03 Energiestrategie 2030 Venray
Tekst van het document
22
https://www.rvo.nl/onderwerpen/energiesysteem/nationaal-plan-energiesysteem
23
https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/07/06/kamerbrief-zonnebrief
24
Wanneer zout en zoetwater met elkaar in contact komen, ontstaat er elektriciteit.
25
Ionen worden doorgelaten van de ene vloeistof door een membraan naar de andere vloeistof. Dit veroorzaakt een elektrische stroom die kan worden opgevangen door de elektrode.
39
4.3.3 Samenwerking in energieclusters In een decentraal energiesysteem waarbij we lokaal hernieuwbare energie opwekken willen we die energie idealiter ook lokaal gebruiken. Een decentraal energiesysteem koppelt zowel groot- als kleinschalig gebruik aan elkaar. Er zullen clusters gebruikers komen, bijvoorbeeld in de vorm van een energiehub in een wijk of op een industrieterrein.
Figuur 4.6: Bedrijventerrein als (smart) energiehub
Energie- of mobiliteitshubs Een energiehub is een lokale samenwerking tussen meerdere partijen op het gebied van energie. Deze partijen stemmen energieopwek, -opslag, -conversie en -verbruik op elkaar af met behulp van digitale technologie zodat de totale piekvraag wordt verlaagd. Dit kunnen bedrijven maar ook groepen huishoudens zijn. De energie wordt bij voorkeur op of direct rond de hub opgewekt. De opslag van de opgewekte energie kan plaatsvinden in batterijen (ook batterijen van (vracht)auto’s) of in de vorm van waterstof. In de eerste plaats willen we bedrijven helpen om energie uit te wisselen en elkaars bedrijfsprocessen op elkaar af te stemmen om vraag en aanbod op elkaar af te stemmen. Het lokaal afstemmen van vraag en aanbod van energie kan bijdragen aan het verlagen van de energierekening. Ook kunnen deze energiehubs helpen bij het voorkomen van overbelasting door samenwerking en onderlinge afspraken over efficiënt energieverbruik. Opgave voor het vestigingsbeleid is om rekening te houden met energieprofiel van nieuwe bedrijven zodat dit bijdraagt aan een efficiënt energienetwerk.
40
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Een toekomstrobuust energiesysteem ontwikkelen
4.3.4 Speerpunten We hanteren de volgende speerpunten om tot sterke en slimme netwerken te komen.
Speerpunt 19: Omzetting van hernieuwbare stroom in groene waterstof Venray wil de ontwikkeling van de productie van groene waterstof verder stimuleren, bij voorkeur in directe combinatie met de ontwikkeling van zonneenergie. We willen pilots mogelijk maken en ondersteunen initiatieven om ervaring op te doen met de productie (en distributie) van groene waterstof. Venray beschikt over infrastructuur die ruimte kan bieden aan waterstof. Er is een gasverdeelstation Ysselsteyn. Mogelijk kan daar in de toekomst waterstof direct ingevoerd worden op een (aangepaste) gasleiding. Ook is er in Horst aan de Maas een waterstof tankstation waaraan mogelijk geleverd kan worden. Industrie (mogelijk een energiehub) is een andere potentiële afnemer.
Speerpunt 20: Opslag in batterijen We vinden het belangrijk om, aansluitend op het beleid van de rijksoverheid, ervaring op te doen met de inzet van batterijen. We willen pilots ondersteunen die netcongestie kunnen tegengaan en daarbij denken we in de eerste plaats aan:
* Batterijopslag bij zonneparken: grootschalige batterijen kunnen ervoor zorgen dat meer zonneparken zonder netverzwaring op dezelfde netaansluiting
kunnen worden aangesloten. Het is nodig om een versnelling van de uitrol van hernieuwbare opwek te kunnen faciliteren. Daarnaast voorzien we dat de aanleg van batterijopslag bij nieuwe zonnevelden verplicht gaat worden26.
* Gridbatterijen: op zichzelf staande batterijparken die louter worden gebouwd om pieken en dalen in het stroomnet op te vangen.
* Thuis of wijkbatterij (ook bedrijventerreinen): dag- nacht verschillen worden hiermee opgevangen.
Speerpunt 21: Opslag van warmte en koude in de bodem We volgen samen met de regiogemeenten de ontwikkelingen rondom de opslag van warmte en willen ervaring opdoen met de toepassing hiervan. Dit zal ook onderdeel worden van de herziening van de Transitievisie Warmte in 2024.
26
https://open.overheid.nl/documenten/f5e579da-c9ce-4ce2-aad1-425968367b04/file
41
Speerpunt 22: Onderzoek naar de mogelijkheden voor gericht vestigingsbeleid voor bedrijven We onderzoeken of het mogelijk is om bij de uitgifte van nieuwe bedrijfsterreinen het energieprofiel een rol te laten spelen. Hierdoor kunnen de gevolgen van netcongestie voor bedrijven geminimaliseerd worden. We streven daarbij naar een optimaal afgestemde vraag en aanbod van elektriciteit en eventuele restwarmte of waterstof.
Speerpunt 23: Energie- en mobiliteitshubs op bedrijventerreinen We faciliteren en stimuleren de ontwikkeling van energie- en mobiliteitshubs. De meeste kansen hiervoor liggen op het bedrijventerrein Smakterheide.
42
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Een toekomstrobuust energiesysteem ontwikkelen
43
44
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Organisatie
5. Organisatie Om uitvoering te geven aan de energiestrategie wordt een passende organisatie ingericht, de benodigde middelen worden gereserveerd en er wordt samenwerking in de regio gezocht. Omdat ontwikkelingen elkaar in rap tempo opvolgen kiezen we voor een wendbare organisatiestructuur en regelmatige peilmomenten. Uitvoeringsprogramma’s De speerpunten uit de voorgaande hoofdstukken worden vertaald in een programmatische aanpak met een uitvoeringsprogramma gekoppeld aan elke programmalijn. De aanpak volgt waarschijnlijk de volgende vier programmalijnen:
* Energie besparen (in afstemming met de Transitievisie Warmte 2022-2030 en het Uitvoeringsprogramma Warmte en Besparen Periode 2022-2025)
* Nieuwe energiemix * Decentrale hernieuwbare opwek * Sterke en slimme netwerken Middelen De financiële consequenties zullen pas duidelijk worden bij deze uitwerking van de energiestrategie in uitvoeringsprogramma’s. De verwachting is dat de bestaande budgetten alsmede de aangevraagde rijksbudgetten niet voldoende zijn voor de uitvoering. Vanuit het Venray Vergoent budget zijn wel de opgenomen onderzoeken en verkenningen (personele lasten en onderzoeken) gedekt. Monitoring Als onderdeel van de afzonderlijke uitvoeringsprogramma’s werken we een monitoringsstrategie uit. Hiermee toetsen we niet alleen of we op koers liggen om de gestelde CO2 reductiedoelen en ambities richting 2030 te behalen maar ook of we de invulling van het toekomstige energiesysteem, zoals nu voorgesteld, verder richting kunnen geven of aan moeten passen.
45
Interne organisatie De interne organisatie moet aansluiten op de uitvoeringsprogramma’s. Omdat het onderwerp energietransitie verschillende domeinen raakt, willen we per programmalijn een integrale werkgroep inrichten met vertegenwoordigers uit de relevante domeinen. De voorlopige opzet is als volgt. De definitieve opzet voor de interne projectorganisatie bepalen we aan de hand van de uitvoeringsprogramma’s.
Programma energie
Werkgroep besparen
Werkgroep nieuwe energie-mix
Werkgroep decentraal systeem incl. hernieuwbare opwek
Regisseur gebiedsvisie Werkgroep gebiedsvisie
Werkgroep slimme en sterke netwerken (energy hub)
Figuur 5.1: Voorlopige opzet interne projectorganisatie
Projectmatig en wendbaar werken Binnen de werkgroepen kan gewerkt worden volgens een projectmatige methode of een agile (wendbare) methode. Bij projectmatig werken liggen begin- en eindpunt precies vast en worden deelresultaten in een tijdsplanning gezet. Bij agile werken wordt in korte sprints gewerkt die telkens een deelresultaat opleveren maar is het eindresultaat nog niet volledig uitgewerkt.
Agile Check en monitoring
Uitvoeren
Check en monitoring
Aanpassen
Voorbereiden en plannen
Aanpassen
Ophalen/ analyseren
Deelresultaat
Agile
Ophalen/ analyseren
Uitvoeren
Check en monitoring
Voorbereiden en plannen
Aanpassen
Deelresultaat
Uitvoeren
Agile
Ophalen/ analyseren
Voorbereiden en plannen Deelresultaat
Projectmatig Uitvoeringsplan
46
Ophalen/ analyseten
Voorbereiden en plannen
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Uitvoeren
Check en monitoring
Aanpassen
Deelresultaat
Organisatie
Lokale samenwerking De gemeente werkt samen met andere partijen in de uitvoeringsprogramma’s die volgen op de strategie. Denk hierbij bijvoorbeeld aan:
* Ondernemers en ondernemersverenigingen. * Inwonerscollectieven als energiecoöperaties en dorpsraden. * Partijen rondom de besparingen in de gebouwde omgeving: Woningcorporaties, duurzaam bouwloket, Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Limburg.
* Netbeheerders: Enexis, TenneT en Gasunie. * Samenwerkingen rondom kennis en kennisoverdracht zoals binnen de RES NML en andere gemeenten.
Regionale samenwerking Via de RES NML wordt samengewerkt op de thema’s energie besparen, energiesystemen, duurzame warmte en organisatie & participatie. De samenwerking binnen de thema’s richt zich op onderzoek en kennisdeling. Deelnemers in de RES NML zijn: de vijftien gemeenten in Noord- en Midden-Limburg, Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Enexis. Via het samenwerkingsverband tussen acht gemeenten in Noord Limburg: Trendsportal wordt samengewerkt binnen de sector Mobiliteit.
47
48
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 1 KODE - Zon
Bijlage 1 KODE - Zon Kader Opwek Duurzame Energie (KODE) Op 29 oktober 2019 is KODE vastgesteld door de gemeenteraad en in 2021 is het kader geëvalueerd. In het kader van de herijking van de Energiestrategie 2030 is KODE herzien. De voorliggende nieuwe versie van KODE zijn de elementen uit de voorgaande editie en de evaluatie verwerkt en aangevuld met nieuwe kaders voor de opwek van groene waterstof en batterijopslag. Hiermee krijgt KODE een integraal karakter en sluit aan op de verbrede scope van de energiestrategie.
Doel Doel van het kader is om handelingsperspectief te geven aan initiatiefnemers, gemeente, inwoners en overige belanghebbenden. Daarbij ligt de nadruk op landschappelijke en ruimtelijke inpassing. We willen recht doen aan alle aspecten en betrokkenen inzake de noodzakelijke hernieuwbare opwek. Dit kader biedt mogelijkheden voor ontwikkelaars, grondeigenaars en inwoners (om te participeren en initiatieven te ontwikkelen) en tevens doet het recht aan het karakter en de functies van het landschap. Venray is en blijft mooi om te wonen, werken en leven. Daar zorgen we met elkaar voor. Zonneprojecten (initiatieven) die vergunningplichtig zijn op grond van het omgevingsplan (van rechtswege) of die vergunningplichtig zijn als buitenplanse omgevingsplanactiviteit kunnen worden vergund als het initiatief invulling geeft aan alle benodigde pijlers (doelen) zoals hieronder uiteengezet. Om initiatieven te kunnen toetsen zijn deze pijlers (doelen) uitgewerkt. Deze vormen het toetsingskader en daarmee het handelingsperspectief. Pijlers en doelen voor zonprojecten We onderscheiden vijf pijlers die vertaald zijn naar vijf doelen waaraan initiatieven middels uitgangspunten kunnen worden getoetst. Initiatiefnemers geven inzicht in de door hen gedane onderzoeken en afwegingen van de pijlers, vertaald in doelen, waaraan het initiatief wordt getoetst.
De vijf pijlers betreffen de vier pijlers uit de Omgevingsvisie (Ruimte, Omgeving, Locatie, Eigenaarschap) plus een extra vijfde pijler (Integraal):
* Ruimte: zuinig en zorgvuldig gebruik van de ruimte.
Onderscheid maken tussen gebieden waar zonneprojecten toegestaan of uitgesloten worden.
* Integraal: koppeling met andere opgaves.
Waar mogelijk uitgaan van dubbel ruimtegebruik, waar dit niet kan wordt gekeken of gebiedsontwikkeling door inzet van energieopwekking een impuls kan worden gegeven (denk aan agrarische ontwikkeling of natuurontwikkeling op den duur
49
* Omgeving: samenwerken aan een acceptabel plan.
Een robuuste omgevingsdialoog gedurende de planperiode en daarna.
* Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie.
Werken aan projecten die de kwaliteit van de omgeving verbeteren.
* Eigenaarschap: eerlijk verdelen van lusten en lasten.
Borgen dat de economische voordelen in aanleg en exploitatie voor een deel in de regio en gemeente blijven.
Ruimte
Toets 1 Zuinig en zorgvuldig ruimtegebrek
Integraal
Toets 2 Koppeling met andere opgaves
Omgeving
Toets 3 Samenwerken aan een acceptabel plan
Locatie
Toets 4 Esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit
Eigenaarschap
Toets 5 Eerlijk verdelen van lusten en lasten
De pijlers zijn hieronder nader uitgewerkt. Pijler 1: Ruimte, inzetten op zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik We volgen de Limburgse Zonneladder. De Limburgse zonneladder is in lijn met de motie Dik-Faber, die beschreven staat in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De Limburgse zonneladder is als volgt (niet volgtijdelijk): 1.
Op daken en gevels van gebouwen;
2.
Onbenutte terreinen in bebouwd gebied;
3.
Gronden in buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur;
4.
Gronden in gebruik voor landbouw en gronden gelegen binnen de groenblauwe mantel;
5.
Uitsluitingsgebieden (Natuurnetwerk Limburg en waterwingebieden en bestaande bos- of natuurgebieden binnen de groenblauwe mantel).
Essentie van deze lijn is om bij de duurzame opwek van zonne-energie landbouwgronden en natuurgebieden zoveel mogelijk te ontzien (deels uitsluitingsgebieden en nee-tenzijprincipe). De gemeente richt haar beleid primair op zon op dak en op gevels én het benutten van andere mogelijkheden in bebouwd en onbebouwd gebied (meervoudig ruimtegebruik treden 1 t/m 3).
50
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 1 KODE - Zon
zonPV op daken en gevels
zonPV in bebouwd gebied
zonPV un landelijk gebied Landbouwgrond en Groenblauwe mantel
Uitsluitingsgebieden
bijvoorbeeld
bijvoorbeeld
bijvoorbeeld
bijvoorbeeld
bijvoorbeeld
● Woningen
● Parkeerplaatsen
● (Voormalige) stortplaatsen
● Grootschalige energielandschappen
● Natuurnetwerk Limburg
● Publiek en maatschap- ● Ingebruikte kavels en grond pelijk vastgoed ● Commercieel vastgoed ● Restruimte (bedrijfpanden)
● Waterzuiverings installaties ● Bermen spoor- en autowegen ● Agrarisch bouwblok
● Waterwingebieden ● Bestaande bos- en natuurgebieden gelegen in de groenblauwe mantel
Uitsluitingsgebieden: waar kan het niet? In de volgende gebieden is de aanleg van zonneparken uitgesloten.
Legenda Zonnekaart Kernen – daken Bedrijventerreinen – daken Uitsluitingsgebieden Uitsluitingsgebieden Ja, mits gebieden oude ontginningen Ja, mits gebieden jonge ontginningen 500m zone kernen
51
Natuurgebieden Verspreid door de gemeente liggen natuurgebieden met een scala aan labels, zoals delen van het Maasdal, gebieden deel uitmakend van NatuurNetwerk Nederland, de via POL Limburg benoemde goud-, zilver- en bronsgroene gebieden. Deze gebieden hebben een natuurdoel en vormen mede ecologische (verbindings)zones. Realisatie van zonneparken past hier niet in. Beekdalen Zoals aangegeven in de Handreiking Landschap van de RES-NML zijn beekdalen te kleinschalig voor grootschalige zonneparken. Dit zou alleen kunnen door aanpassing van de landschappelijk structuur van het beekdal en dat vindt de gemeente niet wenselijk. Essen De nu nog zichtbare essen zijn van cultuurhistorisch belang en vormen een belangrijk onderdeel van het landbouwsysteem dat vroeger (en deels nog) gemeengoed was. De bolle ligging als gevolg van het opbrengen van mest en plaggen is nog steeds herkenbaar en zichtbaar. Vanwege de beleving, openheid en afleesbaarheid van de historie van deze gebieden, cultuurhistorische en landschappelijke waarde sluiten we esgronden uit om zonneparken op te realiseren. Nabij dorpen en wijken Zonneweides groter dan 5 ha liggen op minimaal 500 meter van de rand van een dorp of wijk, tenzij omwonenden akkoord gaan in geval de zonneweide dichterbij ligt. We gaan uit van een zone van 500 meter rond de bebouwde kom. Industrie- of bedrijventerrein behoeven geen zonering.
Waar kan het onder voorwaarden wel? Venray heeft de Limburgse zonneladder vertaald in een Venrayse zonneladder met ‘meersporenbeleid’, waarbij we gelijktijdig inzetten op zonne-energie op daken, reststroken, bouwvlakken en cultuurgronden. Voor zonneparken hebben we als gemeente gekozen om twee gebieden te onderscheiden: oude en jonge ontginningen. Aanleiding is de ruimtelijke opbouw en schaal. Elk gebied kent zijn eigen kwaliteit en daaraan koppelen we schaalgroottes, totaal omvang en inpassingcriteria. De vijf sporen van de Venrayse zonneladder zijn:
* Spoor 1: Daken van panden * Spoor 2: Stroken langs snel- en spoorwegen, plassen, oude stortplaatsen e.d. * Spoor 3: Bouwvlakgerelateerde zonneparken * Spoor 4: Oude ontginningen * Spoor 5: Jonge ontginningen
52
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 1 KODE - Zon
Via deze sporen wordt meer dan ruimte geboden dan benodigd om de opwekambitie 2030 te realiseren. De extra ruimte is nodig omdat in de praktijk niet alle vergunde initiatieven daadwerkelijk worden uitgevoerd en we alvast willen voorsorteren op de 2050-doelstelling. In het kader voor zonneprojecten maken we in navolging van de RES NML onderscheid tussen:
* Grootschalige opwek: * Zon-op-dak: meer dan 50 zonnepanelen (meer dan 15 kWp); * Zon-op-veld: meer dan 10 ha zonnepanelen (meer dan 10 MWp); * Middelgrote opwek: Dit zijn zon-op-veld initiatieven van meer dan 2 ha en minder dan 10 ha ruimtebeslag. Ook meerdere aaneengesloten kleinschalige initiatieven die samen meer dan 2 ha omvatten, vallen onder deze definitie.
* Kleinschalige opwek: Dit zijn initiatieven door bewoners, bedrijven en collectieven met maximaal 2 ha ruimtebeslag of zoveel minder dat er geen bestaande
kavelgrenzen worden overschreden en waarin de stroom wordt opgewekt voor eigen gebruik. Zon-op-dak met minder dan 50 zonnepanelen valt ook onder deze categorie. Dit onderscheid is een onderdeel van de onderbouwing voor de keuze van de pijlers waaraan voldaan moet worden per spoor. Spoor 1: Daken van panden Dit betreft het plaatsen van zonnepanelen op bedrijven, kantoren, accommodaties (bijvoorbeeld gemeentelijk vastgoed), woningen en woongebouwen. Dit is in de regel vergunningvrij; uitzonderingen zijn bijvoorbeeld monumentale gebouwen of als het niet past in het omgevingsplan. Om te na te gaan of een vergunning nodig is, kan de initiatiefnemer een vergunningcheck doen op het Omgevingsloket Online (https://www. omgevingsloket.nl/Particulier/particulier/home). Spoor 2: Stroken langs snel- en spoorwegen, plassen, oude stortplaatsen e.d. De aanleg van zonneparken is vergunningplichtig. Zonneparken worden bij voorkeur aangelegd op onbenutte terreinen langs weg-, water- of railinfrastructuur (bermen, geluidsschermen of –wallen, oksels van op/afritten), op voormalige stortplaatsen of in dubbelfuncties met parkeren, etc. Randvoorwaarde is:
* Er wordt voldaan aan de pijlers ‘Locatie’, en ‘Omgeving’. Aan de pijlers ‘Integraal’ en ‘Eigenaarschap’ hoeft niet te worden voldaan omdat het benutten van reststroken
en vml. stortplaatsen en evt. andere brownfields reeds voldoende maatschappelijke waarde oplevert.
53
Spoor 3: Bouwvlakgerelateerde zonneparken Dit betreft de vergunningplichtige aanleg van zonneparken op (voormalig) bouwvlakken van (agrarische) bedrijven gelegen in het buitengebied. Randvoorwaarden zijn:
* het beleggen van in totaal maximaal 40 ha op (voormalige) bouwvlakken die verspreid over de gemeente zijn gelegen.
* Voor agrarische bedrijven die volledig stoppen en waar het agrarisch bouwvlak
is wegbestemd, gelden de volgende aanvullende voorwaarden: De oppervlakte van een zonnepark inclusief landschappelijke inpassing en alle bijbehorende voorzieningen is niet groter dan de grootte van het bouwvlak zoals opgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 of het bestemmingsplan Buitengebied Venray 2010 herziening locaties met een maximum van 6 ha.
* Voor (bestaande) agrarische bedrijven die alleen stoppen met hun intensieve
veehouderij en waar op de locatie een agrarisch bouwvlak blijft gelden de volgende aanvullende voorwaarden: zonnepanelen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd, mits eerst de daken voor zonnepanelen maximaal benut worden voor zover de constructie dit toelaat. Buiten het bouwvlak zijn geen mogelijkheden.
* Voor stoppende of gestopte bedrijven: panelen mogen binnen het totale voormalige bouwvlak met een maximum (bruto)maat27 van 6 ha onder de voorwaarde dat de
sloop van de leegstaande bebouwing is gerealiseerd.
* Er wordt voldaan aan de pijlers ‘Locatie’ en ‘Omgeving’. Aan de pijlers ‘Integraal’ en ‘Eigenaarschap’ hoeft niet te worden voldaan omdat het om ontwikkelingen binnen de perceelsgrenzen gaat. Spoor 4: Oude ontginningen Dit betreft de gebieden die worden gekenmerkt door een kleinschalige en meer organische structuur. Uitgesloten gebieden als beekdalen vormen een belangrijk onderdeel van dit gebiedstype. Buiten de uitgesloten gebieden geven de oude ontginningen alleen ruimte voor zonneparken met een beperkte schaalgrootte want anders wordt de landschappelijke kwaliteit te veel aangetast. Binnen spoor 4 is ruimte voor in totaal maximaal 50 ha aan initiatieven. Initiatieven worden op volgorde van binnenkomst getoetst en wanneer de 50 ha vergund is, worden geen nieuwe initiatieven meer in behandeling genomen. Mocht een initiatief onverhoopt geen doorgang vinden, dan wordt de volgende aanvraag of aanvragen alsnog in behandeling genomen. Randvoorwaarden zijn: 28
* De maximale (bruto)maat voor deze zonneparken is 25 ha aaneengesloten. * Bij zonneparken groter dan 5 ha bedraagt de tussenafstand minimaal 1.000 meter. * De initiatiefnemer toont aan dat de opgewekte energie kan worden afgezet via het stroomnet dan wel lokaal kan worden afgenomen, omgezet of opgeslagen.
54
27
de maat van de panelen inclusief landschappelijke inpassing
28
de maat van de panelen inclusief landschappelijke inpassing
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 1 KODE - Zon
* Er wordt voldaan aan alle overige pijlers ‘Integraal’, ‘Locatie’, ‘Omgeving’ en ‘Eigenaarschap’.
Spoor 5: Jonge ontginningen Dit betreft het buitengebied tussen Vredepeel en Ysselsteyn. Dit zijn gebieden met een grootschaliger en orthogonale structuur, landbouwstroken staan haaks op de wegenstructuur. Het gebied biedt daarmee ruimte aan de grotere schaal grondgebonden zonneparken. Door de ontwikkelingen in het landbouw- en natuurbeleid zijn of worden sommige gronden te nat of te droog voor landbouwgebruik. Deze gronden komen als eerste in aanmerking voor grootschalige zonneparken. In de sporen 1 t/m 4 komen initiatiefnemers met een plan en de gemeente heeft een toetsende rol en verleent de vergunning als aan de voorwaarden van het toetsingskader wordt voldaan. In spoor 5 heeft de gemeente niet alleen een toetsende rol maar is ook regisseur van de gebiedsontwikkeling. Spoor 5 vraagt namelijk om een gebiedsvisie om koppelkansen in het gebied zoveel mogelijk te verzilveren. De initiatieven in spoor 5 komen tot stand na een intensief gebiedsproces met de omgeving en de stakeholders. De ambitie in spoor 5 is om in de jonge ontginningen 100 ha aan zonnepanelen te realiseren. Het te doorlopen gebiedsproces kent een flexibel karakter zodat alle ruimte aanwezig is om een lokale invulling te geven. Globaal ziet het proces er als volgt uit:
* De gemeente bakent een potentieel kansrijk gebied voor zonneparken af. Er wordt gekeken met een integrale blik waarbij onder andere het principe bodem- en watersturend een rol heeft.
* De gemeente start een ontwikkelgericht gebiedsproces met de omgeving (bewoners, bedrijven, grondeigenaren) en initiatiefnemers (bewoners,
grondeigenaren, ontwikkelaars, coöperaties) en bepaalt met hen de eisen en wensen waaraan de gebiedsontwikkeling moet voldoen en de nadere in- of aanvulling van de pijlers 2 t/m 5. De gemeente legt dit vast in een gebiedsvisie.
* De gemeenteraad neemt een besluit over de gebiedsvisie. * Na de gebiedsvisie volgen de ontwerpfase, de planfase, de voorbereidingsfase en de realisatiefase.
* Indien blijkt dat de te verwachten ontwikkeling volgens het gebiedsproces niet
tot stand kan komen zal het college van B&W een voorstel voor een vervolg in dit gebied doen.
Minimale randvoorwaarden voor de gebiedsontwikkeling zijn: 29
* De minimale (bruto)maat
is 25 ha aaneengesloten en er moet in totaal minimaal
100 ha zonnepanelen worden gerealiseerd zodat ter plekke een onderstation voor aansluiting kan worden aangevraagd. Samen met de plannen in de gemeenten Deurne en Horst aan de Maas ontstaat zo voldoende massa voor een extra onderstation.
29
de maat van de panelen inclusief landschappelijke inpassing
55
* De initiatiefnemer toont aan dat de opgewekte energie kan worden afgezet via het stroomnet dan wel lokaal kan worden afgenomen, omgezet of opgeslagen.
* Er wordt voldaan aan alle overige pijlers ‘Integraal’, ‘Locatie’, ‘Omgeving’ en
‘Eigenaarschap’. Een aanvullende eis vanuit de pijlers integraal en locatie voor spoor 5 is dat het park een toegevoegde waarde moet hebben voor het landschap. Zoals door inpassing van een -in afstemming met de Gemeente Venray overeen te komen- aantal te planten bomen, dit gezien de grootschaligheid van de ontwikkeling.
Pijler 2: Integraal, koppeling met andere opgaves Naast de opwek van duurzame energie wordt ook gekeken naar de andere opgaven in het betreffende gebied (zoals opgaven uit het Limburgs Programma Landelijk Gebied (LPLG), de transitie nationale parken en de gebiedsuitwerking NOVEX-gebied De Peel. Ook zijn er in het gebied diverse agrariërs die (willen) stoppen met hun bedrijf. Hierbij wordt gekeken naar de kansen en mogelijkheden om duurzame energieopwekking met de andere opgaven te integreren zodanig dat ze elkaar versterken en een robuust toekomstbestendig gebied ontstaat. Meervoudig ruimtegebruik speelt hierbij een rol (bijvoorbeeld met natuur of juist door teelt onder of tussen panelen). Mogelijk kan de opwek van duurzame energie hierin een vliegwiel zijn voor de andere ontwikkelingen. Samenwerking tussen inwoners, initiatiefnemers, overige belanghebbenden en de gemeente is daarbij noodzakelijk. Concrete voorbeelden van integraliteit zijn de combinatie met versterking landschap, biodiversiteit, cultuurhistorische en/of recreatieve waarden. Ook de relatie met natuurbehoud en daarmee samenhangende vernatting/waterbeheer is een mogelijke koppelkans. Onder pijler 1 is aangegeven in welke ruimtelijke sporen aan pijler 2 moet worden voldaan. Randvoorwaarden voor pijler 2 zijn:
* Initiatieven voor zonneparken zijn alleen toegestaan als sprake is van meervoudig ruimtegebruik.
* Van de bovenstaande regel mag worden afgeweken als na voldoende onderzoek
blijkt dat meervoudig ruimtegebruik niet kan. In dat geval moet worden onderzocht of gebiedsontwikkeling door inzet van energieopwekking een impuls kan worden gegeven (denk aan agrarische ontwikkeling of natuurontwikkeling op den duur).
* De vitaliteit van de bodem wordt gedurende de levensduur van het zonnepark zo
goed mogelijk in stand gehouden zodat de bodem zijn functie ook in de toekomst kan behouden. Hiertoe worden de panelen op zodanige wijze geplaatst dat de water- en lichthuishouding zo goed mogelijk op peil blijft.
Pijler 3: Omgeving: samenwerken aan een acceptabel plan De initiatiefnemer verplicht zich tot het doen van aanzienlijke inspanningen om het maximale resultaat te bereiken in het betrekken van de directe omgeving in de fase van planvorming. De initiatiefnemer volgt hiervoor de Handleiding Omgevingsdialoog Venray, zie: Initiatiefnemer | Gemeente Venray
56
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 1 KODE - Zon
In het startgesprek met de gemeente worden nadere afspraken over de uitvoering van de Omgevingsdialoog en een participatieplan gemaakt. Met het Participatieplan maak je duidelijk waarom je bewoners betrekt bij je project, om welke bewoners(groep) het gaat, wat voor soort participatie-instrument je gebruikt, waar en wanneer de bewonersparticipatie plaats vindt, en hoe de fasen in het participatieproces verlopen. Het gaat hierbij niet alleen om de inspanning zelf maar ook om het aantonen hiervan. Dat laatste speelt een cruciale rol en maakt onderdeel uit van de onderbouwing bij de vergunningaanvraag. De bijeenkomsten en inspraak van omwonenden gaan vooraf aan de vergunningsprocedure en komen niet in plaats van eventuele zienswijzen of formele inspraakprocedures. Pijler 4: Locatie: esthetica, inpassing, verbetering kwaliteit en ecologie Een goede landschappelijke inpassing heeft te maken met de wijze waarop een zonnepark ruimtelijk logisch aansluiting vindt bij de kenmerken van de plek waar deze beoogd wordt. Dit vraagt telkens om andere oplossingen en een voor die plek passend plan. Iedere plek heeft daarbij zijn eigen verhaal en kenmerken zoals bebouwingsstructuren, verkavelingspatronen en landschapselementen. Voor alle grondgebonden zonneparken moet het landschap leidend zijn voor de inrichting en vormgeving.
Hiervoor zijn op verschillende schaalniveaus ontwerpprincipes voor een landschappelijke inpassing, te weten: het landschap, de kavel en het object. Nieuwe ingrepen mogen het landschap wel veranderen maar niet overheersen omdat andere belangen zoals toerisme, leefbaarheid, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol moeten blijven spelen. Door de werkgroep Landschap RES NML is een handreiking opgesteld voor grootschalige energie opwek van zon op land (Handreiking Landschap, RES-NML, versie 1, juli 2021), zie: 3.2-RES-Handreiking-Landschap-Zon-op-Land-DEF-versie-3.pdf (resnml.nl). Uitgangpunt hierin zijn zoekgebieden waar mogelijkheden voor grootschalige opwek van energie van zon niet zijn uitgesloten. De handreiking bestaat uit een deel waarin de uitgangspunten en kenmerken worden beschreven van de geschikt bevonden landschapstypen die de basis vormen voor leidende beginselen en ontwerpprincipes. In een tweede deel volgt de methodiek voor een lokale toepassing via een stappenplan. Oriëntatie zonnepanelen Om grote stroompieken te voorkomen worden de zonnepanelen bij voorkeur in een oostwest georiënteerde opstelling geplaatst en niet in een zuidgerichte opstelling.
Pijler 5: Eigenaarschap: eerlijk verdelen van lusten en lasten Een belangrijk onderdeel in het komen tot een acceptabel plan is de mogelijkheid partner te zijn in het plan, om mede-eigenaarschap te voelen voor en van gemeenschap en gemeente. Dit kan door financiële participatie mogelijk te maken. Doel is ervoor te zorgen dat de revenuen van lokale opwekprojecten ook meer lokaal en regionaal blijven. Het
57
Klimaatakkoord streeft ernaar dat voor 2030 de helft van de opwek van hernieuwbare energie, zoals zonne- en windenergie, in eigendom is van burgers en bedrijven uit de lokale omgeving. Per project kunnen de wensen van bedrijven en bewoners uit de omgeving om mee te profiteren verschillen. Dit geldt ook voor de mogelijkheden binnen de grenzen van de business case. De partij die het initiatief neemt voor het project (bijvoorbeeld een bedrijf of energiecoöperatie) gaat daarom in gesprek met de omgeving om hierover afspraken te maken. Als gemeente sluiten wij ons aan bij dit streven uit het Klimaatakkoord. Energiecoöperaties kunnen de participatiegraad vergroten door gebruik te maken van de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking (SCE), de opvolger van de Postcoderoosregeling. Wij gaan uit van de volgende cijfers rond participatie (zie tabel hieronder). Dit kan lopen via een energiecoöperatie, maar kan ook lopen via een constructie die de initiatiefnemer organiseert. Aandeel
Zonnepanelen op veld
Coöperatieve participatie
Minimaal 10%
Van de initiatiefnemer
Maximaal 90% indien energiecoöperatie 100%
Uitgangspunt is dat de initiatiefnemer minimaal 10% (en bij voorkeur meer, we streven naar 50% of meer, conform Klimaatakkoord en de RES NML) van het park, in opgesteld vermogen of oppervlak, ter beschikking stelt voor een bepaalde vorm van participatie door inwoners, bedrijven en/of organisaties uit de gemeente. De initiatiefnemer moet een marktconform rendement bieden aan de participanten.
Looproutes bij zonneprojecten Omgevingsvergunning- en plan In overleg met de initiatiefnemer wordt gekozen voor een passende procedure. Vergunningen worden in beginsel voor 25 jaar aangevraagd en afgegeven. Dit houdt in dat het zonnepark na ingebruikname gedurende 25 jaar geëxploiteerd mag worden. Het park dient binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de verleende omgevingsvergunning gerealiseerd te worden. Het verlenen van omgevingsvergunningen onder de omgevingswet is een bevoegdheid van het college. In geval van wijziging omgevingsplan passen we de bestemming van het terrein waarop de zonnepanelen worden aangebracht niet aan en blijft dit zoals in het omgevingsplan benoemd. Bijvoorbeeld: grond met een agrarische bestemming behoudt deze tijdens de exploitatie van een zonnepark en heeft na de exploitatietermijn nog steeds deze bestemming. Let wel in spoor 3 staat aangegeven wat de regels zijn omtrent (voormalig) bouwvlakken.
58
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 1 KODE - Zon
Planovereenkomst met initiatiefnemers Met initiatiefnemers waarvan we het plan willen toestaan en vergunnen gaan we als gemeente een planovereenkomst opmaken. Daarin leggen we verschillende zaken vast, zoals: de landschappelijke inpassing en nakomen ervan, de participatiemogelijkheden en opruimen van de installatie.
59
Bijlage 2 KODE - Wind Kader Opwek Duurzame Energie (KODE) Op 29 oktober 2019 is KODE vastgesteld door de gemeenteraad en in 2021 is het kader geëvalueerd. In het kader van de herijking van de Energiestrategie 2030 is KODE herzien. De voorliggende nieuwe versie van KODE zijn de elementen uit de voorgaande editie en de evaluatie verwerkt en aangevuld met nieuwe kaders voor de opwek van groene waterstof en batterijopslag. Hiermee krijgt KODE een integraal karakter en sluit aan op de verbrede scope van de energiestrategie. Grote windturbines Momenteel worden projecten met grote windturbines in Venray beperkt door de radaren aanvliegzone van de vliegvelden de Peel en Volkel. Voor windprojecten worden nieuwe landelijke normen ontwikkeld. Zodra deze beschikbaar zijn, kijken we wat deze normen betekenen voor de mogelijkheden voor windenergie in Venray in relatie tot de ligging van de vliegvelden en wordt een bijpassend beleidskader ontwikkeld. Kleine windturbines (tiphoogte max. 15 meter, max. 20 kW)
* Zijn mogelijk tot beperkte hoogte, afhankelijk van ligging * Goede procedure in het kader van de omgevingswet * Omgevingsdialoog * Vergunning, wijziging omgevingsplan
60
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 3 KODE - Waterstof
Bijlage 3 KODE - Waterstof Kader Opwek Duurzame Energie (KODE) Op 29 oktober 2019 is KODE vastgesteld door de gemeenteraad en in 2021 is het kader geëvalueerd. In het kader van de herijking van de Energiestrategie 2030 is KODE herzien. De voorliggende nieuwe versie van KODE zijn de elementen uit de voorgaande editie en de evaluatie verwerkt en aangevuld met nieuwe kaders voor de opwek van groene waterstof en batterijopslag. Hiermee krijgt KODE een integraal karakter en sluit aan op de verbrede scope van de energiestrategie. We willen ruimte geven aan de opwek van waterstof uit hernieuwbaar opgewekte energie en daarvoor gelden de volgende bepalingen. Planning Inzicht in en een gesprek over het geplande tijdspad maakt deel uit van de procedure. Ruimtelijke inpassing Naast de ruimtelijke bepalingen vanuit veiligheid zijn er een aantal aanvullende voorkeuren:
* Zoveel mogelijk in samenhang met planfase en ontwerp van nieuw te ontwikkelen zonneparken of in de toekomst mogelijk ook windturbines.
* In het buitengebied en zoveel mogelijk op bestaande bouwvlakken. * Zo dicht mogelijk bij de eindgebruiker. Veiligheid De opwek en opslag van groene waterstof en groengas leidt tot veiligheidsrisico’s voor de omgeving vanwege het brand- en explosiegevaar. Het omgevingswetinstrumentarium en dan met name het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vormt hierbij het regelgevend kader. Landelijk zijn verschillende omgevingsdiensten bezig om een passend kader te ontwikkelen. De gemeente volgt deze ontwikkelingen op de voet en toetst periodiek met de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Limburg waar het kader voor vergunningverlening moet worden aangepast. Op moment van schrijven van deze strategie bestaat er enkel een generiek richtsnoer waterstofveiligheid van het RVO. Bij het bepalen van de risico’s en effecten van waterstof is niet de productie, maar het transport en de opslag vooral bepalend voor de risico’s. Hierbij bepaalt de inhoud en druk van het insluitsysteem de omvang van de effecten voor de omgeving. Voor de kleinschalige productie van waterstof (< 400 kg per dag) door middel van elektrolyse volgen we vooralsnog het Memo Landelijk Platform Veilige Leefomgeving. Dit memo vereenvoudigt het proces en biedt van een handvat voor het behandelen door niet-
61
BRZO-omgevingsdiensten van aanvragen voor kleinschalige produceren van waterstof passend bij de schaal en risico’s van deze activiteit (geen emissie van gevaarlijke stoffen, geen fabricage op industriële schaal). Risico’s voor de omgeving worden vastgesteld op basis van QRA (kwantitatieve risico analyse). Bij grootschalige productie zoals bij zonneweides kan het niet volgens bovenstaande ‘versimpelde’ procedure middels QRA. Er zullen zeker nog nieuwe ontwikkelingen volgen die van invloed zijn op voorliggend toetsingskader, altijd worden de nieuwste wettelijke normen en voorschriften gevolgd.
62
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 4 KODE - Batterijopslag
Bijlage 4 KODE - Batterijopslag Kader Opwek Duurzame Energie (KODE) Op 29 oktober 2019 is KODE vastgesteld door de gemeenteraad en in 2021 is het kader geëvalueerd. In het kader van de herijking van de Energiestrategie 2030 is KODE herzien. De voorliggende nieuwe versie van KODE zijn de elementen uit de voorgaande editie en de evaluatie verwerkt en aangevuld met nieuwe kaders voor de opwek van groene waterstof en batterijopslag. Hiermee krijgt KODE een integraal karakter en sluit aan op de verbrede scope van de energiestrategie. Naast waterstof kunnen batterijen worden gebruikt om overschotten aan geproduceerde hernieuwbare elektriciteit tijdelijk op te slaan. Batterijen krijgen een steeds belangrijkere rol in het energiesysteem. In het concept-Nationaal Programma Energie wordt veel van batterijopslag verwacht30. Ontwikkelingen rondom de opslag in batterijen volgen elkaar in rap tempo op en we vinden het belangrijk om, aansluitend op het beleid van de rijksoverheid, ervaring op te doen met de inzet van batterijen. Ruimtelijke inpassing
* Indien gekoppeld aan zonneparken dan zoveel mogelijk in samenhang met planfase en ontwerp van nieuw te ontwikkelen zonnepark.
* Plaatsing van (grootschalige) batterijen zoveel mogelijk in het buitengebied en op bestaande bouwvlakken.
Veiligheid Bij de grootschalige opslag van elektriciteit in batterijen, zoals buurtbatterijen of batterijopslag in een energiehub op een bedrijventerrein moeten we wel rekening houden met veiligheidsrisico’s voor de omgeving vanwege het kortsluitings- en brandgevaar. Het Omgevingswetinstrumentarium en dan met name het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) vormt hierbij het regelgevend kader. De gemeente ziet via de Regionale Uitvoeringsdienst Noord-Limburg toe op de toepassing van deze kaders bij de vergunningverlening.
30
Concept-Nationaal plan energiesysteem: Hoofddocument | Rapport | Rijksoverheid.nl)
63
Bijlage 5 Beleidsachtergronden en opgave per sector Kader Opwek Duurzame Energie (KODE) Op 29 oktober 2019 is KODE vastgesteld door de gemeenteraad en in 2021 is het kader geëvalueerd. In het kader van de herijking van de Energiestrategie 2030 is KODE herzien. De voorliggende nieuwe versie van KODE zijn de elementen uit de voorgaande editie en de evaluatie verwerkt en aangevuld met nieuwe kaders voor de opwek van groene waterstof en batterijopslag. Hiermee krijgt KODE een integraal karakter en sluit aan op de verbrede scope van de energiestrategie.
Sector elektriciteit: beleidsachtergrond en -uitgangspunten Landelijk beleid Klimaatakkoord Voor de sector Elektriciteit is afgesproken dat in 2030 komt 70 procent van alle elektriciteit uit hernieuwbare bronnen. Dat gebeurt met windturbines op zee, op land en met zonnepanelen op daken en in zonneparken. Tegelijk groeit de vraag naar elektriciteit. Omdat de stroomvoorziening meer afhankelijk wordt van het grillige weer zijn veel maatregelen nodig om de levering betrouwbaar te houden. Dat vraagt om een flexibel energiesysteem dat zorgt dat vraag en aanbod matchen. Uitgangspunt van nationaal beleid is ook om bij lokale projecten erna te streven om burgers en kleine plaatselijke bedrijven voor de helft eigenaar te laten worden. (Financiële) participatie is dus een belangrijk voorwaarde voor het opschalen van duurzame opwek. Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vanuit het Rijk is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld, een lange termijn visie op de ontwikkeling en inrichting van de leefomgeving. De transitie naar duurzame energie vergt veel ruimte, maar er zijn ook andere belangrijke opgaven zoals natuurbehoud en woningbouw die ruimte opeisen. De NOVI helpt bij het maken van keuzes en staat voor een gebiedsgerichte aanpak waarbij de kwaliteit van de omgeving centraal staat. Voor de energietransitie zijn er vanuit de NOVI een aantal belangrijke uitgangspunten.
Allereerst moet de energie-infrastructuur geschikt worden gemaakt voor duurzame energiebronnen inclusief het reserveren van de benodigde ruimte. Daarnaast wordt duurzame energie ingepast met oog voor de kwaliteit van de omgeving en worden deze gecombineerd met zo veel mogelijk andere functies. Zo wordt gedacht aan bijvoorbeeld het plaatsen van zonnepanelen op daken en het clusteren van windturbines op geschikte locaties. Door deze gebiedsgerichte aanpak kan de energietransitie op een duurzame en kwalitatief hoogwaardige manier plaatsvinden, waarbij rekening wordt gehouden met alle belangrijke opgaven voor de leefomgeving.
64
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 5 Beleidsachtergronden en opgave per sector
Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Omgevingswet Het landelijk ruimtelijk beleid speelt ook een belangrijke rol bij het vormgeven van nieuwe duurzame energie-initiatieven. De gemeente bepaalt in haar bestemmingsplannen welk gebruik er mag worden gemaakt van de gronden en welke bebouwing is toegestaan. Dit is van cruciaal belang voor bijvoorbeeld het plaatsen van windturbines of andere initiatieven die niet passen binnen het huidige bestemmingsplan. Door middel van het ruimtelijk beleid en het afwegen van belangen kan er een gebalanceerd plan worden gemaakt voor het opwekken van nieuwe duurzame energie. Zo kan er rekening worden gehouden met de wensen en behoeften van de gemeenschap, terwijl tegelijkertijd wordt voldaan aan de ambitieuze doelen voor duurzame energieopwekking en -gebruik. Er worden nieuwe landelijke normen voor windenergie ontwikkeld. Provinciaal beleid Omgevingsverordening Limburg In de Omgevingsverordening zijn regels ogenomen over de grootschalige opwek van zonne- en windenergie. De meest recente versie van de Omgevingsverordening is vastgesteld in december 2021 en treedt in werking op het moment dat de Omgevingswet van kracht wordt, naar verwachting 1 januari 2024. Een belangrijk element in de Omgevingsverordening is de Limburgse Zonneladder.
De Limburgse zonneladder is in lijn met de motie Dik-Faber, die beschreven staat in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De Limburgse zonneladder is als volgt (niet volgtijdelijk): 1.
Op daken en gevels van gebouwen;
2.
Onbenutte terreinen in bebouwd gebied;
3.
Gronden in buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur;
4.
Gronden in gebruik voor landbouw en gronden gelegen binnen de groenblauwe mantel;
5.
Uitsluitingsgebieden (Natuurnetwerk Limburg en waterwingebieden en bestaande bos- of natuurgebieden binnen de groenblauwe mantel).
Essentie van deze lijn is om bij de duurzame opwek van zonne-energie landbouwgronden en natuurgebieden zoveel mogelijk te ontzien (deels uitsluitingsgebieden en nee-tenzijprincipe). Inspanningen richten zich primair op zon op dak en op gevels én het benutten van andere mogelijkheden in bebouwd en onbebouwd gebied (meervoudig ruimtegebruik treden 1 t/m 3).
65
Provincie bevoegde gezag voor windparken De Provincie is het bevoegd gezag voor windprojecten vanaf 5 MW (lees: twee of meer windturbines). In overleg kan van deze bevoegdheid worden afgezien. Per project vraagt dit om een besluit van Gedeputeerde Staten. Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) In het pMIEK, het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat, staat centraal hoe we de regionale energie-infrastructuur op een integrale manier gaan programmeren. Hierin staat hoe de provincie de komende jaren samen met stakeholders bouwt aan het energiesysteem voor de toekomst. Dit vraagt om een aanpak die verder gaat dan de bestaande samenwerking met de netbeheerders. Naast de overheden worden ook Energiegebruikers, elektriciteitsopwekkers en andere partijen betrokken. Regionaal beleid Het regionaal elektriciteitsbeleid is met name vertaald in de Regionale Energie Strategie (RES) Noord en Midden-Limburg (NML) en van belang voor gemeentelijk beleid. Regionale Energie Strategie In duurzame energieopwekking op land heeft de regio een grote rol. De RES NML heeft de ruimte gekregen zelf te bepalen hoe zij de doelen haalt om meer duurzame energie op te wekken. Doel van de RES is om in 2030 in totaal 1.200 GWh aan duurzaam opgewekte elektriciteit in de regio te produceren.
Regiovisie Noord-Limburg In de strategische regiovisie Noord-Limburg 2040 is een gezond leefklimaat als een van de belangrijkste pijlers benoemd. Dit beleidsdocument is een inspiratiebron voor nieuwe ontwikkelingen en initiatieven die bijdragen aan innovatie in de regio. Om deze doelstelling te bereiken, wordt er onder andere gekeken naar pilots voor energieopslag en -omslag. Daarnaast wordt er ook samengewerkt op het gebied van grootschalige energieopwekking met windturbines en zonneparken, onder de noemer ‘energieke gebiedsontwikkeling’. Hierdoor wordt er gestreefd naar een integrale benadering. Gemeentelijk beleid Collegeprogramma 2022 – 2026 In het collegeprogramma is opgenomen de landelijke doelstellingen uit het Klimaatakkoord als uitgangspunt te nemen voor gemeentelijk beleid. Andere speerpunten zijn de aandacht voor de op- en overslag van energie door de netcongestie in de regio en wordt de urgentie benadrukt om verder te kijken dan 2030, vanwege de stijgende vraag naar elektriciteit voor warmte en mobiliteit. Tot slot is het voornemen opgenomen om te kijken naar drie grote opweklocaties in de regio waarvan één in Venray/Horst aan de Maas. Kansen en mogelijkheden om duurzame energieopwekking te integreren met recreatie, toerisme,
66
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 5 Beleidsachtergronden en opgave per sector
natuur, waterbeheer en landbouw (innovatieve vormen en transitie) zodat ze elkaar versterken. Omgevingsvisie Venray (2021) In de Omgevingsvisie is over de energietransitie opgenomen dat de energietransitie om een actieve aanpak vraagt. We zetten ons in voor energiebesparing, duurzame opwek van energie, een duurzame gebouwde omgeving en duurzame mobiliteit. We monitoren onze inspanningen en herijken onze kaders, indien nodig. Per deelgebied betekent dit de volgende aanpak:
* Centrum: We zetten in op het verduurzamen van de panden door isoleren en
duurzame installaties (elektrisch koken, hybride warmtepomp) waardoor minder aardgas wordt gebruikt.
* In de woongebieden: We zetten in op het verduurzamen van de woningen met
zonnepanelen voor de eigen opwek van elektriciteit, door isoleren en duurzame installaties (elektrisch koken, hybride warmtepomp) waardoor minder aardgas wordt gebruikt.
* In de werkgebieden: We bevorderen duurzame energiemaatregelen en een circulaire economie.
* In de agrarische gebieden: We hanteren de zonneladder en kiezen voor een
evenwichtige ontwikkeling van zonneparken gekoppeld aan het landschapstype. We kijken naar andere mogelijkheden voor duurzame opwekking van energie en op- of overslag van energie, zoals de omzetting naar waterstof, groen gas uit mestvergisting, warmtewinning uit oppervlaktewater en dergelijke.
Kader Opwek Duurzame Energie (KODE) In 2019 heeft de gemeente een kader bepaald (KODE) dat zich specifiek richt op de lokale opwekking van duurzame energie. Naar aanleiding de dynamiek op het gebied van zonne- en windenergie, de infrastructuur, ontplooiing van participatie en om te kijken of het kader het beoogde effect heeft is in 2021 een evaluatie van KODE uitgevoerd. Hieruit blijkt onder meer dat het kader op sommige punten te star is en ontwikkelingen frustreert. Deze ervaringen en die uit het participatieproces van de voorliggende energiestrategie geven aanleiding om het kader op enkele punten te herzien. Het geactualiseerde kader is een integraal onderdeel van de voorliggende energiestrategie en is toegevoegd als bijlage.
Sector gebouwde omgeving: beleidsachtergrond en -uitgangspunten Nationaal beleid Klimaatakkoord Gemeenten hebben in het Klimaatakkoord de regie rol over de warmtetransitie in de gebouwde omgeving gekregen. Samen met bewoners en gebouweigenaren bepalen zij per wijk wat de beste oplossing is voor warmte en stroom: warmtenetten, warmtepompen, volledig elektrisch of nog anders.
67
In de periode tot en met 2030 gelden de volgende opgaven voor de gemeente:
* Vanaf 2021: Uitvoeringsplannen per wijk. Gemeenten werken in hun
uitvoeringsplannen de Transitievisie Warmte verder uit voor de gebieden die voor 2030 van het aardgas af gaan. Hierin maken ze uiteindelijk de definitieve keuze voor het warmtealternatief en de einddatum waarop een gebied van het aardgas af gaat.
* Vanaf 2022: Energy performance of buildings directive. Vastgoedeigenaren zijn
verplicht periodiek een EPBD-keuring te laten uitvoeren. Gemeenten zijn verplicht hierop te handhaven door steekproefsgewijs keuringsrapporten op te vragen.
* Vanaf 2023: per 1 januari 2023 moet een kantoorgebouw minimaal energielabel C hebben. De gemeente houdt toezicht en treedt op bij overtreding van deze verplichting. Dit betreft onder andere publiek vastgoed.
* Vanaf 2024: Deadline energiearmoede. Gemeenten hebben t/m 31 december 2024 om de middelen voor energiearmoede te besteden.
* Vanaf 2025: Gemeentelijk maatschappelijk vastgoed: vierjaarlijkse evaluatie.
90% van de Sectorale Routekaarten moet worden uitgevoerd conform planning.
* Vanaf 2026: Transitievisie warmte 2.0. Uiterlijk eind 2026 stellen alle gemeenten
hun TVW 2.0 vast. Daarin maken ze een planning welke gebieden wanneer van het aardgas af gaan. Voor de gebieden die voor 2035 aan de beurt zijn, maken zij ook de mogelijke warmteopties inzichtelijk.
* Vanaf 2027: Verbod op gebouwen met energielabel G. Gebouwen met label G
moeten omgebouwd worden naar minimaal energielabel C. De gemeente moet hierop toezien en handhaven.
Beleidsprogramma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving Voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving heeft in juni 2022 het ministerie van BZK het Beleidsprogramma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving (BVVGO) gepubliceerd. Door een mix van normering, beprijzing, financiering, subsidiering en ondersteuning wil het Rijk een duurzame woning voor iedereen binnen bereik gaan brengen. Natuurlijke momenten voor verduurzaming, zoals vervanging van de cv-ketel, groot onderhoud en aankoop van een nieuwe woning moeten optimaal benut gaan worden. Gelijktijdig zullen, onder regie van de gemeenten, wijken (collectief) worden verduurzaamd. De prioriteit ligt op energiebesparing, enerzijds door isolatiemaatregelen en anderzijds door zuinigere installaties. Ook krijgen gemeenten meer doorzettingsmacht om keuzes dwingend op te leggen. Regionaal beleid Regionale Energie Strategie Naast de verduurzaming van de elektriciteitsproductie wordt ook gekeken naar besparing van energie. In de RES 1.0 is de ambitie vastgesteld om door middel van energiebesparing en kleinschalige energieopwekking tenminste 25% CO2-emissiereductie te realiseren voor de gebouwde omgeving in 2030 ten opzichte van 2015. In de RES 1.0 is ook een Regionale Structuur Warmte (RSW) opgeleverd. Hierin wordt beschreven dat in de regio
68
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 5 Beleidsachtergronden en opgave per sector
nog onvoldoende kennis is over de potentie, haalbaarheid en toepassingsmogelijkheden voor geothermie, aquathermie en groengas. Met een gezamenlijke aanpak via de RES NML is het voornemen om voor deze technieken kennis op te doen. Gemeentelijk beleid Transitievisie Warmte Gemeente Venray 2022 - 2030 De lokale doorvertaling van de landelijke en regionale opgaves geschiedt in de Transitievisie Warmte (TVW). De Transitievisie Warmte (TVW) beschrijft de lokale visie van de gemeente om in 2050 alle gebouwen te verwarmen zonder aardgas en de strategie hiervoor tot 2030. Als tussendoel heeft Nederland in 2030 20% aardgasvrije woningen gedefinieerd. Dit is een landelijk streven, maar geen lokale verplichting. De doelen van Venray voor 2030 zijn als volgt geformuleerd:
* CO2-reductie ten opzichte van 2020 voor de gebouwde omgeving.
De Energiestrategie 2030 wordt herijkt en daarvoor worden de cijfers voor Venray opnieuw geanalyseerd. Op basis van deze getallen wordt bepaald welke doelen we willen bereiken in 2030;
* Grotere maatschappelijke betrokkenheid bij de warmtetransitie, zichtbaar door de aanwezigheid van meerdere samenwerkingsvormen die zich inzetten voor verduurzamen van gebouwen en door draagvlak voor energiebesparing;
* Helderheid over de toekomstige warmteoplossing voor ieder gebouw in Venray,
resulterend in een duidelijk stappenplan. In het bijzonder is er aandacht voor waar/ of een warmtenet toekomst heeft;
* De warmtetransitie geeft een impuls aan andere opgaves, zoals de opwekking van duurzame elektriciteit, sociale cohesie of klimaatadaptatie.
Uitvoeringsprogramma Warmte en Besparen 2022 - 2025 In de Transitievisie Warmte Gemeente Venray 2022-2030 zijn echter geen harde opgaves vastgelegd. Dit is wel gedaan in het Uitvoeringsprogramma Warmte en Besparen 20222025:
* Minimaal 3.000 woningeigenaren of huurders openen een dossier bij het Duurzaam Bouwloket om de verduurzamingsopties van hun huis te bespreken in de periode tot en met 2025.
* De gemeente Venray wil met hulp van het regionaal projectbureau in 2025 de eerste 254 koopwoningen van alle woningen met energielabel E,F & G verduurzaamd hebben (20 procent).
* Opstellen wijkaanpak. Maximaal vijf gebieden voor 2025 gestart met het opstellen van een wijkuitvoeringsplan (WUP)
Opgave voor de gebouwde omgeving in Venray In 2050 moeten 7 miljoen woningen en 1 miljoen gebouwen van het aardgas af. Dat betekent isoleren en gebruikmaken van duurzame warmte en elektriciteit. Als eerste stap moeten in 2030 de eerste 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd zijn. Dat betekent dat 20% van de bestaande panden voor 2030 aardgasvrij of aardgasvrijgereed
69
moet zijn. Dit laatste kan worden bereikt door slecht of matig geïsoleerde woningen met een energielabel C t/m G te isoleren. In Venray staan in totaal 19.184 woningen en 2.316 utiliteitsgebouwen. De sector gebouwde omgeving is voor 33% verantwoordelijk van de totale CO2-uitstoot in Venray. De ontwikkeling van de CO2-uitstoot sinds 2010 is in onderstaande grafiek weergegeven.
kton CO2 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 2010
2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
2021
Figuur 1: CO2-emissies van de gebouwde omgeving in Venray De CO2-emissie in de gebouwde omgeving is sinds 2010 met ca. 28% gedaald.
Energie besparen - isoleren en aardgasvrijgereed Nagenoeg alle panden maken nog gebruik van fossiele brandstoffen en moeten verduurzaamd worden. Geschat wordt dat ongeveer 50-60% van de panden nog onvoldoende geisoleerd is om aardgasvrij te worden (energielabel C of slechter). Dat betekent dat nog 10.00012.000 woningen van een betere isolatie moet worden voorzien. Voor de utiliteit komt dit neer op ca. 1.200 panden. Overschakelen op duurzame warmtebronnen – aardgasvrij Om de panden aardgasvrij te maken moeten deze worden voorzien van een nieuwe duurzame verwarmingsbron. Hiervoor zijn de volgende opties denkbaar:
70
ENERGIESTRATEGIE 2030 GEMEENTE VENRAY
Bijlage 5 Beleidsachtergronden en opgave per sector
* Individuele opties: iedere woning voorziet in zijn eigen warmte door middel van een eigen warmtebron, meestal in de vorm van een elektrische warmtepomp, al dan
niet met een hybridevariant als tussenoplossing. Naast een goede isolatie van de woningen is een goede elektriciteitsvoorziening een randvoorwaarde. Ook hier kan netcongestie (tijdelijk) voor aansluitproblemen zorgen.
* Collectieve opties met een warmtenet: een warmtenet voorziet de panden van
duurzame warmte afkomstig uit de bodem (geothermie, warmte-koudeopslag), het oppervlakte- of rioolwater (aqua-/riothermie) of de industrie (restwarmte). In Venray zijn naar verwachting weinig geschikte warmtebronnen aanwezig om een warmtenet op een economisch rendabele manier te kunnen voeden. In RES-NMLverband worden de kansen nader onderzocht.
* Collectieve opties met duurzame gassen: het bestaande aardgasnet wordt gebruikt voor de duurzame gassen in de vorm van groengas of groene waterstof. In de
periode tot 2030 is er nog veel te weinig van deze gassen beschikbar om op grote schaal woningen mee te verwarmen. Ook voor de periode daarna wordt verwacht dat de beschikbaarheid beperkt zal zijn en dat de gassen vooral zullen worden ingezet voor de zware mobiliteit en de industrie. In de gebouwde omgeving kunnen woningen die echt niet op een andere manier van energie kunnen voorzien zoals monumenten, met groengas of waterstof worden verwarmd. Door de stijgende energieprijzen van de afgelopen jaren hebben steeds meer Venrayse huishoudens te maken met energiearmoede. TNO definieert energiearmoede als huishoudens met enerzijds een laag inkomen en anderzijds óf een hoge energierekening óf een woning met een relatief lage energetische kwaliteit (energielabel E, F en G). Onderzoek van TNO laat zien dat meer dan 7 procent van de huishoudens in de gemeente Venray met energiearmoede te kampen heeft.
Sector industrie: beleidsachtergrond en -uitgangspunten Klimaatakkoord Vanuit het Klimaatakkoord zijn verschillende beleidsinstrumenten opgezet om de industrie te verduurzamen en de doelstellingen van 2030 en 2050 te halen. Veel CO2-reducerende maatregelen zijn afhankelijk van overheidshandelen, bijvoorbeeld van vergunningen of (aansluiting op) infrastructuur. Hieronder worden de voor gemeenten meest relevante thema’s benoemd:
* Slimme industrie: de industrie moet energie-efficiënter produceren aan de hand van verschillende technologieën en door middel van onderling meer restwarmte
uitwisselen. Daarnaast worden broeikasgassen als grondstof voor andere sectoren gebruikt. De tuinbouw kan bijvoorbeeld CO2 afnemen om de planten in de kas te laten groeien. Op waterstof wordt sterk ingezet door de industrie. De VNG is betrokken bij overleggen over regionale en landelijke infrastructuur en bij discussies over het gebruik van waterstof in de industrie, de gebouwde omgeving en de sector mobiliteit. Tot slot is intensieve samenwerking via regioclusters het doel.
71
* Schone industrie: in samenspraak met de sector elektriciteit en gebouwde omgeving moet de industrie gaan elektrificeren. Aardgas wordt op termijn
vervangen door duurzame elektriciteit, aardwarmte of groene waterstof. CO2 wordt opgeslagen in lege gasvelden via Carbon Capture Storage (CCS) en kan op termijn als grondstof dienen. Voor 2050 moet eveneens grondstoffen worden hergebruikt of vervangen door grondstoffen uit planten (biobased).
* Financiële afspraken: de industrie betaalt een flink deel van de kosten voor ombouw zelf. Bedrijven zijn vanuit de wet Milieubeheer verplicht om alle
energiebesparingsmaatregelen te nemen die binnen vijf jaar zijn terugverdiend. Beoogd is om eind 2023 deze systematiek die is uitgewerkt voor energiebesparende maatregelen wordt aangepast naar een CO2-doelstelling, en duurzame opwek wordt hierin ook meegenomen. Regionale Energie Strategie Voor het verduurzamen van de industrie zijn in de RES 1.0 verschillende doelen bepaald:
* Bedrijven voldoen aan de informatieplicht cf. Activiteitenbesluit Wm (t.z.t. Besluit activiteiten leefomgeving): melden energiegebruik en energiemaatregelen.