CConstaterende datVenray
Koppel je AI →
Document · PDF

05-03 Toelichting bp Achterstraat 4

Gemeenteraad 31 oktober 2023, gemeente VenrayBij agendapunt: Vaststelling Bestemmingsplan 'Achterstraat 4, Wanssum'26.407 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

BESTEMMINGSPLAN “Achterstraat 4 Wanssum” NL.IMRO.0984.BP21022-on01 Ontwerp

Document:

Bestemmingsplan “Achterstraat 4 Wanssum”

IDN:

NL.IMRO.0984.BP21022-on01

Status:

Ontwerp

Datum:

24 april 2023

Aanvrager:

Riva Bouwgroep BV

Auteur:

ing. P.W.M. van de Ligt ing. N.A.H. van den Ekker

Bureau Leefomgeving B.V. Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

INLEIDING ...........................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3

1.2

Ligging van het plangebied .......................................................................................................................................................................... 4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 5

HUIDIGE SITUATIE ..........................................................................................................................................6 2.1

Algemeen........................................................................................................................................................................................................... 6

2.2

Ruimtelijke structuur.................................................................................................................................................................................... 6

2.3

Functionele structuur................................................................................................................................................................................... 7

BEOOGDE SITUATIE .......................................................................................................................................9 3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan.............................................................................................................................. 10

3.2

Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten...................................................................................................................................... 11

3.3

Duurzaamheid .............................................................................................................................................................................................. 11

BELEIDSKADER............................................................................................................................................... 12 4.1

Rijksbeleid....................................................................................................................................................................................................... 12

4.2

Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 15

4.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 22

RANDVOORWAARDEN/ RESULTATEN ONDERZOEKEN .............................................................. 26 5.1

Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 26

5.2

Externe veiligheid ........................................................................................................................................................................................ 36

5.3

Water............................................................................................................................................................................................................... 40

5.4

Kabels, leidingen en straalpaden........................................................................................................................................................... 42

5.5

Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 42

5.6

Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 46

5.7

Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 49

5.8

Niet-gesprongen explosieven................................................................................................................................................................ 50

JURIDISCHE ASPECTEN .............................................................................................................................. 51 6.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 51

6.2

Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 52

UITVOERBAARHEID ..................................................................................................................................... 53 7.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 53

7.2

Handhaving .................................................................................................................................................................................................... 53

Ontwerp

1

7.3 8.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 55

PROCEDURE .................................................................................................................................................... 57

BIJLAGE ▪ Bijlage 1: Geurberekening voorgrondbelasting ▪ Bijlage 2: Aerius berekening aanlegfase ▪ Bijlage 3: Aerius berekening gebruiksfase ▪ Bijlage 4: Vooroverleg reactie provincie Limburg Separate bijlagen: ▪ Bodemonderzoek (Aeres Milieu) ▪ Akoestisch onderzoek (HMB Groep) ▪ Quickscan flora & fauna (Faunaconsult) ▪ Archeologisch onderzoek (Aeres Milieu)

Ontwerp

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Eind jaren ’50, begin jaren ’60 van de vorige eeuw is begonnen met het planmatig uitbreiden van de oostelijk van de Groote Molenbeek gelegen kom van Wanssum. Met deze uitbreidingen heeft de agrarische functie in de omgeving steeds meer plaats gemaakt voor de woonfunctie. In de oostelijke kom, aan de Achterstraat, ligt een groot agrarisch perceel dat tot voor enkele jaren geleden in gebruik was als paardenhouderij. Het agrarische perceel is omstreeks 1890 bebouwd met de langgevelboerderij Achterstraat 4. Doordat de locatie later omringd is door woningen is de agrarische functie thans niet meer passend in de omgeving c.q. nog mogelijk. De paardenhouderij aan de Achterstraat had percelen aan beide zijden van de weg die met elkaar in relatie stonden. Tot ongeveer 2017 is de paardenhouderij actief geweest waarna het perceel aan de overzijde van de weg (tussen de woningen Achterstraat 3 en 7a) is afgestoten en alle bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd. De locatie is bebouwd met een boerderij met daarin een woning, werkplaats, opslagruimte en twee vrijstaande opstallen (te weten een schuur met open front en een vrijstaande paardenstal). De bebouwing verkeert door achterstallig onderhoud aan de binnen- en buitenzijde in een vervallen staat. Een deel van de bebouwing is een dusdanige slechte staat dat deze gesloopt moeten worden.

Door de vervallen indruk en de inmiddels afwijkende agrarische functie draagt de locatie thans niet positief bij aan het straatbeeld.

Afbeelding 1. Huidige situatie Achterstraat 4

Riva Bouwgroep BV heeft het voornemen om de locatie te herontwikkelen voor woningbouw om daarmee de locatie enerzijds een kwaliteitsimpuls te geven door de huidige bebouwing te slopen en door aan te sluiten bij de woonfunctie in de omgeving en anderzijds tegemoet te komen aan de toenemende lokale grote vraag naar woningen. Alle huidige bebouwing dient daarbij van de locatie te worden verwijderd en daarvoor in de plaats dient woningbouw plaats te vinden in de vorm van vier levensloopbestendige (senioren)woningen, twee starterswoningen en twee gezinswoningen. Daarnaast wordt aan het perceel dat voorheen onderdeel uitmaakte van de paardenhouderij (het perceel tussen de woningen Achterstraat 3 en 7a) een woonbestemming zonder bouwvlak toegekend. Ontwerp

3

Afbeelding 2. Ligging in de bebouwde kom van Wanssum

Op basis van het vigerende bestemmingsplan “Wanssum” is de beoogde herontwikkeling van deze locatie niet toegestaan. De locatie is bestemd als ‘Agrarisch-Paardenhouderij’. Conform deze bestemming is het niet toegestaan de gronden te benutten ten behoeve van woondoeleinden. Om de herontwikkeling van de locatie in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgesteld. In dit bestemmingsplan wordt de agrarische bestemming met het agrarisch bouwvlak van de locatie verwijderd en hiervoor in de plaats wordt aan de locatie een woonbestemming met een nieuw bouwvlak toegekend. De beoogde herontwikkeling van de locatie wordt daarmee wel mogelijk.

1.2

Ligging van het plangebied

In het noordoosten van Limburg, tegen de Maas aan ligt de kern Wanssum. De kern is ontstaan rond de aansluiting van de Groote Molenbeek met de Maas. Bij deze aansluiting is een haven ontstaan voor zowel de pleziervaart als de industrie. Het dorp Wanssum wordt door de beek in twee delen opgedeeld; te weten een kleine kom aan de oostzijde van de Groote Molenbeek en de grote kom aan de westzijde. Het plangebied is gelegen in het midden van de oostelijk gelegen kom. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Wanssum, sectie C en perceelnummers 365, 489 en 783.

Afbeelding 3. Luchtfoto en begrenzing plangebied

Ontwerp

4

In het westen wordt de locatie begrensd door de Achterstraat. Aan de overzijde van deze weg ligt een voormalige paardenstal welke oorspronkelijk bij de paardenhouderij behoorde. Verder zijn aan deze zijde van de Achterstraat uitsluitend woningen gelegen. In het noorden wordt de locatie begrensd door een nutsvoorziening en in het zuidoosten door een detailhandelszaak. Voor de rest wordt het plangebied uitsluitend begrensd door woningen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Wanssum” (vastgesteld d.d. 17 december 2019) en is hierin bestemd als ‘Agrarisch – Paardenhouderij’ en gedeeltelijk voorzien van een bouwvlak (oppervlakte bouwvlak circa 1.550 m2). Binnen het bouwvlak zijn de maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte: 4 m‘ en de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ opgenomen. Binnen het plangebied zijn ook de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2’ en ‘Waarde – Archeologie – 4’ opgenomen.

Afbeelding 4. Uitsnede verbeelding bestemmingsplan “Wanssum”

De als ‘Agrarisch – Paardenhouderij’ aangewezen gronden zijn bestemd voor een productiegerichte paardenhouderij met onder andere hobbyweides en bijbehorende voorzieningen. Een bedrijfswoning is toegestaan uitsluitend ter plaatste van de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ en per bedrijf is slechts één bedrijfswoning toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht waarbij de goothoogte van de gebouwen maximaal 4 meter mag bedragen. Binnen deze bestemming is woningbouw niet toegestaan.

Ontwerp

5

2.

HUIDIGE SITUATIE

2.1

Algemeen

Het plangebied is gelegen in het oostelijke deel van de kern Wanssum, aan de Achterstraat. Wanssum ligt ten zuiden van de rivier de Maas. Wanssum wordt naast de ligging aan de Maas ook gekenmerkt door de aanwezigheid van de haven en de loop van de Groote Molenbeek die in deze haven uitmondt. Wanssum maakt onderdeel uit van de gemeente Venray, gelegen in het noorden van Limburg. Circa 1.800 inwoners bevolken de kern.

2.2

Ruimtelijke structuur

Wanssum is ontstaan nabij de kruising van de Groote Molenbeek met enkele wegen (o.a. de huidige Brugstraat). Rond 1840 bestond Wanssum uit twee concentraties van bebouwing aan beide zijden van de Groote Molenbeek. De bebouwing bestond destijds voornamelijk uit lintbebouwing parallel aan het beekdal. Hierdoor had Wanssum voornamelijk een noord-zuid gerichte structuur. Een drietal verbindingswegen zorgde voor een sterke relatie van de bebouwing aan beide zijden van de beek. In het centrum van Wanssum is een jachthaven gelegen. In de jaren ‘30 van de vorige eeuw is deze haven aangelegd. De aanleg van de haven heeft gezorgd voor een grote verandering, waarbij uitbreiding van bedrijvigheid in noordelijke richting heeft plaatsgevonden, hier is nog steeds het haven- en industrieterrein van Wanssum gelegen. Het dorp Wanssum bestaat formeel dan ook uit twee delen: het dorp met een overwegende woonfunctie en het havenen industrieterrein aan de noordzijde. Tevens is de bebouwde kom van Wanssum ruimtelijk gezien nog in tweeën verdeeld; een kleine kom aan de oostzijde van de Groote Molenbeek en de grote kom aan de westzijde.

Afbeelding 5. Impressie bebouwing binnen plangebied

Afbeelding 6. Impressie Achterstraat richting de Brugstraat

Wanssum wordt ook in oost-westrichting doorsneden, te weten door de Brugstraat. De Burgstraat is in de loop der jaren een belangrijke structuurlijn geworden waaraan lintbebouwing is ontstaan. De Brugstraat, later aangewezen als de provinciale weg N270, loopt midden door de kern en zorgde voor onveilige situaties en verkeersoverlast. Daarnaast stond de N270 een verdere ontwikkeling van het centrumgebied in de weg. Daarom heeft de gemeente Venray samen met de provincie Limburg een nieuwe provinciale rondweg, inclusief brug over de haven, aangelegd die ten noorden van de kern is gelegen. Met de aanleg van de noordelijke rondweg wordt het doorgaande verkeer om de dorpskern geleid en ontstaan kansen voor de ontwikkeling van het centrum en de jachthaven. Bovendien wordt het industrieterrein nu ook aan de oost- en westzijde van de haven ontsloten. De Brugstraat heeft daarmee haar belangrijke verkeersfunctie verloren.

Ontwerp

6

Eind jaren ’50 begin jaren ’60 van de vorige eeuw is begonnen met het planmatig uitbreiden van de oostelijk gelegen kom van Wanssum. Rond deze tijd is begonnen met verdere woningbouw aan de Brugstraat en de Burgemeester de Weichshavenstraat. Zo zijn de woningen ontstaan rond de huidige boerderij binnen het plangebied, die voor die tijd aan de rand van dorp lag. Eind jaren ’70 van de vorige eeuw is daarnaast begonnen met planmatige woningbouw aan de Merelhof, die een zijweg van de Burgemeester de Weichshavenstraat is. De woningen die zijn gelegen in de omgeving betreffen voornamelijk vrijstaande of halfvrijstaande woningen. De woningen bestaat uit een of twee bouwlagen en zijn afgewerkt met een kap.

2.3

Functionele structuur

In de bebouwde kom van Wanssum overheerst de woonfunctie. De woningen bestaan uit één of twee bouwlagen, afgewerkt met een kap. Aan de Pastoorstraat is de kerk van Wanssum gelegen. Aan de zuidelijke overzijde van de kerk is het gemeenschapshuis ‘de Zandhoek’ gelegen. De basisschool met peuterspeelzaal is gelegen in het noordwesten van de kern. Naast de woonfunctie komen in de kern diverse functies voor waaronder (lichte) bedrijvigheid, horeca en detailhandel. Daarnaast is in de westelijke kom van Wanssum nog een sportpark gelegen. Het plangebied vormt, samen met het perceel aan de overzijde van de Achterstraat, de enige bebouwde agrarische functie binnen de kern.

Afbeelding 7. Impressie jachthaven en daarachter het industrieterrein

In het midden van de kern, ten westen van het plangebied, is de jachthaven gelegen. Daarnaast ligt ten noorden (en voor een klein deel ten oosten) van het plangebied het industrieterrein van Wanssum, waar allerlei zware vormen van bedrijvigheid zijn gelegen. Rondom de kern en het industrieterrein is het buitengebied gelegen. Het buitengebied kenmerkt zich door de agrarische en natuurfunctie.

Ontwerp

7

Afbeelding 8. Perceel aan de overzijde van de Achterstraat dat voorheen bij de locatie behoorde

Afbeelding 9. Impressie industrieterrein Wanssum vanuit de Achterstraat

Van oorsprong kent de omgeving van het plangebied een agrarische functie. In de loop der jaren heeft de agrarische functie steeds meer ruimte moeten maken voor woningbouw. Hiermee is de agrarisch functie verdrongen door de woonfunctie. Omstreeks jaren ’70 van de vorige eeuw kent de omgeving voornamelijk een woonfunctie. Het plangebied vormt dan ook nog het enige agrarische perceel in de kern van Wanssum. Door de woningbouw in de omgeving zijn de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plangebied steeds beperkter geworden. Uit functioneel oogpunt past een agrarisch bedrijf dan ook niet meer op deze plek, waar de woonfunctie thans overheerst.

Ontwerp

8

3.

BEOOGDE SITUATIE

Aan de Achterstraat 4 in Wanssum was voorheen een paardenhouderij gevestigd. Omstreeks 2017 zijn de bedrijfsactiviteiten beëindigd. De voormalig stallen zijn sinds beëindiging in gebruik als werkplaats en opslagruimte. Ondanks dat de locatie vanaf die tijd niet meer in gebruik is geweest als paardenhouderij is deze nog wel als zodanig bestemd. Zowel de boerderij als de opstallen hebben achterstallig onderhoud aan binnen- en buitenzijde. Een deel van de opstallen is voor een deel al ingestort en is dan ook slooprijp. Met de sanering van de bestaande, sterk verouderde bebouwing en het daarvoor in de plaats terugbouwen van woningen ter plaatse wordt een grote kwaliteitswinst behaald. De woningen passen veel beter in het straatbeeld waar de woonfunctie overheerst. Het bouwplan voorziet in totaal in acht woningen die rond een nieuwe wegenstructuur wordt aangelegd. In het midden van de wegenstructuur wordt een kleine groenvoorziening gerealiseerd waar onder andere een wadi wordt gerealiseerd voor het opvangen van het hemelwater. Op de plek van de huidige boerderij worden vier aaneengebouwde levensloopbestendige woningen gerealiseerd, onder de naam “De Hoeve”. De aaneengebouwde woningen worden opgericht in boerderijstijl. Levensloopbestendig in richten betekent dat alle voorzieningen worden aangebracht die het mogelijk maken de woning een leven lang te bewonen.

In dit geval is ervoor gekozen alle voorzieningen (woonkamer, keuken badkamer en slaapkamer) op de begane grond te structureren. Deze woningen zijn daarmee ideaal voor senioren.

Afbeelding 10. Beoogde herontwikkeling van de Achterstraat 4 in Wanssum

Ontwerp

9

In het oosten van het bouwplan worden twee bouwblokken voor elk twee halfvrijstaande woningen gerealiseerd. Deze twee bouwvlakken worden aangeduid als “De Schuur” en “De Loods”. “De Schuur” zal voorzien in twee kleinere tweeonder-een-kapwoningen die geschikt zijn voor starters. “De Loods” zal voorzien in twee grotere twee-onder-eenkapwoningen. Deze woningen zijn voornamelijk beoogd voor (jonge) gezinnen.

3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

Aan de hand van het bouwplan zijn bij de opstelling van dit bestemmingsplan de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ De agrarische bedrijfsactiviteiten worden volledig stopgezet en de bestaande bebouwing wordt volledig gesloopt; ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van vier levensloopbestendige woningen, twee starterswoningen en twee gezinswoningen binnen het plangebied; ▪ Binnen het plangebied zijn drie bouwvlakken ingetekend; ▪ Binnen het noordwestelijke bouwvlak mogen maximaal vier woningen worden opgericht; ▪ Binnen oostelijk gelegen bouwvlakken mogen per bouwvlak maximaal twee woningen worden opgericht; ▪ Aan de bouwvlakken is een gevellijn opgenomen. ▪ De maximale goothoogte van de woningen bedraagt 4 meter; ▪ Tussen het plangebied en de Achterstraat wordt een groenstrook van 2 meter breed gerealiseerd. Middels een voorwaardelijke verplichting wordt dit juridisch gewaarborgd. ▪ Ter plaatse van het centrale plein is het plangebied bestemd als ‘Verkeer’ en ‘Groen’. ▪ Aan het perceel tussen de woningen Achterstraat 3 en 7a zal een woonbestemming zonder bouwvlak worden toegekend. ▪ Aan de woonbestemming tussen de woningen Achterstraat 3 en 7a is tevens de functieaanduiding ‘opslag’ opgenomen zodat de bestaande activiteiten zijn toegestaan.

▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Venray dient onderhavig bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Wanssum” zoals dat thans voor het plangebied en voor de rest van de bebouwde kom van Wanssum geldt.; De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken tot herontwikkeling van de voormalige paardenhouderij die is gelegen in de kern Wanssum. De herontwikkeling zal voorzien in het formeel beëindigen van de agrarische bedrijfsfunctie en de sloop van alle aanwezige bebouwing en het oprichten van in totaal acht nieuwe woningen. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied voor het grootste deel is bestemd als ‘Wonen’. Het plangebied is daarnaast voor een deel bestemd als ‘Verkeer’ en ‘Groen’ ten behoeve van het verkeer, parkeren en groen. Binnen het plangebied zijn de aanwezige dubbelbestemming opnieuw van toepassing verklaard tot uit het archeologisch vervolg onderzoek blijkt dat het plangebied is vrijgegeven. Binnen het plangebied is daarnaast de dubbelbestemming ‘Leiding – Elektriciteitskabel’ opgenomen ter waarborging van de aanwezige middelspanningskabel. Binnen de woonbestemming zijn drie bouwvlakken opgenomen.

Binnen het bouwvlak aan de noordwestelijke zijde van het plangebied zijn de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 4’ en ‘maximum goothoogte: 4 m’ opgenomen, zodat de bouw van de vier woningen mogelijk wordt. Binnen de oostelijk gelegen bouwvlakken zijn per bouwvlak de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ en ‘maximum goothoogte: 4 m’ opgenomen, zodat per bouwvlak de bouw van de twee woningen mogelijk wordt. Daarnaast is per bouwvlak een ‘gevellijn’ opgenomen. Het perceel dat aan de overzijde van de Achterstraat ligt en voorheen onderdeel uit maakte van de paardenhouderij is in het kader van de herontwikkeling ook meegenomen. Aan dit perceel is een woonbestemming toegekend zonder bouwvlak maar met de aanduiding ‘opslag’ zodat het bestaande gebruik kan worden voortgezet.

Ontwerp

10

3.2

Stedenbouwkundige/ ruimtelijke aspecten

De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door de woonfunctie. De woningen betreffen voornamelijk vrijstaande of halfvrijstaande woningen bestaande uit een of twee bouwlagen afgewerkt met een kap. Met onderhavig initiatief worden in totaal acht woningen opgericht waarvan vier aangebouwde woningen en vier twee-onder-een-kapwoningen. De woningen worden opgericht in een of twee bouwlagen afgewerkt met een kap. Het type woningen en de hoogte van de woningen sluit aan bij de omgeving. Daarnaast wordt met het initiatief aangesloten bij de overheersende woonfunctie. Een voormalige paardenhouderij wordt gesaneerd en hiervoor in de plaats wordt de locatie herontwikkeld voor woningbouw. Dit is vanuit functioneel oogpunt beter passend in de omgeving. Ten aanzien van het stedenbouwkundige en ruimtelijke aspect kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van verslechtering van het stedenbouwkundige karakter maar juist van een verbetering. Sterk verouderde en vervallen bebouwing wordt gesloopt en hiervoor in de plaats wordt nieuwe bebouwing opgericht die beter aansluit bij de omgeving. Daarnaast wordt de mogelijkheid ontnomen om de locatie (opnieuw) te benutten voor een paardenhouderij.

3.3

Duurzaamheid

De ambities ten aanzien van duurzaamheid in Venray zijn hoog, zoals neergelegd in de Energiestrategie 2030 (zie voor de inhoud van deze strategie paragraaf 4.3.4). Het Bouwbesluit stelt dat vanaf 1 januari 2021 nieuwbouw bijna energieneutraal (BENG) moet zijn. De binnen het plangebied te realiseren woningen zullen in ieder geval voldoen aan 'BENG'. In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die bijdragen aan 'een goede ruimtelijke ordening'. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Algemeen erkend wordt dat energietransitie een ruimtelijke impact heeft, maar de visie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is dat hiertoe geen regels in het bestemmingsplan kunnen worden opgenomen. De gemeente Venray heeft met betrekking tot het aspect 'duurzaamheid' geen extra eisen opgenomen in het principebesluit.

In de uitwerking van onderhavig plan zullen in de omgevingsvergunning aanvraag de volgende duurzaamheidsmaatregelen worden overwogen: ▪ De woningen worden niet aangesloten op gas (elektrisch koken); ▪ De woningen zullen worden aangesloten op een warmtepomp ter verwarming en koeling van de woning; ▪ In de woningen wordt balansventilatie toegepast (warmte-terugwin-installatie); ▪ De woningen zullen een substantiële hoeveelheid energie opwekken middels zonnepanelen; ▪ De woningen worden zeer goed geïsoleerd en hebben een zeer lage warmtevraag; ▪ Hergebruik bouwmaterialen van elders.

Ontwerp

11

4.

BELEIDSKADER

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen.

Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief.

Ontwerp

12

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen daarvan in werking getreden. Voor de nationale belangen die kaderstellend zijn voor besluiten van gemeenten zijn in het Barro regels opgenomen die direct het bestemmingsplan en daarmee gelijk te stellen besluiten betreffen. Zij strekken ertoe dat de nationale ruimtelijke afweging, die door het kabinet in samenspraak met de Tweede en Eerste Kamer der Staten-Generaal is gemaakt, bij besluitvorming over bestemmingsplannen wordt gerespecteerd. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. In oktober 2012 is het besluit aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen veiligheid op rijksvaarwegen, toekomstige uitbreiding van infrastructuur, de elektriciteitsvoorziening, het Nationaal Natuurnetwerk, de veiligheid van primaire waterkeringen, reserveringsgebieden voor hoogwater langs de Maas en maximering van de verstedelijkingsruimte in het IJsselmeer.

Met het initiatief worden geen van de genoemde belangen geschaad. Op en om de locatie is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, het initiatief is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien”. Allereerst dient er sprake te zijn van een ‘stedelijke ontwikkeling’.

Zoals de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen (uitspraak van 18 december 2013, zaak nr. 201302867/1/R4), is het begrip woningbouwlocatie in de omschrijving van het begrip stedelijke ontwikkeling in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro niet nader gedefinieerd in het Bro. Voorts ontbreekt in de nota van toelichting bij deze bepaling (Stb. 2012, 388) een toelichting op de definitiebepaling van het begrip stedelijke ontwikkeling. De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL:RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het oprichten van in totaal acht woningen in de bebouwde kom van Wanssum evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.

Ontwerp

13

4.1.4 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In deze wet zijn een achttal wetten samengevoegd tot één wet. Het Waterbesluit is de uitwerking bij de algemene maatregel van bestuur van bepalingen van de Waterwet. De Waterregeling is de uitwerking bij ministeriële regeling van bepalingen van de Waterwet en het Waterbesluit. De Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling zijn het resultaat van de in 2004 aangekondigde integratie van waterwetgeving. Uit de kaarten behorende bij het Waterbesluit en de Waterregeling, blijkt dat het plangebied is gelegen in de zone ‘Vrijstelling vergunningplicht gebruik waterstaatswerken’. Wat dit betekent wordt hierna nader gespecifieerd.

Afbeelding 11. Uitsnede kaart behorende bij Waterregeling met plangebied rood omcirkeld

4.1.5 Beleidslijn grote rivieren De overstromingen van de Maas in december 1993 en januari 1995 hebben duidelijk gemaakt dat de Maas niet altijd binnen het winterbed blijft zoals dit in het Koninklijk Besluit 1916 (op basis van de Rivierenwet 1908) is vastgelegd. Bij (nieuwbouw)plannen in het rivierbed van de Maas dient daarom rekening gehouden te worden met hoge waterstanden. Op 19 september 1997 werd de circulaire “Bouwen langs de Maas” vastgesteld door Provinciale Staten als provinciaal ruimtelijk beleid. Hierin werd vastgelegd hoe de ministeriële beleidslijn “Ruimte voor de rivier” (Staatscourant 12 mei 1997) in Limburg zijn doorwerking diende te krijgen, waarbij de bescherming van een deugdelijke stroomvoering en waterberging voorop stonden. Middels deze circulaire werd tevens invulling gegeven aan de afspraken die naar aanleiding van de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” tussen Rijk, provincie en gemeentes waren gemaakt. Mede op basis van de resultaten van een in 2005 verrichte evaluatie en ervaringen in de praktijk is besloten om de beleidslijn “Ruimte voor de rivier” te herzien. De herziening van de beleidslijn draagt, mede als gevolg van de uitbreiding van het toepassingsgebied en de wens om verwarring met de PKB “Ruimte voor de Rivier” te voorkomen, de naam “Beleidslijn grote rivieren”.

Met de herziening van de beleidslijn wordt meer ruimte geboden aan ontwikkelingsgerichte initiatieven. Zo ontstaan meer mogelijkheden voor ontwikkelingen die de ruimtelijke en economische kwaliteit van het betreffende gebied kunnen verbeteren. Doelstelling van de beleidslijn grote rivieren is om de beschikbare bergingscapaciteit van het rivierbed te behouden, ontwikkelingen tegen te gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken en het waarborgen van de afvoercapaciteit in het stroomvoerend rivierbed.

Ontwerp

14

Afbeelding 12. Uitsnede kaart behorende bij Waterregeling met plangebied paars omcirkeld

Om de doelstellingen te bereiken, wordt via een tweetal sporen gewerkt: de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr). Een groot deel van Wanssum en zo ook het plangebied is gelegen binnen een Artikel 2a Wbr-gebied. De gebieden waarvoor artikel 2a van de Wbr van toepassing is - kortweg de artikel 2a-gebieden - zijn gedeelten van het rivierbed waar op basis van rivierkundige gronden en via een algemene maatregel van bestuur het vergunningenregime van de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (Wbr) niet van toepassing is. De Wbr is opgegaan in de Waterwet. Met ingang van 1 oktober 2012 zijn deze vrijstellingsgebieden beschreven in artikel 6.12 van het Waterbesluit. Deze aanduiding betekent dat het plangebied vanuit rivierkundig oogpunt (vanuit het rivier- en stroombelang) minder van belang wordt geacht. Bescherming van dat belang door middel van een vergunningstelsel is daarmee niet noodzakelijk. De overwegingen die hebben geleid tot het aanwijzen van de artikel 2a-gebieden maken duidelijk dat deze gebieden voor het realiseren van de doelstellingen van deze beleidslijn feitelijk geen rol spelen. Daarom vallen de gebieden waar artikel 2a van toepassing is (ondanks de ligging in het rivierbed) niet onder het toepassingsgebied van de Beleidslijn grote rivieren.

Tevens geldt hier, dat ook al zijn deze gebieden vrijgesteld van de vergunningplicht, ze wel deel uit blijven maken van het rivierbed. Bouwen in dit gebied, is dus net als elders in het rivierbed op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid. Ook hier is het Rijk niet aansprakelijk voor eventuele schade. Initiatiefnemer is zich hiervan bewust en accepteert eventuele schade bij hoogwater.

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 hebben Provinciale Staten de Provinciale Omgevingsvisie, met bijbehorend m.e.r vastgesteld. De Provinciale Omgevingsvisie is per 25 oktober 2021 in werking getreden. De Provinciale Omgevingsvisie Limburg vervangt het voormalige ‘Provinciaal Omgevingsplan Limburg’ (POL2014). De omgevingsvisie is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan door ontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen.

Ontwerp

15

In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk: 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving; a. In stedelijk c.q. bebouwd gebied; Zowel in de stedelijke centra als in de landelijke kernen liggen er diverse uitdagingen. In stedelijke centra heeft dit met name te maken met de versterking van de stedelijkheid, in de landelijke kernen met het behoud van de leefbaarheid. Limburg is rijk aan volkscultuur en tradities en heeft een rijk verenigingsleven. Hoewel sociale verbanden zoals verenigingen vroeger vanzelfsprekend waren, staan deze nu steeds meer onder druk. Er zijn daarnaast uitdagingen op het gebied van de verbetering en verduurzaming van de woningvoorraad, de toegankelijkheid, beschikbaarheid en bereikbaarheid van voorzieningen en het klimaatbestendig maken van de bebouwde omgeving. Ook kent het bebouwd gebied opgaven met betrekking tot de arbeidsmarkt en ruimte voor bedrijvigheid. b. In landelijk gebied; Limburg kent een uniek landschap en prachtige natuurgebieden. Dit is niet vanzelfsprekend. In het landelijk gebied ligt de nadruk op uitdagingen die te maken hebben met onder meer klimaatadaptatie, de transitie van de landbouw, de inpassing van energie en het zoeken van de balans tussen natuur(behoud), ruimtelijke kwaliteit en het mogelijk maken van ontwikkelingen.

Daarnaast zijn schaalvergroting en leegstand van agrarische bebouwing, toeristisch-recreatief (mede)gebruik, biodiversiteit, stikstof en (grond)waterkwaliteit belangrijke thema’s. 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie; Tot 2020 groeit het aantal banen in Limburg. De welvaart en het gemiddelde opleidingsniveau nemen toe, maar niet voor iedereen. Hoewel de werkloosheid gelijk is aan het landelijk gemiddelde (peildatum 2019, 3e kwartaal), is de bruto participatiegraad in Limburg relatief laag. In sectoren als de bouw, horeca en toerisme, zorg en ICT wordt een krapte op de arbeidsmarkt ervaren. Demografische ontwikkelingen maken dat de beroepsbevolking slinkt en het aantal ouderen toeneemt. Een bijzonder punt van zorg is de groeiende maatschappelijke tweedeling die zich ook fysiek uit in de vorm van de ruimtelijke concentratie van kwetsbare groepen. Samen met het verhogen van de arbeidsparticipatiegraad en het aantrekken van internationale werknemers kunnen ontwikkelingen als digitalisering, robotisering en automatisering het tekort aan arbeidskrachten – onder meer als gevolg van demografische ontwikkelingen – tegengaan. 3. Klimaatadaptieve en energietransitie; Klimaatverandering vergroot de kans op overstromingen en wateroverlast, hittegolven en hittestress en langdurige perioden van droogte.

Dit brengt uitdagingen en veiligheidsoverwegingen, maar ook kansen met zich mee. Bijvoorbeeld het koppelen van thema's. Deze klimaatontwikkelingen hebben invloed op onze voedselvoorziening, de leefbaarheid, gezondheid en de natuur. Ook verandert de komende jaren de energievoorziening in Nederland fors. Deze energietransitie zal ook een grote impact hebben op de woon- en leefomgeving in Limburg. Energiebesparing in industrie, landbouw, woningen en mobiliteit én het accommoderen van de ruimtevraag voor de opwekking van duurzame energie, zoals zonne- en windenergie, zijn hierbij uitdagingen met impact op de omgeving. De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen: ▪ Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s; ▪ Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt. Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol.

De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk.

Ontwerp

16

Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en niet-courante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Een belangrijk instrument om de kwaliteit van het bebouwde gebied op orde te maken is de ladder voor duurzame verstedelijking. Hierdoor wordt de ruimte in bebouwd gebied optimaal benut. Uitgangspunt hierbij is dat leegstaand vastgoed wordt hergebruikt en herbestemd wordt. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil. Woonkwaliteit is niet alleen afhankelijk van de woning zelf.

Omstandigheden die hier ook op van toepassing zijn, zijn bijvoorbeeld sociaaleconomische omstandigheden, gezondheid, leefbaarheid, het voorzieningenniveau, de bereikbaarheid en een veilige omgeving. De aandacht ligt bij het ontwikkelen van gemengde wijken, die bij kunnen dragen aan een sterk sociaal weefsel en verkleinen op die manier kloven in de samenleving. Ook belangrijk zijn natuur- en klimatologische eigenschappen van een woongebied. Groen, schone lucht, het tegengaan van hittestress en voorzieningen om wateroverlast (zowel overstromingen als droogte) tegen te gaan dragen daarmee bij aan de omgevingskwaliteit. Conclusie Met het initiatief wordt een verouderd en vervallen agrarisch bedrijf midden in de bebouwde kom van Wanssum gesaneerd en alle bijbehorende bebouwing wordt gesloopt. Hiervoor in de plaats worden woningen opgericht welke uit functioneel opzicht veel beter passen in de overwegende woonomgeving. Met het initiatief is dan ook sprake van een verbetering van het woon- en leefklimaat in Wanssum. Mede gelet op de regionale en gemeentelijke beleidskaders past het onderhavige initiatief binnen ontwerp Provinciale Omgevingsvisie Limburg. 4.2.2 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Op 12 december 2014 hebben Gedeputeerde Staten het POL2014, met bijbehorend m.e.r., de omgevingsverordening Limburg 2014 en het Provinciaal verkeers- en vervoersprogramma vastgesteld.

Allemaal als onderdeel van een integrale omgevingsvisie. Deze documenten zijn op 16 januari 2015 in werking getreden. In het POL2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. Dat sluit aan bij de basisfilosofie en ook bij aanpak de van de Rijksoverheid die zich beperkt tot een 13-tal nationale ruimtelijke belangen. Zo veel mogelijk ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en andere partners die met hun lokale kennis prima maatwerk kunnen leveren. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. De belangrijke principes in het Limburgs omgevingsbeleid zijn: 1. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn, en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien.

Algemene principes voor duurzame verstedelijking sluiten hierop aan, zoals de ladder van duurzame verstedelijking en de prioriteit voor herbenutting van cultuurhistorische en beeldbepalende gebouwen. 2. Uitnodigen staat centraal. Dat gaat meer over de manier waarop we samen met onze partners dat voortreffelijke leef- en vestigingsklimaat willen realiseren. Met instrumenten op maat en ruimte om te experimenteren. De provincie wil hierbij selectief zijn: het POL richt zich alleen op die zaken die er op provinciaal niveau echt toe doen en vragen om regionale oplossingen. Ontwerp

17

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, is in het POL2014 het provinciale grondgebied onderverdeeld in zeven soorten gebieden (tabel 1), elk met eigen herkenbare kernkwaliteiten. Voor elk gebied liggen er heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Tabel 1.Essenties van de zones

Zone Stedelijk centrum Bebouwd gebied

Landelijk gebied

Overig bebouwd gebied Bedrijventerreinen Goudgroene natuurzone Zilvergroene natuurzone Bronsgroene landschapszone Buitengebied

Essentie De grotere binnensteden, gekenmerkt door een mix aan functies die deze gebieden een vitaal, stedelijk karakter geeft. Deze gebieden zijn cruciaal voor de aantrekkingskracht en uitstraling van Limburg. Gemengde woon/werkgebieden met een duidelijke binding met het omliggende landelijk gebied, met lokale of regionale voorzieningen. Specifiek ingerichte gebieden voor grotere bedrijvigheid. Gebieden waar natuur en natuurontwikkeling het primaat hebben vanwege de voorkomende waardevolle flora en fauna, vaak van (inter) nationale betekenis. Landbouwgebieden waar grote kansen liggen voor ontwikkeling van natuurwaarden. Beekdalen en gebieden met steilere hellingen met een grote variatie aan functies, in hoge mate bepalend voor het beeld van het Limburgs landschap. Omvat ook het winterbed van de Maas. Alle andere gronden in het landelijk gebied, vaak met een agrarisch karakter. Met ruimte voor doorontwikkeling van agrarische bedrijven.

Afbeelding 13. Zonering POL 2014 met plangebied rood omlijnd.

Het plangebied is gelegen in de zone ‘overig bebouwd gebied’. Dit betreffen gemengde woon- en werkgebieden met voorzieningen, deels met stedelijk karakter, deels met landelijk karakter. Beleidsmatig worden hier de volgende accenten gelegd: ▪ Transformatie regionale woningvoorraad ▪ Bereikbaarheid ▪ Balans voorzieningen en detailhandel ▪ Stedelijk groen en water ▪ Kwaliteit leefomgeving Voor wat betreft wonen streeft de provincie naar een voortreffelijk woon- en leefklimaat, waar mensen zich prettig voelen. Kwantitatief ligt er een aanzienlijke opgave om ervoor te zorgen dat de woningmarkt aansluit bij de demografische ontwikkeling. De top in de woningbehoefte wordt naar verwachting in Midden- en Noord-Limburg bereikt rond 2028 respectievelijk 2030, terwijl de totale behoefte in Zuid-Limburg al daalt.

Ontwerp

18

Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen, met als uitgangspunt bouwen voor eigen behoefte. De ambities, uitgangspunten en principes uit het POL2014 worden vastgelegd in regionale structuurvisies, waarin de verschillen tussen de regio’s en regio specifieke uitwerkingen worden vormgegeven. Deze visies zijn stevig en niet-vrijblijvend, maar wel realistisch, zie hiervoor paragraaf 4.2.4. Het initiatief voorziet in de herontwikkeling van een reeds bebouwde locatie, in de bebouwde kom van Wanssum. Het initiatief heeft betrekking op een vorm van hergebruik van reeds bebouwde gronden en is dus een vorm van herstructurering. Er wordt hierdoor optimaal gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte binnen de bebouwde kom van Wanssum. Met het initiatief wordt daarnaast tegemoet gekomen aan de toenemende vraag naar woningen in Wanssum, er is dan ook sprake van bouwen naar behoefte. Daarnaast wordt het woon- en leefklimaat in de kern verbeterd door het saneren van een paardenhouderij en het voorkomen dat hier een nieuwe paardenhouderij kan worden gevestigd.

Het initiatief is hierdoor in overeenstemming met de uitgangspunten uit het POL2014. 4.2.3 Ontwerp Omgevingsverordening In de Omgevingsverordening Limburg staan regels op het gebied van milieu, wegen, water, grond, landbouw, natuur, wonen en ruimte. Alle regels die betrekking hebben op het omgevingsbeleid zijn ondergebracht in één verordening, die grofweg twee typen regels bevat: ▪ Instructieregels gericht tot gemeenten of het waterschap; ▪ Regels voor activiteiten die rechtstreeks voor een ieder gelden of voor specifieke doelgroepen. Op dit moment geldt de Omgevingsverordening Limburg 2014. Met de komst van de Omgevingswet (die nu gepland staat voor 1 januari 2024) is een nieuwe omgevingsverordening nodig die de huidige gaat vervangen. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. De volgende regels uit de Ontwerp Omgevingsverordening zijn in dit geval van toepassing: ▪ Omgevingswaarden wateroverlast ▪ Wonen, werken en recreëren Omgevingswaarden wateroverlast Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. De omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstroming per jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: neerslag- en afvoersituaties die niet vaak voorkomen.

In totaal zijn vijf gebieden opgenomen met de specificatie voor dat gebied en de gemiddelde overstromingskans per jaar.

Ontwerp

19

Tabel 2. Overstromingskans per jaar per gebied gespecificeerd

Gebied

Specificatie

Overstromingskansgebieden A

1. 2.

Overstromingskansgebieden B Overstromingskansgebieden C

Overstromingskansgebieden D Overstromingskansgebieden E

Natuurnetwerk Limburg Groenblauwe mantel langs alle natuurbeken en langs omgevingsgerichte wateren binnen beekdalen en natte laagten Groenblauwe mantel langs omgevingsgerichte wateren buiten natte laagten 1. Overige landbouwgebieden, recreatieparken 2. Bebouwing in bebouwde kernen langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg Glastuinbouwgebieden Bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Gemiddelde overstromingskans per jaar Geen kans aangegeven

1:10 1:25

1:50 1:100

Het plangebied ligt in overstromingskansgebieden E. Voor dit gebied is een gemiddelde overstromingskans per jaar 1:100. De norm is uitgedrukt als maximale overstromingskans per jaar. Een norm van 1:100 geeft aan dat de kans per jaar 1:100 is dat een overstroming plaats vindt. Anders gezegd: een overstroming komt statistisch gezien niet vaker voor dan gemiddeld eens per100 jaar. Gesteld kan worden dat de kans op wateroverlast binnen het plangebied zeer klein is, zodoende kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Wonen, werken en recreëren In de Ontwerp Omgevingsverordening is opgenomen dat de motivering bij een plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. Sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. Over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d.

Het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. Realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. De ontwerp Omgevingsverordening is momenteel nog niet in werking getreden. Tot het moment dat de Omgevingswet en de nieuwe Omgevingsverordening Limburg in werking treden, blijft de huidige verordening gelden. Hieronder is het initiatief getoetst aan de huidige verordening. 4.2.4 Omgevingsverordening Limburg 2014 Op 12 december 2014 is de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld en in werking getreden. De juridische doorwerking van het omgevingsbeleid wordt in deze verordening geregeld. Naast bepalingen die voor iedereen gelden (gedragsregels), bevat de Omgevingsverordening ook een hoofdstuk "Ruimte", waarin instructieregels naar gemeenten zijn opgenomen. De te maken regionale bestuursafspraken worden in de Omgevingsverordening Limburg geborgd. Sindsdien hebben allerlei wijzigingen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 plaatsgevonden. In het kader van dit initiatief is de meest recente geconsolideerde versie geraadpleegd van december 2019.

In artikel 2.2.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening moet houden met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro (ladder duurzame verstedelijking).

Ontwerp

20

Onderhavig initiatief is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zie paragraaf 4.1.3. Er is sprake van de bouw van maximaal acht nieuwe woningen. Bij het bouwen van acht woningen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder niet van toepassing is. In artikel 2.4.2 van de verordening is bepaald dat een ruimtelijk plan gelegen in de regio Noord-Limburg niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Zoals in paragraaf 4.2.4 van onderhavige toelichting is vermeld, is de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg inmiddels vervangen door de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024. Geconcludeerd wordt dat het initiatief voldoet aan de uitgangspunten voor deze woonvisie. 4.2.5 Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg De gemeente Venray heeft samen met de gemeenten in Noord-Limburg (Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Peel en Maas en Venlo en de provincie Limburg) afspraken gemaakt over de regionale woningmarkt. In 2016 resulteerde dit in de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’. Ondertussen is op 22 september 2020 de geactualiseerde ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ vastgesteld.

Op grond van artikel 2.1, lid 3 Wet ruimtelijke ordening (Wro) heeft de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020 – 2024’ de status van een intergemeentelijke structuurvisie. Hierdoor heeft het document een juridische status en een zelfbindend karakter. Voor de gemeente Venray gold in het kader van de ‘Regionale Structuurvisie wonen Noord-Limburg’ een reductieopgave van 105 woningbouwplannen in de periode 2016-2020. Uit de recent vastgestelde Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 blijkt dat de gemeente Venray de gestelde opgave ruim heeft overtroffen. Een van de centrale opgave in de Regionale Woonvisie is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Hierover staat aangegeven dat bij nieuwbouw bij voorkeur ingezet dient te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. Hierbij dienen de huishoudprognose van E’til (Progneff) als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter, de kwalitatieve toets is leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren.

Daarvoor gelden de volgende regionale uitgangspunten: ▪ Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen; ▪ Gekeken dient te worden naar koppelkansen; ▪ Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; ▪ Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; ▪ De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; ▪ Er wordt gezocht naar aansluiting op de landelijk, regionale en lokale duurzaamheidsdoelen. Aanvullend is daarnaast in de Regionale Woonvisie tevens opgenomen dat: ▪ Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte. ▪ Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt. ▪ Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad. ▪ Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen.

Ontwerp

21

De herontwikkeling van de locatie voorziet in het saneren van een paardenhouderij in de kern van Wanssum en het daarvoor in de plaats oprichten van acht nieuwe woningen. De woningen zijn beoogd voor een brede doelgroep waaronder (jonge) gezinnen, starters en senioren. Vier van de woningen worden levensloopbestendig gerealiseerd en zijn daarmee bij uitstek geschikt voor senioren. Daarnaast worden twee kleinere twee-onder-een-kapwoningen opgericht die uitermate geschikt zijn voor starters. Tenslotte worden nog twee grotere twee-onder-een-kapwoningen opgericht, die met name geschikt zijn voor (jonge) gezinnen. Deze twee-onder-een-kap woningen kunnen indien gewenst levensloopbestendig worden gerealiseerd. Gezien de situering en aard van het initiatief en de vraag naar woningen in Wanssum sluiten de nieuwe woningen aan op de regionale uitgangspunten op basis van de Regionale Woonvisie NoordLimburg 2020-2024.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13163321/1