontwikkeld om tot aanleg van kunstgrasvelden te komen. Zodoende werden in 1976 in Utrecht en Rotterdam de eerste kunstgrasvelden aangelegd.
Mits aan enkele voorwaarden uit het Bondsreglement wordt voldaan, heeft het Bondsbestuur het spelen van wedstrijden ressorterend onder de KNHB, op kunstgras toegestaan. Nadien heeft de realisatie van kunstgrasvelden en vooral die van zandkunststofvelden een grote vlucht genomen. De velden zijn onder nagenoeg alle weersomstandigheden (uitgezonderd vorst en opdooi) bespeelbaar en blijven hun goede speeleigenschappen gedurende de levensduur behouden. Typen kunstgras Er zijn diverse kunstgrassystemen op de Nederlandse markt. Zo onderscheiden we: 1. waterkunstgrasvelden (zonder zandvulling). In de volksmond waterveld genoemd; 2. water-zandkunstgrasvelden (met zandvulling) waarbij de aanleg van een beregeningsinstallatie vereist is. In de volksmond semi-waterveld genoemd; 3. zandkunstgrasvelden (met zandvulling). In de volksmond semi-zandveld genoemd waarbij een beregeningsinstallatie wordt aanbevolen; 4. zandkunststofvelden (met zandvulling). Dit zijn de klassieke zandingestrooide hockeyvelden. Type a wordt gekenmerkt door een mat met een dichte poolbezetting. De constructie is van onderuit als volgt opgebouwd: zandonderbouw, lavafundatie, (veelal) asfaltlaag, een e-layer of foam-layer en kunstgrasmat. Type b en c wordt gekenmerkt door een mat met een redelijk dichte poolbezetting, ingestrooid met een matige hoeveelheid zand.
De constructie is van onderuit als volgt opgebouwd: zandonderbouw, een sporttechnische laag van een funderingsmateriaal vermengd met rubber of een lavafundatie met een e-layer of foam-layer en kunstgrasmat. Type d wordt gekenmerkt door een mat met een matige poolbezetting, ingestrooid met een redelijke hoeveelheid zand. De constructie is van onderuit als volgt opgebouwd: zandonderbouw, een sporttechnische laag van een funderingsmateriaal vermengd met rubber of een lavafundatie met een e-layer of foam-layer en kunstgrasmat. De zandkunststofvelden zijn tot enkele jaren terug aangelegd met een lavafundatie op een zandonderbouw. Het lavamateriaal heeft goede diensten bewezen als fundering maar wordt na verloop van tijd hard, hetgeen veel spelers, voornamelijk oudere, als onplezierig ervaren. Om die reden is er gezocht naar een ondergrond die meer dempende eigenschappen bezit. Dit is uiteindelijk bereikt door het toevoegen van een rubbercomponent in de fundering. De eigenschappen van deze 'zachte' velden benaderen hiermee een natuurgrasveld voor wat betreft de demping. Ter vervanging van de rubbercomponent kan met een fundering gewerkt worden met een zogenaamde e-layer of foam-layer. De opbouw van de omschreven constructies is van belang voor het blijvend functioneren van het veld.
Met een goede mat en een gerealiseerde instabiele fundatie kan een kunstgrasveld in enkele jaren onbespeelbaar worden. De (in)stabiliteit wordt bepaald door twee factoren: 1. de grondsoort die als fundatie dient; 2. de grondwaterstand. Ad 1 De grondsoorten in Nederland kunnen variëren van zeer slap veen tot zeer vaste zandgrond. Bij veen of veengestoorde lagen, zichtbaar na uitgraving, dient eerst een deskundig advies uitgebracht te worden voordat tot verdere aanleg wordt besloten. Ad 2
De hoogste grondwaterstand zal, wanneer deze boven het fundatieniveau komt, niet alleen voor de drainage maar ook door mogelijke aantasting van de stabiliteit van de onderbouwlaag, een funeste rol kunnen spelen. Ook dan is deskundig advies gewenst. Sportvloerenlijst Op de sportvloerenlijst hockey outdoor staan alle sportvloertypen vermeld waarbij uit onderzoek is gebleken dat deze voldoen aan de normen, die door de KNHB en de nationale normeringscommissies zijn vastgesteld. Sportvloerenlijsten zijn beschikbaar voor atletiek, bowls, handbal, hockey, honkbal, korfbal, squash, tafeltennis, tennis, voetbal en alle binnensporten. Veiligheid, duurzaamheid, kwaliteit en de geschiktheid voor de sport staan hierin centraal. Op de lijsten is de specifieke karakterisering van de sportvloer weergegeven, zoals de sportfunctionaliteit, de duurzaamheid, de bespeelbaarheid en het onderhoudsniveau. De lijsten van NOC*NSF worden door ISA Sport beheerd in odracht van NOC*NSF. De internetversies van de sportvloerenlijsten zijn te vinden op de webiste van ISA Sport, www.isa-sport.com. Natuurgras Inleiding Ondanks dat natuurgrasvelden niet meer nieuw worden aangelegd zijn er toch nog diverse natuurgrashockeyvelden in Nederland. Gezien de grote voordelen van de kunstgrasvelden raken natuurgrasvelden steeds verder uit de gratie.
Toch wordt in onderstaand verhaal nog aandacht aan deze velden gegeven om de conditie van de nog in gebruik zijnde velden zo optimaal mogelijk te maken. Cultuurtechnische eisen De vlakheid van een veld wordt bepaald door de aanwezigheid van oneffenheden en verzakkingen. Het veld kan als goed worden gekwalificeerd als er vrijwel geen oneffenheden aanwezig zijn. Ondiepe verzakkingen die geleidelijk verlopen en derhalve speltechnisch niet hinderlijk zijn, kunnen soms geaccepteerd worden. Matig vlak is een veld wanneer zich op korte onderlinge afstand oneffenheden (putten) voordoen die speltechnisch hinderlijk zijn. De vlakheid is slecht als zich zogenaamd klein effect voordoet ten gevolge van bijvoorbeeld slidings, polvorming, putjes, ingezakte mollengangen, konijnenschade. Dit kan zeer hinderlijk zijn voor het spel en gevaarlijk voor de spelers. Een speelveld dient zodanig stevig (stabiel) te zijn, dat bij bespeling geen voetindrukken achterblijven. Een speelveld dient een voldoende drooglegging te hebben en goed waterdoorlatend te zijn. Per etmaal moet een neerslag van 15-20 mm verwerkt kunnen worden, waarbij de grondwaterstand niet hoger komt dan 0,50 meter beneden het veld. Grasmat Het speeloppervlak moet voorzien zijn van een dichte en krachtig ontwikkelde grasmat, bestaande uit een voor hockey geschikte grassoort, die op circa 2 cm is gemaaid.
Verlichting Hieronder worden de belangrijkste verlichtingseisen voor hockey weergegeven, gebaseerd op de Nederlands-Europese norm NEN-EN 12193 'Licht en Verlichting, Sportverlichting'. Voor een uitgebreide omschrijving van de eisen die aan hockeyverlichting worden gesteld adviseren wij u om de aanbeveling 'Verlichting voor Sportaccommodaties, Hockey' van de Nederlandse Stichting Voor Verlichtingskunde (NSVV) te raadplegen. Deze aanbeveling kunt u bestellen bij de NSVV, telefoonnummer 0318 - 695394 of via internet: www.nsvv.nl. Functie van de verlichting De te stellen eisen aan de kwaliteit van de verlichting zijn verschillend. De spelers en de wedstrijdleiding kunnen volstaan met een relatief gering lichtniveau. Voor de toeschouwers zal het lichtniveau hoger dienen te zijn, gezien hun afstand tot het speelveld. Naarmate de afstand van de toeschouwers tot het speelveld groter is, zal een hoger lichtniveau noodzakelijk zijn om het spel goed te kunnen volgen. Voor het maken van beeldreportages zijn hogere lichtniveaus vereist. Kwantiteit en kwaliteit van de verlichting Verlichtingssterkte
Voor de waarneming van het spel zijn zowel de horizontale als de verticale verlichtingssterkte van belang. Het is echter gebruikelijk de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte (EH,gem) te hanteren als maatstaf voor de kwantiteit van de verlichting. Bij de keuze van de gemiddelde horizontale verlichtingssterkte moet rekening worden gehouden met de waarnemingsafstand. Voor hockey kan de afstand van de verste waarnemer tot de middenstip als praktische maatstaf gelden. Voorts moet rekening worden gehouden met verschillende constructies van de tribunes. In tabel E2.24.2.2, waarin een overzicht wordt gegeven van de minimaal vereiste gemiddelde verlichtingssterkten voor de diverse categorieën hockeyvelden (tabel E2.24.2.1), is met deze factoren rekening gehouden.
Teneinde een juist oordeel over gemiddelde horizontale verlichtingssterkte te vormen, moet de verlichtingssterkte volgens een vast patroon berekend en gemeten worden. In figuur E2.24.2.2 is het meetpatroon gegeven dat volgens de norm voor hockeyvelden dient te worden gehanteerd. Voor de wijze van uitvoering van dergelijke metingen wordt verwezen naar het deel 'Algemene Grondslagen'.
Nieuwwaarde Bij het ontwerp van een nieuwe verlichtingsinstallatie dient rekening te worden gehouden met vervuiling en veroudering. Om te voorkomen dat de verlichtingssterkte beneden de minimale eisen daalt aan het einde van de gehanteerde onderhoudsperiode (dus wanneer lampen vervangen en armaturen gereinigd worden), dient de verlichtingssterkte bij oplevering van de nieuwe installatie hoger te zijn dan deze minimale eisen. Hoeveel hoger de verlichtingssterkte bij oplevering van de nieuwe installatie dient te zijn, wordt bepaald door de zogenaamde nieuwwaarde-index (ni), waarbij geldt: Egem,nieuw = ni * Egem,einde Hierbij stelt Egem,einde de gemiddelde verlichtingssterkte voor aan het einde van de onderhoudsperiode, die gelijk is aan de minimale eis voor E gem uit tabel E2.24.2.2. Egem,nieuw stelt de gemiddelde verlichtingssterkte voor die minimaal bij oplevering van de installatie moet worden aangetroffen. De waarde van n i wordt bepaald door plaatselijke omstandigheden inzake vervuiling; door de eigenschappen van de toegepaste lampen en armaturen en door de lengte van de onderhoudsperiode. De NSVV adviseert om gegevens van lampen en armaturen bij de leverancier op te vragen voor het vaststellen van de onderhoudscyclus en ter bepaling van de nieuwwaarde-index.
Bij het ontbreken van voldoende gegevens wordt geadviseerd om voor de nieuwwaarde-index uit te gaan van een richtwaarde van 1,25. De NSVV is van mening dat deze waarde alléén realistisch is, indien strikt onderhoud (schoonmaken en lampen vervangen) wordt gepleegd. Gelijkmatigheid
In verband met de vereiste gelijkmatigheid van de horizontale verlichtingssterkte, is de verhouding tussen de minimale (E H,min) en de maximale (EH,gem) verlichtingssterkte aan bepaalde grenzen gebonden (zie tabel E2.24.2.2). Luminantieverhoudingen en verblindingsbegrenzing Gezorgd moet worden voor een rustige achtergrond met een goed contrast tussen spelers, spelmateriaal en omgeving, alsmede voor het zoveel mogelijk beperken van verblinding door de lichtbronnen die de accommodatie verlichten. De verblindingswaarde VW (Glare Rating GR in de norm) kan worden berekend met de formule: VW = 27 + 24log(Lsa/Lso0,9) waarin Lsa de sluierluminantie van de armaturen is en Lsde sluierluminantie van de omgeving is. De verblindingswaarden zijn gespecificeerd in tabel E2.24.2.2. Verblindingswaarde is gedetailleerd beschreven in CIE-publicatie nummer 112 (1994). Lichtkleur en kleurweergave Bij wedstrijden is een goede kleuronderscheiding van belang, ondermeer voor de herkenbaarheid van de spelers. Voor trainingsdoeleinden geldt dit in mindere mate, zodat in die situaties eventueel lichtbronnen met een minder goede kleurweergave kunnen worden gebruikt. Voor een uitgebreide omschrijving van de diverse typen lampen en selectiecriteria wordt verwezen naar het deel 'Algemene Grondslagen'. Zie voor de vereiste kleurweergave-index RA tabel E2.24.2.2.
Beeldreportages en video-opnamen De verticale verlichtingssterkte vormt de basis voor het vereiste verlichtingsniveau voor televisie- en filmopnamen. Deze verticale verlichtingssterkte dient te worden bepaald in het patroon van rekenpunten van figuur E2.24.2.2 op 1 meter hoogte. De oriëntatie van de verticale vlakken voor de verticale verlichtingssterkte is afhankelijk van de camerapositie(s). Wanneer de camera een niet nader gedefinieerde positie heeft, ergens in het gebied grenzend aan een van de zijlijnen, zijn de verticale vlakken georiënteerd parallel aan die lijn (zie figuur E2.24.2.3a). Als de cameraposities vrij zijn langs alle vier de zijlijnen, moeten de verlichtingssterkten op verticale vlakken parallel aan al die vier zijlijnen in beschouwing worden genomen. Wanneer alleen één vaste camerapositie is gedefinieerd, kunnen de verticale vlakken georiënteerd worden loodrecht op de richting naar die camera (zie figuur E2.24.2.3b). De vereiste niveaus zijn afhankelijk van de maximale afstand van de camera tot het op te nemen object. Bij een afstand van 60 meter specificeert de norm een gemiddelde verticale verlichtingssterkte EV van 750 lux.; bij een afstand van 120 meter is dit 1000 lux. Tabel E2.24.2.3 geeft zowel de in de norm gegeven waarden, gelijkmatigheden en verhoudingen voor de verlichtingssterkten voor (kleuren) beeldreportages als de eis voor de kleurweergave.
De in de tabel genoemde waarde voor de gelijkmatigheid in de verticale verlichtingssterkte in één punt (over de vier vlakken parallel aan de zijlijnen) is nodig om een goede schaduwwerking op de spelers te verkrijgen. De verhouding tussen de gemiddelde horizontale en verticale verlichtingssterkte is gespecificeerd omdat het horizontale veld een belangrijk deel van de achtergrond van de camera uitmaakt. Een goede balans tussen de horizontale en de verticale verlichtingssterkte (die voor de verlichting van de spelers en objecten zorgt) is daarom belangrijk. De camera is gevoelig voor te grote verschillen in de helderheid van de achtergrond tijdens het bewegen, daarom geeft de norm ook een eis voor het maximale verschil tussen de individuele horizontale verlichtingssterkten in het grid: (EH,min : EH,max). Daar waar reclameborden van belang zijn, dient hier bij het ontwerp van de verlichtingsinstallatie rekening mee gehouden te worden. Verlichting van tribunes Voor tribunes wordt met het oog op veiligheid en oriëntatie een gemiddelde horizontale verlichtingssterkte aanbevolen van ten minste 10 lux. Het is daarnaast aan te bevelen de toegang tot het veld vanuit de kleedkamers voor de spelers te voorzien van een zodanige verlichting, dat de spelers bij het betreden van het veld geen last hebben van het verschil tussen een betrekkelijk donkere gang en het helder verlichte veld.
Kleed-/clubaccommodatie Algemeen
In principe worden door de KNHB de richtlijnen gehanteerd die zijn vermeld in hoofdstuk F1 Binnensportaccommodaties van het Handboek Sportaccommodaties van NOC*NSF. Hierbij geldt een aantal extra richtlijnen dat specifiek betrekking heeft op de hockeysport. Deze extra richtlijnen worden hieronder vermeld. Indeling Bepalend voor de ruimte en de verdeling van de kleed-/wasruimte is het aantal velden en de verhouding tussen de aantallen dames- en herenteams. Bij de aanwezigheid van twee of meer velden zijn in principe per speelveld twee kleedruimtes met per kleedruimte een oppervlak van ten minste 15 m² nodig, elk voorzien van een wasruimte met een oppervlak van ongeveer 10 m². Dit komt neer op circa 50 m² kleed- en wasruimte per veld. Verenigingen met een kunstgrasveld moeten rekening houden met een grotere kleedruimte, aangezien op een kunstgrasveld meer wedstrijden per dag worden gespeeld dan op een natuurgrasveld. Hierdoor is de tijdsperiode tussen twee wedstrijden minimaal en zullen de spelers die het veld verlaten en de spelers die nog moeten spelen soms gelijktijdig van de kleedgelegenheid gebruik moeten maken. Om dit probleem op te lossen zijn twee mogelijkheden voorhanden. Men kan overwegen om per kunstgrasveld vier kleed-/wasruimtes te realiseren met een grootte zoals hierboven bij natuurgrasvelden is vermeld (totaal dus circa 100 m² kleed/wasruimte per veld).
Men kan ook per veld uitgaan van twee grotere kleedvertrekken met een oppervlak van ten minste 25 m² elk, en twee wasruimten met een oppervlak van ten minste 10 m² elk (totaal dus circa 70 m² kleed/wasruimte per veld). Bij trainingen met kleinere groepen kan het gebruik van alleen grote kleed-/wasruimtes echter nadelig zijn vanuit het oogpunt van energieverbruik. Men zou daarom bij kunstgrasvelden kunnen overwegen om twee van de kleed-/wasruimtes uit te voeren met het genoemde grotere oppervlak en de overige kleed-/wasruimtes kleiner uit te voeren. De grotere ruimtes fungeren dan als wisselruimtes waarin meer elftallen gelijktijdig terecht kunnen. De KNHB is van mening dat het niet noodzakelijk is dat aan de bezoekende elftallen elk een afzonderlijke kleed- en wasruimte ter beschikking wordt gesteld. Het is bij de hockeysport, in tegenstelling tot bij sommige andere buitensporten, zeer goed mogelijk om meer elftallen gebruik te laten maken van één kleed/wasruimte. Aanbevolen wordt om de toiletten niet op te nemen in de kleedruimtes zelf, maar in de gang bij de kleedruimtes in aparte toileteenheden. Voor het aantal toiletten kan uitgegaan worden van circa één toilet per kleedruimte (te verdelen in heren en dames).
EHBO Ter bevordering van een snelle hulpverlening bij brand en ongevallen adviseert de KNHB de gegevens van hulpverleners, zoals dienstdoende artsen, tandartsen, ziekenhuis en brandweer, duidelijk zichtbaar in het clubhuis aan te brengen. Conform het Bondsreglement dient iedere vereniging er zorg voor te dragen dat in de onmiddellijke nabijheid van de speelaccommodatie een brancard gereed is op een duidelijk zichtbare of duidelijk aangegeven plaats. In het clubhuis dient een verbandtrommel conform D.3.2 van het Bondsreglement aanwezig te zijn die wekelijks moet worden gecontroleerd op de juiste inhoud.
ATLETIEK Planontwikkeling Algemeen Een atletiekaccommodatie kan worden gezien als een elementaire lokale voorziening. Gezien het maatschappelijke belang van dergelijke voorzieningen (onder andere vanuit vormend, socialiserend, gezondheids- en welzijnsoogpunt) mag het realiseren en in stand houden van dergelijke voorzieningen niet volledig worden afgewikkeld op de individuele verenigingen. De normale standaard baanatletiekaccommodatie, geschikt voor zowel wedstrijden als trainingen, is de kunststof atletiekaccommodatie. Een zeslaans kunststof atletiekaccommodatie kan als toereikend beschouwd worden voor een atletiekvereniging met ca. 1000 leden. Mogelijk kan de capaciteit hoger gesteld worden, wanneer een groot deel van de leden voornamelijk in het bos of op de weg actief is. Dit is echter moeilijk kwantificeerbaar. In algemene zin kan wel gesteld worden dat het (nu en in de toekomst) niet kunnen beschikken over kunststofvoorzieningen voor de training van de diverse disciplines uiteindelijk, onder meer door de niet continue gebruiksmogelijkheden van halfverharding en gras, zal leiden tot een verminderd aantal beoefenaren van baanatletiek. Atletiek valt te onderscheiden in de disciplines: lopen, snelwandelen, springen en werpen in verschillende vormen. Op een volwaardige accommodatie voor de baanatletiek zijn dan ook voorzieningen voor alle disciplines aanwezig.
Lopen In de standaard lay-out van een atletiekbaan geschikt voor wedstrijdgebruik is voor de loopnummers een 400 meter rondbaan opgenomen. De uitvoering van deze rondbaan is afhankelijk van de eisen die gesteld worden voor internationaal, nationaal, regionaal en verenigingsgebruik. Voor internationaal gebruik dient de rondbaan tenminste uit zes rondlooplanen (bij voorkeur acht) en acht (bij voorkeur negen) sprintlanen te bestaan waardoor een gelijktijdige vergelijking van zes (resp. acht of negen) individuele atletiekprestaties mogelijk wordt. Dit geldt eveneens voor de Nederlandse kampioenschappen. Voor de overige wedstrijden op nationaal niveau kan, naast zes rondlanen, met zes sprintlanen worden volstaan. Naast de rondbaan dient ook steeds in een waterbak voor de steeplechase of hindernisloop te zijn voorzien. Voor de resterende wedstrijden onder auspiciën van de Atletiekunie kan het aantal lanen eventueel beperkt worden tot vier en kan eventueel worden afgezien van de aanwezigheid van een hindernisloopvoorziening. Springen en werpen De disciplines springen en werpen worden sterk door de windrichting beïnvloed. Teneinde hierop te anticiperen, is het raadzaam de voorzieningen in tweevoud uit te voeren waardoor een gebruikskeuzemogelijkheid ontstaat.
Het betreft de voorzieningen voor: polsstokhoogspringen; verspringen; hinkstapspringen; hoogspringen; speerwerpen; discuswerpen; kogelstoten.
(Kogelstoten is aan het rijtje toegevoegd. De argumentatie berust niet op de windrichting, maar op het gelijktijdig kunnen verwerken van grotere aantallen atleten. ) Voor internationale en nationale wedstrijden is dit voorzieningenniveau onontbeerlijk. Voor polsstokhoogspringen, dat sterk door de windrichting wordt beïnvloed, is een dubbele aanloopvoorziening altijd nodig. Voorzieningen voor hindernisloop en kogelslingeren zijn optioneel voor standaardatletiekbanen, die niet voor nationale of internationale wedstrijden worden gebruikt. Ontwerp De planvorming aangaande een te ontwikkelen atletiekaccommodatie zal uiteindelijk leiden tot het opzetten van een ontwerp voor een atletiekaccommodatie. Tijdens de ontwerpfase zal ook een inventarisatie van de verschillende aspecten die van belang zijn voor de te realiseren atletiekaccommodatie aan bod komen. Deze aspecten zijn: de ligging van de atletiekaccommodatie; de ruimte voor de atletiekaccommodatie; de indeling van de atletiekaccommodatie; de atletiekbaan; voorzieningen voor de loop-, spring en werpnummers; de atletiekvloer; de verlichting; de elektronische tijdwaarneming; de geluidsinstallatie. Ligging van de atletiekaccommodatie De ligging van een atletiekaccommodatie wordt in hoofdzaak bepaald door: a. het atletiekgebruik en eventueel medegebruik; b. de beschikbare ruimte; c. de vorm van de accommodatie; d.
bodemkundige omstandigheden. Over het algemeen zal het een combinatie van factoren zijn, die de uiteindelijke ligging bepalen. Ad. a. De atletiekaccommodatie dient eenvoudig bereikbaar te zijn met de auto, de fiets, het openbaar vervoer en te voet. Teneinde de gebruiksmogelijkheden te vergroten is het aan te bevelen de accommodatie nabij een scholengemeenschap te situeren. Ad. b.
Het mag duidelijk zijn, dat ‘de beschikbare ruimte’ sterk bepalend is voor de ligging van de atletiekaccommodatie. Ad. c. De standaardatletiekaccommodatie heeft een specifieke vorm. Deze karakteriseert zich door een rondbaan met sprintlanen aan één zijde. Rekeninghoudend met de in Nederland overheersende westenwinden is de meest gunstige ligging van de sprintlanen die van west naar oost lopend. Ad. d. Een totaal ander facet met betrekking tot de ligging vormt de grondslag. De grondslag bepaalt in sterke mate de constructie van de baan en daarmee de kosten voor realisatie van de baan. Bij voorkeur wordt gebouwd op een draagkrachtige ondergrond Deze draagkracht neemt in het algemeen af wanneer we van zandgrond, via klei naar veen gaan Het strekt tot aanbeveling bij een minder draagkrachtige ondergrond een funderingsonderzoek te laten verrichten. De kosten voor alternatieve constructies (fundering) kunnen van invloed zijn op de keuze van de ligging.
Ruimte voor de atletiekaccommodatie Voor de bepaling van de benodigde ruimte voor de atletiekaccommodatie moet vooraf een inventarisatie worden opgesteld van de nodig geachte voorzieningen, waarbij gedacht kan worden aan: atletiekbaan; inloop- en inwerpveld; jurytrappen; wedstrijdsecretariaat en microfonistenruimte; faciliteiten voor schoolgebruik en trainingen; clubaccommodatie; toeschouwersruimte (eventueel tribune); toegangen, parkeerruimte; beplanting. Een 8-laans atletiekbaan inclusief de jurytrappen, het wedstrijdsecretariaat met microfonistenruimte en een bescheiden toeschouwersruimte vraagt een totale ruimte van ongeveer 180 x 110 meter. Voor een 6-laans atletiekbaan bedraagt dit ongeveer 175 x 105 meter. Als inloop- en inwerpveld wordt vaak gebruik gemaakt van een aangrenzend of nabijgelegen voetbalveld. Voor een 4-laans atletiekbaan met een rondbaan van 400 meter is de benodigde ruimte ongeveer 170 x 100 meter. De benodigde ruimte voor een clubaccommodatie is erg moeilijk aan te geven en is dan ook bij het hiervoor genoemde ruimtebeslag buiten beschouwing gelaten. Hetzelfde geldt voor de toegangswegen, parkeerruimte enz. Deze facetten zullen van plaats tot plaats bekeken moeten worden.
Indeling van de atletiekaccommodatie Daar in Nederland de overheersende windrichting west/zuid-west is, is het gewenst de 100 meter, respectievelijk de 110 meter horden zoveel mogelijk van west naar oost te laten verlopen. Hierdoor wordt tevens de situering van de atletiekbaan bepaald binnen de beschikbare ruimte, daar de 100 respectievelijk 110 meter horden (met uitzondering van de startpositie en de eerste meters van deze loopafstanden) deel uitmaken van de totale rondbaan. Het wedstrijdsecretariaat, annex microfonistenruimte, behoort in de nabijheid van de algemene finish te worden gesitueerd en wel zodanig, dat een uitzicht over de gehele accommodatie mogelijk is.
Naast de baan en de clubaccommodatie is er bij voorkeur ook de beschikking over een inloopveld, het liefst aanliggend, waardoor de looplijnen gunstig zijn: een voorziening, die in eerste instantie vaak over het hoofd wordt gezien. Resumerend, bij het ontwerpen van een atletiekaccommodatie dient met de hierboven genoemde voorzieningen rekening te worden gehouden en wel in die zin, dat er een relatie bestaat tussen de baan, de clubaccommodatie inclusief kleedkamers en nevenruimten, en indien relevant het inloopveld. Voor de atleet gelden, vooral in de wedstrijdsfeer, de volgende looplijnen: kleedkamer - inloopveld; kleedkamer - atletiekbaan; inloopveld - atletiekbaan. De kleedkamers, onderdeel uitmakend van de clubaccommodatie, vormen het centrale punt. In geval van een inloopveld, zeker bij gebruik van een reeds bestaand veld, bepaalt de ligging van dit veld de situering van de clubaccommodatie. Er zijn nogal wat mogelijkheden. Daarbij kan echter gesteld worden dat de clubaccommodatie bij voorkeur niet gesitueerd moet worden bij de start van de 100 meter en in iets mindere mate ook niet bij de algemene finish. De vraag hoe groot een inloopveld moet zijn kan beantwoord worden door te stellen, dat de grootte van een voetbalveld met de afmetingen minimaal 100 x 64 meter als voldoende kan worden aangemerkt.
Of op het inloopveld nog voorzieningen voor de beoefening van een technisch nummer in het kader van de voorbereiding voor een spring- of werpnummer in wedstrijdverband aanwezig moeten zijn, kan overwogen worden en wordt mede bepaald door het beoogde gebruik van de accommodatie. De loopweg voor het publiek, dat zich meestal bij de sprintbaan ophoudt, naar de kantine dient kort te zijn. In dit verband wordt aanbevolen naast de sprintbaan hekwerk aan te brengen. Voor marathons en andere wedstrijden die deels buiten het wedstrijdterrein worden gehouden, moet een doelmatige doorgang gemaakt worden die het wegparcours met de baan verbindt. De atletiekvloer De vloeren welke geschikt zijn voor atletiek zijn opgenomen in de sportvloerenlijst van NOC*NSF. Deze sportvloerenlijst omvat: de procedure welke gevolgd is om vloeren in de lijst op te nemen; de lijst van erkende sportvloeren voor atletiek; een globale omschrijving van de opbouw van de erkende vloeren, alsmede een kwalitatieve karakterisering; een toelichting. Verlichting Gebruikers van de atletiekaccommodatie
Op basis van hun activiteiten kunnen de volgende categorieën gebruik maken van een atletiekaccommodatie: Atleten en overige sporters; Technische staf, wedstrijd officials, ploegbegeleiders en toeschouwers; Persfotografen en TV ploegen. Het is bij (avond)wedstrijden zeer belangrijk dat atleten en officials duidelijk kunnen zien wat er op het wedstrijdterrein gebeurt, zodat de te leveren prestaties op goede wijze tot stand kunnen komen en beoordeeld kunnen worden. Uit oogpunt van veiligheid is het tevens van belang dat werpattributen (in hun vlucht) te allen tijde goed zichtbaar zijn.
Toeschouwers dienen in een aangename omgeving de door de atleten te leveren prestaties goed te kunnen volgen. Dat betekent dat niet alleen het wedstrijdterrein goed verlicht dient te zijn, doch ook de omgeving waar de toeschouwer zich bevindt. Tevens dient de verlichting zodanig te zijn dat de toeschouwers veilig de accommodatie en hun plaats kunnen bereiken of verlaten. Bij activiteiten waarbij de pers of TV aanwezig is zullen aanvullende eisen ten aanzien van het licht worden gesteld. Naarmate het prestatieniveau van de atleten toeneemt, zal ook de verlichting aan strengere eisen moeten voldoen. Op een eenvoudige outdoor trainingsaccommodatie kan men over het algemeen toe met minder licht dan bij wedstrijden op een atletiekbaan, waar TV opnames worden gemaakt. De verlichtingseisen zijn mede afhankelijk van de hoeveelheid te verwachten publiek, de afstand van het publiek tot de rondbaan en de eisen die men stelt aan het maken van beeldrapportages. Door de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) is voor atletiek een verlichtingsbrochure opgesteld, waarin de verlichtingsnormen worden weergegeven conform de Nederlands-Europese norm NEN-EN 12193. Hieronder zullen enkele basisprincipes worden weergegeven. Verlichtingsparameters Eenheid van verlichtingssterkte De 'verlichtingssterkte (E)' wordt gedefinieerd door de eenheid 'lux'.
Horizontale verlichtingssterkte De verlichting op grondniveau vormt de basis voor een voor het oog regelmatige achtergrond waartegen mensen en voorwerpen kunnen worden waargenomen. De benodigde verlichtingssterkte in het horizontale vlak wordt aangegeven met de 'horizontale verlichtingssterkte (E H)'. Verticale verlichtingssterkte