CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Basisvoorziening accommodatiebeleid

Commissie Leven 22 april 2021, gemeente VenrayBij agendapunt: Actualisering accommodatiebeleid jeugd en sport 2021-2025.36.601 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

INLEIDING Normen voor sport zijn de NOC*NSF-normen zoals gepubliceerd in sportaccom Deze normen zijn aan verandering onderhevig De nieuwste norm is telkens van toepassing, met inachtneming van de spelregels, zoals beschrven in het concept-eindrapport De huidige normen zijn in dit spreadsheet opgenomen om gemeente, verenigingen en stichtingen inzicht te geven in het begrip basisvoorziening

VOETBAL Inleiding In dit hoofdstuk zijn de regels, richtlijnen en aanbevelingen opgenomen, die de KNVB hanteert voor de uitvoering en inrichting van wedstrijdvelden en trainingsvelden. Het gaat om een combinatie van reglementaire eisen (ofwel: de regels), algemeen aanvaarde richtlijnen én praktische aanbevelingen. Regels De 'regels' zijn de formele bepalingen met een verplichtend karakter, afkomstig uit de (officiële) 'Spelregels', evenals uit de algemene reglementen, wedstrijdreglementen en bestuursbesluiten. De regels betreffen de minimumeisen. Deze zijn van toepassing op alle accommodaties van amateurvoetbalverenigingen conform het Reglement Wedstrijden Amateurveldvoetbal. In het jaarlijkse Bewaarnummer kunt u een verkorte versie vinden van deze publicatie. Richtlijnen en aanbevelingen De 'richtlijnen en aanbevelingen' beschrijven de uitvoerings- en inrichtingsaspecten die zijn gebaseerd op gangbare uitgangspunten en praktische inzichten. Hiermee geeft de KNVB aan hoe de vereniging een accommodatie het beste kan (laten) inrichten/uitvoeren. Over het algemeen bestaat hierover overeenstemming met gemeenten en bedrijfsleven. Toch is de vereniging vanzelfsprekend vrij om deze aanbevelingen wel, in het geheel niet of maar voor een deel op te volgen. De aanbevelingen kunnen ook afkomstig zijn van andere organisaties, zoals bijvoorbeeld leveranciers.

Deze aanbevelingen worden, wanneer hier vermeld, door de bond onderschreven. Meer informatie In dit hoofdstuk zijn de laatste inzichten en bestuursbesluiten aangaande het veldvoetbal opgenomen. Voor aanvullende vragen kunt u contact opnemen met de KNVB dan wel de website van de KNVB raadplegen. Afmetingen speelveld Regels In Nederland moeten de voetbalvelden voldoen aan de onderstaande afmetingen. Het gaat om zuivere (netto) maten inclusief belijning, exclusief de uitloop rondom. 11 tegen 11 (standaardveld) minimaal 100 x 64 meter maximaal 105 x 69 meter internationaal 105 x 68 meter

9 tegen 9 (onder meer: E-pupillen) minimaal 68 x 56 meter maximaal 73 x 60 meter 7 tegen 7 (onder meer: pupillen, 35+ en 45+) minimaal 60 x 42,5 meter maximaal 70 x 55 meter 4 tegen 4 (onder meer: mini-pupillen) minimaal 30 x 20 meter maximaal 40 x 30 meter De Spelregels, uitgegeven door de IFAB, geven wat de afmetingen betreft ruimte voor meer mogelijkheden. Uit oogpunt van uniformiteit heeft de KNVB echter (al in 1909) besloten om voor de Nederlandse situatie minimum- en maximumafmetingen te hanteren. Deze voldoen aan de FIFA- en UEFA-regels. Aanbeveling 11 tegen 11 Uit voetbaltechnisch oogpunt verdient het aanbeveling het hoofdveld te voorzien van de maximale afmetingen 105 x 69 meter of 105 x 68 meter (internationaal) plus uitloop rondom. Afhankelijk van de grootte, het competitieniveau en de ambitie van de vereniging kan het zinvol zijn nog een tweede speelveld van deze afmetingen in te richten. Voor de overige velden kan worden volstaan met de afmetingen van 100 x 64 meter plus uitloop. Tussenliggende maten zijn toegestaan, mits de verhouding tussen lengte en breedte (globaal) hetzelfde is. Een aanpassing aan de maatvoering mag niet ten koste gaan van de uitlopen.

9 tegen 9 Negen tegen negenvoetbal wordt voornamelijk gespeeld door de E-pupillen Bij deze voetbalvorm loopt het speelveld in de lengte globaal van de 16 meterlijn van het ene strafschopgebied tot de 16 meterlijn van het andere strafschopgebied. De beide strafschopgebieden worden daarbij in de breedte aan beide zijden met hoedjes over een afstand van ca. acht meter verlengd, zodat de totale breedte van het speelveld ca. 56 meter bedraagt. 7 tegen 7 Bij deze voetbalvorm zijn de globale afmetingen van het veld die van een half speelveld. Op een normaal speelveld kunnen maximaal twee 7 tegen 7-velden worden uitgezet.

4 tegen 4 De voetbalspelvorm 4 tegen 4 wordt voornamelijk gespeeld door mini F-pupillen (5- en 6-jarigen) en staat doorgaans in toernooivorm op het programma. De veldjes kunnen worden uitgezet op een normaal speelveld. De bestaande grenslijnen, pylonen en markeringshoedjes zijn daarbij te gebruiken als veldafbakening. De lengte en breedte verhouden zich bij veelal als 4:3. Uit voetbaltechnisch oogpunt verdient een afmeting van 40 x 20 meter de voorkeur. Uitloopruimte Algemeen Rondom elk speelveld moet een veiligheidszone aanwezig zijn: de uitloopruimte. De gestelde eisen aan het speelveld - zoals die met betrekking tot vlakheid, profilering, ontwatering en begroeiing - zijn eveneens van toepassing op deze bij het veld behorende ruimte. Lichtmasten, speelveldafzetting, ballenvangers, evenals gebouwen, vlaggenmasten, bomen/beplanting, verharde paden, cameraposities et cetera worden in dit verband als obstakels beschouwd en mogen niet in de uitloop aanwezig zijn. Regels 11 tegen 11 Binnen 4 meter uit de grenslijnen mogen zich tijdens wedstrijden geen obstakels bevinden anders dan de voorzieningen die tot het spel behoren. Voor dug-outs en uitklapbare pupillendoelen geldt het volgende: Dug-outs mogen binnen de uit-loopruimte staan, op minimaal 3 meter uit de zijlijn. Uitklapbare pupillendoelen mogen, ingeklapt, binnen de uitloopruimte staan op minimaal 3,50 meter uit de zijlijn.

De uitloopruimte moet van hetzelfde materiaal zijn als het speelveld of moet bestaan uit kunstgras waarbij het kunstgras op 1 meter uit de zijlijn is aangebracht. Dit kunstgras moet dezelfde sporttechnische eigenschappen bezitten als het natuurgrasveld. De aansluiting moet drempelvrij verlopen, zodat geen gevaar voor de spelers kan ontstaan. De laatste 0,5 meter van de uitloop mag zijn uitgevoerd in een verhardingsmateriaal, zodanig dat de vlakheid van het veld gewaarborgd is. 9 tegen 9 Binnen 3 meter uit de grenslijnen mogen zich tijdens wedstrijden geen obstakels bevinden (andere dan de voorzieningen die tot het spel behoren). De uitloopruimte moet van hetzelfde materiaal zijn als het speelveld. De laatste 0,5 meter van deze ruimte mag verhard zijn, waarbij de vlakheid van het veld gewaarborgd moet blijven. 7 tegen 7 Binnen 2 meter uit de grenslijnen mogen zich tijdens wedstrijden geen obstakels bevinden (andere dan de voorzieningen die tot het spel behoren). De uitloopruimte moet van hetzelfde materiaal zijn als het speelveld. De laatste 0,5 meter van deze ruimte mag verhard zijn, waarbij de vlakheid van het veld gewaarborgd moet blijven.

Aanbeveling Aanbevolen wordt bij twee naast elkaar gelegen velden een onderlinge tussenafstand van tenminste 2 x 4 = 8 meter aan te houden. Dit mag ook tot minimaal 2 x 3 = 6 meter zijn, mits zich tussen beide velden geen obstakels bevinden. Hierbij moet wel rekening met toekomstige veranderingen worden gehouden, zoals het plaatsen van lichtmasten, ballenvangers, speelveldafzetting, dug-outs, gebouwen, beplanting, enzovoort. Als bij velden die in elkaars verlengde of haaks op elkaar liggen, sprake kan zijn van hinderlijke spelbeïnvloeding of gevaarlijke situaties, dan moet de obstakelvrije tussenruimte minimaal 8 meter bedragen. In dergelijke situaties is het raadzaam om achter de doelen ballenvangers te plaatsen. Bij velden die in een later stadium een afzetting krijgen, is het verstandig om rekening te houden met een extra publieksruimte van circa 2 meter rondom het veld. Afronden van hoeken Het is toegestaan de hoeken van een speelveld af te ronden, mits de afstand tot de hoekvlagstok tenminste 4 meter blijft. Er zijn hierbij twee opties: of de veldafzetting blijft rechthoekig; of de afzetting volgt de ronding van het speelveld. In het eerste geval wordt in de hoek van het veld een verharding aangebracht die aansluit bij het maaiveld en bij de overige verharding. In het tweede geval kan de vrijkomende ruimte ten goede van het pad rond het speelveld komen. Fig.

E2.64.2.1 Detailuitwerking uitloopruimte

Belijning Regels 11 tegen 11 Het speelveld moet, conform de plattegrond (zie figuur E2.64.2.2), gemarkeerd zijn met duidelijke lijnen, dus niet door gleuven. De lijnen zelf behoren tot de gebieden die ze begrenzen. Alle lijnen moeten tussen 10 en 12 centimeter breed zijn. De doellijnen moeten even breed zijn als de doelpalen en de doellat. De achterkant van de doelpalen moet samenvallen met de buitenkant van de doellijn. De strafschop- en de middenstip hebben een diameter van 20 centimeter, met een toegestane afwijking van 2 centimeter. Logo's en emblemen van bonden, clubs en anderszins, evenals welke vorm van reclame dan ook, mogen niet worden aangebracht op het speelveld, in de eerste meter van de uitloop, in de instructiezone, in het door doelnet en doellijn begrensde gebied

en op de veldinrichting. Behalve de officiële lijnen mogen er binnen het speelveld géén andere lijnen zijn. Dit geldt eveneens voor de lijnen die doelverdedigers met de hak van hun schoen aanbrengen in het doelgebied. Het aanbrengen van het 9,15 meter-lijntje op de achterlijnen is door de KNVB verplicht gesteld. Op velden waar standaardelftallen standaard hun wedstrijden spelen, is de instructiezone verplicht. 9 tegen 9 Zelfstandige 9 tegen 9-velden Het speelveld wordt uitsluitend doorgrenslijnen afgebakend, een andere belijning is niet noodzakelijk. Het penaltygebied heeft een grootte van 10 x 24 meter De strafschopstip is op 8 meter aangebracht. De grenslijnen behoren tot het speelveld. De breedte van de lijnen is op grasvelden 10 tot 12 centimeter. Bij zelfstandige 7 tegen 7-velden, in het bijzonder die van kunstgras, volstaat een breedte van 6 tot 12 centimeter. Niet zelfstandige 9 tegen 9-velden Niet zelfstandige 9 tegen 9-velden worden uitgezet met hoedjes/pionnen: 7 tegen 7 A) Zelfstandige 7 tegen 7-velden Het speelveld wordt uitsluitend door grenslijnen afgebakend, een andere belijning is niet noodzakelijk. Het penaltygebied heeft een grootte van 11,25 x 27,5 meter De strafschopstip is op 8 meter aangebracht. De grenslijnen behoren tot het speelveld. De breedte van de lijnen is op grasvelden 10 tot 12 centimeter.

Bij zelfstandige 7 tegen 7-velden, in het bijzonder die van kunstgras, volstaat een breedte van 6 tot 12 centimeter. B) Niet zelfstandige 7 tegen 7-velden Voor belijning van 7 tegen 7-velden geldt dat: de belijning op alle kunstgras- en natuurgrasvelden mag worden aangebracht, met uitzondering van de velden bestemd voor categorie A; de grenslijn aansluit op de 5,5 meterlijn, 2 meter vanaf de middellijn tot aan de zijlijnen van het standaardveld; het een doorgetrokken belijning betreft; de kleur van de belijning niet wit mag zijn; de belijning van het standaardveld ononderbroken moet zijn;

naast de grenslijnen: penaltystippen en een middenstip mogen worden aangebracht; de breedte van de belijning 6 tot 12 centimeter bedraagt; velden voor de uitgesloten categorieën en klassen en velden zonder bovenstaande belijningen, afgebakend moeten zijn met 'dopjes' of 'hoedjes', wanneer: a) op één veld twee wedstrijden gelijktijdig plaatsvinden of b) er obstakels zoals vaste doelen zijn in de zogenoemde obstakelvrije zone (uitloopstrook); de vereniging de KNVB vóór het aanbrengen van de belijning moet informeren over welk kunstgrasveld zij gaat gebruiken voor officiële KNVB-wedstijden (in de B-categorie), zodat de bond hiervoor dispensatie kan geven. Opmerking 1: Multifunctionele belijning op bijvelden is toegestaan, mits: op het betreffende veld alleen officiële KNVB-wedstrijden in de B-categorie op het programma staan; het hoofdgebruik voetbal is; voor maximaal één ander type sport belijning wordt aangebracht; het enkel functionele, voor wedstrijdgebruik noodzakelijke belijning betreft; de kleur van de belijning voor deze 'tweede' sport afwijkt van de kleur van de standaard voetbalbelijning, en deze 'kleur' niet wit is; de standaard voetbalbelijning ononderbroken blijft; de vereniging in alle gevallen van multifunctioneel gebruik het ontwerp belijningsplan aan de KNVB ter goedkeuring voor dispensatie voorlegt.

Opmerking 2: Multifunctionele belijning op hoofdvelden is toegestaan, mits: de vereniging maar één veld (zijn-de kunstgras) tot haar beschikking heeft; het hoofdgebruik voetbal is; de senioren mannen maximaal vierde klasse spelen; de senioren vrouwen niet in de A-categorie spelen; de junioren maximaal derde divisie spelen; bij promotie naar een klasse/categorie hoger dan het voornoemde, het veld bij renovatie niet langer van deze multifunctionele belijning wordt voorzien; voor maximaal één ander type sport belijning wordt aangebracht; het enkel functionele, voor wedstrijdgebruik noodzakelijke belijning betreft; de kleur van de belijning voor deze 'tweede' sport afwijkt van de kleur van de standaard voetbalbelijning, en deze 'kleur' niet wit is; de standaard voetbalbelijning ononderbroken blijft; de vereniging in alle gevallen van multifunctioneel gebruik het ontwerp belijningsplan aan de KNVB ter goedkeuring voor dispensatie voorlegt. Aanbevelingen

De voorkeurskleur van de belijning is wit. Andere kleuren zijn in beginsel toegestaan, mits deze voldoende contrasteren. Kunstgrasvelden zijn soms voorzien van gele lijnen, terwijl bij sneeuw rood of blauw goed zichtbare kleuren zijn. Het sneeuwvrij maken van de belijning is overigens meestal ontoereikend. Veelal zal dan de zichtbaarheid verder moeten verbeteren door alsnog gekleurde lijnen aan te brengen. De kleuren van de belijning van natuurgrasvelden ontstaan door aan de kalk of belijningsverf een 'kleurpoeder' toe te voegen. Als belijningsmateriaal voor natuurgras zijn er verschillende mogelijkheden: (gebluste) kalk, krijt, mergel of een speciale belijningsverf. Gezondheidsaspecten Het is niet toegestaan bijtende, irriterende of andere voor de gezondheid niet wenselijke materialen te gebruiken. Evenmin toegestaan is het inbranden van belijning met een gif of een ander scherp middel, waardoor geulen ontstaan en de grasmat onnodig schade ondervindt. Beter is het gebruik van vervangende middelen die de groei van het gras remmen en een langer houdbare lijn opleveren. De KNVB adviseert het gebruik van milieuvriendelijke materialen. Een in dat opzicht geschikte mogelijkheid is het aanbrengen van zogenaamde verklikpunten. Er zijn simpele pluimpjes van kunstgras verkrijgbaar - en toegestaan - die belangrijke punten in het veld kunnen markeren.

Bijkomend voordeel is dat het niet nodig is de lijnen steeds opnieuw uit te zetten. Volledige kunststoflijnen zijn overigens gekwalificeerd als 'ondeugdelijk' en om die reden niet geoorloofd.

Snijden/spuiten Belijning voor kunstgrasvelden kan door 'insnijden' of door spuiten worden aangebracht. Gespoten belijning vervaagt gedurende de tijd; deze moet dus gedurende de levensduur meerdere malen worden aangebracht. Bij het spuiten van de belijning moeten de sporttechnische eigenschappen van de kunstgrasmat gewaarborgd blijven, evenals de veiligheid voor de spelers. Zo is zogenaamde verkitting van vezels niet toegestaan. Het meespuiten van infillmateriaal moet voorkomen worden; omdat dit kan 'uitlopen' door verspreiding van de infill. Speelveldafzetting Regels Een speelveldafzetting is verplicht bij de competitiewedstrijden van: senioren mannen in standaardklassen; senioren vrouwen in landelijke klassen; A-junioren in landelijke eredivisie, eerste en tweede divisie; B-junioren in landelijke eredivisie, eerste en tweede divisie; C-junioren in landelijke eerste en tweede divisie. Wanneer wedstrijden buiten deze categorieën op een veld met afrastering worden gespeeld, dan zijn onderstaande regels ook voor de velden waar deze wedstrijden op worden gespeeld van toepassing. De speelveldafzetting moet:

zich bevinden op minimaal 4,00 meter uit de grenslijnen en rondom gesloten zijn; een hoogte hebben tussen 0,90 en 1,20 meter boven maaiveld; een voldoende stevige en veilige constructie hebben zonder scherpe of uitstekende delen. Behalve de hieronder genoemde personen mogen geen andere personen zich binnen de speelveldafzetting bevinden: spelers, het arbitrale trio, oefenmeester, manager, verzorger, clubarts, een verantwoordelijk bestuurslid, pupil van de week, wisselspelers en herkenbare ordebewakers in functie. Bij wedstrijden moeten de openingen van de afzetting afgesloten zijn, zoals via een ketting of een dichte poort. De uitgang voor de spelers moet zodanig gesitueerd zijn dat zij de kortste weg naar de kleedkamers kunnen nemen. Aanbevelingen Aanbevolen wordt om ook de wedstrijden in de reserve hoofdklasse, de reserve eerste klasse, de reserve tweede klasse en de derde divisies van de landelijke junioren op een speelveld met afzetting te laten plaatsvinden. Afhankelijk van de grootte en wensen van de vereniging en de klasse waarin zij actief is, kan het nodig zijn meerdere velden van een afzetting te voorzien. Als vuistregel geldt de aanwezigheid van een tweede afgerasterd veld bij drie of meer teams in de genoemde categorieën/klassen.

In beginsel kunnen alle speelvelden die aan de afmetingen voldoen en rondom zijn voorzien van een gesloten afzetting, worden aangemerkt als reglementair. De verplichte categorieën uitgezonderd, is het ontbreken van een speelveldafzetting nooit een reden voor het niet doorgaan van wedstrijden. Aanbevolen wordt het aantal doorgangen in de speelveldafzetting te beperken tot het aantal dat nodig is om spelers en onderhoudsapparatuur toegang tot het speelveld te verlenen. Verder verdient het aanbeveling om de leunbuis op de plaats van de vangnetten te laten doorlopen, zodat de vereniging ook achter de doelen reclameborden kan ophangen. Om het zicht voor het publiek te verbeteren, kan voor hoofdvelden een waaiervormige opstelling van de speelveldafzetting overwogen worden. Ter hoogte van de middenlijn is de uitloopruimte dan circa 5,50 meter, achter de doelen circa 6,00 meter. Een rechthoekige opstelling met overal een uitloopruimte van tenminste 4,00 meter, is echter in alle gevallen toegestaan. Soms is het praktisch een speelveld te voorzien van een gedeeltelijke afzetting. In het bijzonder aan de zijde waar publiek zich bij voorkeur opstelt in verband met wind of zon. Of met als doel de doorloop van publiek over de velden naar achtergelegen velden te voorkomen.

Bij kunstgrasvelden wordt aanbevolen een afzetting aan te brengen die is voorzien van een staafmat of anders harmonicagaas. Dit gaat vervuiling van de mat tegen, onder meer doordat zo meer ballen binnen het veld blijven. Constructie en veiligheid De voorkeur gaat uit naar metalen staanders die onderling verbonden zijn met een metalen leunbuis. Ook andere materialen en constructies zijn toegestaan. Aanbevolen wordt uitstekende bouten van een kunststof dop te voorzien of ze af te slijpen. De scherpe punten van bevestigingsdraad bij harmonicagaas moeten naar beneden worden gericht, al hebben kunststof bevestigingsmaterialen de voorkeur. Bij staalmatten kunnen de bovenzijde én onderzijde het best met een horizontale staaf eindigen, dus zonder uitstekende punten.

Toegangspoorten in de afrastering draaien bij voorkeur naar buiten. Bij het aanbrengen van de speelveldafzetting moet ook rekening worden gehouden met het ophangen van reclameborden. In verband met het gewicht van deze borden is een zwaardere bovenbuis een goede optie, of kan de afstand tussen de palen worden aangepast; van 3,00 meter naar bijvoorbeeld 2,50 meter. Met het oog op de gewenste vrije ruimte onder de reclameborden, wordt geadviseerd de leunbuis aan te brengen op 1,00 à 1,20 meter. Uit oogpunt van onderhoud (maaien) is het wenselijk om de gehele afzetting vast te zetten in een verharding. Het is toegestaan aan de binnenzijde van de afrastering een strook verharding (tegelrand) aan te brengen met een breedte van maximaal 0,50 meter inclusief opsluitband. De tegelrand behoort aan te sluiten op het maaiveld. Bij een nieuwe afrastering brengt men tegenwoordig eerst de verharding aan, om vervolgens de gaten te boren waarin de palen komen te staan. Om in bestaande situaties kapwerk van tegels zoveel mogelijk te voorkomen, kan tussen twee rijen tegels een rij klinkers worden aangebracht. Een alternatief is om de afstand aan te passen tussen de staanders aan het straat- of tegelwerk (meestal 2,40 meter of 2,70 meter). Voor het plaatsen van een speelveldafzetting is overigens doorgaans toestemming van de gemeente nodig.

Tijdelijke speelveldafzetting Bij renovatie kan het nodig zijn een ander speelveld als tijdelijk hoofdveld in te richten. Hiertoe volstaat een eenvoudige tijdelijke afzetting bestaande uit houten palen of afrasteringpaaltjes, onderling verbonden met metaaldraad of stevig touw. Het gebruik van veiligheidslint of afzettingslint is niet toegestaan. Het gebruik van dranghekken wel. Een tijdelijke afrastering moet zich bevinden op tenminste 3,00 meter uit de grenslijnen. Dug-outs worden buiten deze tijdelijke afzetting geplaatst. Doelen Regels 11 tegen 11 De doelen dienen in het lood op de daarvoor aangegeven plaatsen te worden aangebracht. De binnenwerkse maten van een voetbaldoel zijn 7,32 x 2,44 x 1,50 meter. Doelpalen en doellat moeten dezelfde breedte hebben, liggend tussen 10 en 12 centimeter. De doelen moeten zijn voorzien van doelnetten. De doelpalen en doellat moeten helder wit zijn. De doelen moeten zijn verankerd in de grond. Het gebruik van verplaatsbare doelen is niet toegestaan. Doelpalen en doellat moeten zijn gemaakt van hout, metaal of ander goedgekeurd materiaal. Zij mogen vierkant, rechthoekig, rond of ovaal zijn. Op doelpalen, doellat en doelnetten mogen geen reclame-uitingen, emblemen of (club)logo's staan. De doelen moeten voldoen aan de norm NEN-EN 748 d.d. september 2004.

Eventuele spanstangen voor het 'opspannen' van netten moeten minimaal 2,00 meter uit de doellijn staan, in één lijn met de doelpaal. Op een afstand van 3,50 meter uit de doellijn mogen de spanpalen worden geplaatst op 0,50 meter uit de lijn met de doelpaal.

9 tegen 9 De binnenwerkse maten van het voetbaldoel zijn 6,00 x 2,00 x 1,50 meter (Indien niet aanwezig volstaat een doel van 5,00 x 2,00 x 1,50 meter). Doelpalen en doellat moeten dezelfde breedte te hebben, liggend tussen 6 en 12 centimeter. De doelen moeten zijn voorzien van doelnetten. De doelpalen en doellat moeten helder wit zijn dan wel een aluminiumkleur hebben. Verplaatsbare doelen moeten een verankering hebben op tenminste drie punten. De doelen moeten voldoen aan de norm NEN-EN 748 d.d. september 2004. 7 tegen 7 De binnenwerkse maten van het voetbaldoel zijn 5,00 x 2,00 x 1,50 meter. Doelpalen en doellat behoren dezelfde breedte te hebben, liggend tussen 6 en 12 centimeter. De doelen moeten zijn voorzien van doelnetten. De doelpalen en doellat moeten helder wit zijn dan wel een aluminiumkleur hebben. Verplaatsbare doelen moeten een verankering hebben op tenminste drie punten. De doelen moeten voldoen aan de norm NEN-EN 748 d.d. september 2004. 4 tegen 4 De binnenwerkse maten van het voetbaldoel zijn 3,00 x 1,00 meter. Doelpalen en doellat behoren dezelfde breedte te hebben, liggend tussen 6 en 8 centimeter. De doelpalen en doellat moeten helder wit zijn dan wel een aluminiumkleur hebben. Bij dit type doeltjes is normaliter verankering niet nodig, mits voorzien van voldoende steunvlak.

Afwijkende kleuren Aluminiumkleurige doelen zijn niet geoorloofd bij elf tegen elf-voetbal. Het is evenmin toegestaan de onderzijde van de palen van een andere kleur verf te voorzien. Kleine deuken in een doelpaal zijn niet direct bezwaarlijk, mits er geen scherpe randen of open kanten aanwezig zijn. Deuken Bij deuken dieper dan 2 centimeter of openingen in de doelpaal is vervanging van de doelpaal verplicht. Open nethaken In de Europese norm NEN-EN 748 staat aangegeven dat open nethaken geen aanbeveling verdienen. Dit vanwege het risico dat er kleding of lichaamsdelen achter kunnen blijven haken. Dit wordt door de KNVB onderschreven. Aanbevelingen

Zogenaamde P-doelen of doelen met een andere vorm van netbevestiging, zoals spanstangen, zijn toegestaan mits deze blijvend in het lood zijn gesteld. P-doelen hebben als voordeel dat er gemakkelijker gemaaid kan worden wanneer het net is opgeklapt. Een nadeel is dat P-doelen vaak achteroverhangen en uit het lood komen te staan. Een voldoende diepe bodemverankering is derhalve belangrijk. Een ander aandachtspunt is de aanwezigheid van steunbeugels tussen de doellat en de netsteunen, waardoor deze niet naar binnen kunnen buigen. Een zwak punt blijkt nogal eens de hoekconstructie te zijn. Gelaste hoekconstructies bieden doorgaans meer stevigheid. Aanbevolen wordt de doelhoogte instelbaar te laten zijn. Gebleken is dat het 'uitvullen' van de doelgebieden tot ophoging leidt, zodat de doelhoogte na enige tijd niet meer correct is. In de Spelregels staan geen toleranties ten aanzien van deze hoogte aangegeven. De KNVB gaat ervan uit dat de vereniging de doelhoogte aan het begin van het seizoen opmeet en zo nodig aanpast. Hoekverbindingen moeten zodanig zijn geconstrueerd dat doelpaal en doellat één geheel vormen, zonder scherpe uitsteeksels. Bouten, moeren, nethaken en verstevigingstukken moeten zo nodig worden weggewerkt.

Aanbevolen wordt ondersteunende beugels zodanig aan te brengen dat deze niet leiden tot verandering van het doelvlak en dat de bal daardoorheen niet het doel weer kan verlaten. De kokers waarin de doelen staan, moeten voldoende diep zijn en mogen niet boven het maaiveld uitsteken. Verplaatsbare doelen De Spelregels sluiten het gebruik van verplaatsbare doelen niet uit. De International Board geeft wel aan dat deze doelen deugdelijk in de grond moeten worden verankerd. De KNVB heeft echter besloten deze regel niet over te nemen en het gebruik van verplaatsbare doelen in beginsel te verbieden. Voor een aantal gebruikssituaties geldt een uitzondering: In bepaalde, tijdelijke situaties, zoals bij renovatie van een veld, kan het gedurende korte tijd nodig zijn gebruik te maken van verplaatsbare doelen. Verankering of verzwaring is in dit soort situaties altijd verplicht. 7 tegen 7 Vaste of demontabele pupillendoelen die in grondkokers worden geplaatst en na de wedstrijd weer worden verwijderd, hebben de voorkeur. Het kost iets meer werk, maar is wel veiliger. Breng bij gebruik van verplaatsbare doelen de verankering aan op tenminste drie punten; het best aan de drie zijden van het grondvlak. De scheidsrechter of spelleider moet toezien op een deugdelijk aangebrachte verankering die geen gevaar oplevert.

Er zijn ook doelen waarvan het bodemraam verzwaard kan worden met vaste of afneembare gewichten. Dit is een goed alternatief, mits de verzwaring consequent wordt aangebracht en erop toe wordt gezien dat het verzwaarde deel op de grond ligt. Aanbevelingen Aanbevolen wordt verplaatsbare doelen die niet in gebruik zijn - buiten de uitlopen- met een ketting en stevig slot vast te maken: aan elkaar, aan de omrastering of aan een gebouw. Zo kan niemand deze zonder toezicht verplaatsen of als speeltoestel gebruiken. Voor gebruik van verplaatsbare doelen op trainingsvelden wordt geadviseerd eenzelfde handelwijze te volgen. Geadviseerd wordt de doelen te verplaatsen in plaats van ze te slepen. Bij voorkeur vindt dit onder toezicht plaats en met minimaal vier personen. Verslepen tast namelijk vaak de hoekverbinding aan. Het gebruik van verplaatsbare doelen met gelaste hoekverbindingen verdient dan ook de voorkeur.

Voor het verplaatsen zijn ook speciale karretjes verkrijgbaar. Let er bij aankoop op dat de doelen voldoende grondvlak hebben in relatie tot het opstaande doelvlak. De NEN-EN norm beveelt 2,00 meter aan. Verplaatsbare doelen dienen op een voldoende vlakke en stabiele ondergrond te worden geplaatst. Het gebruik van verplaatsbare (pupillen)doelen met scharnierende zijsteunen, is verboden. Inklapbare pupillendoelen Een bijzondere variant van verplaatsbare doelen, zijn inklapbare pupillendoelen. Het doelframe is voorzien van een (dubbel)scharnierende constructie, die het mogelijk maakt het doel in zijn geheel tegen de afrastering te schuiven en zo de uitloop vrij van obstakels te houden. Dit type doelen is veel in gebruik bij kunstgrasvelden, omdat het lastig is hierop de verplaatsbare pupillendoelen goed te verankeren.

Uitsluitend voor pupillen is de toepassing van inklapbare doelen toegestaan mits: Bij gebruik het doel(frame) op de juiste plaats op de doellijn is te plaatsen, met de achterzijde gelijk aan de buitenkant van de doellijn; tijdens het spel het doel op zijn plaats blijft staan en niet is te verschuiven bij aanraking; ondersteunende beugels zodanig zijn aangebracht dat deze niet tot verandering van het doelvlak leiden en de bal daardoorheen niet het doel weer kan verlaten; de constructie niet kan leiden tot verandering of beschadiging van het speelveld en de uitloop; het doel is voorzien van een doelnet waarbij de keeper voldoende ruimte krijgt; doelpalen en doellat een witte of aluminium kleur hebben. Na gebruik de constructie met de rug tegen de afrastering of ballenvanger wordt geplaatst; in ingeklapte toestand de afstand tussen de voorzijde van de constructie en de zijlijn tenminste 3,50 meter bedraagt. Constructie en veiligheid De totale constructie moet voldoende sterk en stijf zijn, opdat bij herhaald gebruik de functie gehandhaafd blijft. In uitgeklapte toestand moet de constructie zodanig geborgd zijn dat het doel op zijn reglementaire plaats blijft staan. In ingeklapte respectievelijk uitgeklapte toestand dient de constructie zodanig geborgd te zijn dat het doel niet spontaan kan uitklappen, inklappen of omvallen. De borging moet niet gemakkelijk ongedaan te maken zijn.

De afstand tot de doellijn moet instelbaar zijn. Het doelframe en de overige constructie mogen geen scherpe of uitstekende delen bezitten. Uitstekende bouten moeten afgeslepen worden of worden afgeschermd met kunststof doppen. Randen moeten afgerond worden en er moet zorg gedragen worden voor dat nethaken niet buiten de palen uitsteken (ingebouwde nethaken hebben de voorkeur). Er moet rekening worden gehouden met ongewenst gebruik (bijvoorbeeld als klimrek).

Doelnetten Regels Het gebruik van doelnetten is verplicht. Doelnetten moeten op doelmatige wijze aan de doellat, de doelpalen en bodem zijn bevestigd. Doelnetten moeten zodanig worden ondersteund dat ze de doelverdediger niet hinderen. Het is verboden in de doelnetten reclame-uitingen, namen, emblemen of (club)logo's aan te brengen. Het is verboden in doelen en -netten camera's, microfoons, enzovoort aan te brengen. Per veld moeten doelnetten dezelfde kleur(en) hebben. De doelnetten moeten voldoen aan de norm NEN-EN 748 d.d. september 2004. De maaswijdte bedraagt maximaal 12 centimeter. Voor speciale situaties zijn fijnmazige netten met een wijdte van 4 à 5 centimeter geoorloofd. De doelnetten moeten dusdanig aan doelpalen en -lat vastzitten dat er geen bal door de opening tussen net en paal/lat kan. Bij gebruik van nethaken mag de onderlinge afstand maximaal 25 centimeter zijn. Andere bevestigingsconstructies zijn toegestaan, mits deze tot hetzelfde resultaat leiden. Doelnetbevestigingsconstructies mogen niet leiden tot scherpe of uitstekende delen. Om deze reden zijn open nethaken niet wenselijk. Doelnetbeugels moeten op 2,44 meter hoogte aan de doelpalen worden bevestigd. Het materiaal van de beugels moet voldoende stijf zijn om doorhangen te voorkomen. Het doelnet moet ook voldoende ruim zijn, zodat het niet te strak wordt gespannen.

De vrije ruimte die de doelverdediger tot zijn/haar beschikking moet hebben is minimaal 1,50 meter en op doellathoogte minimaal 0,80 meter (NEN-EN 748). Bij P-doelen is het verplicht erop toe te zien dat het doelnet niet doorhangt en daardoor de keeper hindert. Indien nodig moet een kabel/touw tussen de netsteunen worden gespannen. Om het naar binnen buigen van netsteunen te voorkomen, is eveneens een horizontale steun tussen doellat en netsteunen noodzakelijk. Aanbeveling Witte doelnetten van stevig nylon hebben, vanwege betere contrastwerking, de voorkeur. Gekleurde netten zijn toegestaan mits per veld de doelnetten dezelfde kleur(en) hebben. De maaswijdte moet zodanig zijn dat een bal het doel niet via het net kan verlaten, of via het zijnet in het doel kan komen. Doelnetten kunnen op meerdere manieren aan de grond worden bevestigd: via losse pennen, via latten met pennen of via opklapbare doelnetbeugels. De laatste zijn uit oogpunt van onderhoud de beste keus. De losse pennen, of latten met pennen, zijn bij kunstgrasvelden minder aanbevelenswaardig, in verband met beschadigingen en het mogelijk komen te vervallen van garanties. Het gebruik van (opklapbare) doelnetbeugels mag niet leiden tot een gewijzigd doelvlak of tot gevaarlijke situaties door uitstekende delen van het bevestigingsmateriaal.

Hoekvlaggenstok en hoekvlaggen Regels Op elke hoek van het speelveld moet een hoekvlaggenstok met vlag staan. Elke stok moeten tenminste 1,50 meter en maximaal 2,00 meter boven de grond uitsteken en mag aan de bovenkant niet in een punt eindigen.

Op hoekvlaggen en hoekvlaggenstokken mogen geen reclame-uitingen, emblemen of (club)logo's staan. Aanbevelingen De hoekvlaggenstok moet zodanig in de grond zijn geplaatst dat deze bij aanraking omvalt of meegeeft. Voorkomen moet worden dat hoekvlaggenstokken breken. Hoekvlaggenstokken zijn bij voorkeur gemaakt van hout of glasfiber en hebben een diameter van 3 à 5 centimeter. Het gebruik van pvc waterleidingpijp of ander hard plastic wordt ontraden vanwege het ontstaan van scherpe punten bij breken. Schuif de hoekvlag bij voorkeur over de hoekvlaggenstok, in plaats van deze met haakjes of oogjes hieraan te bevestigen. De aanbevolen afmetingen van de hoekvlag zijn 60 x 40 centimeter. De vlag moet een opvallende, heldere kleur hebben. Bij voorkeur helder rood, oranje of geel. Dug-Outs / Zitruimte Regels Bij speelvelden waarop standaardelftallen standaard hun wedstrijden spelen - over het algemeen dus het hoofdveld - moeten twee gescheiden dug-outs aanwezig zijn. De dug-outs moeten op minimaal 3 meter uit de zijlijn staan, beide aan dezelfde lange zijde. De onderlinge afstand (tussen de dug-outs) bedraagt minimaal 10 meter en maximaal 40 meter. Het aantal zitplaatsen is gebonden aan de betreffende competitieregels. De maximale breedte van de dug-out/zitruimte is 10 meter. Er mogen geen personen op de dug-outs plaatsnemen.

Toelichting De Spelregels geven geen directe informatie over de verplichte aanwezigheid van dug-outs. Het hoofdstuk Instructiezone maakt alleen melding van het 'hebben van een aantal zitplaatsen binnen de instructiezone' ten behoeve van wisselspelers, coaches en begeleiders. Voor de Nederlandse situatie heeft de KNVB aanvullende regels gesteld: de aanwezigheid van twee gescheiden dug-outs, daar waar standaardelftallen standaard hun wedstrijden spelen, is zoals gezegd verplicht. De afmetingen van de dug-out hangen mede af van het ambitieniveau van de vereniging. Het aantal personen dat binnen de speelveldafzetting zitting mag nemen, is exact omschreven: maximaal veertien (zie KNVB Bewaarnummer: besluit Ordemaatregelen AV). Het betreft de oefenmeester, manager, verzorger, clubarts, een verantwoordelijk bestuurslid en pupil van de week, evenals de wisselspelers, met een maximum van het genoemde aantal van veertien. Het is niet verplicht om alle veertien zitplaatsen in een dug-out onder te brengen, als het maar binnen de instructiezone is. De assistent-scheidsrechter controleert het aantal personen op deze plaats en behoort ongewenste personen te laten verwijderen. Bij internationale competities mogen meerdere personen binnen de instructiezone plaatsnemen. De wedstrijdregels bepalen het precieze aantal.

De breedte van de dugouts/zitruimte respectievelijk de instructiezone, moet hierop zijn afgestemd. Het is niet toegestaan om toeschouwers en pers binnen de speelveldafzetting zitplaatsen aan te bieden.

Het is toegestaan aan de veldzijde van een dug-out een verharding aan te brengen tot maximaal 0,50 meter, inclusief opsluitband, gemeten vanuit de voorkant en zijkant. De aansluiting van de verharding naar natuurgras of kunstgras moet drempelvrij zijn en mag geen gevaar opleveren voor de spelers. Het is toegestaan om aan één zijde van de dug-out een extra plateau aan te brengen om extra stoelen op te plaatsen voor coaches die liever buiten de dug-out zitten. Het maximum aantal zitplaatsen per team blijft ook dan staan op veertien. De verharding van het plateau moet drempelvrij aansluiten bij de verharding rond de dug-out en de uitloop. Een andere eis is dat in de dug-outs geen (breekbaar) glas wordt verwerkt. Dug-outs dienen bovendien voldoende verankerd te zijn in de bodem. Aanbeveling Het verdient aanbeveling om per zitplaats een breedte van ongeveer 0,50 à 0,60 meter aan te houden. In het amateurvoetbal heeft een dug-out een functionele breedte van 6 tot 8 meter. De binnenwerkse hoogte bedraagt tenminste 1,75 meter. Voor een vrije stahoogte is meestal 2 meter nodig. De diepte van een dug-out is maximaal 1 meter, voor de bankhoogte kan 0,50 meter worden aangehouden. Als zitplaatsen kunnen banken of speciale kuipjes dienen. De constructie mag noch voor spelers in het veld noch voor de inzittenden gevaar opleveren.

Hoeken moeten worden afgerond of worden voorzien van zachte materialen. Speciale aandacht wordt gevraagd voor de ondersteuning van de dakconstructie en de bevestiging aan de onderbouw. Dug-outs worden op het maaiveld of verdiept - tot maximaal 0,50 meter aangebracht. Voordeel van een verdiepte uitvoering is een beter zicht voor de toeschouwers. Bij deze dug-outs moet wel rekening gehouden worden dat er geen regenwater vanaf het veld de dug-out in kan lopen. Aanbevolen wordt in de bodemplaat een waterafvoer te maken met aansluiting op de drainage. Nadeel van verdiepte dug-outs is een minder goed zicht voor de inzittenden, waardoor de trainers vaak ernaast gaan zitten of staan. Om de zichthinder voor toeschouwers te beperken, zijn ook doorzichtige materialen in de kapconstructie een oplossing. Deze moeten vandaalbestendig zijn en niet kunnen breken (hard glas, polycarbonaatplaat of bijvoorbeeld lexaan). Dug-outs worden bij voorkeur aan de west- of zuidwestzijde geplaatst, dit in verband met inwaaien en inregenen. Verder moet de constructie voldoen aan de gemeentelijke bouwvoorschriften. Sommige gemeenten eisen een omgevingsvergunning, in andere gemeenten volstaat alleen een melding. Dug-out vierde official In het betaalde voetbal is het gebruikelijk om ook een voorziening aan te brengen voor de vierde official, zodat deze droog kan zitten.

Meestal is dit in de vorm van een tweepersoons dug-out, ter hoogte van de middenlijn, bij voorkeur direct naast de spelerstoegang tot het veld. Voor de uitvoering gelden verder dezelfde regels als voor de 'gewone' dug-outs. Ook in het amateurvoetbal is een dug-out voor de vierde official / wisselfunctionaris mogelijk. Hierbij gelden de volgende voorwaarden: De dug-out is maximaal 2 meter breed. De dug-out moet zijn geplaatst ter hoogte van de middenlijn, aan dezelfde zijde als de overige dug-outs. De voorkant van de dug-out moet op één lijn worden geplaatst met de overige dug-outs. Instructiezone

De instructiezone is het gebied waarbinnen de trainer-coach aanwijzingen mag geven, ook wel 'coachvak' of 'technische zone' genoemd. De instructiezone moet voldoende zitplaatsen voor genoemde personen bevatten. Banken, stoelen en dug-outs zijn onderdeel van deze zone. Regels In het amateurvoetbal is op (kunst)grasvelden waar standaardelftallen (mannen senioren) hun competitie- en bekerwedstrijden spelen, een instructiezone verplicht. Hetzelfde geldt voor het grasveld waarnaar een standaardelftal mogelijk moet uitwijken. Wijkt een standaardelftal uit naar een kunstgrasveld, dan geldt deze verplichting niet. De breedte van de instructiezone hangt af van de ruimte die nodig is om het aantal toegelaten zitplaatsen aan te brengen, plus aan weerszijden 1 meter, met een maximale breedte van 12 meter. Een lijn op 1 meter evenwijdig aan de zijlijn begrenst de voorzijde van de instructiezone. Buiten de veldspelers moeten alle tot het speelveld toegelaten personen plaatsnemen binnen de instructiezone. Lijnen De lijnen worden aangebracht met kalk of lijnverf. Op kunstgras is er sprake van een vaste lijn. De breedte van de belijning is 10 tot 12 cm. De lijn die de instructiezone aanduidt, mag zowel doorgetrokken als onderbroken zijn.

Bij de aanleg van nieuwe hoofdvelden of het wijzigen van bestaande situaties, bijvoorbeeld bij renovatie of herstructurering, gaat de KNVB er vanuit dat bovengenoemde richtlijnen worden gevolgd. Fotografenlijn Regel Persfotografen mogen zich bevinden binnen een daartoe aangegeven vak binnen de afrastering. Toelichting In de Spelregels staat niets aangegeven over de aanwezigheid van fotografen binnen het speelveld. In het internationale voetbal mogen fotografen en cameramensen plaatsnemen achter de reclameborden. Het besluit Ordemaatregelen vermeldt dat persfotografen zich binnen de afrastering mogen begeven, maar alleen aan weerszijden van de doelen op tenminste 3,50 meter afstand van de doellijn, buiten de 5,5 meter-zone. Als deze ruimte niet aanwezig is, is het fotografen toegestaan tegen de reclameborden/afrastering langs de zijlijn plaats te nemen, ter hoogte van de zestienmeterlijn op de helft waar geen assistent-scheidsrechter loopt. Aanwezige persfotografen moeten zo dicht mogelijk tegen de reclameborden of afrastering zitten/staan. Het is niet de bedoeling dat niet-persfotografen (schrijvende pers) zich binnen de afrastering ophoudt. Spelerspad Regels

Tussen de ingang van het hoofdveld en de uitgang van de kleedkamers moet een voldoende breed (minimaal 2 meter) spelerspad aanwezig zijn, dat behoorlijk is afgezet dan wel in voorkomend geval kan worden afgezet. Het spelerspad moet de kortst mogelijke afstand zijn tussen speelveld en kleedgelegenheid. Toelichting Op grond van het Reglement Wedstrijden Amateurveldvoetbal heeft het bestuur amateurvoetbal regels opgesteld met betrekking tot orde en veiligheid bij wedstrijden. Deze zijn vastgelegd in het besluit Ordemaatregelen. Naast organisatorische maatregelen moeten zo nodig fysieke maatregelen worden getroffen. Hierbij moet worden gedacht aan het afschermen van het pad tussen speelveld en kleedlokalen met scheiding- of dranghekken. In voorkomende gevallen kan een vereniging verplicht worden tot afzetting van het spelerspad. Aanbevelingen Het verdient bij het ontwerpen van een sportpark aanbeveling de afstand van de kleedgelegenheid tot de speelvelden zo kort mogelijk te houden. Voor het hoofdveld is een maximale afstand van 50 meter en voor de overige velden maximaal 150 meter aan te bevelen. Bij topamateuraccommodaties (topklasse, hoofdklasse en eerste klasse) is dit 10 meter. Voor wat betreft het hoofdveld heeft situering van de kleedgelegenheid direct nabij het hoofdveld altijd de voorkeur.

Indien er een tribune aanwezig is, wordt aanbevolen de kleedkamers onder of achter de tribune te situeren en de toegang tot het hoofdveld via een doorgang in/onder de tribune te maken. Het spelerspad tussen hoofdveld en kleedgelegenheid dient rechtstreeks en zo kort mogelijk te zijn. Het is niet noodzakelijk dat de toegang tot het speelveld via het midden verloopt. Verder geldt dat er op de plaatsen waar publiekspaden worden gekruist, voorzieningen moeten worden getroffen om het spelerspad in voorkomende gevallen te kunnen afschermen. Ballenvangers Regels Ballenvangers moeten zich bevinden op tenminste 4 meter uit de grenslijnen van het speelveld. Aanbevelingen Aanbevolen wordt ballenvangers als standaard onderdeel van de inrichting van een speelveld te beschouwen en deze achter alle doelen te plaatsen. Niet alleen biedt dit de gelegenheid de bal snel weer in het spel te brengen, maar bovendien beperkt dit het voorkomen van onveilige situaties voor de aanwezigen binnen en buiten het speelveld. Bij velden die haaks op elkaar liggen of in elkaars verlengde, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan als de bal onverwacht in het andere veld terechtkomt. In dat soort situaties wordt aanbevolen over de gehele breedte van het veld ballenvangers te plaatsen.

Er zijn meer situaties denkbaar waarbij het, vanuit het oogpunt van algemene veiligheid, verstandig is ballenvangers of verhoogde hekwerken toe te passen: verkeersveiligheid op omgevende wegen/straten/afritten; bescherming van particuliere eigendommen (woningen, tuinen); bescherming van (openbare) parkeerterreinen (ook in de straat). Ballenvangers worden bij voorkeur opgenomen in de speelveldafzetting waarbij de leunbuis van de afzetting doorloopt, zodat ook daar reclameborden kunnen hangen. Om onderhoudstechnische redenen kunnen de ballenvangers ook op de grens van de beplanting of publieksstrook worden geplaatst. Het verdient daarbij aanbeveling onder een ballenvanger een smalle strook verharding aan te brengen, teneinde het 'bijmaaien' sterk te vereenvoudigen en beschadiging door maaimachines te beperken.

Uit praktische overwegingen gelden voor standaard ballenvangers de minimumafmetingen van 5 meter hoogte en 25 meter breedte. Afhankelijk van de te beveiligen situatie dienen de precieze hoogte en breedte te worden aangepast. Het kan praktisch zijn om extra ballenvangers aan te brengen op andere plaatsen langs het veld. Vooral op trainingsvelden, waar het spel zich vaak in de breedte afspeelt, zijn ballenvangers aan de lange zijden zeer functioneel. Het bevordert onder meer spreiding van het gebruik. Geheel rondom Uit veiligheidsoverwegingen komt het voor dat een voetbalveld rondom van ballenvangers wordt voorzien. De KNVB is geen voorstander van een dergelijke oplossing waarbij de toeschouwers achter de ballenvangers moeten plaatsnemen. Wanneer bij een hoofdveld de omgeving moet worden afgeschermd, moeten deze voorzieningen achter de publiekstrook of beplantingen worden geplaatst. Uitvoering In de meeste gevallen volstaat een nylonnet dat de grond raakt. Nylon is echter kwetsbaar voor beschadiging en vernieling. Daar waar veel mensen staan of lopen, of de ballenvanger veel ballen tegen zich aan krijgt, is het praktisch om het onderste deel te voorzien van een staalmat of harmonicagaas. Op zeer kwetsbare plaatsen wordt aanbevolen ook het bovenste gedeelte van dit gaas te voorzien.

Een moderne uitvoering van een versterkte ballenvanger is er één met lichte staalnetten, vooral geschikt voor toepassing bij trainings- en kunstgrasvelden. Op kunstgrasvelden verdient het aanbeveling de speelveldafzetting van een staalmat te voorzien, zodat deze tevens als lage ballenvanger kan fungeren. Ballen zullen zo minder vaak het veld verlaten, hetgeen bovendien vervuiling tegengaat. Voor het plaatsen van ballenvangers is doorgaans toestemming van de gemeente nodig. Reclameborden Regels Reclameborden dienen tenminste 4 meter uit de grenslijnen te worden geplaatst.

Van toepassing is de Nederlandse Reclame Code (zie www.reclamecode.nl). Elke reclame-uiting behoort in overeenstemming te zijn met de wet, de waarheid, de goede smaak en het fatsoen, en tevens naar vorm en inhoud niet strijdig te zijn met het algemeen belang, de openbare orde of goede zeden. Reclame mag niet nodeloos kwetsend zijn noch een bedreiging vormen voor de geestelijke of lichamelijke volksgezondheid. Zo is het maken van reclame voor tabaksproducten en alcoholhoudende dranken verboden (Reclamecode voor Alcoholhoudende dranken en Tabakswet). Bij televisieopnamen gelden voor wat betreft de hoeveelheid reclame-uitingen de voorschriften van het Commissariaat voor de Media. Aanbevelingen Uit oogpunt van onderhoud is het gewenst reclameborden niet te laten doorlopen tot aan de grond. Opspattend water vervuilt de borden en het vocht bevordert het rottingsproces. Bovendien is het lastig (bij)maaien en kunnen de borden hierdoor beschadigd raken. Aanbevolen wordt daarom de strook grond onder de reclameborden te verharden door middel van aan binnen- en buitenkant een rij tegels aan te brengen. Hierdoor is handmatig (bij)maaien veelal overbodig en is ook het kantensteken minder nodig. De verharding moet gelijklopen met het maaiveld. Aanbevolen wordt bij gras onder de reclameborden een vrije hoogte aan te houden van circa 20 centimeter.

Met een verharding onder de reclameborden kan met 10 à 15 centimeter worden volstaan. Aanbevolen wordt stevige en vochtbestendige materialen te gebruiken. Voorheen werd veelal watervast multiplex of betonplex toegepast, tegenwoordig vrijwel uitsluitend kunststofplaten (Trespa) of lichte, roestvrije metaalplaten. Om bij hout inwateren en beschadiging te voorkomen, is het gewenst de bovenzijde af te schermen met een metalen U-profiel. Reclameborden mogen geen scherpe of uitstekende delen hebben waaraan toeschouwers of spelers zich kunnen verwonden. Bij elektronische en digitale reclameborden moet rekening worden gehouden met de afmetingen van de apparatuur, die al gauw circa 35 centimeter diep kan zijn. Voor het aanbrengen van reclameborden kan toestemming van de gemeente nodig zijn, waarbij eisen aan de uitvoering en/of de reclame-uitingen kunnen worden gesteld. Wedstrijdklok en scorebord Regels Indien in een wedstrijdklok en/of scorebord wordt voorzien, moet(en) deze op tenminste 4 meter uit de grenslijnen worden geplaatst. Toelichting Er zijn bijna geen reglementaire voorschriften met betrekking tot het plaatsen van een wedstrijdklok of scorebord. Deze instrumenten vormen een soort service aan het publiek. De officiële tijdsregistratie en speeltijden worden niet met de wedstrijdklok bijgehouden, maar door de scheidsrechter die daarvoor zijn/haar eigen klok hanteert.

Bij plaatsing van een wedstrijdklok en/of scorebord zijn de volgende regels van toepassing:

De tijd moet automatisch stoppen na 45 minuten en na 90 minuten. De klok moet bij aanvang van de tweede helft opnieuw kunnen starten. De tijd die de scheidsrechter bijtrekt, mag niet zichtbaar zijn. Tribune Regels De afstand van de voorzijde van een tribune tot de grenslijnen van het speelveld dient minimaal 4 meter te bedragen. Het publiek mag vanaf de tribune niet rechtstreeks het speelveld - inclusief de uitloopruimte -kunnen betreden. Voorgaande geldt bij velden met een reglementair verplichte speelveldafzetting. Aanbevelingen Wind en regen komen in Nederland overwegend uit zuidwestelijke tot noordwestelijke hoek. Aanbevolen wordt de (hoofd)tribune aan deze zijde van het veld te plaatsen. Het inregenen kan daarbij verder worden beperkt door de kap van de tribune enkele meters over de eerste rij uit te laten steken. Voorafgaand aan de bouw van een tribune moet het besluit worden genomen of er toeschouwers voor de tribune langs moeten kunnen lopen. Is dit niet het geval, dan kan de tribune direct aan de veldafrastering en op het maaiveld worden geplaatst. Tussen speelveld en tribune wordt in dat geval een borstwering of stevig hekwerk aangebracht en de toeschouwers verlaten de tribune aan de zij- of achterkant. Het is vrij gebruikelijk om voor de eerste zitrij een looppad of bordes aan te brengen. In zo'n geval is een verhoogde opstelling niet per se noodzakelijk.

Als toeschouwers wel voor de tribune langs moeten kunnen lopen, is het verstandig een afstand (pad) van minimaal 3 meter tot de veldafrastering aan te houden. Om zichthinder te voorkomen, kan gekozen worden voor een verhoogde opstelling. Het publiek verlaat de tribune meestal aan de zijkant. Mogelijk bijkomstig voordeel is de optie om een relatief goedkope bergruimte onder de tribune te realiseren. De zogenaamde aantrede van een tribune bedraagt 0,80 meter; de optrede 0,40 meter. Een hierop aansluitende trap heeft een op- en aantrede van respectievelijk 0,20 meter en 0,40 meter. De helling mag maximaal 40 graden zijn. Binnen 7,00 meter van elke zitplaats moet zich een ontruimingsroute bevinden. De minimale vrije doorgangsbreedte bedraagt 1,10 meter. Verder behoren trappen aan te sluiten op een bordes/tussenplateau. Bij lange trappen is de aanwezigheid van zijwaartse steun verplicht. Tribune en dug-outs Bij een lage uitvoering van de tribune belemmeren dug-outs vaak het zicht. In die situatie kan dan worden gekozen voor het plaatsen van de dug-outs naast de tribune, of te kiezen voor een verdiepte dug-out uitvoering. Bij een verhoogde tribune kunnen dug-outs in de tribune worden geïntegreerd. Uit oogpunt van veiligheid van spelers en scheidsrechters zijn geïntegreerde kleedkamers en een doorgang door de tribune, ideaal.

Bij het plaatsen moet rekening worden gehouden met enige schaduwwerking bij laagstaande zon.

Het gevolg kan zijn dat het in de schaduw liggend deel van het terrein voor de tribune minder snel droogt en rijp en vorst hardnekkiger kan zijn. Ook kan zich enige algenvorming (groene aanslag) voordoen. Het effect is sterker naarmate de tribune hoger en breder is, dichter op het veld staat en/of de overkapping meer oversteekt. Het is eveneens zinvol rekening te houden met eventueel aanwezige, of te zijner tijd te plaatsen, verlichting. Het kan gewenst zijn, of zelfs noodzakelijk, om de lichtmasten achter de tribune te plaatsen. In dat geval moet de lengte van de mast(en) worden aangepast, om de invalshoek van het licht niet te groot te maken, aangezien hierdoor lichthinder kan ontstaan. Voor het plaatsen van een tribune is een omgevingsvergunning nodig en stelt de gemeente mogelijk aanvullende eisen. Om de eigendomssituatie goed te regelen moet minimaal een recht van opstal worden gevestigd, of de eigendom van de grond worden verkregen. Beregeningsinstallatie in speelveld Regels In het speelveld, waartoe ook de uitloop behoort, mogen geen obstakels zijn of komen die gevaar kunnen opleveren voor de gebruikers. Toelichting In beginsel bestaat bezwaar tegen het aanbrengen van spelvreemde elementen in/op een gras- of kunstgrasveld. Al is de kans misschien relatief klein dat bij aanraking een blessure ontstaat, een sporter verwacht niet dergelijke zaken aan te treffen.

Onder bepaalde voorwaarden staat de KNVB toe dat er spelvreemde voorzieningen aan worden gebracht, zoals bijvoorbeeld de sproeipunten van een automatische beregeningsinstallatie. De KNVB hecht in dit verband waarde aan kwalitatief beter onderhoud. Bij kunstgrasvelden zijn per definitie géén ingebouwde sproeipunten binnen de speelveldlijnen toegestaan. Dat is ook niet nodig, omdat er andere typen sproeiers - met een groter sproeibereik - kunnen worden gebruikt, die in de uitlopen van het veld kunnen worden aangebracht. Voorwaarden ingebouwde beregeningsinstallatie Bij een grasveld staat de KNVB het aanbrengen van ondergrondse sproeiers toe, ten behoeve van een geautomatiseerde beregeningsinstallatie. Hiervoor gelden wel de onderstaande voorwaarden. Het aantal sproeikoppen binnen de speellijnen moet minimaal zijn. Het is niet toegestaan sproeipunten op kritische plaatsen als doelmond, doelgebied, penaltystip, hoekschoppunt, middenstip en/of in de belijning aan te brengen. De sproeikoppen mogen niet boven het speeloppervlak uitsteken. De sproeikoppen mogen, om putjes te voorkomen, evenmin te diep zijn afgesteld. Bij zogenaamde nazakking, uitspoeling of uitspelen van de grasmat dient onmiddellijke bijstelling plaats te vinden. De sproeikoppen moeten in beginsel worden afgedekt met kunstgras.

Dit geldt niet voor kleinere sproeikoppen (tot 7 centimeter) die van roestvrijstaal zijn gemaakt en glad zijn afgewerkt.

Om uitspoeling te voorkomen dient zo nodig versterking van de omgeving te worden aangebracht. De maximale diameter van de sproeipunten mag niet groter zijn dan 20 centimeter. Beschadigingen of andere zaken die gevaar kunnen opleveren dienen onmiddellijk te worden hersteld. Bij kunstgrasvelden mag automatische beregening worden aangebracht in de laatste 0,50 meter van de uitloop, ofwel op minstens 3,50 meter vanaf de zijlijn. Indien er sprake is van verharding in deze laatste 0,50 meter van de uitloop, mag de beregening met een polyester deksel worden afgewerkt, zodanig dat er geen uitglijgevaar is. Bij kunstgras in de laatste 0,50 meter van de uitloop moet het de deksel zijn voorzien van (op de rest gelijkend) kunstgras. Aanbevelingen Er worden globaal drie uitvoeringen onderscheiden: a. systemen met een sproeikopdiameter tot maximaal 7 centimeter; b. systemen met een grotere sproeikopdiameter, tot 20 centimeter; c. combinatiesystemen met kleine en grotere sproeikoppen. Toelichting Bij systeem a worden er afhankelijk van de grootte van het veld en het type sproeiers vijftien tot 24 sproeikoppen verdeeld over drie rijen in het speelveld aangebracht. De rijen sproeiers werken onafhankelijk van elkaar. Bij systeem b worden drie tot vier grote sproeiers in het veld aangebracht en de andere (sector)sproeiers in de uitlopen.

Nadeel van dit systeem voor de spelers is de grote omvang van de sproeiers. Bovendien is vaak de waterverdeling niet optimaal. Bij systeem c worden zes tot acht kleine sproeiers in het speelveld aangebracht en een aantal grotere (sector)sproeiers in de uitlopen. Naar dit laatste systeem gaat de voorkeur van de KNVB uit. Vergunning Voor het aanbrengen van een beregeningsinstallatie zal toestemming van de gemeente nodig zijn. Voor het slaan van een bron is veelal een vergunning van de Provincie nodig. Deze kan (beperkende) eisen stellen aan de pompcapaciteit en tevens voorwaarden stellen ter bescherming van andere belangen bij grondwateronttrekking. Voor de onttrekking van grondwater kan een extra aanslag (milieuheffing) worden opgelegd. Wedstrijdveldverlichting Regels Bij officiële wedstrijden in het amateurvoetbal gespeeld bij kunstlicht, dient de gemiddelde horizontale (kunst)verlichtingssterkte in gebruikstoestand tenminste 200 lux te zijn. De gelijkmatigheid van de verlichting (EH,min : EH,gem)moet minimaal 0,6 bedragen.

De verblindingswaarde VW behoort 50 te zijn. De kleurweergave moet minimaal 60 Ra zijn. De lichtmasten behoren minimaal 4 meter uit de grenslijnen te staan. Meer info Voor uitgebreide informatie en de technische eisen, de Aanbevelingen voor Verlichting van sportaccommodaties (versie voetbal) van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV). Deze en andere brochures kunnen (niet kosteloos) worden opgevraagd bij het secretariaat van de NSVV: Postbus 539, 6710 BM, Ede. Informatie kan ook worden gevonden op www.nsvv.nl. Aanbevelingen De in de KNVB-reglementen en NSVV-aanbevelingen vermelde lichtwaarde is de verlichtingssterkte die onder alle omstandigheden aanwezig dient te zijn. Dit wordt de gebruikswaarde genoemd. Om de onvermijdelijke invloeden van veroudering, vervuiling, spanningsverliezen en productiemarges te compenseren, wordt aanbevolen bij een nieuwe lichtinstallatie van een 25 procent hogere lichtopbrengst uit te gaan. Dit wordt de zogenaamde nieuwwaarde-index genoemd. Om een verlichtingsniveau van 200 lux (gebruikswaarde) te kunnen handhaven, moet in de nieuwe toestand worden uitgegaan van een verlichtingsniveau van tenminste 1,25 x 200 = circa 250 lux. Deze (vuist)regel is van toepassing op alle vormen van lichtinstallaties. Overigens wordt door leveranciers in hun offertes de nieuwwaarden gehanteerd.

Voor trainingsvelden wordt geadviseerd een verlichtingssterkte van tenminste 75 lux (nieuwwaarde circa 100 lux) aan te houden. Bij dit soort lichtinstallaties moet rekening worden gehouden met een 'matige gelijkmatigheid' en dat zich in de hoeken en aan de randen donkere vlekken aftekenen. In dit verband is een opstelling met vier masten per veldzijde al een verbetering ten opzichte van drie masten. Bij het spelen van overwegend vriendschappelijke wedstrijden is er geen zware wedstrijdverlichting nodig. Een lichtinstallatie met een gebruikswaarde van 120 lux (nieuwwaarde circa 150 lux) is veelal voldoende voor dit soort informele activiteiten. De competitieleiding kan bij dit type verlichting (inhaal)wedstrijden op incidentele basis toestaan. Officiële KNVB-wedstrijden kunnen worden gespeeld bij een lichtsterkte van tenminste 200 lux (een nieuwwaarde dus van circa 250 lux). Als een 'topwedstrijdverlichting' wenselijk is, bijvoorbeeld op het hoogste amateurvoetbalniveau met grote aantallen toeschouwers en eventueel tv, wordt aanbevolen uit te gaan van een lichtinstallatie met een gebruikswaarde van tenminste 300 lux (nieuwwaarde 375 lux). Door verbeterde lampen met een hogere lichtopbrengst en speciale schijnwerpers te gebruiken, kan tegenwoordig met hetzelfde aantal lampen per veld een hogere lichtintensiteit worden gerealiseerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9951875/2