CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

05-03 Toelichting bp Achterstraat 4

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan 'Achterstraat 4, Wanssum'26.407 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Toekomstvisie Venray 2030 In 2009 heeft de gemeente Venray een strategische visie vastgesteld met als tijdzone 2020. In 2013 is de Strategische visie ‘Venray, stad in de Peel (2025)’ als een aanvulling op en herijking van de strategische visie 2020, ‘Venray Dorp en Stad’ opgesteld met een doorkijk naar 2025. De nieuwe toekomstvisie Venray 2030, ‘Venray loopt voorop’ is tot stand gekomen in 2019 en geeft een doorkijk naar 2030. De toekomstvisie gaat in op: ▪ De grote ontwikkelingen die op Venray afkomen en aangeven wat dit betekent voor de opgaven op lokaal en regionaal niveau en voor de vraagstukken of agendapunten voor het lokaal bestuur (kompas); ▪ Verbinding en energie opleveren door samen met de Venrayse gemeenschap – inwoners, bedrijven en maatschappelijke partners – te komen tot een gezamenlijk toekomstbeeld van Venray; ▪ Slim verbinding leggen met andere participatietrajecten, zodat hier op voortgebouwd kan worden onder meer bij de totstandkoming van de omgevingsvisie. Ten aanzien van het thema wonen zijn wat betreft het voorliggend project geen nieuwe of afwijkende uitgangspunten geformuleerd. Het belang van een goede kwaliteit van woonomgeving en woningen, de aanwezigheid van werkgelegenheid en kwalitatief goede voorzieningen, wordt andermaal onderstreept.

Met de visie op de gewenste toekomstrichting kan de gemeente Venray effectief sturing geven aan het proces van beleidsontwikkeling en prioritering. De thema’s die centraal staan zijn: 1. Venray is dorp en stad; 2. Venray is kennisintensief; 3. Venray zorgt voor elkaar; 4. Venray is levendig; 5. Venray voorziet in alle woonwensen. De gemeente wil voorzien in alle woonwensen en biedt daarbij de ruimte voor een gevarieerde en boeiende maatschappelijke omgeving. Door een grote zorg voor het in stand houden en verbeteren van de bestaande woonwijken (soms in de vorm van herstructurering) beoogt de gemeente unieke woonmilieus creëren, waarin de bestaande sociale structuren en voorzieningen op een positieve wijze worden beïnvloed. Middels onderhavig initiatief wordt het plangebied herontwikkeld. De acht te realiseren woningen voldoen aan de huidige eisen wat betreft woningbouw en zijn geschikt voor een brede doelgroep. Met het initiatief wordt dan ook aangesloten bij het streven van gemeente Venray om te voorzien in alle woonwensen.

Ontwerp

22

4.3.2 Omgevingsvisie Venray De gemeente Venray heeft, in het kader van de op handen zijnde Omgevingswet en door gewijzigde inzichten, op 2 november 2021 een nieuwe omgevingsvisie voor het grondgebied van de gemeente opgesteld. Daarin heeft de gemeente de nieuwe beleidsuitgangspunten voor ontwikkelingen in de gemeente opgenomen. De nieuwe omgevingsvisie biedt de basis van de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de gemeente en dient als ruimtelijk toetsingskader. In de omgevingsvisie wil de gemeente laten zien voor welke uitdagingen de gemeente staat en waar zij als gemeente naar toe willen in de toekomst. De omgevingsvisie vormt de ruimtelijke vertaling van de strategische visie: de Toekomstvisie 2030 "Venray loopt voorop". De omgevingsvisie is samen met de input van inwoners, ondernemers en verenigingen tot stand gebracht. De gemeente wil de belangrijke waarden van Venray beschermen en versterken. Daarbij wordt aan de hand van ambities rekening gehouden met verschillende opgaven zoals de klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouw om het woningtekort op te lossen. Belangrijk vraagstuk daarbij is hoe de gemeente er over 10 jaar uit zal zien. De ambities spelen een rol in ontwikkelingen binnen de verschillende deelgebieden. Het plangebied is in de Omgevingsvisie van Venray voor aangewezen als woongebied.

Woongebied De woongebieden zijn over een aantal jaar veranderd in groene wijken en dorpen waar jong en oud over een woning beschikken die past bij hun levensfase en levensstijl. In het toekomstig Venray ziet de gemeente voldoende betaalbare en voldoende nultredenwoningen. De gemeente ziet een groene woonomgeving, bijzondere woonvormen en vitale gemeenschappen die voor elkaar zorgen. De mens staat centraal en de inwoners hebben de kansen en keuzemogelijkheden om te kunnen deelnemen aan de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan de toegang tot voorzieningen en vervoer. In de kern Wanssum zijn de belangrijkste ruimtelijke ambities en speerpunten als volgt: ▪ Wanssum als dorp waar je van jong tot oud kunt blijven wonen. Een van de mogelijkheden hiervoor is het realiseren van een woonzorgfaciliteit. ▪ Behoud van basisvoorzieningen voor jong en oud (zoals de school, het openlucht zwembad, MFC, sportmogelijkheden, winkels). Goede verbindingen met de omliggende dorpen zijn hierbij essentieel (bijv. veilige fietsverbindingen vanuit en naar Geijsteren i.v.m. de schoolgaande kinderen). ▪ Het Wanssums Info Punt (WIP) stelt zichzelf ten doel zich in te zetten voor de leefbaarheidsbelangen voor alle leeftijdsgroepen in Wanssum en zelfredzaamheid te stimuleren. Een groot aantal dorpsbewoners zet zich in voor elkaar.

De 2 belangrijkste projecten zijn: o De wensauto, een goedlopend initiatief, die ingezet kan worden voor bijvoorbeeld bezoek ziekenhuis, apotheek, etc. o De vrijwilligersdienst, die zich aanbieden om kleine klusjes/diensten te verrichten voor dorpsbewoners die om hulp vragen. • Behoud van de dorpse identiteit en behoud van de groene buffer rondom het dorp. Wanssum richt zich voor de toekomstige woningbouw (na afronding Weidehof) op inbreiding en aanpassing van de bestaande woningvoorraad in plaats van uitbreiding. ▪ Er kan nog voldoende gevarieerde woningbouw worden gerealiseerd op de locatie Ponjeestraat. ▪ Herinrichting Venrayseweg/Brugstraat (project ‘groene loper’). ▪ Verbetering Herinrichting van de parkeerplaats aan de Venrayseweg t.b.v. sportpark de Meulebèèk. ▪ Ontwikkelingen van Ooijen-Wanssum bieden kwaliteit aan het landschap wat leidt tot nieuwe initiatieven en samenwerking op het gebied van sport, recreatie en toerisme. Sport, recreatie en horeca trekken hierin samen op voor toekomstige toeristen. Door vergrijzing verandert de samenstelling van het dorp. Huisvesting voor starters en ouderen (levensloopbestendige woningen, wonen met zorg) verdient hierdoor extra aandacht. Maar ook de bestaande voorzieningen en het aantal vrijwilligers (verenigingsleven) komen hierdoor onder druk te staan. Ontwerp

23

Conclusie Uit de Omgevingsvisie van Venray blijkt dat in Wanssum de huisvesting voor starters en ouderen de prioriteit heeft. De beoogde woningen aan de Achterstraat zijn beoogd voor een brede doelgroep waaronder starters en senioren. Vier van de woningen worden levensloopbestendig opgericht en twee van de woningen zijn levensloopbestendig te maken. Het initiatief sluit dan ook uitstekend aan op de Omgevingsvisie Venray. 4.3.3 Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 Op 15 februari 2022 heeft de gemeenteraad van de gemeente Venray het Omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 vastgesteld. In het Omgevingsprogramma Wonen staat hoe Venray zich wil blijven ontwikkelen als een fijne gemeente om te wonen. Op hoofdlijnen wordt richting gegeven aan de verschillende belangrijke vraagstukken rondom het wonen. Venray staat voor grote opgaven op het gebied van het wonen. De druk op de woningmarkt is groot, wachttijden voor sociale huurwoningen lopen op. En door prijsstijgingen in de koopsector is een koopwoning voor mensen met een lager en middeninkomen steeds minder bereikbaar. Volgens recente prognoses zal de bevolking en het aantal huishoudens in Venray in de komende jaren blijven toenemen. De veronderstelde krimp van de bevolking verschuift naar later. Daarnaast verandert de samenstelling van de bevolking: ook in de gemeente Venray is sprake van vergrijzing. Maar de opgave is diverser.

De gemeente Venray zit midden in een ingrijpende transitie op het gebied van verduurzaming, energie en warmte, met de nodige consequenties voor het bouwen en verbouwen van woningen. En veranderingen in het zorglandschap zorgen eveneens voor een opgave voor andere woonvormen voor mensen die zorg en begeleiding nodig hebben, zoveel mogelijk in de eigen thuissituatie. Vitaliteit en leefbaarheid van de wijken en kernen staat soms onder druk en vraagt dan ook aandacht. De opgave waar de gemeente voor staat, is dan ook bijzonder complex en veelzijdig. Deze worden samengevat aan de hand van vijf inhoudelijke thema’s, die in het omgevingsprogramma verder zijn uitgewerkt in zo concreet mogelijke aanpak, acties en maatregelen: 1. Snel voldoende woningen bouwen 2. Gevarieerd aanbod 3. Duurzame woningvoorraad 4. Wonen en zorg 5. Vitale wijken en kernen Conclusie Het initiatief voldoet aan deze inhoudelijke thema’s. Het initiatief voorziet in de realisatie van acht woningen in de kern Wanssum. De woningen zijn beoogd voor een brede doelgroep waaronder starters en senioren en draagt bij aan het dringende woningtekort binnen Wanssum. Het initiatief sluit derhalve uitstekend aan het omgevingsprogramma Wonen 2022-2026 van de gemeente Venray.

4.3.4 Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011 In de ‘Structuurvisie Bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling gemeente Venray 2011’ vastgelegde kwaliteitsbeleid omtrent een bijdrage Ruimtelijke Ontwikkeling is gebaseerd op de gedachte dat ruimtelijke ontwikkelingen (bouwactiviteiten) leiden tot verlies aan ruimtelijke kwaliteit en dat dit verlies moet worden gecompenseerd. Achterliggend doel is het behoud en waar mogelijk versterking van de (groene) kwaliteiten van zowel het buitengebied als het stedelijk gebied. Woningbouw dient in principe plaats te vinden binnen de contouren van de dorpen en de grens stedelijke dynamiek. Daarnaast kan het in bepaalde gevallen toch wenselijk zijn om ook in het buitengebied op beperkte schaal incidentele woningbouw toe te staan. In dit geval is het plangebied gelegen in de bebouwde kom van Wanssum, derhalve binnen de contour.

Ontwerp

24

Voor alle woningbouwontwikkelingen geldt dat alleen kan worden gebouwd bij aantoonbare vraag. Daarnaast is levensloopbestendig en flexibel bouwen het uitgangspunt voor elk nieuw woningbouwplan. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3.3 is binnen de gemeente Venray vraag naar starters- en seniorenwoningen. Het toevoegen van zes woningen die geschikt zijn voor starters, senioren en (jonge) gezinnen voldoet derhalve aan de vraag. Voor het bepalen van de hoogte van de bijdrage in het stedelijk gebied wordt aangesloten bij de bijdrage ruimtelijke ontwikkeling zoals vastgelegd in de nota grondbeleid 2011. Deze bijdrage bestaat uit € 2.500,- per kavel. De tegenprestatie vindt zo veel mogelijk ter plaatse en/of in de nabijheid van de ingreep plaats. Indien dit niet mogelijk is, komt de bijdrage ten goede van het kwaliteitsfonds stedelijk gebied. Initiatiefnemer heeft met de gemeente Venray een anterieure overeenkomst gesloten waarmee het zich verplicht heeft de kwaliteitsbijdrage te voldoen. 4.3.5 Energiestrategie In 2013 is de Energiestrategie 2030 voor de gemeenten Beesel, Venlo en Venray: 'Energie voor groene groei' vastgesteld. Door de gemeenteraad is daarbij de ambitie uitgesproken om in 2030 CO2-neutraal (ofwel energieneutraal met compensatiemaatregelen) te zijn. Op basis van deze visie is door het college het 2e Uitvoeringsprogramma Energie Venray (2018-2021) vastgesteld.

Met de Energiestrategie en het bijbehorende UP zijn de doelstellingen en de gefaseerde uitvoering op lange en korte termijn uitgewerkt. De gemeente is voor het bereiken van de energiedoelen afhankelijk van alle energiegebruikers en energieleveranciers in de gemeente: bedrijfsleven, huishoudens, instellingen etc. De samenleving laat zich echter niet door de overheid sturen om energie te besparen of lokaal duurzaam op te wekken. Daarvoor moet er in de samenleving vooral ruimte zijn die leidt tot creativiteit en innovatie van de bedrijven en inwoners zelf. De overheid heeft daarin een rol als partner die samenwerkt, belemmeringen wegneemt, faciliteert en het goede voorbeeld geeft. De betrokkenheid van de overheid zorgt voor het aanjagen en versnellen van de gewenste ontwikkelingen. Het streefbeeld in 2030 voor woningen laat zich als volgt schetsen: ▪ Gebouwen hebben de laagste energievraag ▪ Gebouwen worden energiecentrales ▪ Slimme netwerken zorgen voor optimale uitwisseling ▪ 50% van de bestaande woningen en gebouwen zijn 50% energiezuiniger en 50% van de woningen voorziet in 100% van eigen energievraag In paragraaf 3.3 is reeds aan de orde gekomen welke duurzaamheidsmaatregelen met de herontwikkeling voorzien zijn.

Ontwerp

25

5.

RANDVOORWAARDEN/ RESULTATEN ONDERZOEKEN

Met de realisatie van de woningen dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, milieuzonering, geluid, lucht, externe veiligheid voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 M.e.r.-beoordeling Op basis van artikel 7.17 Wm, dient het bevoegd gezag een beslissing te nemen omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Middels deze paragraaf wordt invulling gegeven aan de vereisten van artikel 7.16 Wm, op basis waarvan het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17 Wm een beslissing kan nemen. Deze paragraaf bevat een toetsing aan de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (zie hierna).

Kenmerken van het project ▪ Omvang van het project ▪ Cumulatie met andere projecten ▪ Gebruik van natuurlijke grondstoffen ▪ Productie van afvalstoffen ▪ Verontreiniging en hinder ▪ Risico van ongevallen, mede gelet op de gebruikte stoffen en technologieën Plaats van het project ▪ Bestaand grondgebruik ▪ Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied ▪ Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden), gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang Kenmerken van het potentiële effect ▪ Bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking) ▪ Grensoverschrijdende karakter van het effect ▪ Waarschijnlijkheid van het effect ▪ Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De beoogde ontwikkeling en de hiervan deel uitmakende onderdelen komen in lijst C van de bijlage van het Besluit m.er. niet als activiteit voor. Met betrekking tot de ontwikkeling is in onderdeel D (11.2) van de bijlage van het Besluit m.e.r.

het volgende opgenomen: “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” De voorgenomen ontwikkeling ligt ver onder de drempelwaarde die is opgenomen in kolom 2, namelijk een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.

Ontwerp

26

Omdat het initiatief onder de drempelwaarden valt zoals aangegeven in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r., volgt hierna een toets of op basis van de hiervoor genoemde criteria een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd moet worden. Deze paragraaf is mede opgesteld op basis van de onderzoeken die uitgevoerd zijn in het kader van het bestemmingsplan. Kenmerken van het project Criteria Omvang van het project

Cumulatie met andere projecten Gebruik van natuurlijke grondstoffen Productie van afvalstoffen

Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen

Toets Het initiatief heeft betrekking op het realiseren van acht nieuwe woningen. Het geldende bestemmingsplan staat deze ontwikkeling niet toe. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt afgeweken van het bestemmingsplan middels een omgevingsvergunning. Het initiatief valt onder de drempelwaarden zoals genoemd in de D-lijst voor stedelijke ontwikkelingsprojecten Nee Nee Nee, behoudens (regulier) huishoudelijk afval wat door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt zal worden. Ook de (tijdelijke) afvalstoffen die ontstaan door de bouw worden door erkende verwerkers opgehaald en verwerkt. Daarbij vindt zoveel mogelijk als kan recycling plaats Er is geen sprake van een activiteit die leidt tot verontreiniging of hinder voor het milieu Nee, het plangebied bevindt zich buiten plaatsgebonden risicocontouren en er is geen sprake van een verslechtering van het groepsrisico

Conclusie: vanuit de kenmerken van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Plaats van het project Criteria Bestaand grondgebruik Relatieve rijkdom aan kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor: ▪ gevoelige gebieden (wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken, Habitat- en Vogelrichtlijngebieden) ▪ gebieden waarin bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden Gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid Landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang

Toets Agrarisch N.v.t. Nee, uit de onderzoeken die in het kader van het initiatief zijn uitgevoerd, blijkt dat het initiatief geen significante effecten veroorzaakt voor de omgeving (zie hiervoor betreffende aspecten in hoofdstuk 5 van deze toelichting) Nee Nee

Conclusie: vanuit de plaats van het project zijn er geen negatieve effecten op het milieu te verwachten. Gevoelig gebied (conform onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r.) Criteria Toets Beschermd natuurmonument Nee Habitat- en Vogelrichtlijngebieden Nee Watergebied van internationale betekenis Nee EHS Nee Landschappelijk waardevol gebied Nee Waterwinlocaties, waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden Nee Beschermd monument Nee Belvédère-gebied Nee Conclusie: het plangebied is niet gelegen binnen een gevoelig gebied en op een zodanige afstand van gevoelige gebieden dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn.

Ontwerp

27

Conclusie milieueffectrapportage a. De woningbouwontwikkeling komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen MER te worden opgesteld; b. De activiteit valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. De daarbij genoemde drempelwaarden worden niet overschreden; c. Ter voldoening aan het bepaalde in artikel 2, lid 5, aanhef onder b. van het Besluit m.e.r. is voor dit initiatief een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn en dat een MER niet zinvol is. 5.1.2 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG-publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2.

Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging. De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG-publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Om tot een optimale invulling van de ruimte te komen worden diverse omgevingstypen onderscheiden. Het achterliggende idee is dat de gevoeligheid van een gebied mede afhankelijk is van het omgevingstype. De gevoeligheid van een gebied kan daarom aanleiding zijn om af te wijken van de standaardafstanden in de bedrijvenlijst die uitgaan van de ligging in een rustige woonwijk. Afhankelijk van het type gebied kan een correctie worden toegepast op de afstanden die zijn genoemd in de standaardlijst en wel per hinderaspect (geluid, stof, stank en dergelijke) dat in de lijst is genoemd. Het plangebied is te typeren met het omgevingstype ‘gemengd gebied’.

Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging; direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en (kleine) bedrijven. Gebieden die direct langs een hoofdinfrastructuur liggen, behoren volgens de VNG-publicatie eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied, omdat daar de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden kan rechtvaardigen. In geval van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de afstanden uit bijlage 1 van de VNG publicatie - zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat - met één afstandsstap worden verkleind. Tot voor kort liep de provinciale weg N270 (Brugstraat) op korte afstand van het plangebied, dwars door het centrum van Wanssum. Langs en aan deze hoofdinfrastructuur is een scala aan functies ontstaan, waaronder ondersteunende (centrum)functies voor het wonen in Wanssum, maar ook allerlei bedrijvigheid. Recentelijk is de N270 omgeleid om de kern van Wanssum heen om de bereikbaarheid van het industrieterrein in Wanssum en de leefbaarheid in Wanssum te verbeteren. De oude provinciale weg door het centrum is hierdoor verkeersluw gemaakt., echter de diverse functies langs deze weg zijn gebleven. Alhoewel gelegen in een omgeving waar de woonfunctie overheerst bevinden zich direct rondom het plangebied daarom ook andere functies.

Gezien de ligging binnen de geluidzone van een haven- en industrieterrein en de sterke functiemenging ter plaatse is de omgeving in het kader van de VNG-publicatie daarom het best te beschrijven als ‘gemengd gebied’.

Ontwerp

28

De woonfunctie van de op te richten woningen betreft een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kunnen de nieuwe woningen milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van omliggende milieubelastende functies. In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een nutsvoorziening op de locatie Merelhof 2b en 2c, afstand tot het plangebied 0 meter; ▪ Een dierenspeciaalzaak/ tuincentrum op de locatie Brugstraat 13, afstand tot het plangebied 0 meter; ▪ Een perceel dat is bestemd als paardenhouderij, op de Achterstraat ong., afstand tot het plangebied 6 meter; ▪ Een horecazaak op de locatie Brugstraat 7, afstand tot het plangebied 22 meter; ▪ Een supermarkt op de locatie Burgemeester de Weichshavenstraat 1, afstand tot het plangebied 78 meter; ▪ Het haven- en industrieterrein van Wanssum gelegen aan de haven van Wanssum, afstand tot het plangebied 90 meter. Haven- en industrieterrein Wanssum Ten noorden van het plangebied is het haven- en industrieterrein van Wanssum gelegen. Binnen de kern van het havenen industrieterrein zijn bedrijven in de milieucategorieën 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 toegestaan.

Rondom deze kern, meer richting de woningen, zijn alleen bedrijven uit milieucategorie 2, 3.1 en 3.2 toegestaan. Voor bedrijven uit milieucategorie 3.2 geldt een richtafstand van 100 meter. De afstand tot het plangebied bedraagt ten minste 90 meter. Het plangebied is derhalve gelegen in de richtafstand van dit industrieterrein. In paragraaf 5.1.3 wordt verder ingegaan op de geluidhinder van het haven- en industrieterrein op het plangebied. Overige functies Schuin tegenover het plangebied, aan de overzijde van de Achterstraat, ligt een perceel dat is bestemd als ‘Agrarisch – Paardenhouderij’. Dit perceel behoorde in het verleden tot de betreffende, te saneren, paardenhouderij. Enkele jaren geleden is het perceel afgesplitst van de huidige paardenhouderij. Het perceel is echter nog steeds als zodanig bestemd. In het kader van onderhavig bestemmingsplan wordt het volledige gebruik van de paardenhouderij gestaakt. Ook het perceel aan de overzijde van de weg zal daarom de huidige bestemming voor een paardenhouderij verliezen. De agrarische bestemming wordt hier omgezet naar de bestemming ‘Wonen’. Met deze nieuwe bestemming kan het perceel niet meer gebruikt worden als een milieubelastende functie. Voor de nieuwe woningen is deze, te beëindigen, milieubelastende functie dus niet meer relevant en daarom niet meer nader beschouwd.

De milieuruimte van de andere, te behouden milieubelastende functies in de omgeving is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar (tabel 3). Tabel 3. Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

Bedrijf

Adres

SBI-2008

Nutsvoorziening

Merelhof 2b en 2c

35

Dierenspeciaalzaak/ tuincentrum

Brugstraat 13

4752

Horeca t/m categorie 2

Brugstraat 7

-

Supermarkt

Burgemeester de Weichshavenstraat 1

471

Ontwerp

Aan te houden afstanden ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 10 meter ▪ Gevaar 0 meter ▪ Geur 0 meter ▪ Stof 0 meter ▪ Geluid 10 meter ▪ Gevaar 0 meter 10 meter ▪ ▪ ▪ ▪

Geur Stof Geluid Gevaar

0 meter 0 meter 0 meter 0 meter

Afstand tot plangebied 0 meter

0 meter

22 meter 78 meter

29

Het plangebied is gelegen binnen de richtafstanden van geluid van de aangrenzende nutsvoorziening en de dierenspeciaalzaak/ tuincentrum. Het aspect geluid is voor deze functies hierna daarom nader beschouwd. Aan de overige richtafstanden wordt wel voldaan. De nutsvoorziening bestaat uit een bebost perceel met aan de zijde van de Merelhof een groot trafohuis met daarachter een klein trafohuisje. Uit navraag bij de beheerder van de nutsvoorziening (Enexis Netbeheer B.V.) blijkt dat er uitsluitend geluidsbelasting plaatsvindt vanuit het grote trafohuis. In het kleine trafohuisje of op het onbebouwde deel van het perceel vinden geen enkele bedrijfsmatige of verstorende activiteiten plaats. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het perceel bestemd als ‘Bedrijf – Nutsvoorziening’ en zijn de aanwezige twee gebouwen voorzien van een bouwvlak. Uitbreiding van de gebouwen is op basis van het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Ook andersoortige bedrijvigheid of functies, anders dan nutsvoorzieningen, is niet mogelijk. Voor de nutsvoorziening geldt dat de richtafstand is gemeten vanaf de perceelsgrens. De bepalende geluidbron bevindt zich echter feitelijk in de gebouwen, welke zijn gelegen op 12 meter of verder van de nieuwe woningen (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak).

Het grote trafohuis, waar vanuit geluid wordt geproduceerd, bevindt zich zelfs op 15 meter van de perceelsgrens en daarmee op 23 meter van de woningen (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). De werkelijke afstand tussen de woningen en de relevante geluidbron voldoet daarmee wel aan de richtafstand. Bovendien is de nutsvoorziening al omgeven door bestaande woningen. Vanuit deze woningen (en de huidige bedrijfswoning binnen het plangebied) is geluidoverlast vanuit de nutsvoorziening niet bekend. Daarom wordt gesteld dat de nutsvoorziening vanuit akoestisch oogpunt geen belemmering vormt voor onderhavige woningbouwontwikkeling en dus in de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. De dierenspeciaalzaak/ tuincentrum is met de voorzijde gericht naar de Brugstraat, aan de oostelijke zijde is een pad aanwezig naar achteren. Het winkelpand is nagenoeg volledig gebouwd tot op de perceelsgrens met het plangebied. Alleen op de uiterste noordelijke punt is geen bebouwing aanwezig. Hier kunnen buitenopslag plaatsvinden en andere buitenactiviteiten ten behoeve van de winkelfunctie. Ter plaatse van het winkelpand is sprake van dichte gevels van waaruit geen geluid uitstraalt naar het plangebied toe. Op het dak van de winkel bevinden zich geen relevante geluidbronnen.

De geluiduitstraling vanwege deze functie concentreert zich dan ook op het buitenterrein aan de voorzijde en oostelijke en noordelijke zijde, waar laden/lossen en parkeren of transport plaatsvinden. Deze akoestisch relevante locaties bevinden zich op meer dan 17 m van de nieuwe woningen (gemeten vanaf bouwvlak nieuwe woningen). Bovendien ligt het winkelpand als geluidscherm tussen de nieuwe woningen en de plekken waar de bedrijvigheid buiten plaatsvindt. Ten slotte is ook deze functie omgeven door bestaande woningen. Vanuit deze woningen (en de huidige bedrijfswoning binnen het plangebied) is geluidoverlast vanuit deze functie niet bekend. Daarom wordt gesteld dat de dierenspeciaalzaak/ tuincentrum vanuit akoestisch oogpunt geen belemmering vormt voor onderhavige woningbouwontwikkeling en dus in de nieuwe woningen een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Conclusie In de woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd en andere functies worden niet belemmerd. Milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van het initiatief. 5.1.3

Geluid

Industrielawaai Ten noorden van het plangebied is het haven- en industrieterrein van Wanssum gelegen. Op een deel van het haven- en industrieterrein zijn inrichtingen toegelaten die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken. Rond het industrieterrein is daarom een geluidzone vastgesteld zoals bedoeld in artikel 54 Wet geluidhinder (Wgh) in samenhang met artikel 41 Wgh. Binnen de geluidzone mag de geluidbelasting van alle op het industrieterrein gevestigde bedrijven tezamen niet meer bedragen dan 50 dB(A) op de nieuwe woningen (voorkeursgrenswaarde), waarbij een hogere waarde kan worden vastgesteld tot 55 dB(A) (maximaal toelaatbare hogere waarde).

Ontwerp

30

Om het geluidseffect van het haven- en industrieterrein op de nieuwe woningen te onderzoeken is een akoestisch onderzoek1 uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat de geluidbelasting op begane grondniveau varieert tussen 47 en 50 dB(A) en er dus voor elke woning voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde. Op verdiepingsniveau varieert de geluidbelasting tussen 50 en 53 dB(A). Op verdiepingsniveau wordt de voorkeursgrenswaarde (deels) overschreden, maar wordt wel overal voldaan aan de maximaal toelaatbare hogere waarde. De Wgh geeft de voorwaarden waarbinnen een hogere waarde mogelijk is, en geeft het lokale bestuur mogelijkheden om hierbinnen een eigen beleid te voeren. De gemeente Venray hanteert daarbij haar eigen “Geluidbeleid Hogere Waarden Wet geluidhinder”, d.d. 05 april 2016. Bij het vaststellen van een hogere waarde dient goed gemotiveerd te worden waarom een hogere waarde vastgesteld kan worden en waarom niet voldaan kan worden aan de voorkeurswaarde. Een hogere waarde kan enkel worden verleend indien maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidbelasting onvoldoende doeltreffend zijn of op bezwaren stuiten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

Bij het ontwerpen van geluidreducerende maatregelen dienen in dat kader achtereenvolgens de volgende aspecten onderzocht te worden: ▪ Maatregelen aan de bron: het geluid is afkomstig van bedrijven/ inrichtingen op het gezoneerd industrieterrein. Het betreft daarbij uitsluitend inrichtingen waarover initiatiefnemer geen bevoegdheid heeft. Het treffen van bronmaatregelen is daarmee niet realistisch. ▪ Maatregelen in de overdrachtsweg: de geluidbelasting op het plangebied kan worden verlaagd door bijvoorbeeld het vergroten van de afstand van de woningen en/of het plaatsen van geluidschermen of –wallen. Het plangebied zelf biedt onvoldoende ruimte om genoeg afstand tot het haven- en industrieterrein te creëren. Los van de vraag of eventuele geluidschermen vanuit stedenbouwkundig of verkeerstechnisch opzicht wenselijk zijn, dienen deze geplaatst te worden tussen de nieuwe woningen en het haven- en industrieterrein. Om effectief te zijn voor de verdieping van de woningen dienen schermen al snel een minimale hoogte van zo’n 5 m te hebben, bij een forse schermlengte. Het plaatsen van dergelijke schermen lijkt in dit kader niet realistisch. ▪ Maatregelen bij de ontvanger: indien eerder besproken maatregelen om bijvoorbeeld stedenbouwkundige of financiële redenen niet wenselijk of mogelijk blijken, kan bij het College van B&W ontheffing worden aangevraagd voor een hogere grenswaarde.

Hierbij dient te worden aangetoond welke bouwkundige maatregelen aan de woningen worden getroffen om een aanvaardbaar leefklimaat (eis Bouwbesluit) binnen de woningen te waarborgen. Elke woning voorziet in een geluidluwe gevel, hetgeen volgens het gemeentelijke beleid een voorwaarde is voor het verstrekken van een hogere waarde. Het gemeentelijke beleid stelt verder eisen aan de woningindeling, indien de aan te vragen waarde meer dan 5 dB boven de voorkeursgrenswaarde ligt. Hiervan is in onderhavige situatie geen sprake. Omdat op begane grondniveau overal aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan, wordt voor de buitenruimtes (tuin) overal voldaan aan de eisen uit het gemeentelijke beleid. Aangezien de ongecorrigeerde gecumuleerde geluidbelasting nergens hoger ligt dan 53 dB, wordt tevens voldaan aan de eisen uit het Bouwbesluit. Aanvullende akoestische maatregelen aan de woningen zijn niet noodzakelijk. Hierbij is uitgegaan van een gevelopbouw van metselwerk met maximaal 30% van het oppervlak dubbel glas en een deugdelijke kierdichting. Vanuit het aspect geluid zijn er daarom geen belemmeringen voor de woningbouwontwikkeling, in de woningen kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Wel dient in dat kader een hogere grenswaardeprocedure te worden doorlopen. Ten slotte doen de nieuwe woningen geen inbreuk op de geluidruimte van het haven- en industrieterrein.

1 HMB Groep, Akoestisch onderzoek Achterstraat 4 Wanssum, 7 juli 2021, kenmerk: 21259801N

Ontwerp

31

Wegverkeerslawaai Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft (zie onderstaande tabel), met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Tabel 4. Breedte van de geluidsnorm gespecificeerd naar het aantal rijstroken

Aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2

Breedte van de geluidszone (in meters) Buitenstedelijk Stedelijk 600 350 400 350 250 200

Woningen betreffen geluidsgevoelige objecten. Dit houdt in dat er moet worden aangetoond dat (weg)verkeerslawaai ter plaatse geen negatieve effecten teweegbrengt voor de toekomstige bewoners van de woningen. In feite mogen nieuwe woningen niet worden gerealiseerd, wanneer er een geluidbelasting van wegverkeer optreedt van 48 dB of hoger, tenzij ontheffing is verleend door het College van burgemeester en wethouders (mogelijk tot maximaal 63 dB). Als een nog hogere geluidbelasting wordt ondervonden is woningbouw alleen mogelijk als de woningen worden uitgevoerd met een dove gevel op de gevel(s) waar de geluidbelasting meer bedraagt dan 63 dB. De woningbouwlocatie is gelegen in de bebouwde kom van Wanssum. Nu de nieuwe rondweg rond Wanssum is geopend zal op termijn voor de gehele bebouwde kom van Wanssum een maximumsnelheid van 30 km/uur gaan gelden. Daarnaast zullen de verkeersaantallen door de nieuwe rondweg op de Brugstraat drastisch afnemen. Echter momenteel geldt voor onder andere de Brugstraat en de Stayerhofweg formeel nog steeds een maximumsnelheid van 50 km/uur. Het plangebied is derhalve gelegen binnen de geluidszone van deze wegen. Om de geluidbelasting op de gevels van de nieuwe woningen te bepalen is een akoestisch onderzoek2 uitgevoerd (zie separate bijlage).

Uit het akoestisch onderzoek volgt dat de geluidbelasting van de Brugstraat, Stayerhofweg en alle andere wegen minder bedraagt dan 48 dB. Daarmee voldoen de woningen aan de voorkeursgrenswaarde en kan in de woningen een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd als gevolg van wegverkeerslawaai. 5.1.4 Bodem- en grondwaterkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. Vanwege de bestemmingswijziging is een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Op basis van de gekende voorinformatie en de terreininspectie zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen/te verwachten. De aanwezigheid van asbestverdacht materiaal in de bodem is derhalve als laag ingeschat maar kan niet worden uitgesloten. In het kader van dit bodemonderzoek is geen asbest in bodemonderzoek conform de NEN 5707 uitgevoerd.

2 HMB Groep, Akoestisch onderzoek Achterstraat 4 Wanssum, 7 juli 2021, kenmerk: 21259801N 3 Aeres Milieu, verkennend bodemonderzoek Achterstraat 4 Wanssum, 16 juli 2021, kenmerk: AM21214

Ontwerp

32

Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond licht verhoogd is met enkele zware metalen en plaatselijk Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK 10-VROM). In de ondergrond zijn geen gehalten verhoogd ten opzichte van de achtergrondwaarden gemeten. Het freatisch grondwater blijkt zeer licht verhoogd met xylenen en naftaleen. Ter plaatse van de 3 (voormalige) tanklocaties is geen verontreiniging met minerale olie in de bodem of het grondwater aangetroffen. De resultaten van dit bodemonderzoek geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. 5.1.5 Luchtkwaliteit Algemeen Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c.

Een project draagt 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. De achtergrond van het beginsel 'Niet in betekende mate' is dat de gevolgen van een ontwikkeling voor de luchtkwaliteit in een aantal gevallen (beschreven in de ministeriële Regeling NIBM) worden tenietgedaan door de ontwikkeling van bijvoorbeeld schonere motoren in het gehele land. Op 1 augustus 2009 is het nationaal samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Hierdoor dient bij plannen die de luchtkwaliteit beïnvloeden niet langer te worden uitgegaan van de normen uit de interimperiode. Nu het NSL in werking is getreden is een project NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel fijn stof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.

Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen: Tabel 5. Regeling NIBM bij woningen

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1.500

Minimaal 2 ontsluitingswegen 3%-norm 3.000

Het voorliggend initiatief voorziet in fors minder woningen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Ontwerp

33

Achtergrondwaarden Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet en op plaatsen die niet toegankelijk zijn voor publiek en waar geen vaste bewoning is, zoals akkerland en de rijbaan en ontoegankelijke middenbermen van wegen. Tabel 6. Stoffen voor het bepalen van de luchtkwaliteit met de jaargemiddelde grenswaarde

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer. Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 8,9 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 15,8 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 12,0 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van woningen. Conclusie luchtkwaliteit Gezien de bestaande concentraties is er geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. De voorgenomen ontwikkeling zal ook -in vergelijking met het vorige gebruik als paardenhouderij- nagenoeg geen extra verkeer aantrekkende werking met zich meebrengen. Daarnaast draagt het initiatief niet in betekende mate bij aan de luchtkwaliteit, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c.

Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het initiatief niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebied bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woning betreft derhalve een geurgevoelig object. Op 29 september 2009 heeft de gemeenteraad van Venray de aangepaste Verordening geurhinder en veehouderij vastgesteld. De laatste aanpassing van deze geurverordening is vastgesteld op 1 november 2011. In de gemeentelijke geurverordening is vastgelegd welke normstelling er geldt voor de voorgrondbelasting en bij welke achtergrondbelasting nog sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het plangebied valt onder het bestaande woongebied.

In de verordening is bepaald dat voor het bestaand woongebied een maximale waarde geldt voor de geurbelasting van een veehouderij ten aanzien van een geurgevoelig object van 6,5 Ou/m3 (voorgrondbelasting) en 13,0 Ou/m3 (achtergrondbelasting).

Ontwerp

34

Voorgrondbelasting De nieuwe woningen zouden geurhinder kunnen ondervinden van omliggende veehouderijen. In de directe omgeving (500 meter van het plangebied) is sprake van de volgende locaties waar een vergunning verleend is voor het houden van dieren: ▪ Een pluimveehouderij aan de Krekelkamp 1a, afstand tot het plangebied 370 meter; ▪ Een melkveehouderij aan de Sint Leonardsweg 19, afstand tot het plangebied 380 meter; ▪ Een melkveehouderij aan de Sint Leonardsweg 25, afstand tot het plangebied 430 meter. Voor een aantal diersoorten zijn in de Wet geurhinder en veehouderij geen emissiefactoren opgenomen, maar gelden vaste afstanden. Dit geldt onder andere voor een melkrundveehouderij en paardenhouderij. De afstand tussen deze veehouderijen en een voor geurhinder gevoelig object moet minstens 100 meter bedragen voor objecten binnen de bebouwde kom en 50 meter buiten de bebouwde kom. Aan deze afstandsnormen wordt voor de beide melkveehouderijen ruimschoots voldaan. Voor de pluimveehouderij aan de Krekelkamp 1a dient de daadwerkelijke geurbelasting op het plangebied berekend te worden. Deze wordt berekend met het programma ‘V-Stacks vergunning’. Deze berekening is uitgevoerd (zie bijlage 1) in een worst-case scenario (alle vergunde geuremissie emitteert vanuit de hoek van het bouwvlak welke het meest dicht bij het plangebied ligt).

In tabel 7 is de voorgrondbelasting, afkomstig van dit bedrijf, op de hoekpunten van het plangebied weergegeven. Tabel 7.Voorgrondbelasting op deel van het plangebied

Hoek 1 2 3 4 5 6

X-coördinaat 203 105 203 135 203 200 203 205 203 140 203 137

Y-coördinaat 394 465 394 415 394 422 394 448 394 474 394 463

Krekelkamp 1a 0,3 0,3 0,4 0,4 0,3 0,3

De hoogste voorgrondbelasting binnen het plangebied bedraagt 0,4 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 6,5 OU/m3 (bestaand woongebied). Dit betekent dat voor het plangebied ruimschoots wordt voldaan aan de norm. Gesteld kan worden dat de omliggende veehouderijen geen nadelige effecten hebben op het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied voor wat betreft voorgrondbelasting. Achtergrondbelasting Middels het programma ‘V-stacks gebied’ is berekend wat de cumulatieve geurbelasting ter plaatse is om te kunnen beoordelen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Alle veehouderijen in een straal van 2 kilometer rond het plangebied én beschikken over diersoorten waarvoor een geuremissienorm is vastgesteld zijn in de berekening opgenomen. In onderstaande tabel zijn de rekenresultaten van de berekening van de achtergrondbelasting weergegeven. Tabel 8. Rekenresultaten achtergrondbelasting

Punt Hoek 1 Hoek 2 Hoek 3 Hoek 4 Hoek 5 Hoek 6 Middelpunt Ontwerp

X-coördinaat 203 105 203 135 203 200 203 205 203 140 203 137 203 152

Y-coördinaat 394 465 394 415 394 422 394 448 394 474 394 463 394 436

Berekende waarde 1,37 1,36 1,20 1,21 1,38 1,36 1,34 35

De achtergrondbelasting binnen het plangebied varieert tussen 1,20 en 1,38 OU/m3. Op basis van de gemeentelijke geurverordening is ter plaatse een maximale geurbelasting toegestaan van 13,0 OU/m3. Er wordt daarmee ruimschoots aan de normen voldaan. Op de kaart achtergrondbelasting van 2018 behorende bij de gemeentelijke geurverordening wordt de indicatieve achtergrondbelasting als goed (3,1 – 7,4 OU/m3, 5-10 % kans op geurhinder) beoordeeld.

Afbeelding 14. Uitsnede kaart achtergrondbelasting van de gemeente Venray

De indicatieve achtergrondbelasting ten aanzien van geurhinder ter plaatse van het plangebied wordt beoordeeld als goed. Een goed leefklimaat ten aanzien van geur wordt in de bebouwde kom van Wanssum op grond van het gemeentelijk beleid aanvaardbaar geacht.

5.2

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Ontwerp

36

Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 9. Wanneer verantwoorden?

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn. Inventarisatie risicobronnen Door de provincie Limburg is een risicokaart samengesteld waarop de risico veroorzakende bedrijven en objecten en gevaarlijke transportroutes zijn weergegeven. Op basis van deze risicokaart bevindt zich op een afstand van circa 45 meter van het plangebied een transportroute van gevaarlijke stoffen (N270).

N270

Afbeelding 15. Uitsnede risicokaart

Ontwerp

37

Transport gevaarlijke stoffen Risicovol transport kan plaatsvinden over de N270, welke in de nabijheid ligt van het plangebied. De N270 ligt circa 45 meter ten zuiden van het plangebied. Tabel 10. Risicoafstanden van de omliggende wegen

Weg N270

PR-plafond 10-6 contour 33 meter

Invloedsgebied 880 meter

Afstand planlocatie tot aan de weg 49 meter

Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontouren van deze weg. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in een ruimtelijk plan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. De Brugstraat was voorheen de provinciale weg N270 (Well – Venray) en vormde de belangrijkste weg door Wanssum. In het kader van het project Gebiedsontwikkeling Ooijen Wanssum (in opdracht van de provincie Limburg) is een nieuwe rondweg gerealiseerd. Met de komst van de nieuwe rondweg is de Brugstraat als risicovolle transportroute komen te vervallen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen zal dan ook niet langer plaats vinden over de Brugstraat. Het groepsrisico is hierdoor niet langer van toepassing. Risicovolle bedrijvigheid rond het plangebied Op basis van risicokaart van Limburg is in de omgeving van het plangebied geen risicovolle bedrijvigheid gelegen. Echter ten zuidwesten, van het plangebied grenzend aan het plangebied, is een dierenspeciaalzaak/ tuincentrum gelegen. Deze detailhandelszaak heeft toestemming vuurwerk te verkopen. Nederland heeft strenge regels voor de opslag, bewerking en verkoop van vuurwerk. Op de Risicokaart staan enkel de locaties waar meer dan 10.000 kilo vuurwerk ligt opgeslagen, wordt bewerkt of verkocht.

De meeste verkooppunten van vuurwerk hebben minder voorraad en staan dus niet op de Risicokaart, zoals dit verkooppunt. Het gevaar ontstaat als er veel opgeslagen vuurwerk tegelijk ontbrandt en ontploft. In bijlage 3 van het Vuurwerkbesluit is opgenomen dat: “Bij een inrichting waarin in totaal niet meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk aanwezig mag zijn, dient, gemeten vanaf de bewaarplaats en de bufferbewaarplaats in voorwaartse richting, tot een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object en een geprojecteerd beperkt kwetsbaar of kwetsbaar object een veiligheidsafstand van ten minste 8 meter in acht te worden genomen”. De afstand tussen het vuurwerkverkooppunt en de woningen dient derhalve 8 meter te bedragen. De bewaarplaats en bufferbewaarplaats van het vuurwerkverkooppunt aan de Brugstraat 13 liggen in het oosten van de locatie (afbeelding 16 geel). Er dient tenminste 8 meter tussen de nieuwe woningen en de (buffer)bewaarplaats aangehouden te worden (afbeelding 16 rood). Slechts een klein deel van het plangebied ligt binnen de 8 meter zone van de bewaarplaats. Binnen dit deel van het plangebied zijn geen woningen beoogd. Om te voorkomen dit binnen dit deel van het plangebied (beperkt) kwetsbare objecten mogen worden opgericht is de gebiedsaanduiding ‘overige zone – (beperkt) kwetsbaar object uitgesloten’ opgenomen.

Ontwerp

38

Afbeelding 16. Uitsnede verbeelding met beoogde ontwikkelingsrichting

Vervoer over het water Wanssum ligt dicht bij de Maas waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water is in het kader van het Basisnet een risicoplafond vastgesteld. De Maas is gelegen op een afstand van 1,12 kilometer van het plangebied. Tabel 11. Risicoafstanden van de omliggende vaarweg

Binnenvaartroute Maascorridor

LF1, brandbare vloeistof 803

LF2, brandbare vloeistof 2710

LT1, toxische vloeistof 40

GF3, brandbaar gas 289

GT3, toxisch gas 258

PAG* 50 meter

* wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de Rijksvaarweg (art 5.1 Waterwet).

De Maas heeft een plaatsgebonden risicocontour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen knelpunt. Voor de hoogte van het groepsrisico van de Maas zijn personendichtheden binnen een zone van 200 meter bepalend (zogenaamde afkapgrens; hierbuiten heeft de aanwezigheid van personen nauwelijks of geen invloed op de hoogte van het groepsrisico). Aangezien de personendichtheid binnen deze zone beperkt is, moet gesteld worden dat de Maas geen relevant groepsrisico heeft ter hoogte van de kern Wanssum. Het plangebied is gelegen buiten de contouren van zowel het plaatsgebonden risico als van het groepsrisico met betrekking tot de Maas. Risicovolle buisleidingen Het transport van gevaarlijke stoffen middels buisleidingen is gebaseerd op het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit verplicht gemeenten en provincies om buisleidingen op te nemen in het bestemmingsplan, inclusief een belemmerende zone. Het Bevb gaat niet uit van bebouwings-, veiligheids- of toetsingsafstanden, maar van grenswaarden voor plaatsgebonden risico en een verantwoordingsplicht voor groepsrisico, vergelijkbaar met het Bevi. In de wijde omgeving rond het plangebied is er geen sprake van de aanwezigheid van risicovolle buisleidingen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het de realisatie van de woningen.

Ontwerp

39

5.3

Water

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Venray als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2022-2027 van het waterschap, De Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Tevens wordt thans gewerkt met de trits, hergebruik-bergen-infiltreren-afvoeren. Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant.

Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. Het waterbeleid in de POVI sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan. Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ Herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ Herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ Schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ Duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ Een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. Conform de algemene beleidsregels van het Rijk, de provincie, de gemeente en Waterschap Limburg dient bij het realiseren van een nieuwe verharding sprake te zijn van een hydrologisch neutrale ontwikkeling. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13163321/1