03 Toelichting bestemmingsplan Lorbaan 4b Veulen
Tekst van het document
Plangebied
Figuur 9: Uitsnede deelgebied Ysselsteyn met ligging plangebied (bron: Ruimtelijk kwaliteitskader Buitengebied Venray)
3.3.6.
Conclusie gemeentelijk beleid
Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het vigerend gemeentelijk beleid bestaan er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
18
4.
Onderzoeksaspecten
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de milieuaspecten en overige planologische aspecten welke van belang zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In §4.1 worden de milieuaspecten onderzocht en in §4.2 worden de overige planologische aspecten behandeld. In §4.3 wordt ingegaan op niet gesprongen explosieven en in §4.4 op duurzaamheid.
4.1.
Milieuaspecten
In de navolgende paragrafen worden de volgende milieuaspecten onderzocht: bodem, milieuzonering, geur, ammoniak, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.1.1.
Bodem
Bij een ruimtelijk plan dient gemotiveerd te worden dat de in het plan toegelaten bestemming passend is in relatie tot de bodemkwaliteit. De (milieu-hygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). Toets bodem Met dit bestemmingsplan blijft het plangebied de bestaande enkelbestemming houden, met dien verstande dat het bouwvlak vergroot wordt tot een oppervlakte van 1,4 ha en de functieaanduiding ‘agrarisch – agrarisch bedrijf’ toegekend krijgt. Ook wordt er middels onderhavig plan een logiesfunctie voor de huisvesting van één groom mogelijk gemaakt.
Op 23 juni 2022 is er een vooronderzoek bodem conform NEN5725 uitgevoerd op de locatie Lorbaan 4b, kadastraal bekend als gemeente Venray, sectie O, nummer 1044. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt: ‘uit het verrichte vooronderzoek zijn binnen het uitbreidingsvlak geen (voormalige) potentiële bronnen vastgesteld die bodemverontreiniging tot gevolg kunnen hebben. Een verkennend bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.’ Het volledige onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2. Conclusie bodem Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.1.2.
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen of andere gevoelige functies krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen: - het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen; - het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Om te bepalen of tussen de milieubelastende activiteiten en de gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, is gebruik gemaakt van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” uit 2009. In deze publicatie worden de richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de richtafstand. De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
19
Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype “rustige woonwijk”. Wanneer sprake is van het omgevingstype “gemengd gebied” kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende en milieugevoelige functies met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Afstand meten De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. Toets milieuzonering Een bedrijf dat is gericht op het ‘Fokken en houden van varkens’ (SBI-code 0146) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 4.1 bedrijf. De richtafstand voor het milieuaspect ‘geur’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ bedraagt 200 meter. De richtafstand tot omgevingstype “gemengd gebied” bedraagt 100 meter. Een bedrijf dat is gericht op het ‘Fokken en houden van overige graasdieren – paardenfokkerijen’ (SBI-code 0143) wordt voor milieu aangemerkt als categorie 3.1 bedrijf.
De richtafstand voor het milieuaspect ‘geur’ (dit milieuaspect kent de grootste richtafstand) tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ bedraagt 50 meter. De richtafstand tot omgevingstype ‘gemengd gebied’ bedraagt 30 meter. Het plangebied is overeenkomstig de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering 2009’ gelegen in gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Toets varkenshouderij De afstand van de grens van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij tot aan bedrijfswoning aan Lorbaan 5 bedraagt ca. 106 meter. Er wordt niet aan de richtafstand voldaan. De afstand van de grens van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ tot aan de woning op Lorbaan 5a bedraagt ca. 120 meter. Er wordt niet aan de richt afstand voldaan. De afstand van de grens van de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’ tot aan de bedrijfswoning op Lorbaan 6 bedraagt ca. 230 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Toets paardenfokkerij De afstand van de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ tot aan de bedrijfswoning op Lorbaan 5 bedraagt ca. 60 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. De afstand van de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ tot aan de woning op Lorbaan 5a bedraagt ca. 73 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand. De afstand van de functieaanduiding ‘agrarisch bedrijf’ tot aan de bedrijfswoning op Lorbaan 6 bedraagt ca. 136 meter. Er wordt voldaan aan de richtafstand.
Conclusie milieuzonering Er wordt niet voldaan aan de richtafstand voor het milieuaspect ‘geur’ van de varkenshouderij in relatie tot omliggende woningen. In §4.1.3 wordt nader op dit aspect ingegaan.
4.1.3.
Geur
Wet geurhinder en veehouderij Voorgrondbelasting Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geurgevoelige objecten sprake is van een Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
20
acceptabel woon- en leefklimaat én in het kader van de beoordeling of dat geurgevoelige objecten geen belemmering vormen voor omliggende bedrijven (omgekeerde werking) getoetst aan de normen uit deze wet. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Venray 2011 Gemeenten hebben onder de Wet geurhinder en veehouderij de bevoegdheid gekregen om, binnen de kaders die deze wet stelt, eigen normen te stellen. Deze normen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in een geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij. De gemeente Venray beschikt weliswaar over een geurverordening, echter zijn voor de geurgevoelige objecten in de omgeving van het plangebied geen afwijkende normen vastgesteld, waardoor de normen van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing zijn. Standaard normen voor dieren met geuremissiefactor De wet geurhinder en veehouderij bevat standaardnormen voor de geurbelasting van veehouderijen op geurgevoelige objecten. Op grond van artikel 3 van deze wet mag de geurbelasting op een geurgevoelig object niet meer bedragen dan: • 3 OUE/m3 lucht binnen een concentratiegebied binnen de bebouwde kom; • 14 OUE/m3 lucht binnen een concentratiegebied buiten de bebouwde kom. N.B.: Venray is gelegen in een concentratiegebied.
Vaste afstand voor afstandsdieren De standaard normen ten aanzien van de maximale geurbelasting gelden alleen voor diersoorten waar een zogenaamde geuremissiefactor voor is opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor diersoorten zonder geuremissiefactor (afstandsdieren) geldt vanaf het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object een vaste afstand. Deze wettelijke vaste afstand is: • 100 meter indien het geurgevoelig object gelegen is binnen de bebouwde kom; • 50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is buiten de bebouwde kom. Vaste afstand voor alle dieren Naast bovenstaande wettelijke afstanden voor afstandsdieren geldt voor ‘alle’ dieren nog de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. Deze wettelijke afstand is: • 50 meter indien het geurgevoelig object gelegen is binnen de bebouwde kom; • 25 meter indien het geurgevoelig object gelegen is buiten de bebouwde kom. Wanneer in één inrichting meerdere diersoorten worden gehouden, met en zonder geuremissiefactor, dan dient zowel getoetst te worden aan de concentratie volgens de odour units, als aan de vaste afstanden. Toets paarden Voor de diercategorie volwassen paarden zijn geen geuremissiefactoren vastgesteld. Geconcludeerd kan worden dat de wettelijke afstand voor afstandsdieren van toepassing is.
Deze afstand geldt vanaf het emissiepunt van het dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. In dit geval is het te toetsen geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom. De te respecteren afstand bedraagt 50 meter. Daarnaast is ook van toepassing de wettelijke afstand welke geldt voor ‘alle’ dieren. Deze afstand geldt vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. De te respecteren afstand bedraagt 25 meter. De afstand van het emissiepunt van de paardenopfokstal tot aan het dichtstbijzijnde geurgevoelige object aan Lorbaan 5a bedraagt ca. 120 meter. De afstand vanaf buitenzijde dierenverblijf tot aan het dichtstbijzijnde geurgevoelige object aan Lorbaan 5a bedraagt ca. 85 meter. Geconcludeerd kan worden dat het houden van paarden voldoet aan het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij. Toets varkens Binnen het plangebied worden dieren gehouden waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Geconcludeerd kan worden dat artikel 3 van de Wet geurhinder en veehouderij van toepassing is. Daarnaast
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
21
is ook van toepassing de wettelijke afstand welke geldt voor ‘alle’ dieren. Deze afstand geldt vanaf de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object. In dit geval is het dichtstbijzijnde geurgevoelige object gelegen buiten de bebouwde kom. De te respecteren afstand bedraagt 25 meter. Het dichtstbijzijnde geurgevoelig object is gelegen op Lorbaan 5a. De afstand vanaf de buitenzijde van het dierenverblijf tot aan buitenzijde van deze woning bedraagt ca. 130 meter. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de wettelijk te respecteren afstand, zijnde 25 meter. V-Stacks De geuremissie wordt samen met de brongegevens van de varkensstal ingevoerd in het rekenprogramma Vstacks, dit programma rekent de geurbelasting uit op geurgevoelige objecten in de omgeving. De berekende geurbelasting wordt getoetst aan de geurnormen die gelden op de woningen in de directe omgeving van het plangebied. Voor woningen die behoren tot andere veehouderijen (of op of na 19 maart 2000 hebben opgehouden deel uit te maken van een veehouderij) zijn enkel vaste afstanden van toepassing. Met behulp van het programma V-stacks is van de vergunde situatie en van de beoogde situatie een geurberekening uitgevoerd. Uit de resultaten blijkt dat er sprake is van een afname van de voorgrondbelasting op omliggende geurgevoelige objecten.
De volledige berekeningen zijn bijgevoegd als bijlage 3. Conclusie voorgrondbelasting Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geur’ geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. Achtergrondbelasting ten behoeve van groom De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt de ‘achtergrondbelasting’ genoemd. De Wgv kent geen normen voor de achtergrondbelasting of de mogelijkheid dergelijke normen te stellen. In bijlage 6 en 7 van de ‘Handreiking bij Wet geurhinder en veehouderij’ is in beeld gebracht wat de relatie is tussen de achtergrondbelasting, het aantal geurgehinderden en de milieukwaliteit (classificatie woon- en leefklimaat). In de navolgende figuur wordt deze relatie weergegeven. Tabel 4 'RIVM Milieukwaliteitscriteria' volgens Wgv (bron: GGD-richtlijn geurhinder, oktober 2002)
Toets achtergrondbelasting Met behulp van het rekenprogramma V-Stacks gebied kan de achtergrondbelasting in een gebied worden berekend. Om een uitspraak te doen over het woon- en leefklimaat op de planlocatie is deze dan ook berekent. Er is een berekening gemaakt van de achtergrondbelasting waarbij alle intensieve veehouderijen in een straal van 2 kilometer rondom de projectlocatie meegenomen zijn. De invoergegevens van deze intensieve veehouderijen zijn verkregen van de gemeente Venray. De berekening van de achtergrondbelasting is toegevoegd in bijlage 4. Conclusie achtergrondbelasting Op de planlocatie is de milieukwaliteit als ‘goed’ beoordeeld. De achtergrondbelasting bedraagt in deze categorie tussen de 4 – 8 OUe/m3 waar over het algemeen het niveau tot 20 OUe/m 3 als aanvaardbaar wordt beoordeeld. Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
22
Conclusie geur Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geur’ geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.1.4.
Ammoniak
Kwetsbare gebieden De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het exclusieve toetsingskader voor ammoniakemissies van veehouderijen. In de Wav zijn regels gesteld voor het oprichten en uitbreiden van veehouderijen die in of op minder dan 250 meter van een (zeer) kwetsbaar bos- of natuurgebied liggen. Deze bedrijven mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. In de navolgende figuur wordt de ligging van de dichtstbijzijnde kwetsbare gebieden weergegeven. Plangebied
Figuur 10 Uitsnede WAV-kaart (bron: www.provincielimburg.nl)
Conclusie kwetsbare gebieden Het plangebied is gelegen op circa 4,6 km van een zeer kwetsbaar gebied. In het kader van de Wet ammoniak en veehouderij kan het bedrijf uitbreiden in ammoniak. In de beoogde situatie is er echter een forse afname van ammoniakemissie. Besluit emissiearme huisvesting Op 25 juni 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting vastgesteld (voorts Besluit). In dit Besluit is onderscheid gemaakt tussen melk- en kalfkoeien (artikel 3) en varkens, kippen en kalkoenen (artikel 5). In het Besluit zijn in bijlage 1 maximale emissiewaarden opgenomen voor bestaande stallen (kolom A) en nieuwe stallen (kolom B en C).
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
23
Het onderscheid in bestaande en nieuwe stallen, met de daaraan gekoppelde maximale emissiewaarden, wordt gemaakt op basis van datum van realisatie van het dierenverblijf, dan wel verlening van de (omgevings-)vergunning voor het te bouwen dierenverblijf. Kolom A van het Besluit is van toepassing indien een dierenverblijf is opgericht voor 1 juli 2015. Hierbij geldt dat indien de omgevingsvergunning voor het bouwen van dit verblijf is verleend voor 1 juli 2015, het verblijf opgericht is voor 1 oktober 2016 ook kolom A van toepassing is. Indien de omgevingsvergunning voor het bouwen ingediend is voor 1 juli 2015, voldoet aan de indieningsvereisten uit de Regeling omgevingsrecht (Mor), maar nog niet onherroepelijk is, maar wel wordt opgericht binnen 15 maanden na onherroepelijk worden, geldt ook Kolom A. Kolom B geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 juli 2015, tenzij Kolom C van toepassing is. Kolom C geldt voor een dierenverblijf dat is opgericht op of na 1 januari 2020 indien het bij oprichting onderdeel is van een IPPC-installatie. In de navolgende tabel zijn de maximale emissiewaarden (grenswaarde ammoniak) met de emissie van de bestaande stal in de beoogde situatie te zien. Tabel 5 Vergelijking maximale emissiewaarden met emissie in de beoogde situatie
Stal nr.
Huisvestingssysteem (RAV-, BWL-code)
Diercategorie
Aantal dieren
Ammoniak (NH3, kg./ jr.) per dier
totaal
Grenswaarde (NH3 kg./ jr.) cat. per dier
totaal
A
1,600
1.536,0
Vleesvarkens
D 3.2.15.4; BWL 2010.02.V6
960
0,450
432,0
Volwassen paarden
K 1.100
13
5,000
65,0 n.v.t.
5,000
65,0
Paarden in opfok
K 2.100
47
2,100
98,7 n.v.t.
2,100
98,7
kg. NH3
1.699,7
TOTAAL
kg. NH3
595,7
Conclusie emissiearme huisvesting De vleesvarkensstal wordt uitgevoerd met een gecombineerd luchtwassysteem. Conclusie: op bedrijfsniveau wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. Conclusie ammoniak Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘ammoniak’ geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.1.5.
Luchtkwaliteit
Wet luchtkwaliteit In hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen. Dit hoofdstuk staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 van de Wet milieubeheer is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; • een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
24
In de agrarische sector is voornamelijk de emissie van fijnstof vanuit de stallen (fijnstof die dieren produceren) bepalend voor de luchtkwaliteit. Hoewel ook andere stoffen uit de inrichting kunnen ontwijken, zoals NO x en SO2, blijken deze emissies zeer gering te zijn ten opzichte van de achtergrondwaarden. Derhalve zal ten aanzien van andere stoffen dan fijn stof (PM10 en PM2,5) zonder problemen worden voldaan aan de Wet luchtkwaliteit. Voor het bepalen van de concentraties fijnstof vanuit de stallen zijn gegevens nodig over de hoeveelheid fijnstof die dieren produceren. Deze hoeveelheid varieert per dier en is afhankelijk van het huisvestingssysteem. De emissiefactoren voor fijnstof geven per huisvestingssysteem aan hoeveel fijnstof een bepaald dier per jaar produceert. De Animal Sciences Group (ASG) van de Universiteit Wageningen stelt de factoren op die door de overheid jaarlijks worden gepubliceerd. Toets PM10 Met behulp van het rekenprogramma ISL3a is van de vergunde situatie en van de beoogde situatie een fijn stof berekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat in de beoogde situatie op alle toetspunten de jaargemiddelde concentratie PM10 afneemt. Tevens blijkt dat de hoogste jaargemiddelde concentratie PM10 maximaal 16.63 μg/m3 bedraagt. Conclusie: er wordt voldaan aan de norm van 40 μg/m 3 voor de jaargemiddelde concentratie PM10.
Tevens blijkt dat de norm van 50 μg/m 3 voor het aantal overschrijdingsdagen maximaal 6.1 dagen bedraagt. Conclusie er wordt voldaan aan de norm van 35 dagen voor het aantal overschrijdingsdagen. De ISL3a berekening is bijgevoegd als bijlage 5. Toets PM2,5 Vanaf 1 januari 2015 geldt een grenswaarde voor PM2,5 waaraan moet worden voldaan. Deze grenswaarde is opgenomen in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor het jaargemiddelde concentratie. In tegenstelling tot PM10 zijn voor PM2,5 geen normen opgenomen met betrekking tot overschrijdingsdagen. Met behulp van het rekenprogramma ISL3a is van de vergunde situatie en van de beoogde situatie een fijn stof berekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat in de beoogde situatie op alle toetspunten de jaargemiddelde concentratie PM2,5 gelijk blijkt met de vergunde situatie. Uit de berekening blijkt verder dat de jaargemiddelde concentratie PM2,5 maximaal 9,12 μg/m3 bedraagt. Conclusie: er wordt voldaan aan de norm van 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie PM 2,5. De ISL3a berekening is bijgevoegd als bijlage 6. Conclusie Gelet op vorenstaande wordt voldaan aan de Wet luchtkwaliteit. Omgekeerde werking ten behoeve van groom In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is.
Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie gemonitord door de (landelijke) overheid. De luchtkwaliteit kan dan ook worden getoetst aan de hand van beschikbare gegevens uit de Atlas Leefomgeving.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
25
Plangebied
Figuur 11 Uitsnede Atlas Leefomgeving (PM10) (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) ter plaatse van het plangebied bedraagt conform de kaarten uit de Atlas Leefomgeving 16 μg/m3. . Dit is lager dan de norm van 40 μg/m3. . De luchtkwaliteit ter plaatse is derhalve voldoende geschikt.
Plangebied
Figuur 12 Uitsnede Atlas Leefomgeving (PM2,5) (bron: https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
De achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) ter plaatse van het plangebied bedraagt conform de kaarten uit de Atlas Leefomgeving 9 μg/m3 . Dit is eveneens lager dan de norm van 25 μg/m3 . De luchtkwaliteit ter plaatse is derhalve voldoende geschikt. Conclusie luchtkwaliteit Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.1.6.
Geluid
Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, railverkeerslawaai en industrielawaai.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
26
Wegverkeerslawaai en railverkeerslawaai Onderhavig planvoornemen voorziet in de huisvesting van één groom in een gedeelte van een gebouw (paardenopfokstal). Geluidbelasting als gevolge van wegverkeer- en railverkeerslawaai dient derhalve getoetst te worden. De planlocatie ligt niet binnen een zone voor railverkeerslawaai. Railverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde. De planlocatie is gelegen op circa 18 meter van de Lorbaan en hiermee gelegen in de geluidszone van de Lorbaan (60 km/uur-weg). Derhalve wordt hierna ingegaan op wegverkeerslawaai en het binnen-niveau. Wegverkeerslawaai De huisvesting van de groom wordt gerealiseerd in de eerste 6 meter (kopgevel) van de paardenopfokstal. Om een indicatie te krijgen van de ter plaatse heersende geluidkwaliteit is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De kaart uit de Atlas Leefomgeving geeft een ruwe indicatie van de geluidkwaliteit en is eigenlijk niet geschikt om geluidniveaus in het kader van de normstelling uit de Wet Geluidhinder te kunnen toetsen aan ‘de geluidbelasting op de gevel’. Uit de kaart van de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter plaatse van de te huisvesten groom de geluidbelasting lager of gelijk is aan 45 dB. Geconcludeerd wordt dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai, zijnde 48 dB. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai wordt derhalve niet nodig geacht.
Binnen-niveau Rekening houdend met een geluidwering van de gevel (GA;k), volgens het Bouwbesluit 2012 de hoogste cumulatieve waarde minus 33 dB met een minimum van 20 dB, bedraagt in het onderhavige geval het binnenniveau maximaal 12 dB (45 dB – 33 dB). Hiermee is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd.
Huisvesting groom
Figuur 13 Ligging stallen (met huisvesting groom) t.o.v. geluidkaart (bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten)
Industrielawaai Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt in het kader van de beoordeling of dat er bij geluidgevoelige bestemmingen sprake is van een goede ruimtelijke ordening (acceptabel woon- en leefklimaat) gebruik gemaakt van bijlage 5 uit de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering” 2009. Deze omschrijft voor geluid het volgende stappenplan: 1. Indien de richtafstand niet wordt overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. 2. Indien stap 1 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek (vanaf deze stap noodzakelijk) aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 2 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk. 3. Stappen 3 en 4 alleen bij buitenplanse inpassing. Indien stap 2 niet toereikend is, dient middels een geluidonderzoek aangetoond te worden dat voldaan wordt aan de geluidbelastingen voor stap 3 als weergegeven in navolgende tabel. Indien voldaan wordt, is buitenplanse inpassing mogelijk met dien Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
27
verstande dat het bevoegd gezag moet motiveren waarom het deze geluidbelasting in de concrete situatie acceptabel acht. 4. Bij een hogere geluidbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Tabel 5 Geluidgrenswaarden VNG brochure “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 [1] Exclusief piekgeluiden door aan- afrijdend verkeer
Stap en gebiedstype Stap 2 rustige woonwijk Stap 2 gemengd gebied Stap 3 rustige woonwijk Stap 3 gemengd gebied
Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau 45 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 55 dB(A)
Maximaal (piekgeluiden) 65 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A) 70 dB(A)[1]
Verkeersaantrekkende werking 50 dB(A) 50 dB(A) 50 dB(A) 65 dB(A)
Toets omliggende bedrijven Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de eigen inrichting behoren zijn woningen van derden. Deze dient- of bedrijfswoning is voor andere inrichtingen dan de eigen inrichting een gevoelig gebouw en worden dus beschermd. Op de locatie Lorbaan 5 wordt een intensieve veehouderij geëxploiteerd. Voor een bedrijf dat is gericht op het ‘Fokken en houden van varkens’ (SBI-code 0146) geldt voor het milieuaspect ‘geluid’ tot omgevingstype ‘rustige woonwijk’ een richtafstand van 50 meter. Volgens §4.1.2 is onderhavige locatie gelegen in omgevingstype ‘gemengd gebied’, waardoor een richtafstand van 30 meter geldt. De afstand van de huisvesting van de groom tot aan de locatie Lorbaan 5 bedraagt ca. 66 meter. Er wordt voldaan aan stap 1. Verdere toetsing kan achterwege blijven. Eigen bedrijf De dienst- of bedrijfswoning is voor het eigen bedrijf géén gevoelig gebouw/te toetsen object. Er is echter sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat omdat: - aan de kant van de stal is sprake van een stenen spouwmuur voorzien van isolatie; - er is sprake van een betonnen vloer; - in de gevels zijn ter plaatse van de huisvesting geen te openen delen aanwezig. Alleen in de kopgevel is een te openen deel aanwezig. Conclusie geluid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘geluid’ geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen.
4.1.7.
Externe veiligheid
Beleid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico zegt iets over de theoretische kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), hiervoor geldt dat een kans groter dan 1 op de miljoen per jaar (10-6/jaar) onacceptabel wordt geacht. De norm voor het plaatsgebonden risico is bij kwetsbare objecten een grenswaarde die niet mag worden overschreden. Groepsrisico Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
28
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer van gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants.
Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes), of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toets externe veiligheid Ten behoeve van de beoordeling van mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de risicokaart geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over risicovolle bedrijven, transportroutes en buisleidingen. In de navolgende figuur is een uitsnede van de risicokaart opgenomen.
Plangebied
Figuur 14 Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de risicokaart blijkt dat op een afstand van ca. 600 meter van het plangebied een tweetal aardgasleidingen (NEN3650) aanwezig zijn,. Door deze ruime afstand kan worden geconcludeerd dat deze buisleidingen geen risico vormen voor onderhavig planvoornemen. Conclusie externe veiligheid Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘externe veiligheid’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.1.8.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming over plannen en projecten. Het gaat hierbij enkel Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
29
om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waardoor het milieu mogelijk nadelig wordt beïnvloed. Als uitgangspunt gelden voor plannen, waaronder wijzigingsplannen, onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: • Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; • Plannen die kader stellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Passende beoordeling Ten aanzien van het eerste criterium geldt dat er in deze situatie geen sprake is van een plan waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000gebieden. In § 4.2.2 is een uitgebreide toelichting opgenomen voor de mogelijke effecten van het plan op de Natura 2000-gebieden. Op basis van deze paragraaf kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling geen significant negatief effect heeft op Natura2000-gebieden en een passende beoordeling niet nodig is. Kaderstellend plan Een ruimtelijk plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r..
Voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van vee zijn de grenswaarden opgenomen in categorie C14 en D14.
Normstelling Besluit m.e.r. In de K-categorie is sprake van een oprichting van een installatie met 13 volwassen paarden (K.1). Hiermee wordt onder de grenswaarden van 51 en 100 gebleven, waardoor met een Melding Activiteitenbesluit kan worden volstaan. De overige 47 jonge paarden tot 3 jaar (K.2) vallen onder dieren in opfok, en hoeven niet te worden meegeteld. De bestaande vleesvarkensstal op deze locatie biedt ruimte voor de huisvesting van 960 vleesvarkens. Om destijds te kunnen voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting, zijn er op 19 november 2019 141 dierplaatsen ingetrokken. Door de vleesvarkensstal volledig aan te sluiten op luchtwassers, kunnen deze dierplaatsen weer in gebruik worden genomen. In de beoogde situatie wordt voldaan aan het Besluit emissiearme huisvesting. Bovenstaande activiteit is opgenomen in de D-lijst (categorie D14), maar valt onder de drempelwaarde waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Met de wijziging van de m.e.r.-richtlijn, dient er voor gevallen beneden de drempelwaarde op vergelijkbare wijze informatie te worden aangeleverd als bij de gevallen boven de drempelwaarde. Omdat belangrijke nadelige milieugevolgen niet op voorhand kunnen worden uitgesloten, is een aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling vereist.
Uit de aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De volledige aanmeldingsnotitie met bijbehorende bijlagen zijn bijgevoegd als bijlage 8. Conclusie vormvrije m.e.r. beoordeling Gelet op vorenstaande wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieueffecten vanwege het project kunnen worden uitgesloten. Het aspect ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
30
4.2.
Overige planologische aspecten
In de navolgende paragrafen worden de volgende overige planologische aspecten onderzocht: kabels en leidingen, natuurbescherming, archeologie en cultuurhistorie, waterhuishouding én verkeer en parkeren.
4.2.1.
Kabels en leidingen
Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. De hoogspanningsleiding “Maasbracht – Dodewaard” ligt op een afstand van ca. 2,5 km van het plangebied. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. Voordat er machinaal gegraven wordt zal er een KLIC-melding gemaakt worden om relevante kabels en leidingen in beeld te brengen.
Plangebied
Figuur 15 Uitsnede netkaart (bron: webkaart.hoogspanningsnet.com)
Conclusie kabels en leidingen Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘kabels en leidingen’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2.2.
Natuurbescherming
Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn regels gesteld met betrekking tot gebiedsbescherming, soortenbescherming en bescherming van houtopstanden. In deze paragraaf wordt getoetst of de beoogde ontwikkeling invloed heeft op beschermde gebieden en beschermde soorten die zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
31
Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Natura 2000-gebieden worden per 1 januari 2017 beschermd door de Wet Natuurbescherming (Wnb). De Wnb vervangt onder meer de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998). In Nederland zijn 164 Natura 2000-gebieden aangewezen. Artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb heeft betrekking op de vergunningplicht in verband met Natura 2000gebieden (Habitatrichtlijn- en Vogelrichtlijngebieden) binnen en buiten Nederland. Op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb is een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist voor het realiseren van projecten of het verrichten van andere handelingen die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van het gebied kunnen aantasten. Een uitbreiding van een veehouderij kan negatieve effecten hebben op de Natura 2000-gebieden. Vooral de storingsfactoren verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn van toepassing bij de ontwikkeling van veehouderijen.
Daarnaast kunnen andere factoren eveneens leiden tot een verstoring van habitattypen en soorten. Toets verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht In de huidige situatie betreft de emissie 1.308,2 kg NH3/jaar. In de beoogde situatie is sprake van een emissie van 595,7 kg NH3/jaar. Gezien de vergunde emissie is er geen toename van stikstof te verwachten als gevolg van de beoogde situatie. Ter controle hiervan is een verschilberekening gemaakt met AERIUS - Calculator. Hieruit volgt dat er geen verschillen zijn boven 0,00 mol/ha/jr. De AERIUS berekening is bijgevoegd als bijlage 7. Toets overige storingsfactoren De beoogde ontwikkeling leidt, door de grote afstand van 4,2 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, verder niet tot andere voorkomende storende factoren op omliggende Natura 2000-gebieden zoals oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, optische verstoring, verstoring door mechanische effecten en bewuste verandering soortensamenstelling. Conclusie gebiedsbescherming Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘gebiedsbescherming’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is ook geregeld in de Wet Natuurbescherming (Wnb).
De wet geldt voor iedereen die negatieve effecten veroorzaakt op exemplaren of leefgebied van beschermde planten en dieren. Voor alle planten en dieren geldt een algemene zorgplicht. Activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantensoorten zijn verboden. Wel zijn onder de nieuwe Wet Natuurbescherming enkele definities aangepast. Zo is opzettelijk verstoren niet meer strafbaar en is opzettelijk verstoren van vogels in sommige situaties toegestaan. Maar verstoren zonder tevoren goed onderzoek naar beschermde soorten te hebben uitgevoerd, blijft strafbaar. Van bedreigde planten- of diersoorten worden lijsten gepubliceerd. Het broedseizoen duurt globaal van 15 maart tot en met 15 juli. De bescherming van vogels is echter niet gebaseerd op een datum, maar op het daadwerkelijke broedseizoen. Dat kan ook al voor 15 maart of na 15 juli zijn. Het broedseizoen begint niet pas wanneer de eieren gelegd zijn. Het broedseizoen gaat al van start met de paarvorming, territorium afbakenen en het bouwen van nesten. In deze tijdsspan worden vogels, hun nesten en eieren beschermd door de Flora- en faunawet. Nesten mogen niet verwijderd, verstoord of leeggehaald worden. Toets natuurloket Uit bestudering van de provinciale natuurgegevens blijkt dat ter plekke van het plangebied, in de periode 2012 – 2021, waarnemingen van broedvogels zijn gedaan.
Het betreft waarnemingen van een o.a. een zwarte kraai Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
32
en een veldleeuwerik. Volgens de legenda betreft dit een schaarse of zeldzame soort, echter bevinden zij zich niet binnen het plangebied, waardoor verstoring van deze soorten uitgesloten kan worden.
Zwarte Kraai 1
Plangebied
Veldleeuwerik 2
Figuur 16 Uitsnede kaart Natuurgegeven Provincie Limburg (bron: natuurgegevensprovincielimburg.nl)
Toets effectenindicator Door middel van de ‘Effectenindicator soorten’ van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, gekeken of de werkzaamheden voor het realiseren van de beoogde situatie een bedreiging vormt voor de beschermde soorten. Uit de Effectenindicator volgt dat de aanwezigheid van beschermde soorten onwaarschijnlijk is, zie navolgende afbeelding.
Figuur 17 Uitsnede effectenindicator soorten (bron: synbiosys.alterra.nl)
Conclusie soortenbescherming Gezien het huidige gebruik van het plangebied als landbouwgrond waarop de uitbreiding van het bouwvlak plaatsvindt, is de aanwezigheid van beschermde of bijzondere soorten niet te verwachten. De broedvogels zijn aangetroffen in of bestaande bouwwerken, of buiten het plangebied. Het bouwen van de nieuwe stal vindt plaats buiten het broedseizoen. Toets flora Uit de bestudering van de provinciale natuurgegeven blijkt dat binnen de grenzen van het plangebied, in de periode 2006 – 2019, een waarnemingen van flora zijn gedaan. Het betreft waarnemingen van onder andere gewoon biggenkruid en schapenzuring. Deze waarneming is gedaan op het huidige bouwvlak, waar de bestaande varkensstal gerealiseerd is. Ter plekke van de te realiseren stal zijn geen waarnemingen van Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
33
beschermde flora gedaan. Ook is gezien het huidige intensieve gebruik van de landbouwgronden waarop de uitbreiding van het bouwvlak plaatsvindt, het niet aannemelijk dat deze beschermde flora nog aanwezig is.
Plangebied
Figuur 18 Uitsnede soortenindicator soorten (bron: synbiosys.alterra.nl)
Conclusie Natuurbescherming Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘natuur’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2.3.
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Op basis van het verdrag van Malta (Valetta, 1992) is sinds september 2007 de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht. De gemeente heeft de wettelijke taak gekregen om verantwoord om te gaan met het archeologisch erfgoed (zorgplicht). De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard. • er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie.
Gemeentelijk archeologiebeleid Om inzicht te verschaffen in de aanwezigheid en het karakter van de archeologische en historische resten is binnen de gemeente Venray een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en cultuurhistorische waardenkaart opgesteld. De verwachtingskaart geeft zones aan die op grond van landschapsaspecten en vindplaatsdichtheden een middelhoge (waarde archeologie 1), hoge (waarde archeologie 2) tot zeer hoge (waarde archeologie 3) trefkans hebben op het aantreffen van archeologische resten. Locaties met een lage verwachtingswaarde zijn buiten beschouwing gelaten. De archeologische waarden (gebieden met zeer hoge, hoge en middelhoge verwachtingswaarde) worden beschermd door middel van een dubbelbestemming en het bijbehorende aanlegvergunningstelsel.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
34
Toets archeologie In het bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’ is het plangebied deels gelegen in een gebied met de dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie - 2’. Op gronden die als ‘Waarde – archeologie 2’ zijn bestemd, mag op basis van de onderliggende bestemming(en) worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m 2 mag worden verstoord. Indien de verstoring meer dan 500 m 2 bedraagt én deze verstoring dieper gaat dan 50 cm, moet er een archeologisch rapport worden overlegd. In onderhavig planvoornemen bedraagt de oppervlakte van de beoogde paarden-opfokstal ca. 4.239 m2. Echter ligt er maar een klein gedeelte van de stal binnen de dubbelbestemming archeologie, ca. 1.517 m 2. De spanten van de stal worden op beton gezet, welke 35 cm diep liggen, waardoor de diepte van 50 cm niet overschreden wordt. De beoogde paddock ligt met ca. 1.338 m 2 binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’, waarbij de oppervlakte van 500 m 2 wordt overschreden. Echter wordt bij de aanlegwerkzaamheden van de paddock en het plaatsen van de omheining niet dieper gegraven dan 50 cm, waardoor de diepte hier eveneens niet wordt overschreden. In het plangebied wordt niet dieper gegaan dan 50 cm, waardoor het aspect ‘archeologie’ geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.
Cultuurhistorie Artikel 3.1.6, lid 4, van het Besluit ruimtelijke ordening schrijft voor dat de overheid bij het nemen van een planologisch besluit verplicht is om in de toelichting te motiveren op welke wijze rekening is gehouden met cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie gemeente Venray Bij cultuurhistorische waarden kan onder meer gedacht worden aan kastelen en landhuizen met bijbehorende kasteeltuinen en beschermde buitenplaatsen, watermolens met bijbehorende molenbiotopen en monumentale boerderijen. Daarnaast zijn in het bestemmingsplan buitengebied Venray 2010 als cultuurhistorisch waardevolle landschap de Schootslinie en het open akkercomplex (de esgronden) als dubbelbestemming opgenomen. Toets cultuurhistorie In het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Conclusie archeologie en cultuurhistorie Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘archeologie en cultuurhistorie’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2.4.
Verkeer en parkeren
Met betrekking tot de onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Verkeer Het plangebied blijft via de huidige inrit ontsloten op de Lorbaan. Als gevolg van onderhavig planvoornemen is er sprake van een lichte toename aan verkeersbewegingen met licht- en zwaar verkeer. De toekomstige verkeersbewegingen van het paardenopfokbedrijf zijn als volgt in te delen: • ca. 10 personenauto’s per dag (dagperiode): 20 verkeersbewegingen per dag licht verkeer; • ca. 4 vrachtwagens per week (dagperiode): maximaal 8 verkeersbewegingen per week zwaar verkeer. Bij licht verkeer is rekening gehouden met bezoekers (ook voor de groom), dierenarts, onkruidverdelger etc. Bij zwaar verkeer is rekening gehouden met het bevoorraden van het bedrijf (ca. één tot twee keer per week) alsook het halen en/of brengen van paarden/veulens. Het toekomstige paardenopfokbedrijf voorziet in de huisvesting van 60 paarden. Ten opzichte van de bestaande situatie neemt het aantal verkeersbewegingen licht toe. De Lorbaan en omliggende Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
35
ontsluitingswegen hebben voldoende capaciteit om deze extra verkeers- en vervoersbewegingen van en naar het bedrijf op te vangen. De bestaande ontsluitingswegen van de bedrijfslocatie hoeven derhalve niet gewijzigd te worden. Parkeren In de beleidsnota ‘Parkeernormen’ van de gemeente Venray is voor een paardenhouderij een norm opgenomen van 0,4 parkeerplaatsen per paardenbox in het buitengebied. De totale parkeerbehoefte in de toekomstige situatie komt daarmee uit op 24 parkeerplaatsen (0,4 x 60). Gelet op de beoogde functie, huisvesting van 60 fokpaarden, het geen manegefunctie betreft alsook het feit dat de groom gehuisvest is op de onderhavige locatie, wordt een parkeerbehoefte van 24 parkeerplaatsen onrealistisch hoog geacht. Zoals uit de toelichting onder ‘verkeer’ blijkt, is er sprake van maximaal tien personenauto’s per dag. Deze voertuigen zijn niet gelijktijdig maar verspreid over de dag aanwezig. Op basis van deze praktijksituatie wordt de aanwezigheid van maximaal acht parkeerplaatsen op eigen terrein als passend beschouwd om in de parkeerbehoefte te kunnen voorzien. In de onderstaande figuur zijn de parkeerplaatsen inzichtelijk gemaakt. Worst-case wordt uitgegaan van tien parkeerplaatsen. Derhalve is er op onderstaande locatie, naast de tien benodigde parkeerplaatsen, nog ruim voldoende plaats beschikbaar voor ‘extra’ parkeerplaatsen.
Figuur 19 Uitsnede landschappelijk inpassingsplan met aangegeven parkeerplaatsen (bron: landschappelijk inpassingsplan Lorbaan 4b, Veulen)
Conclusie verkeer en parkeren Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘verkeer en parkeren’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2.5.
Waterhuishouding
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dienen waterhuishoudkundige belangen meegewogen te worden. De ‘watertoets’ is hiervoor het toetsinstrument. Het doel van de watertoets is het voorkomen van waterproblemen, zoals wateroverlast en verdroging. Nieuwe plannen dienen te voldoen aan het principe van Hydrologisch Neutraal Ontwikkelen, waarbij de hydrologische situatie minimaal gelijk moet blijven aan de oorspronkelijke situatie. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na realisatie van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Hiermee wordt het functioneren van het watersysteem als geheel gediend (grondwater en oppervlaktewater). Watertoets Waterschap Limburg Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht om alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. In deze hebben de Limburgse
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
36
waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het waterschap. Om te bepalen of een plan aan het watertoetsloket moet worden voorgelegd, is de ‘digitale watertoets’ ontwikkeld. Door middel van het intekenen van het projectgebied en het beantwoorden van vragen wordt bepaald welke procedure van toepassing is. Resultaat vergunning checker De antwoorden leveren bij Waterschap Limburg en andere overheden geen juridische verplichtingen op.
Figuur 20 Uitsnede vergunning checker Waterschap Limburg (bron: www.waterschaplimburg.nl)
Afvalwater en hemelwater Afvalwater Het huishoudelijk afvalwater en het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke zal niet worden aangesloten op de riolering, maar wordt aangesloten op de gierkelder/mestput van de vleesvarkensstal. Dit geldt eveneens voor het afvalwater van de stallen (dat vrijkomt bij het reinigen van de stallen), dit zal met de mest worden afgevoerd. Hemelwater afkomstig van onverhard en semi-verhard oppervlak Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak Bij nieuwbouw dient 100% van het verharde oppervlak afgekoppeld te worden. Indien er wordt geloosd op waterschapswater geldt het beleid van het Waterschap Limburg. In de onderhavige situatie wordt niet geloosd op waterschapswater derhalve kan volstaan worden met het gemeentelijke beleid. Op basis van het ‘Gemeentelijk Rioleringsplan 2022-2025’ van de gemeente Venray dient de bergingscapaciteit van de infiltratievoorziening gedimensioneerd te worden op 60 mm per m 2 verhard oppervlak. De beoogde ontwikkeling resulteert in een toename van het verharde oppervlak (bebouwing en verharding) van 6.445 m2.
Vanwege de hoge infiltratiecapaciteit is het mogelijk om een deel van het hemelwater , afkomstig van de erfverharding, direct te laten infiltreren binnen de onverharde gronden. De oprit en een deel van de erfverharding ten noorden van de nieuwe bebouwing (1.150 m2) liggen onder afschot naar de aangrenzende grasgronden. Het hemelwater dat neerslaat op deze verharding zal dan ook direct infiltreren binnen deze aangrenzende onverharde gronden. Er is gerekend met een maximale afstand van 5 meter vanaf de verharding, waarmee het oppervlak dat ingezet wordt voor in infiltratie van het hemelwater van de verharding vastgesteld is op 830 m 2. Met een vastgestelde K-waarde van 1m/dag ligt de infiltratiecapaciteit van deze gronden op 830 m 3. Dit is ruim voldoende voor de vereiste hemelwaterinfiltratie van enkel de verharding welke hierop afstroomt. Deze kan op basis van 60 mm/m2 verharding, vastgesteld worden op (1150 x 0,06) 69 m 3.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
37
De overige verharding en bebouwing met een oppervlakte van (4395 + 900) 5295 m 2 wordt aangesloten op de infiltratievijver aan de voorzijde van het perceel. Op basis van de Toetssteen van Venray, met de bergings/infiltratie-eis van 60 mm/m2 verhard oppervlak, kan de vereiste infiltratie-/ bergingscapaciteit van de infiltratievoorziening worden vastgesteld op (5295 x 0,06) afgrond 318 m 3. De infiltratievijver krijgt een oppervlakte van 330 m 2, een talud van 1:2 en een maximaal effectieve diepte van 0,9 meter. De totale bergingscapaciteit kan hiermee worden vastgesteld op ca 240 m 3. Met een oppervlakte van 330 m2 en een K-waarde van 1m/dag heeft de infiltratievoorziening een infiltratiecapaciteit van 330 m 3/dag. De totale capaciteit van de dynamische bergings- en infiltratievoorziening kan worden vastgesteld op ca. (240 + 330) 570 m3. De leeglooptijd van de infiltratievoorziening kan worden vastgesteld op (240/ (330/ 24) 17,5 uur. Daarnaast ligt aan de voorzijde van het perceel ca 10 cm lager dan de direct aangrenzende gronden. Door deze ruimte in te zetten als noodinfiltratie bij extreme neerslag wordt de totale bergingscapaciteit vergroot met 80 m3. Onderstaand een weergave van de hydrologische situatie bij onderhavig planvoornemen
Figuur 21 Hydrologisch situatie onderhavig planvoornemen (bron: landschappelijk inpassingsplan, Bergs Advies, 22-092022)
De volledige toelichting op de waterhuishouding staat opgenomen in het landschappelijk inpassingsplan welke bijgevoegd is als bijlage 1. Conclusie waterhuishouding Gelet op vorenstaande vormt het aspect ‘waterhuishouding’ geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.
4.2.6.
Niet gesprongen explosieven
De gemeente Venray heeft tijdens de Tweede Wereldoorlog zwaar onder vuur gelegen. Binnen het gehele grondgebied van de gemeente bestaat daarom de kans dat er nog niet gesprongen explosieven in de grond aanwezig zijn. Dit zijn explosieven die zijn afgevuurd, maar nog niet tot ontploffing zijn gekomen. Bij eventuele uitbreidingen en ontwikkelingen waarbij de grond na de Tweede Wereldoorlog nog niet is geroerd of waarvoor nog geen nader onderzoek is verricht naar de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) dient er vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en veiligheid onderzoek te worden verricht. Explosievenonderzoek brengt de aanwezigheid en risico's van explosieven uit de Tweede Wereldoorlog in kaart. Indien noodzakelijk worden deze explosieven vervolgens verwijderd en onschadelijk gemaakt.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
38
De onderstaande figuur bevat een uitsnede uit de oorlogshandelingenkaart.
Figuur 22 Uitsnede oorlogshandelingen kaart (bron: https://reaseuro.nl/oorlogshandelingenkaart)
Zowel het Nederlandse leger als het Duitse leger hebben voor en tijdens de oorlog verdedigingslinies aangelegd. De bekendste linies zijn de Grebbelinie en de Peel-Raamstelling. Om deze linies hebben intensieve gevechten plaatsgevonden waardoor explosieven in de bodem terecht kunnen zijn gekomen. Het is echter ook mogelijk dat terugtrekkende troepen in alle haast overtollige wapens en munitie hebben gedumpt of begraven. Conclusie niet gesprongen explosieven Aangezien de gronden van het plangebied na de Tweede Wereldoorlog zijn geroerd in het kader van diverse landbouwactiviteiten is de kans klein dat ter plaatse van het plangebied nog NGE aanwezig zijn. Echter kan niet met zekerheid worden gesteld dat er geen NGE aanwezig zijn op onderhavige locatie. Derhalve wordt geadviseerd om voorafgaand aan de grondwerkzaamheden een detectieonderzoek uit te laten voeren.
4.3.
Duurzaamheid
Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden net het waterhuishoudingssysteem, omgevingsinvloeden landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat. Eveneens kan gelet worden op het soort materiaal alsook de herkomst, om dit initiatief zo duurzaam mogelijk te maken. In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Als onderdeel van het plan wordt in het kader van landschappelijke inpassing groen aangeplant op de locatie. Dit groen draagt bij aan een versterking van de groen- en landschapsstructuren in de omgeving. Bij de beoordeling van de aanvraag omgevingsvergunning zal door de gemeente op de duurzaamheidsaspecten worden getoetst.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
39
5.
Juridische planopzet
Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en voorliggende toelichting.
5.1.
Toelichting op de verbeelding
Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen hierbinnen. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:2000. Bij het tekenen van de verbeelding zijn de uitgangspunten uit de SVBP2012 gehanteerd.
5.2.
Toelichting op de regels
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: • Inleidende regels; • Bestemmingsregels; • Algemene regels; • Overgangs- en slotregels. Voor het vormgeven van de regels van onderhavig bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de regels van het vigerend bestemmingsplan ‘Buitengebied Venray 2010, herziening regels’. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. Artikel 1 bevat de definities van begrippen die van belang zijn voor toepassing van het plan. Artikel 2 betreft de wijze van meten waarin wordt aangegeven hoe bij toepassing van de regels wordt gemeten. In beide artikelen is, conform de SVBP2012, een aantal standaardbegrippen en een aantal standaard meetwijzen opgenomen. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Voor het plangebied geldt de enkelbestemming ‘Agrarisch’ (Artikel 3). De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. De bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, afwijken van de bouwregels en specifieke gebruiksregels.
Ook zijn er afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik opgenomen. Tevens gelden voor het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ (Artikel 4). Op of in de als ‘Waarde – Archeologie – 2’ aangewezen gronden mag op basis van de onderliggende bestemming(en) worden gebouwd, waarbij de grond voor maximaal 500 m2 (gemeten op maaiveldniveau) mag worden verstoord. Indien de verstoring meer dan 500 m2 bedraagt, én dieper reikt dan 50 cm, dient de aanvrager een archeologisch rapport te overleggen. Tevens geldt de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Beschermingszone watergang’ (Artikel 5). Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming van de nabij gelegen waterlopen. Hoofdstuk 3 Algemene regels Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels voor het gehele plangebied. Artikel 6 Antidubbeltelregel Deze regel zorgt er voor dat gronden niet dubbel worden meegerekend bij het toestaan van bouwplannen.
Bestemmingsplan ‘Lorbaan 4b, Veulen’
40
Artikel 7 Algemene aanduidingsregels Hierin staan de regels ten aanzien van de gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgbied’. Artikel 8 Algemene afwijkingsregels Hierin wordt bepaald waarvoor burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bestemmingsplan. Artikel 9 Overige regels In dit artikel zijn een aantal bepalingen opgenomen omtrent; Werking wettelijke regelingen; Uitsluiting aanvullende werking bouwverordening; Prioriteit van dubbelbestemmingen; Oprichting van (beperkt) kwetsbare objecten; Oprichting risicovolle activiteiten; Geurzone rioolgemaal; Strijdig gebruik. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In de overgangsregels (Artikel 10) is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling (Artikel 11) opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld. Bijlagen Bij de planregels is een bijlage bijgevoegd. Het betreft het landschappelijk inpassingsplan (bijlage 1).